| Plan: | Peter Zuidlaan |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.BPPeterZuidlaan-0401 |
De gemeente Waddinxveen heeft het voornemen om het gebied 'Peter Zuidlaan' te herontwikkelen naar een woonlocatie met maximaal 60 woningen met parkeervoorzieningen in de vorm van parkeerplaatsen en een maatschappelijke voorziening beoogd voor een kerkgemeenschap.
De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders. In de voorliggende toelichting wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Het plangebied maakt deel uit van de Verzetsheldenbuurt welke wordt begrensd door de Kerkweg-West, de Chopinlaan, de Willem de Zwijgerlaan en de spoorlijn Gouda-Alphen aan den Rijn. De locatie is ongeveer 1 hectare groot. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de directe omgeving en ten opzichte van Waddinxveen.
Figuur 1.1 ligging plangebied (bron: Cyclomedia)
Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015' (vastgesteld 16-12-2015). Tevens geldt voor het gehele plangebied het paraplubestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren (vastgesteld 19-09-2018).
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015' met daarop in het blauw het plangebied weergegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015' is het plangebied bestemd voor 'Maatschappelijk' en 'Verkeer'. Daarnaast ligt het plangebied in de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding'.
Bestemming 'Maatschappelijk'
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor educatieve-, sociaal culturele- en sportvoorzieningen.
Bestemming 'Verkeer'
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met de daarbij behorende ongebouwde parkeervoorzieningen.
Gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding'
Rondom gasleidingen zijn zones opgenomen waarbinnen geen nieuwe functies gerealiseerd mogen worden ten behoeve van het verblijf van verminderd zelfredzame personen.
Het bestemmingsplan 'Peter Zuidlaan' met identificatienummer 'NL.IMRO.0627.BPPeterZuidlaan-0401' bestaat, naast deze toelichting, uit de volgende stukken:
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk document bij het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Dit bestemmingsplan is na dit hoofdstuk als volgt opgebouwd.
Het plangebied ligt ten noorden van het centrum van Waddinxveen. De aanwezige bebouwing - bestaande uit schoolgebouwen en een gymzaal - wordt gesloopt en de grond wordt bouwrijp gemaakt. Het plangebied ligt ingeklemd tussen:
Het plangebied grenst direct ten oosten en zuiden aan bestaande bebouwing. De bebouwing bestaat uit apartementencomplexen. Van noord naar zuid loopt een sloot die een scheiding vormt tussen het plangebied en de Chopinlaan. In het midden van het plangebied loopt het Jan van Bijnenpad wat een doorgang geeft voor fietsers en voetgangers van de Chopinlaan naar de Peter Zuidlaan.
De kern Waddinxveen kent een goede bereikbaarheid door de ligging aan de provinciale N207 en de ligging nabij de A20 en A12. Daarnaast zijn er verschillende treinstations in de kern aanwezig. Het plangebied wordt zelf ontsloten via de Johannes Postlaan naar de Chopinlaan. Een uitgebreide toelichting van de ontsluiting vindt plaats in paragraaf 3.2 Verkeer en parkeren.
Het gebied aan de Peter Zuidlaan moet worden herontwikkeld tot woongebied waar een afwisseling van appartementen en grondgebonden woningen komt te staan. Verder zal in het noordelijke deel ruimte worden gecreëerd voor een kerkgenootschap op de begane grond van een van de complexen. Verder zal het plangebied worden voorzien van half verharde parkeervakken om de bestaande parkeerdruk niet te verhogen. Om de ontsluiting van het plangebied te verbeteren zal er tevens een extra aansluiting op de Chopinlaan worden gemaakt.
Binnen het plangebied is sprake van diverse bouwhoogtes. De laagbouwwoningen kennen een bouwhoogte van maximaal 5m en de appartementencomplexen kennen een maximale bouwhoogte van 18m.
Het programma van Peter Zuidlaan bestaat uit de ontwikkeling van vier woonblokken waarin een variëteit aan woningen wordt gerealiseerd. Het programma bestaat uit appartementen en grondgebonden woningen. Er zijn zowel koop- als huurwoningen opgenomen in het programma. In totaal worden er maximaal 60 woningen gerealiseerd. In de onderstaande tabel is onderscheid gemaakt in het type, aantal en oppervlakte van de woningen.
Tabel 3.1 Programma
| Woontype | Oppervlakten gbo | Aantal |
| Appartementen huur midden | ca. 70m² | maximaal 35 |
| Appartementen koop | ca. 90m² - 155m² | 16 |
| Grondgebonden woningen koop | ca. 95m² - 135m² | 9 |
| Maatschappelijk | Oppervlakte gbo | Aantal |
| Kerkgenootschap | max. 400 m² | 1 |
Figuur 3.1: Indicatieve verkaveling (bron: gemeente Waddinxveen)
Laagbouwwoningen
In het programma is ruimte voor negen ruime bungalows. Zes hiervan komen aan de westzijde van de groene hof, drie ervan aan de zuidzijde. Deze bungalows hebben een volledig woonprogramma op de begane grond, inclusief twee slaapkamers, woonkamer / keuken en badkamer. De buitenruimte van de zes bungalows bevindt zich aan de Singelzijde aan de Chopinlaankant, van de drie bungalows grenst de buitenruimte aan de hof. Een groot deel van de woningen krijgen een opstelplaats voor de auto op eigen terrein.
Appartementen
In het oostenlijke deel van het plangebied wordt een appartementengebouw gerealiseerd met ca. 16 appartementen met een oppervlakte van ca. 90 – 110 m² en twee appartementen op de bovenste verdieping van ca. 155 m².
Iedere laag bestaat uit vier appartementen rond een centrale kern met trappenhuis en lift. Alle appartementen hebben hun woonkamer aan de groene hof aan de westzijde van het gebouw. De bovenste verdieping ligt terug ten opzichte van de eronder gelegen verdiepingen, zodat er een ruim terras ontstaat voor de twee aanwezige appartementen. Op de begane grond zijn bergingen en een gemeenschappelijke ontmoetingsruimte gepland.
De hoofdentree bevindt zich aan de Peter Zuidlaan, maar aan de zijde van de hof zit ook een nevenentree. Het gebouw wordt opgetrokken in een rode kleur metselwerk en voorzien van horizontale belijningen die doorlopen in de ruime balkons aan de hofzijde van het gebouw. Hier zorgen kolommen onder de terrassen voor verticale accenten in het gebouw.
Appartementen en maatschappelijke voorziening
In het noordelijke deel van het plangebied wordt een complex gerealiseerd met maximaal 35 huurappartementen van ca. 70 m² in de middenhuur en een begane grond met ruimtes die bedoeld zijn voor de Kerkelijke gemeenschap en een gemeenschappelijke ruimte. De Kerkelijke gemeenschap, de baptistengemeente Ichthus, zal de ruimtes gebruiken voor activiteiten buiten de kerkdiensten. De kerkdiensten blijven in het Anne Frank Centrum plaatsvinden. Het gebouw staat prominent aan de singel van de Chopinlaan, waar een nieuwe ontsluiting naar de Peter Zuidlaan is voorzien.
Iedere laag bestaat uit een centrale kern met trappenhuis en een lift en acht gelijkvloerse appartementen. De bovenste verdieping is kleiner, zodat rondom een terras of loopzone ontstaat. Hier bevinden zich zes appartementen.
De appartementen krijgen een ruime, lichte en overzichtelijke entree aan het parkeerhof aan het Jan van Bijnenpad. De bergingen bevinden zich op de begane grond. De kerkzalen krijgen hun eigen entree.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn een stedenbouwkundigplan en beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1 en 2). In het stedenbouwkundig plan wordt op basis van een analyse en de bouwopgave de nieuwe verkeersstructuur, verkaveling en bouwvolumes vastgelegd. Het beeldkwaliteitsplan bouwt hier op voort en beschrijft welke ruimtelijke kwaliteit behorende bij de ontwikkeling wordt nagestreefd. Dit is vastgelegd door middel van regels voor de architectuur van de gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte.
Toetsingskader
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.
Ontsluiting
Gemotoriseerd verkeer
Het plangebied zal in de toekomstige situatie voor wegverkeer toegankelijk worden gemaakt via een nieuwe verbinding tussen de Chopinlaan en het Jan van Bijnenpad. Verder zal het plangebied toegankelijk blijven via de reeds bestaande verbinding tussen de Chopinlaan en de Johannes Postlaan.
De Chopinlaan is een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In noordelijke richting sluit de Chopinlaan aan op de Beethovenlaan. De Beethovenlaan, eveneens een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u sluit in oostelijke richting aan op de Juliana van Stolberglaan welke ook een gebiedsontsluitingsweg is met een maximum snelheid van 50 km/u. Van daar uit kan de N454 worden bereikt welke aan sluit op de A12.
In zuidelijke richting sluit de Chopinlaan aan op de Esdoornlaan, eveneens een gebiedsontsluitingweg met een maximum snelheid van 50 km/u. Vanaf de Esdoornlaan kan via de Dreef, Beijerincklaan en de N457 worden bereikt, welke aansluit op de A12.
Langzaam verkeer
Langs de Chopinlaan zijn aan beide zijde van de rijbaan vrijliggende fiets- en voetpaden aanwezig. Ter hoogte van de aansluiting met de Kerkweg-West en de Beethovenlaan zijn voor voetgangers oversteekvoorzieningen aanwezig in de vorm van zebra's. Via de Chopinlaan wordt aangesloten op het fietsnetwerk van Waddinxveen. Het plangebied is daarmee goed per fiets ontsloten.
Openbaar vervoer
Op loopafstand van het plan zijn aan de Chopinlaan twee bushaltes aanwezig. Hier halteert buslijn 175. Hiermee kan onder meer Intercitystation Gouda worden bereikt.
Het plan bestaat uit de realisatie van maximaal 60 woningen en een maatschapplijke voorziening in de vorm van een kerkgenootschap met een maximale grootte van 400 m² bvo.
De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers is conform het parkeerbeleid Waddinxveen een stedelijkheidsgraad van 'sterk stedelijk' aangehouden. Het gebiedstype is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Verder is bij het hanteren van de kencijfers het midden van de bandbreedte aangehouden.
Woningen
De verkeersgeneratie van de woningen komt uit op 313 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag en 348 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De omrekenfactor voor het omrekenen van weekdag naar werkdag bedraagt 1,11 (publicatie CROW 381).
Tabel 3.2 Toekomstige verkeersgeneratie wonnigen
| m² | Aantal | functie CROW 381 | Kencijfer CROW 381 | week dag |
werk dag |
|
| Appartementen huur midden | 73 | 35 | huur appartement midden/goedkoop | 3,6 | 126 | 140 |
| Appartementen koop | 90 – 135 | 16 | koop appartement duur | 7,1 | 114 | 126 |
| Grondgebonden woningen koop | 98 | 9 | koop huis vrijstaand | 8,2 | 74 | 82 |
| 313 | 348 |
Kerkgenootschap
De verkeersgeneratie van de maatschappelijke voorziening (kerkgenootschap) is bepaald door in eerste instantie de parkeerbehoefte van een kerk te bepalen. Dit is een worst-case inschatting. De daadwerkelijke invulling van deze voorziening heeft mogelijk een lagere verkeersgeneratie. Daarnaast is voor de kerk uitgegaan van een aantal uitgangspunten welke zijn gebaseerd op vergelijkbaar onderzoek naar de ontwikkeling van een kerk. In dit betreffende onderzoek besloeg de kerk een oppervlakte van 675 m² bvo, waarbij 150 bezoekers werden verwacht bij normale diensten en 250 bezoekers bij bijzondere diensten tijdens kerstmis of pasen. CROW publicatie 381 heeft parkeerkencijfers voor kerken die zijn bepaald per zitplaats. Het kencijfer heeft een bandbreedte tussen de 0,1 en 0,2 parkeerplaats per zitplaat. Er vanuit gaande dat 1 bezoeker 1 zitplaats bezet houdt, komt de parkeerbehoefte van een kerk met 150 tot 250 bezoekers uit op 30 tot 50 parkeerplaatsen.
Uitgegaan wordt dat per kerkbezoek een parkeerplaats eenmaal gebruikt wordt. Dit komt neer op 1 aankomst en 1 vertrek per parkeerplaats, oftewel twee verkeersbewegingen per parkeerplaats. Uitgaande van 50 parkeerplaatsen, welke nodig zijn tijdens bijzondere diensten, betekent dit een verkeersgeneratie van 50*2= 100 verkeersbewegingen per dienst. Uitgegaan wordt van 4 diensten per dag welke alleen in het weekend plaatsvinden (zaterdag en zondag). Dit komt neer op 100*4*2 = 800 verkeersbewegingen per week. Aangezien een week uit 7 dagen bestaat is de verkeersgeneratie van een kerk van 675 m² op een gemiddelde weekdag 800/7 = 115 verkeersbewegingen.
De beoogde kerk uit onderhavig plan heeft een maximale oppervlakte van 400 m². De verkeersgeneratie van deze kerk kan berekend worden door de verkeergeneratie van een kerk van 675m² te vermenigvuldigen met een omrekenfactor van 0,59 (400m² / 675 m²). Deze komt daarmee uit op 0,59 * 115 = 67 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag.
De verkeersgeneratie op een gemiddelde werkdag is in principe niet relevant voor een kerk omdat er tijdens werkdagen geen kerkdiensten zijn. Omdat het gebouw voor andere activiteiten dan kerkdiensten wordt gebruikt, is de verkeersgeneratie ook op werkdagen toegepast.
Totale verkeersgeneratie
De totale verkeersgeneratie van de woningen en de kerk bedraagt 381 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag en 415 op een gemiddelde werkdag (indien het kerkgenootschap ook doordeweeks wordt bezocht).
Tabel 3.3 Totale toekomstige verkeersgeneratie
| Weekdag (mvt/etmaal) | Werkdag (mvt/etmaal) | |
| Woningen | 313 | 348 |
| Kerk | 67 | 67 |
| Totaal | 381 | 415 |
Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer over het omliggende wegennet is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. Het plangebied wordt ontsloten op de Chopinlaan. Van daaruit verdeelt het verkeer zich evenredig in noordelijke en zuidelijke richting. In noordelijke richting gaat het verkeer via de Beethovenlaan en de Juliana van Stolberglaan in de richting van het zuiden. In zuidelijke richting rijdt het verkeer vervolgens in de richting van de Esdoornlaan en de Dreef om daarna via de Beijerincklaan in de richting van de aansluiting met de A12 te gaan.
Figuur 3.2 Verkeerstoedeling toekomstige situatie
Verkeersintensiteiten
De verkeersintensiteiten op Chopinlaan het jaar 2030 ligt op circa 6.000 mvt/etmaal.
Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is de situatie op een gemiddelde werkdag maatgevend. Op werkdagen is het over het algemeen namelijk het drukst op de weg. De totale verkeersgeneratie op werkdagen ligt op 415 mvt/etmaal. In het drukste uur is de verkeersgeneratie 10% van de totale etmaalwaarde en bedraagt dan circa 42 mvt/uur. Dat komt neer op ongeveer één auto per 2 minuten die de Chopinlaan op rijdt. Op basis van de richtlijnen van Duurzaam Veilig is bekend dat een gebiedsontsluitingsweg met de vormgeving van de Chopinlaan een capaciteit heeft van maximaal 10.000 mvt/etmaal. Omdat de verkeersintensiteit van de Chopinlaan circa 6.000 mvt/etmaal bedraagt, kan gesteld worden dat de Chopinlaan de toevoeging van het plan vlot en veilig kan verwerken.
In totaal moeten er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om te voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Te allen tijde dient in de minimale parkeerbehoefte te worden voorzien in het plangebied. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan (zie artikel 12.1 van de planregels). De exacte invulling van de parkeerplaatsen wordt uitgewerkt in de verdere ontwerpfase van het project.
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren staan de planontwikkeling niet in de weg.
Ieder plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor projecten binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven.
De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een stedelijke ontwikkeling bij plannen voor meer dan 11 woningen of een functiewijziging vanaf 500 m² bvo. Het geldende bestemmingplan is vertrekpunt in de boordeling of iets een stedelijke ontwikkeling is.
Toetsing stedelijke ontwikkeling
Het programma betreft maximaal 60 woningen, waarvan circa 50% middeldure huur, 50% goedkope tot middeldure koop. Er wordt ook maximaal 400m² maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt.
Woningbouw in de beoogde omvang (maximaal 60 woningen) wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. De beoogde maatschappelijke voorziening betreft geen stedelijke ontwikkeling omdat er geen sprake is van een toename. In het huidige bestemmingsplan is namelijk al sprake van een maatschappelijke bestemming
De locatie is een herontwikkelingslocatie, namelijk bouwen binnen bestaand stedelijk gebied, en voldoet hiermee aan de voorkeursvolgorde. Een voormalig schoolterrein en gymzalen worden getransformeerd naar een woongebied. Hierna wordt de behoefte beschreven.
Beschrijving woningbehoefte
Provinciale woningbehoefteraming
Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2021 blijkt dat in de periode 2021-2030 in de regio Midden-Holland behoefte is aan ruim 14.500 woningen. Bovendien zijn 22.150 woningen nog niet regionaal toegedeeld. De nieuwe raming komt hoger uit dan die uit 2019, wat betekent dat er in de gemeente Waddinxveen ook meer woningen nodig zijn.
Figuur 3.3 Woningbehoefteraming 2019 (bron: Provincie Zuid-Holland) en gewenste Woningvoorraadtoename regio Rotterdam (bron: WBR 2021)
Waddinxveen wil in de behoefte voorzien en daarnaast bouwen voor de regionale groei en gaat daarom uit van een programma van circa 4.250 woningen tot 2030. Dit betekent dat gemiddeld ruim 200 woningen per jaar worden gerealiseerd.
De Regionale Realisatieagenda (ook wel 'Woondeal regio Midden-Holland')
Om de druk op de woningmarkt te verminderen, hebben provincie Zuid-Holland en het Rijk in oktober 2022 samenwerkingsafspraken gemaakt over het bouwen van 235.000 woningen in Zuid-Holland in de periode 2022 t/m 2030. In de Regionale Realisatieagenda Midden-Holland zijn afspraken gemaakt over de doelstellingen die gelden voor de regio Midden-Holland. Daarin is opgenomen dat in de periode 2022 t/m 2030 circa 20.000 nieuwbouwwoningen moeten worden toegevoegd.
Regionale afstemming
De woningbehoefte en het woningbouwprogramma zijn in regionaal verband afgestemd. Hier wordt in paragraaf 4.2.1 op ingegaan. De bouwplannen zijn regionaal afgestemd met de werkgroep Regionale Agenda Wonen (Midden-Holland) en opgenomen in de Regionale Projectenlijst Woningbouw Midden Holland 2023.
Als uitwerking van de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland geeft de Regionale Projectenlijst Woningbouw (RPW) inzicht in de actuele woningbouwplannen met 10 en meer nieuwbouwwoningen van de gemeenten in de regio Midden-Holland.
In de regio heeft afstemming plaatsgevonden over de woningbouwaantallen. In de recente RPW 2023 gaat het voor de Peter Zuidlaan om 55 woningen. De regio-gemeenten hebben ingestemd met de woningaantallen genoemd in de RPW 2023 die ook is aangeboden aan de provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland is akkoord gegaan met de RPW 2023. Na akkoord is voor de plannen de eerste stap van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking doorlopen.
Kwalitatieve behoefte
De kwalitatieve woningbehoefte is in de gemeentelijke woonzorgvisie beschreven. Hier is in paragraaf 4.4 op ingegaan. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan het meerjarenprogramma woningbouw om voldoende woningen te realiseren.
Conclusie
Er is in Waddinxveen een grote woningbehoefte. Het project geeft hier mede invulling aan. Met de Regionale Projectenlijst Woningbouw Midden-Holland 2023 - waar dit project in is opgenomen - is ingestemd, en heeft daarmee de ladder van de duurzame verstedelijking doorlopen.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn acht voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang worden bekeken. De opgaven grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Toetsing
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt zoals opgenomen in de NOVI.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen.
In artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Bij de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' dient voor een stedelijke ontwikkeling de behoefte te worden beschreven. Voor locaties buiten bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte wordt voorzien.
In paragraaf 3.3 is de verantwoording aan de ladder duurzame verstedelijking opgenomen. In deze toelichting van dit bestemmingsplan wordt verder gemotiveerd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
De Provinciale Staten van Zuid-Holland heeft op 20 februari 2019 de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld en de laatste wijzigingen zijn in 2022 doorgevoerd. In het omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een omgevingsvisie en omgevingsverordening. Hieronder wordt nader ingegaan op de omgevingsvisie en de omgevingsverordening.
Geconsolideerde versie april 2023
De omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer, energie, landschap en bodem en water.
Zuid-Holland staat voor de opgave om de komende jaren een fors aantal woningen te realiseren en om de woningvoorraad te verduurzamen. Opgaven die in Zuid-Holland om ingrijpende keuzes vragen. Daarvoor zijn sturende ruimtelijke concepten nodig. De uitdaging is om de stap te maken naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. De metropolitane ontwikkeling moet op die manier vorm krijgen. Om die vitale samenleving te realiseren is meer nodig dan woningbouw alleen. Het economisch potentieel kan beter benut worden door de steden met hun afzonderlijke kwaliteiten te verbinden tot één metropool. Het leef- en vestigingsklimaat daarin kan versterkt worden door stad en land goed te verbinden, door ruimte te bieden voor groen en water in de stad, door een evenwichtige woningvoorraad en passende werklocaties. De vitaliteit van de stad is ook gebaat bij cultuur, kenniscentra en aantrekkelijke binnensteden.
Opgaven omgevingskwaliteit
Voor het realiseren van de maatschappelijke belangen werkt de provincie vanuit de zes vernieuwingsambities en vanuit opgaven in het gebied. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werken we vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, die we van provinciaal belang achten. Ten aanzien van wonen heeft de provincie de opgaven 'Wonen' en 'Ruimte en verstedelijking' opgesteld. Onderstaande beleidskeuzes zijn relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.
Verstedelijking en wonen
De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. In paragraaf 4.1.3 wordt hierop nader ingegaan.
Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de rijksladder. Uitgangspunt van de ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio.
Risico's van klimaatverandering
De provincie Zuid-Holland streeft naar een klimaatbestendig en waterrobuuste provincie in 2050. De provincie wil dan voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering in de vorm van wateroverlast door overvloedige neerslag, hittestress, verdroging en verzilting en het beperken van de gevolgen van overstromingen. Daarnaast voert de provincie actief beleid om de maatschappelijke kosten van bodemdaling zoveel mogelijk te beperken. Dit heeft direct gevolgen voor locatiekeuze, ontwerp en inrichting van openbare ruimte en gebouwde omgeving. In de omgevingsvisie is vastgelegd dat de provincie ernaar streeft om bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen betrokken partijen de uitkomsten uit de klimaatstresstesten expliciet mee te laten wegen bij de locatiekeuze en inrichting van het gebied. Dit geldt voor alle risico's die gepaard gaan met klimaatverandering (in ieder geval wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, en droogte). Deze risico's hebben naast lokale ook regionale aspecten.
Toetsing aan de Omgevingsvisie Zuid-Holland
Voorliggende ont wikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 60 woningen in bestaand bebouwd gebied in de kern van Waddinxveen. Het plan voorziet in de herontwikkeling van dit bestaande bebouwde gebied. In paragraaf 3.3 wordt de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Daaruit blijkt dat er behoefte is en dat de voorgenomen ontwikkeling passend is. Tevens wordt in de ontwikkeling rekening gehouden met voldoende groen en parkeerplaatsen. De ruimtevraag voldoet aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan lucht, geluid, externe veiligheid, bodem en klimaatverandering (zie hiervoor ook hoofdstuk 6).
Geconsolideerde versie april 2023
De omgevingsverordening gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen voor de fysieke leefomgeving. Deze regels werken door in ruimtelijke (bestemmings)plannen. Voor dit plan zijn de volgende artikelen van belang:
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
Toetsing aan artikel 6.9 Ruimtelijke Kwaliteit uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland
Met het planvoornemen worden maximaal 60 woningen, 89 parkeerplaatsen waarvan 12 privé en een maatschappelijke voorziening ten behoeve van een kerkgenootschap gerealiseerd. Met het bestemmingsplan wordt voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij ter plaatse wordt voorzien in ruimtelijke kwaliteit op basis van het stedenbouwkundig plan. Met de ontwikkeling vindt dan ook een inpassing plaats waarbij de nieuwe woningen aansluiten op de stedenbouwkundige identiteit en structuur van het gebied.
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen
Artikel 6.10a Dichtheid en verscheidenheid woningbouw
Artikel 6.10c Parkeernorm stationsomgevingen
Artikel 6.10d Bereikbaarheid
Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.
Toetsing aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland
In het voorliggende geval wordt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Hiervoor is in paragraaf 3.3 een ladderonderbouwing opgenomen waarin de behoefte is beschreven. Daarnaast betreft het een binnenstedelijke ontwikkeling en is de ontwikkeling kleiner dan 3 ha. De locatie bevindt zich verder binnen de aanduiding stationsgebied waarvoor op basis van het provinciaal beleid een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning gehanteerd kan worden. In het voorliggend geval wordt aangesloten op de gemeentelijke parkeernormen. Daarnaast houdt de ontwikkeling rekening met de gevolgen voor de bereikbaarheid. Dit is in paragraaf 2.2 onderbouwd. Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.
Artikel 6.27a risico's van klimaatverandering
In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van:
alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling.
Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's.
Toetsing
In de herontwikkeling van het gebied is rekening gehouden met de gevolgen voor klimaatverandering. Zo is er bijvoorbeeld gekozen om alle parkeervakken binnen het plangebied halfverhard te maken. Verder dienen nieuwe plannen gehoord te geven aan de moties zoals beschreven in paragraaf 4.4.2. Door uitvoering van deze moties in het ontwerp, krijg het plangebied voor ieder huishouden een boom en is waar mogelijk gekozen voor groen in plaats van stenen. Deze maatregelen zorgen ervoor dat risico's ten aanzien van klimaatverandering worden beperkt/gereduceerd.
De Greenport regio Boskoop heeft een echte centrumpositie in Nederland. Om die positie te kunnen vasthouden en uitbouwen, is met overtuiging gekozen voor ontwikkeling van de Greenport regio Boskoop. Om gestalte hieraan te geven is in opdracht van de toenmalige gemeente Boskoop, mede namens de gemeenten Reeuwijk, Rijnwoude en Waddinxveen, in 2011 de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport regio Boskoop (hierna: ISV) opgeleverd.
De ambitie die in deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport regio Boskoop (ISV) is verwoord, ligt in het ontwikkelen van een sterke, duurzame en beleefbare Greenport in een leefbare omgeving.
Figuur 4.1 Uitsnede Visie kaart Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport regio Boskoop Partiële herziening 2020
Toetsing aan de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport regio Boskoop
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de woonfunctie nabij het centrum van Waddinxveen versterkt. De ontwikkeling draagt bij een sterke greenport door het plangebied te herontwikkelen naar woningbouw en maatschappelijke voorzieningen. Hierdoor krijgt het gebied een nieuwe stedelijke invulling. Hiermee wordt de leefbaarheid in de omgeving versterkt. Gelet hierop wordt dan ook gesteld dat het project aansluit op de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport regio Boskoop.
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 12 oktober 2022 de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 vastgesteld. De omgevingsvisie is de opvolger van de Structuurvisie Waddinxveen 2030. Met de omgevingsvisie wordt vooruitgelopen op de toekomstige Omgevingswet. Onder deze wet wordt de omgevingsvisie een (verplicht) gemeentelijk instrument. In de omgevingsvisie wordt de koers uitgezet voor de toekomst, gericht op de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is daarbij de kapstok voor het toekomstig beleid en initiatieven.
De gemeente wil voorzien in een gevarieerd woningaanbod, zodat ongeacht inkomen, leefstijl en huishoudenssamenstelling iedereen een geschikte woning kan vinden in Waddinxveen. De woningvoorraad heeft dan ook een evenwichtige verdeling van sociale huur, middenhuur en koopwoningen die op de lokale en regionale vraag worden afgestemd. De gemeente streeft zoveel mogelijk naar versterking van ov-knooppunten, bijvoorbeeld met nieuwe of vernieuwde woningbouwlocaties in de nabijheid van ov-haltes.
Op de integrale kaart van de omgevingsvisie is het plangebied aangeduid als 'woonkern' en 'potentiële woningbouwlocatie' (zie blauwe pijl op figuur 4.2).
Figuur 4.2 Uitsnede integrale kaart Omgevingsvisie (bron: gemeente Waddinxveen)
Toetsing aan de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050
De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied is in lijn met de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050. Het plangebied is namelijk aangemerkt als een potentiële woningbouwlocatie. Tevens levert de ontwikkeling een bijdrage aan de gewenste gedifferentieerde woonmilieus.
Motie "Voor elk huishouden een boom"
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft in 2019 een motie aangenomen waarin kortweg de ambitie is uitgesproken om voor iedere nieuw gebouwde woning een boom te planten in de gemeente Waddinxveen. Deze ambitie geldt ook voor het plan aan de Peter Zuidlaan. Aangezien het plangebied voorheen geen woningen telde, komt het aantal nieuwe bomen neer op minimaal 60 bomen voor het plangebied. Deze bomen zullen verdeeld over de gemeente worden gepland.
Motie "Groen in plaats van stenen"
Verder heeft de gemeenteraad van Waddinxveen in 2022 een motie aangenomen waarin het college wordt verzocht om nog goed te keuren bestemmingsplannen voor gebiedsontwikkeling te toetsen op het percentage van verharding van tuinen waarbij het streven is naar 50% maximale verharding. Om deze reden is in artikel 6.3.2 hiervoor een regel opgenomen.
De Woonzorgvisie Waddinxveen 2035 is een nadere uitwerking - een programma - van het thema 'Wonen' van de Omgevingsvisie. De woonzorgvisie is tot stand gekomen met de verschillende stakeholders op het gebied van wonen. De woonzorgvisie gaat in op de duurzame huisvesting van de huidige en toekomstige inwoners van Waddinxveen, de vraag en het aanbod en de bestaande en gewenste woningvoorraad. Het doel is om de vraag en aanbod zoveel mogelijk bij elkaar te brengen zodat iedereen die dat wil prettig kan wonen in Waddinxveen. Om dit doel te realiseren is de woonzorgvisie opgebouwd uit vier pijlers.
De eerste pijler is beschikbaarheid en betaalbaarheid. Deze pijler gaat over passende huisvesting voor diverse doelgroepen. De tweede pijler gaat over wonen, zorg en welzijn. Een belangrijk thema is duurzaamheid, daarom gaat de derde pijler over dit thema. De vierde pijler gaat ten slotte over leefbaarheid. Het gaat hier zowel over de woningen zelf als over de woonomgeving. Naast de pijlers wordt er in het uitvoeringsprogramma, wat bij de woonzorgvisie hoort, ingegaan op het gewenste woningbouwprogramma voor Waddinxveen en de manier waarop de gemeente met 'partners in wonen' samenwerkt. Hieronder volgt een uiteenzetting van de pijlers uit het uitvoeringsprogramma:
Toetsing aan de Woonzorgvisie en het uitvoeringsprogramma
Peter Zuidlaan is opgenomen in het uitvoeringsprogramma 2023-2027 met indicatief 55 woningen (zie onderstaande figuur).
Figuur 4.3 Overzicht woningbouwplannen Waddinxveen 2022-2030 (Bron: Uitvoeringsprogramma Woonzorgvisie Waddinxveen 2023-2027)
In het uitvoeringsprogramma is voor Peter Zuidlaan de onderstaande verdeling van woningsegmenten opgenomen. Deze verdeling wijkt af van het gemeentelijke programma (30% sociale huur). Hierbij is van belang dat de gemeenteraad begin 2022 een afwijking op het gemeentelijke programma heeft vastgesteld zodat het CPO deel (zuidelijk plandeel) uitsluitend uit Duur bestaat en het Woonpartners deel (noordelijk plandeel) uit middenhuur. De reden hiervoor is met name dat het aandeel sociaal in de omgeving zeer groot is zodat er naar een beter evenwicht binnen het gebied is gezocht door minder sociaal te realiseren.
Figuur 4.4 Woningbouwplannen, besluitvorming niet-conform Woonvisie 2018-2022. Peildatum: maart 2023
De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan acht beleidskaders om de ambities te realiseren. Zowel de beleidskaders als de maatregelen om de knelpunten te reduceren hebben als doel om de mobiliteitsambities te realiseren. De beleidskaders worden gebruikt in het integrale afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen.
Toetsing aan het Mobiliteitsplan
Deze ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten van het Mobiliteitsplan. Daarnaast wordt bij de herinrichting van de wegen rondom de bebouwing aangesloten op het Mobiliteitsplan.
Op 9 juli 2014 heeft de gemeenteraad van Waddinxveen het Parkeerbeleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld, omdat er tot nu toe geen volledig beeld van de parkeersituatie was in Waddinxveen. De gemeente streeft naar een goede en eerlijke parkeersituatie, waarvoor duidelijke uitgangspunten worden opgesteld. De uitgangspunten geven aan:
Het parkeerbeleid heeft betrekking op de (toekomstige) bebouwde kom van Waddinxveen. De basis hiervoor is de regeling zoals opgenomen in het 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (2018) en aanvullend de richtlijnen van CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018). Het CROW maakt onderscheid in de stedelijkheidsgraad en de locatie. Waddinxveen gaat voor de hele gemeente uit van 'sterk stedelijk' als stedelijkheidsgraad. Afhankelijk van de betreffende locatie wordt gekozen voor 'centrum', 'schil centrum', 'rest bebouwde kom' of 'buitengebied', waarin per locatie de bandbreedte wordt bepaald.
Toetsing aan het Parkeerbeleid
Voor de toetsing aan het parkeerbeleid wordt verwezen naar paragraaf 3.2.
Deze ‘Koers naar Duurzaam Waddinxveen’ is gebaseerd op de concept omgevingsvisie. Het ontwerp Omgevingsvisie Waddixveen 2050 heeft tot en met 18 mei 2022 ter inzage gelegen. De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 dient door de gemeenteraad nog te worden vastgesteld. De thema’s in de omgevingsvisie gaan over de vier veranderingen van deze duurzaamheidskoers. Deze duurzaamheidskoers is daarom ook te beschouwen als een nadere uitwerking van de omgevingsvisie. De duurzaamheidskoers brengt de omgevingsvisie, het beleid op het gebied van sociaal domein en diverse plannen en projecten op het gebied van duurzaamheid bij elkaar.
Een kompas voor de toekomst identificeert vier transities
In de eerste plaats biedt het koersdocument in een duurzaamheidskompas voor de toekomst. Met behulp van het kompas maakt de gemeente een korte analyse van de huidige situatie. Er worden vier noodzakelijke veranderingen (transities) inzichtelijk gemaakt. Dit zijn de energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit. Dit zijn ook de wettelijk en (inter)nationale bepaalde doelen.
Een missie op de toekomst: circulair en groen Waddinxveen met schone energie
De gemeente Waddinxveen wordt uiterlijk in 2050 een circulaire en groene gemeente met schone energie waarbij de gemeente gelijktijdig blijft doorwerken aan het behoud en versterken van een goede sociale basis. In 2030 is de gemeente op de helft van deze opgave en transitie.
Koersdocument beschrijft de puzzel
Het koersdocument beschrijft wat gedaan moet worden. Bijvoorbeeld: 2000 woningen aardgasvrij in 2030 omdat dat bijdraagt aan de CO2-reductiedoelstellingen van de energietransitie. Het koersdocument draagt geen ‘voorgeschreven’ inhoudelijke oplossingen aan. Hoe de CO2 terug (gaan) brengen, wordt (nader) uitgewerkt in onderliggende analyses zoals de Transitievisie Warmte (TVW) en de Regionale Energiestrategie.
Koersdocument nodigt iedereen uit om bij te dragen
Het koersdocument biedt de puzzelstukjes die ingevuld moeten worden door iedereen in de samenleving. Bij de te behalen resultaten geeft de gemeente aan welke bijdrage gemeente Waddinxveen zelf gaat leveren en wat de gemeente daarin nog te doen heeft.
Participatie voor dit koersdocument steunt op eerdere participatie trajecten
Dit koersdocument is mede gebaseerd op de omgevingsvisie (vastgesteld in 2022), de transitievisie warmte (vastgesteld in 2021), de regionale energiestrategie (vastgesteld in 2021) en de klimaatstress test en risico dialoog (uitgevoerd in 2019). In deze projecten heeft een uitgebreid participatie traject plaatsgevonden. De participatie voor dit koersdocument maakt hier gebruik van. Ook is specifieke input van een aantal maatschappelijke partners meegenomen, zoals vertegenwoordigers van het Duurzaamheidsplatform Waddinxveen van en voor ondernemers (DPW), Woonpartners Midden-Holland, WaddGroen, de energie coöperatie Waddinxveen en de Fairtrade werkgroep Waddinxveen.
Toetsing aan de Koers naar Duurzaam Waddinxveen
De voorliggende ontwikkeling betreft een binnenstedelijke ontwikkeling. In het plangebied wordt ingezet op het verminderen van hittestress, het versterken van de biodiversiteit en een duurzaam bouwproces. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door het toepassen van halfverharde parkeervakken, het groener inrichten van de openbare ruimte middels het planten van bomen en door een maximum te stellen aan het oppervlak dat verhard mag worden in tuinen. Daarmee wordt koers gezet op een duurzaam Waddinxveen. Ten slotte wordt het gebouw gasloos gerealiseerd en zal daarmee een bijdrage leveren aan de energieopgave. Gelet op het vorenstaande wordt met het voorliggend plan een bijdrage geleverd aan de Koers naar Duurzaam Waddinxveen.
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.
De Rijksoverheid heeft het Nationaal Waterplan 2022-2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan (hierna: NWP3) is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP3 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP3 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2022-2027 staan de volgende ambities centraal:
Het waterbeleid, zoals geformuleerd in het NWP3, werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het Rijksbeleid, zoals geformuleerd in het NWP, door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP3 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Een en ander is op Rijksniveau in het Barro vastgelegd.
Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen.
Kaderrichtlijn Water:
Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat de provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.
Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Waterplan 2021-2025. Het gemeentelijk Waterplan (GWP) 2021-2025 beschrijft de bijdrage van de gemeentelijke zorgplichten en watertaken aan verschillende kernambitie. Het GWP geeft vorm aan de gemeentelijke visie en beleidskaders op het gebied van water en riolering om de leefomgeving toekomstbestendig en klimaatadaptief in te richten. De zorgplichten en watertaken van de gemeente gaan verder dan alleen de buizen onder de grond. Gemalen, sloten en greppels hebben bijvoorbeeld ook tot doel om (afval)water te verwerken. Dit moet op een zodanige manier zijn geregeld dat het, in samenspraak met de hoogheemraadschappen, geen problemen veroorzaakt. De riool- en watervoorzieningen hebben dan ook een aantal belangrijke functies in het dagelijks leven, namelijk:
Het GWP geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de gemeentelijke voorzieningen op het gebied van water. Hiermee geeft de gemeente invulling aan de wettelijke zorgplichten voor de inzameling, het transport en de verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater. Ook gaat het GWP in op de gemeentelijke watertaken voor oppervlaktewater. Daarnaast worden op hoofdlijnen de activiteiten rond onderzoek, jaarlijks een groot onderhoud en investeringen omschreven. We richten ons voor deze activiteiten en de financiering ervan via de rioolheffing op de planperiode 2021-2025. Tot slot dient het GWP als instrument van de Omgevingswet nadat deze wet in werking is getreden.
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.
Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.
In het Waterbeheersplan (WBP6) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2028. Op 8 februari 2022 is het WBP6 'Water wijst de weg' vastgesteld (https://wbp6rijnland.nl/). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
Keur en beleidsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
maar ook aan:
In 2020 is de Keur 2020 in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een 'ja, tenzij' benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.
Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het Rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat, zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
Huidige situatie
In de huidige situatie is het plangebied gekenmerkt als verhard terrein met een gymzaal en scholencomplex. Rondom de bebouwing is sprake van klinker en tegelverharding. De parkeerplaats bestaat uit klinkers.
Bodem en grondwater
De bodemopbouw bestaat uit zand en/of veen in de toplaag en vanaf 1,0 -2,5 m -mv bestaat de bodem voornamelijk uit klei. Maaiveld hoogte is Circa 5,1 m -NAP. Bij het verkennend bodem onderzoek is huidige geohydrologie bepaald, zie onderstaande tabel.
Figuur 5.1: Geohydrologische parameters voor plangebied
Waterkwantiteit
Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de legger. Rondom het plangebied zijn watergangen gelegen. De watergang aan de oostzijde is getypeerd als een primaire watergang. De watergang in het westen betreft een overige watergang. Bij primaire watergangen is sprake van een beschermingszone van 5m breed, bij de overige watergangen is deze beschermingszone 2m breed.
Figuur 5.2. Uitsnede legger Rijnland
Beschermingszones zijn vastgelegd in de legger oppervlaktewateren om de volgende redenen:
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel, bestaande uit een gemengd stelsel.
Toekomstige situatie
Bodem en grondwater
De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater.
Waterkwantiteit
Volgens het beleid van Hoogheemraadschap Rijnland dient een toename van het verhard oppervlak gecompenseerd te worden. In het kader van de Keur dient bij een toename van het verhard oppervlak van 500 m² of meer voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning te worden aangevraagd. Compensatie 15% van toename verharding (vanaf 500m² bij meer dan 1 ha is sprake van maatwerk). In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg geheel verhard. Door de beoogde ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet of nauwelijks toenemen. Watercompenserende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Riolering en afkoppelen
Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:
De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater
Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld:
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidsniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen.
De Wet geluidhinder verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden langs gezoneerde geluidsbronnen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh):
Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Als uit onderzoek blijkt dat hier niet aan voldaan kan worden en maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze Hogere Waarde inderdaad kan worden vastgesteld heeft de gemeente Waddinxveen op 5 maart 2019 de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland vastgesteld. In deze Beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde mogen verlenen. In onderstaande tabel zijn de voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden ten aanzien van wegverkeer, railverkeer en industrie weergegeven.
Tabel 6.1: Overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden in dB voor weg-, railverkeer en industrielawaai
| Bestemming | Geluidsbron | Geluidsbelasting Lden in dB | |
|
Voorkeurs- grenswaarde |
Maximale grenswaarde |
||
| Nieuw te bouwen of het bestemmen van geluidsgevoelige bestemmingen | Wegverkeer (binnenstedelijk) | 48 | 63 |
| Railverkeer | 55 | 68 | |
| Industrie | 50 | 55 | |
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidhinder. Voor cumulatie van geluid is in Bijlage I, hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 een methodiek gegeven voor het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting. Hierin wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Voor bepaling van de milieukwaliteitsmaat is de gangbare rekenmethode Miedema gehanteerd. De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 6.2.
Tabel 6.2: Milieukwaliteitsmaat (Miedema)
| Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB | Milieukwaliteitsmaat MKM |
| < 50 | Goed |
| 50-55 | Redelijk |
| 55-60 | Matig |
| 60-65 | Tamelijk slecht |
| 65-70 | Slecht |
| > 70 | Zeer Slecht |
Afbeelding 6.2 Uitsnede contourenkaart (Bron: gemeente Waddinxveen)
Wegverkeerslawaai
Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Willem de Zwijgerlaan, Esdoornlaan, Beethovenlaan, Chopinlaan en het gedeelte van de Kerkweg-West met een snelheidsregime van 50 km/h. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen.
Voor de 30 km/h weg Johannes Postlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen de voorkeursgrenswaarde met maximaal 1 dB overschrijdt.
Voor de overige 30 km/h wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen c.q. appartementen CPO overschrijdt. Bovendien kan voor 30 km/h wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn.
Voor de gezoneerde wegen Beethovenlaan, Esdoornlaan, Willem de Zwijgerlaan en het gedeelte van de Kerkweg-West met een snelheidsregime van 50 km/h geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen c.q. appartementen overschrijdt.
Voor de Chopinlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen Woonpartners en de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 6 en 4 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.
Spoorweglawaai
Voor spoorweglawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn Gouda –Alphen aan den Rijn.
Voor de spoorlijn Gouda –Alphen aan den Rijn geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai van 55 dB nergens wordt overschreden. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van spoorweglawaai niet aan de orde.
Maatregelen
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve eveneens niet erg doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard.
Hogere waardenbeleid
Voor vrijwel alle woningen geldt dat de geluidgevelbelasting niet meer dan 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde conform Wet geluidhinder ligt. Enkel voor de westelijk georiënteerde appartementen in het complex in het noordelijke deel van het plangebied geldt dat geluidbelasting op de westgevel de voorkeursgrenswaarde met 6 dB overschrijdt. Derhalve dienen deze appartementen te beschikken over een geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte.
De hogere waarden en de bijbehorende benodigde maatregelen worden opgenomen in een Besluit hogere waarden Wet geluidhinder. In de planregels wordt geborgd dat woningen alleen gebruikt kunnen worden indien wordt voldaan aan dit besluit. Een goed akoestisch woon- en leefklimaat is hierdoor gewaarborgd.
Voor de Chopinlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen Woonpartners en de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 6 en 4 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Voor de 30 km/h weg Johannes Postlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen de voorkeursgrenswaarde met maximaal 1 dB overschrijdt.
Bij toepassing van de benodigde maatregelen uit het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
| stof | jaargemiddel de | uurgemiddeld e | 24-uursgemiddel de | Opmerkingen |
| NO2 | 40 µg/m3 | 200 µg/m3 | n.v.t. | Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden |
| PM10 | 40 µg/m3 | n.v.t. | 50 µg/m3 | 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden |
Ten aanzien van tabel 6.3 wordt opgemerkt dat Pm2,5 niet is beoordeeld. Dit omdat:
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden als:
Regeling NIBM
De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is:
Ook is in het Besluit NIBM, art.5 een anticumulatiebepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.
De beoogde ontwikkeling voorziet in maximaal 60 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIML kaart. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Choplinlaan. Uit de CIML kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2022; 16,6 µg/m3 voor NO2, 17,3 µg/m3 voor PM10 en 9,7 µg/m3 voor Pm2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn.
Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar.
Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Deze brochure geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken.
De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype “gemengd gebied” kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. In tabel 6.4 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.
Tabel 6.4 Richtafstanden volgens VNG richtlijn
| Milieucategorie van bedrijf | Richtafstand rustige woonwijk (meter) | Richtafstand gemengd gebied (meter) |
| 1 | 10 | 0 |
| 2 | 30 | 10 |
| 3.1 | 50 | 30 |
| 3.2 | 100 | 50 |
De beoogde ontwikkeling maakt woningen mogelijk, deze woningen zijn getypeerd als milieugevoelige functies en dienen beoordeeld te worden ten aanzien van de milieu belastende activiteiten vanuit de omgeving.
Rondom de locatie zijn de bestemmingen maatschappelijk en wonen van toepassing. De bestemmingen maatschappelijk hebben op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" een richtafstand van minimaal 30 meter. Hieraan kan niet worden voldaan. De kortste afstand tot het noordelijke plangebied is 15 meter. Hier bevindt zich het Dienstencentrum Anne Frank Centrum.
Voor de rest is er geen sprake van milieubelastende activiteiten binnen of rondom het plangebied.
Dienstencentrum Anne Frank Centrum
Het Anne Frank Centrum betreft een locatie waar kerkdiensten plaatsvinden en tevens activiteiten voor ouderen worden georganiseerd. Bij een beschouwing van het programma wordt o.a. de volgende cursussen en activiteiten verzorgd:
Deze activiteiten vinden uitsluitend binnenpands plaats, met werktijden van 09:30 tot hoogstens 16:00. Gezien het feit dat deze activiteiten binnenpands worden verzorgd en dat er sprake is van activiteiten waar het zeer aannemelijk is dat daar geen geluidshinder aan wordt ondervonden, wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van goed woon- en leefklimaat.
Maatschappelijk en wonen
In het noordelijke deel van het plangebied wordt een complex gerealiseerd met maximaal 35 huurappartementen en een begane grond met ruimtes die bestemd zijn als maatschappelijk(e ruimte). De beoogde maatschappelijke ruimte wordt gebruikt voor activiteiten buiten de kerkdiensten. De kerkdiensten blijven gehouden worden in het Anne Frank Centrum.
Bij het vast stellen van een aanvaadbaar woon - en leefklimaat ter plaatse van de woningen dient het potentieel geluidoverlast beschouwt te worden. De kerkdiensten vinden plaats in de bestaande bebouwing, het Anne Frank Centrum. Hierbij geldt dezelfde onderbouwing als de cursussen en activiteiten voor ouderen; Deze activiteiten vinden uitsluitend binnenpands plaats, er is wekelijks één dienst om 10:00 op zondagen. Gezien het feit dat deze activiteiten binnenpands worden verzorgd en dat er sprake is van activiteiten waar het zeer aannemelijk is dat daar geen geluidshinder aan wordt ondervonden, wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van goed woon- en leefklimaat.
De bestemming maatschappelijk laat verschillende activiteiten toe; waaronder educatieve, medische-, culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen. Deze vormen van bedrijfsvoering brengen geen milieuhinder met zich mee. Deze activiteiten kunnen zonder knelpunten naast een woonbestemming worden uitgevoerd waarbij er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen en waarbij de bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er voor de woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan de afstand tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.
Plaatsgebonden risico (PR)
Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
Groepsrisico (GR)
Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd:
Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities.
Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, is binnen en rondom het plangebied geen sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen via spoor, weg of vaarweg en zijn er geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Wel is er in de nabije omgeving van het plangebied een aardgasleiding aanwezig (figuur 6.5).
Figuur 6.5 Risicokaart, nadrukkelijk de buisleiding ten oosten van het plangebied.
Aardgasleiding W-517-01
Conform de risicokaart blijkt dat de locatie zich in het invloedsgebied van de aardgasleiding W-517-01 bevindt. Het betreft een aardgasleiding met diameter van 12 inch en een druk van 40 bar. Er is sprake van een PR 10-7 (140m vanaf leiding) en PR 10-8-contour (240m) rond aardgasleiding W-517-01. Vanuit de beleidsnota EV Waddinxveen is er een kader voor hogedruk aardgasleidingen opgesteld. Hieruit blijkt dat binnen 70 meter van de gasleiding functies met een lage zelfredzaamheid uitgesloten moeten worden en binnen de zone 70-140 meter deze functie beperkt moeten worden. De beoogde ontwikkelingen zijn niet getypeerd als functies met lage zelfredzaamheid. Hierbij gelden wel maatregelen en moet er in worden gegaan op het groepsrisco.
Omdat er momenteel al sprake is van een schoolfunctie en gymzaal, zal met de beoogde ontwikkeling geen sprake zijn van een grote toename aan personen. Tevens is het huidige groepsrisico van de W-517-01 in vigerende bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwing onderzocht en hieruit blijkt dat het groepsrisico van de buisleiding ruim onder de oriëntatie waarde ligt; het meest recente onderzoek gedateerd uit 2022 voor de herontwikkeling van de Dreef, ten noorden van het beoogde plangebied (AVIV, onderzoek externe veiligheid, 23-11-2022, 225047). Hierbinnen is het gehele invloedsgebied van de buisleiding onderzocht. De QRA geeft aan dat de berekende groepsrisicofactor op 0.29 ten opzichte van de oriëntatiewaarde ligt. Daarom wordt er voldaan met een verantwoording van het groepsrisico.
Verantwoording groepsrisico
Het uitgangspunt bij omgevingsveiligheid is dat mensen binnen aandachtsgebieden, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan het bevoegd gezag om, bij het mogelijk maken van in dit geval een kwetsbare groep binnen het aandachtsgebied, te bepalen of en wanneer er sprake is van voldoende bescherming. Kern is dat het bevoegd gezag veiligheid als ontwerpvariabele meeneemt in de planvorming.
Binnen het aandachtsgebied moet rekening worden gehouden met externe veiligheid voor nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (art. 5.15 'Besluit kwaliteit leefomgeving') in 3 stappen:
1. Afstand houden van het aandachtsgebied:
Er is weinig schuifruimte binnen het plangebied. De gebouwen liggen, voor het merendeel, gesitueerd aan westzijde van het plangebied. Verder afstand houden van het aandachtsgebied is geen optie.
2. Waarderen al bestaande bescherming
Binnen het brandaandachtsgebied moet rekening worden gehouden met de effecten van een fakkelbrand bij de gasleiding (oorzaak schade door derden) met enorme warmtestraling in de omgeving tot gevolg.
Voor de blootstelling aan deze warmtestraling is het zeer relevant of de aanstraling direct is of dat er sprake is van schaduwwerking door objecten die tussen het incident en te beschermen gebouw zijn gelegen. Dit is ook gebleken bij incidenten als het ongeval in Gellingen (België) in 2004. Het beoogde ontwerp is in figuur 6.4 weergegeven. Vanuit dit perspectief is de buisleiding oostelijk gelegen, de rode lijnen geven de potentiële effecten van fakkelbrand weer. Hierbij betreft het enkel de richting en verhouding tussen de beoogde ontwikkeling, bestaande objecten en buisleiding. Er worden geen aannames gemaakt met betrekking tot de omvang van fakkelbrand. Op te merken aan dit figuur is dat voor merendeel er sprake is van schaduwwerking door bestaande objecten. De gasleiding loopt parallel aan het spoor, langs het spoor is een dichte groenstrook waarbij mogelijk ook sprak is van (beperkte) schaduwwerking.
Figuur 6.4: Huidig ontwerp ten aanzien van fakkelbrand en schaduwwerking van bestaande objecten
3. Overwegen aanvullende bescherming
Afstand houden binnen aandachtsgebied is geen optie.
De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Daarom is het nodig dat binnen aandachtsgebieden aanvullende risico- en crisiscommunicatie wordt georganiseerd. Voor de ingebruikname van het object is een ontruimingsplan benodigd, welke is afgestemd met de overige gebruiksfuncties in het object. In dit ontruimingsplan is niet alleen aandacht voor een gebouwbrand, maar ook voor het scenario van een fakkelbrand bij de gasleiding (verschillende handelingsperspectieven, zie ook advies van de Veiligheidsregio in bijlage III).
Het beperken van het aantal aanwezige personen is geen optie. De provincie Zuid-Holland, de regio en de gemeente Waddinxveen hebben namelijk een grote woningbouwopgave. Daarbij is het uitgangspunt om deze woningen binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Met het vrijkomen van de locatie aan de Peter Zuidlaan is heir een mogelijkheid om te voorzien in een aantal woningen, dat aansluit op de lokale, regionale en provinciale woningbehoefte. Daarbij is zorgvuldig rekening gehouden met dichtheid aan woningen in de directe omgeving. Indien er minder woningen worden gerealiseerd sluit de ontwikkeling niet aan op de behoefte en is de ontwikkeling niet passend in de omgeving. Tevens zijn er elders binnen de gemeente niet genoeg geschikte locaties om deze woningen te realiseren.
Gezien de ligging van het pand ten opzichte van de gasleiding zijn er voldoende mogelijkheden om te schuilen in het pand of zo nodig te vluchten van de gasleiding af onder bescherming van gebouwen.
Omgevingsmaatregelen zijn maatregelen die in het gebied tussen de risicobron en het te beschermen object kunnen worden getroffen. Zoals bij stap 2 al aangegeven zijn er gebouwen aanwezig tussen het pand en de gasleiding. Dit levert in belangrijke mate bescherming tegen warmtestraling.
Aanvullende bouweisen zijn verplicht voor nieuwe 'zeer kwetsbare gebouwen', zoals een basisschool, kinderdagverblijf, ziekenhuis, enz. Dat is bij de beoogde ontwikkeling niet aan de orde. Daarnaast is er al een zekere mate van bescherming door de ligging van bebouwing tussen het pand en de gasleiding. Wel wordt aanbevolen om te voorzien in mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. Dit is onder de Omgevingswet een verplichte maatregel bij nieuwbouw. Hierop vooruitlopend is deze maatregel vastgelegd in de planregels van dit bestemmingsplan.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een aardgasleiding W-517-01 . Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico echter niet aanzienlijk toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De ligging van het plangbied ten opzichte van de gasleiding, in de schaduw van gebouwen ten westen, zorgt in belangrijke mate voor afscherming in geval van een fakkelbrand bij de gasleiding. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):
Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.
Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse.
Het milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd door IDDS. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek en conclusies gegeven. Het volledige rapport staat in bijlage 4. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie.
Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies gesteld:
Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn zo laag dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel niet noodzakelijk is.
Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden.
Het bodemonderzoek heeft de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoek locatie onderzocht. Bovenstaande resultaten laten zien dat er geen aanname is voor belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen en het toekomstige gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen.
De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving.
De gemeente Waddinxveen heeft in 2012 het eigen archeologiebeleid vastgesteld. Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Deze kaart is in 2018 geactualiseerd en vastgelegd in het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg.
In het plangebied komen geen archeologisch bekende vindplaatsen voor. Evenmin is er sprake van een archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied valt buiten de reikwijdte het parapluplan Archeologie & Parkeren dat door de gemeente is vastgesteld in 2018.
Op grond van de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Waddinxveen blijkt de locatie een lage verwachting te hebben voor archeologische vondsten. Voor de realisatie van beoogde ontwikkeling is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Figuur 6.6. Uitsnede archeologische verwachtingenkaart
Cultuurhistorie
In het plangebied staat geen cultuurhistorische bebouwing. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is voorafgaand aan de werkzaamheden geen onderzoek nodig.
Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de volgende landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Provinciale Omgevingsverordening (2021), met bijbehorende beleidsregels voor vergunningplicht voor stikstofuitstoot bij activiteiten, van de provincie Zuid-Holland; natuurbeheerplan 2021. Indien beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in een plangebied dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en een veldbezoek) te worden vastgesteld of het voornemen redelijkerwijs uitvoerbaar is, en:
Indien deze beschermde natuurwaarden niet worden aangetast, wordt het project conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht. In dat geval dient rekening te worden gehouden met de algemeen geldende zorgplicht (artikel 1.11) van de Wnb. De zorgplicht bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is maatregelen te nemen die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.
De voormalige schoolgebouwen zijn gesloopt. Voor deze sloop en voor de realisatie van de nieuwbouw zijn de benodigde ecologische onderzoeken uitgevoerd. Daarnaast is door het bevoegd gezag een ontheffing verleend voor vleermuizen om de schoolgebouwen te kunnen slopen. De ontheffing is opgenomen in bijlage 7. Het bijbehorende activiteitenplan, inclusief onderliggende onderzoeken, is opgenomen in bijlage 8.
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 3km en tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt 1 km.
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. In de bijlagen bij het bestemmingsplan zijn daarom de depositie-effecten als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op het Natura 2000-gebied bepaald. uit deze berekeningen blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr.De AERIUS berekening en bijbehorende memo zijn opgenomen in de bijlage.
In het kader van de sloop van de voormalige bebouwing is een quickscan flora en fauna uitgevoerd en aanvullend onderzoek naar vleermuizen (zie bijlage 2). Uit het aanvullend onderzoek bleek dat vleermuizen aanwezig zijn en is er ontheffing aangevraagd en verleend (zie bijlage 7). Er is geen sprake van overige beschermde soorten in het plangebied.
Op 1 april 2022 is door ODH de ontheffing Wet natuurbescherming onderdeel soortenbescherming voor vleermuizen verleend.
Wel geldt de algemene zorgplicht voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventuele aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten en eventuele aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt voldaan aan de zorgplicht.
Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied.
De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Op 1 april 2022 is door ODH de ontheffing Wet natuurbescherming onderdeel soortenbescherming voor vleermuizen verleend.
IDDS heeft op 3 maart 2023 een QuickScan Ontplofbare Oorlogsresten opgesteld, zie bijlage 9. Hierbij wordt nagegaan of er mogelijk sprake is van blindgangers uitgerust met trillingsgevoelige ontstekers. Achtergebleven ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse bodem kunnen een risico vormen binnen de realisatie van een project.
Het onderzoeksgebied Peter Zuidlaan is in de directe nabijheid van een op afwerpmunitie verdacht gebied gelegen. Mogelijk zijn er vliegtuigbommen aanwezig uitgerust met ontstekers met een voorgespannen slagpinveer. Derhalve moet binnen 10 meter van het verdachte gebied voorkomen worden dat de Vereniging voor explosieven Opsporing (VEO) normwaarde voor de invloedsfactor trillingen niet wordt overschreden.
Figuur 6.3 Kaart OO. Bron: REASeuro actualisatie historisch vooronderzoek gemeente Waddinxveen bodembelastingkaart en de VEO.
Omgevingsdient Midden-Holland (ODMH) heeft bovenstaande kaart nader beschouwt en het plangebied vergeleken met de bodembelastingskaart Ontplofbare Oorlogsresten (ReasEuro 2021). De ODMH concludeert dat het plangebied buiten het OO-verdachte gebied valt. Voor het plan worden er binnen de gedefinieerde 10 m zone om de OO verdenkingscontour geen intensieve grondbewerkingen uitgevoerd. Slopen en heien is daar niet aan de orde. De herinrichting ter plaatse zal bestaan uit aanplant van groen en maken van een bestrating. Projectspecifiek hoeft er dus geen rekening te worden gehouden met het optreden van trillingen. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met het ontstaan van een onveilige situatie door het optreden van trillingen.
Wel wordt aanbevolen de algemene maatregel om het uitvoerend personeel altijd voorafgaand aan de werkzaamheden te instrueren volgens het Protocol spontaan aantreffen ontplofbare oorlogsresten (zie bijlage 7). Dit om de risico’s, welke gepaard gaan met het spontaan aantreffen van munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog, te verkleinen
Er hoeft er geen rekening te worden gehouden met het optreden van trillingen. Er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met het ontstaan van een onveilige situatie door het optreden van trillingen.
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r..
Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.
Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen).
Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden.
Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.
De activiteit valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject), maar onder de aangegeven drempels van kolom 2. Er zal daarom met een vormvrije m.e.r. beoordeling beoordeeld moeten worden of er, op basis van de criteria uit Bijlage III van de m.e.r. richtlijn, sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Deze criteria betreffen de:
De bovenstaande drie criteria worden behandeld in een separate aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze is toegevoegd in bijlage 10.
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er nagenoeg geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een m.e.r.-procedure wordt niet noodzakelijk geacht. Door het college van burgemeester en wethouders wordt op basis van de aanmeldingsnotitie voor de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan vastgesteld dat geen milieueffectenrapportage nodig is. In bijlage 11 is het m.e.r.-beoordelingsbesluit opgenomen.
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding is de bestemming vastgelegd, in de regels de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
Dit bestemmingsplan wordt opgezet ten behoeve van de woningbouwontwikkeling Peter Zuidlaan. Er is gekozen voor een opzet met enige flexibiliteit, waarbij het voornemen dient te passen binnen de juridisch-planologische kaders.
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven.
Bestemming Groen
De gronden binnen de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Tevens kunnen de gronden worden ingericht ten behoeve van speelvoorzieningen. Gebouwen zijn toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen.
Bestemming Verkeer
De bestemming 'Verkeer' heeft betrekking op alle wegen, straten en paden en parkeerplaatsen. Met daaraan ondergeschikt ook de groenstroken om parkeerplaatsen en de wegen aantrekkelijk in te richten.
Bestemming Water
In het onderhavige plan hebben alle belangrijke watergangen en waterpartijen de bestemming ‘Water’ gekregen. Binnen deze bestemming vallen watergangen, waterpartijen, waterhuishouding, waterberging, infiltratievoorzieningen en groenvoorzieningen. Ondergeschikte waterlopen maken deel uit van de betreffende bestemmingen als ‘Wonen’ of ‘Verkeer'. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn heel beperkt. Er zijn geen gebouwen toegelaten, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd.
Bestemming Wonen
De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn aangewezen om woningen te realiseren. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn gestapelde woningen toegestaan. De overige woningen worden als grondgebonden woningen gerealiseerd. Per grondgebonden woning mag er één opbouw worden gerealiseerd.
In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Het bestemmingsplan doorloopt een uitgebreide procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.
Ontwerpfase
Het ontwerpbestemmingsplan heeft de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen formele bestemmingsplanprocedure doorlopen. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen in de periode van 19 oktober 2023 tot en met 29 november 2023. In deze periode zijn twee schriftelijke zienswijzen ontvangen. Voor de beantwoording hiervan wordt verwezen naar de Nota van beantwoording zienswijzen, zoals opgenomen in bijlage 12.
Vooroverlegreacties
Gedurende de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is één vooroverlegreactie binnengekomen. Hieronder volgt een beknopte samenvatting en beantwoording van deze vooroverlegreactie.
Veiligheidsregio Hollands Midden
De Veiligheidsregio adviseert/verzocht om:
Verder geeft de Veiligheidsregio aan dat niet alle geadviseerde maatregelen kunnen worden opgenomen in dit bestemmingsplan, maar dat zij bedoeld voor andere afdelingen binnen de gemeente. Deze maatregelen kunnen mogelijk binnen andere ruimtelijke plannen of door andere disciplines van de gemeente worden geborgd. De Veiligheidsregio gaat ervan uit dat na de bestuurlijke afweging de overgenomen maatregelen bij de juiste afdeling(en) van de gemeente bekend worden gemaakt.
Beantwoording
De door de Veiligheidsregio verzochte/geadviseerde maatregelen zijn bij de verantwoordelijke afdelingen binnen de gemeente ondergebracht en zullen worden door die afdelingen worden meegenomen in de verdere bestuurlijke afweging.
Vaststellingsfase
Ten aanzien van de ingekomen zienswijze is een gemeentelijk standpunt bepaald in de zienswijzennota. Het resultaat van de zienswijzennota is verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. De indiener van de zienswijze is hiervan op de hoogte gesteld. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
De gronden in het bestemmingsplangebied zijn in eigendom van de gemeente. De gemeente zorgt voor het bouw- en woonrijp maken van de gronden en verkoopt de bouwrijpe gronden tegen marktconforme waarde aan de woningbouwstichting. Door de gemeentelijke gronduitgifte is het kostenverhaal verzekerd en is er geen wettelijke verplichting tot vaststellen van een exploitatieplan. Er is sprake van een sluitende gemeentelijke grondexploitatie behorend bij de verwachte realisatie van dit bestemmingsplan. Hierdoor is het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar.