| Plan: | Hoevezone (Plasweg) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.BPhoevezone-0401 |
Wayland Real Estate B.V. ontwikkelt aan de westzijde van de bebouwde kom van Waddinxveen 'Glasparel+'. In dit gebied (onderdeel van de Zuidplaspolder) wordt de realisatie van een integraal woon/ werklandschap mogelijk gemaakt in het zogenaamde glasparelgebied. Het gebied wordt begrensd door de Zesde Tochtweg, Plasweg, het glastuinbouwgebied aan de G. van Dort Kroonweg, Beijerincklaan, Bredeweg en de achterzijde van bestaande glastuinbouwkavels aan de Abr. Kroesweg. In het plangebied wordt glastuinbouw, wonen, werken, water en energie met elkaar gecombineerd.
De in aanbouw zijnde grootschalige productielandschappen ‘glastuinbouw’ (tussen Abr. Kroesweg en Plasweg en ‘logistiek’ (tussen Beijerincklaan/IJsermanweg en Plasweg) ontmoeten elkaar op het snijvlak met het kleinschalige woonlandschap (figuur 1). Het woonlandschap ligt langs de lanen en linten van de polder met een kleinschalig woningbouwprogramma. De Plasweg ligt centraal en is de ruggengraat van deze ontmoeting. Dit oude cultuurhistorische lint wordt de overgangszone waarin zowel de ruimtelijke als de milieutechnische contrasten samengebracht worden.
Figuur 1: Productielandschappen en Glasparel+ met lintbebouwing langs de Plasweg (bron
bestemmingsplan Glasparel+).
Hoevezone
Het plangebied maakt onderdeel uit van de woningbouwontwikkeling langs de Plasweg. Het betreft het laatste deelgebied aan de Plasweg, aan weerszijden van de Gerard Okkerseweg, waar een woningbouwontwikkeling, zorgvoorziening en kinderdagopvang worden voorgestaan.
In het geldende bestemmingsplan 'Glasparel+' zijn deze percelen bestemd voor 'Gemengd - Uit te werken' en de bestemming 'Verkeer'. Binnen de uit te werken bestemming zijn alleen maatschappelijke voorzieningen, groen, water en wegen toegestaan, doch geen woningen. Om deze planontwikkelingen mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan maakt 14 woningen, een zorgvoorziening en kinderdagverblijf juridisch planologisch mogelijk.
Het plangebied ligt aan de Plasweg in Waddinxveen. In noordoostelijke richting ligt de Vredenburghlaan. In noordwestelijke richting ligt een 50 meter brede ecologische verbindingszone met aansluitend Businesspark Vredenburgh. Zuidwestelijk van het plangebied staan voornamelijk vrijstaande woningen in een eerste en tweede lijn bebouwing van de Plasweg. Aan de overzijde van de Plasweg ligt de Vredenburghzone met midden in het weiland boerderij 'Hoeve Vredenburgh'. In figuur 2 is een situatietekening van het plangebied en omgeving opgenomen.
Figuur 2: Plattegrond plangebied en omgeving (rood gestippeld omkaderd).
Voor onderhavig plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:
| Bestemmingsplan | Raadsbesluit | Uitspraak ABRvS | |
| “Glasparel+" | 9 juli 2014 | 6 mei 2015 | |
| "Parapluplan Archeologie en Parkeren" | 19 september 2018 | n.v.t. | |
De gronden zijn in het bestemmingsplan 'Glasparel+' bestemd voor 'Gemengd - Uit te werken' en de bestemming 'Verkeer' (figuur 3). Binnen de uit te werken bestemming zijn alleen maatschappelijke voorzieningen, groen, water en wegen toegestaan. Woningen zijn uitgesloten, zodat herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is om de voorgestane planontwikkelingen mogelijk te maken.
Figuur 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Glasparel+' (plangebied rood gestippeld omlijnd).
Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In hoofdstuk 7 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 9 wordt tenslotte ingegaan op de uitkomsten van de gehouden inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Het braakliggend terrein maakt onderdeel uit van het kleinschalige woonlandschap aan de Plasweg. Aan de noordwestzijde ligt de nieuw aangelegde ecologische verbindingszone als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. De noordoostelijk gelegen Vredenburghlaan maakt onderdeel uit van de nieuwe regionale infrastructuur tussen de A12 en de N11. Aan de overzijde ligt de Vredenburghzone waar alleen de 'Hoeve Vredenburgh' staat. Het gebied tussen de Plasweg, de wijken Zuidplas, 'Park Triangel' en de nieuwe Vredenburghlaan krijgt een recreatieve bestemming op basis van de Gebiedsvisie Vredenburghzone.
Woningen in de Plaswegzone. Glastuinbouw. Bedrijvenlandschap.
Ecologische verbindingszone. Hoeve Vredenburgh. Vredenburghlaan.
Planspecifiek
Het plangebied aan de Plasweg wordt gescheiden door de Gerard Okkerseweg. Het gebied ligt braak in afwachting van de voorgenomen realisatie met 14 woningen, een kleinschalig zorgcomplex en een kinderdagverblijf.
Plangebied vanaf noordwestzijde. Plangebied tussen twee woningen. Plangebied vanaf zuidwestzijde.
Watergang langs plangebied. Plangebied vanaf zuidoostzijde. Gerard Okkerseweg.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het ruimtelijk beleid van de Zuidplaspolder, zoals beschreven in het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (ISP). Het plangebied maakt onderdeel uit van de gebiedsontwikkeling Zuidplaspolder dat wordt getransformeerd tot een bedrijvenlandschap (Glasparel+) en woningbouw aan weerszijden van de Plasweg. Een bestemmingsplan hiervoor heeft de gemeenteraad van Waddinxveen op 9 juli 2014 gewijzigd vastgesteld, waarin de ontwikkeling van een glastuinbouwgebied, logistiek- en distributiepark en woningen aan weerszijden van de Plasweg mogelijk wordt maakt. Ten noordoosten van het plangebied is de Vredenburghlaan aangelegd als onderdeel van de Corridorstudie N207. Deze is gerealiseerd tot de Polderweg/ Zesde Tochtweg om het nieuwe bedrijventerrein 'Glasparel+' te kunnen ontsluiten. Ook woningen aan de Plasweg kunnen via deze nieuwe wegenstructuur (middels een aangelegde rotonde) gebruik maken.
Het plangebied is groot circa 1,65 ha. De helft van het gebied (ten zuidwesten van de Gerard Okkerseweg) wordt bestemd voor Wonen met 14 woningen. In het gebied ten noordoosten hiervan wordt een kleinschalige zorgvoorziening en kinderdagverblijf mogelijk gemaakt. Om dit mogelijk te maken wordt hiervoor de bestemming 'Maatschappelijk' opgenomen, waardoor er planologisch gezien meer is meer mogelijk is dan alleen een zorgvoorziening en een kinderdagverblijf.
In afwijking van de gerealiseerde lintbebouwing wordt hier gekozen voor een zogenaamd hoevemodel als antwoord/knipoog naar de aan de overzijde van de Plasweg gelegen 'Hoeve Vredenburgh'. Met een hoeve wordt een boerderij bedoeld. Het is de woning annex bedrijfsruimte van een agrarisch bedrijf. Een hoeve kenmerkt zich door een voor en achterhuis met aan de voorzijde een siertuin. Achter en opzij van de hoeve ligt het werkerf. De indeling van het werkerf werd bepaald door het werk van de boer, de ouderdom en de welvaart. De hoeve kent vaak een boomgaard op het erf, een moestuin, Leilinden en knotwilgen langs het water. De te ontwikkelen deelgebieden voor wonen (kavel GG1) en zorg (kavel GG2) zijn hierop gebaseerd. In figuur 4 is de planopzet weergegeven.
Figuur 4: Verkavelingstekening plangebied met verdeling wonen (GG1) en zorgvoorzieningen (GG2).
Het woongedeelte (kavel GG1)
Het woongedeelte sluit goed aan op de gerealiseerde woningen aan de Plasweg. In totaal komen er 14 woningen, waarvan 4 rijtjeswoningen, 5 seniorenwoningen, 4 twee-onder-één-kap-woningen en 1 vrijstaande woning (figuur 5). De invulling van deze kavel met woningen zorgt voor een natuurlijke afronding van de lintbebouwing met een dorpskarakter aan de Plasweg richting de wijk Zuidplas. Het is daarmee een overgang tussen het dorpse en het landelijke, waarvan de tegenover gelegen 'Hoeve Vredenburgh' onderdeel uitmaakt. Vanaf de kavel is er een directe verbinding met de rest van het lint aan de Plasweg.
Het woongedeelte is in lijn met het Masterplan Glasparel+, waarin ruimte wordt geboden aan ruim opgezette kavels die ingevuld worden met vrijstaande woningen, twee-onder-één-kap woningen en aaneengesloten woningen. Met de bouw van seniorenwoningen wordt er ingespeeld op een groeiende vraag die er binnen de gemeente ligt. De identiteit van de Plasweg blijft behouden.
Figuur 5: Schematische indeling kavel GG1 (indicatief).
De hoofdvorm van de rijenwoningen en seniorenwoningen wordt gerealiseerd in 1,5 tot 2 bouwlagen met kap (maximum goothoogte van 4,5 tot 6 meter en maximum bouwhoogte van 9 tot 10 meter). De twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woning mogen worden uitgevoerd in twee bouwlagen met een kap met een maximum goothoogte van 6,5 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter. De materialisatie van de woningen voegt zich ook naar het landschap met natuurlijke materialen zoals nader uitgewerkt in het Beeldkwaliteitsplan.
Het zorggedeelte (kavel GG2)
Voor de invulling van kavel GG2 wordt er een relatief groot gebouw gerealiseerd, direct gelegen aan de Vredenburghlaan. Dit zorggebouw met circa 38 wooneenheden kan als geluidsbuffer dienen voor de lintbebouwing aan de Plasweg. Het gebouw dient daarnaast als afronding van het nieuw gebouwde woonlint aan de Plasweg. De hoofdvorm van het gebouw bestaat uit twee bouwlagen met een kap. Aan de noordwestzijde wordt een kinderdagverblijf in eveneens twee bouwlagen met een kap mogelijk gemaakt. In figuur 6 is het zorgdeel bruin gekleurd en het kinderdagverblijf grijs gekleurd. Voor de hoofbebouwing wordt een maximum goothoogte van 7 meter en maximum bouwhoogte van 12 meter aangehouden. Voor deze voorziening wordt als onderdeel van de stedenbouwkundige opzet een bijgebouw toegestaan van maximaal 150 m² met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. De materialisatie van de bebouwing heeft een landelijke uitstraling en is herkenbaar en bijpassend binnen de identiteit van het gebied. De bebouwing voegt zich ook naar het landschap met natuurlijke materialen. Voor het hele plangebied is een Beeldkwaliteitsplan opgesteld om de kwaliteit te waarborgen. Dit plan wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3.
Figuur 6: Schematische indeling kavel GG2 (indicatief). Zorgdeel bruin gekleurd en kinderdagverblijf
grijs gekleurd.
De kwaliteitseisen voor de woningen, zorgvoorziening en het kinderdagverblijf zijn vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan 'Hoevezone GG1 & GG2, Wadinxveen', opgesteld door Houweling Architecten te Bleiswijk van 11 juli 2023. De volgende landschappelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten hebben bij het opstellen van het beeldkwaliteitsplan centraal gestaan.
Algemeen
Kavel GG1 en kavel GG2 aan de Plasweg liggen tussen 2 woongebieden, de lintbebouwing aan de Plasweg en woonwijk Zuidplas. Direct ten noorden van de kavels ligt bedrijventerrein Businesspark Vredenburgh, ten zuiden van de kavels zijn agrarische gronden aanwezig. Kavel GG1 wordt ontwikkeld tot woongedeelte en kavel GG2 tot een maatschappelijk zorggedeelte.
Beeldkwaliteit
Het beeldkwaliteitsplan dient als toetsingskader voor bouwplannen van de woningen, zorgvoorziening en het kinderdagverblijf. Dit plan wordt separaat als addendum op de welstandsnota van de gemeente Waddinxveen vastgesteld door de gemeenteraad. Hieronder wordt het beeldkwaliteitsplan kort samengevat.
Planbeschrijving en sfeer
Kavel GG1
Kavel GG1 geeft ruimte aan wonen. De kavel krijgt een groen karakter met bebouwing gepositioneerd in een hoeve-setting rondom een 'boerenerf'. Dit komt ook tot uiting in de vormgeving en het materiaalgebruik van de bebouwing, buitenruimte en erfafscheidingen.
In totaal komen er 14 woningen, waarvan 4 ruime rijwoningen ('boerderij'), 5 seniorenwoningen ('wagenloods-/schuur'), 2 keer een 2^1-kapwoning ('schuur') en 1 vrijstaande woning ('hooischuur'). De invulling van deze kavel voor woningen maakt de lintbebouwing aan de Plasweg richting de wijk Zuidplas af. Het is daarmee een overgang tussen het dorpse en het landelijke, waarvan Hoeve 'Vredenburgh' ook onderdeel uitmaakt. Vanaf de kavel is er een directe langzame voetgangers-/fietsverbinding met de rest van het lint aan de Plasweg.
Kavel GG2
Kavel GG2 geeft ruimte aan maatschappelijke zorggerelateerde functies in een groene setting. Gedacht wordt aan een kleinschalig intramuraal zorgcomplex voor dementerenden, een woongroep voor verstandelijk beperkten, en/of paramedische zorg en overige zorg. Daarnaast wordt er ruimte geboden aan een kinderdagverblijf. De combinatie van functies dient elkaar te versterken, door onder meer het faciliteren van ontmoetingen tussen jong en oud.
Voor de invulling van kavel GG2 wordt er een relatief groot gebouw gerealiseerd, direct gelegen aan de Vredenburghweg. Dit gebouw dient als geluidsbuffer voor de woonzone en de lintbebouwing aan de Plasweg. Tevens vormt dit gebouw de afronding van het nieuwgebouwde woonlint aan de Plasweg. Overige bebouwing vormt zich rondom het midden, alwaar ontsluiting, groen en ontmoeting samenkomen.
Beeldkwaliteit gebouwen
Bebouwing woongedeelte GG1
Bebouwing maatschappelijk-/zorggedeelte GG2
Een vogelvluchttekening is opgenomen in figuur 7. Voor meer informatie wordt verwezen naar het in Bijlage 1 opgenomen Beeldkwaliteitsplan.
Figuur 7: Vogelvluchttekening met links kavel GG1 en rechts kavel GG2 (indicatief).
Het plangebied wordt ontsloten op de Gerard Okkerseweg, Cornelis Broerweg en Plasweg. Via de Piet Stuurmanweg is de Vredenburghlaan bereikbaar. Deze weg sluit aan op het rijkswegennet (A12 en A20). Ter hoogte van de kruising met de Beijerincklaan is het centrum van Waddinxveen bereikbaar. Langzaam verkeer kan binnendoor via de Plasweg, het centrum en de wijk Zuidplas bereiken. Ook is het rijkswegennet bereikbaar via de zuidwestelijk gelegen Bredeweg (verbindingsweg tussen Moerkapelle en Moordrecht). In het plangebied zelf worden ontsluitingswegen aangelegd die aantakken op Gerard Okkerseweg, Cornelis Broerweg en Plasweg.
Verkeersgeneratie
In de nieuwe situatie komen er 14 woningen en een zorgcomplex met kinderdagverblijf. Dit brengt de volgende verkeersgeneratie met zich mee.
Tabel 3.1: Verkeersgeneratie woningen, zorg en kinderdagverblijf.
| Omschrijving | sterk stedelijk (maximaal) | Aantal (woon) eenheden | Oppervlakte | Verkeersgeneratie |
| Nieuw | ||||
| Koop, huis vrijstaand | 8,6 | 1 | 8,6 | |
| Koop, twee-aaneen | 8,2 | 4 | 32,8 | |
| Koop, tussen/hoek | 7,5 | 9 | 67,5 | |
| verpleegtehuis | 2,0 per zorgunit* | 38 | 76,0 | |
| Kinderdagverblijf | 33,7 per 100 m² | 1.000 m² | 337 | |
| Totaal nieuw | 522 (afgerond) |
* Gegevens op basis van ervaringsgegevens en aannames.
In de nieuwe situatie is er nagenoeg alleen sprake van personenverkeer. Het aantal verkeersbewegingen op de Gerard Okkerseweg, Plasweg en Cornelis Broerweg blijft na deze planontwikkeling onder de 6.000 motorvoertuigen per etmaal, zodat het bestaande wegennet deze toename kan verwerken.
Plasweg. Cornelis Broerweg.
Cornelis Broerweg richting plangebied. Piet Stuurmanweg.
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 9 juli 2014 het Parkeerbeleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld, omdat er tot nu toe geen volledig beeld van de parkeersituatie was in Waddinxveen. De gemeente streeft naar een goede en eerlijke parkeersituatie, waarvoor duidelijke uitgangspunten worden opgesteld. De uitgangspunten geven aan:
Dit beleid is in 2017 aangevuld met algemene kaders bij nieuwe ontwikkelingen en bestaand bebouwd gebied. Vervolgens is het beleid verankerd in het 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (2018).
Ten opzichte van 2014 is niet alleen Waddinxveen gegroeid, maar is ook de mobiliteitstransitie volop in ontwikkeling. Dit zorgt ervoor dat er momenteel anders naar het bepalen van het aantal parkeerplaatsen bij een ruimtelijke ontwikkeling wordt gekeken dan in 2014. De gemeente Waddinxveen gaat nieuw parkeerbeleid opstellen, maar dat proces duurt te lang voor de projecten die nu worden voorbereid. Daarom is de notitie 'Integraal afwegingskader parkeernomen bij ruimtelijke ontwikkelingen Waddinxveen' opgesteld om het benodigd aantal parkeerplaatsen voor ruimtelijke ontwikkelingen in Waddinxveen te kunnen toetsen op basis van de meest actuele inzichten. Door nu een integraal afwegingskader voor parkeren op te stellen, wordt ervoor gezorgd dat alle projecten die momenteel spelen in Waddinxveen op basis van dezelfde uitgangspunten worden beoordeeld op het bepalen van het benodigd aantal parkeerplaatsen en dat de benodigde voortgang in de projecten behouden blijft.
'Integraal afwegingskader parkeernormen bij ruimtelijke ontwikkelingen Waddinxveen'
In het 'Integraal afwegingskader parkeernormen bij ruimtelijke ontwikkelingen Waddinxveen' van 3 april 2023 maakt de gemeente Waddinxveen bij het beoordelen van het aantal parkeerplaatsen gebruik van de meest recente CROW-publicatie met parkeerkencijfers. Op dit moment is dat CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (december 2018). In deze publicatie zijn drie factoren opgenomen om de parkeerbehoefte te bepalen:
In CROW-publicatie 381 wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende zones binnen een gemeente. Uit eerdere studies blijkt dat functies in het centrum resulteren in een lagere parkeervraag en een lagere verkeersgeneratie dan functies van dezelfde aard elders in de bebouwde kom. Dit wordt veroorzaakt door het aanbod en de kwaliteit van andere vervoerswijzen, met name het openbaar vervoer in het centrum. Hierdoor komen niet alle gebruikers van die functie met de auto. Op een locatie buiten het centrum is het aanbod van alternatieve vervoerswijzen veelal lager en de kwaliteit minder. Hierdoor komen gebruikers eerder met de auto naar de functie. Daarnaast zijn er in een centrumgebied meer voorzieningen op korte afstand bereikbaar. Dit onderscheid naar zones wordt ook binnen Waddinxveen toegepast. Hierdoor wordt het mogelijk om bij een ontwikkeling met veel voorzieningen in de directe omgeving met een lagere parkeernorm te werken dan op locaties met weinig voorzieningen op korte afstand. Op basis van de volgende criteria wordt beoordeeld in welke zone een ontwikkeling valt:
Tabel 3.2: criteria beoordeling zones binnen gemeente.
| Zone | Criteria | Uitgangspunt |
| Centrum | Afstand tot treinstation Aanwezige voorzieningen • Winkels • Horeca |
< 500 meter (circa 6 minuten lopen) < 500 meter (circa 6 minuten lopen) Hoofdwinkelcentrum (Gouweplein) Café, restaurant |
| Schil centrum | Afstand tot treinstation Aanwezige voorzieningen • Winkels |
500 – 800 meter (6 tot 10 minuten lopen) < 750 meter tot hoofdwinkelcentrum of < 500 meter buurtwinkelcentrum (primaire levensbehoeften) |
| Rest bebouwde kom | Overig gebied binnen de bebouwde kom dat niet aan de criteria voor centrum of schil centrum voldoet | |
| Buitengebied | Al het gebied buiten de bebouwde kom | |
De loopafstanden uit tabel 3.2 zijn afgeleid uit de publicatie "Inzicht in acceptabele loopafstanden" van het CROW (2021). Over het algemeen zijn de acceptabele loopafstanden tot voorzieningen in deze publicatie groter. Zo is de acceptabele loopafstand tot een HOV-halte (zoals een treinstation) 800 meter. Vanaf huis is de acceptabele loopafstand tot een supermarkt 450 tot 1.000 meter.
Als voorzieningen als een treinstation of (hoofd)winkelcentrum op acceptabele loopafstand bereikbaar zijn, is er minder noodzaak om een auto te bezitten om te kunnen voldoen in primaire levensbehoeften (voor woningen) of zijn er goede alternatieve manieren om een werklocatie te bereiken.
Een ontwikkeling moet aan beide criteria voldoen om binnen een zone te vallen. De loopafstanden worden getoetst op basis van de daadwerkelijke loopafstanden. Hierdoor wordt er rekening gehouden met barrières, zoals het spoor of water, die niet overal gekruist kunnen worden.
De gemeente Waddinxveen hanteert als uitgangspunt dat het midden van de bandbreedte gebruikt moet worden voor de parkeerkencijfers. In de notitie van 3 april 2023 zijn de afwijkingsmogelijkheden genoemd om af te wijken van het midden van de bandbreedte.
Toetsing planinitiatief
Het plangebied ligt in 'Rest bebouwde kom' van Waddinxveen. Hiervoor kunnen de volgende parkeerkencijfers worden aangehouden zoals opgenomen in tabel 3.3.
Tabel 3.3: Parkeerkencijfers woningen CROW-publicatie 381.
| Categorie rest bebouwde kom | sterk stedelijk (gemiddeld) | Aandeel bezoekers |
| koop, vrijstaand | 2,1 | waarvan 0,3 per woning |
| koop, twee-aaneen | 2,0 | waarvan 0,3 per woning |
| koop, tussen/hoek | 1,8 | waarvan 0,3 per woning |
| verpleeg- en verzorgingstehuis | 0,6 per wooneenheid | |
| kinderdagverblijf | 1,5 per 100 m² | Aandeel bezoekers 0% |
Op basis van deze normering ontstaat de volgende parkeerbalans (tabel 3.4).
Tabel 3.4: Parkeerbalans nieuwe situatie.
| Functies | Typologie | Parkeernorm | Aantal/opp. | Totaal |
| Woningen | vrijstaand | 2,1 | 1 | 2,1 |
| Woningen | twee-aaneen | 2,0 | 4 | 8,0 |
| Woningen | tussen/hoek | 1,8 | 9 | 16,2 |
| Totaal | 27 pp afgerond | |||
| verpleegtehuis | verpleeg- en verzorgingstehuis | 0,6 per zorgeenheid | 38 zorgeenheden | 22,8 |
| kinderdagverblijf | 1,5 per 100 m² | 1.000 m² | 15 | |
| Totaal | 38 pp (afgerond) |
Woningen
Voor de vrijstaande en twee-onder-één--kapwoning worden 2 parkeerplaatsen per woning aangelegd, totaal 10 parkeerplaatsen. De elfde parkeerplaats wordt aangelegd in de openbare ruimte. Voor de vier aaneengesloten woningen worden eveneens 2 parkeerplaatsen per woning aangelegd. Verder worden er in de openbare ruimte 12 parkeerplaatsen ten noordoosten van de vijf seniorenwoningen aangelegd. Hier is het mogelijk om laadpalen te plaatsen voor het laden van elektrische auto's. In totaal worden er 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.
Zorgcomplex/ kinderdagverblijf
In dit deelgebied worden 38 parkeerplaatsen aangelegd (waarvan drie algemene parkeerplaatsen voor mindervaliden), zodat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden aangelegd. Bij enkele parkeerplaatsen worden ook oplaadpunten voor elektrische auto's geplaatst.
Bij uitwerking van de bouwplannen dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeerkencijfers. In artikel 12.1 (parkeerregeling) van het bestemmingsplan wordt dit geborgd.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' (afgekort NOVI) vastgesteld. De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden.
In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten
De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Drie afwegingsprincipes
Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn:
Relatie tot het bestemmingsplan
In de uitwerking van prioriteit 3 'Sterke en gezonde steden en regio's' is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk wil het rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in woningbouw, kleinschalig zorgcomplex en kinderdagverblijf in een bestaand bebouwingslint.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Door de (thans 14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.
Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
De belangrijkste motiveringsplichten van de Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. Bij het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt het volgende geconstateerd:
Ad behoefte
De behoefte aan 14 nieuwe woningen wordt aangetoond in de paragrafen 4.2.2 en 4.3.2. De invulling van het plangebied met deze woningen voor de doelgroepen doorstromers en senioren sluit goed aan bij de provinciale en gemeentelijke ambitie, waarbij gestreefd wordt naar duurzame woningen nabij de woonkern. De gewenste ontwikkeling voldoet aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. Eveneens is er behoefte aan een kleinschalig zorgcomplex en kinderdagverblijf.
Ad bestaand stedelijk gebied
Bestaand stedelijk gebied wordt in de Bro gedefinieerd als 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied ligt nabij de dorpsrand van de bebouwde kom van Waddinxveen. De ontwikkeling van het plangebied naar 'Wonen' met 14 woningen en 'Maatschappelijk' met een zorgcomplex en kinderdagverblijf is in lijn met het Masterplan Glasparel+ en de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050. Aan de Plasweg moet volgens Masterplan Glasparel+ namelijk ruimte worden geboden aan ruim opgezette kavels die ingevuld worden met vrijstaande woningen, twee-onder-één-kap woningen en rijtjeswoningen, zodat de identiteit van de Plasweg behouden blijft. De ontwikkeling levert vanuit de verstedelijkingsladder geen belemmeringen op.
Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De woningen, zorgvoorziening en het kinderdagverblijf zijn in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.
Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2023 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.
De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities:
In het Omgevingsprogramma Zuid-Holland zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden.
Verstedelijking en wonen
De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen.
Bouwen naar behoefte
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Bouwen binnen bestaand bebouwd gebied speelt in op de behoefte aan binnenstedelijk wonen. De provincie wil dat de Ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied.
Regionale Realisatieagenda Midden-Holland
Om de druk op de woningmarkt te verminderen, hebben provincie Zuid-Holland en het Rijk in oktober 2022 samenwerkingsafspraken gemaakt over het bouwen van 235.000 woningen in Zuid-Holland in de periode 2022 tot en met 2030. In de Regionale Realisatieagenda Midden-Holland zijn afspraken gemaakt over de doelstellingen die gelden voor de regio Midden-Holland. Daarin is opgenomen dat in de periode 2022 ten met 2030 circa 20.000 nieuwbouwwoningen moeten worden toegevoegd.
Regionale woonvisie
Gemeenten stellen in regionaal verband woonvisies vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Gemeenten en provincie spreken in gezamenlijkheid af welke uitgangspunten en randvoorwaarden voor de woonvisie gelden. De woonvisie bevat tenminste een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve woonopgave op korte en lange termijn en een onderbouwing van de behoefte die regionaal is afgestemd.
Voor Midden-Holland betreft: dit heet de Regionale Agenda Wonen (RAW). De RAW schetst de bovenlokale opgaven op het gebied van wonen die in de lokale woon(zorg)visies worden ingevuld. De RAW vormt het kwalitatieve en kwantitatieve kader voor en de onderbouwing van het door de regio op te stellen Regionale Projectenlijst Woningbouw (RPW) Midden-Holland en de beoordeling daarvan door de provincie. Zie hiervoor verder paragraaf 4.3.2.
Omgevingskwaliteit
Verbetering omgevingskwaliteit
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening.
Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid die zij van provinciaal belang acht. De 12 opgaven zijn: landschap en cultuurhistorie, gezondheid en veiligheid, natuur en recreatie, ruimte en verstedelijking, wonen, bodem en ondergrond, cultuurparticipatie en bibliotheken, klimaatadaptatie, zoetwater en drinkwater, bereikbaarheid, regionale economie en energievoorziening.
Kwaliteitskaart
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming.
De Laag van de ondergrond (eerste laag) maakt het plangebied onderdeel uit van een 'Veencomplex - Oude zeeklei'. Deels heeft het gebied een bijzonder reliëf en aardkundige waarden. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Dit is terug te zien in het landschap.
In de Laag van cultuur- en natuurlandschappen ligt het plangebied in een droogmakerij (klei) (figuur 8). Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Als richtpunt voor droogmakerijen (klei) geldt dat nieuwe ontwikkelingen worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van doorzichten. Voorts grenst het plangebied aan de Plasweg langs een polderlint. De bebouwing ligt op één niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
Op de Laag van de stedelijke occupatie ligt het plangebied in een rand van het glastuinbouwgebied van Glasparel+ (figuur 8). Als richtpunt geldt onder andere dat ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Daarnaast is de Provincialeweg (Vredenburghlaan) als zodanig opgenomen. Deze weg is inmiddels ten noordoosten van het plangebied gerealiseerd.
Op de Laag van de beleving ligt ten noordwesten van het plangebied de ecologische hoofdstructuur van Natuurnetwerk Nederland. Aan de overzijde van de Plasweg ligt een 'Recreatiegebied'. Het plangebied zelf niet maakt hiervan geen onderdeel uit.
Figuur 8: Links uitsnede 'Laag van de Cultuur- en natuurlandschappen' en rechts 'Laag van de
stedelijke occupatie' van de Kwaliteitskaart.
Toetsing aan Omgevingsvisie en kwaliteitskaarten
Deze planontwikkeling maakt 14 woningen, een kleinschalig zorgcomplex en kinderdagverblijf mogelijk. De woningen, het zorgcomplex en kinderdagverblijf sluiten aan op het bestaande bebouwingslint aan de Plasweg. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur, en het recreatiegebied worden niet aangetast, omdat het plangebied hierbuiten ligt. De nieuwe ontwikkelingen voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar wonen en zorg. Hiermee kunnen nieuwe gewenste ontwikkelingen op de juiste plek worden gerealiseerd.
Conclusie
De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie. Het toevoegen van 14 woningen, een zorgvoorziening en kinderdagverblijf is in overeenstemming met de opgaven wonen, ruimte en verstedelijking. De richtpunten zijn niet in het geding. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale woningbehoefte en wordt als zodanig opgenomen in de RPW. In paragraaf 4.3.2 en 4.4.2 wordt hierop nader ingegaan. Een zorgvoorziening en kinderdagverblijf zijn al mogelijk gemaakt in het geldende bestemmingsplan, waarmee Gedeputeerde Staten eerder hebben ingestemd. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de provinciale Omgevingsvisie.
Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. De geconsolideerde versie is op 1 april 2023 in werking getreden. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II.
In lid 3 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking
Dit bestemmingsplan maakt een ontwikkeling van 14 woningen, een zorgvoorziening en kinderdagverblijf mogelijk nabij de dorpsrand in een bestaand bebouwingslint. Voldaan wordt aan de Ladder zoals beschreven in paragraaf 4.3.2. Deze herontwikkelingslocatie is in overeenstemming met de Ladder. De ontwikkeling sluit aan bij de lintbebouwing langs de Plasweg. Dit plan wordt opgenomen in het woningbouwprogramma voor de Regio Midden-Holland en is hiermee passend binnen de Regionale Agenda Wonen. Een zorgvoorziening en kinderdagverblijf is al door middel van een uitwerkingsplicht mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan.
Ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 6.9, lid 5 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan c.a. wijzigingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
In artikel 6.9, lid 8 is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, ontwikkelingen mogelijk kan maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a.
Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
Het plangebied maakt op kaart 14 in bijlage II onderdeel uit van het buitengebied. De planlocatie ligt aan het lint van de Plasweg tevenover de 'Hoeve Vredenburgh'. De openheid en het groene karakter van het landschap wordt niet aangetast, omdat de bebouwing aansluit bij al gerealiseerde woningen enerzijds en in het plangebied al bebouwing voor maatschappelijke voorzieningen mogelijk is in het vigerende bestemmingsplan anderzijds. Het plan is getoetst aan de relevante richtpunten.
Linten
Sprake is van braakliggend terrein dat al is bestemd voor 'Gemengd - uit te werken' waar maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan. Gezocht is naar een passende vervolgfunctie met behoud van de aanwezige lintstructuur. De lintbebouwing krijgt een kwaliteitsimpuls. De historische gaafheid van het lint langs de Plasweg wordt gerespecteerd met een knipoog naar de tegenover gelegen 'Hoeve Vredenburgh'. Rekening wordt gehouden met cultuurhistorische kwaliteiten van zowel het lint als geheel, als van de individuele bebouwing. Maatschappelijke voorzieningen zijn al mogelijk op grond van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat sprake is van ‘inpassing’. In paragraaf 3.3 (beeldkwaliteit) is de verbetering van de landschappelijke kwaliteiten beschreven. Resumerend is er per saldo sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De historische gaafheid van het lint wordt gerespecteerd.
Droogmakerij
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'droogmakerij (klei)'. Als richtpunt wordt aangehouden dat nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. In dit geval is sprake van een ontwikkeling met wonen en zorg overeenkomstig het masterplan voor 'Glasparel+'. De ruimtelijke kwaliteit wordt hierdoor opgewaardeerd. De situering houdt rekening met de bestaande ontginningslijn van de Plasweg. Deze ontwikkeling draagt dan ook bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit.
Resumerend is er per saldo sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De historische gaafheid van het lint wordt gerespecteerd. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing'. De ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten van het gebied worden per saldo verbeterd. De richtpunten voor lint en droogmakerij zijn niet in het geding.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In artikel 6.24, lid 1 is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden binnen Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Natuurnetwerk Nederland’, geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Op grond van de toelichting van de Omgevingsverordening behoren bestaande bebouwing, erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding (inclusief bermen) niet tot het NNN.
Toetsing aan NNN
Het plangebied ligt ten zuidoosten van NNN, zoals aangeduid in figuur 9. De vervolgfunctie naar 'Wonen' en 'Maatschappelijk' heeft geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Het NNN wordt hierdoor niet aangetast. Het is niet noodzakelijk een compensatieplan op te stellen specifiek voor dit bestemmingsplan.
Figuur 9: Omgevingsverordening Kaart 14 'Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën'.
Recreatiegebied
De provincie vindt het van belang dat de behoefte aan recreatieve ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied wordt onderbouwd en regionaal afgestemd. De Vredenburghzone is één van de gebieden die als recreatiegebied is aangeduid. De planontwikkeling zelf ligt deels naast de aanduiding 'Recreatiegebied' in beschermingscategorie 2 (Kaart 14 ruimtelijke kwaliteit en beschermings- categorieën) zoals genoemd in artikel 6.9b van de Omgevingsverordening (figuur 8). Op grond van artikel 6.9, lid 9 is inpassing en aanpassing toegestaan. De richtpunten zijn niet in het geding.
Risico's van klimaatverandering
In paragraaf 6.2.8a (toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen) is in artikel 6.27a opgenomen dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag, b. overstroming, c. hitte en d. droogte, alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling.
Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 4.4.4 (duurzaamheid) wordt nader ingegaan op welke wijze met risico's van klimaatverandering
is omgegaan.
Conclusie
De planontwikkeling naar wonen en maatschappelijke voorzieningen is vanuit een goede ruimtelijke ordening een passende vervolgfunctie. Over de woningbouw heeft regionale afstemming plaatsgevonden met de Regio Midden-Holland. De planontwikkeling wordt opgenomen in de Regionale Agenda Wonen. Voldaan wordt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met de ontwikkeling met maatschappelijke functies hebben Gedeputeerde Staten al eerder ingestemd in het kader van het bestemmingsplan 'Glasparel+', waarin het plangebied is bestemd voor 'Gemengd - uit te werken'. Er is geen strijd met de provinciale belangen. Resumerend kan worden geconcludeerd dat:
Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.
De provincie Zuid-Holland heeft voor Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen. Dit gebiedsprofiel is op 16 december 2014 vastgesteld.
Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.
Ontstaansgeschiedenis
In de 19e eeuw werd de Zuidplas drooggelegd. De drooglegging startte met de aanleg van de 23 kilometer lange, U-vormige ringvaart. Maar liefst 30 molens en twee stoomgemalen werden ingezet om de Zuidplas leeg te malen, via de ringvaart naar de Oude IJssel. De Zuidplaspolder werd ruimtelijk ingedeeld volgens een gridpatroon met een raster van 800 x 800 meter. Dit grid werd verder verfijnd aan de hand van een rationeel verkavelingspatroon met kavels van 40 x 800 meter. Het rechthoekige netwerk van wegen, tochten en kavels is georiënteerd op de lijn tussen de kerken van Moerkapelle en Moordrecht.
De polder wordt begrensd door de Kleikade in Waddinxveen en een U-vormige ringvaart. De dorpen liggen aan de ringvaart. Overige bebouwing is van oorsprong gekoppeld aan de linten. Deze vormen ook nu nog belangrijke structuurdragers, maar voor het huidige gebruik zijn ze vaak te krap gedimensioneerd. Grofweg tussen de A12 en A20 bevindt zich een complex van kreekruggen waarvan het reliëf nog zichtbaar is. De Zuidplaspolder is strategisch gelegen in de Randstad en staat onder grote ontwikkelingsdruk. Dit uit zich in stedelijke uitbreiding van de dorpen, ontwikkeling van bedrijventerreinen en glastuinbouw, doorsnijdende infrastructuur en een toenemende versnippering.
Project Zuidplaspolder
In het project Zuidplaspolder is in een gezamenlijk gebiedsproces gewerkt aan een integrale ontwikkeling van de Zuidplas. In paragraaf 4.3.1 wordt hierop ingegaan. De nieuwe ontwikkelingen moeten aansluiten op de bestaande structuren en cultuurhistorische waarden. Er wordt ruimte gegeven aan een mix van functies, gestuurd op landschappelijke inpassing. De gebiedspartijen hebben in 2008 de ruimtelijke en milieutechnische ambities voor de gebiedsontwikkeling vastgelegd in het Handboek Kwaliteit Zuidplaspolder dat is geactualiseerd in het Ambitiedocument Kwaliteit Zuidplaspolder (2014).
Ambities
De onderliggende verkavelingsstructuur van agrarisch landschap met zeer rationeel verkavelingspatroon vormt de basis voor de ambities van het gebied. De restanten nog open polderlandschap brengen openheid en rust en vormen zo een bijzondere kwaliteit die gekoesterd zou moeten worden. Daarnaast vormt het verkavelingspatroon met zijn verschillende richtingen, maat en schaal de logica van het landschap. Bij het ordenen van ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied moet daarom de verkavelingstructuur als uitgangspunt worden genomen. Versterking van de hoofdstructuur van de polder is mogelijk, waardoor er ruimte is voor een gevarieerde ontwikkeling. De linten vormen hiertoe belangrijke structuurdragers van de polder. Deze kunnen worden benut en uitgebouwd als landschappelijk raamwerk voor nieuwe ontwikkelingen.
De hier relevant zijnde ambitie voor de droogmakerij is dat de bebouwing gekoppeld blijft aan de linten. Erven worden groen ingepast. Nieuwe ontwikkelingen zijn passend bij de grote maat en rationele opzet van de droogmakerij. Het lint dient als structuurdrager van de hoofdstructuur te worden versterkt. Eenheid en de typerende opbouw van de polder dient herkenbaar te worden gehouden.
Toetsing planontwikkeling aan Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas
Het kenmerkende landschap van het lint is nog altijd herkenbaar rond de locatie, maar niet meer zo sterk bepalend door de vele, vooral infrastructurele, ingrepen, zoals de gerealiseerde bovenlokale infrastructuur (Vredenburghlaan). Het contrast tussen het nieuwe bedrijvenlandschap (Glasparel+) en behoud van het lint zorgt ervoor dat deze structuurdrager beleefbaar blijft (het lint blijft het lint).
Als buffer tussen de nieuwe bedrijvigheid en glastuinbouw met (de woningbouwuitbreiding van) Waddinxveen is de groene Vredenburghzone gepland. In het vrijetijdslandschap is dit gebied evenwel niet nader uitgewerkt.
Onderhavige ontwikkeling levert een bijdrage aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud van de lintstructuur, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling). De uitbreiding van de lintbebouwing aan de Plasweg biedt meerwaarde voor de omgeving. Rekening wordt gehouden met de tegenover gelegen 'Hoeve Vredenburgh' door een hoeve-model aan te houden in het plangebied. Bestaande kwaliteiten worden hierdoor opgewaardeerd.
Conclusie
Deze planontwikkeling is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas, omdat de ontwikkeling een bijdrage levert aan het behouden en/of versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het cultuurhistorisch waardevolle lint.
Het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (ISP) is een gezamenlijk plan van thans de drie Zuidplas gemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas. Het ISP is onder bestuurlijke regie van de Stuurgroep driehoek RZG tot stand gekomen, dat wil zeggen in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Het ISP is een uitwerking van de vastgestelde Interregionale Structuurvisie (2004). Het plan geeft inzicht over de ontwikkelingen in de Zuidplas tot 2030, waarbij het accent ligt op de periode 2010-2020. Het streven is om het ISP binnen deze periode in fasen uit te werken en uit te voeren. Het ISP is voor de gemeenten in de Zuidplas de basis voor het ruimtelijk beleid. De gemeentebesturen moeten zich bij het maken van bestemmingsplannen houden aan wat in het ISP staat. Voor burgers en organisaties komen uit het ISP geen juridisch bindende gevolgen voort. Dat gebeurt pas na de vaststelling van bestemmingsplannen. Aan het ISP kunnen dan ook door burgers en bedrijven niet direct rechten worden ontleend. Het ISP is door de gemeenteraad van Waddinxveen op 1 februari 2006 vastgesteld.
Het ISP omvat:
Het plangebied Zuidplas bestaat globaal uit de Zuidplaspolder, de bovenlanden langs de Hollandsche IJssel, de Eendragtspolder, de Tweemanspolder, Polder de Wilde Veenen en een zone ten westen van Waddinxveen. Het betreft het grondgebied van de Zuidplasgemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas.
De belangrijkste richtinggevende uitspraken voor het ruimtelijk beleid in de Zuidplas, zoals geformuleerd in de Interregionale Structuurvisie (vanuit de lagenbenadering) zijn voor zover betrekking op het noordelijke gebied:
Conclusie
De plankaart kent drie lagen: 'groenblauw casco', 'infranetwerk' en 'occupatie'. Het plangebied is hierin aangeduid als 'lintzone' langs de Plasweg in een groene zone. Het plangebied is geel gearceerd aangeduid op de plankaart (figuur 10). De bestemmingswijziging naar wonen en maatschappelijke voorzieningen in het bebouwingslint van de Plasweg is in overeenstemming met de uitgangspunten van het ISP.
Figuur 10: Plankaart ISP. Plangebied geel gearceerd aangeduid.
Midden-Holland is een aantrekkelijke woonregio waar belangrijke waarden met betrekking tot wonen, werken, ondernemen en recreëren van groot belang worden geacht voor de ontwikkeling van de Randstad als geheel. Met een centrale ligging in het (internationale) handelsnetwerk en bedrijvigheid is de regio een goede vestigingsplek voor huishoudens. Ook door de ligging nabij de regio’s Utrecht, Holland Rijnland en de metropoolregio Rotterdam – Den Haag. De kwaliteiten van de centrale ligging worden versterkt doordat de regio goed bereikbaar is met zowel openbaar vervoer als auto, bijvoorbeeld dankzij het Hoogwaardig Openbaar Vervoersnetwerk (HOV) in combinatie met de A12 en de A20. Het unieke landschap en het erfgoed in de regio maakt Midden-Holland tot een fijne plek om te wonen. Ook door een variatie in woonmilieus zoals stedelijke of dorps/landelijk wonen. Mensen hebben wat te kiezen.
Regionale samenwerking rond wonen in de regio Midden-Holland is wenselijk vanwege de sterke samenhang in de woningmarkten in dit gebied. De samenwerkende gemeenten ambiëren een actuele, kwalitatieve en toekomstbestendige woonagenda voor een goed functionerende woningmarkt op lokaal en regionaal niveau. Die ambities zijn verwoord in de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2019. Deze agenda beoogt bij te dragen aan versterking van de kwaliteiten van de woonmilieus in de verschillende delen van de regio, aansluitend bij de behoefte aan woningen.
De woonagenda is ook bedoeld om ontwikkelende partijen duidelijkheid te geven over wat de gewenste soorten woningen zijn en zo te stimuleren dat de juiste plannen gerealiseerd worden. Dit in goede samenwerking met ontwikkelende partijen zoals woningcorporaties, commerciële marktpartijen en zorgpartijen. In de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2019 is een vijftal belangrijke gezamenlijke thema’s geformuleerd:
Per thema is de regionale ambitie beschreven, aangevuld met een actielijst als eerste aanzet voor een uitvoeringsprogramma. De praktijk van de woningmarkt vraagt flexibiliteit en bewegingsruimte binnen gedeelde kaders en drie opgaven die prioriteit moeten krijgen. In de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2019 leggen de gemeenten de nadruk op tempoversnelling in de productie, een knellende mismatch tussen vraag en aanbod voor een aantal groepen op de woningmarkt. De derde opgave is die van onderscheidende woonmilieus. Elk woongebied in de regio kent een eigen karakter. De profielen tezamen geven de breedte van het aanbod van woningen in de regio Midden-Holland weer. De Regionale Agenda Wonen vormt het vertrekpunt voor een nieuwe, flexibeler methodiek voor de regionale afstemming van woningprogrammering en uitvoeringsprogramma. De Regionale Agenda Wonen is complementair aan lokale woonvisies.
Waddinxveen
Waddinxveen is sinds de jaren '80 uitgegroeid van een dorpskern langs de Gouwe naar een middelgrote gemeente met de daarbij behorende voorzieningen. De ligging langs de A12 Utrecht – Den Haag is daarvoor belangrijk. Daarnaast heeft Waddinxveen drie treinstations aan een hoogwaardig openbaar vervoersnetwerk. Aan de zuidwestzijde van de oude dorpskern is een nieuw centrum gerealiseerd. Zuidelijk daarvan is de woonwijk Park Triangel in aanbouw. Waddinxveen kent veel laagbouw, met aan de zuidrand een dorps en soms luxer woonmilieu. Het luxe woonmilieu is een onderscheidend aanbod, dat verder grotendeels ontbreekt in de regio.
Regionale afstemming
Als uitwerking van de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland geeft de Regionale Projectenlijst Woningbouw (RPW) inzicht in de actuele woningbouwplannen met 10 en meer nieuwbouwwoningen van de gemeenten in de regio Midden-Holland. In de regio moet afstemming plaatsvinden over de projecten in de RPW. Daarna dient de RPW te worden aangeboden aan de provincie Zuid-Holland. Na akkoord door de provincie is voor de plannen die zijn opgenomen in de RPW de eerste stap van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking doorlopen. Eind 2023 zal de nieuwe, geactualiseerde 'RPW 2024' worden aangeboden aan de provincie Zuid-Holland. De 14 woningen worden in de RPW 2024 opgenomen met het verzoek om aanvaarding.
Conclusie
De nieuwbouw van 14 woningen in de middendure en de dure koopsector levert een bijdrage aan het voorzien in de vraag naar woningen in Waddinxveen voor de doelgroep doorstromers en senioren. Er is sprake van een woningbouwproject van 10 of meer woningen, zodat het plan regionaal wordt afgestemd, waarna de 14 woningen kunnen worden opgenomen in de RAW/RPW. Hierna past het plan binnen de regionale woningbouwafspraken en de Regionale Agenda Wonen. De (zorg)voorzieningen spelen in op de groeiende behoefte naar dit soort instellingen.
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 12 oktober 2022 de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 vastgesteld. Bij het opstellen van de omgevingsvisie zijn inwoners, bedrijven en andere organisaties betrokken.
Waarom een Omgevingsvisie?
Waddinxveen is in de afgelopen jaren flink gegroeid. Er wonen nu met meer dan 31.000 mensen in de gemeente. Tot 2050 wordt er (vanwege de lopende nieuwbouwprojecten) een flinke groei van de bevolking verwacht ten opzichte van 2020. Dit betekent nog al wat. Er zijn voldoende passende, betaalbare en toekomstbestendige woningen nodig. Om niet in de knel te komen met de maatschappelijke voorzieningen (zoals onderwijs, sport en zorg) of te maken te krijgen met vastlopend verkeer, is het van belang om goed na te denken over hoe Waddinxveen er in de toekomst uit moet zien. Hoe biedt de gemeente ook over 20 tot 30 jaar een mooie en prettige omgeving om te wonen, werken en onze vrije tijd door te brengen?
Tegelijkertijd wil de gemeente de natuur en biodiversiteit beschermen en herstellen terwijl we blijven recreëren in het landschap. Ook heeft de gemeente een grote klimaatopgave waar zij zich hard voor wil maken. Daarnaast veranderen de maatschappelijke verhoudingen en de rol van de overheid. Inwoners en bedrijven nemen steeds vaker zelf het initiatief om maatschappelijke en economische vraagstukken op te pakken. De vraagstukken zijn groot en kunnen niet los van elkaar gezien worden. Ze vragen samen meer ruimte dan zomaar beschikbaar is. De koers hiervoor wordt uitgezet in de omgevingsvisie.
Ambities voor de toekomst
De ontwikkeling van Waddinxveen heeft zich altijd gekenmerkt door een krachtdadige houding ten opzichte van de omstandigheden van haar omgeving. De historie laat zien dat het landschap van Waddinxveen altijd is veranderd door - en naar de hand is gezet van - haar inwoners, om in te spelen op de ontwikkelingen die op haar afkwamen. Ook nu komen er grote ontwikkelingen op haar af. En ook nu moet de gemeente, net als in het verleden, de moed hebben om ingrijpende keuzes te maken. Zo kan de brug (tegen wil en dank toch medebepalend voor de identiteit van Waddinxveen) worden geslagen tussen verleden en toekomst, tussen stad en land, tussen landschappen (hoog en laag, nat en droog) en tussen mensen onderling.
Het credo 'Waddinxveen; bruggen bouwen richting de toekomst' wordt verder uitgewerkt langs drie pijlers: 'Veelzijdig polderlandschap', 'Goed leven tussen stad en land' en 'Innovatieve knoop aan de Gouwe'. De belangrijkste ruimtelijke ingrepen zijn weergegeven op de integrale visiekaart Waddinxveen 2050 (figuur 11). De arceringen en icoontjes op de kaart zijn indicatief en de locaties liggen nog niet overal vast.
Figuur 11: Integrale visiekaart Waddinxveen 2050.
Koers per deelgebied
Op basis van de algemene koers, die voor de gemeente als geheel geldt, is per specifiek deelgebied een koers beschreven. Hierbij worden de gewenste gebiedskwaliteiten benoemd en zoveel mogelijk concrete ontwikkelingen. Waar relevant geeft de gemeente aan of kleinere locaties in dat deelgebied nog een afwijkende opgave hebben. De volgende deelgebieden worden onderscheiden:
Glastuinbouwgebieden (Bedrijvigheid)
Het glastuinbouwgebied in Waddinxveen bestaat uit de Bredeweg (inclusief Glasparel) en de Van Dort Kroonweg. Glasparel+ is in ontwikkeling. De glastuinbouw is hoofdverbruiker van het aardgas in Waddinxveen. Met behulp van Warmte Kracht Koppeling (WKK) installaties wordt het aardgas omgezet in warmte voor het verwarmen van de kas, elektriciteit voor de verlichting van de kas en CO2 voor de groei van de planten. Het deelgebied Bredeweg bestaat uit relatief nieuw glas met middelgrote tot grote bedrijven en relatief veel bloementeelt. Ook de verkaveling is redelijk tot goed. In de Glasparel is nog zo'n 70 hectare beschikbaar voor glastuinbouwontwikkeling (bestemd maar nog niet gerealiseerd glas). Een deel daarvan is in beeld als alternatieve locatie voor te verplaatsen bedrijven vanuit de Noordkade (vanwege de transformatie naar woon-werkgebied).
Toetsing planinitiatief
Het plangebied ligt in het bebouwingslint tussen de Plasweg en de ecologische verbindingszone met aansluitend het bedrijvenlandschap van Businesspark Vredenburgh. Op de visiekaart maakt het plangebied onderdeel uit van een bestaand lint (figuur 12). Het plangebied zelf is niet specifiek beschreven in één van de deelgebieden. Het betreft hier een uitwerking van de bestemming overeenkomstig het geldende bestemmingsplan met een zorgvoorziening en kinderdagverblijf, alsmede 14 woningen voor verschillende doelgroepen, passend in het bebouwingslint. Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. In paragraaf 4.4.4 wordt hierop ingegaan.
Conclusie
De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 heeft een hoog abstractieniveau, waarin ontwikkelingen niet op perceelsniveau zijn beschreven. De planontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. Deze nieuwbouw levert een bijdrage aan de gewenste gedifferentieerde woonmilieus en de vraag naar maatschappelijke voorzieningen.
Figuur 12: Uitsnede Kaart 'Bedrijventerreinen'
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 december 2022 de Woonzorgvisie Waddinxveen 2035 vastgesteld. Deze visie vervangt de Woonvisie 2018-2022 en bevat plannen en doelstellingen voor wonen (met zorg) voor de periode van 2023 tot 2035. De woonzorgvisie is richtinggevend voor de gemeente bij de ontwikkeling van Waddinxveen: voor nieuwbouw, voor de aanpassingen in de bestaande woningvoorraad en voor de leefbaarheid. Het vormt onder andere de grondslag voor prestatieafspraken tussen gemeente, woningcorporatie en huurdersorganisatie.
Bij de woonzorgvisie hoort een uitvoeringsprogramma waarin maatregelen zijn opgenomen om de woonzorgvisie uit te voeren voor de periode van 2023-2027. Dit is de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. Het college kan het uitvoeringsprogramma op ieder moment aanpassen wanneer er nieuwe maatregelen mogelijk en/of nodig zijn om (meer) doelen uit de woonzorgvisie te realiseren.
De woonzorgvisie gaat in op de duurzame huisvesting van de huidige en toekomstige inwoners, met of zonder een zorgvraag. De gemeente richt zich op de huizen die er al staan en op de nieuwbouwwoningen die nog moeten worden gebouwd. Zij beschouwt de visie als richtinggevend kompas, zonder dat het in beton gegoten is: ruimte voor flexibiliteit en creativiteit. De gemeente kijkt naar de hoeveelheid woningen die zij willen bouwen met oog voor de kwalitatieve kant. De gemeente wil dat de huizen betaalbaar, passend, toegankelijk en duurzaam zijn. Dat allemaal in een gezonde, schone en leefbare woonomgeving.
Deze woonzorgvisie is een nadere uitwerking – een programma – van het thema Wonen van de Omgevingsvisie. Het doel van deze woonzorgvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen (de woning en de woonomgeving) en de woningmarkt in Waddinxveen. Deze richting bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers die hier vorm aan geven.
Hoofddoelstelling: Prettig wonen voor iedereen
Waddinxveen kenmerkt zich door de ligging op het grensvlak van stad en platteland: zowel de zuidelijke Randstad als het Groene Hart liggen om de hoek. Het voorzieningenniveau is over het algemeen goed, de sociale cohesie is sterk, er is werkgelegenheid en de gemeente heeft een rijk verenigingsleven.
Waddinxveen is goed bereikbaar. De gemeente ligt binnen het HOV-net (Hoogwaardig Openbaar Vervoer) van de zuidelijke Randstad. Er zijn sinds 2018 drie treinstations en de A12 en A20 zijn vlakbij. Dit alles maakt Waddinxveen een aantrekkelijke woongemeente. De ambitie van de gemeente is dat iedereen die dat wil, op een prettige en geschikte manier moet kunnen wonen in Waddinxveen. De hoofddoelstelling is:
Om te zorgen dat iedereen prettig kan wonen, moet de woningvoorraad zo goed mogelijk aansluiten bij de woningbehoefte. Ouderen en kwetsbare inwoners die hulp nodig hebben bij het vinden van passende huisvesting of om toekomstbestendig te zijn, moeten worden ondersteund. Ook moet er een goede balans zijn tussen woningbouw, ruimte voor maatschappelijke voorzieningen en een groene, gezonde leefomgeving.
De hoofddoelstelling is uitwerkt in vier pijlers.
Pijler 1: Beschikbaarheid en betaalbaarheid
Passende huisvesting kan voor iedereen iets anders betekenen. Er moet variatie zijn in het woningaanbod, zodat ongeacht inkomen, leefstijl en huishoudenssamenstelling iedereen een geschikte woning kan vinden in Waddinxveen. De gemeente wil kwaliteit en diversiteit bieden, zowel qua woning als qua woonomgeving.
Voor sommige doelgroepen zijn onvoldoende woningen beschikbaar. Om deze doelgroepen te kunnen bedienen, zal de woningvoorraad moeten worden aangepast en aangevuld. Hierbij gaat het zowel om aanpassingen in de bestaande voorraad als om de toevoeging van nieuwbouwwoningen. Belangrijk is de bouw van levensloopgeschikte woningen. Dit zijn zelfstandige woningen die geschikt zijn (te maken) voor bewoning in alle levensfasen, met minimale fysieke inspanning en minimale kans op ongevallen. Levensloopgeschiktheid in nieuwe woningen is tot op zekere hoogte gewaarborgd via het Bouwbesluit.
Pijler 2: Wonen, zorg en welzijn
Prettig wonen hangt voor een groot deel samen met contact hebben met anderen en wordt ondersteund wanneer dat nodig is. Dit gebeurt steeds vaker in de eigen woning. Er moeten voldoende woningen beschikbaar zijn waarin dit kan, zowel in de bestaande voorraad als nieuwbouw. Ook de openbare ruimte en voorzieningen in de nabije omgeving kunnen ontmoeting en welbevinden stimuleren. Samenwerking met de samenleving en andere partners, zoals zorginstellingen, welzijnsorganisaties en scholen staat voorop.
Pijler 3: Duurzaamheid
Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen, bestaande woningen te verduurzamen en door bewustwording en gedragsverandering van bewoners, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan het voorkomen van uitputting van fossiele brandstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners.
Pijler 4 Leefbaarheid
Prettig wonen hangt voor een belangrijk deel samen met leefbaarheid. Iedereen moet zich prettig en veilig kunnen voelen in de eigen directe woonomgeving. De gemeente wil dat de woonomgeving bijdraagt aan de gezondheid van onze inwoners. In Waddinxveen is de leefbaarheid goed. Doel is om dit zoveel mogelijk op wijk- en buurtniveau in samenwerking met de bewoners te houden en in te zetten op de punten waar verbetering nodig is. Leefbaarheid is niet alleen fysiek. De gemeente wil dat de sociale cohesie in de buurten en wijken wordt bevorderd, zodat eenzaamheid kan worden voorkomen.
De pijlers zijn uitgewerkt in ambities. Hieronder is een opsomming van de ambities opgenomen.
"Ambitie pijler 1
Ambitie pijler 2
Ambitie pijler 3
Ambitie pijler 4
Uitvoeringsprogramma
In de woonzorgvisie staan de ambities van de gemeente voor de lange termijn. In het uitvoeringsprogramma is aangegeven welke maatregelen de komende jaren, 2023 tot en met 2027, worden genomen om de ambities uit de woonzorgvisie te realiseren.
Toetsing planinitiatief
Het woningbouwprogramma is in overeenstemming met de uitgangspunten in de Woonzorgvisie. Het plan wordt opgenomen in het (indicatieve) overzicht van woningbouwplannen Waddinxveen 2022-2030, zoals opgenomen in de bijlage van het uitvoeringsprogramma. Deze planontwikkeling bestaat uit:
De leefbaarheid van dit gebied wordt opgewaardeerd door woningen en voorzieningen te realiseren die qua uitstraling aansluiting zoeken bij de omgeving. Duurzaamheid wordt beschreven in paragraaf 4.4.4.
Conclusie
Het programma van 14 woningen, een zorgvoorziening en kinderdagverblijf is in overeenstemming met de vastgestelde uitgangspunten in de Woonzorgvisie en het uitvoeringsprogramma Woonzorgvisie Waddinxveen 2023-2027. Hierbij voldoet het plan aan de Maatregelen pijler 2 (wonen, zorg en welzijn) en wordt er middels een passend en gevarieerd woonaanbod ingezet op geclusterde woonvormen in het zorgdeel en in het woondeel middels seniorenwoningen waarin ouderen langer thuis kunnen wonen. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan het meerjarenprogramma woningbouw om voldoende woningen te realiseren voor de doelgroep doorstromers en zorg voor dementerenden en verstandelijk gehandicapten. Bij uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de ambitie om duurzame woningen en maatschappelijke voorzieningen te realiseren.
De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan acht beleidskaders om de ambities te realiseren. Zowel de beleidskaders als de maatregelen om de knelpunten te reduceren hebben als doel om de mobiliteitsambities te realiseren. De beleidskaders worden gebruikt in het integrale afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen.
Conclusie
De ontwikkeling met 14 woningen, een zorgvoorziening en kinderdagverblijf brengt ten opzichte van de bestaande planologische situatie een geringe verkeersaantrekkende werking met zich mee voor de Plasweg, Gerard Okkerseweg en Cornelis Broerweg. De nabij gelegen Piet Stuurmanweg dient voor ontsluiting van glastuinbouwbedrijven achter de Bredeweg, het businesspark Vredenburghzone en de woningen in 'de Warande'. Het bestaande wegennet kan deze toename verwerken. Het centrum van Waddinxveen en het rijkswegennet zijn uitstekend bereikbaar via de Vredenburghlaan (N457). Deze ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten van het Mobiliteitsplan.
De gemeenteraad heeft op 14 december 2022 de Woonvisie Waddinxveen 2035 vastgesteld. Het doel van deze Woonzorgvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Deze richting bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers die hier vorm aan geven. Pijler 3 heeft betrekking op duurzaamheid.
Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners.
In de duurzaamheidsvisie is een tweetal ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen opgenomen. Het gaat om het stimuleren van duurzame nieuwbouw en verduurzaming van de bestaande voorraad. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager.
Toetsing planinitiatief
Dit bestemmingsplan maakt 14 woningen, een zorgvoorziening en kinderdagverblijf mogelijk. De woningen en maatschappelijke voorzieningen worden niet meer aangesloten op het aardgasnet. De hoofdgebouwen worden voorzien van zonnepanelen. Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Voldaan wordt aan de eisen van de BENG. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht; warmteterugwinning vanuit ventilatie en vanuit douchewater; opvang en recyclen van regenwater.
De gemeente Waddinxveen heeft de Verdiepende studie Klimaatadaptatie en Biodiversiteit laten uitvoeren met een doorkijk naar het thema gezondheid. Het doel van deze verdiepende studie is om de opgaven van deze thema's voor de gemeente Waddinxveen duidelijk in beeld te brengen. De doelstelling van dit project is:
Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven.
De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van het rapport "Verdiepende studie klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid: Fase 1" van Royal Haskoning van 29 november 2022, welke burgemeester en wethouders op 13 december 2022 hebben vastgesteld.
Wateroverlast door overvloedige neerslag
In het plangebied is er op de Klimaatlabelkaart wateroverlast sprake van water op straat (meer dan 15 cm) bij maximaal 10-20% van de straten. De draagkracht van de bodem is niet optimaal. Naar verwachting is het risico voor waterschade bij een extreme bui kleiner dan op de huidige kaarten wordt getoond. Ondanks dat er geen wateroverlast wordt verwacht is in de specifieke gebruiksregels van het bestemmingsplan vastgelegd dat het verhard oppervlak van de tuinen bij woningen niet groter mag zijn dan 50%. Dit wordt geborgd in artikel 7.4.2 van de specifieke gebruiksregels. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het opvangen van (piek)buien. Verder wordt er in het plangebied groen aangelegd.
Overstroming
In het plangebied is er op de Klimaatlabelkaart waterveiligheid bij een waterdiepte van 0,5-2 meter lopen vitaal en kwetsbare functie een verhoogd risico op uitval. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er zijn verder geen maatregelen nodig.
Hitte
Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. De gevoelstemperatuur wordt als 'warm' aangemerkt op grond van de klimaatlabelkaart hitte. Nieuwe parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk groen aangelegd. Per woning wordt minimaal één boom geplant. Dit zorgt tevens voor schaduwwerking. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig om hittestress tegen te gaan.
Droogte
In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. De bodemdaling (2020-2050) is < 10 cm op grond van de klimaatlabelkaart bodemdaling. De woningen dalen niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen.
Biodiversiteit
De watergangen worden voorzien van een natuurlijk ingericht talud en worden gebruikt als waterbuffering. Aanplant van bomen en groenstructuur hebben naast de esthetische waarde ook een toegevoegde waarde voor de biodiversiteit en het microklimaat op het erf. Aan de voorzijde worden twee boomgaarden aangelegd met streekeigen bomen zoals kers, peer en/of appel. Deze zorgen tevens voor schaduwwerking, een verkoelend effect en voorkomt hittestress. Deze maatregelen dragen bij aan de bevordering van de biodiversiteit.
Natuur-inclusief bouwen
Initiatiefnemer heeft de intentie nieuwbouw te realiseren. In het beeldkwaliteitsplan staan maatregelen genoemd om natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen:
Wat betreft straatverlichting wordt geadviseerd om amberkleurige Led-verlichting te plaatsen die voornamelijk naar beneden gericht is. Dit om verstoring door licht voor foeragerende vleermuizen te vermijden. Voor het overige te treffen maatregelen wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan.
Conclusie
In de duurzaamheidsvisie is een tweetal ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen opgenomen. Het gaat om het stimuleren van duurzame nieuwbouw en verduurzaming van de bestaande voorraad. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager.
De woningen dn (zorg)voorzieningen worden duurzaam gebouwd overeenkomstig de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Zo worden de woningen en (zorg)voorziening en het kinderdagverblijf worden zonder gasaansluiting gerealiseerd. De isolatie-eisen zijn conform eisen van het Bouwbesluit.
Bij uitwerking van bouwplannen wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en natuur- inclusief bouwen overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.
Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027
Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen:
Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.
Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied.
Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten.
Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot:
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet:
Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012
De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren.
Toetsingscriteria
Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen:
1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m².
2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak.
3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak
Kleine plannen
Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.
Middelgrote plannen
Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m² wateroppervlak. Dit is een percentage van de verhardingstoename. De compensatie-eis verschilt per gebied.
Grote plannen (Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak)
Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Bij dergelijke plannen wordt het plangebied veelal grotendeels heringericht. Dit biedt mogelijkheden om systeemaanpassingen door te voeren. Het is daarom gewenst om de waterhuishouding in het gebied apart te beschouwen. HHSK zal daarom het watersysteem bij grote plannen apart doorrekenen.
Beschrijving watersysteem
Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. De aanvoersloten langs de Plasweg zorgen voor de aanvoer van water voor een groot gebied. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. De wateropgave binnen de bestaande wijken is inzichtelijk gemaakt in het Waterplan (februari 2010), dat gezamenlijk met de gemeente Boskoop is opgesteld. In de nabijheid van het plangebied ligt geen waterkering.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied ligt niet in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
Waterhuishoudkundige situatie
Het plangebied ligt in peilgebied GPG-834 (peilbesluit Zuidplaspolder) met een peil van -6,92m / -7,12m NAP. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 13. Langs de Plasweg ligt ten zuidwesten van de Gerard Okkerseweg een hoofdwatergang met een beschermingszone van 5 meter. Aan de noordoostzijde hiervan ligt overig water met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud. Bouwen of slopen binnen deze beschermingszone kan vergunning- of meldingsplichtig zijn volgens de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. In het plangebied vindt binnen deze beschermingszones geen bebouwing plaats. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
Figuur 13: Uitsnede Legger oppervlaktewatersysteem. Plangebied blauw gestippeld omkaderd.
Beschrijving waterkwantiteit
Het perceel is afgerond 1,65 ha groot. In de bestaande situatie is het perceel verhard met een ontsluitingsweg met aan weerszijden onbebouwd gebied. In de nieuwe situatie worden op kavel GG1 in totaal 14 woningen gerealiseerd met ontsluitingswegen. Op kavel GG2 wordt een kleinschalig zorgcomplex en kinderdagverblijf ontwikkeld.
Deze planontwikkeling is meegenomen in een eerder door het Hoogheemraadschap verleende watervergunning voor het project Glasparel+. Dit betekent dat voor het gebied Hoevezone al watercompensatie heeft plaatsgevonden.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Voor de nieuwe bebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen.
Afvalwaterketen en riolering
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Het hemelwater van de nieuwe bebouwing wordt op oppervlaktewater geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.
Het ontwerpbestemmingsplan is om advies voorgelegd aan het Hoogheemraadschap in het kader van de Watertoets,. De reactie van het Hoogheemraadschap is verwerkt in het bestemmingsplan. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen zijn er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.
Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook moet worden uitgevoerd als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst, te weten categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject, maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen (totaal 14 woningen) of bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² (totaal 3.800 m²) ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan.
Onderzoek/ beoordeling
Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.
Plan/besluit
Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van 14 woningen, een kleinschalig zorgcomplex en een kinderdagverblijf. Deze planontwikkelingen zitten qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken.
Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Bij de bouw van woningen en maatschappelijke voorzieningen wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de natuurlijke hulpbronnen hout, grond en baksteen. Deze hulpbronnen zijn niet schaars en kunnen gemakkelijk worden aangewend. Gelet op de tijdelijkheid van de bouwfase kan blijvende negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden. Bij de realisatie van het plan wordt bouwafval geproduceerd (o.a. beton, staal, hout, verf etc). Dit afval is eenmalig. Er is dus geen sprake van een continue productie van afval als gevolg van dit woningbouwproject. Het bouwafval wordt hergebruikt daar waar mogelijk. Het overige afval wordt afgevoerd naar de daarvoor bestemde milieudepots (bijvoorbeeld Milieustraat). Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde planontwikkeling.
Het plangebied is niet van archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. De woningen en maatschappelijke voorzieningen liggen buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Broekvelden - Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 8,8 km ten oosten van het plangebied. Het Natura2000 gebied 'Nieuwkoopse Plassen & de Haeck' ligt op een afstand van circa 11,5 kilometer. Deze planontwikkeling ligt niet binnen de invloedssfeer van deze Natura 2000-gebieden voor wat betreft stikstofdepositie. Dit onderdeel is beschreven in paragraaf 6.3.
Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.
Conclusie
Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkelingen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zullen hebben.
Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld.
Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype.
| Milieucategorie | Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied | Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied maakt een planontwikkeling met 14 woningen, een kleinschalig zorgcomplex en kinderdagopvang mogelijk in het verlengde van reeds gerealiseerde lintbebouwing aan de Plasweg. Schuin aan de overzijde van de Plasweg is een grond-, weg- en waterbouwbedrijf gevestigd. Aan de noordoostzijde ligt de Vredenburghlaan (N457). Aan de overzijde van deze laan ligt aan de Plasweg 24/26 een paardenhouderij annex -pension. Aan de achterzijde ligt een ecologische verbindingszone van 50 meter breed met aansluitend glastuinbouwbedrijven en Businesspark Vredenburgh. De locatie kan worden aangemerkt als een gemengd gebied.
Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor de geplande woningen. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn.
Bedrijventerrein Glasparel+
In de nabijheid van het de plangebied wordt Businesspark Vredenburgh van Glasparel+ aangelegd. Op dit bedrijventerrein zijn agri-business gerelateerde activiteiten tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan, waaronder mogelijk twee biomassacentrales (figuur 14). Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter voor gemengd gebied. De afstand tussen de nieuwe woningen/zorgcomplex en dit bedrijventerrein is minimaal 60 meter. De geplande biomassacentrales liggen op minimaal 120 meter afstand. Hierover kan het volgende worden opgemerkt.
Biomassacentrales
De gemeente Waddinxveen heeft een onderzoek naar luchtkwaliteit laten uitvoeren door Adviesbureau Tauw (rapport van 26 november 2019). In dit rapport is ook geur onderzocht die vrijkomt bij biomassacentrales, waaronder een (nog) geplande centrale aan de Polderweg. In paragraaf 6.1.5 wordt ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. De afstand tussen de biomassacentrale en woningen/ zorgvoorziening en kinderdagverblijf is zodanig dat de richtafstanden worden gerespecteerd, zodat voor geuroverlast niet hoeft te worden gevreesd. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met inachtneming hiervan zijn er vanuit het oogpunt van industrielawaai geen beperkingen.
Figuur 14: Uitsnede plankaart bestemmingsplan Glasparel+ met in rood aangegeven de contouren van
de nieuwe regionale infrastructuur (Vredenburghlaan).
Grond-, weg- en waterbouwbedrijf aan Plasweg 26a
Aan de Plasweg 26a is Joh. van Herk Aannemingsmaatschappij B.V. gevestigd. Op deze locatie vindt voornamelijk opslag van materieel plaats. Het bedrijf valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Het bedrijf ligt achter het bebouwingslint met aan de voorzijde een grasveld. De afstand van de dichtstbijzijnde woning tot het buitenterrein van het bedrijf bedraagt circa 33 meter, zodat wordt voldaan aan de richtafstand. Het bedrijf wordt niet beperkt in haar bedrijfsvoering, omdat het op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer nu ook al rekening moet houden met de plattelandswoning aan de Plasweg 28 en een woning tegenover de inrit aan de Cornelis Broerweg 2. Andersom geredeneerd blijft er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woning.
Bedrijfsverzamelgebouw achter woningen Plasweg 41 en Polderweg 2
De gemeenteraad heeft op 23 februari 2022 een bestemmingsplan vastgesteld om twee bedrijfsverzamelgebouwen mogelijk te maken achter de Plasweg 41 en Polderweg 2. De toegestane bedrijven vallen in milieucategorie 2. Hiervoor dient een richtafstand van 10 meter te worden aangehouden voor gemengd gebied. De afstand tussen de bestemming 'Bedrijf' en het dichtstbijzijnde bouwvlak van het zorgcomplex bedraagt minimaal 90 meter, zodat wordt voldaan aan de richtafstand. Mitsdien kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Andersom geredeneerd geven de woningen geen beperkingen voor de bedrijfsactiviteiten.
Glastuinbouwbedrijven
Activiteitenbesluit
Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het zogenaamde Activiteitenbesluit) is onder andere van toepassing op glastuinbouwbedrijven. In het Activiteitenbesluit zijn minimale afstanden genoemd, waarbij rekening moet worden gehouden bij een functiewijziging van nabijgelegen milieugevoelige activiteiten (tabel 6.2).
Tabel 6.2: Minimale afstanden landbouwbedrijven
| Inrichting waar landbouwhuis- dieren worden gehouden | inrichting waar geen landbouwhuis- dieren worden gehouden | |
| minimum afstand binnen de bebouwde kom | 100 m | 50 m |
| minimum afstand buiten de bebouwde kom | 50 m | 25 m |
Toetsing bedrijven aan Activiteitenbesluit
Bij het toelaten van nieuwe gevoelige functies bij bestaande glastuinbouwbedrijven dient rekening te worden gehouden met een afstandsnorm van 25 meter, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. De afstand tussen de glastuinbouwbedrijven aan de Piet Stuurmanweg en de nieuwe woningen is minimaal 60 meter, zodat deze bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
Lichthinder
Het bouwvlak waarbinnen de beoogde woningen worden gebouwd ligt op circa 90 meter afstand van het bouwvlak van de kassen behorend bij de glastuinbouw. Assimilatieverlichting of assimilatiebelichting is de toepassing van kunstlicht voor de plantengroei en wordt toegepast in de tuinbouw. Het is een aanvulling op zonlicht, waardoor de planten langer kunnen assimileren (= productie van glucose in de plant, ten behoeve van het groeiproces). Vooral in de wintermaanden geeft assimilatiebelichting een betere kwaliteit zowel bij groenten als siergewassen. Door toepassing van assimilatiebelichting treedt er, als het donker is, lichtvervuiling op door de uitstraling van de bovenzijde van de kas.
Blijkens het lichtonderzoek, uitgevoerd ter ondersteuning van bestemmingsplan “Glasparel+”, dient de afstand van lichtmasten op een terrein dan wel armaturen aan een gebouw ten opzichte van woningen minimaal 30 meter te zijn. Tijdens de ontwerpfase van de definitieve verlichtingsinstallaties dienen lichtberekeningen vervaardigd te worden, waarmee aangetoond wordt dat aan de in dit hoofdstuk vermelde eisen wordt voldaan. Hierbij dient de ontwerper rekening te houden met de juiste opstelling van de armaturen, materiaalkeuze en eventueel aanvullend te nemen maatregelen. Bij het toepassen van assimilatieverlichting in kassen dient tenminste aan het Activiteitenbesluit milieubeheer voldaan te worden. Met het nu geldende Activiteitenbesluit milieubeheer dat van toepassing is op nieuw te realiseren glastuinbouwbedrijven kan de lichtoverlast naar de onderhavige bouwvlakken in voldoende mate worden beperkt. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect lichthinder geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
Paardenhouderij annex -pension, Plasweg 24/24a
Aan de Plasweg 24/24a is een paardenhouderij gevestigd van Stal Hoogendoorn. Deze paardenhouderij beschikt over circa 45 paarden. Op grond van de VNG-richtlijn valt een paardenhouderij onder milieucategorie 3.1. Dit betekent dat voor een gemengd buitengebied een richtafstand 30 meter dient te worden aangehouden.
Activiteitenbesluit
Het Activiteitenbesluit is van toepassing op o.a. een paardenhouderij waar niet meer dan 100 stuks paarden worden gehouden en opslagen van vaste mest. Het Activiteitenbesluit bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Besluit valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf Wm-vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in tabel 6.2. Naast de in de tabel genoemde afstanden gelden minimale afstanden tot opslagen van mest, afgedragen gewassen en dergelijke.
Bij het toelaten van nieuwe gevoelige functies en de nieuwbouw of uitbreiding van agrarische bedrijven dient rekening te worden gehouden met (afstands)normen ten aanzien van landbouwbedrijven. Op grond hiervan dient een afstandsnorm van 50 meter te worden aangehouden, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. De afstand kan met 25 meter worden verminderd, wanneer de gemeente een Geurverordening vaststelt op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv).
Toetsing planontwikkeling aan Activiteitenbesluit
De afstand tussen het paardenpension en de dichtstbijzijnde (nieuwe) milieugevoelige functies van derden (buiten de bebouwde kom) moet ten minste 50 meter bedragen. De afstand tussen de bouwvlak van de zorgvoorziening en de plangrens van het paardenpension is minimaal 75 meter, zodat een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Mitsdien worden er geen beperkingen gesteld aan de bedrijfsvoering van de paardenhouderij annex paardenpension. Dit bedrijf kan blijven voldoen aan de in het Besluit genoemde voorschriften.
Conclusie
Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Andersom geredeneerd is voor de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
Wettelijk kader
Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk.
Onderzoek/ beoordeling
De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Vredenburghlaan (80 km/uur met zonebreedte van 250 meter), alsmede de Piet Stuurmanweg en Gerard Okkerseweg (beide 50 km/uur met een zonebreedte van 200 meter). De overige wegen binnen een zone van 200 m zijn zogenaamde 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen/ zorgcomplex en kinderdagverblijf. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe milieugevoelige functies bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden in binnenstedelijk gebied. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder.
In verband met deze planontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies te Schijndel (rapport van 24 augustus 2023, referentie 20231156.v01, Bijlage 2), waarin ook de niet gezoneerde wegen zijn beschouwd. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting afkomstig van de N457 op zijn hoogst 57 dB bedraagt ter plaatse van de noordoostelijke gevels van het zorggebouw. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor de woningen wordt nergens overschreden. Maatregelen voor het zorggebouw worden niet doelmatig geacht, zoals toegelicht in paragraaf 3.3 van het rapport. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht.
Woon- en leefklimaat
Op basis van de toelichting in paragraaf 3.6.1 en 3.6.2 van het akoestisch rapport is aangetoond dat de milieukwaliteit bij de woningen, zorgvoorziening en het kinderdagverblijf worden geclassificeerd als 'matig' tot 'zeer goed'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen, zorgvoorziening en het kinderdagverblijf kan als acceptabel worden aangemerkt. Gesteld kan worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Beleidsregel Hogere waarden, Regio Midden-Holland
De Wet geluidhinder geeft 'voorkeursgrenswaarden' aan. Wanneer uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de te bouwen woningen of andere geluidsgevoelige objecten hoger is dan deze voorkeursgrenswaarde, moeten maatregelen worden onderzocht. Als eerste moeten maatregelen 'bij de bron' worden onderzocht, bijvoorbeeld stil wegdek bij verkeerslawaai; als tweede worden maatregelen in de 'overdracht' onderzocht, bijvoorbeeld een geluidscherm of een wal en daarna worden maatregelen bij de ontvanger onderzocht (bijvoorbeeld geluidisolatie aan een woning). Met de maatregelen bij de bron en in de overdracht wordt ernaar gestreefd om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde.
Bron-/ overdrachtsmaatregelen om de geluidbelastingen te reduceren zijn gelet op het geringe aantal woningen en de kleinschaligheid van de maatschappelijke voorzieningen, redelijkerwijs niet mogelijk of stuiten op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of vervoerskundige aard.
Bij een hogere waarde van meer dan 53 dB voor wegverkeerslawaai dient conform de Beleidsregel Hogere waarden, Regio Midden-Holland, een zorggebouw gerealiseerd te worden met een geluidluwe gevel en buitenruimte. Dit betekent dat bij het zorggebouw een geluidluwe gevel en tenminste één buitenruimte gelegen aan de geluidsluwe gevel gerealiseerd moet worden. Een geluidsluwe gevel is een gevel waarbij de geluidbelasting afkomstig van wegverkeerslawaai gesommeerd voor de bronnen niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Toetsing aan hogere waarden beleid
De maximale geluidbelasting is 57 dB bij het noordoostelijke zorggebouw. Dit gebouw beschikt over een geluidluwe gevel en buitenruimte aan de achterzijde. Aan de eisen uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan. Er zijn verder geen aanvullende eisen nodig voor het aanvragen van hogere waarden.
Dit betekent dat voor de zorgvoorziening een verzoek om hogere waarde dient te worden aangevraagd in verband met het wegverkeerslawaai van de Vredenburghlaan. Deze procedure zal gelijktijdig worden gestart met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.
In het kader van het Bouwbesluit zal nog onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidwering van de gevels van de woningen en de maatschappelijke voorzieningen. Bij dit onderzoek wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit rapport zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
Conclusie
Het ontwerpbesluit Hogere waarden Wet geluidhinder voor het zorggebouw heeft gelijktijdig met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend, zodat het definitieve besluit ongewijzigd kan worden vastgesteld. Het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder is opgenomen in Bijlage 3. Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
Wettelijk kader
De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds) uit het Geluidregister Spoor van 8 april 2016. Uit artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder valt de breedte van de zones van spoorweg af te leiden.
Spoorwegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van spoorwegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder verplichten ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs spoorwegen (art. 1 Wgh en art 1.3 Bgh). Tevens stelt de Wgh regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde van 55 dB te bedragen.
Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied ligt niet binnen een zone van een spoorwegtraject. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.
Wettelijk kader
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan.
Onderzoek/ beoordeling
Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen en maatschappelijke voorzieningen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen milieugevoelige objecten zijn toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Dit betekent dat er voor de woningen en maatschappelijke voorzieningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De (ontwerp) beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 april 2023 vastgesteld.
Onderzoek/ beoordeling
Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband met deze planontwikkeling his een actualiserend vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd door Waders Milieu B.V. te Waddinxveen (rapport van 5 september 2023, kenmerk 23414401H, Bijlage 4). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende (overgenomen uit rapport).
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde historische (bodem)onderzoek wordt geconcludeerd dat in de periode tussen het voorgaande onderzoek van Hoste Milieutechniek uit juni 2018 en heden geen (nieuwe) bodembedreigende of bodembelastende activiteiten zijn verricht.
Uit de resultaten van de proefboringen blijkt dat ter plaatse van een voormalige dam (boring B02) en een voormalig kavelpad (boring B04) op de locatie bijmengingen aan respectievelijk menggranulaat en metselpuin in de bodem zijn aangetroffen. Boring B04 is gestuit op een diepte van ongeveer 0,9 m-mv op een handmatig ondoordringbare laag (metselpuin). Menggranulaat en metselpuin kunnen duiden op de aanwezigheid van bouw- en sloopafval, hetgeen wordt aangemerkt als asbestverdacht. Verder valt de strook grond langs de Plasweg (zuidoostzijde locatie) binnen het aandachtsgebied bodemlood.
Op basis van de resultaten van het historisch onderzoek wordt verwacht dat binnen de onderzoekslocatie mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. De verdachte deellocaties zijn in tabel 6.3 benoemd en omschreven.
Tabel 6.3: overzicht deellocaties.
| Deellocatie | Omschrijving | V/O* | Verwachte stoffen | Oppervlakte (m2) / lengte (m) |
| A | Gedempte sloten (voormalige sloten vermoedelijk gedempt met gebiedseigen grond) | V | Zware metalen, PCB, OCB, PAK en minerale olie | Circa 630 m |
| B | Voormalig kavelpad | V | Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest | Circa 1.000 m² |
| C | Voormalige dammen (4 stuks, ingeschatte afmetingen per voormalige dam 5 x 6 m) | V | Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest | Circa 30 m²per voormalige dam |
* V/O = verdachte of onverdachte locatie ten aanzien van bodemverontreiniging.
Ter plaatse van de in tabel 6.3 genoemde deellocaties dient, conform het gemeentelijk beleid, een bodemonderzoek conform NEN 5740 en/of NEN 5707 plaats te vinden in verband met de verlening van een omgevingsvergunning. Op het overige deel van de locatie wordt, met uitzondering van de bekende verhoogde achtergrondgehalten (inclusief lood), geen bodemverontreiniging verwacht.
Conclusie
Voor de bestemmingswijziging is de bodemkwaliteit in voldoende mate vastgesteld. De locatie ligt in een gedeeltelijk in een aandachtsgebied voor stofffen als genoemd in tabel 6.3. Bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning voor het oprichten bebouwing in één van deze deellocaties zal een bodemonderzoek conform NEN 5740 en/of NEN 5707 worden overlegd.
Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.
Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is een Historisch Vooronderzoek Opsporing Conventionele Explosieven uitgevoerd naar de aanwezigheid van Niet Gesprongen Explosieven (NGE) voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Er is in 2021 opnieuw een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.
Wettelijk kader
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in
betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden.
Tabel 6.4: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
| stof | jaargemiddelde | uurgemiddelde | 24-uursgemiddelde | Opmerkingen |
| NO2 | 40 µg/m3 | 200 µg/m3 | n.v.t. | Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden |
| PM2,5 | 25 µg/m3 | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. |
| PM10 | 40 µg/m3 | n.v.t. | 50 µg/m3 | 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden |
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:
Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Onderzoek/ beoordeling
Dit plan omvat de nieuwbouw van 14 woningen, een kleinschalig zorgcomplex en kinderdagverblijf. Voor het plan is met behulp van de zogenaamde NIBM-tool berekend of de beoogde ontwikkeling van de woningen leidt tot een in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Nagegaan is wat de berekende maximale bijdrage aan luchtemissies van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling is. Het middelzware en zware verkeer is hierbij als vrachtverkeer meegenomen. Hierbij is ervan uitgegaan dat de ontwikkeling maximaal 522 auto's per dag aantrekt (mvt/weekdagetmaal), waarvan 2% vrachtwagens). In tabel 6.5 is de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weergegeven. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is dan ook niet nodig is.
Tabel 6.5 Berekening maximale bijdrage luchtemissies van verkeersgeneratie.
Opgemerkt wordt dat de NIBM-tool berust op een worst-case situatie: voor de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. De berekende toename aan luchtverontreinigende stoffen is hiermee als maximaal te beschouwen. In werkelijkheid is immers bijvoorbeeld geen sprake van enkel stagnerend verkeer, zoals wel als uitgangspunt gehanteerd wordt in de NIBM-tool.
Ten behoeve van deze planontwikkeling is verder nog de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Plasweg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Hieruit blijkt dat dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 15,3 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 15,9 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,8 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat.
De totale concentraties, inclusief deze planontwikkeling, bedragen:
NO2: 15,3 + 0,33 = 15,63 µg/m³.
PM10: 15,9 + 0,08 = 15,98 µg/m³.
Hierbij wordt ook nog voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Tevens zullen de concentraties in de komende jaren verder afnemen. Ook als wordt voldaan aan de normen kan luchtkwaliteit significante effecten hebben op de gezondheid. In deze situatie ligt de concentratie PM10 nog onder de WHO advies waarden (20 µg/m³).
Onderzoek luchtkwaliteit biomassacentrales
Adviesbureau Tauw heeft eerder onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd in verband met het oprichten van (toen nog) twee biomassacentrales aan de Polderweg (rapport van 26 november 2019). Voor PM10 zijn de te verwachten emissies in worst-case scenario 0,08 µg/m³ en 0,07 µg/m³ voor PM2,5 (situatie 2030 in de nabijgelegen woonwijk Zuidplas). De PM10 en PM2,5 emissies en daarmee de berekende concentratieniveaus zijn in beide scenario's gelijk.
Thans is nog sprake van de mogelijke vestiging van één biomassacentrale. Deze draagt voor het worst case scenario maximaal 2-4 µg/m³ bij aan de jaargemiddelde NO2 concentratie op meest nabije woningen. Dat betekent op die locaties een toename van ongeveer 10% tot 20% van het NO2 concentratieniveau in 2030. De biomassacentrale draagt nauwelijks bij aan de PM10, PM2,5 en EC concentratieniveaus; deze worden in belangrijke mate bepaald door de achtergrondconcentraties. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht.
Wettelijk kader
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:
Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:
Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.
Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd:
Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de Omgevingsvisie en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities.
Onderzoek/ beoordeling
Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.
Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.
Transport over water
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
Transport over spoor
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorlijn. Er is geen beperking voor het plangebied.
Wegtransport
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen. Er is geen beperking voor het plangebied.
Transport per buisleiding
Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. In de omgeving van het plangebied liggen geen buisleidingen. Er is geen beperking voor het plangebied.
Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.
Risicokaart
De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling. De Signaleringskaart EV is opgenomen in figuur 15.
Figuur 15: Uitsnede Signaleringskaart (plangebied zwart gestippeld omkaderd).
Mechanische ventilatie
Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten de nieuwe woningen en het zorgcomplex worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. In verband hiermee zijn specifieke gebruiksregels opgenomen dat een nieuwe woning (artikel 7.4.3) c.q. zorgcomplex/kinderdagverblijf (artikel 4.4.2) pas mogen worden gebruikt indien ventilatie- openingen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning/ (zorg)voorziening kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door bewoners/ gebruikers.
Conclusie
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven.
Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen. Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam.
De door het hoogheemraadschap voorgeschreven minimale drooglegging zal voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. De bouwwijze zal hierop worden afgestemd.
Wettelijk kader Rijk en provincie
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:
Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.
In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De CHS geeft grofschalig weer wat de 'archeologische trefkans/ verwachting' is. Op basis van de gehanteerde/ gebruikte gegevens ligt het plangebied op stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld. Het plangebied heeft grotendeels hoge archeologische waarden van 0 - 5 m onder maaiveld (figuur 16).
Figuur 16: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland.
Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012)
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd.
Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart heeft het plangebied geen verwachtingswaarde. De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies. De juridische doorvertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid heeft de gemeenteraad vastgesteld in het op 19 september 2018 vastgestelde bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren'.
De nieuw te bouwen woningen en de maatschappelijke voorzieningen liggen in een gebied zonder verwachtingswaarden (figuur 17). In verband hiermede kan onderzoek naar archeologie achterwege worden gelaten.
Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen vrijgegeven gebieden toch nog archeologische resten voorkomen. Mocht blijken dat bij uitvoer van graafwerkzaamheden toch archeologische resten aanwezig zijn, dan dient dit te worden gemeld bij de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Waddinxveen conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet. De gemeente Waddinxveen zal in dat geval beslissen over hoe om te gaan met de archeologische resten.
Conclusie
Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Figuur 17: Uitsnede archeologische beleidskaart.
Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied staat geen bebouwing. Evenmin worden cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast.
Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.
Onderzoek/ beoordeling
Gebiedsbescherming
Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ) in het kader van deNbw1998. Dit aangewezen Natura 2000-gebied ligt op circa 8,8 kilometer ten oosten van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'De Wilck' ligt circa 9,7 km ten noorden van het plangebied. Sprake is van woningbouw en maatschappelijke voorzieningen op percelen die al zijn bestemd voor een uit werken bestemming 'Gemengd'. Deze Natura2000-gebieden worden niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Aan de noordzijde van het plangebied ligt de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen op de ecologische hoofdstructuur. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen belangrijke weidevogelgebieden en bestaande en nieuwe natuur van Natuurnetwerk Nederland van de provincie Zuid-Holland (figuur 18).
Figuur 18: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied zwart omkaderd aangeduid).
Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het Natura2000-gebied 'De Wilck' ligt 9,7 km ten noorden van het plangebied. Het natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op circa 8,8 km ten oosten van het plangebied. Deze gebieden zijn niet stikstofgevoelig, maar mogelijk wordt de Polder Stein binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied.
Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt evenwel op circa 11,5 km afstand, zodat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur.
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de op in januari 2024 ingevoerde Omgevingswet). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035.
Aan de hand van de depositieberekeningen kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende beschermde Natura 2000-gebieden. Uit deze berekeningen blijkt dat de emissie-uitstoot van de gewenste situatie voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase dermate laag is, dat deze niet zal leiden tot een depositie die hoger is dan 0,00 mol per ha/jaar, zoals dat is aangetoond in de notitie Effecten depositieplan van Stalbouw.NL van 22 mei 2023, Bijlage 5). Deze bijdragen zijn zo klein dat er ook geen vergunningplicht is in het kader van de Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat:
Soortenbescherming
Bij een bestemmingsplanherziening c.q. nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd (rapport van juni 2023, rapportnummer 23A052, Bijlage 6). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport).
| Natuurgebieden | Gevolgen |
| Natura2000 | |
| Habitattypen |
Natura 2000-gebieden Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein ligt op 8,8 km afstand tot het plangebied. Door de grootte van het project is een stikstofberekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat het voorgenomen plan niet zal leiden tot significant negatief effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden. |
| Soorten | Nee |
| NNN-gebieden | Nee |
| Omgevingsvisie/-verordening | Nee |
| Soortgroep | Overtreding verbodsbepalingen |
| Algemeen | Voor de beschermde soorten, Groene kikker, Egel, Haas, Konijn, Wezel en Woelrat, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. |
| Flora | Nee |
| Jaarrond beschermde nesten | Nee |
| Vissen | Nee |
| Reptielen | Nee |
| Zoogdieren | Nee |
| Vleermuizen | Nee |
| Overige soorten | Nee |
| Soortgroep | Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist |
| Vogels | Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. |
| Amfibieën | Nee, de noordoostelijke sloot kan mogelijk gebruikt worden door de Rugstreeppad als voortplantingslocatie. Deze sloot blijft behouden, waardoor er geen schade zal ontstaan. Er wordt geadviseerd te werken met een Ecologisch Werkprotocol in verband met het voorkomen van deze beschermde soort. |
Algemene Zorgplicht
Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit gebiedsbescherming en soortenbescherming geen bezwaren zijn tegen deze planontwikkeling. De in het rapport genoemde aanbevelingen zullen worden overgenomen bij uitwerking van de bouwplannen.
In het plangebied liggen geen planologisch relevante (aardgas)transportleidingen, waarvoor een beschermende regeling nodig is.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.
Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.
Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.
Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Artikel 3 Groen
De bestemming 'Groen' is opgenomen voor de groene gebieden waarvan het groene karakter voor de ruimtelijke structuur van het plangebied van belang is. Binnen de bestemming is de aanleg van voet- en fietspaden, speelvoorzieningen en water mogelijk.
Artikel 4 Maatschappelijk
Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn gebouwen voor welzijn, volksgezondheid, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf en naschoolse opvang toegestaan. Ingevolge het begrip voor maatschappelijke dienstverlening zijn ook ondersteunende horeca en detailhandel bij zorgvoorzieningen toegestaan. In de specifieke gebruiksregels is bepaald dat maximaal 30% van het bruto vloeroppervlak voor een ondergeschikte functie mag worden gebruikt.
Gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogte aangeduid, alsmede het maximum bebouwingspercentage. Buiten het bouwvlak zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan met een maximale oppervlakte van 150 m². In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 5 Verkeer
De gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie. Bijbehorende voorzieningen zoals ongebouwde parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en groenvoorzieningen zijn toegestaan. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 6 Water
Belangrijke waterlopen- en partijen zijn als ‘Water’ bestemd.
Artikel 7 Wonen
De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor grondgebonden woningen met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen de bouwvlakken toegestaan. In de bouwvlakken is het maximum aantal woningen vermeld, alsmede de toegestane typologie. In de regels is via een verwijzing naar de verbeelding de maximale goot- en bouwhoogten aangegeven. Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m². Op basis van het Besluit omgevingsrecht kan vergunningvrij meer worden gebouwd in het achtererf; één en ander is afhankelijk van de omvang van het bebouwingsgebied. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.
Artikel 9 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.
Artikel 12 Overige regels
In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen.
Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.
Artikel 13 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.
Artikel 14 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels.
Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:
Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.
De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak.
Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.
Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties. Er is één reactie ontvangen van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Reactie Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
In de verbeelding en op de afbeeldingen in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is niet duidelijk op welke manier de nieuwe watergangen in verbinding staan met het bestaande watersysteem. Voordat nieuwe watergangen verbonden worden met het bestaande watersysteem, dienen de plannen in een vooroverleg met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard te worden besproken.
Daarnaast staat in de toelichting dat de watercompensatie ten gevolge van de toename verharding als is gerealiseerd in de ontwikkeling Glasparel+. Verzocht wordt dit aan te tonen in een berekening die door de hydroloog aan het huidige beleid wordt getoetst. Tot slot mag er geen wateroverlastopgave ontstaan in het plangebied en dient er voldoende drooglegging te worden gerealiseerd.
Antwoord
Naar aanleiding van de vooroverlegreactie heeft er overleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap. Er zijn afspraken gemaakt over de aanleg van de waterlopen en de aan te houden droogleggingseis. Er is aangetoond dat de watercompensatie reeds was opgenomen (en gerealiseerd) in het plan Glasparel+. De drooglegging van 1.30 meter moet worden gemeten ten opzichte van het lage peil, tenzij de drooglegging al groter is. Dan mag de drooglegging niet worden verkleind door het maaiveld af te graven. Met inachtneming hiervan zijn er vanuit waterhuishoudkundige overwegingen geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan. Samenvattend is aan de opmerkingen van het Hoogheemraadschap tegemoet gekomen.
Initiatiefnemer heeft omwonenden bij brief van 6 november 2023 geïnformeerd over het planinitiatief. De brief is opgenomen in Bijlage 7. Betrokkenen zijn in de gelegenheid gesteld om tot 15 november 2023 een reactie te geven. Gedurende deze periode zijn geen reacties ontvangen.
Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 28 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is één schriftelijke zienswijzen ontvangen. Deze is beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen, zoals opgenomen in Bijlage 8.