direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c - Breudijk 52 en 52a Harmelen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0632.TAM22cBreudijk52HM-bVA1

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de herontwikkeling aan de Breudijk 52 en 52a te Harmelen. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de omzetting van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonerf met landschappelijke inpassing op de locatie en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Woerden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Woerden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22c gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22c gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Alleen de begrippen opnemen die van toepassing zijn op dit hoofdstuk en niet in de bijlage bij het omgevingsplan staan.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

  • a. Bijlage 1 bij dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c - Breudijk 52 en 52a Harmelen' bevat aanvullende begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel omgevingsplan.
  • b. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage 1 bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage 1 bij het Omgevingsbesluit en bijlage 1 bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c - Breudijk 52 en 52a Harmelen', tenzij in Bijlage 1 Aanvullende begrippenlijst daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige
toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor
zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.5.

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 de oppervlakte van een overig bouwwerk:

de horizontale projectie van alle delen van het bouwwerk binnen de omtrekslijn;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

ter hoogte van de bovenkant van de begane grondvloer, tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van scheidsmuren;

2.6 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c - Breudijk 52 en 52a Harmelen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand, met identificatienummer NL.IMRO.0632.TAM22cBreudijk52HM-, zoals vastgelegd op https://ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

  • 1. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • 2. Tot gebruik, strijdig met het TAM-omgevingsplan, wordt in ieder geval gerekend:
    • a. het gebruik van de onbebouwde gronden:
      • als staan- of ligplaats voor onderkomens, met uitzondering van het stallen van een toercaravan bij een woning;
      • als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
      • als opslagplaats voor gerede of ongerede goederen, waaronder niet verstaan wordt het opslaan van bouwmaterialen en andere hulpmaterialen voor het bouwen ten behoeve van de uitvoering van werken ter plaatse, voor de duur van de uitvoering.
    • b. het gebruik van gebouwen en/of bijgebouwen ten behoeve van seksinrichtingen.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

6.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch' aangewezen locatie op de verbeelding heeft de volgende functies:

  • a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve veehouderij uitsluitend als duurzame neventak;
  • b. een boomgaard, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'boomgaard';
  • c. extensieve openluchtrecreatie;

met daarbij behorende:

  • d. erfbeplanting en landschappelijke inpassingen;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. wegen en paden;
  • g. bestaande ontsluitingswegen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
6.3.1 Algemeen

Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Agrarisch de volgende algemene regels voor gebouwen:

  • a. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan;
6.3.2 Bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende maximale bouwhoogten:

  • a. erf- of terreinafscheidingen: 2 m;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 m.
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Strijdig gebruik functies

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruiken van gronden voor buitenopslag, zoals -niet als bouwwerk aan te merken- mestbassins, silo's, boogkassen en opslag van ruwvoer en overige materialen.

6.4.2 Strijdig gebruik boomgaard

Onder strijdig gebruik ter plaatse van de aanduiding 'boomgaard' wordt begrepen:

  • a. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die schadelijk zijn voor de gezondheid.

Artikel 7 Natuur

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Natuur'.

7.2 Functieomschrijvining

Een als 'Natuur' aangewezen locatie op de verbeelding heeft de volgende functies:

  • a. de aanplant van landschappelijke inpassingen zoals staande in Bijlage 3;
  • b. de instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke- en natuurwetenschappelijke waarden;
  • c. de instandhouding van ter plaatse voorkomende, cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen, waaronder begrepen van oudsher voorkomende bouwwerken, houtkaden en andere objecten;
  • d. instandhouding van ter plaatse voorkomende waardevolle beplanting;
  • e. voetpaden-, lanen- en groenstructuur;
  • f. watergangen, waterpartijen, oevers en taluds;
  • g. extensieve openluchtrecreatie.
7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
7.3.1 Algemeen

Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Natuur de volgende algemene regels voor gebouwen:

  • a. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan;
7.3.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 1 m bedragen.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie op de verbeelding heeft de volgende functies:

  • a. wonen, waarbij het aantal woningen per bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1;

met de daarbij behorende:

  • b. erfbeplanting en landschappelijke inpassingen;
  • c. tuinen, erven en terreinen;
  • d. wegen en paden;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
8.3.1 Hoofdgebouwen

Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Wonen de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen:

  • a. het hoofdgebouw (woning) mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is er maximaal één woning toegestaan
  • c. de inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 600 m³, danwel de bestaande inhoud;
  • d. de dakhelling van woningen mag niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling;
  • e. de goothoogte en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt respectievelijk maximaal 3 en 8 meter;
  • f. in afwijking van e is ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' de aangegeven goot en bouwhoogte toegestaan;
  • g. ter plaatse van de ‘gevellijn’, zal één gevel van het hoofdgebouw in de lijn worden gebouwd welke zal gelden als de voorgevel van het gebouw.
8.3.2 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen

Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Wonen de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van bij een woning bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt niet meer dan 50 m², danwel het bestaande oppervlakte, waarbij het meerdere aan bestaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen voor ten hoogste 50% van de huidige oppervlakte mag worden herbouwd;
  • b. de goothoogte en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 en 6 m;
  • c. de dakhelling van bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'carport' is een carport toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3,2 meter;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijbijhorende bouwwerken' is het maximum aan gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bijgebouwen weergegeven.
8.3.3 Bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor gebouwen, geen gebouwen zijnde gelden de volgende maximale bouwhoogten:

  • a. palen en vlaggenmasten: 6 m;
  • b. erf- of terreinafscheidingen op voorerf: 1 m;
  • c. erf- of terreinafscheidingen overig: 2 m;
  • d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde op voorerf: 1 m;
  • e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde op het zij- en achtererf: 3 m;
8.4 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen
8.4.1 Geluidluwe gevels en gezamenlijk geluid

Voor de bouwactiviteiten ten behoeve van de woningen 1 tot en met 4 zoals aangegeven in Bijlage 2 Geluid geldt als aanvullende beoordelingsregel hetvolgende:

  • a. per woning en per bouwlaag moet minimaal één verblijfsruimte rechtstreeks grenzen aan een geluidluwe gevel;
  • b. de woning beschikt over een buitenruimte (balkon, terras of tuin) die aansluitend aan een geluidluwe gevel is gesitueerd;
  • c. de woning moet worden voorzien van een aangewezen geluidluwe gevel;
  • d. de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt uitsluitend verleend indien volledig aan de beoordelingsregel wordt voldaan of volledig is afgestemd en van goedkeuring voorziet van een specialist van het bevoegd gezag.
8.5 Specifieke functieregels
8.5.1 Aan huis verbonden beroep

Binnen deze bestemming is de uitoefening van een aan huis verbonden beroep toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:

  • a. de activiteiten mogen aan de woonfunctie geen afbreuk doen en dienen daaraan ondergeschikt te zijn in die zin, dat de woonfunctie de belangrijkste functie dient te blijven. Dit betekent dat ten behoeve van een aan huis verbonden beroep niet meer dan 40% van het vloeroppervlak van een woning mag worden gebruikt, één en ander met een maximum van 50 m²;
  • b. de activiteiten mogen geen hinder opleveren voor de woonsituatie of van die van omwonende;
  • c. de activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving;
  • d. de activiteiten mogen geen detailhandel betreffen;
  • e. de activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling;
  • f. er moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, één en ander conform de Nota parkeernormen Woerden (2022) of diens rechtsopvolger.
8.6 Specifieke beoordelingsregels functies
8.6.1 Aan huis verbonden beroep

    • 1. in afwijking van het bepaalde in 8.5.1 onder d, is detailhandel door middel van internet toegestaan, met uitzondering van het afhalen van goederen door personen die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik, verhuur of aanwending.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 3

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.

9.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s) en gebiedsaanwijzingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

9.3 Beoordelingsregels
9.3.1 Algemeen

Op deze gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken:

  • a. Op de gronden met bestemming 'Waarde - Archeologie 3' is het verboden om te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende functie(s).
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen op of in deze gronden gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden, mits het gaat om:
    • 1. bebouwing waarvan de ondergrondse bebouwing en bodemverstoring niet meer bedraagt dan 0,3 meter beneden maaiveld;
    • 2. een of meer gebouwen of bouwwerken waarvoor een bodemingreep tot ten hoogste 100 m² nodig is;
    • 3. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het peil niet wordt uitgebreid;
    • 4. een gebouw of bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd.
9.4 Specifieke beoordelingsregels bouwen
9.4.1 Afwijken van de bouwregels
  • a. In afwijking van het bepaalde in lid 9.3.1 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende functie(s) gerealiseerd worden, mits op basis van een archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat:
    • 1. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
    • 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
  • b. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op een of meer gebouwen of bouwwerken als bedoeld in lid 9.3.1 sub b.
9.4.2 Maatwerkvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE);
  • c. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
9.4.3 Advies

Het bevoegd gezag wint advies in van een door hem aan te wijzen archeologisch deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
9.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Waarde - Archeologie 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dieper dan 0,30 meter onder maaiveld uit te voeren zulks ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende functies:

  • a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend: het ophogen, afgraven, ontgronden, saneren, afplaggen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur;
  • b. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • d. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels, leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
  • g. het verwijderen van fundamenten.
9.5.2 Onderzoek

Voor de werkzaamheden als bedoeld in lid 9.5.1 dient een archeologisch rapport bij de aanvraag van een omgevingsvergunning te worden ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat:

  • a. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. archeologische waarden door het uitvoeren van de activiteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
  • c. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
9.5.3 Uitzonderingen

Het verbod van lid 9.5.1 en de onderzoeksplicht van lid 9.5.2 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud worden uitgevoerd;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m² en dieper dan 0,30 meter onder maaiveld;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek of opgravingen, mits verricht door een daartoe gecertificeerde instantie en op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen;
  • d. op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:
    • 1. zijn begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;
    • 2. zijn begonnen of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
  • e. waaronder ook werkzaamheden die uitsluitend plaatsvinden binnen bestaande weg- en leidingcunetten (zowel horizontaal als verticaal);
  • f. het aanbrengen van drainage wanneer uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de 'sleufloze' methode.
9.5.4 Maatwerkvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.5.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE);
  • c. de verplichting de uitvoering van de werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
9.5.5 Advies

Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen archeologisch deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 5

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5'.

10.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s) en gebiedsaanwijzingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

10.3 Beoordelingsregels
10.3.1 Algemeen

Op deze gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken:

  • a. Op de gronden met bestemming 'Waarde - Archeologie 5' is het verboden om te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende functie(s).
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen op of in deze gronden gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden, mits het gaat om:
    • 1. bebouwing waarvan de ondergrondse bebouwing en bodemverstoring niet meer bedraagt dan 1 meter beneden maaiveld;
    • 2. een of meer gebouwen of bouwwerken waarvoor een bodemingreep tot ten hoogste 1.000 m² nodig is;
    • 3. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het peil niet wordt uitgebreid;
    • 4. een gebouw of bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd.
10.4 Specifieke beoordelingsregels bouwen
10.4.1 Afwijken van de bouwregels
  • a. In afwijking van het bepaalde in lid 10.3.1 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende functie(s) gerealiseerd worden, mits op basis van een archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat:
    • 1. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
    • 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
  • b. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op een of meer gebouwen of bouwwerken als bedoeld in lid 10.3.1 sub b.
10.4.2 Maatwerkvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE);
  • c. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
10.4.3 Advies

Het bevoegd gezag wint advies in van een door hem aan te wijzen archeologisch deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
10.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Waarde - Archeologie 5 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dieper dan 1 meter onder maaiveld uit te voeren zulks ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende functies:

  • a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend: het ophogen, afgraven, ontgronden, saneren, afplaggen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur;
  • b. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • d. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels, leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
  • g. het verwijderen van fundamenten.
10.5.2 Onderzoek

Voor de werkzaamheden als bedoeld in lid 10.5.1 dient een archeologisch rapport bij de aanvraag van een omgevingsvergunning te worden ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat:

  • a. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. archeologische waarden door het uitvoeren van de activiteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
  • c. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
10.5.3 Uitzonderingen

Het verbod van lid 10.5.1 en de onderzoeksplicht van lid 10.5.2 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud worden uitgevoerd;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 1.000 m² en dieper dan 1 meter onder maaiveld;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek of opgravingen, mits verricht door een daartoe gecertificeerde instantie en op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen;
  • d. op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:
    • 1. zijn begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;
    • 2. zijn begonnen of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
  • e. waaronder ook werkzaamheden die uitsluitend plaatsvinden binnen bestaande weg- en leidingcunetten (zowel horizontaal als verticaal);
  • f. het aanbrengen van drainage wanneer uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de 'sleufloze' methode.
10.5.4 Maatwerkvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.5.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE);
  • c. de verplichting de uitvoering van de werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
10.5.5 Advies

Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen archeologisch deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

  • a. Onverminderd het overige bepaalde in het plan met betrekking tot het bouwen, mag of mogen, voorzover een en ander past binnen de regels van de Keur van het Hoogheemraadschap "De Stichtse Rijnlanden" en de provinciale reglementen, op en in gronden:
    • 1. binnen een afstand van 5 m, loodrecht gemeten op de bestemmingsgrens van de bestemming Water niet worden gebouwd, anders dan overeenkomstig de bestaande situatie;
    • 2. binnen de hierna bij de verschillende categorieën wegen genoemde afstanden, loodrecht gemeten uit de as van de weg binnen de bestemming Verkeer, uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd, anders dan bestaande bouwwerken:
  • b. Kelders:
    • 1. mogen gebouwd worden tot een maximale diepte van 3 m binnen het bouwvlak of functie 'Wonen';
    • 2. tellen niet mee bij de oppervlakte of volume van gebouwen;
    • 3. zijn in principe alleen onder gebouwen, uitgezonderd kassen, toegestaan;
    • 4. moeten rechtstreeks bereikbaar zijn vanuit de woning en hebben geen separate andere ingang;

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 Parkeren

Voor het parkeren ten behoeve van de functies is het gestelde in het gemeentelijke parkeerbeleid zoals deze geldt binnen de gemeente Woerden ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor gebruik/het bouwen van toepassing.

13.2 Strijdig gebruik
  • a. het gebruik ten behoeve van een seksinrichting;
  • b. het gebruik van de gronden -water, steigers, aanlegplaatsen en bijbehorende gronden- als ligplaats voor woonboten of -schepen, drijvende recreatiewoningen en andere drijvende woongelegenheden;
  • c. het gebruik van gronden als stand- of ligplaats van kampeermiddelen, demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor detailhandel in etenswaren en/of dranken, en andere onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
  • d. het gebruik van gronden als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
  • e. het gebruik van gronden voor het beproeven van voertuigen, voor het racen of crossen met motorvoertuigen of bromfietsen en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport;
  • f. het gebruik van gronden voor militaire oefeningen met rups- en andere zware voertuigen;
  • g. het gebruik van gronden voor meer dan één inrit per oorspronkelijk verkavelingspatroon;
13.3 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en nieuwe bouwwerken, is slechts toegestaan indien de benodigde landschappelijke inpassing van de gronden wordt gerealiseerd. Waarbij geldt dat het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken met de functie 'Wonen' slechts is toegestaan indien ten behoeve van de goede landschappelijke inpassing de aanleg van de landschappelijke elementen (zoals beplanting, watervoorzieningen en erven) wordt gerealiseerd: overeenkomstig het opgenomen 'Landschappelijk inpassingsplan' (Bijlage 3 bij deze regels en binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van de eerste vergunning voor een woning; de landschappelijke inpassing duurzaam in stand wordt gehouden.

13.4 Voorwaardelijke verplichting - bodem

De resultaten van het bodemonderzoek zoals staande in Bijlage 4 geven aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek en/of sanerende maatregelen in de grond. Er zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning worden overlegd en getoetst door het bevoegd gezag of er een geldig bodemonderzoek voorgelegd kan worden of als aangetoond is dat de grond op juiste wijze gesaneerd is.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 milieuzone - bescherming grondwaterafhankelijke natuur
14.1.1 Functieomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - bescherming grondwaterafhankelijke natuur' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van grondwaterafhankelijke natuurgebieden.

14.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, uit te voeren:
    • 1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem, allen dieper dan 0,6 m onder maaiveld;
    • 2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 onder het maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;
    • 3. het graven, dempen, danwel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren voor zover daardoor de waterstand wordt verlaagd, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand;
    • 4. het bebossen of anderszins beplanten van gronden met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters in verband met tuinbouw of als (agrarisch) houtteelt, met uitzondering van fruitbomen;
    • 5. het vellen of rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen;
    • 6. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m², met uitzondering van kavelpaden;
    • 7. het verwijderen van onverharde wegen of paden;
    • 8. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
    • 9. het dempen van watergangen, sloten en waterpartijen voor zover daardoor percelen ontstaan die breder zijn dan 100 m na dempen.
  • b. Het sub a vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:
    • 1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    • 2. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan;
    • 3. werken en werkzaamheden op en in gronden die binnen agrarische bouwvlakken zijn begrepen, met uitzondering van demping van watergangen langs wegen.
  • c. De sub a bedoelde vergunning wordt slechts verleend, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
  • d. Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in sub a winnen burgemeester en wethouders advies in van een door burgemeester en wethouders aan te wijzen ter zake deskundige, ingeval advies nodig wordt geacht.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

15.1 Algemene afwijkingen

Het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het omgevingsplan:

  • a. ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 m en de inhoud niet meer dan 50 m³ mag bedragen;
  • b. indien en voorzover afwijkingen ten aanzien van grens of richting van wegen, paden en waterlopen, en ligging van bebouwingsgrenzen en grenzen van bouwlakken en aanduidingen noodzakelijk zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;
  • c. voor afwijkingen van bepalingen ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages en aangetoond wordt dat deze afwijking noodzakelijk is voor het toegestane gebruik;

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwen
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10 %.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2 Overgangsrecht gebruiken
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.