| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c - Breudijk 52 en 52a Harmelen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0632.TAM22cBreudijk52HM-bVA1 |
Het initiatief betreft de locatie Breudijk 52 en 52a te Harmelen. Het plan voorziet in de herontwikkeling van de voormalige agrarische bedrijfslocatie (paardenhouderij) naar een nieuw woonerf met vier nieuwe woningen. Concreet wordt het grootste deel van de bestaande agrarische bebouwing en overtollige erfverharding gesloopt en het volledige plan opnieuw landschappelijk ingepast. Middels de sloopvoorwaarde in de 'ruimte voor ruimte' regeling worden drie woningen gecompenseerd en in samenhang met een extra landschappelijke investering wordt de vierde compensatiewoning mogelijk gemaakt. Daarnaast worden de bestaande voormalige bedrijfswoning (Breudijk 52) en de plattelandswoning (Breudijk 52a) juridisch planologisch meegenomen in onderhavig plan en bestemd voor regulier wonen.
Het voornemen is strijdig met het geldende omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Afbeelding 1.1 Ligging plangebied in Harmelen en directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl)
Het doel van dit TAM-omgevingsplan is om de bestaande agrarische bedrijfsmatige mogelijkheden weg te bestemmen en het voornemen tot woningbouw mogelijk te maken op de locatie aan de Breudijk 52 en 52a. De wijziging van de beoogde functionele situatie is niet passend in het vigerende planologisch regime. Hierdoor moet een wijziging plaats vinden van het (tijdelijk) omgevingsplan om het planvoornemen planologisch mogelijk te maken. Dat wordt met het voorliggend TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt.
Toelichting planwijziging omgevingsplan door middel van TAM-IMRO
In voorliggend geval is het nodig om de toegestane functie van het agrarisch bedrijf te schrappen en te vervangen door de nieuwe beoogde functie en de daarbij behorende bouwmogelijkheden en borging van de landschappelijke inpassing (ten behoeve van het wonen). Dit kan niet worden gedaan met een omgevingsvergunning. Hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Omdat de gemeente nog niet in staat is om een wijziging van het omgevingsplan met de nieuwe standaard 'STOP-TPOD' in procedure te brengen, is gekozen voor de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) waarmee het omgevingsplan kan worden gewijzigd, maar dan gebruik makend van de voormalige IMRO-standaarden. Voor de rechtszekerheid en procedure van het plan heeft dit geen gevolgen, het plan moet procedureel en inhoudelijk voldoen aan de Omgevingswet. Het is uitsluitend een technische maatregel om een wijziging van het omgevingsplan te kunnen publiceren.
Met de wijziging van het omgevingsplan middels een TAM-IMRO worden de huidige agrarische bedrijfsmatige activiteiten wegbestemd. Daarnaast worden de gronden gewijzigd in een andere functie die overeenkomt met de toekomstige functie. Daarnaast zijn er regels opgenomen ter plaatse van de toekomstige woningen.
Overigens wordt opgemerkt dat de bestaande plattelandswoning (Breudijk 52a) mee wordt genomen in de ruimtelijke procedure voor de realisatie van de nieuwe woningen. Dit omdat de plattelandswoning vanuit planologisch oogpunt (figuur: relatie) is gekoppeld aan het agrarische bedrijf. Met het planologisch en juridisch wegnemen van de agrarische bedrijfsmogelijkheden is het dan ook wenselijk om deze woning om te zetten in een reguliere woning. Omdat het gaat om een bestaande en legale plattelandswoning wordt het niet nodig geacht nader op deze woning in te gaan bij de toetsing van dit plan aan het geldende beleid en een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Voor de duiding van het geldende planologische regime ter plaatse van het plangebied zijn met name de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Harmelen' (vastgesteld 25 juni 2015) relevant. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.
Opgemerkt wordt dat voor borging van de archeologische waarde het bestemmingsplan "Parapluplan Woerden 2 (archeologie)", vastgesteld op 21 december 2023, van belang is. Hierin is het plangebied aangeduid als 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5'.
Ten aanzien van de exacte begrenzing van het plangebied is voornamelijk waar kan de bestaande perceelsgrens aangehouden. Dit betekent aan de zuidzijde van het plangebied, dat de bestemming 'Natuur' hier is meegenomen. De grens van de functie ligt hier niet gelijk met de perceelsgrens. Aan de oostzijde is de geldende bestemming 'Water' buiten het plangebied gehouden. De grens van het plangebied hier is gelegd op de toekomstige perceelslijn. De berm met bestemming agrarisch hoort bij de weg Appellaan en valt zodoende ook buiten dit plangebied.
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding planologisch kader (Bron: Omgevingswet.nl regels op de kaart)
Agrarisch
In voorliggend geval zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Agrarisch', met een bouwvlak. Op deze gronden is de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve veehouderij uitsluitend als duurzame neventak toegestaan met de daarbij behorende erfbeplanting, nutsvoorzieningen, erven en terreinen, wegen en paden, bestaande ontsluitingswegen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse van het voormalige agrarisch bedrijf is de functieaanduiding 'paardenhouderij' opgenomen ten behoeve van de gebruiksgerichte paardenhouderij. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' is het toegestaan om te wonen in een voormalig agrarische bedrijfswoning. Middels een relatieteken is de plattelandswoning verbonden aan het agrarisch bedrijf.
Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. Binnen een bouwvlak mogen de gebouwen en bouwwerken gerealiseerd worden.
Natuur
In voorliggend geval is een strook aan de zuidzijde voorzien van de bestemming 'Natuur'. De gronden zijn bestemd voor de instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke- en natuurwetenschappelijke waarden, cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen, waaronder begrepen van oudsher voorkomende bouwwerken, houtkaden en andere objecten en voorkomende waardevolle beplanting, almede paden-, lanen- en groenstructuur; watergangen, waterpartijen, oevers en taluds en extensieve openluchtrecreatie.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 2,5 m bedragen.
'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5'
De op voor 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen of functies, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
'milieuzone - bescherming grondwaterafhankelijke natuur'
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - bescherming grondwaterafhankelijke natuur' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van grondwaterafhankelijke natuurgebieden.
Strijdigheid
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
Na deze inleiding beschrijft Hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving. Vervolgens wordt ook in dit hoofdstuk ingegaan op de voorgenomen ontwikkeling. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het beleidskader waarbinnen de voorziene ontwikkelingen in het plangebied dienen te passen. Hier wordt ingegaan op het Rijks-, provinciaal, regionaal en het gemeentelijk beleid. Vervolgens gaat Hoofdstuk 4 in op de verschillende van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten. In Hoofdstuk 5 wordt de doorlopen participatie uiteengezet. Daarna volgt in Hoofdstuk 6 een toelichting op het juridisch systeem en op de bestemmingen gegeven. Ten slotte geeft Hoofdstuk 7 inzicht in de economische uitvoerbaarheid.
Geschiedenis directe omgeving
De oudste schriftelijke vermelding van Harmelen dateert van 1202, wanneer het nog “Hermale” wordt genoemd. Vanouds was Harmelen een agrarische gemeente, waar naast de veeteelt vanaf het begin van de 20e eeuw ook tuinbouw voorkwam. Vandaag de dag behoort het tot de gemeente Woerden en telt Harmelen circa 8.155 inwoners.
Direct grenzend ten zuiden van het plangebied ligt het Vijverbos. Dit is een natuurgebied van ongeveer 22 hectare en valt onder het Natuurnetwerk Nederland en bestaat voor een groot deel uit essenhakhout en waterpartijen. Daarnaast is er opgaand loofbos, grasland en een boomgaard.
Het Vijverbos bestaat uit verschillende ‘kamers’ gescheiden door watergangen. Door deze ontwikkeling mogelijk te maken wordt er een extra ‘kamer’ toegevoegd aan het vijverbos. De wandelroute in het plangebied wordt openbaar toegankelijk.
Huidige situatie
Het plangebied ligt ten noorden van het dorp Harmelen, in het buitengebied van de gemeente Woerden. Ten oosten en westen van het plangebied bevinden zich respectievelijk de Appellaan en de Breudijk. De belangrijkste ruimtelijke structuurdragers in de omgeving zijn de spoorwegen (Utrecht - Rotterdam en Harmelen – Breukelen) ten noorden, het kanaal de Bijleveld ten oosten en het Vijverbos ten zuiden van het plangebied. De omgeving bestaat verder hoofdzakelijk uit verspreid liggende woon- en (agrarische) bedrijfspercelen, agrarische (cultuur)gronden en natuur.
Het plangebied zelf betreft een voormalig agrarisch bedrijfsperceel (paardenhouderij) met aangrenzende gronden aan de Breudijk 52 en de bijbehorende plattelandswoning met bijgebouw aan de Breudijk 52a. De huidige locatie was van oorsprong een vleesvarkensbedrijf en opfok- en legkippenbedrijf. Omstreeks 1997 is dit omgezet naar een agrarische paardenhouderij (inclusief stapmolen, weidegang, binnenbaan, buitenbaan, springtuin, longeercirkel, paddock) samen met verhuur van paardenboxen met verzorging en het kleinschalig fokken van paarden. De agrarische opstallen hebben een oppervlakte van meer dan 4.000 m².
Binnen het plangebied bevindt zich de voormalige bedrijfswoning met bijgebouwen en agrarische bedrijfsbebouwing. Direct ten noorden hiervan bevindt zich de plattelandswoning met bijgebouwen.
Afbeelding 2.1 geeft de huidige ligging en invulling van het plangebied weer.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto plangebied (Bron: Google.Maps.nl)
Aanleiding voornemen
Sinds 2010 is er veel leegstand in de paardenboxen en het fokken van paarden is geen succes. Het bedrijf is geen toekomstbestendig agrarisch bedrijf meer en de exploitatie is al jaren niet zoals gewenst. Met deze reden hebben de eigenaren besloten om naar andere toekomstmogelijkheden te kijken en het bedrijf te beëindigen. In het recente verleden zijn meerdere gesprekken met de gemeente en de provincie gevoerd omtrent de vervolgfunctie van het plangebied en de invulling hiervan.
Concreet planvoornemen
Het plan gaat uit van de realisatie van een compact samenhangend erfensemble in de vorm van een boerenerf met vier nieuwe vrijstaande (koop)woningen. De voormalige bedrijfswoning en plattelandswoning blijven behouden en worden planologisch meegenomen in onderhavig plan. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door de sloop van meer dan 4.000 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en een extra investering in de ruimtelijke kwaliteit, waarbij toepassing wordt gegeven aan de 'ruimte voor ruimte regeling'. Zie voor verdere uitwerking van dit beleid paragraf 3.2.2.
Hieronder in afbeelding 2.2 is een situatietekening van de beoogde ontwikkeling weergegeven. Het volledige inrichtings- en beeldkwaliteitsplan is als Bijlage 1 opgenomen. Hierin zijn ook de te slopen gebouwen, 3D impressies van het nieuwe erfensemble en een nadere stedenbouwkundige en landschappelijke onderbouwing van het plan opgenomen.
Afbeelding 2.2 Situatietekening ontwikkeling (Bron: Studio 110 Architectuur en Vollmer en Partners
stedenbouw en Landschap)
Algemeen
In de vorige paragraaf is de gewenste ontwikkeling beschreven. Deze paragraaf gaat in op de manier waarop het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige stedenbouwkundige en landschappelijke waarden.
De waardering van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervoor zijn in afdeling 5.1.5 van het Bkl instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen:
Het aspect 'cultureel erfgoed en werelderfgoed' zal in paragraaf 4.15 worden behandeld en de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' in paragraaf 3.1.3. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de gebiedsspecifieke stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten. De overige van bovenstaande thema's zijn niet van toepassing op het plangebied.
Samenvattend voorziet het voornemen in een goede landschappelijke inpassing die ter plaatse leidt tot een sterke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. In voorliggend geval hebben we het over:
Hieronder wordt uitgebreider ingegaan op de stedenbouwkundige, landschappelijke waarden en invulling van het voornemen.
Stedenbouw
Het voorliggende plan beoogt de ontwikkeling van een compact en samenhangend erfensemble dat is geïnspireerd op de typologie van het traditionele boerenerf. De bestaande woning blijft gehandhaafd en fungeert als hoofdgebouw binnen het erf. De nieuw te realiseren woningen worden vormgegeven als schuurachtige volumes, waarbij gestreefd wordt naar een informele, maar ruimtelijk samenhangende opzet. Deze benadering leidt tot een erf met een herkenbare identiteit, waarin bestaande en nieuwe bebouwing elkaar versterken in plaats van concurreren. Het plan is nadrukkelijk geen rigide blauwdruk, maar een richtinggevend kader waarin ruimte is voor architectonische variatie binnen duidelijke stedenbouwkundige randvoorwaarden.
De situering en oriëntatie van de nieuwe bebouwing zijn afgestemd op de bestaande structuur van het erf. De woningen op kavels 2 en 3 zijn met hun nokrichting parallel georiënteerd aan de bestaande woning, terwijl de woningen op kavels 4 en 5 daar juist haaks op zijn geplaatst. Deze opzet zorgt voor een afwisselend beeld binnen een logisch samenhangend geheel. Alle woningen zijn georiënteerd met de voorgevel op een gemeenschappelijke erfzone, die het hart van het plan vormt en als ruimtelijk bindmiddel fungeert. De ontsluiting van het erf vindt plaats via de bestaande inrit aan de Breudijk. Hiermee blijft de bestaande infrastructuur gehandhaafd, terwijl de tweede inrit aan de Appellaan wordt opgeheven ten behoeve van het woonerf om de ruimtelijke rust en overzichtelijkheid te bevorderen. Deze in- en uitrit blijft wel qua vorm behouden met karakter die lijkt op een weilandontsluiting.
Wat betreft de bouwmassa’s is gekozen voor een sobere, schuurachtige architectuur die recht doet aan de agrarische context van het gebied. De volumes bestaan uit één bouwlaag met kap en zijn bescheiden van omvang, met hoofdgebouwen variërend van grootte. De goot- en nokhoogtes zijn gelimiteerd tot respectievelijk 3 meter goothoogte en 8 meter nokhoogte. De woning -op kavel 2- mag een afwijkende vorm hebben met 4 meter goothoogte en 9 meter noghoogte, dit conform het erfinrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan. Hierdoor ontstaat er variatie in het straatbeeld zonder dat de onderlinge samenhang verloren gaat.
Bijgebouwen worden eveneens als eenvoudige volumes vormgegeven, met een maximale goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 6 meter. De bijgebouwen worden bij de bestaande kavel (1) achter het verlengde van de voorgevel van de woning geplaatst, om het erfbeeld aan de voorzijde rustig te houden. Zodoende wordt een bestaande kapberg (bijbehorend bouwwerk) verplaatst.
Binnen het ensemble is ruimte voor architectonische detaillering zoals dakkapellen, overstekken of aanbouwen, mits deze op zorgvuldige wijze worden ingepast en grotendeels aan het zicht onttrokken blijven. Op deze wijze ontstaat een landschappelijk ingepast geheel dat het beeld van een organisch gegroeid boerenerf benadert, met een evenwichtige balans tussen individualiteit en collectiviteit.
Door middel van een 'gevellijn' is de voorgevel bij de nieuw te bouwen woningen planologisch vastgelegd. Zodoende kan op basis van het beoogde erf tevens gekeken worden wat het achtererf en bebouwingsgebied voor vergunningsvrij bouwen betreft.
Bijhorende bijgebouwen - vergunningsvrij bouwen
Het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen is bij recht 50 m² per woning (of het bestaande oppervlakte bij kavel 1). De vergunningsvrije regels zullen vanuit de bruidsschat tevens ter plaatse gelden. Zodoende is daar de mogelijkheid om meer oppervlakte te realiseren. De provincie wilt de mogelijke toename aan oppervlakte in voorliggende motivering inzichtelijk hebben.
In voorliggend geval is zodoende 'globaal' gekeken naar de desbetreffende oppervlakte wat als bebouwingsgebied geldt en wat het aandeel aan bijbehorende bouwwerken er per kavel totaal vergunningsvrij gebouwd mag worden. Voor vergunningsvrij bouwen gelden devolgende uitgangspunten/regels:
| Bebouwingsgebied | Maximaal | Plus |
| Kleiner of gelijk aan 100 m² | 50% van het bebouwingsgebied | - |
| Groter dan 100 m² en kleiner of gelijk aan 300 m² | 50 m² | 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m² |
| Groter dan 300 m² | 90 m² | 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m² (de 90 m² plus hetgeen er extra bijkomt mag bij elkaar dus maximaal 150 m² zijn) |
Carport, op het erf, nabij kavel 4, is een gezamenlijke overdekte carport toegestaan. Ter plaatse kunnen de bewoners de auto overdekt parkeren. De carport heeft een oppervlakte van maximaal 43 m².
Kavel 1, bebouwingsgebied van meer dan 900 m²: De bestaande schuur met een oppervlakte van circa 216 m² blijft behouden. Tevens zal de kapberg met een oppervlakte van circa 53 m² verplaatst worden zodat dit met het erfinrichtingsplan overeenkomt. In toaal komt met hier op 269 m² aan bijbehorende bouwwerken. Aangezien de verplaatsing van de kapberg bijdraagt aan een kwalitatieve verbetering van het erf, wordt gesteld dat deze maatregel noodzakelijk is voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Ter plaatse van kavel 1 mag het bestaand oppervlakte van 269 m² behouden blijven.
Voor onderstaande kavels is het globaal inzichtelijk gemaakt:
Kavel 2, bebouwingsgebied van circa 350 m²: 1e 300 m² geeft recht op 90 m², extra 5 m² geeft recht op 10% = totaal circa 95 m²
Kavel 3, bebouwingsgebied van circa 500 m²: 1e 300 m² geeft recht op 90 m², extra 200 m² geeft recht op 10% = totaal circa 110 m²
Kavel 4, bebouwingsgebied van circa 450 m²: 1e 300 m² geeft recht op 90 m², extra 150 m² geeft recht op 10% = totaal circa 105m²
Kavel 5, bebouwingsgebied van circa 735 m²: 1e 300 m² geeft recht op 90 m², extra 43,5 m² geeft recht op 10% = totaal circa 133 m²
Landschap
Het landschappelijk concept voor het erfensemble aan de Breudijk is gericht op een zorgvuldige inpassing in het landelijke gebied, met oog voor ruimtelijke kwaliteit, ecologie en cultuurhistorische beleving. Het erf wordt ontsloten via één gezamenlijke toegangsweg vanaf de Breudijk, die toegang biedt tot alle nieuwe woningen. Deze ontsluitingsstructuur draagt bij aan de onderlinge samenhang van het ensemble en voorkomt versnippering van infrastructuur. De verharding van zowel de toegangsweg als het gezamenlijke erf bestaat uit halfopen materialen, zoals grind of klinkers, die passen bij het karakter van een traditioneel boerenerf en bijdragen aan infiltratie van het hemelwater.
In de opzet van het landschap is bewust gezocht naar het versterken van zichtlijnen en open ruimten. Zo wordt er tussen de kavels 3 en 5 een doorkijk gerealiseerd richting de achtergelegen bebossing, wat het landschap visueel verdiept en het erf op een natuurlijke manier verbindt met de omgeving. Aan de zijde van de Appellaan wordt het erf afgeschermd met nieuwe bosaanplant, bestaande uit inheemse soorten. Deze aanplant, waardoor de woningen en bijgebouwen grotendeels uit het zicht liggen vanaf de openbare weg, zorgt voor landschappelijke inbedding en versterkt de overgang tussen het erf en het omliggende landschap.
De inrichting van het erf wordt verder verrijkt met de aanleg van nieuwe watergangen, die aansluiten op de bestaande waterstructuur aan de Appellaan. Deze watergangen krijgen natuurvriendelijke oevers, met aan ten minste één zijde een flauw talud van 1:3. Er wordt onderzocht of delen van deze oevers als plasdraszone ingericht kunnen worden, met een kruidenrijke vegetatie die bijdraagt aan de biodiversiteit. De aanleg en vormgeving van deze waterstructuur vindt plaats in samenspraak met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
Een belangrijke landschappelijke drager in het plan is de boomgaard aan de voorzijde van het erf, langs de Breudijk. Deze bestaat uit hoogstamfruitbomen van inheemse, bij voorkeur lokale of regionale, rassen. Aan de noordzijde van het erf wordt een tweede boomgaard gerealiseerd, ditmaal met laag- of halfstamfruitbomen. Hier is tevens ruimte voor bloemrijke randen en een insectenhotel, waarmee een ecologische meerwaarde wordt gecreëerd. De bosvakken rondom het erf worden ingericht als essenhakhoutbos, met elzen als boomvormers in het midden en sleedoorn en meidoorn als dichte randbeplanting.
De individuele kavels worden op natuurlijke wijze van elkaar gescheiden door middel van groene erfafscheidingen, zoals hagen, gevlochten wilgentenen of schapenhekken. Parkeerplaatsen zijn zorgvuldig binnen het erf geplaatst en volledig aan het zicht onttrokken vanaf de openbare weg. Ook de achtererven en privétuinen worden landschappelijk ingekaderd met natuurlijke materialen. Voor de paden op het achtererf is gekozen voor halfverharding.
Algemeen
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
Afwegingsprincipes
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als:
Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3.
In de motivering moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.
bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
In voorliggend geval betreft het een plan waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld.
Het plan voorziet in de wijziging van een agrarisch bedrijf naar een reguliere woonfunctie met meerdere woningen met bijhorende landschappelijke inpassingen. Er wordt per saldo voorzien in de sloop van 4.000 m² en sterke landschappelijke inpassing waardoor ter compensatie in totaal vier nieuwe woningen kunnen worden gebouwd op het erf. Wanneer een project voorziet in niet meer dan 11 woningen dan kan dit niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak 'ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921'.
Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. In voorgaande en komende hoofstukken wordt nader ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
Algemeen
In de Omgevingsvisie legt de provincie integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. Zolang de Omgevingswet niet in werking is getreden, heeft de Omgevingsvisie werking onder de bij deze plannen en visies behorende wetten. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma's en Omgevingsverordening. In de Omgevingsvisie beziet de provincie groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang.
Thema's
De provincie heeft de ambitie uitgesplitst in meerdere thema's, die allen behoren tot het beleid voor een gezonde en veilige leefomgeving. De ambitie is uitgewerkt in de volgende speerpunten:
In dit geval is met name onderdeel 1 (stad en land gezond), onderdeel 4 (vitale steden en dorpen) en onderdeel 6 (levend landschap, erfgoed en cultuur) van belang. Hierna wordt daar nader op ingegaan.
Stad en land gezond
De leefomgeving van de provincie Utrecht biedt veel kansen voor gezond leven. De steden en dorpen worden omringd door groene landschappen. Een schone en rustige omgeving is vaak nabij. De provincie heeft een samenhangend hoofdroutenetwerk voor wandelen, fietsen en varen. Dit netwerk verbindt onze woon-, werk- en leefgebieden met het ruime vrijetijdsaanbod, aantrekkelijke recreatiegebieden, landschappen en natuurgebieden. De provincie Utrecht heeft per saldo de schoonste economie van Nederland door het dienstverlenende karakter met relatief weinig vervuilende bedrijven.
De leefomgeving wordt echter steeds intensiever gebruikt. Dit leidt tot afname van de bodem-, water- en milieukwaliteit. De veerkracht van ons bodem- en watersysteem staat onder druk. Er is een toenemende vraag naar drinkwater. Tegelijkertijd neemt de verontreiniging van het drink- en oppervlaktewater door medicijnresten, hormonen en microplastics toe. De afname van fijnstof in de lucht die de afgelopen jaren is opgetreden, vlakt af. Stikstofoxiden in de atmosfeer leiden tot de vorming van fijnstof en smog. Dit leidt onder andere tot verschraling van natuurgebieden en afname van biodiversiteit. Zonder extra inspanningen nemen geluid- en lichthinder verder toe. Mensen ervaren, door de toename van inwoners en bezoekers, steeds vaker een gevoel van drukte.
Vitale steden en dorpen
Prognoses wijzen uit dat de provincie de komende decennia nog fors gaat groeien, en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. De provincie ziet de toekomstige ontwikkeling van woon- en werklocaties in samenhang met bereikbaarheid, en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten zoals in deze visie verwoord. Daarom wordt bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes gehanteerd:
In aanvulling hierop wordt onder voorwaarden ruimte geboden aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk).
Levend landschap, erfgoed en cultuur
Een aantrekkelijke leefomgeving draagt bij aan het welzijn van mensen. Daarom zet de provincie in op het doorontwikkelen van de aantrekkelijke landschappen, het beschermen en benutten van historisch erfgoed en het ondersteunen van een goed cultureel aanbod.
Het Utrechtse landschap is mooi, verrassend en veelzijdig. De landschappelijke kwaliteiten en structuren zijn belangrijk voor het goede woon-, werk- en leefklimaat, het vestigingsklimaat en de recreatieve aantrekkelijkheid van de provincie. Landschappelijke kwaliteit is een belangrijk onderdeel van een gezonde leefomgeving. De diversiteit aan Utrechtse landschappen is groot: de extreme openheid van Eemland of de Lopikerwaard, een open plek midden in het bos van de Utrechtse Heuvelrug en de overgang van de historische Grebbeberg naar het robuuste rivierenlandschap van Nederrijn en Lek. De provincie kent vijf karakteristieke landschappen met ieder zijn eigen verschillende accenten.
In dit geval is met name het thema 'Aantrekkelijke landschappen' van belang.
Aantrekkelijke landschappen
De ambities zijn:
Elk Utrechts landschap heeft zijn eigen kwaliteiten die mede richting geven aan de daarin gelegen en omliggende functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom willen wij op de kernkwaliteiten van de verschillende landschappen voortbouwen en deze doorontwikkelen in onze provincie. Een landschap is geen statisch plaatje; landschap is altijd in ontwikkeling en elk landschap heeft ruimte voor een vorm van dynamiek. Maar wel op zo'n manier dat de landschapskwaliteit wordt doorontwikkeld en beter beleefbaar wordt, onder andere met behulp van creatieve verbeeldingskracht. In het werken met landschapskwaliteit gaan we uit van een samenspel tussen het beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties).
Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten van het landschap. Voor de open landschappen gelden andere principes dan voor de meer gesloten landschappen. Landschappen vragen om bebouwing die qua maat en schaal passen bij de kernen die in het landelijk gebied gelegen zijn.
Voor de vijf karakteristieke Utrechtse landschappen willen we de kernkwaliteiten doorontwikkelen. In de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen hebben we de kernkwaliteiten uitgebreid beschreven en handvatten opgenomen voor het omgaan met de kernkwaliteiten. Op de kaart Kernkwaliteiten van het landschap geven wij aan welke essentiële structuren in het landschap wij belangrijk vinden om nieuwe ontwikkelingen goed in te passen, zoals de grootschalige realisatie van duurzame energiebronnen en het tegengaan van bodemdaling.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het 'Landschap Groene Hart'.
Het Landschap Groene Hart staat voor: openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust & stilte.
Toetsing aan de Omgevingsvisie
In dit geval is sprake van 'stad en land gezond', 'vitale steden en dorpen' en 'levend landschap, erfgoed en cultuur' van belang.
Het voornemen betreft een woningbouwontwikkeling op een voormalig agrarisch erf in het buitengebied van Woerden. Omdat het erf reeds bebouwd is, ontstaat er geen nieuw ruimtebeslag in de groene omgeving. Het plan wordt bovendien zorgvuldig landschappelijk ingepast, waardoor de ruimtelijke kwaliteit juist toeneemt. Bij de opstelling van het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1) is nadrukkelijk rekening gehouden met de specifieke kenmerken en kernkwaliteiten van het landschap van het ‘Groene Hart’. Dit heeft geresulteerd in een plan dat zich harmonieus voegt in zijn omgeving en bijdraagt aan de versterking van de landschappelijke waarden in het gebied.
Het plan is in overeenstemming met de omgevingsvisie.
Algemeen
In de Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn regels over de fysieke leefomgeving opgenomen. Ook bevat die instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit.
Van belang zijnde artikelen en instructieregels
Op basis van de digitale kaart behorend bij de omgevingsverordening zijn ter plaatse met name de volgende gebiedsaanwijzingen met de bijbehorende artikelen belangrijk:
Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied
1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Overstroombaar gebied bevat regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven.
2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.
Artikel 3.11 Specifieke zorgplicht grondwater
Degene die in een Grondwaterbeschermingszone een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie.
Artikel 7.11 Instructieregel landschap
Landschap Groene Hart:
Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het bevorderen van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal. Daarbij worden de kernkwaliteiten gerespecteerd en benut te worden om de contrasten tussen de verschillende typen landschap te behouden. Enkel en alleen het accent leggen op rust en stilte doet geen recht aan het Groene Hart. Het waarborgen van rust vraagt ook het bieden van ruimte voor vormen van dynamiek. Daarbij ligt de focus op het vergroten van de contrasten in rust en dynamiek tussen de agrarische landschappen van de velden en de dynamische landschappen van de oude stroomruggen. De provincie vraagt dus zorgvuldig om te gaan met de open, lege ruimte en de dynamiek te concentreren in de ‘zones’. Voor het landschap Groene Hart willen we de volgende kernkwaliteiten behouden:
Artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’)
Artikel 9.29 Aanwijzing stiltegebied en aandachtsgebied stiltegebied
Een Aandachtsgebied stiltegebied is een zone van 1500 meter rondom een Stiltegebied.
Artikel 9.29 Instructieregel activiteiten aandachtsgebied stiltegebied
Toetsing aan Provinciale Omgevingsverordening
artikel 2.16, instructieregel overstroombaar gebied;
In dit geval is er geen sprake van een onevenredig risico ten aanzien overstromingen. Er worden reguliere woningen gerealiseerd waarbij de (toekomstige) bewoners zelf redzaam zijn en ten tijde van een calamiteit het plangebied kunnen ontvluchten. Hierbij is er sprake van een verdieping waar bij hoog water geschuild kan worden. In paragraaf 4.14 wordt nader ingegaan op de wateraspecten binnen het plangebied.
artikel 3.11, specifieke zorgplicht grondwater;
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de wijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonerf. Met het voornemen vinden geen activiteiten plaats die een nadelig effect hebben op de grondwater, de grond wordt niet dusdanig geroerd dat dit verslechterd. In paragraaf 4.14 wordt nader ingegaan op de wateraspecten binnen het plangebied.
artikel 7.11, instructieregel landschap;
In Bijlage 1 en paragraaf 2.3 van dit plan is de landschappelijke inpassing beschreven. Met het landschappelijk inpassingsplan is ingegaan op de kernkwaliteiten van het landschap en het Landschap Groene Hart. Hierbij is aandacht besteed aan de ruimtelijke en landschappelijke hoofdkenmerken, zoals de openheid en weidsheid van het veenweidelandschap, de karakteristieke verkavelings- en waterstructuren, de cultuurhistorische lintbebouwing en de beleving van rust en contrast met de omliggende stedelijke gebieden. Het plan voorziet in een ontwikkeling die past binnen deze kernkwaliteiten. De locatie betreft een bestaand erf, zodat er geen sprake is van nieuw ruimtebeslag in het open landschap. Daarnaast wordt de ontwikkeling landschappelijk ingepast met maatregelen die aansluiten bij de karakteristieken van het Groene Hart, waardoor de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. De landschappelijke inpassingen worden daarnaast geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan.
Landschap Groene Hart;
De kernkwaliteiten van dit gebied zijn: openheid, (veen)weidekarakter, landschappelijke diversiteit, en rust & stilte.
Openheid
De huidige situatie wordt bepaald door een omvangrijk bebouwd erf met diverse opstallen (meer dan 4.000 m²). Door de sloop van deze bebouwing ontstaat een aanzienlijke reductie van visuele massa, wat de openheid van het landschap versterkt. De nieuwe woningen zijn compact gesitueerd rondom een gezamenlijk erf, met een duidelijke oriëntatie en zichtlijnen. Dit versterkt de beleving van openheid en voorkomt versnippering van bebouwing in het landschap. Aan de zuidzijde wordt aangesloten bij de al bestaande kamers van het Vijverbos.
(Veen)weidekarakter
Het plan sluit aan bij het karakter van het veenweidelandschap en de historische oeverwalstructuur. De opzet als erfensemble met schuurachtige volumes verwijst naar de traditionele lint- en erfstructuren. Door toepassing van inheemse beplanting (zoals een boomgaard met hoogstamfruit en essenhakhoutbos) en erfafscheidingen met hagen en wilgentenen wordt aangesloten bij de streekeigen inrichting. Ook de aanleg van natuurvriendelijke oevers en bloemrijke stroken draagt bij aan het versterken van het veenweidekarakter.
Landschappelijke diversiteit
De inrichting van het erf en de omgeving draagt bij aan variatie en landschappelijke samenhang. Het plan bevat elementen als een gezamenlijke erfruimte met groene erfafscheidingen die een geleidelijke overgang hebben van tuin, erfbeplanting naar landschap. Daarnaast zijn er boomgaarden aan de voorzijde en noordzijde met oude fruitrassen, watergangen met natuurvriendelijke oevers en plasdraszones. Deze maatregelen zorgen voor een rijk gelaagd landschap waarin cultuurhistorische en natuurlijke elementen worden gecombineerd.
Rust & stilte
De functiewijzigingc van agrarische bedrijfsmatige activiteiten naar een kleinschalig woonerf betekent een duidelijke reductie van milieubelastende activiteiten en verkeersbewegingen. Dit draagt bij aan het behoud en de versterking van de kwaliteiten van rust en stilte die kenmerkend zijn voor het Groene Hart. De positionering van parkeren binnen het erf, uit het zicht vanaf de straat, voorkomt extra verstoring van de landschappelijke beleving.
artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’)
De functieverandering met extra woningen is onder voorwaarden mogelijk. De huidige situatie is verouderd ter plaatse en niet optimaal uitgerust voor de grondgebonden landbouw. Het voormalig agrarisch bedrijf was een paardenhouderij en heeft veel verhard oppervlak alsmede opstallen. Daarbij wordt gesteld dat het plangebied dicht ligt op de bestaande woningen aan de Breudijk 50 waardoor het in uitbreidingen beperkt is. Met het voornemen wordt voor meer dan 4.000 m² aan bedrijfsgebouwen gesloopt. Hiermee worden drie nieuwe woningen gerealiseerd op het erf. Met de landschappelijke inpassing van het gebied (het kwalitatief sterke woonerf, landschap en Vijverbos) wordt vervolgens voldaan aan de compensatie om te mogen afwijken naar een vierde woning. Dit is mogelijk indien de landschappelijke inpassing leidt tot een sterke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. In voorliggend geval hebben we het over:
Geconcludeerd wordt dat de woningen goed landschappelijk ingepast zijn wat ook geborgd is met het ruimtelijk kwaliteitsplan en beeldkwaliteitsplan Bijlage 1.
De woningen liggen op voldoende afstand van agrarische bedrijfsmatige activiteiten waardoor deze bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.
Het voornemen past hiermee binnen de gestelde kaders omtrent nieuwbouw in de provincie en gemeentelijk woonbeleid. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning en plattelandswoning meegenomen om de feitelijke situatie met de planologische situatie ook juridisch overeen te laten komen. De landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd in samenhang met een substantiële groenontwikkeling. De duurzame instandhouding van deze landschappelijke elementen is geborgd.
De transformatie van een voormalig agrarisch erf naar een kleinschalige woningbouwontwikkeling met landschappelijke inpassing is passend conform Artikel 9.13 van de Omgevingsverordening.
artikel 9.25, Aanwijzing stiltegebied en aandachtsgebied stiltegebied
Het voornemen voorziet in een wijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar een kleinschalig woonerf betekent een duidelijke reductie van activiteiten en verkeersbewegingen. Een woonfunctie is namelijk niet milieubelastend. Dit draagt bij aan het behoud en de versterking van de kwaliteiten van rust en stilte die kenmerkend zijn voor het Groene Hart. Met het voornemen wordt het geluidsniveau zoals bedoeld in de instructieregel niet dusdanig vergroot.
Geconcludeerd wordt dat het voornemen voldoet aan de Provinciale Omgevingsverordening
Algemeen
Bij het kwantitatieve onderdeel van het programma wonen kijkt de provincie naar de bruto plancapaciteit en naar het (realistisch) programma. Daarbinnen wordt onderscheid gemaakt naar regio en tijdvak. Het programma per regio wordt verder toegelicht en uitgesplitst naar gemeenten
De bruto plancapaciteit is het totaal aantal woningen in alle gemeentelijke plannen (hard en zacht) en - initiatieven die zijn opgenomen in de planregistratie wonen. Dit zijn alle harde en zachte plannen die gemeenten in beeld hebben. Bij de zachte plannen gaat het om zowel concrete locaties als ook mogelijke zoekrichtingen en ambities. Dit kunnen ook locaties zijn die nog vertrouwelijk zijn. Bij het uitlezen van de planregistratie is 1 april 2024 als peildatum aangehouden.
In de praktijk blijkt dat een deel van de woningen niet of later wordt gerealiseerd (planuitval). Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals stijging van de bouwkosten, de rentestand, stikstof, bezwaren van omwonenden, meervoudige ruimteclaims en strategische belangen van grondeigenaren, projectontwikkelaars en beleggers. Ook leidt de aanwezigheid van beschermde soorten draagt steeds vaker bij aan vertraging in de planuitvoering. Dit speelt met name bij planuitvoering. Dit kan voor een deel voorkomen worden door hier zeer vroegtijdig onderzoek naar te doen.
De verhouding tussen de bruto plancapaciteit en het programma verschilt per gemeente. Dit heeft ermee te maken dat de samenstelling van de planvoorraad per gemeenten verschilt. Sommige gemeenten hebben relatief veel plannen die onherroepelijk zijn. Bij die plannen is de kans op planuitval relatief gering. Wel kan er vertraging ontstaan. Bij gemeenten met veel plannen die zich nog in de initiatief of voorbereidingsfase bevinden, is de kans op planuitval of het bijstellen van de omvang van het woningbouwprogramma groter. Een tweede factor is dat er gemeenten zijn die plannen in de planregistratie hebben opgenomen op buitenstedelijke locaties waarover nog geen consensus tussen gemeente en provincie is. Die plannen worden dan wel meegeteld in de plancapaciteit capaciteit van die gemeente, maar niet in het programma. Tot slot zijn in de plancapaciteit plannen opgenomen die door de gemeente als vertrouwelijk zijn aangeduid. Voor die plannen maakt de gemeente in afstemming met de provincie een inschatting in hoeverre deze kunnen worden gerealiseerd.
Op provinciaal niveau en rijksniveau wordt gestreefd naar 30% overprogrammering. Op die manier wordt voorkomen dat door planuitval er uiteindelijk onvoldoende woningen worden gerealiseerd. Dit betekent dat op het niveau van de regio en op het niveau van de provincie gestreefd wordt naar een verhouding programma/plancapaciteit van 1,3.
Concreet U10 en Woerden
Binnen de programmering wordt onderscheid gemaakt tussen drie regio’s en twee tijdsvakken. De regio’s betreffen:
Hoe het regionaal programma in de regio U10 voor de periode 2023-2030 en 2023-2040 is opgebouwd wordt in deze paragraaf uitgewerkt naar het niveau van gemeenten. Per gemeente is aangegeven hoeveel woningen zijn gerealiseerd in 2023, voor hoeveel woningen de er plannen zijn in de periode 2024-30 en voor de periode 2024-2040. Ook is per tijdvak een inschatting gemaakt van het aantal woningen dat naar verwachting gerealiseerd kan worden in die gemeente, rekening houdend met planuitval en vertraging. Plannen van gemeenten op buitenstedelijke locaties die (nog) niet opgenomen in het PPWW, zijn niet meegerekend in het programma maar wel in de plancapaciteit.
In onderstaande tabellen is de capaciteit van de gemeente Woerden weergegeven.
Toetsing aan Provinciale programma Wonen en Werken 2025
Het voornemen voorziet in de realisatie van vier woningen in de gemeente Woerden. De woningen worden gerealiseerd in het buitengebied van Harmelen. In de plancapaciteit en programma in het programma Wonen en Werken 2025 is weergegeven dat er ruimte is voor 158 woningen buiten stedelijk gebied in de gemeente Woerden. De vier nieuwe woningen passen hiermee in de gestelde ambitie van tot 2030 in aantallen woningen. Er wordt gestreefd naar een overschot van 1,3 in het programma, met 125% wordt hier ook nog niet aan voldaan. Zodoende wordt gesteld dat met het voornemen een passende invulling wordt gegeven die kwantitatief passend is aan het relevante woonbeleid van de regio.
Algemeen
De Omgevingsvisie maakt deel uit van de planfiguren van de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet vervangt de instrumenten die voor de ruimtelijke ontwikkeling, zoals de structuurvisie en het bestemmingsplan. Hiervoor in de plaats komen nieuwe instrumenten die meer gebiedsgericht zijn en uitnodigen tot initiatief, namelijk de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Deze Omgevingsvisie vervangt dan ook de gemeentelijke structuurvisie uit 2009. De Omgevingsvisie gaat over de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving op de langere termijn. Op basis daarvan wordt een Omgevingsplan gemaakt (de opvolger van het bestemmingsplan), waarin de concrete omgevingsregels voor de verschillende gebieden komen te staan. De Omgevingswet vraagt dat alle geldende regels op het gebied van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in deze plannen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook de milieuregelgeving deel zal uitmaken van het Omgevingsplan. Dat moet meer overzicht en inzicht geven in de mogelijkheden die er zijn om een locatie of gebied te ontwikkelen. De Omgevingsvisie zorgt voor een samenhangend kader waarin alle ruimtelijk relevante thema's betrokken zijn, variërend van milieu tot bodem, van openbare ruimte tot wonen en van landschap tot energieopwekking.
Waardenkader
Dit kader benoemt een aantal uitgangspunten voor de kwaliteit van de leefomgeving. De vitaliteit, identiteit en de regionale positie van de gemeente Woerden zijn de uitgangspunten waarmee rekening moet worden houden bij veranderingen in de leefomgeving. Bij iedere keuze over de toekomst van de gemeente Woerden staan deze drie uitgangspunten centraal, zodat behouden wordt wat men nu in de gemeente Woerden waardeert.
1. Identiteit: De toekomstige fysieke leefomgeving past bij de identiteit van de verschillende gebieden en kernen in gemeente Woerden. Met de identiteit bedoelt men het beeld van gemeente Woerden dat inwoners, ondernemers en politiek van de gemeente Woerden samen delen. Het gaat erom samen uit te spreken wie men is en wat men belangrijk vindt in de gemeente.
2. Vitaliteit: De toekomstige leefomgeving draagt bij aan een vitale stad, vitale dorpen en vitale landelijke gebieden, waarin iedereen mee kan doen. Deze leefomgeving is vitaal in sociaal, ecologisch en economisch opzicht.
3. Regionale centrumpositie: Gemeente Woerden is geen eiland maar verbonden met de regio. Daarom krijgt de toekomstige leefomgeving van gemeente Woerden vorm in samenhang met de regionale opgaven in het Groene Hart en de regio Utrecht.
Een duurzaam, vitaal en toegankelijk landschap
Het karakteristieke veenweidelandschap maakt sinds jaar en dag onderdeel uit van onze identiteit en biedt volop mogelijkheden voor wandelen, fietsen, landschaps- en natuurbeleving. Ter vergroting van de kwaliteit van onze leefomgeving zien we kansen in het verbeteren van de verbinding en relatie tussen de woongebieden en het omliggende landschap van het Groene Hart. In de overgangsgebieden tussen stedelijk gebied en het landschap zijn daarom kernrandzones ingericht, waarbij het landschap en zijn cultuurhistorie beter toegankelijk zijn voor inwoners. Op zorgvuldige wijze kan wonen (enkele kavels), werken (bijvoorbeeld stadslandbouw) en recreëren toegevoegd worden in deze kernrandzones. De mogelijkheden per kernrandzone worden nader uitgewerkt op basis van de concrete en unieke eigenschappen, kansen en dillema’s in ieder gebied.
Achtertuin van Harmelen
De achtertuin van Harmelen is het gebied aan de noord- en oostkant van Harmelen, begrensd door de A12 aan de zuidzijde, het spoor aan de noordzijde en Vleuten aan de oostzijde. Het is een groen en landelijk gebied dat de scheiding tussen de stad Utrecht en Harmelen markeert. In dit gebied liggen een aantal opgaven:
In de kernrandzone wordt de bestaande kwaliteit van het landschap rond Harmelen, met onder andere het Vijverbos, versterkt. Aan de noordzijde maakt de kernrandzone deel uit van de regionale Groene Scheg tussen landgoed Bredius en Haarzuilens. In dit gebied wordt naast ruimte voor landschap, recreatie en natuur ook ruimte gezocht voor nieuwe woongebieden, te realiseren voor de periode 2030-2040.
Harmelen en wonen
Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie
Met het voornemen worden vier nieuw woningen gerealiseerd in Harmelen, op een voormalig agrarisch erf. Het voornemen gaat gepaard met een landschappelijke inpassing. Met deze landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit van het Vijverbos versterkt. Voorgaande ontwikkeling sluit uitstekend aan op de gebiedsgerichte opgaven van de kern Harmelen.
Als gemeente Woerden is er een belangrijke opgave op het gebied van wonen, en wonen in combinatie met de groeiende zorgopgave. De druk op de woningmarkt is zeer groot, doorstroming stokt en de gemeente heeft te maken met veranderende woonbehoeften doordat de samenleving vergrijst en huishoudens kleiner worden. Zo is het gemiddelde huishouden in Woerden in de afgelopen tien jaar met 2,5% afgenomen tot gemiddeld 2,4 personen per huishouden. Het aantal alleenstaanden is in 10 jaar met 18% gegroeid in Woerden.
Het woonbehoefteonderzoek laat zien dat zo’n 70% van de woonbehoefte uitgaat naar levensloopgeschikte woningen. De gemeente zal dus meer dan voorheen goed moeten afwegen voor wie gebouwd wordt. Daarnaast moeten we de kansen die de bestaande woningvoorraad biedt beter benutten om te kunnen voorzien in de woningbehoefte van de komende jaren.
In het woonprogramma zijn onderstaande doelstellingen uit de omgevingsvisie verder uitgewerkt:
Toetsing van het initiatief aan het Woonprogramma
Het voornemen is een toekomstgerichte bijdrage aan het woonprogramma van Woerden. Kwantitatief levert het op bescheiden schaal een bijdrage aan de woningopgave in Harmelen. Kwalitatief sluit het sterk aan. Door transformatie wordt de bestaande voorraad benut en de nieuwbouw voegt waardevolle (levensloopgeschikte) woningen toe tezamen met een landschappelijk inpassing. De vier nieuwe woningen passen hiermee in de gestelde ambitie van 350-500 woningen tot 2030 in Harmelen. Zodoende wordt er in het buitengebied van Harmelen op gepaste wijze invulling gegeven aan de ruimtelijke kwaliteit en wordt de doorstroming van de woningmarkt verbeterd.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar:
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob.
Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:
Situatie plangebied
De beoogde ontwikkeling in dit specifieke geval is niet aan te merken als een activiteit zoals is aangewezen onder nummer J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen), gedeeld. In het bijzonder wordt hiertoe opgemerkt dat er sprake is van 4 extra woningen (in de plaats van een paardenhouderij) met een (zeer) beperkt ruimtebeslag.
Conclusie
Het voornemen valt onder ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ uit de eerste kolom van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Hiervoor is een plan-merbeoordeling aan de orde. In voorliggend geval is vervat in een m.e.r. mededeling opgesteld en een m.e.r.-beoordeling opgesteld door de gemeente. beide volledige documenten zijn opgenomen als Bijlage 2 en Bijlage 3.
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Er hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Volledig onderzoek is opgenomen als Bijlage 4 hieronder wordt ingegaan op de conclusies en resultaten van het onderzoek.
Situatie plangebied
Aanleiding voor het akoestisch onderzoek is het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan. Conform het gestelde in de Omgevingswet is daarom onderzocht in hoeverre het plangebied wordt beïnvloed door geluid van wegen en spoorwegen waarvan het geluidaandachtsgebied het plangebied overlapt.
Het onderzoek is uitgevoerd conform het stelsel van standaardwaarden en grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en, indien relevant, het concept-geluidbeleid van de gemeente Woerden. Voor wegverkeerslawaai is gebruikgemaakt van de standaard rekenmethode zoals opgenomen in bijlage IVe van de Omgevingsregeling. Voor spoorweglawaai is aangesloten bij de meet- en rekenmethode uit bijlage IVf van de Omgevingsregeling.
Resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat de standaardwaarden voor wegverkeer (gemeentelijke wegen) en spoorwegverkeer (lijn Utrecht–Woerden) Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats:
Vanuit het gemeentelijk beleidsstuk worden daarnaast de volgende voorwaarden gesteld:
Bij het uitwerken van het plan dient met bovenstaande rekening te worden gehouden.
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. De mogelijkheid tot het realiseren van een geluidluwe gevel is voldoende aannemelijk gemaakt, waarbij de nadere uitwerking ten aanzien van situering en vormgeving plaatsvindt bij de omgevingsvergunning. Door de aangepaste beoordelingsregel, waarin is vastgelegd dat de woning moet worden voorzien van een geluidluwe gevel, is tevens geborgd dat aanvullend onderzoek naar de binnenwaarde wordt uitgevoerd. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient een aanvullend onderzoek naar de binnenwaarde uitgevoerd te worden.
Geconcludeerd wordt dat met voorgaande er sprake is van een goede fysieke leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Veel van de (instructie)regels zijn beschreven in het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Volgens artikel 3.21 van het Bkl is een woning een geluidsgevoelig gebouw.
Om eventuele hinder van overige geluidbelastende activiteiten te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan 'het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.' Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009.
In 2024 is er een nieuwe handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009.
Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. De locatie ligt in het buitengebied van Harmelen waar een zeer lage functiemenging is. Zodoende wordt uitgegaan van een 'rustige woonwijk'.
In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen.
| Milieucategorie | Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk | Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Situatie plangebied
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste functie 'wonen' en andere aanpassingen ten behoeve van de landschappelijke inpassing betreffen tevens geen milieubelastende functie(s) voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Hierna wordt op de milieubelastende functies ingegaan. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie de bedrijven worden gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het bedrijf en de nieuwe woonfunctie en wat de afstand bedraagt.
Voor agrarische bedrijfsmatige activiteiten geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt de grootste richtafstand van 30 meter voor geluid.
Rondom het plangebied bevinden zich agrarische bedrijfslocaties. Ten noorden en zuidwesten van het plangebied liggen respectievelijk op circa 330, 400 en 95 meter afstand agrarische bouwvlakken. Voorgaande is gemeten vanaf de dichtstbijzijnde afstand tussen de beoogde woonfunctie en 'bouwvlak'. Ter plaatse is planologisch gezien agrarische bedrijvigheid toegestaan tot maximaal milieucategorie 4.1 (intensieve veehouderij). Hiervoor geldt een maximale richtafstand in de VNG-uitgave van 50 meter voor het aspect geluid (uitgezonderd geur). Voor de toetsing op geur wordt verwezen naar paragraaf 4.5.
Ten oosten en zuiden liggen respectievelijk op circa 230 en 120 meter afstand bedrijfsmatige functies waaronder een loonbedrijf. Ter plaatse is planologisch gezien bedrijvigheid toegestaan tot maximaal 3.1 met een maximale richtafstand in de VNG-uitgave van 50 meter.
Geconcludeerd wordt dat het voornemen op voldoende afstand ligt van de omliggende bedrijvigheid. Hierbij wordt tevens opgemerkt dat woningen van derden dichter op deze bedrijven gesitueerd zijn en al maatgevend zijn. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat en een evenwichtige toedeling van functies.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt.
Situatie plangebied
Met het voornemen worden de bedrijfsmatige activiteiten op het plangebied beëindigt en worden hier (nieuwe) woningen toegevoegd. Met de beëindiging van het agrarisch bedrijf worden de milieubelastende activiteiten stopgezet en officieel wegbestemd. Dit heeft een positief effect voor de naastgelegen woningen, en voor de bewoners van de huidige bedrijfswoning en plattelandswoning.
Het voornemen leidt niet tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. De overtollige erfverharding wordt verwijderd. Zodoende is het plangebied 'zo groen mogelijk' ingevuld wat een positief effect heeft voor de gezondheid. Het aspect gezondheid vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
Situatie plangebied
In en rondom het plangebied zijn agrarische bedrijven gevestigd op korte afstand. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op circa 95 meter ten zuiden van het plangebied. Opgemerkt wordt dat er geen dierenverblijven voor landbouwhuisdieren zijn waaraan getoetst hoeft te worden.
In de voorliggende ontwikkeling geldt dat voor de locatie Breudijk 48a niet voldaan wordt aan de richtafstand voor het aspect geur. Zowel geurhinder in het kader van een acceptabel woon- en leefklimaat, als belemmering op de planologisch toegestane bedrijvigheid van de veehouderij zijn niet uitgesloten. Echter, omdat het hier om een veehouderij gaat, wordt dit aspect verder geregeld in het Omgevingsplan.
Ten zuidwesten van het plangebied, op een afstand van circa 95 meter, is een varkensveehouderij gevestigd. Omdat de bestaande paardenhouderij in de beoogde ontwikkeling zal worden beëindigd, is de geurnorm geregeld in artikel 22.98 voor varkenshouderijen niet van toepassing. In plaats daarvan wordt voor de beoogde woningen alleen getoetst aan de afstanden van Tabel 22.3.11 van het omgevingsplan (zie artikel 22.100c). Voor een locatie buiten de bebouwde kom geldt een vaste afstand van 50 meter. Hieraan wordt voldaan.
Om een goed beeld te geven is er een onderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting ter plaatse. Volledig onderzoek is opgenomen als Bijlage 5. Uit onderzoek blijkt dat voor de bepaling er voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren woningen en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig ingeperkt worden.
De geurbelasting, die theoretisch, op de gevels van de bestaande en nieuw te bouwen kan plaatsvinden de geurnormen niet overschrijdt. Deze toetsing kan meegenomen worden in de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Er is een Quickscan ecologie uitgevoerd alsmede een nader onderzoek naar vleermuizen. De volledige onderzoeksrapporten zijn opgenomen als Bijlage 6 en Bijlage 7 bij deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusie.
Situatie plangebied
Flora
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Zoogdieren
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Vogels
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vanwege de aanwezigheid van nesten in meerdere gebouwen, wordt geadviseerd om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
Overige soorten
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Vleermuizen
Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Uit het nader onderzoek blijkt echter samenvattend :
Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is 'wat redelijkerwijs verwacht kan worden'. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan de zorgplicht van de Omgevingswet.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet in het NNN.
Situatie plangebied
Natura 2000-gebieden
Er zijn twee Natura 2000- gebieden nabij gelegen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Deze ligt op een afstand van circa 7,1 kilometer van het plangebied. De andere Natura 2000-gebieden 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' liggen respectievelijk op circa 10,2 kilometer afstand.
Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de Aerius-calculator. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 8 opgenomen bij deze motivering. Hieronder wordt de conclusie van het onderzoek beschreven.
Stikstofonderzoek
Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig.
NNN-gebieden
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde NNN ligt direct naast het plangebied.
Met het voornemen is rekening gehouden middels de landschappelijke inpassing op het NNN-gebied. Er wordt gesteld dat het voornemen geen directe invloed heeft op het NNN.
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Situatie plangebied
De risicobronnen rondom het plangebied zijn in kaart gebracht via de risicokaart 'externe veiligheid'. Uit de inventarisatie is te zien dat het plangebied niet ligt in een aandachtsgebied of soortgelijk risicogebied.
Met het voornemen worden daarnaast geen risicobronnen gerealiseerd.
Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Bodemgevoelig gebouw
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Er is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend onderzoek naar asbest in grond conform NEN 5707 uitgevoerd ter plaatse van de Breudijk 52 te Harmelen. Voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft een (voormalige) agrarisch bedrijf en een gedeelte van het terrein is in gebruik geweest als boomgaard. Tussen de boomgaard en het overige terreindeel bevond zich een watergang, waarvan onbekend is wanneer en waarmee deze gedempt is. Ook op de erfafscheiding aan de noordzijde bevond zich een watergang welke gedeeltelijk gedempt is. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen als Bijlage 9 bij deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusie.
Situatie plangebied
NEN 5740
Het grondmengmonster van de meest verdachte laag ter plekke van de voormalige watergangen (MM1) en de grondmengmonsters van de bovengrond (MM2 t/m MM4) komen overeen met kwaliteitsklasse industrie.
De zintuigelijk schone kleiige ondergrond onder de verharding (MM5) komt overeen met de kwaliteitsklasse landbouw/natuur (=schoon). Het grondmengmonster van de zintuigelijk schone kleigrond van het overige terreindeel (MM6) blijkt licht verontreinigd met nikkel en PAK en valt in de kwaliteitsklasse wonen.
Het grondmengmonster samengesteld van de toplaag ter plekke van druppelzone 2 (MM8) welke geanalyseerd is op PCB's blijkt door PCB's sterk verontreinigd. Het grondmengmonster ter plekke van druppelzone 1 (MM7) voldoet met betrekking tot PCB's aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. In het grondwater blijken geen verhoogde concentraties aanwezig te zijn.
NEN 5707
Ter plekke van beide druppelzones zijn geringe concentraties asbest aangetoond. Hoewel de interventiewaarde/restconcentratienorm (100 mg/kgds) niet wordt overschreden, is er wel in enige mate asbest aangetoond (waaronder ook in de fractie < 0,5 mm). Ons inziens dient dit derhalve als nieuwe (hoofdzakelijk na 1993 ontstane) bodemverontreiniging te worden beschouwd, waar de zorgplicht op van toepassing is.
Ter plaatse van inspectiesleuf S01, waarbij visueel asbestverdacht materiaal aan is getroffen, is in de geroerde bovengrond een berekend gewogen asbestgehalte van (afgerond) 465 mg/kgds aangetoond. Het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kgds). Om de omvang beter in beeld te brengen wordt aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht.
Aanbeveling
Geadviseerd wordt om de verontreinigde druppelzones op een natuurlijk moment te saneren, zoals/uiterlijk gelijktijdig met verwijdering van het asbestdak, Als de bodem eerder gesaneerd wordt dient herverontreiniging te worden voorkomen door een degelijke dakgoot/ afwatering aan te brengen. Daarnaast gelden als gebruiksadviezen: voorkom verspreiding (draag zorg voor een permanente bedekking met vegetatie / afdekken) en voorkom betreding (afzetten).
Op het resterende gedeelte van de locatie zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond.
Conclusie
Gesteld wordt dat na overleg met het bevoegd gezag, de sanering van de druppelzones en nader onderzoek het voornemen gerealiseerd kan worden. Voorgaande sanering en/of nader onderzoek wordt als voorwaardelijke verplichting aan de vergunning toegevoegd. Met voorgaande is vanuit het aspect bodem is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Algemeen
Afstandseisen voor spuitzones ten aanzien van woningen of andere gevoelige (verblijfs)bestemmingen zoals tuinen, scholen of sportverenigingen zijn nergens wettelijk vastgelegd. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) op het perceel met een agrarische bestemming, die direct aan het plangebied grenst, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening als spuitzone een afstand van 50 meter tot aan naastgelegen agrarische perceel moet worden aangehouden. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State als "in het algemeen niet onredelijk" bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is dus mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.
De richtafstand is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding) maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Aanvullend is het zo dat het middelengebruik in de fruitteelt aanzienlijk hoger ligt dan in de boomteelt. Ook wat betreft toxiciteit van de gebruikte middelen scoort de fruitteelt het hoogst en is die teelt als maatgevend voor de spuitzone te beschouwen.
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Vanaf 1 januari 2024 is het vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in werking getreden. In dit landelijke besluit staan milieuregels over bijvoorbeeld afvalwaterlozingen vanaf boerenerven en het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op landbouwpercelen (spuitzones). De voormalige milieuregels vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn in het 'Bal' begrijpelijker gemaakt. Inhoudelijk verandert er weinig aan deze regels. Zo blijven bijvoorbeeld teeltvrije zones langs het oppervlaktewater verplicht. Ook moet een driftreducerende spuittechniek gebruiken van minimaal 75% of 90%. Er mag géén spoelwater van landbouwgewassen in de sloot lozen. Bemestingsvrije bufferstroken langs het oppervlaktewater zijn opgenomen in het 'Bal'.
Situatie plangebied
Gelet op de agrarische gronden rondom de beoogde woningen, zijn activiteiten ten behoeve van het beschermen van het gewas planologisch niet onmogelijk. Op de gronden is het gebruik van gewasbescherming dus mogelijk waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter. Er is dus gekeken naar de feitelijke situatie ter plaatse. Op de gronden rondom het plangebied worden door derden (de laatste 10 jaar) geen gewassen geteelt waarbij gewasbeschermingsmiddelen gespoten worden. De bestaande boomgaard, tussen Breudijk 52 en Breudijk 52a is in eigen gebruik en sinds 2023 niet meer bespoten. Op deze gronden wordt contractueel tevens vastgelegd dat hier niet met gewasbeschermingsmiddelen gespoten mag worden.
Conclusie
Vanuit het aspect gewasbescherming/spuitzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van het opstellen van dit omgevingsplan is beoordeeld of in of nabij het plangebied sprake is van de aanwezigheid van relevante kabels, leidingen of bijbehorende beschermingszones die een beperking opleveren voor de voorgenomen ontwikkeling.
Vanuit het aspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wettelijk kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Situatie plangebied
In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op 251 meter van het plangebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor wat kan worden uitgebreid tot 250 meter. Binnen 100 meter is nagenoeg altijd onderzoek nodig, binnen 250 kan een QS voldoen of een goede motivering.
Met oog op het aspect trillingshinder is de afstand van 250 meter voldoende. Er hoeven hiervoor geen maatregelen genomen te worden.
Conclusie
Vanuit het aspect trillingshinder is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets van toepassing is. Dit betekent dat het waterschap akkoord is met het planvoornemen. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar Bijlage 10 bij deze toelichting.
Situatie plangebied
Met het voornemen wordt een bestaand (agrarisch) bedrijfsperceel herontwikkeld. Na realisatie is het verhard oppervlakte ter plaatse significant afgenomen. Door de afname aan het verhard oppervlakte en de toekomstige groene invulling zal het hemelwater gemakkelijker in de bodem kunnen infiltreren. In de toekomstige situatie blijven daarbij grote delen van het erf onverhard.
Hemelwaterberging
Het hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen het plangebied geïnfiltreerd in de bodem. Het oppervlakte aan erfverharding zal ook flink afnemen. Het regenwater zal op eigen terrein zal worden gebufferd en in de bodem worden geïnfiltreerd. Dit kan bijvoorbeeld met een hemelwaterberging, zoals een wadi, een grindkoffer of infiltratiekratten, alsmede middels een zaksloot of andere watergang naar een locatie binnen het plangebied.
In voorliggend geval wordt de inrichting van het erf verrijkt met de aanleg van nieuwe watergangen, die aansluiten op de bestaande waterstructuur aan de Appellaan. Deze watergangen krijgen natuurvriendelijke oevers, met aan ten minste één zijde een flauw talud van 1:3. Er wordt onderzocht of delen van deze oevers als plasdraszone ingericht kunnen worden, met een kruidenrijke vegetatie die bijdraagt aan de biodiversiteit. De aanleg en vormgeving van deze waterstructuur vindt plaats in samenspraak met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
Afvalwater
Afvalwater moet gescheiden afgevoerd worden. Ter plaatse zit geen bestaand riool. In overleg met het Hoogheemraadschap zal gekeken worden naar welke voorzieningen nodig zijn voor het huishoudelijke afvalwater.
Oppervlaktewater
Met het voornemen blijven de bestaande in- en uitritten ruimtelijk behouden waardoor de bestaande watergangen behouden blijven. Er hoeft geen sloot gedempt te worden. Wel is er sprake van vergroting of aanpassing van de bestaande watergangen ter plaatse. Voorgaande zal in goed overleg plaatsvinden met het Hoogheemraadschap.
Daarnaast is in overleg in het plan rekening gehouden met:
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Cultuurhistorie
Algemeen
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Situatie plangebied
Het plangebied ligt niet in een gebied aangeduid als een zo bedoeld cultuurhistorisch gebied. Met het voornemen is echter wel landschappelijk goed gekeken naar de daadwerkelijke inpassing. Met de inpassing worden de bestaande structuren van het landschap versterkt wat ten goede komt van het cultuurhistorisch landschap.
Archeologische waarde
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. In voorliggend geval is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 11 bij deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusies van het onderzoek.
Situatie plangebied
Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied.
Advies
Op basis van het onderzoek is er sprake van een hoge archeologische verwachting in het plangebied. geadviseerd wordt deze verwachting op te nemen. Op de locaties waar in de toekomst bodemingrepen zullen plaatsvinden adviseren wij een vervolgonderzoek in de karterende fase uit te voeren. Geadviseerd wordt dit onderzoek uit te voeren in de vorm van een karterend booronderzoek (IVO-O). Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd na de (bovengrondse) sloop van de bestaande bebouwing en het verwijderen van de oppervlakteverharding. Eventueel kan het onderzoek ook eerder worden uitgevoerd met behulp van betonboringen en een minigraver ter plaatse van het puinpad om de boringen te kunnen laten slagen.
Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Woerden) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van cultuurhistorische waarden. Ten behoeve van de archeologie is het voorgestelde boorstrategie voor het booronderzoek akkoord. Ter plaase van de bestaande opstallen wordt na sloop nader onderzoek gedaan omtrent de archeologische waarde. Indien de adviezen opgevolgd worden is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Duurzaamheid
Met het voornemen worden oude opstallen gesloopt en nieuwe gebouwen gerealiseerd. Tevens worden twee bestaande woningen omgezet naar een toekomstige functie en blijven ze behouden. De nieuwe woningen worden gasloos gebouwd. De nieuwe bebouwing zal tevens voldoen aan de wensen en eisen van deze tijd gelet op isolatie en ventilatie. Met het voornemen krijgt de bestaande locatie met voormalige bedrijfswoningen een duurzaam vervolg.
Door het verwijderen van de overtollige erfverharding en behoud en versterking van het groen zal het hemelwater ter plaatse gemakkelijker in de bodem kunnen infiltreren.
Gesteld wordt dat het voornemen ten goede komt van de duurzaamheid.
Klimaatadaptatie
Door de herontwikkeling van het erf worden niet alleen bestaande schuren gesaneerd, maar wordt er ook een grote hoeveelheid aan bestaande erfverharding weggehaald. Doordat het oppervlakte erfverharding verminderd, is dat gunstig voor de hittestress. Om tijdens langdurige periodes van extreme warmte nog beter deze hitte op te kunnen vangen worden er o.a. nieuwe bomen aangeplant. Daarnaast wordt aanbevolen om binnen de eigen kavels voldoende schaduw te creëren door middel van het plaatsen van voldoende bomen. Bij perioden van hevige regenval en wateroverlast wordt aanbevolen om plekken met veel verhardingen (bijv. parkeerplaatsen) te voorkomen. Hier wordt aanbevolen om waterdoorlatende verhardingen toe te passen.
Gesteld wordt dat het voornemen ten goede komt van de klimaatadaptatie.
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
De voorgenomen herontwikkeling past volgens de eerdere verkenningen binnen de gemeentelijke ambities en het beleid. Voorliggend Participatieplan behandelt de participatieaanpak inzake de herontwikkeling. Waarbij de Handreiking burgerparticipatie (Omgevingswet) bij initiatieven in de leefomgeving van de gemeente Woerden als leidraad is gehanteerd.
Nadat het participatieplan voor voorgaand project vastgelegd is, zijn de gesprekken met omwonende vanaf medio februari 2024 gestart. Uit de gesprekken zijn geen inhoudelijke op- of aanmerkingen naar voren gekomen. De aanwezigen blijven graag op de hoogte van de ontwikkeling. Hierover is gezamenlijk afgesproken dat er bij belangrijke momenten (voor er officieel de procedure(s) wordt ingegaan, start bouw etc.) de initiatiefnemer per mail de omwonenden hierover informeert.
Het participatierapport en de verslagen zijn opgenomen als Bijlage 12 en Bijlage 13.
In het kader van de consultatie zijn de Provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) eerder in het plan benaderd voor advies en afstemming. Beide instanties hebben gereageerd. De op- en aanmerkingen zijn verwerkt in het ruimtelijk plan. In het kader wordt voorliggend ontwerpplan ook voorgelegd aan de instanties.
Het plan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn twee zienswijzen tegen het ontwerp TAM-Omgevingsplan ingediend. In de opgestelde nota van beantwoording wijzen (reactienota) is een reactie op de ingediende zienswijzen tegen het ontwerp TAM-Omgevingsplan gegeven. Daarbij wordt aangegeven hoe de betreffende zienswijzen aanleiding hebben gegeven tot het wijzigen van het ontwerp TAM-Omgevingsplan. De volledige zienswijzennota wordt bij voorliggend plan gevoegd als Bijlage 14.
Het TAM-omgevingsplan is opgesteld om de ontwikkeling van woonerf mogelijk te maken. De regels zijn daarbij opgesteld conform de vereisten van een TAM-omgevingsplan. Dit wordt navolgend toegelicht.
Préambule
Het TAM-omgevingsplan vormt juridisch één geheel met het omgevingsplan van rechtswege. De bruidsschat, die daar ook onderdeel van is, is opgesteld in STOP/TPOD. Daardoor kunnen de plannen niet in één bestand samengevoegd worden. Om beide plannen juridisch toch één geheel te laten vormen, kan het TAM-omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk ingevoegd worden in het omgevingsplan van rechtswege. Dit kan middels de naamgeving van het TAM-omgevingsplan en een preambule in het TAM-omgevingsplan.
De regeling vangt daarom aan met een préambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. In de préambule wordt ook aangegeven welk hoofdstuk van het omgevingsplan het voorliggende TAM-omgevingsplan betreft. Het voorliggende TAM-omgevingsplan voor het woonerf is hoofdstuk 22c van het omgevingsplan Woerden.
In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Met het geven van een omschrijving wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het begrip. Dit komt de uitleg van de regeling ten goede. Deze begrippen gelden aanvullend op de bepalingen in de Omgevingswet.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt uiteengezet hoe bij de toepassing van de regeling wordt gemeten. Daarbij worden ook de aanvullende meetbepalingen ten opzichte van de bruidsschat aangegeven.
De oude regels op de locatie vervallen niet automatisch met het vaststellen van nieuwe regels in het TAM-omgevingsplan. De reikwijdte van de regels uit het TAM-omgevingsplan moet daarnaast heel precies bepaald worden ten opzichte van de rest van het omgevingsplan. In het bijzonder ten opzichte van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Zowel de bruidsschat als de bestemmingsplannen en overige regelingen die op grond van artikel 4.6 Invoeringswet Omgevingswet deel uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege. Met het TAM-omgevingsplan moet voorkomen worden dat er regels niet meer van toepassing worden verklaard, die wel op de locatie moeten blijven gelden.
Met de toepassingsbereik bepaling wordt geregeld dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Deze regeling is opgenomen in het eerste lid van dit artikel.
Het tweede lid zorgt ervoor dat de plankaart van het wijzigingsgebied deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit is immers niet automatisch het geval onder de Omgevingswet.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Wanneer een dergelijk verbod niet is opgenomen dan betekent dit dat activiteiten zonder meer mogen worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies is namelijk onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningsplichtig te maken.
Daarnaast is genoemd welk gebruik tenminste in strijd is met dit TAM-omgevingsplan.
In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel. Door de in dit artikel opgenomen regeling worden de relevante aanvraagvereisten uit de paragraaf van de bruidsschat van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan.
Toedeling van functies aan locaties
Voor de bestaande en blijvende agrarische gronden is de functie 'Agrarisch' opgenomen.Ter plaatse is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Er is een aanduiding 'boomgaard opgenomen. Hierbij is in de regels geregeld dat ter plaatse het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan.
Aan de zuidzijde van het plangebied, nabij het bestaande Vijverbos is de functie 'Natuur' opgenomen. Ter plaatse is het ook mogelijk nieuwe natuur aan te planten. Ter plaatse is het bouwen van gebouwen niet toegestaan.
Ter plaatse van het woonerf is de functie 'Wonen' opgenomen. Ter plaatse is het wonen in woningen toegestaan. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. De bouw- en goothoogte is respectievelijk 8 en 3 meter en ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)', de daarbij aangegeven hoogte. Ter plaatse van de aanduiding 'carport' is een carport toegestaan. Ter plaatse is per hoofdgebouw een oppervlakte van 50 m² aan bijbehorende bijgebouwen toegestaan, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijbijhorende bouwwerken' de aangegeven oppervlakte is toegestaan. Door middel van de figuur 'gevellijn' is de voorgevellijn van de nieuw te bouwen woningen aangegeven.
Tot slot zijn er geen verdere bijzondere bepalingen opgenomen.
Gebiedsaanwijzingen
Artikel 9 Waarde - Archeologie 3
De voor 'Waarde - archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s) en gebiedsaanwijzingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
Artikel 10 Waarde - Archeologie 5
De voor 'Waarde - archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s) en gebiedsaanwijzingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen indien een perceel, of een gedeelte daarvan, meer
Artikel 12 Algemene bouwregels
Dit artikel bevat de mogelijkheid voor burgemeesters en wethouders om maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van gebouwen.
Artikel 13 Algemene gebruiksregels
Binnen deze regels is ondermeer opgenomen welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond gegeven functie.
Hieronder geldt ondermeer een voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing en voorwaardelijke verplichting - bodem. Dit ter borging van de landschappelijke inpassing en toepassing van sanering of aanvullend bodemonderzoek.
Artikel 14 Algemene aanduidingsregels
De regel is opgenomen om algemente aanduidingsregels nader beschrijven. Ter plaatse geldt de algemene aanduiding 'milieuzone - bescherming grondwaterafhankelijke natuur'. Ter plaatse zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van grondwaterafhankelijke natuurgebieden.
Artikel 15 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven..
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
De ontwikkeling heeft betrekking op een voormalig agrarisch bedrijf in het buitengebied van Harmelen (gemeente Woerden). Het plan voorziet in de herontwikkeling van de voormalige agrarische bedrijfslocatie (paardenhouderij) naar een nieuw woonerf. Concreet wordt het grootste deel van de bestaande agrarische bebouwing en overtollige erfverharding gesloopt en het volledige plangebied opnieuw landschappelijk ingepast. Ter compensatie daarvan wordt middels de 'ruimte voor ruimte' regeling vier nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd. Daarnaast worden de bestaande voormalige bedrijfswoning (Breudijk 52) en de plattelandswoning (Breudijk 52a) juridisch-planologisch meegenomen en bestemd voor regulier wonen.
Uit Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de aspecten in en van de fysieke leefomgeving.
Conclusie
Op basis van deze motivering wordt gesteld dat de realisatie van het woonerf op de locatie aanvaardbaar is. De realisatie van het woonerf en bijbehorende gronden en landschappelijke inpassing voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Het woonerf en de bijbehorende voorzieningen (zoals verharding, groen en eventuele parkeerplaatsen) zijn in particulier eigendom. Het beheer en onderhoud hiervan worden privaatrechtelijk geregeld. Afhankelijk van de gekozen eigendomsvorm kan dit plaatsvinden via een VvE, mandeligheid of door het vestigen van erfdienstbaarheden.
De gemeente heeft op voorhand geen onderhouds- of beheerverantwoordelijkheid voor het woonerf. De onderlinge rechten en plichten van eigenaren en gebruikers worden vastgelegd in de nog te sluiten privaatrechtelijke overeenkomsten, zodat het gebruik en onderhoud duurzaam zijn geborgd.