direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b, herziening Buitengebied, Dorpsstraat 193 en 199, Heerjansdam
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.1.1 Algemeen

Initiatiefnemer exploiteert aan de Dorpsstraat 193 in Heerjansdam een agrarisch bedrijf, bestaande uit in hoofdzaak een kwekerij voor het kweken van snijheesters. De kwekerij wordt gecombineerd met hovenierswerkzaamheden en de huisverkoop van tuinplanten.

Daarnaast worden akkerbouwgewassen, maïs en ruwvoer geteeld. Tevens heeft initiatiefnemer een kudde schapen die op het grasland achter en naast het bedrijf worden geweid. Recent is initiatiefnemer gestart met agroforestry, bestaande uit walnotenbomen en hazelnotenstruiken.

Oorspronkelijk werd het agrarisch bedrijf gerund vanaf de locatie aan de Dorpsstraat 199. In 2010 ging de toenmalige gemeenteraad akkoord met de bouw van 3 particuliere woningen op de locatie Dorpsstraat 199 ter plaatse van de schuur, die een jaar later met de boerderij afbrandde. Ook ging de raad toen akkoord met de bouw van een agrarische bedrijfswoning met schuur op de locatie Dorpsstraat 193.

Deze besluiten zijn echter nooit goed weergegeven op de plankaart van het bestemmingsplan. Wel is er in 2005 al een schuur gebouwd op de locatie Dorpsstraat 193. Met het vervallen van de afgebrande schuur op nummer 199 ontstond per direct ruimtetekort voor de stalling van machines en werktuigen en voor de verwerking van geteeld product. Deze situatie heeft geduurd tot heden.

De kwekerij is door de jaren heen in omvang gegroeid. Hierdoor is ook het machinepark in omvang gegroeid. Dit heeft ervoor gezorgd dat het ruimtegebrek alleen maar nijpender is geworden.

Door middel van het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt planologisch / juridisch mogelijk gemaakt dat het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer op de locatie aan de Dorpsstraat 193 in Heerjansdam zich duurzaam kan ontwikkelen. Tevens wordt in het plan de omzetting van de bedrijfswoning aan de Dorpsstraat 199 naar Wonen meegenomen en wordt het agrarisch bouwvlak van het oorspronkelijk agrarisch bedrijf wegbestemd. Op deze manier wordt recht gedaan aan de besluiten van de gemeenteraad uit 2010.

Dit TAM-omgevingsplan ‘herziening Buitengebied, Dorpsstraat 193 en 199, Heerjansdam heeft als doel de voorziene situatie vast te leggen in een adequaat en actueel ruimtelijk- en juridisch kader en dient aantoonbaar te maken dat het plan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dat betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen.

1.1.2 De bij het plan behorende stukken

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b, herziening Buitengebied, locatie Dorpsstraat 193 en 199, Heerjansdam bestaat uit de volgende stukken:

  • motivering
  • verbeelding (tek.nr.NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001) en een renvooi;
  • regels

Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten en motivering waarom er in dit geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de percelen aan de Dorpsstraat 193 en 199 Heerjansdam, in de gemeente Zwijndrecht. Op het linker plaatje van afbeelding 1.1 is de globale ligging van het werkingsgebied in het buitengebied van de gemeente Zwijndrecht ten oosten van Heerjansdam weergegeven. Het rechter plaatje geeft met de rode vlakken de ligging van het plangebied weer. Het grote deelgebied (hierna: deelgebied 1) is de locatie aan de Dorpsstraat 193 met de achterliggende landbouwgronden. Het kleine deelgebiedje aan de zuidzijde (hierna: deelgebied 2) is de locatie aan de Dorpsstraat 199.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging werkingsgebied

1.3 Vigerend omgevingsplan

Het werkingsgebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Zwijndrecht waarin primair de verschillende bestemmingsplannen die betrekking hebben op de leefomgeving en de 'overgedragen regels' zijn opgenomen. Ter plaatse van het werkingsgebied is sprake van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024.

Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de volgende documenten:

  • Bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld d.d. 18 november 2014);
  • Partiële herziening verbod voor de winning van schaliegas en schalie-olie, gemeente Zwijndrecht (vastgesteld d.d. 31 maart 2015);
  • '1e wijzigingsplan buitengebied, locatie Dorpsstraat 199' Wijzigingsplan - Gemeente Zwijndrecht Vastgesteld 07-03-2017 - geheel onherroepelijk in werking;
  • Ontwerp Parapluplan terrassen, evenementen, standplaatsen en parkeren.

Voor de duiding van het planologische regime van het werkingsgebied is met name het bestemmingsplan 'Buitengebied' relevant. In dit bestemmingsplan heeft het werkingsgebied van deelgebied 1 voor een deel de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'hovenier'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening de van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede voor een hoveniersbedrijf. De achterliggende landbouwgronden zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf gericht op akker- en vollegrondstuinbouw en gericht op de grondgebonden veehouderij.

Het werkingsgebied van deelgebied 2 heeft ook de bestemming 'Bedrijf'. De gronden met deze bestemming zijn derhalve ook bestemd voor de uitoefening de van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede voor een hoveniersbedrijf.

Verder is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op het werkingsgebied van toepassing. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Ook is de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie Kijfhoek van toepassing op het werkingsgebied en hebben beide deelgebieden de beschikking over een bouwvlak. Ter plaatse van het werkingsgebied deelgebied 1 zijn de maatvoeringsaanduidingen 'maximaal aantal wooneenheden: 0' en 'maximum bebouwingspercentage terrein : 20%' van toepassing. Op een klein deel van werkingsgebied deelgebied 1 en op het volledige deelgebied 2 rust de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

In het navolgende afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied' en het bestemmingsplan '1e wijzigingsplan buitengebied, locatie Dorpsstraat 199' weergeven. De ligging van de deelgebieden is globaal met een rode stippellijn aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0002.png"

Afbeelding 1.2: Uitsneden verbeelding tijdelijk deel omgevingsplan (links BP buitengebied en rechts 1e wijzigingsplan buitengebied, locatie Dorpsstraat 199)

Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt de volgende ontwikkelingen mogelijk:

  • A. het omzetten van de bedrijfsfunctie naar agrarisch gebruik met hoveniersbedrijf als nevenfunctie op het perceel met kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummer 2045;
  • B. de realisatie van een bedrijfswoning en een loods ten behoeve van de agrarische functie, kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummer 2045;
  • C. het toedelen van de functie sierteelt op de percelen met kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummers 2045 en 4363;
  • D. het omzetten van de bedrijfswoning Dorpsstraat 199 naar een reguliere woning (burgerwoning) op het perceel met kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummer 4205;
  • E. het wegbestemmen van het agrarisch bouwvlak op het perceel grenzend aan de Dorpsstraat, kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummer 4274;

Zie voor de locaties van de voorgenomen ontwikkelingen afbeelding 1.3.
afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0003.png"

Afbeelding 1.3: locaties planvoornemen

1.4 Leeswijzer

Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een motivering. De motivering is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande situatie en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische vormgeving. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hier wordt met name ingegaan op de economische uitvoerbaarheid, het vooroverleg met adviesinstanties en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 7 is op basis van de voorgaande hoofdstukken gemotiveerd dat er met de nieuwe regeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Hoofdstuk 2 De bestaande en voorgenomen situatie

2.1 Bestaande situatie

2.1.1 Historie

De grootvader van de initiatiefnemer is in 1920 gestart met een veehouderij op de dijk (Dorpsstraat 199). In 1955 werd de boerderij overgenomen door de vader van de initiatiefnemer. Het was een bedrijf met akkerbouw en veeteelt, met melkkoeien, varkens en schapen. In 1984 is de initiatiefnemer in maatschap gegaan met zijn vader en is tegelijkertijd gestart met een hoveniersbedrijf. In 1988 heeft de initiatiefnemer het bedrijf definitief overgenomen.

De huidige snijheesterkwekerij is gestart in het najaar van 2001 en is de vervanger geworden van een deel van de akkerbouwgewassen en kool. De kwekerij is in de loop van de jaren langzaam verder uitgebouwd en gespecialiseerd in de teelt van besheesters, waarbij de oogstperiode valt in de zomer en vroege herfst. De hovenierswerkzaamheden vinden in hoofdzaak plaats in de late herfst, de winter en het voorjaar.

In 2001 is het bedrijf aangesloten bij de veiling “Floraholland” en wordt er voor de klok Rijnsburg en Naaldwijk geleverd. Op de veiling is een ontwikkeling gaande waarbij de kopers steeds meer op afstand kopen (KOA) en zodoende op alle veilingen kunnen kopen. Het accent van de leveringen verschuift dan ook naar de veiling van Naaldwijk, die dichterbij is gelegen.

In 2011 is de boerderijschuur op de dijk door brand getroffen en grotendeels verwoest. De boerderijschuur op de dijk is niet opnieuw opgebouwd, maar middels een functieveranderingstraject omgezet naar Wonen.

Initiatiefnemer heeft zijn kwekerij verder ontwikkeld, waardoor het accent van de werkzaamheden steeds verder is verplaatst van de oorspronkelijke bedrijfslocatie aan de Dorpsstraat 199 naar de kwekerijlocatie aan de Dorpsstraat 193. De hoveniersactiviteiten hebben een beperkte omvang en zijn ondergeschikt aan de kwekerijactiviteiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0004.png"

Afbeelding 2.1: luchtfoto kwekerij in 2006 (Bron: Toptijdreis)

2.1.2 Bedrijf / bebouwing Dorpsstraat 193

Initiatiefnemer exploiteert aan de Dorpsstraat 193 te Heerjansdam met zijn vrouw en zoon (bedrijfsopvolger) een agrarisch bedrijf, bestaande uit in hoofdzaak een kwekerij voor siersnijtakken (hoofdzakelijk snijheesters). De kwekerij wordt gecombineerd met hovenierswerkzaamheden en de huisverkoop van tuinplanten.

Daarnaast worden akkerbouwgewassen, maÏs en ruwvoer geteeld. Tevens heeft initiatiefnemer een kudde schapen die op het grasland achter en naast het bedrijf worden geweid. Recent is initiatiefnemer gestart met agroforestry, bestaande uit walnotenbomen en hazelnotenstruiken. In totaal heeft het bedrijf de beschikking over circa 12 hectare landbouwgrond. Het betreft een volwaardig agrarisch bedrijf dat aan meer dan één volwaardige arbeidskracht een dagtaak biedt.

In afbeelding 2.2 is de landbouwgrond ingetekend die aansluitend aan het bedrijfscentrum ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0005.png"

Afbeelding 2.2: Luchtopname kwekerij met bijbehorende gronden (geel gemarkeerd aangegeven)

De teelt richt zich in hoofdzaak op de snijheesters Viburnum opulus (Gelderse roos) en de Symphoricarpos (sneeuwbessen). Hiervan worden een 10 tal varianten geteeld. Tijdens de piekwerkzaamheden (zoals de oogst) worden in het seizoen soms extra arbeidskrachten ingehuurd om de werkzaamheden op te vangen.

Inmiddels is de zoon van de initiatiefnemer werkzaam op het bedrijf en wordt het assortiment verder uitgebreid. Hiermee kan het teeltseizoen worden verlengd. Hierdoor worden de werkzaamheden constanter en komen minder arbeidspieken voor.

In het voorjaar van 2022 zijn er in het kader van agroforestry 80 walnotenbomen en 100 hazelnotenstruiken geplant. Op deze manier wordt bosbouw en landbouw gecombineerd met als doel om een positieve wisselwerking te genereren tussen de beide teeltsystemen. Doel is om in de toekomst het landgebruik voor agroforestry verder te vergroten.

De bebouwing op de locatie aan de Dorpsstraat 193 bestaat uit:

  • loods: bouwjaar 2005 met een oppervlakte van circa 450 m2; in gebruik voor stalling van machines en werktuigen, verwerkingsruimte en kantine;
  • afdak voor stallingsdoeleinden.

Op de luchtfoto van afbeelding 2.3 is de schuur van 15 meter bij 30 meter te zien. Aan de noordzijde van de schuur is het afdak zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0006.png"

Afbeelding 2.3: schuur met afdak Dorpsstraat 193

Ten noorden van de schuur op het perceel aan de Dorpsstraat 193 zijn enkele opslagvoorzieningen aanwezig voor onder andere compost, schapenmest en ruwvoederbalen.

2.1.3 Dorpsstraat 199

Het oorspronkelijk bedrijf aan de Dorpsstraat 199 in Heerjansdam had de beschikking over een bouwvlak zoals weergegeven in afbeelding 2.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0007.png"

Afbeelding 2.4: oorspronkelijk agrarisch bouwvlak Dorpsstraat 199 (gemarkeerd met rode lijn)

Op 7 maart 2017 is op een deel van het agrarisch bouwvlak het bestemmingsplan '1e wijzigingsplan buitengebied, locatie Dorpsstraat 199' vastgesteld. In het kader rechtsboven van afbeelding 2.4 is de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven. De woning aan de Dorpsstraat 199 heeft hierin de bestemming 'Bedrijf'. Ter plaatse van de voormalige schuren werd met dit bestemmingsplan het mogelijk om drie nieuwe woningen op te richten, bestaande uit een vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen. Ten westen van de nieuwe woning, kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummer 4274, bleef een deel van het agrarisch bouwvlak onveranderd aanwezig.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Dorpsstraat 193
2.2.1.1 Aanpassen bestemming / functie

Voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering is het noodzakelijk dat het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer een passende bestemming / functie krijgt met bijbehorende bouwmogelijkheden voor gebouwen en voorzieningen.

In de bestaande situatie ligt op een deel van de locatie de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'hovenier', een maximale bebouwingspercentage terrein: 20% en geen bedrijfswoning toegestaan.

De bestemming / functie 'Bedrijf' wordt gewijzigd in 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Ten behoeve van het agrarisch bedrijf wordt een bouwvlak opgenomen afgestemd op de te realiseren bebouwing. De maatvoeringsaanduidingen 'maximaal aantal wooneenheden: 0' en maximum bebouwingspercentage: 20%' worden geschrapt. De functieaanduiding 'hovenier' blijft ongewijzigd.

Op het perceel aan de Dorpsstraat 193 is in de bestaande situatie opslag aanwezig van onder andere compost, schapenmest en ruwvoer. Deze opslag ligt buiten het bouwvlak. Om de opslag buiten het bouwvlak mogelijk te maken is in de regels het volgende opgenomen:

Buitenopslag buiten het bouwvlak is toegestaan, mits:

  • a. de opslag direct verband houdt met de bedrijfsvoering op het perceel;
  • b. de totale oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m²;
  • c. de maximale stapelhoogte 4 meter bedraagt;
  • d. de opslag landschappelijk wordt ingepast, bijvoorbeeld door middel van erfbeplanting of visuele afscherming.

Aan de voorwaarde onder 'd' wordt al voldaan. Zie hiervoor de navolgende foto's.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0008.png"

Afbeelding 2.5 bestaande landschappelijke voorzieningen

Het bedrijf van initiatiefnemer doet sinds 2001 aan sierteelt. Om deze bestaande teelt planologisch te verankeren wordt aan de kadastrale percelen A 2045 en A 4363 de functieaanduidig 'sierteelt' toegekend.

Ter plaatse van deze aanduiding is de teelt van sierheesters toegestaan, al dan niet met behulp van een stekkas en al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen.

In afbeelding 2.6 is de verbeelding van het agrarisch bedrijf in de beoogde situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0009.png"

Afbeelding 2.6 verbeelding nieuwe situatie

2.2.1.2 Uitbreiding schuur en realisatie stekkas

Schuur

De huidige hoveniersschuur aan de Dorpsstraat 193 is in 2005 gerealiseerd. In de loop der tijd is de kwekerij gegroeid en zijn de machines en werktuigen in aantal en grootte toegenomen. Na het afbranden van de boerderijschuur op de locatie aan de Dorpsstraat 199 moest alles ineens in één schuur worden gezet. De bestaande schuur aan de Dorpsstraat 193 is echt veel te klein voor de het doelmatig stallen van alle machines en werktuigen en materialen. Nu moeten vaak meerdere machines worden verplaatst om bij de juiste machine te kunnen komen.

Bij het sorteren van de snijheesters wordt gebruikt gemaakt van een zogenaamde bosmachine. Om doelmatig te kunnen werken is voldoende ruimte nodig voor het opstellen van de bosmachine en het opstellen van de sorteertafels. Vanaf de bosmachine wordt het product in het fust geplaatst. Waarna telkens de stapelwagens worden gevuld en gereed gemaakt voor transport.

Vanwege de beperkte ruimte in de schuur moeten werktuigen en machines worden verplaatst of buiten worden gestald om ruimte te maken voor het verkoop-klaar maken van producten.

Het op lengte maken, sorteren en bossen van de snijheesters is zeer arbeidsintensief. Door verdere automatisering kan de arbeidsproductiviteit worden verbeterd. De initiatiefnemer wil een nieuwe bosmachine en een lengte sorteerder plaatsen. Door de toename van de verwerkingscapaciteit kan men de werkzaamheden in eigen beheer blijven uitvoeren en tegelijkertijd de kosten per eenheid gereed product verlagen.

Op dit moment beschikt het bedrijf niet over een koelcel. Dit betekent dat gereedproduct direct naar de veiling moet worden doorgezet. De initiatiefnemer wil dan ook een koelcel plaatsen om zo de dagverse termijn van het product te kunnen verlengen. Dit betekent dat er grotere partijen kunnen worden aangeleverd. Wat weer resulteert in beter planbare werkzaamheden, lagere transportkosten en minder verkeersbewegingen.

In de zomerperiode moet het product koel weg gezet kunnen worden. Bij warm weer gaat de kwaliteit van het product snel achteruit , waardoor het oogsten uitgesteld moet worden naar de avond periode of dat bepaalde leveranties niet uitgevoerd kunnen worden.

De huidige schuur is te klein voor alle machines materialen en functies. Vandaar dat de initiatiefnemer een machineberging wil realiseren. Zodat intern verplaatsen minder vaak nodig is en alle machines binnen kunnen worden gestald.

Op het bedrijf is geen goede voorziening aanwezig voor het spoelen en reinigen van machines en werktuigen. Het spoelwater dat vrijkomt bij het wassen van werktuigen behoort te worden opgevangen, waarbij verontreinigingen worden opgevangen middels een slibvanger.

Hiervoor wil de initiatiefnemer een overdekte was-/spoelplaats realiseren. Door een overdekte spoelplaats te realiseren wordt verdunning door regenwater en ongewenste emissies voorkomen. Het spoelwater wordt na de slibopvang verwerkt middels een phytobac.

De schuur wordt uitgebreid met een oppervlakte van 450 m2 (15m bij 30m). Tussen de bestaande en de nieuwe schuurruimte wordt een overkapping gerealiseerd met een oppervlakte van 75 m2 (5m bij 15m). Aan de achterzijde wordt een overkapte spoelplaats gerealiseerd van 75 m2 (5m bij 15m). Als bijlage 1 bij deze motivering is een plattegrond toegevoegd waarop de functies van de bebouwing in de beoogde sitiatie zijn aangegeven.

De te bouwen schuur is in overeenstemming met de functieomschrijving van de nieuwe bestemming / functie van het perceel, zijnde 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. De schuur wordt binnen het agrarisch bouwvlak gebouwd en voldoet aan de maximale goot- en de bouwhoogten van de agrarische bestemming.

De situatietekening, waarop zowel de bestaande als de nieuwe schuur zijn ingetekend, is bijgevoegd als bijlage 2 .

Stekkas

Het bedrijf van initiatiefnemer heeft voor de gecontroleerde opkweek van jonge planten en stekken de beschikking over een stekkas nodig. De kas biedt bescherming tegen weersinvloeden, plagen en temperatuurschommelingen, waardoor een hogere overlevingskans en een betere kwaliteit van de planten wordt gegarandeerd.

Het zelf opkweken van jonge planten en stekken in een stekkas heeft de volgende voordelen:

  • Het verhoogt de kwaliteit en vitaliteit van het gebruikte plantmateriaal;
  • Er wordt ingespeeld op seizoensinvloeden, waardoor het aanbod beter afgestemd kan worden op de planning van projecten;
  • Er worden kosten bespaard doordat minder afhankelijkheid van externe kwekers ontstaat;
  • Het draagt bij aan de verduurzaming van het bedrijf door het beperken van transportbewegingen en het hergebruiken van plantmateriaal.

De stekkas wordt gebouwd binnen het bouwvlak. De omvang van de stekkas is beperkt en is afgestemd op de schaal van het bedrijf. In de situatietekening van bijlage 2 is de locatie van de stekkas weergegeven.

De sierteelt vindt plaats in de vorm van sierheesters, al dan niet met behulp van een stekkas en al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen. Het zelf opkweken van jonge planten en stekken in een stekkas is gebruikelijk bij sierteelt.

2.2.1.3 Bedrijfswoning

Initiatiefnemer exploiteert aan de Dorpsstraat 193 te Heerjansdam een agrarisch bedrijf. Het bedrijf heeft de beschikking over 12,2 hectare landbouwgrond, waarvan 3,9 hectare is ingericht als kwekerij voor snijheesters / agroforestry. De overige gronden worden gebruikt voor akkerbouw, weiland en erf.

De zoon van de initiatiefnemer is na het doorlopen van de Hogere agrarische school (HAS) werkzaam op het ouderlijk bedrijf en neemt het bedrijf binnen enkele jaren over van zijn ouders. Hiermee is de continuïteit van het bedrijf gewaarborgd.

Initiatiefnemer exploiteert een volwaardig agrarisch bedrijf. Vanwege het risico op een grote schadepost door o.a. diefstal en de aanwezigheid van dieren is er sprake van de noodzaak van permanent toezicht. Verder is de aanwezigheid op het bedrijf noodzakelijk vanuit het aansturen van de reguliere werkzaamheden. Maar ook vanwege het snel en adequaat kunnen ingrijpen en aansturen van niet-reguliere werkzaamheden, zoals calamiteiten.

Een kwekerij is sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Om snel en adequaat op de veranderende weersomstandigheden te reageren is het noodzakelijk om op het bedrijf te wonen. Vooral bij plant, oogst en gewasbescherming is dit belangrijk.

De bedrijfsactiviteiten zijn erg intensief, gevarieerd en soms onvoorspelbaar (m.n. de tijden waarop vervoerders aankomen in het seizoen en bij de dieren) en spelen zich op vrijwel alle dagdelen (inclusief vroege ochtend/late avond) af. De permanente aanwezigheid van een beheerder is daarom noodzakelijk voor het op een goede wijze kunnen exploiteren van het bedrijf

Ook voor de logistiek van het bedrijf is het van belang om op de locatie over een bedrijfswoning te kunnen beschikken. Door vervoerders worden er op onregelmatige tijden partijen snijtakken opgehaald. In het seizoen varieert dit tussen 17.00 tot 3.00 uur. Dit komt in het seizoen meerdere keren per week voor. Ook vanwege het wisselend aantal vervoerders is het belangrijk om bij het laden aanwezig te zijn. Een vrij liggend terrein en schuur moeten worden afgesloten voor ongewenste bezoekers. Om hierop goed te kunnen anticiperen is wonen op de locatie noodzakelijk.

Tot slot maakt de huisverkoop van noten, notenolie en tuinplanten aan particulieren het wonen op het perceel noodzakelijk.

De combinatie van het toezicht houden, het uitvoeren van de werkzaamheden (ook buiten de reguliere werktijden) en verantwoordelijkheden maakt het noodzakelijk om bij het volwaardig agrarisch bedrijf te wonen.

De nieuwe bedrijfswoning wordt gerealiseerd binnen het nieuwe agrarische bouwvlak. Qua maatvoering zal de bedrijfswoning voldoen aan de bouwregels voor bedrijfswoningen, te weten:

  • a. het oppervlak van de bedrijfswoning mag maximaal 125 m² bedragen;
  • b. de goothoogte van bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

De situatietekening waarop de bedrijfswoning is ingetekend is bijgevoegd als bijlage 2.

2.2.2 Dorpsstraat 199

In het voorliggende TAM-omgevingsplan worden de volgende twee ontwikkelingen meegenomen op en nabij de locatie aan de Dorpsstraat 199 in Heerjansdam:

  • 1. De bedrijfswoning aan de Dorpsstraat 199 wordt herbestemd naar een reguliere woning (burgerwoning). De herbestemming betreft het perceel met kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummer 4205;
  • 2. Het agrarisch bouwvlak op het perceel grenzend aan de Dorpsstraat, kadastrale aanduiding Gemeente Heerjansdam, sectie A, nummer 4274, wordt wegbestemd.

Als gevolg van deze ontwikkeling wordt een woning toegevoegd aan de woningvoorraad door het omzetten van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning.

In de periode tot en met 2030 wil de gemeente Zwijndrecht de woningvoorraad fors uitbreiden. Hiermee komt zij niet alleen tegemoet aan de autonome groei van de woningbehoefte, maar levert de gemeente ook een bijdrage aan de groeiambitie van de Drechtsteden. De focus ligt in op ontwikkelingen in de vrije sector. Er zijn 1.400 extra woningen nodig om het aantal inwoners op termijn constant te houden. De huidige plancapaciteit is ruim voldoende voor deze extra woning.

2.3 Landschapsversterkingsplan

Het sierteeltbedrijf van initiatiefnemer is in de huidige situatie al landschappelijk ingepast door middel van hagen en bomen. Zie ook afbeelding 2.7.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0010.png"

Afbeelding 2.7: bestaande landschappelijk

Onderdeel van het planvoornemen is de realisatie van een nieuwe schuur en een bedrijfswoning. Het toevoegen van nieuwe bebouwing en het definitief bestemmen van de sierteelt vraagt ook om het toevoegen van nieuw groen. Hiertoe is een landschapsversterkingsplan uitgewerkt.

In de onderstaande afbeelding is de inrichtingsschets van de landschappelijke versterking weergegeven teneinde de landschappelijke inpassing en versterking van het perceel te borgen. De inrichtingsschets van de landschappelijke versterking is tevens opgenomen in Bijlage 1 van de regels. Door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels is de realisatie van het versterkingsplan juridisch geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0011.png"

Afbeelding 2.8: landschapsversterkingsplan

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio’s;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Toetsing van het planvoornemen

Het NOVI kenmerkt zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid.

3.1.2 Instructieregels rijk (AMvB's)

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • 1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor dit TAM-omgevingsplan is alleen het Bkl van belang. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Bkl instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan:

  • De dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl);
  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden(§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.

Toets van het planvoornemen

Onderhavig TAM-omgevingsplan wordt opgesteld om een functiewijziging van bedrijf (hovenier) naar agrarisch gebruik (sierteelt) en hovenier als nevenactiviteit, de realisatie van een agrarische bedrijfswoning en schuur en de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning mogelijk te maken.

Uit de resultaten in hoofdstuk 4 blijkt dat in het plangebied de veiligheid gewaarborgd is, de waterbelangen voldoende meegewogen zijn en dat de gezondheid en het milieu voldoende beschermd zijn.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 18 februari 2025 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.

Het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving is samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld:

  • 1. Naar een klimaatbestendige delta
  • 2. Naar een nieuwe economie: the next level
  • 3. Naar een levendige meerkernige metropool
  • 4. Energievernieuwing
  • 5. Best bereikbare provincie
  • 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Beleid ruimtelijke kwaliteit

De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:

  • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.
  • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
  • Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.
  • De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.

In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen:

  • 1. Inpasing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten.
  • 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
  • 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.

Toets van het planvoornemen

De voorgenomen ontwikkelingen voor beide locaties valt onder het type ontwikkeling 'inpassing', aangezien het beoogde plan op structuurniveau geen wijzigingen aanbrengt. Daarnaast zijn de fysieke veranderingen beperkt, waardoor de aard, schaal en identiteit van het plangebied niet veranderd.

Verbetering omgevingskwaliteit

Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.

Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. De Kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland. Bij elk gebiedskenmerk zijn richtpunten geformuleerd, waar rekening mee moet worden gehouden. De Kwaliteitskaart met de bijbehorende richtpunten zijn een middel om vroeg in het planvormingsproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. De

kaart is opgebouwd uit vier lagen:

  • laag van de ondergrond
  • laag van de natuur- en cultuurlandschappen
  • laag van de stedelijke occupatie
  • laag van de cultuurhistorie

Alle lagen hebben een relatie met elkaar. De laag van de ondergrond gaat over de bodem en de natuurlijke landschapsvormende processen. De laag van de cultuur- en natuurlandschappen behandelt de laag van het zichtbare landschap. Deze laag wordt gevormd door eeuwenlang grondgebruik door de mens. De laag van de stedelijke occupatie bestaat uit het stedelijk weefsel van wonen, werken, voorzieningen en de onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de cultuurhistorie over de herkenbaarheid van de geschiedenis van Zuid-Holland.

Gekeken is welke relevante kwaliteitskaarten van toepassing zijn op het plangebied en welke richtlijnen hierbij horen.

Laag van de ondergrond

De ondergrond (eerste laag) van het plangebied wordt gevormd door rivierklei en veen in een rivierdeltacomplex. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Als richtpunt geldt dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil herkenbaar houden tussen komgronden en oeverwallen.

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen

Het plangebied is tevens onderdeel van een zeekleipolder. Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken.

Richtpunten van de provincie in dit landschap zijn het bijdragen aan de versterking van karakteristieke kenmerken van de eilanden en verschillen daartussen. Ontwikkelingen aan de rand van eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en deltawateren. Daarnaast is het de bedoeling de herkenbaarheid van patronen in op en aanwaspolders te behouden. Tevens dienen ontwikkelingen de dijk en de kreek als herkenbare structuurdragers te versterken, dient bebouwing geconcentreerd te zijn en dient het contrast tussen de binnendijkse polders en buitendijkse natuur te worden behouden.

Richtpunten voor het lint zijn het behouden van het lint als onderscheidende bebouwingsvorm. Het behoudt van het lineaire karakter van het lint en bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

Laag van de cultuurhistorie

Het plangebied ligt ook in een 'groene buffer'. Een gebied met een beperkte omvang tussen stad en het open gebied. Het gebied dient als buffer tussen stad en open gebieden. Deze buffer dient te worden behouden of te worden versterkt. Dit gebied krijgt van de provincie een beschermingscategorie 3 status, wat inhoudt dat er bescherming is tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling om schaal en karakter van het gebied in stand te houden. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.

Behouden en versterken landschappen

De provincie zet in op een betere, gebiedsgerichte verweving van de verschillende ‘klassieke’ functies in de groene ruimte (landbouw, natuur, recreatie, water, cultuurhistorie) en een betere relatie tussen stad en land. Daarmee wil de provincie gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van de verschillende Zuid-Hollandse landschappen behouden en versterken.

Toets van het planvoornemen

De gewenste ontwikkeling dient in lijn te zijn met de hierboven genoemde relevante kaders, zoals gesteld in de Omgevingsvisie vanuit de provincie Zuid-Holland. Het plangebied ligt in het Zuid-Hollands rivierdeltalandschap met een ondergrond van rivierklei en veen. Ook valt het gebied binnen de groene bufferzone, beschermingscategorie 2.

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten minimaal het behoud van het landschap handhaven en nog beter een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit aanbrengen. In de Quickscan Natuur (zie bijlage 3) is het voornemen getoetst aan het bufferbeleid. Omdat er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling doet de ontwikkeling geen afbreuk aan de bufferfunctie.

Door de locatie, schaal, aard, invulling en landschappelijke aankleding van het plan wordt het bestaande landschappelijke, agrarische en functionele karakter niet aangetast maar eerder ondersteund.

Ten behoeve de landschappelijke versterking van het deelgebied aan de Dorpsstraat 193 is een inrichtingsschets opgesteld waarin het bestaande groen van het perceel is aangevuld met nieuw groen. De aanplant van het nieuwe groen (en de instandhouding daarvan) is geborgd in de regels van het TAM-omgevingsplan. Het plan is in lijn met het provinciale beleid voor de groene buffers.

Met het planvoornemen wordt de bestemming 'Bedrijf' van de locatie aan de Dorpsstraat 193 gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Een dergelijke bestemming is beter passend in het buitengebied dan de bedrijvenbestemming. De bouwmogelijkheden die de agrarische bestemming mogelijk maakt zijn ten behoeve van een gebiedseigen bedrijf. De ruimtelijke kwaliteit wordt als gevolg van het planvoornemen niet aangetast.

De twee ontwikkelingen aan de Dorpsstraat 199, die in het voorliggende TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, gaan niet gepaard met fysieke ingrepen. Met het wegbestemmen van het agrarisch bouwvlak wordt voorkomen dat in het lint agrarische bebouwing opgericht kan worden, wat een verdichting van het lint zou betekenen. De kracht van het dijktracé tussen dorpskern Heerjansdam en Develsluis is vooral de balans tussen het kleinschalige en individuele karakter van de dijkbebouwing en het contact via de doorzichten met de onderdijks gelegen percelen en het open polderlandschap. Het planvoornemen bewerkstelligd dat deze balans niet wordt verstoord.

Het planvoornemen is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Per 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking getreden. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan.

Stedelijke ontwikkelingen

Op basis van artikel 7.44 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening dient een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt rekening te houden met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit de instemming met of vaststelling van regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document.

Regels voor ruimtelijke kwaliteit

Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging.

In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling opgenomen. In geval van het type ontwikkeling '' (zie ook 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling, moet eveneens worden voldaan aan artikel 7.45 van de Omgevingsverordening; de Ladder voor duurzame verstedelijking. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

Risico's van klimaatverandering

In paragraaf 7.3.6a (Toekomstig bestendig bouwen en ontwikkelen) zijn in artikel 7.41a (risico's voor klimaatverandering) regels opgenomen over risico's van klimaatverandering. Hierin is vastgelegd dat in een TAM-omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag, b. overstroming, c. hitte en d. droogte, alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling.

Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 4.11 (Duurzaamheid en klimaat) wordt hier nader op ingegaan.

Agrarische bedrijven

In artikel 7.59 lid 1 van de Omgevingsverordening zijn de regels opgenomen voor agrarisch bedrijven. De volgende regels zijn relevant voor het planvoornemen in deelgebied 1:

  • a. agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 ha;
  • b. (...)
  • c. het toevoegen of uitbreiden van agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven;
  • d. bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten;
  • e. (...)
  • f. toevoegen of uitbreiden van boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 7.56, wordt uitgesloten;

Omdat de sierteeltpercelen niet liggen in het boom- en sierteeltgebied, is het toevoegen of uitbreiden hiervan alleen toegestaan door middel van de afwijkingsmogelijkheid - balansregeling, zoals opgenomen in artikel 7.86 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 7.86 (afwijkingsmogelijkheid - balansregeling)

Een omgevingsplan kan voorzien in activiteiten waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de bepalingen in afdeling 7.3 van deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelen van deze bepalingen.

Toets van het planvoornemen

De ruimtelijke impact van de ontwikkeling is beperkt. De bestemming Bedrijf van het perceel aan de Dorpsstraat 193 wordt omgezet in de agrarische functie. Deze functie is beter passend in het agrarisch buitengebied. De bestemming Bedrijf van het perceel aan de Dorpsstraat 199 wordt omgezet in een woonfunctie. Gezien de woningen aan weerszijden van dit perceel kan worden gesteld dat een woonfunctie op dit perceel ook beter passend is dan de bedrijvenbestemming.

Het bouwperceel, waarover het agrarisch bedrijf in de toekomsige situatie beschikt, is ruim kleiner dan 2 hectare (circa 3.700 m2) .

Het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer is volwaardig. Zie ook de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten en de omvang van het bedrijf in paragraaf 2.1.2. Derhalve komt het bedrijf in aanmerking voor nieuwbouw, inclusief een bedrijfswoning. In paragraaf 2.2 is een onderbouwing gegeven van de doelmatigheid van de nieuwbouw.

Omdat het plangebied buiten het boom- en sierteeltgebied ligt, is toevoegen of uitbreiding van sierteelt alleen via de afwijkingsmogelijkheid mogelijk. Op grond van de volgende motieven kan sierteelt in deze situatie worden toegelaten:

1. in het voorgaande bestemmingsplan was sierteelt toegestaan: de sierteelt is een bestaande, onder het overgangsrecht geplaatste situatie, aangezien dit gebruik is gestart onder het oude regime van bestemmingsplan Landelijk gebied Heerjansdam. Daarbinnen was sierteelt toegestaan. Bij vaststelling van BP Buitengebied is het gebruik destijds niet gelegaliseerd, omdat dit gebruik niet is geconstateerd en abusievelijk niet is meegenomen bij de actualisatie.

2. Opperlvakte tbv sierteelt is verhoudingsgewijs klein: Het buitengebied tussen Zwijndrecht en Heerjansdam is voornamelijk in gebruik als grasland of akkerbouw. Het perceel van ca. 3,9 ha is de enige uitzondering op dit agrarische gebruik. Het perceel is ca. 6,5 % van een groter agrarisch gebied tussen HJD, sportvelden, Devel en Dorpsstraat (46 ha). Het afwijkende gebruik is dan ook ondergeschikt en kan worden beschouwd als relatief beperkte afwijking.

3. De sierteelt heeft in de huidige situatie maar een beperkte invloed op de landschappelijke kwaliteit/uitstraling van het landschap: de randen van het perceel zijn al voorzien van knotwilgen en lage hagen, zodat het zicht op de percelen grotendeels is onttrokken. Het gaat om lagere beplanting, waardoor het huidige afwijkende gebruik een minimale invloed heeft op de beleving van het landschap.

4. het gebruik voor sierteelt wordt begrensd tot de bestaande sierteeltpercelen, door het opnemen van een aanduiding. Voor de toename aan bebouwing en het definitief bestemmen van de sierteelt is een landschapsversterkingsplan vereist. Deze is opgenomen in bijlage 1 van de regels. De aanleg en instandhouding is door middel van een voorwaardelijke verplichting in het omgevingsplan opgenomen.

Omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.

Het planvoornemen voorziet slechts in een beperkte toename aan verharding waarvoor het planvoornemen geen gevolgen zal hebben voor wateroverlast als gevolg van neerslag.

3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonbeleid Drechtsteden

Woonvisie 2017 - 2031 'Goed wonen in de Drechtsteden'

In de Woonvisie 2017 - 2031 'Goed wonen in de Drechtsteden' wordt voor de periode 2017-2031 aangegeven hoe de zeven gemeenten in de regio Drechtsteden, Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giesendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht, het wonen vorm willen geven. In de regionale woonvisie wordt als centrale ambitie een regio met meer kwaliteit genoemd. De Woonvisie (inclusief de lokale uitwerking) vormt het kader voor de plannen van ontwikkelaars en investeerders en voor de regionale en lokale afspraken met de woningcorporaties.

Volgens RIGO/Primos neemt het aantal huishoudens in de Drechtsteden in de periode 2016-2031 met 8% toe. Het gaat dan om 9.560 huishoudens. Naast nieuwbouwplannen houdt deze prognose ook rekening met natuurlijke aanwas (demografische ontwikkelingen) en de verhuisbewegingen van de afgelopen jaren. Deze toename wordt de autonome groei genoemd. Om deze huishoudens in de regio een plek te kunnen geven, moeten dus even zoveel woningen worden toegevoegd aan de voorraad. De zeven Drechtstedengemeenten verplichten zich gezamenlijk tot realisatie van woningen voor de autonome opgave door groei van het aantal huishoudens met 9.560 tot 2031. Om het gewenste aantal in 2030 te kunnen realiseren moet de plancapaciteit minstens 20% meer zijn dan het aantal werkelijk te bouwen woningen. Die 20% is misschien nog wel aan de lage kant. Een eenvoudige rekensom wijst uit dat de plancapaciteit moet worden opgehoogd tot 9.560 + 2.000 (compensatie sloop) + 20% = 13.800. Door alle zeven gemeenten wordt naarstig gezocht naar locaties/mogelijkheden om de plancapaciteit te verhogen tot het per gemeente gewenste aantal. Zo gewenst leidt dit tot uitwisseling van woningbouwopgaven tussen de gemeenten. In de koopsector is er vooral behoefte aan meer eengezinswoningen. Voor Zwijndrecht is de groei berekend op 1.410 woningen.

Wonen in de Drechtsteden 2021

De Drechtsteden functioneren in grote mate als één woningmarkt. Regionale afstemming over woningbouwprogramma's is een belangrijk uitgangspunt voor het woonbeleid. Daarom wordt het beleid voor wat betreft wonen nauw op elkaar afgestemd om richting te geven aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. In de rapportage ‘Wonen in de Drechtsteden 2021’ vastgesteld, waarmee wordt voldaan aan het streven om de monitoring van de woningmarkt te verbeteren. Deze rapportage is gebaseerd op onder andere de woonmonitor van het Onderzoekcentrum Drechtsteden, de resultaten van het Woningmarktonderzoek Drechtsteden 2016-2031 en de jaarlijkse planmonitor. In de conclusies en voortgang is opgenomen dat de Drechtsteden goed samenwerken aan de voortgang van de woonvisie.

  • Kwantitatief zouden de doelstelling moeten kunnen gehaald als de Drechtsteden het bouwtempo op het gewenste niveau kan krijgen. Er zijn genoeg locaties voor plannen in ontwikkeling.
  • Kwalitatief sluiten de Drechtsteden aan op de gewenste ontwikkelingslijn: zij bouwt in hogere segmenten daar waar ook de grootste behoefte ligt.
  • Energetisch zijn de Drechtsteden stevig aan de slag met verduurzaming van het woningbezit en het aanleggen van een duurzame infrastructuur.
  • Voor de sociale woningbouw blijft het pas-op-de-plaats beleid en de betekenis van de regionale spreiding van sociale woningbouw die in de woonvisie is opgenomen, actueel.
  • De Drechtsteden ondernemen maatregelen om te komen tot versnelling van woningbouw; zij kijkt hierbij niet alleen naar grootschalige gebiedsontwikkelingen zoals in de Spoorzone of aan de rivieroevers, maar ook naar andere projecten waar ontwikkelingen worden vertraagd.
  • De Drechtsteden werken toe naar intensiever samenwerking met de markt, waarbij zij het 'ja-mits' in lijn met de Omgevingswet steviger gaat toepassen.

In de rapportage wordt dit verder toegelicht aan de hand van de 20 uitgangspunten van de woonvisie en een verwijzing naar de hoofdstukken in deze voortgangsrapportage.

Conclusie

Met deze ontwikkeling wordt (door herbestemming van bedrijfswoning naar bestemming Wonen van de woning aan de Dorpsstraat 199) één woning in het dure koopsegment toegevoegd aan de woningvoorraad waaraan veel behoefte is.

3.3.2 Gebiedsprofiel IJsselmonde, Provincie Zuid Holland (2013)

Een gebiedsprofiel is een regionale uitwerking van de provinciale kwaliteitskaart en beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. De gebiedsprofielen geven een overzicht van de landschappelijke waarden, waarmee bij ruimtelijke ingrepen rekening moet worden gehouden. Maar ze beschrijven ook ambities die richting geven aan de ontwikkeling van de kenmerkende ruimtelijke elementen.

Het landschap van Oost-IJsselmonde bestaat in de basis uit dijken en polders. Het landschap wordt vormgegeven door de dijk- en polderlinten. De polders laten het verhaal zien van verstedelijking, van open landelijk areaal en de verbindende factor die de polders en dijken hierin spelen. IJsselmonde kent een grote lengte aan stads- en dorpsranden, van uiteenlopende aard en kwaliteit. Verschillende oorzaken, zoals te dicht opeen gebouwd, toevallige locatiekeuzes, een onverzorgde staat, een marginaal karakter en/of het ontbreken van samenhang in bijvoorbeeld schaal of maat zorgen voor een negatieve ervaring van de gebruiker van het landschap. Het landschap van IJsselmonde speelt in potentie een grote rol in het recreatief gebruik door de bewoners van het omliggende stedelijke gebied. De bereikbaarheid, belevingswaarde en gebruiksmogelijkheden verdienen echter een impuls.

Toetsing van het planvoornemen

De locatie aan de Dorpsstraat 199 en het onbenutte bouwvlak liggen op een dijk. Deze dijk vormt de verbinding tussen de kernen Heerjansdam en het buurtschap Develsluis. De bebouwing langs dit deel van de dijk bestaat uit losse woningen op en aan de dijk en enkele schuren. Er is geen sprake van aaneengesloten lintbebouwing, zoals in de dorpskern en het buurtschap Develsluis wel vaak het geval is.

Met het wegbestemmen van het agrarisch bouwvlak wordt voorkomen dat in het lint agrarische bebouwing opgericht kan worden, wat een verdichting van het lint zou betekenen. De kracht van het dijktracé tussen dorpskern Heerjansdam en Develsluis is vooral de balans tussen het kleinschalige en individuele karakter van de dijkbebouwing en het contact via de doorzichten met de onderdijks gelegen percelen en het open polderlandschap. Het planvoornemen bewerkstelligd dat deze balans niet wordt verstoord.

Door middel van het planvoornemen worden de bouwmogelijkheden van het agrarisch bedrijf geconcentreerd aan de Dorpsstraat 193. Het bouwvlak is afgestemd op het agrarische bedrijf met de bijbehorende bebouwing en voorzieningen. Het bouwvlak is compact, waardoor het voornemen het open landelijk areaal niet aantast.

Conclusie

De planontwikkeling voldoet aan het provinciale belang met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit zoals is vastgelegd in artikel 7.43c van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De richtpunten zijn niet in het geding.

3.3.3 Gebiedsvisie Deltapoort 2025 (2012)

De gebiedsvisie Deltapoort staat voor tien opgaven om het gebied economisch sterker en leefbaarder te maken. De locatie waar de kassen staan liggen midden in het themagebied 'de open landschapskamers'. Het saneren van glas heeft hier een hoge prioriteit, met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

In het Deltapoort-gebied worden vijf themagebieden met een groene hoofdtint onderscheiden. Deze themagebieden vormen tezamen het landschappelijk raamwerk; door thematisering worden de landschappelijke kwaliteiten van het betreffende gebied (en dus het raamwerk) versterkt. Het plangebied ligt in het themagebied 'de open landschapskamers' binnen landschapskamer 'Kleine Lindt'.

In de open landschapskamers functioneert grondgebonden landbouw als hoeder van het open landschap. Belangrijke kernkwaliteit van het gebied zijn de openheid en zichtlijnen. Doorzichten naar het achtergelegen gebied dienen te worden behouden. Sanering van het glas draagt in deze gebieden bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door meer openheid te creëren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0012.png"

Afbeelding 3.1: Uitwerking open landschapskamers Kleine Lindt (plangebied bij rode cirkel)

Toets van het planvoornemen

Initiatiefnemer exploiteert een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf binnen landschapskamer 'Kleine Lindt. Eén van de suggesties voor het programma is het koersteren van de landbouw in deze landschapskamer. Het planvoornemen sluit hier goed op aan.

Conclusie

De planontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Gebiedsvisie Deltapoort 2025.

3.3.4 Omgevingsvisie

De gemeenteraad van Zwijndrecht heeft op 8 december 2020 de ’Omgevingsvisie Zwijndrecht’ vastgesteld. Deze visie vervangt de structuurvisie ’Zwijndrecht 2020: De ondernemende tuinstad’. Het belangrijke verschil tussen de structuurvisie en de nieuwe omgevingsvisie is het integrale karakter van de omgevingsvisie. Het is geen optelsom van verschillende beleidsterrein, maar het gaat om de samenhang tussen ruimtelijke, economische en sociale componenten.

De omgevingsvisie is onderverdeeld in meerdere thema’s:

  • Wonen, leefbaarheid en gezondheid;
  • Economische vitaliteit;
  • Duurzaamheid, energie, milieu, klimaat;
  • Aantrekkelijkheid en identiteit;
  • Bereikbaarheid en toegankelijkheid.

Wonen, leefbaarheid en gezondheid

Kernpunt is onder andere dat de gemeente streeft naar een evenwichtigere bevolkingsopbouw via een passende woningvoorraad (nieuwbouw & herstructurering), goede voorzieningen, goede bereikbaarheid,
een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en beperking van het aandeel sociale huur en -koop. Voorts streeft de gemeente naar een gezonde, groene, energieneutrale, klimaatadaptieve en duurzame leefomgeving.

Duurzaamheid, energie, milieu, klimaat

Kernpunt is onder andere dat de gemeente een voorbeeldfunctie vervult op het gebied van duurzaamheid. Uitgangspunt is een energieneutrale en klimaatadaptieve gemeente in 2050.

Buitengebied Zuid

Het plangebied ligt in het buitengebied Zuid. Met een rode cirkel is deelgebied 2 globaal aangeduid. Nieuwe woningen toevoegen is beperkt mogelijk bij sloop/nieuwbouw ontwikkelingen, rood-voor-groenprojecten en vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Grootschaligere woningbouwontwikkelingen in het buitengebied zijn niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0013.png"

Afbeelding 3.2: Deelgebied Buitengebied Zuid

Mogelijk vragen de opgaven waar Zwijndrecht voorstaat in combinatie met de gemeentelijke ambities om het heroverwegen van deze beleidslijn voor delen van het buitengebied. Van groot belang is dat hieraan voorafgaand de kwaliteiten en de draagkracht in beeld worden gebracht en ontwikkelingen hierop worden afgestemd.

Aantrekkelijkheid & omgevingskwaliteit

Dit deel van het buitengebied heeft een hoge landschappelijke waarde, al is dit niet bij velen bekend. Ook de bereikbaarheid voor langzaam verkeer is niet optimaal, wat niet ten goede komt aan het recreatief gebruik. Dit gebied is bij uitstek geschikt om verder te ontwikkelen als landschappelijk recreatief uitloopgebied voor de bewoners van Zwijndrecht, Heerjansdam en andere stedelijke gebieden, mits de gemeente zorgt voor de goede (vaar)verbindingen en functies en gebruikers elkaar niet hinderen. Van belang is het voorkomen van versnippering en het versterken van de belevingskwaliteit en de natuurwaarden.

Toets van het planvoornemen

De planontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van een nieuwe woning. Wel wordt de functie van een bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woonfunctie, liggend in een bestaand lint. Het lineaire karakter van het lint blijft behouden. Er is geen sprake van een grootschalige woningbouwontwikkeling.

Conclusie
De visie heeft een hoog abstractieniveau, waarin geen uitspraken worden gedaan op perceelsniveau. Met de planontwikkeling krijgt een vrijkomende agrarische woning een passende bestemming / functie. De bedrijfswoning herbestemmen tot burgerwoning levert een bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve bouwopgave door een woning in dure koopsector toe te voegen in het bebouwingslint.

Gesteld kan worden gesteld dat dit TAM-omgevingsplan in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Zwijndrecht.

3.3.5 Woonplan Zwijndrecht 2020-2030

Eind 2017 stelde de Drechtraad de regionale woonvisie Goed wonen in de Drechtsteden 2017-2031 vast. Afgesproken is dat elke gemeente in de Drechtsteden deze regionale visie uitwerkt in een lokale uitvoeringsparagraaf, waarin de regionale visie wordt verbonden met lokale wensen en mogelijkheden. Elke gemeente geeft hiermee concreet aan welke bijdrage zij levert aan de regionale ambities.

In het Raadsprogramma Krachtig Zwijndrecht 2018-2022 zijn vier thema's benoemd die in deze periode extra aandacht verdienen. De hoogste prioriteit is toegekend aan de realisatie van een evenwichtige bevolkingsopbouw en groei van de regionale economie, langs de lijnen van het thema wonen, bouwen en wooncarrière. Het gemeentelijke woonbeleid is vervolgens vastgelegd in het door de gemeenteraad op 12 mei 2020 vastgestelde Woonplan.

In de periode tot en met 2030 wil de gemeente Zwijndrecht de woningvoorraad fors uitbreiden. Hiermee komt zij niet alleen tegemoet aan de autonome groei van de woningbehoefte, maar levert de gemeente ook een bijdrage aan de groeiambitie van de Drechtsteden. De focus ligt in op ontwikkelingen in de vrije sector. Er zijn 1.400 extra woningen nodig om het aantal inwoners op termijn constant te houden. De huidige plancapaciteit is ruim voldoende om dit aantal te realiseren.

Met het oog op de Regionale woonvisie is in de Woningbouwstrategie Zwijndrecht 2019-2031 vastgelegd dat de gemeente bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties altijd de bovenkant van de markt voor die locatie zal opzoeken. Dit zorgt voor een betere menging van verschillende inkomensgroepen op wijk- en buurtniveau, meer doorstroommogelijkheden in de wijk en een aantrekkelijker woningaanbod voor koopkrachtige huishoudens. De gemeente bouwt daarom zoveel mogelijk in het hogere koopsegment vanaf €300.000 v.o.n. en/of in de geliberaliseerde huur.

Conclusie

De woning valt in de dure koopsector waaraan behoefte is. Dit TAM-omgevingsplan voldoet aan de kwantitatieve en kwalitatieve opgave voor nieuwe woningen. Het plan is in overeenstemming met de Woonvisie Zwijndrecht en het Woonplan Zwijndrecht 2020-2030.

3.3.6 Welstandsbeleid Zwijndrecht 2013

De gemeenteraad heeft de welstandsnota in 2013 vastgesteld. De welstandsnota bestaat uit gebiedsgerichte, objectgerichte en algemene welstandscriteria. Een gemeentebreed onderzoek en nauwkeurige analyses van de gebouwde omgeving hebben geleid tot specifieke gebiedsgerichte criteria

op wijk-, buurt-, straat- en zelfs gebouwniveau. Bij deze inventarisatie is onderscheid gemaakt tussen drie verschillende waardebepalingen: generieke bebouwing, waardevolle bebouwing en bijzonder waardevolle bebouwing. Het doel van deze opzet is het inzichtelijker en publieksvriendelijker maken van het welstandsbeleid van de gemeente Zwijndrecht. Voor de meeste plannen is nu voor eenieder inzichtelijk gemaakt wanneer een plan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Voor de gebieden waar de objectgerichte criteria onvoldoende zijn om de ruimtelijke kwaliteit van die buurt of wijk te behouden of te versterken zijn gebiedsgerichte criteria gemaakt. Deze criteria bestaan uit het benoemen en vastleggen van enerzijds de architectonische kwaliteiten en/of de architectonische kenmerken van deze gebieden en anderzijds ter plaatse veelvoorkomende, relatief kleine, bouwplannen. Ook deze criteria zijn enerzijds bedoeld om te worden gebruikt als uitgangspunt voor een plan en anderzijds als toetsingskader.

Op gebiedskaarten is aangegeven welke criteria waar van toepassing zijn. De gebieden waar geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, zijn gearceerd en de gebieden waar wel redelijk eisen van toepassing zijn, zijn gekleurd of zwart. In de gekleurde gebieden gelden de gebieds- en objectgerichte criteria, in de zwarte gebieden de objectgerichte criteria. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld een nieuwe ontwikkeling, wordt teruggevallen op de algemene criteria.

Het plangebied ligt in het deelgebied Buitengebied. Hiervoor zijn objectgerichte en gebiedsgerichte welstandscriteria vastgesteld. De toetsing aan redelijke eisen van welstand wordt in eerste instantie ambtelijk getoetst aan de objectgerichte welstandscriteria en gebiedsgerichte welstandscriteria.

Wanneer het bouwplan niet voldoet en redelijkerwijs wel kan voldoen aan deze criteria, dient het plan te worden aangepast en wordt het voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie Omgevingskwaliteit gemeente Zwijndrecht.

Conclusie

Bij uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de objectgerichte en gebiedsgerichte criteria van de Welstandsnota.

3.3.7 Duurzaamheid en klimaatadaptatie
3.3.7.1 Duurzaam bouwen

Programma duurzaamheid 2024-2027

Het duurzaamheidsprogramma voor de periode 2024 - 2027 laat zien hoe de gemeente samen met de inwoners stapsgewijs werkt aan een duurzamer Zwijndrecht, waar het prettig wonen en werken is en blijft. Verduurzamen van Zwijndrecht is een enorme uitdaging. De gemeente heeft in het Programma Duurzaamheid 2024-2027 de ambities voor de komende jaren vastgelegd. Het programma is tot stand gekomen met hulp van inwoners. Verduurzamen is een opgave voor de gemeente én haar inwoners. Het programma zet in op drie duurzame ambities:

  • 1. Energieneutraal: Opwekken van hernieuwbare energie
  • 2. Klimaatadaptief: Voorbereiden op extreem weer
  • 3. Circulaire economie: Zo min mogelijk afval

De komende jaren gaat de gemeente hard aan de slag om dit programma uit te voeren in samenwerking met inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers.

Convenant klimaatadaptief bouwen

Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen van de provincie Zuid-Holland. Gouda heeft het convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland ook ondertekend en committeert zich zo aan het klimaatbestendig ontwikkelen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. De woning wordt gebouwd overeenkomstig de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen (2018).

Energievisie Zwijndrecht

De centrale doelstelling van de gemeente Zwijndrecht is om in 2050 energieneutraal te zijn. De afgelopen jaren heeft de gemeente Zwijndrecht de eerste stappen gezet in de energietransitie. Het energieverbruik van woningen is de laatste jaren reeds afgenomen en de productie van duurzame energie is toegenomen. Dit zijn de eerste stappen in de energietransitie. Echter, om de beoogde doelstellingen te behalen moeten er nog forse inspanningen worden geleverd. Dit houdt in dat er nog fors minder energie moet worden gebruikt. En de energie die wordt gebruikt, zal in grote mate afkomstig moeten zijn uit hernieuwbare energiebronnen.

Energieagenda

In de Energieagenda wordt beschreven hoe de gemeente Zwijndrecht de doelstelling om energieneutraal te zijn in 2050 wil bereiken. Belangrijke thema's in de energieagenda zijn:

  • een start maken met uitfasering aardgas;
  • energiebesparing in woningen;
  • energiebesparing door het bedrijfsleven;
  • het terugdringen van het brandstofverbruik door verkeer en transport;
  • het vergroten van de opwekking van duurzame energie;
  • energiebesparing en verduurzaming in de gemeentelijke organisatie en
  • het vergroten van kennis en bewustwording van alle stakeholders.

Omgevingsvisie Zwijndrecht

Duurzaamheid is een belangrijk onderwerp in de Omgevingsvisie. Er is een aparte paragraaf opgenomen voor de thema's 'duurzaamheid, energie, milieu en klimaat'. In deze paragraaf komt onder andere de gemeentelijke ambitie aan de orde om in 2050 een energieneutrale en klimaatadaptieve gemeente te zijn en dat zij wil bijdragen aan de ambitie van het Rijk om in 2050 een circulaire economie te bereiken. Tevens komen de ambities voor het vergroten van de biodiversiteit en het verminderen van de milieubelasting aan de orde.

Toets van het planvoornemen

De nieuwe bedrijfswoning wordt duurzaam gebouwd volgens de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Zo wordt deze niet meer aangesloten op het aardgasnet en krijgt de woning zonnepanelen.

Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere:

  • warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht;
  • warmteterugwinning vanuit ventilatie en vanuit douchewater;
  • opvang en recyclen van regenwater.

Bij uitwerking van het bouwplan wordt gestreefd naar het bouwen van een bijna energie neutrale woning.

De bedrijfsbebouwing wordt gebouwd overeenkomstig de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen (2018). Aanvullend worden zonnepanelen geplaatst op de bedrijfswoning en op de schuur. In de schuur worden energgiezuinige led-verlichting toegepast. Tot slot worden werkzaamheden zoveel mogelijk met apparaten met een accu uitgevoerd.

3.3.7.2 Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering

Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigereregenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan "weten, willen en werken" om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven.

De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte en e. bodemdaling. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas.

Wateroverlast door overvloedige neerslag

Onderstaand zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen:

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Waterdiepte bij hevige bui – 70 mm / 2 uur (1:100 jaar)   Lokaal maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen belemmering.  
Waterdiepte bij hevige bui – 140 mm / 2 uur (1:100 jaar)   Lokaal maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen belemmering.  

Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie en scenario 2050 Hoog geen risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect 'wateroverlast'. Ter voorkoming van wateroverlast zal het vloerpeil van de bebouwing komen te liggen boven het door het waterschap aan te houden vaste peil.

Overstroming

Onderstaand zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen:

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Plaatsgebonden overstromingskans norm 2050 – 20 cm   Kleine kans (1/300-1/3.000 per jaar)  
Plaatsgebonden overstromingskans huidige situatie – 20 cm   Kleine kans (1/300-1/3.000 per jaar)  
Maximale overstromingsdiepte kaart middelgrote kans   geen tot < 05m  

Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie een beperkt risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect 'overstroming'. Bij een doorbraak van een waterkering kan in dit gebied een waterschijf komen te staan met een hoogte van < 0,5 m.

Bij de bouw en inrichting van de woning en opstallen zijn maatregelen nodig. Om het overstromingsrisico in te perken wordt een vloerhoogte aangehouden dat vergelijkbaar is met het maaiveldniveau van bebouwing in de omgeving.

Hitte

Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Door aanplant van bomen kan schaduw worden geboden.

Onderstaand zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen:

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Hittestress door warme nachten 2050   Speelt nu niet; toekomstige toestand afhankelijk van keuzes bij inrichting en beheer.  
Ligging in stedelijk hitte-eiland   Ligging binnen de invloedssfeer van buitengebied. Nu 0-0,2 Cc warmer dan het open buitengebied. Dit kan oplopen afhankelijk van de herinrichting van de omgeving.  

Het plangebied ligt in het buitengebied. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie geen sprake is van hittestress bij aanhoudende hitte. Voor de ontwikkeling is er geen risico ten aanzien van het aspect 'hitte'.

Belangrijk is om gebouwen warmtewerend te ontwerpen en bouwen. Door aanleg van groen rondom de bedrijfswoning wordt hittestress enigszins beperkt.

Er is nu geen of weinig effect op bestaande omgeving te verwachten, want het project is dermate klein dat er geen significant verschil zal zijn op het bestaande stedelijk hitte-eiland.

Droogte

Onderstaand zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen:

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Risico droogtestress   Laag (jaarlijkse opbrengstderving <10% bij gras in hoog scenario).  
Risico verschilzetting 2050   Laag.  

De bestaande functie is weinig droogtegevoelig. Dat geldt ook voor de toekomstige situatie. Om risico van droogtestress op de sierteeltkwekerij te voorkomen heeft initiatiefnemer 320 meter aan schuine oeverkanten gemaakt. Verder is het voornemen om extra waterberging te graven van ongeveer 100 m2 , waarin circa 300 m3 water vastgehouden kan worden. Dat zal halverwege de kwekerij plaatsvinden.

Het regenwater dat op de daken van de bedrijfsbebouwing valt wordt geïnfiltreerd in de bodem . Ook dit draagt bij aan het voorkomen van droogtestress.

Bodemdaling

Onderstaand zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas van de provincie Zuid-Holland in beschouwing genomen:

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Bodemdaling 2020-2050   matig (10-20 cm).  
Bodemdaling door ophoging bij opbrengen pakket zand of grond van 1 m dikte   25-50 cm.
Ophoging is niet nodig bij planrealisatie.  

Uit de analyse blijkt dat er een matig risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect bodemdaling. De nieuwe bedrijfswoning en bedrijfsgebouw dalen niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn geen maatregelen nodig.

3.3.7.3 Biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen

Natuur-inclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven.

Hiermee wordt gezorgd voor een betere leefomgeving van mens en dier, bijvoorbeeld door groene daken en gevels, bomen op balkons en wadi's, maar ook door wat meer alledaagse aanpassingen zoals het planten van bomen en struiken, het bieden van nest- en schuilgelegenheden aan dieren of het aanleggen van natuurlijke vijvers.

Natuur-inclusief bouwen

Initiatiefnemers zijn voornemens nieuwbouw te realiseren binnen het plangebied. Het gaat om de bouw van een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen.

Toets van het planvoornemen

Voor wat betreft biodiversiteit en natuurvriendelijk bouwen wordt bij uitwerking van de nieuwbouw voor de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen rekening gehouden met:

  • De aanplant van nieuw groen op de bedrijfslocatie in het kader van de landschapsversterking;
  • het behouden van het bestaande groen aan de randen van het perceel bestaande uit knotwilgen en lage hagen. Dit heeft een positieve invloed op gezondheid en welzijn van mensen. Verder kunnen hierdoor er meer diverse planten- en diersoorten leven;
  • Toepassen van grastegels;
  • aanleggen van schuine oeverkanten om de biodiversiteit te vergroten (voor waterberging en voor vlinders, bijen en zweefvliegen);
  • nieuwbouw biedt kansen voor natuur-inclusieve bouw. In het ontwerp van de woning en bedrijfsgebouwen wordt dit meegenomen.

Conclusie

Bij uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van duurzaam bouwen, klimaatadaptatie en natuur-inclusief bouwen overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen functies en activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.

4.1 Milieueffectrapportage

4.1.1 Kader

In artikel 11.1 van het Omgevingsbesluit jo. 16.36 lid 5 Omgevingswet is aangegeven dat bevoegd gezag beoordeeld of sprake is van aanzienlijke milieueffecten in het kader van een plan of project. Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten als bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 16.35 Omgevingswet, tenzij het zonder een voorafgaande beoordeling een milieueffectrapport maakt. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn.  Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten met de bijbehorende motivering op in het plan.

In artikel 11.1 lid 2 van het Omgevingsbesluit is een uitzondering opgenomen voor de gevallen waar volgens artikel 16.36 lid 3 van de Omgevingswet een milieueffectrapport (MER) voor moet worden gemaakt. Deze uitzondering vindt alleen plaats als:

  • voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; en
  • de omvang van dat gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is.
4.1.2 Toetsing voornemen

Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet volgt dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder de uitzonderingsmogelijkheid 11.1 lid 2 zoals hierboven beschreven.

Het plan aan de Dorpsstraat 193 en 199 heeft een geringe ruimtelijke impact aangezien een bestaand agrarisch bedrijf een passende bestemming / functie krijgt en bovendien een bouwvlak in het lint wordt wegbestemd. Verder wordt een bedrijfswoning omgezet in een reguliere woning zonder dat hierbij sprake is van fysieke veranderingen.

Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel betreft het plan een klein project op lokaal niveau waarvoor gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling.

In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde plan-mer-beoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 3 en 4 van de Omgevingswet. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van deze plan m.e.r-beoordeling op in het (ontwerp) wijzigingsplan. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor dit wijzigingsbesluit.

4.1.3 Conclusie

Het planvoornemen betreft een klein plan op lokale schaal. Een PlanMER is dan ook niet aan de orde. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.

4.2 Geluid

4.2.1 Kader

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet).

De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het verlenen van een omgevingsvergunning, die voorgaande toelaten, moet aan twee eisen voldoen:

  • houd rekening met geluid;
  • voorzie in aanvaardbaar geluid.
4.2.2 Toetsing voornemen

Bedrijfswoning Dorpsstraat 193

Wegverkeerslawaai

Door Sain milieuadvies is akoestisch geluidsonderzoek uitgevoerd. Het akoestisch rapport is bijgevoegd als bijlage 4.

De woning komt te liggen binnen het geluidaandachtsgebied van de Dorpsstraat, een gemeenteweg. Daarom is in het kader van de ruimtelijke procedure een akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting door wegverkeer.

Het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de afstand in tabel 1, gemeten vanaf de rand van de weg.

Tabel 1: Afstanden cf. Art. 17.5 Or, gemeten vanaf de rand van de weg Aantal rijstroken

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0014.png"

De geluidsnormen, waaraan voldaan moet worden, zijn opgenomen in het Bkl. Daarnaast kunnen er gemeentelijke regels zijn. De normen uit het Bkl gelden per geluidbronsoort, op de gevel van een bestaand pand danwel op de locatie waar een gevel mag komen (voor de nieuw te bouwen woningen).

Het geluid wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag.5 In het akoestisch onderzoek moet worden uitgegaan van “het geluid in een voor het verkeer op die weg maatgevend jaar”.

Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen, in principe tot maximaal de grenswaarde. Het bevoegd gezag moet dat wel motiveren.

De geluidsnormen voor het onderhavige plan zijn, voor het geluid door ‘gemeentewegen’:

  • Standaardwaarde: 53 dB;
  • Grenswaarde: 70 dB.

De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de geplande woningen is berekend met Geomilieu V2024.2 van dgmr. Hierbij is gebruik gemaakt van de module “Omgevingswet, wegverkeer”. Deze module rekent conform de Omgevingswet.

In tabel 2 is de hoogste berekende geluidbelasting weergegeven.

Tabel 2: Geluid Lden in dB, door gemeentewegen

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0015.png"

Uit de resultaten blijkt, dat de geluidbelasting op de nieuwe woning door gemeentewegen (veel) minder is dan de standaardwaarde van 53 dB. Het geluid op de nieuwe woning door wegen is zodoende aanvaardbaar en er kan gesteld worden, dat er wat het aspect wegverkeersgeluid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Industrielawaai

De locatie ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein Kijfhoek. Voor het tijdelijk deel omgevingsplan 'bestemmingplan 1e wijziging buitengebied, locatie dorpsstraat 199' (vastgesteld 7 maart 2017) is een geluidsberekening uitgevoerd waarin is aangetoond dat de geluidbelasting ter plaatse van de Dorpsstraat 199 op een hoogte van 7,5 meter hoogte een waarde heeft van 46,3 dB(A). Aan de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) wordt derhalve voldaan. Omdat de locatie Dorpsstraat 193 op gelijke afstand van het industrieterrein ligt kan bij de uitkomsten van dit onderzoek worden aangesloten en is er sprake van een aanvaardbaar geluidniveau.

Railverkeerslawaai

De gevoelige functies binnen het werkingsgebied liggen buiten het aandachtsgebied van de spoorlijn. Verder onderzoek kan achterwege blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0016.png"

Afbeelding 3.3: uitsnede geluidregister (www.geluidgegevens.nl)

Woning Dorpsstraat 199

Onderdeel van het planvoornemen is de wijziging van de bestemming / functie van de bedrijfswoning aan de Dorpsstraat 199 naar Wonen. Akoestisch onderzoek voor deze ontwikkeling is op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) niet nodig omdat de geluidsnormen uit het Bkl alleen gelden voor woningen die (voor het eerst) worden "toegelaten in een geluidaandachtsgebied"). Dit is geregeld in lid 1 van artikel 5.78r Bkl. De geluidsnormen gelden dus niet voor woningen die er al (legaal) zijn. Dit wordt nog eens extra benadrukt in lid 2 van het zelfde artikel (artikel 5.78r lid 2 Bkl). Het maakt hiervoor niet uit, welke maximumsnelheid er geldt.
Voor het omzetten van een (legale) bedrijfswoning naar een reguliere woning is daarom geen akoestisch onderzoek nodig, want dit is een bestaande woning. Dit geldt voor zowel het wegverkeerslawaai, industrielawaai en railverkeerslawaai.

4.2.3 Conclusie

Het geluid op de nieuwe woning door weg, spoor en industrie is aanvaardbaar. Er is, wat het aspect geluid (wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai) betreft, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen.

De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren:

  • 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.
  • 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
4.3.2 Toetsing voornemen

Grenswaarde

Met behulp van de Atlas leefomgeving is inzicht verkregen in de concentraties aan stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse van het plangebied. De concentraties aan stikstofdioxide en fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied betreffen respectievelijk 14,4 g/m3 en 15 g/m3. Dit is ver beneden de geldende grenswaarden.

Niet in betekende mate

De luchtkwaliteiteisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een plan, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Het plan voorziet in een toename van het verkeer vanwege de bouw van een nieuwe bedrijfswoning. De omvang van het agrarisch bedrijf en de nevenactiviteit zullen als gevolg van het planvoornemen niet wijzigen. De gewenste uitbreiding van de schuurruimte is nodig omdat het bedrijf in de huidige omvang volstrekt te weinig stallingsruimte heeft. Ook is er ruimte nodig voor onder andere een bosmachine en het opstellen van de sorteertafels. Dit in verband met een doelmatige bedrijfsvoering. De behoefte aan extra schuurruimte komt dus niet voort uit een bedrijfsuitbreiding.

Als gevolg van de bouw van de bedrijfswoning neemt het aantal verkeersbewegingen toe met 8,6 per etmaal.

Met behulp van de NIBM Tool is worst case berekend of een toename van 9 verkeersbewegingen met licht verkeer per dag invloed heeft op de luchtkwaliteit. Het resultaat van de berekening is onderstaand weergegeven. Hieruit volgt dat de bijdrage van de toename van het verkeer niet in berekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0017.png"

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

Het plan valt niet onder Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of een regionaal programma van maatregelen.

4.3.3 Conclusie

Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Daarnaast is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het werkingsgebied.

4.4 Bodemkwaliteit

4.4.1 Kader

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.5 instructieregels voor bodemkwaliteit. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Voor een nieuwe ontwikkeling geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

4.4.2 Toetsing voornemen

Door Inventera is een voorafgaand bodemonderzoek uitgevoerd, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het bodemrapport is bijgevoegd als bijlage 5

Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit wordt ervan uitgegaan dat sprake is van een diffuse bodembelasting met OCB, zware metalen en PAK, waarvoor de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL, NEN 5740) van toepassing is. De ondergrond op de locatie is vooralsnog onverdacht voor verontreiniging en wordt onderzocht conform de onderzoeksstrategie onverdachte nietlijnvormige locatie’ (ONV-NL, NEN 5740).

Voor het onderzoek van de slootdemping wordt een maatwerkstrategie gehanteerd, afgeleid van de strategie voor een ‘verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern’ (VEP, NEN 5740).

Op 20 augustus 2025 zijn in totaal 10 boringen (boringen 101 t/m 110) geplaatst, in diepte variërend van 1,2 – 3,0 m-mv. Boring 110, ter plaatse van de nieuw te bouwen woning, is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek.

In en op de bodem is geen asbestverdacht (plaat)materiaal waargenomen; onder asbestverdacht (plaat)materiaal wordt materiaal verstaan dat op basis van voorkennis en/of een visuele beoordeling een hoeveelheid asbest zou kunnen bevatten. Conform bijlage A.4 van de NEN 5725 is puin van bakstenen niet asbestverdacht.

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een diffuse bodemverontreiniging met OCB, zware metalen en PAK in de grond.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

  • In de visueel onverdachte kleiige bovengrond (mengmonsters MM1 t/m MM3) zijn geen verhoogde gehalten met OCB aangetoond; deze grond wordt voor wat betreft OCB geclassificeerd als Landbouw/natuur.
  • In de visueel verdachte kleiige bovengrond (bijmenging met baksteen) onder het cunetzand (0,4 – 0,7 m-mv; boring 101) zijn licht verhoogde gehalten voor lood, minerale olie, PCB en PAK aangetoond; het monster wordt daarmee geclassificeerd als Industrie.
  • In de visueel onverdachte zandige bovengrond (mengmonster MM4) zijn geen verontreinigingen aangetoond; deze bovengrond wordt daarmee geclassificeerd als Landbouw/natuur.
  • In de visueel onverdachte kleiige boven- en ondergrond (mengmonsters MM5 en MM6) zijn geen verontreinigingen aangetoond; deze bovengrond wordt daarmee geclassificeerd als Landbouw/natuur.
  • In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 110) wordt voor de stof barium de Voorkeurswaarde overschreden en voor de overige stoffen wordt geen van de onderzochte stoffen de Voorkeurswaarde of de signaleringsparameter grondwater overschreden. Het licht verhoogde bariumgehalte in het grondwater betreft ons inziens een natuurlijk verhoogd gehalte.

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging met OCB in de grond’ verworpen te worden; er zijn voor OCB geen verhoogde gehalten aangetoond. Voor de algemene bodemkwaliteit kan de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ verworpen worden met uitzondering van de locatie ter plaatse van boring 101, waar in de kleilaag met baksteen licht verhoogde gehalten met lood, minerale olie, PCB en PAK in de grond zijn aangetoond.

De aangetoonde gehalten in de grond zijn zodanig licht verhoogd dat de in het Omgevingsplan vastgelegde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of het treffen van sanerende of andere beschermende maatregelen overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn naar mening van Inventerra daarom niet noodzakelijk.

4.4.3 Conclusie

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt de locatie geschikt geacht voor het huidige en toekomstige (woon)gebruik. Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.5 Ongevingsveiligheid

4.5.1 Kader

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen ervan zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Aandachtsgebieden

Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

4.5.2 Toetsing voornemen

Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart Nederland weergegeven. Hierop is te zien dat in de direct omgeving van het werkingsgebied geen risicovolle inrichtingen liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0018.png"

Afbeelding 4.1: risicokaart (werkingsgebied bij blauwe druppel)

Water

Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van circa 1,24 kilometer, bevindt zich de corridor Rotterdam – Moerdijk. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie GT3 en bedraagt 1.070 meter. Het plangebied valt niet in het invloedsgebied.

Weg

De A16 bevindt zich ten noorden van het plangebied op een afstand van circa 2,9 kilometer. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. Het effectafstand van de A16 bedraagt echter meer dan 4 kilometer omdat stofcategorie GT4 over deze weg wordt vervoerd. Omdat de beoogde bedrijfswoning op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeft volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de A16. Wel dient vanwege de ligging in het effectafstand ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in een beknopte verantwoording.

Spoor

Het spoortraject Kijfhoek – Barendrecht bevindt zich op een afstand van circa 980 meter van het plangebied. Het invloedsgebied van het spoor wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4 kilometer. Ook hier ligt het plangebied op meer dan 200 meter van het spoor, maar in het invloedsgebied. Een beknopte verantwoording volstaat.

Risicovolle inrichtingen

Op een afstand van circa 865 meter bevindt zich de risicovolle inrichting rangeerterrein Kijfhoek.

Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6-contour, 10-7-contour of 10-8-contour. In het Beheerplan Kijfhoek zijn groepsrisicoberekeningen uitgevoerd waaruit blijkt dat het groepsrisico van het rangeerterrein onder de oriëntatiewaarde ligt. Daarnaast zal de toevoeging van één woning niet zorgen voor een significante stijging in het groepsrisico. Wel dient vanwege de ligging in het invloedsgebied een beknopte verantwoording te worden opgesteld.

Buisleiding

Ten noorden van het plangebied bevindt zich een waterstofleiding op een afstand van circa 885 meter. De PR 10-6-contour ligt op 25 meter en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het effectafstand van de leiding betreft 60 meter bij een fakkelbrand. Ook hier valt het plangebied niet binnen.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Dorpsstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Heerjansdam. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie wordt één nieuwe woning gerealiseerd. De eventueel aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van het object door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.

4.5.3 Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Kijfhoek – Barendrecht waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en het rangeerterrein Kijfhoek en de effectafstand van de A16. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering' (hierna: Handreiking)', gepubliceerd in 2024 door de VNG.

In tegenstelling tot de eerdere uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) wordt niet uitgegaan van richtafstanden, maar van de inpasbaarheid van de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied (zones). Omdat de regeling vooral gericht is op het formuleren van regels in het omgevingsplan en deze implementatie nog niet heeft plaatsgebonden, kan gebruik worden gemaakt van een in de handreiking opgenomen transponering (omzetting) van richtafstanden naar posities binnen zones. Hierbij wordt voor geluid onderscheid gemaakt tussen rustige woongebieden en gemengde gebieden.

Buitengebied

In het buitengebied komen activiteiten voor die gebruiksruimte voor geluid en geur nodig hebben. De systematiek uit de Handreiking kan ook worden toegepast op het buitengebied maar gelden uitdrukkelijk niet voor de geurbeoordeling. Dit wordt via ander regelgeving geregeld.

In paragraaf 2.4 van de handreiking wordt aangegeven welke milieuthema's op een andere manier worden geregeld. Dit zijn: luchtverontreiniging, externe veiligheid, trillinghinder, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied, lichthinder, spuitzones en de hinder van verkeeraantrekkende werking. Ook geluid kan hier aan worden toegevoegd omdat dit is opgenomen in de Bruidschat. Deze aspecten worden verder toegelicht in bijlage A6 van de Handreiking.

VNG Brochure Bedrijven en milieuzonering 2009

De Handreiking biedt beperkte invulling voor de toetsing bij een agrarisch bedrijf in het buitengebied. Om deze reden is het voor de toets aan het aspect bedrijven milieuzonering wel gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' als best beschikbaar (toetsings)kader.

Ter bescherming van de leefkwaliteit is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies noodzakelijk. Om die reden moet worden onderzocht of in de directe omgeving van het werkingsgebied milieugevoelige functies aanwezig zijn en in welke mate de bedrijfsactiviteiten, die vanuit het werkingsgebied worden uitgeoefend, hinderlijk zijn voor deze (gevoelige) functies.

In de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” zijn de meest voorkomende vormen van bedrijvigheid beoordeeld op grond van hun hinderlijkheid en aan de hand daarvan verdeeld in een zestal milieucategorieën. Op grond van de mate van milieuhinderlijkheid wordt geadviseerd een bepaalde afstand ten opzichte van gevoelige functies aan te houden, zoals woningen, scholen, e.d. Deze afstandsnormen zijn indicatief van aard. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

Tabel 4.2: richtafstanden Bedrijven en milieuzonering

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0019.png"

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het TAM-omgevingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype.

Er zijn twee omgevingstypen gedefinieerd, te weten de omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied. Bij het gemengd gebied wordt een kleinere richtafstand aangehouden.

4.6.1 Toetsing voornemen

Omgevingstype

In de directe omgeving van het plangebied zijn hoofdzakelijk agrarische gronden en woningen aanwezig. Vanwege de aanwezigheid van diverse (agrarische) bedrijven in de directe omgeving en de ligging aan de Dorpsstraat kan het gebied getypeerd worden als (matig) gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd (zie tabel 4.2)). Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. Direct ten zuiden en oosten van het plangebied zijn woningen aanwezig.

Dorpsstraat 193

Op de locatie aan de Dorpsstraat 193 wordt een nieuwe bedrijfswoning gebouwd. Enerzijds moet beoordeeld worden of het toevoegen van een woning (gevoelig object) nadelige gevolgen kan hebben voor omliggende bedrijven. Anderzijds moet worden vastgesteld of ter plaatse van de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ten westen van de geplande bedrijfswoning is een agrarische bedrijfslocatie aanwezig (dorpsstraat 185?). Conform de bestemmingsomschrijving van het bestemmingsplan is ter plaatse een akker- en vollegrondstuinbouwbedrijf toegestaan en/of een grondgebonden veehouderijbedrijf.

Een akkerbouwbedrijf valt in categorie 2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Voor deze milieucategorie geldt voor geluid een richtafstand van 30 meter in een rustig buitengebied. In een gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd naar 10 meter.

Een veehouderijbedrijf valt in categorie 3.2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Voor deze milieucategorie geldt voor geluid een richtafstand van 50 meter in een rustig buitengebied. In een gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd naar 30 meter.

De afstand van de nieuwe bedrijfswoning tot de grens van het bouwperceel is circa 40 meter. Aan de richtafstanden wordt voldaan. Overige (agrarische) bedrijven zitten op grotere afstand.

Omdat de ruimtelijke scheiding tussen de nieuwe bedrijfswoning en de naastgelegen agrarische bedrijfslocatie voldoende is, wordt het bedrijf niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Ook kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de bedrijfswoning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Dorpsstraat 199

De bedrijfswoning aan de Dorpsstraat 199 wordt gewijzigd naar een reguliere woonbestemming (woonfunctie). Omdat er in de bestaande situatie reeds sprake is van een gevoelig object, heeft de wijziging van de bestemming / functie geen gevolgen voor bedrijven in de omgeving.

Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf van derden ligt aan de Dorpsstraat 209. Dit betreft een agrarische bedrijfslocatie met de bestemming glastuinbouw.

Een glastuinbouwbedrijf valt in categorie 2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Voor deze milieucategorie geldt voor geluid een richtafstand van 30 meter in een rustig buitengebied. In een gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd naar 10 meter.

De werkelijke afstand van de woning aan de Dorpsstraat 199 tot een het bouwvlak van het tuinbouwbedrijf is circa 32 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Overige (agrarische) bedrijven zitten op grotere afstand.

4.6.2 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het werkingsgebied.

4.7 Water

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. In het kader van de Omgevingswet is het verplicht plannen te toetsen op wateraspecten. Het doel van de watertoets is “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten”.

Waterkwantiteit

In de omgeving van het plangebied zijn veel kavelsloten aanwezig. Deze kavelsloten zijn noord-zuidgeoriënteerd en staan haaks op de linten.

De maaiveldhoogte varieert van circa NAP -0,49 m langs de Oude Maas tot NAP -1,75 m meer naar de noorden toe. In het plangebied is het peilbesluit Zwijndrechtse Waard van kracht, hierin liggen verschillende peilgebieden.

Veiligheid en waterkeringen

Langs de Oude Maas ligt een primaire waterkering. De Lindtsedijk en Dorpsstraat zijn een regionale waterkering. Aan de zuidoostkant van de Polder Buitenland ligt een boezemkade. Ook de Molenweg aan de noordwestkant van het plangebied is een boezemkade.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0020.png"

Afbeelding 4.2: kaart waterkeringen en boezemkade

Afvalwaterketen en riolering

Voor de woningen is een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Nabij de Lindtsedijk is een RWZI gelegen waar het afvalwater uit Barendrecht, Heerjansdam, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Oostendam, Blaaksedijk, 's Gravendeel, Maasdam en Puttershoek wordt gezuiverd.

Watertoets

De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werken we met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waar rekening mee gehouden moet worden.

Op 17 september 2025 is het Waterschap Hollandse Delta van het plan in kennis gesteld door middel van de digitale watertoets. Deze is bijgevoegd als bijlage 6.

Gelet op de beantwoording van de vragen concludeert het waterschap dat er voor het plan een normale procedure van toepassing is en dat er een watervergunning aangevraagd moet worden.

Toename verharding

Met de voorgenomen ontwikkeling zal een uitbreiding van het verharde oppervlakte worden gerealiseerd in de vorm van een nieuwe schuur, overkappingen, een stekkasje en een bedrijfswoning. De totale oppervlakte aan nieuwbouw bedraagt circa 750 m2.

Op de plaats waar de schuur en de woning worden gerealiseerd is reeds erfverharding aanwezig. Dit betreft circa 375 m2. Deze verharding zal worden verplaatst naar de vrachtwagendraaiplek (zie afbeelding bijlage 2).

Per saldo is de toename aan oppervlakteverharding (750 - 375) 375 m2.

Volgens de regels “Regels voor afvoer van regenwater” en de beleidsregel BL-11 dient in het buitengebied watercompensatie plaats te vinden als meer dan 500 m² nieuwe verharding wordt aangelegd. Omdat de toename van de oppervlaktverharding kleiner is dan 500 m2, is geen watercompensatie verplicht.

Initiatiefnemer heeft echter al wel geïnvesteerd of gaat nog investeren in de verbeteringen van de waterkwantiteit. Bij de nieuwe kwekerij rechts zijn rondom ( 2 x 160 mtr ) schuine oeverkanten gemaakt.

Verder zal nog een waterberging worden graven van ongeveer 100 m2 ( 300 m3 water). Deze waterberging wordt halverwege de kwekerij, aan de rechtse kant, aangelegd.

Een deel van de bebouwing ligt binnen de kern en beschermingszone van de primaire waterkering en dijksloot. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone zal een vergunning bij het Waterschap Hollandse Delta worden aangevraagd.

Ten aanzien van het planvoornemen aan de Dorpsstraat 199 is de situatie dat er geen fysieke ingrepen plaatsvinden die van invloed zijn op de waterkering en/of de waterhuishouding. Het wegbestemmen van het agrarisch bouwvlak voorkomt dat binnen de beschermingszone van de waterkering bebouwing opgericht kan worden. Dit is een positieve ontwikkeling.

Conclusie

Er zijn geen waterstaatkundige aspecten in het geding. Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.8 Ecologie

4.8.1 Kader

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.

Flora- en fauna-activiteiten
Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: 'Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.

Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • Er soorten aanwezig zijn;
  • Welke soorten dat zijn.

Gebiedsbescherming

Indien een projectgebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.

Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

  • 1. bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • 2. gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
  • 3. landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • 4. ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;
4.8.2 Toetsing voornemen

Voor het aspect Ecologie is een natuurtoets opgesteld en bijgevoegd als bijlage 3 bij deze motivering. Een quickscan natuurwaardenonderzoek maakt onderdeel uit van deze natuurtoets.

In deze natuurtoets is gekeken naar de mogelijke effecten in het kader van gebeids- en soortenbescherming. Er is gekeken naar mogelijke effecten (stikstof en overige effecten) op de omliggende Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied etc. Ook is er beoordeeld of er mogelijk beschermde soorten in het werkingsgebied aanwezig zijn.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natura 2000-gebied 'Oude Maas' (figuur 3.1). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied betreft het Natura 2000-gebied 'Biesbosch' op circa 12 km (afbeelding 4.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0021.png"

Afbeelding 4.3: De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,3 km tot het Natura 2000-gebied 'Oude Maas' en op een afstand van circa 12 km van het stikstofgevoelige Natura2000-gebied 'Biesbosch'

Ondanks dat de ruimtelijke ingrepen plaatsvinden buiten een Natura 2000-gebied, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden en haar instandhoudingsdoelstellingen per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Door middel van een stikstofonderzoek zijn de gevolgen van het planvoornemen in de bouw- en de gebruiksfase in beeld gebracht. De toelichting van het stikstofonderzoek is bijgevoegd als bijlage 7. De stikstofberekening van de bouwfase en de gebruiksfase zijn worst case in één AERIUSberekening uitgevoerd. Dit omdat de bouw- en de gebruiksfase in één jaar kunnen plaatsvinden. De AERIUSberekening is bijgevoegd als bijlage 8.

Uit het stikstofonderzoek blijkt dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitats in de omligggende Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven daarom geen maatregelen getroffen te worden.

Kaderrichtlijn water

De planlocatie ligt niet in een Kaderrichtlijn waterlichaam. KRW-toetsing is niet van toepassing.

Provinciaal aangewezen gebieden

De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van circa 440 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie is gelegen in de Groene Buffer (afbeelding 4.4). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0642.TAMOP15Dorpstr193-3001_0022.png" Afbeelding 4.4: De planlocatie ligt in de Groene Buffer en op een afstand van circa 440 m tot het Natuurnetwerk Nederland

De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van artikel 7.43k van de Omgevingsverordening. Er is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, en het plan doet geen afbreuk aan de bufferfunctie. Door de locatie, schaal, aard en invulling van het plan wordt het bestaande landschappelijke, agrarische en functionele karakter niet aangetast maar eerder ondersteund. Een versterking van het landschap wordt gerealiseerd door middel de investeringen in aan te planten groen. Zie ook het bijgevoegde landschapsversterkingsplan. Daarmee is het plan in lijn met het provinciale beleid voor groene buffers.

Houtopstanden

In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.

Natuurinclusiviteit

Natuurinclusief bouwen speelt een steeds grotere rol bij het versterken van robuuste natuur in de bebouwde omgeving. Dit draagt niet alleen bij aan biodiversiteit, maar ook aan een aangename en klimaatadaptieve leefomgeving voor de mens. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld direct of indirect bijdragen aan het verminderen van hittestress en wateroverlast. Initiatiefnemers kunnen hieraan bijdragen door natuurinclusieve maatregelen te treffen. Momenteel zijn er geen wettelijke verplichtingen opgenomen in het landelijke Besluit bouwwerken leefomgeving.

Soortenbescherming

Planten

Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de stijve wolfsmelk bekend (NDFF 2020-2025). De stijve wolfsmelk wordt op circa 1,8 km van de planlocatie waargenomen (NDFF 2020-2025). Dit betreft een ingezaaide soort in iemands tuin. Voor de stijve wolfsmelk geldt dat deze buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied is gelegen. Soorten buiten het natuurlijke verspreidingsgebied en ingezaaide soorten vallen niet onder het beschermingsregime van soortenbescherming.

Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Grondgebonden zoogdieren

Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, noordse woelmuis, ree, rosse woelmuis, steenmater, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2020-2025). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, noordse woelmuis en steenmarter. Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren

Gezien het ontbreken van geschikte nest- en schuilplaatsen, het tijdelijke karakter van de vegetatie, het intensieve onderhoud en de voortdurende verstoringen, is de planlocatie niet geschikt als leefgebied voor de boommarter, de steenmarter, de noordse woelmuis of de bever.

Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Vleermuizen

Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2020-2025). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46).

Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

Voor de beoogde ontwikkeling worden geen gebouwen gesloopt. De bestaande schuur is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Door geen mogelijkheid van verblijfplaatsen in het gebouw en het niet aantasten van de bebouwing heeft de beoogde ingreep geen verstoring van werkzaamheden op de gebouwbewonde soorten.

Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden de bestaande groen structuren niet aangetast. Hierdoor zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor het afnemen van foerageergebied en/of vliegroutes.

Amfibieën

Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2020-2025). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie betreft een werkterrein van een boomkwekerij. Dit terrein is deels verhard en heeft een gazon met een hoog onderhoudsbeeld. Daarnaast wordt dit deel intensief gebruikt voor werkzaamheden. Op dit terrein kunnen tijdelijke overwinteringsstructuren zoals oud bladmateriaal, gekapt hout en zanddepots aanwezig zijn. Door de korte duur van deze structuren en continue verstoring door de werkzaamheden zullen hier geen mogelijke overwinteringslocaties door ontstaan. Daarnaast komen op de planlocatie of in de directe omgeving geen voortplantingswateren voor.

Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Reptielen

Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2020-2025).

Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Vissen

Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2020-2025). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater.

Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Insecten en andere ongewervelden

Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart, rivierrombout en platte schijfhoren (NDFF 2020-2025).

Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Negatieve effecten op de onderzochte soorten zijn uitgesloten.

Exoten

Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2020-2025) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

Specifieke zorgplicht Soorten

Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden.

Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten aangetroffen welke vallen onder de Specifieke zorgplicht.

Er is geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

4.8.3 Conclusie

Het plan is uitvoerbaar voor het aspect ecologie. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat het planvoornemen geen nadelige effecten heeft op stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden.

4.9 Cultuurhistorie en Archeologie

4.9.1 Kader

Algemeen

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Archeologie

Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.

4.9.2 Toetsing voornemen

Archeologie

In het kader van archeologie zijn alleen de ontwikkelingen op het perceel aan de Dorpsstraat 193 relevant omdat op deze locatie (bouw)werkzaamheden in de bodem zullen plaatsvinden. Voor de percelen aan / nabij de Dorpsstraat 199 zijn geen bodemingrepen voorzien.

In 2008 en 2016 zijn archeologische bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn toegevoegd alsbijlage 9 en bijlage 10 bij deze motivering.

De door de gemeente ingeschakelde senior KNA archeoloog geeft aan dat het booronderzoek uit 2007 is bruikbaar voor Dorpsstraat 193: in dat onderzoekrapport betreft dat deelgebied B met de boringen 3, 4 en 5. Zeker in combinatie met het onderdeel bureauonderzoek in het rapport uit 2016 kan de archeologische verwachting naar laag worden bijgesteld: de verwachte donk of rivierduin is hier binnen 8 m -mv zeker niet aanwezig én het plangebied is in de periode Middeleeuwen-Nieuwe Tijd zeker niet bebouwd geweest maar alleen in agrarisch gebruik. Er zijn in de boringen dan ook geen aanwijzingen voor oude woonlagen/bebouwing aangetroffen.

Op basis van de bevindingen van de archeoloog kan het plangebied Dorpsstraat 193 vrijgegeven worden voor de geplande ontwikkeling.

Cultuurhistorie

De bestemming van het perceel aan de Dorpsstraat 193, inclusief de bijbehorende landbouwgronden is 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Het beleid is hier gericht op het behoud en herstel van de bodem en de daarmee samenhangende landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Ten aanzien van het planvoornemen kan worden gesteld dat er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling. Door de locatie, schaal, aard en invulling van het plan wordt het bestaande landschappelijke, agrarische en functionele karakter niet aangetast maar eerder ondersteund.

Op het perceel zelf zijn verder geen monumentale panden aanwezig die bescherming genieten.

Voor het plandeel aan de Dorpsstraat 199 is het behoud van het lineaire karakter van het lint van belang. Dit wordt niet aangetast omdat het plan hier geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Er worden juist ontwikkelingsmogelijkheden wegbestemd (agrarisch bouwvlak), wat voorkomt dat het lint nabij de Dorpsstraat 199 wordt verdicht.

4.9.3 Conclusie

Zowel het aspect cultuurhistorie als het aspect archeologie staan de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.10 Verkeer en parkeren

In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. De gemeente stelt in het Gemeentelijk Verkeer en VervoersPlan, dat de meest actuele CROW parkeernorm wordt gehanteerd.

Bedrijven dienen de totale parkeervraag in principe op eigen terrein en uit het zicht op te lossen. Bij woningen mag het bezoeker parkeren in de openbare ruimte plaatsvinden, mits de parkeerdruk in de omgeving dan niet boven de 90% uitkomt.

4.10.1 Toetsing voornemen

Ontsluiting

De ontsluiting van het bestaande erf vindt plaats via de bestaande inrit. Dit wordt met het planvoornemen niet gewijzigd. Wel zal er extra verharding worden aangelegd zodat vrachtwagens op het erf kunnen keren en dus ook vooruit het bedrijf weer kunnen verlaten.

Verkeer en parkeren

Volgens CROW 317 (paragraaf 4.3.4, tabel 4.14) geldt voor bedrijfsruimte / opslag: gemiddeld 0,8 parkeerplaats per 100 m² bvo (bruto vloeroppervlak). De bandbreedte is 0,6 – 1,2 pp per 100 m² bvo, afhankelijk van locatie en intensiteit van gebruik. Voor agrarische bedrijven wordt meestal de onderkant van de bandbreedte gehanteerd, vanwege: beperkte personeelsomvang, weinig bezoekers en geen openbaar toegankelijke functie.

Op basis van de norm van 0,6 parkeerplaatsen per 100 m² bvo bij een oppervlakte van 1.050 m² heeft het bedrijf een parkeerbehoefte van (afgerond) 6 parkeerplaatsen.

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de bedrijfswoning is ook aansluiting gezocht bij de landelijke richtlijnen uit CROW-publicatie 317 – Toekomstbestendig parkeren. Deze publicatie bevat parkeerkencijfers voor verschillende functies en gebiedstypen, waaronder wonen in het buitengebied. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt volgens de CROW-richtlijnen het volgende parkeerkencijfer: 2,5 parkeerplaatsen per woning.

Het agrarisch erf van initiatiefnemer aan de Dorpsstraat 193 is voldoende ruim om zowel de parkeerbehoefte van het bedrijf als de parkeerbehoefte van de bedrijfswoning op het eigen erf op te vangen. Er vindt geen afwenteling plaats op de openbare ruimte.

Met het planvoornemen wijzigt juridisch planologisch de functie (van hovenier naar agrarisch met sierteelt). De feitelijke bedrijfssituatie was echter al die van een agrarisch sierteeltbedrijf. Met de functiewijziging wordt het feitelijk gebruik nu positief bestemd. Het planvoornemen voorziet niet in een uitbreiding van de bedrijfsomvang. De verkeersbewegingen als gevolg van de bedrijfsvoering zullen daarom niet wijzigen.

Als gevolg van de bouw van de bedrijfswoning zal een toename plaatsvinden van het lichte verkeer. Voor een bedrijfswoning bedraagt het aantal verkeersbewegingen 8,6 per etmaal. Deze toename van het aantal verkeersbewegingen is beperkt en kan met de huidige infrastructuur worden afgewikkeld.

Het plan heeft geen gevolgen voor de parkeerbehoefte van de woning aan de Dorpsstraat 199.

4.10.2 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoerbaarheid niet in de weg.

4.11 Duurzaamheid en klimaat

De gemeente Zwijndrecht Programma Duurzaamheid 2024-2027 vastgesteld. Uit dit programma volgt dat Zwijndrecht inzet op drie kernambities:

  • Energieneutraal / verduurzamen van energiegebruik;
  • Klimaatadaptief zijn / voorbereid zijn op extreem weer;
  • Circulaire economie / minimaliseren van afval en slim materiaalgebruik;

Daarbij zijn er ook relevanties met beleid rondom bodem, milieu, warmtetransitie etc.

4.11.1 Toetsing voornemen

Het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer investeert volop in een duuurzame bedrijfsvoering. De volgende duurzaamheidsmaatregelen zijn al getroffen of worden op termijn getroffen:

  • Waterberging graven voor opvang water, ook bij extreem weer (heel nat en heel droog weer);
  • Zonnepanelen plaatsen op het huis en op de schuur, eventueel ook nog een windwokkel;
  • Led-verlichting in de schuur;
  • Werken zoveel mogelijk met apparaten met een accu;
  • Afvalstromen van de kwekerij wordt tot compost gemaakt en weer op de kwekerij verwerkt;
  • Er wordt veelal biologisch gewerkt en het bijsturen van de planten gebeurd met bladmeststoffen. Weinig kunstmest;
  • Schapen als grasmaaiers rondom de kwekerij op de teeltvrije zone.
4.11.2 Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het beleid zoals omschreven in het Programma Duurzaamheid 2024-2027. Initiatiefnemer zet in op een duurzame bedrijfsvoering.

4.12 Gezonde fysieke leefomgeving

4.12.1 Kader

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.

In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.

4.12.2 Toetsing voornemen

In de voorgaande paragrafen is onderzocht welke effecten het planvoornemen ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema's zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving.

4.12.3 Conclusie

Het aspect 'gezonde fysieke leefomgeving' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13 Kabels, leidingen en straalpaden

In het plangebied ligt naast de gebruikelijke kabels en leidingen één ruimtelijk relevante gastransportleiding. Deze gasleiding heeft in het TAM-omgevingsplan een beschermende regeling gekregen. Tijdens de graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de schuur en de bedrijfswoning zal een clickmelding worden gedaan om inzicht te krijgen in de ligging van de gebruikelijke kabels en leidingen.

4.14 Conclusie fysieke leefomgeving

Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, is er met uitvoering van voorliggend project sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Inleiding

Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht. Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht. De planontwikkeling op deze locatie past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht wordt het als hoofdstuk 22b toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht gelezen te worden.

In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.

5.2 Opbouw regels

In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken.

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling in het plangebied.

Hoofdstuk 2: Specifieke regels over functies

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor het plangebied is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.

Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten

In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van waarden en objecten. In het plangebied ligt de archeologische waarde 'Waarde - Archeologie 2, 3 en 4', de Waterstaat - Waterkering en de 'Geluidzone - industrie Kijfhoek'.

Hoofdstuk 5: Overgangsregels

In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.

Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.

5.3 Werkingsbereik/toepassingsbereik TAM-omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22b wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht.

Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3). Voor 2032 moet het overgezet worden naar het definitieve Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht.

5.4 Functies

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden

De agrarische gronden bevatten belangrijke landschappelijke patronen en elementen met waardevolle water- en oevervegetaties. De natuurlijke en landschappelijke waarden binnen dit gebied zijn waardevol en dienen beschermd te worden. Daarom is aan de gronden de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden toegekend. Bij alle flexibiliteitsbepalingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling de bestaande natuur- en landschapswaarden niet aantast.

Naast de uitoefening van het agrarische bedrijf zijn binnen de agrarische bestemmingen enkele nevenfuncties rechtstreeks toegestaan ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering.

Het agrarisch bedrijf heeft een bouwvlak toegekend gekregen van circa 3.700 m2. Binnen dit bouwvlak dienen alle bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde geplaatst te worden. Binnen een agrarisch bouwvlak mag één agrarische bedrijfswoning gebouwd worden met een maximaal oppervlak van 125 m² (inclusief aan- en uitbouwen). Bij de bedrijfswoning mogen daarnaast nog bijgebouwen worden gebouwd met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 75 m².

Daar waar de hoveniersactiviteiten van het bedrijf plaatsvinden is de aanduiding ´hovernier´ opgenomen. Op de gronden waar de sierteelt van oudsher plaatsvindt is de aanduiding ´sierteelt´ opgenomen.

Artikel 5 Verker

Aan het gedeelte van de weg dat binnen het plangebied ligt is de functie verkeer opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor verkeerswegen, parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden met de daarbij behorende taluds, beplantingen, groenvoorzieningen, water en geluidsbeperkende voorzieningen mede ten behoeve van spoorwegdoeleinden;

Artikel 6 Water

Belangrijke waterlopen- en partijen zijn bestemd middels de functie 'Water'. Binnen deze functie zijn bruggen toegestaan met een maximale breedte van 5 meter per brug.

Artikel 7 Wonen - 2

In het plangebied wordt de woning op maat bestemd middels de functie 'Wonen-2' en een bouwvlak. Binnen deze functie zijn ook tuinen, erven, verhardingen, water en groen toegestaan. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen kunnen uitsluitend vergunningsvrij worden gerealiseerd.

Artikel 8 Leiding-Gas-1

Deze functie is opgenomen ter plaate van de ligging van de aardgastransportleiding.

Artikel 9 t/m 11 Waarde - Archeologie 2, 3 en 4

In aansluiting op het omgevingsplan is een regeling opgenomen waaruit bescherming van de archeologische waarden bij bouwen en bij de uitvoering van werken voortvloeit.

Artikel 18 Geluidzone - gezoneerd bedrijventerrein Kijfhoek

In aansluiting op het omgevingsplan is een regeling opgenomen waarin is opgenomen dat er geen andere geluidgevoelige objecten mogen worden gebouwd anders dan in dit TAM-omgevingsplan toegestaan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

6.1.2 Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.

De gemeente heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hierin zijn afspraken gemaakt over de uitvoering, kosten en nadeelcompensatie. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. De ontwikkeling heeft voor de gemeente verder geen negatieve financiële gevolgen.

6.2 Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg wordt het ontwerp TAM-omgevingsplan door middel van een E-formulier bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangemeld. Voorts wordt het plan toegezondenaan een aantal vooroverleginstanties.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inleiding

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

Participatietraject

Initiatiefnemer heeft op 19 maart 2025 de omwonenden op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling door middel van een brief. De brief is bij de volgende huisnummers gelegen aan de Dorpsstraat in Heerjansdam in de bus gedaan: 195b, 195a, 92, 191, 189, 185, 183, 92a, 201, 203, 205, 207, 209, 94, 197. Het gaat om in totaal 15 adressen rondom de huidige bedrijfswoning aan de Dorpsstraat 199 en de bedrijfslocatie aan de Dorpsstraat 193.

Initiatiefnemer heeft van 12 omwonenden een schriftelijke of mondelinge reactie ontvangen. Geen van de reacties waren negatief.

De omwonenden van de Dorpsstraat 195b, 197 en 205 hebben niet gereageerd.

6.4 Vaststellingsprocedure

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit heeft op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Tegelijkertijd wordt het ontwerp TAM-omgevingsplan elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. In deze periode zijn geen schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen ontvangen.

6.5 Beroep

Tegen het besluit tot het vaststellen van het TAM-omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken een beroepschrift indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbenden kunnen ook een voorlopige voorziening vragen tegen het TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In voorgaande hoofdstukken is gemotiveerd dat er met de nieuwe regeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL):

In Hoofdstuk 3 Beleidskader is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de verschillende overheden;

In Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten is aangetoond dat er geen milieu- en omgevingsaspecten aan de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling in de weg staan.