direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Westdijk 78 en Westdijk 82 Mijnsheerenland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het project

Voorliggend bestemmingsplan betreft een gedeelteijke herziening van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Binnenmaas" van gemeente Binnenmaas ten behoeve van verplaatsing van het agrarisch bouwvlak van de locatie Westdijk 78 naar de locatie Westdijk 82 (voorheen 89a) te Mijnsheerenland. Tevens een vergroting van het bouwvlak naar 1,5 hectare.

In hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder toegelicht, daar is een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Initiatiefnemer is eigenaar van een akkerbouwbedrijf in Ridderkerk. Nu initiatiefnemer door overheidsingrijpen gedwongen wordt zijn landbouwbedrijf te Ridderkerk te staken, wil hij zijn gehele akkerbouwbedrijf vestigen aan de Westdijk te Mijnsheerenland. Aan de Westdijk 78 is een agrarisch bouwblok aanwezig. Vanuit planologisch oogpunt bezien, zijn er echter toch twee nadelen om het gehele akkerbouwbedrijf aan de Westdijk 78 te vestigen. Ten eerste is het huidige agrarische bouwblok slechts circa 3.000 m2 groot terwijl er een circa 15.000 m2 groot bouwblok gewenst is. Ten tweede wordt dit agrarische bouwblok zowel aan de zuidzijde als de noordzijde direct aansluitend begrenst door twee buurpercelen te weten Westdijk 76 en Westdijk 80 die de bestemming woondoeleinden hebben en welke eigendom zijn van derden die daar ook wonen.

Dit plan voorziet in om het agrarische bouwblok aan de Westdijk 78 in noordelijke richting te verplaatsen naar Westdijk 82 en de oppervlakte aldaar te vergroten naar 15.000 m2 agrarisch bouwblok. Binnen het te bestemmen bouwblok aan de Westdijk 82 kan dan een nieuwe bedrijfswoning gerealiseerd worden en nieuwe landbouwschuren. De bestaande landbouwschuur op het erf wordt dan positief bestemd en valt niet meer onder het overgangsrecht. Het agraische bouwblok aan de Westdijk 78 kan dan bestemd worden als landbouwgrond. De beide woningen Westdijk 76 en 80 komen dan vrij en met nog minder eventuele hinder te wonen.

De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met de regels uit het vigerende bestemmingsplan. Echter, omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is, wordt door de gemeente in principe medewerking verleend. Hiertoe dient het bestemmingsplan gedeeltelijk te worden herzien. Middels voorliggend document wordt op basis van onderzoeken gemotiveerd waarom medewerking kan worden verleend.

1.2 Plangebied

De locatie ligt in het buitengebied, ten noordwesten van Mijnsheerenland. De betreffende locatie aan de Westdijk 78 is kadastraal bekend onder gemeente Mijnsheerenland, sectie E, nummer 819. De betreffende locatie aan de Westdijk 82 is kadastraal bekend onder gemeente Mijnsheerenland, Sectie E, nummer 773. In de volgende figuur is de topografische ligging van de projectlocatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0001.png"

Luchtfoto Westdijk 78 (rood) en Westdijk 82 (blauw)
Bron: Google Earth

1.3 Leeswijzer

bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

  • 1. Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • 2. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap.
  • 3. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van de plannen van de initiatiefnemer aan de aspecten milieu, ecologie, verkeer en parkeren, archeologie en cultuurhistorie en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, waar nodig, aanvullende onderzoeken uitgevoerd.
  • 4. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en nader ingegaan op handhaving.
  • 5. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
  • 6. Hoofdstuk 7 gaat in op de procedure.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt het voorgenomen initiatief behandeld.

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De planlocatie is gelegen aan Westdijk 78 en Westdijk 82 en is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Binnenmaas.

De omgeving van de planlocatie aan de Westdijk 82 bestaat voornamelijk uit agrarisch gebied. Nabij de projectlocatie zijn woningen en agrarische bedrijven gelegen. Het dichtstbijzijnd gevoelig object (woning van derden) is gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter ten opzichte van Westdijk 82 (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak).

2.1.2 Ruimtelijke structuur

De planlocatie aan de Westdijk 82 bestaat in de huidige situatie uit landbouwgrond en een landbouwschuur. De totale oppervlakte van het erf is circa 1.500 m2. De omvang van de bestaande landbouwschuur is ongeveer 300 m2.

De planlocatie aan de Westdijk 78 bestaat in de huidige situatie uit een agrarisch bouwperceel. Ter plaatse is een bedrijfswoning van circa 600 m3 aanwezig, een aangebouwde landbouwschuur van circa 375 m2 en enkele kleinere bijgebouwen met een totaal oppervlak van circa 125 m2 . De totale oppervlakte van het erf is circa 1.250 m2 groot. De bestaande bebouwing is verouderd en beperkt in omvang. De schuren voldoen niet aan de hedendaagse eisen die aan een bewaarplaats of machineberging van een akkerbouwbedrijf worden gesteld. In de volgende figuur is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0002.png"

Luchtfoto Westdijk 78 (rood) en Westdijk 82 (blauw)
Bron: Google Earth (Microsoft).

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning te vervangen, het agrarisch bouwvlak van de locatie Westdijk 78 te verplaatsen naar Westdijk 82 en het bouwvlak te vergroten. De maximale inhoud van de bedrijfswoning bedraagt 775 m3. De algehele vervanging biedt de mogelijkheid om de situering van het erf te heroverwegen. Het bedrijf kent een oppervlak van ca. 70 ha en het beoogde bouwplan ziet er als volgt uit:

  • 17 ha aardappelen
  • 17 ha tarwe
  • 12 ha uien
  • 7 ha suikerbieten
  • 5 ha graszaad
  • 12 ha grond wordt verhuurd/geruild voor teelt van met name spruiten

Door een deel van de grond te ruilen voor andere gewassen, is er sprake van een goede rotatiewisseling.

Naast het telen van de gewassen, komt een deel van de bedrijfsinkomsten uit het sorteren en verpakken van ca. 35% van de aardappelen in kleinere verpakking. Dit gebeurt in de periode na de oogst en zorgt voor continuïteit in het inkomen. Met de beschreven bedrijfsomvang is sprake van een volwaardig akkerbouwbedrijf.

In de gewenste situatie zal het volgende aan bebouwing en/of verharding worden opgericht op de locatie Westdijk 82:

Bebouwing
---------------------------------------------
Bedrijfswoning: 100 m2
Akkerbouwschuur: 3.600 m2


---------------------------------------------
Onverhard terrein 7.500 m2

Erfverharding: 1.800 m2
---------------------------------------------
Totaal: 13.000 m2

De toename in verhard oppervlak bedraagt 2.750 m2 (nieuw is 5.500 m² en bestaand is 2.750 m²). In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0003.png" Gewenste situatie.
Bron: DLV Advies

Er is geen bouwvlak aanwezig. Hierdoor is het niet mogelijk de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Het is wenselijk het bouwvlak te verplaatsen en te vergroten. De gewenste omvang van het nieuwe bouwvlak bedraagt 1,46 hectare.

Het voorgenomen plan is op enkele punten strijdig met het beleid zoals is opgenomen in het vigerend bestemmingsplan van gemeente Binnenmaas, waarvoor het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd. Op welke punten het voorgenomen plan strijdig is en voor welke onderdelen het bestemmingsplan dient te worden herzien, is nader uitgewerkt in de paragraaf "Geldende bestemmingsplannen (paragraaf 3.4.1 Geldende bestemmingsplannen).

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een plan opgesteld (zie bijlage 2) waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. De tekening is als basis genomen voor het beplantingsadvies (zie bijlage 3) waarin de beplanting is opgenomen die wordt toegepast. In dit inrichtingsplan is beschreven op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soort beplanting daarvoor wordt toegepast. Hierna is een afbeelding opgenomen van het landschapsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0005.png"

Landschapsplan
Bron: Jans Bos tuinontwerp & advies

Het bovenstaande plan is in overleg met het Hoekschewaards Landschap tot stand gekomen. Zij zijn van oordeel dat het inpassingsplan er goed uit ziet.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
 

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.

In het Barro wordt een aantal projecten die van nationaal belang zijn genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per plan worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven plangebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de plangebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

In het Barro zijn dertien projecten van nationaal belang beschreven:

  • Mainport ontwikkeling Rotterdam.
  • Kustfundament.
  • Grote rivieren.
  • Waddenzee en Waddengebied.
  • Defensie.
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
  • Rijksvaarwegen.
  • Hoofdwegen en hoofdspoorwegen.
  • Elektriciteitsvoorziening.
  • Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
  • Ecologische hoofdstructuur.
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament.
  • IJsselmeergebied.

Een ander belangrijk, nog niet geheel uitgewerkt, onderwerp van het Barro betreft “duurzame verstedelijking”. Hiervoor zullen mogelijk in de toekomst nog aanvullende regels volgen.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en “vermindering van de bestuurlijke drukte”. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad wellicht leiden tot een versnelde uitvoering van de in het Barro opgenomen projecten.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.

Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

Bij het Barro zijn kaarten opgenomen welke de genoemde projecten in beeld brengen. De projectlocatie is niet in een van de aangewezen plangebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit

Op 9 juli 2014 is de Visie Ruimte en Mobiliteit vastgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit is een structuurvisie op Provinciaal niveau en bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid. In de volgende paragrafen zijn de belangrijkste thema's uit de Visie genoemd.

3.2.1.1 Landbouw

In de visie is aangegeven dat er ruimte blijft voor agrarisch ondernemerschap, zodat de economische kracht van de sector behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Tegelijk ligt er een verantwoordelijkheid bij de landbouwsector om zich op de markt en de omgeving te oriënteren. De grondgebonden landbouw is een gezichtsbepalende factor in het landelijk gebied. De sector heeft een economisch gezond perspectief. De toegevoegde waarde is, ondanks de hoge grondprijzen, relatief groot. De vitaliteit van de grondgebonden landbouw is zowel voor de regionale economie als voor de kwaliteit van het landschap belangrijk. Bij het bieden van ruimte voor verdere ontwikkeling wil de provincie bereiken dat de landbouw een flinke sprong maakt in verduurzaming, ruimtelijke kwaliteit en het inspelen op omgevingsfactoren. De grondgebonden landbouw blijft daarnaast een belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit in Zuid-Holland. De provincie wil daarom de agrarische functie als producent van duurzaam voedsel en als belangrijke drager van het cultuurlandschap ook op termijn veiligstellen. In de bedrijfsvoering vraagt de samenleving prestaties op het gebied van duurzaamheid, vergroening, dierenwelzijn en volksgezondheid. Tegelijk is er, in het licht van diversiteit in het landelijk gebied, ruimte voor diverse nevenfuncties, mits passend in de gebiedskwaliteit. Het is vooral aan de agrarische ondernemer zelf om te kiezen voor schaalvergroting of verbreding en daarbij in te spelen op omgevingsfactoren en ruimtelijke kwaliteitseisen.

3.2.1.2 Agrarische bebouwing

Volgens de provincie vraagt een investering in verduurzaming en modernisering met een verantwoorde terugverdientijd (rentabiliteit) om een bepaalde schaalgrootte van een agrarisch bouwblok. Een zekere omvang is daarnaast nodig voor ruimtelijke inpassing van activiteiten en voorzieningen. En ook voor agrarische bebouwing geldt een ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In de meeste gevallen biedt de toegestane maximale omvang van twee hectare voor een agrarisch bouwvlak voldoende ruimte voor de toekomst. In een incidenteel geval is dit niet voldoende of reiken de ambities van een agrarisch ondernemer verder. De provincie houdt de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor het gangbare agrarisch bedrijf begrensd op 2 hectare voor een agrarisch bouwblok. In verband met mogelijke verbreding van activiteiten (met bijvoorbeeld zorg, recreatie of duurzame energieopwekking door middel van biomassavergisting) biedt de provincie indien nodig meer ruimte. Een bouwblok kan dan onder voorwaarden tot maximaal 2,5 hectare uitbreiden. Een voorwaarde is dat de agrarische hoofdfunctie behouden blijft. Het plan voorziet in een bouwvlak met een maximale omvang van 1,5 hectare en zal aan de voorwaarden voldoen.

3.2.1.3 Rivierdeltalandschap

In de Zuid-Hollandse delta zijn de wateropgaven en de opgaven voor de eilanden nauw met elkaar verweven. De provincie zet in op het bieden van ontwikkel- en vergroeningsmogelijkheden voor de grondgebonden landbouw. Met name in de Hoeksche Waard en op Goeree-Overflakkee is ruimte voor innovatieve landbouw, naast de recreatieve en landschappelijke waarden. Rond de hoogwaardige landbouw in de Hoeksche Waard en Goeree-Overflakkee, de dominante economische sector in dit gebied, speelt een aantal ruimtelijk-economische vraagstukken. Dat zijn bijvoorbeeld de beschikbaarheid van goede landbouwgrond, de verkeersontsluiting, de verduurzaming van de energievoorziening en schaalvergroting. Versterking van de toeristische en cultuurhistorische kwaliteiten is hier onderdeel van. Op Voorne-Putten en de Hoeksche Waard vormt de ontwikkeling van goede en recreatief aantrekkelijke overgangen tussen stad/dorp en land een opgave. Op het niveau van de gehele Zuid-Hollandse Delta zet de provincie in op de instandhouding en de voltooiing van Deltanatuur, en op gerichte ontwikkeling van recreatie en toerisme. Die ontwikkeling zal vooral moeten worden gekoppeld aan de kust en het waternetwerk van zeearmen en rivieren, maar ook aan de kwaliteit van het cultuurlandschap.

3.2.2 Verordening Ruimte 2014

Op 9 juli 2014 is de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. De volgende artikelen uit deze verordening zijn relevant voor dit initiatief. In cursief is de toetsing van dit initiatief aangegeven.

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

De locatie is gelegen in een grootschalig landschap. De ontwikkeling van het bedrijf past bij deze schaal. De nieuwe bebouwing sluit ten aanzien van bouwstijl en volume aan op de bestaande agrarische bedrijfsbebouwingen in de omgeving. Hier zal rekening gehouden worden als het gaat om de verkavelingsrichting, eenvoudige / eenduidige hoofdvorm, gebruik van sober materiaal en kleurkeuze.

b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en

2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;

Lid b is niet van toepassing op dit initiatief omdat de ontwikkeling qua aard en schaal wél past binnen het gebied. Er is geen sprake van aanpassen.

c. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:

1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en

2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Lid c is niet van toepassing op dit initiatief omdat de ontwikkeling qua aard en schaal wél past binnen het gebied. Er is geen sprake van transformeren.

Artikel 2.3.1 Agrarische bedrijven

Een bestemmingsplan voor agrarische gronden voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. nieuwe agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare;

Het nieuwe bouwperceel heeft een omvang van 1,46 hectare en blijft hiermee binnen de provinciale norm.

b. nieuwe agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven;

Er is sprake van een volwaardig akkerbouwbedrijf. Hiermee wordt een bedrijf gerealiseerd dat klaar is voor de toekomst. Dit is onderbouwd in het bedrijfsplan dat is opgenomen in bijlage 1 . De bestaande bebouwing is naar aard en omvang ongeschikt. De nieuwe bebouwing is hiermee doelmatig en noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.

c. bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten;

Het betreft een volwaardig agrarisch bedrijf en en is sprake van één bedrijfswoning.

d. nieuwe kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 2.1.5, 2.1.6 en 2.1.7, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlak van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlak van 300 m²

per bedrijf;

Er is geen sprake van het oprichten van kassen.

e. nieuwe boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 2.1.6, wordt uitgesloten;

Er is geen sprake van boom- en sierteelt.

f. nieuwe intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten;

Er is geen sprake van een intensieve veehouderij.

g. verplaatsing van een op 1 januari 2014 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij is mogelijk mits de bedrijfsvoering van het gehele bedrijf op de nieuwe locatie gedurende ten minste vijf jaar plaatsvindt op basis van certificering voor dierenwelzijn en duurzaamheid;

Er is geen sprake van een intensieve veehouderij.

h. uitbreiding van bebouwing ten behoeve van bestaande intensieve veehouderij als hoofdtak kan binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare worden toegelaten, voor zover de bedrijfsvoering in die uitbreiding gedurende ten minste vijf jaar plaatsvindt op basis van certificering voor dierenwelzijn en duurzaamheid;

Er is geen sprake van een intensieve veehouderij.

i. uitbreiding van bebouwing ten behoeve van bestaande intensieve veehouderij als neventak kan binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare worden toegelaten, voor zover de bedrijfsvoering in die uitbreiding gedurende ten minste vijf jaar plaatsvindt op basis van certificering voor dierenwelzijn en duurzaamheid en mits de neventak niet uitgroeit tot hoofdtak;

Er is geen sprake van een intensieve veehouderij.

j. de in dit lid onder g tot en met i bedoelde certificering vindt plaats op basis van door gedeputeerde staten toegelaten certificaten en wordt gewaarborgd in een overeenkomst met kettingbeding en boeteclausule.

Er is geen sprake van een intensieve veehouderij.

3.3 Regionaal beleid

In juli 2009 is de Structuurvisie Hoeksche Waard vastgesteld door de samenwerkende gemeenten in de Hoeksche Waard. In deze regionale structuurvisie wordt uitvoerig aandacht besteed aan de landbouw in de Hoeksche Waard. Het beleid is gericht op de versterking van de grootschalige grondgebonden productielandbouw en het behouden en verbeteren van de goede landbouwstructuur. Agrarische bedrijven worden zorgvuldig ingepast als groene eilanden in de open polders. Met de uitbreiding en verplaatsing van een akkerbouwbedrijf wordt de landbouwstructuur versterkt. Het agrarisch bedrijf wordt zorgvuldig ingepast in het landschap. Daarbij is aansluiting gezocht bij de bestaande groenstructuur. De ontwikkeling past hiermee binnen het regionaal ruimtelijk beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Geldende bestemmingsplannen

Op de projectlocatie is het beleid uit het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Binnenmaas" van gemeente Binnenmaas, vastgesteld door de gemeenteraad op 24 december 2013, onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur is de projectlocatie aan de Westdijk 82 gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Archeologische Verwachtingswaarde middelhoog 1'. Tevens is op de projectlocatie de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijfsgebouw' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0006.png"
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan Westdijk 82.
Bron: Gemeente Binnenmaas

Zoals te zien in de volgende figuur is de projectlocatie aan de Westdijk 78 gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Archeologische Verwachtingswaarde hoog 1'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0007.png" Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan Westdijk 78

Bron: Gemeente Binnenmaas

In onderhavige situatie is sprake van het verplaatsen van een bouwperceel en vergroten ten behoeve van een akkerbouwbedrijf. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk het vigerend bestemmingsplan deels te herzien met een partiële herziening. Deze toelichting dient ter verantwoording van de te doorlopen bestemmingsplanprocedure conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de regels zoals gesteld in het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Binnenmaas" op de volgende punten:

- Op de locatie Westdijk 82 is geen agrarisch bouwvlak aanwezig, enkel een landbouwschuur.

- Het verplaatsen van het agrarisch bouwvlak van de locatie Westdijk 78 naar Westdijk 82 en het toestaan van het vergroten van het agrarisch bouwvlak naar 1,5 hectare. Tevens het toestaan van het oprichten van een bedrijfswoning.

Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk het bestemmingsplan te wijzigen.

Het bestemmingsplan zal gewijzigd worden op de volgende onderdelen:

- Het verplaatsen van het agrarisch bouwvlak van de locatie Westdijk 78 naar de locatie Westdijk 82 met een totale grootte van 1,5 hectare. Het realiseren van een bedrijfswoning en landbouwschuur op de locatie Westdijk 82.

- Herbestemmen van Westdijk 78 naar agrarisch zonder bouwmogelijkheden.

Voorliggend document dient als bestemmingsplantoelichting, waarmee wordt aangetoond dat geen sprake is van belemmeringen op milieutechnisch en ruimtelijk vlak.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en Milieuaspecten

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Van de ruimtelijke- en milieuaspecten wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in het volgende hoofdstuk behandeld. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.

Hierbij dient eerst inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt is in gebruik als agrarisch perceel en landbouwgrond. Uit ervaring blijkt dat deze gronden nagenoeg altijd schoon zijn, mits geen boomgaarden aanwezig zijn geweest en geen sloten zijn gedempt. In onderhavig geval is geen sprake van gedempte sloten en/of aanwezige boomgaarden, ook niet in het verleden. Tevens zijn op de projectlocatie, zowel in de huidige situatie als in het verleden, geen bodemverontreinigende activiteiten bekend. Hiermee kan worden aangenomen dat de projectlocatie waarschijnlijk schoon is, waarmee geen sprake is van een verwachtte verontreiniging.

In onderhavig geval is sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. Om aan te tonen of sprake is van een verontreiniging is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Hierin is door middel van de bemonstering en analyse van grond en grondwater de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging niet in de weg zal staan.

4.1.2 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
4.1.2.1 Milieuzonering vanuit de projectlocatie

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een akkerbouwbedrijf opgericht. In de VNG handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' zijn ten aanzien van een akkerbouw richtafstanden opgenomen ten aanzien van geluid, geur, fijn stof en gevaar. Als binnen deze afstanden gevoelige objecten gelegen zijn veroorzaakt het akkerbouwbedrijf hinder aan deze gevoelige objecten en zullen maatregelen getroffen moeten worden deze hinder te beperken.

De grootste richtafstand uit de VNG handreiking bedraagt 30 meter (voor geluid). Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op ongeveer 43 meter van de projectlocatie (gemeten van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak). Hiermee is het dichtstbijzijnd gevoelig object ver genoeg van de projectlocatie gelegen en wordt voldaan aan de richtafstand.

4.1.2.2 Milieuzonering ten aanzien van de projectlocatie

Als bij een inrichting nieuwe gevoelige objecten worden opgericht in het kader van geur, geluid, luchtkwaliteit of externe veiligheid, dan mag dit gevoelig object geen hinder ondervinden van eventueel omliggende hinder veroorzakende inrichtingen. Tevens mag de ontwikkeling van een nieuw gevoelig object geen belemmering zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een gevoelig object worden opgericht in het kader van geur/geluid/luchtkwaliteit/externe veiligheid. Dit betreft de toekomstige bedrijfswoning. Nabij de projectlocatie is een montage en verhuurbedrijf gelegen. Ten aanzien van een bedrijf is als grootste richtafstand (voor geluid) opgenomen van 50 meter. De projectlocatie is op een afstand van ongeveer 100 meter van dit bedrijf gelegen (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan en kan worden gesteld dat geen hinder van dit bedrijf wordt ondervonden en dat geen bedrijven en/of bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.3 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden.

Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied.

In dit geval is geen sprake van het houden van dieren, het aspect geur zal geen belemmeringen vormen. Er wordt een bedrijfswoning opgericht, een geurgevoelig object. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op ongeveer 800 meter. Het oprichten van een bedrijfswoning zal geen belemmeringen vormen voor de veehouderij.

4.1.4 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met name paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een plan dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.4.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting

In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt. Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooroppervlakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blijft, is per definitie NIBM. Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 µg/m3 bijdraagt aan de luchtvervuiling.

De regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen:

" Voorschrift 1B.1 (Landbouwinrichtingen)

Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden:

  • a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;*
  • b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw;*
  • c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;*
  • d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare;
  • e. kinderboerderijen.

* al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf."

Een akkerbouwbedrijf is in elk geval als 'niet in betekenende mate' (NIBM) aangemerkt. Hier valt het beoogde bedrijf dat dit plan mogelijk maakt dus ook onder. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.

4.1.5 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • 1. Woningen.
  • 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Het aantal verkeersbewegingen zal bij de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate ten opzichte van de bestaande situatie toenemen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2). Tevens is een goede ontsluiting aan de Westdijk gerealiseerd, waarbij op eigen terrein voldoende gelegenheid is om te keren en parkeren. Hiermee zal de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door vrachtverkeer niet verder toenemen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidoverlast veroorzakende inrichtingen opgericht. Hiermee is geen sprake van een toename van het eventueel veroorzaakte industrielawaai van de projectlocatie aan de omgeving.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning opgericht. De gevelbelasting op een woning mag niet hoger zijn dan de wettelijke norm van 48 deciBell (dB). Hiervoor is ontheffing mogelijk tot 53 dB (verhoogde grenswaarde). Voor een agrarische bedrijfswoning is zelfs een ontheffing mogelijk tot 58 dB. Dit betekent dus dat voor de bedrijfswoning ontheffing mogelijk is tot maximaal 58 dB.

Om te onderzoeken of de geluidbelasting op de gevels van de geluidgevoelige objecten binnen de wettelijk gestelde norm blijft, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Hieruit blijkt dat de toekomstige geluidsbelasting op de nieuwe woning vanwege de Westdijk maximaal 44 dB bedraagt. Hiermee voldoet de geluidsbelasting aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Hiermee is het plan ten aanzien van geluid uitvoerbaar.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen een risicocontour en/of het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen de risicocontour en/of het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.

Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn standaard afstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grenswaarden van het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en nabij gelegen, al dan niet geprojecteerde, (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2 lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

4.1.6.1 Transport (spoor-, vaar- en autowegen)

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.

4.1.6.2 Transport- en buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden aangehouden moeten worden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is hierbij in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

In het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen' (VROM, 19 maart 2010 geactualiseerd) staan in bijlage 6 inventarisatieafstanden genoemd. Voor de inventarisatie van de bebouwing is een bepaalde afstand waarbinnen een inventarisatie noodzakelijk wordt geacht. De inventarisatieafstand loopt uiteen van 45 meter bij een leidingdiameter van 4 inch en een druk van 40 bar tot 580 meter bij een leidingdiameter van 42 inch en een druk van 80 bar. Deze afstanden gelden aan weerszijden van de betreffende leiding.

In de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035, zoals vastgesteld op 12 oktober 2012, zijn de invloedsgebieden van buisleidingen voor transport weergegeven. Indien binnen de invloedsgebieden ontwikkelingen plaatsvinden dient het groepsrisico te worden verantwoord. In het kader van dit plan is de nabijgelegen leidingenstraat relevant. In paragraaf 4.1.6.4 is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

4.1.6.3 Plaatsgebonden risico

In onderhavige situatie is sprake van een akkerbouwbedrijf. Een akkerbouwbedrijf veroorzaakt zelf vaak geen risico's voor de woon- en leefomgeving in het kader van externe veiligheid en is daarom vaak geen Bevi inrichting, mits geen risicovolle elementen worden opgericht als propaantanks, koelinstallaties of vergistingsinstallaties. In onderhavige situatie is geen sprake van het oprichten van dergelijke risicovolle installaties, waarmee een akkerbouwbedrijf geen Bevi inrichting is en geen risico's aan de directe omgeving zal veroorzaken.

Naast het feit dat een inrichting geen onevenredige risico's voor de woon- en leefomgeving mag veroorzaken, mag een gevoelige inrichting (waar veelvuldig mensen aanwezig zijn) ook geen hinder ondervinden van mogelijk in de omgeving aanwezige inrichtingen.

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in vastgelegde risicocontouren. Deze risicocontouren worden bepaald aan de hand van de kans dat zich in een gebied een ongeval met fatale afloop voordoet. Binnen de risicocontouren is de kans gelijk aan of groter dan 1 op 1 miljoen (10-6) per jaar dat zich een ongeval voordoet met een fatale afloop. Indien een ontwikkeling plaatsvindt binnen een risicocontour dan dient het plaatsgebonden risico te worden verantwoord.

Volgens de Risicokaart, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie niet binnen de risicocontour (10-6 per jaar) gelegen van een mogelijke risicobron.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0008.png" Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal overleg (IPO).

Gezien de planlocatie niet binnen een risicocontour (10-6 per jaar) van een risicobron is gelegen, zijn ten aanzien van het plaatsgebonden risico geen belemmeringen te verwachten.

4.1.6.4 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de planlocatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De planlocatie is binnen het invloedsgebied van de leidingenstraat ten westen van de Westdijk. De meest bepalende leiding voor het risico is de leiding met ethyleenoxide van de Shell. Het invloedsgebied van de ethyleenoxideleiding valt waarschijnlijk over het plangebied.

Gelet op de geringe bebouwing in het invloedsgebied is het de verwachting dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet zal worden overschreden. Ook zal het groepsrisico ten gevolge van de ontwikkeling niet of nauwelijks toenemen. De te slopen woningen en het te saneren bedrijf Westdijk 78 ligt op een vergelijkbare afstand van de leidingenstraat als de nieuw op te richten bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing. Het bedrijf van de initiatiefnemer is een gezinsbedrijf. Het aantal aanwezige personen binnen de inrichting is met twee tot zes personen vergelijkbaar met de te slopen woning aan dde Westdijk 78. Dit betekent dat het aantal personen binnen het invloedsgebied gelijk zal blijven. Bovendien zijn de personen zelfredzaam. De locatie is daarnaast goed toegankelijk mocht zich een ramp of zwaar ongeval voordoen. Het erf is zowel vanuit noordelijke- als zuidelijke richting via de Westdijk toegankelijk voor hulpdiensten. De Westdijk kan ook dienen als vluchtroute. Tenslotte is op het terrein een waterbergingsvoorziening aanwezig. Deze kan bij een calamiteit ook dienen als blusvijver. Overigens zijn er op het bedrijfsterrein ook voldoende mogelijkheden voor het opstellen van voertuigen van hulpdiensten. Gelet op het voorgaande is een verdere berekening van het groepsriscio niet noodzakelijk. Het aspect vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.1.7 Voortoets MER-beoordeling
4.1.7.1 Algemeen

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten.
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

4.1.7.2 Dit plan

Dit plan voorziet in het oprichten van een akkerbouwbedrijf en de bouw van een bedrijfswoning. Voor akkerbouwbedrijven geldt geen beoordelingsplicht.

Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

1. Kenmerken van het plan:

Het betreft een plan van geringe omvang. Er zijn geen andere plannen in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

Er is binnen het plan slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.

2. Plaats van het plan:

Het plan is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf.

3. Kenmerken van het potentiële effect:

De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal.

In de uitgevoerde haalbaarheidsonderzoeken en de toetsing van haalbaarheidsaspecten in deze onderbouwing komen ook geen effecten op te beschermen waarden in of in de omgeving van het plangebied naar voren. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie weten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

De grond op de planlocatie aan de Westdijk 82 bestaat voornamelijk uit erf en grasland en is regelmatig in beroering. De grond op de planlocatie aan de Westdijk 78 bestaat tevens voornamelijk uit erf. Op de locatie Westdijk 78 wordt de huidige bebouwing (mogelijk) gesloopt. Door Aequator is een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 6). Hieruit volgen de volgende conlusies en aanbevelingen:

  • Mogelijk komen enkele licht beschermde zoogdieren zoals mol, egel en veldmuis voor in het plangebied. In de omgeving is echter voldoende vervangend leefgebied aanwezig. Daarnaast zijn deze soorten vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen.
  • Het plangebied en de directe omgeving bieden mogelijk een geschikt foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Er is in de omgeving echter voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig, zodat de plannen niet zullen leiden tot een significante aantasting van het foerageergebied.
  • Het plangebied en de directe omgeving bieden mogelijk een geschikt foerageergebied voor steenmarters. Er is echter in de omgeving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig, zodat de plannen niet zullen leiden tot een significante aantasting van het foerageergebied.
  • Het plangebied en de omgeving bieden mogelijk broedgelegenheid aan verschillende soorten tuin- en erfvogels. De bouwwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van vogels aan te vangen In grote lijnen loopt het broedseizoen van half maart tot half juli.
  • Er is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen op beide locaties.
  • Voor de kerkuil geldt dat er gerichte maatregelen moeten worden genomen die functioneren voordat de activiteiten plaatsvinden. Als er een nestplek verloren gaat door de ingreep, zal er gezorgd moeten worden voor vervangende verblijfplaatsen. Ter verificatie dient er een ontheffing te worden aangevraagd.
  • Voor het verwijderen van de groeiplaats van schubvaren op Westdijk 78 is een ontheffing nodig.
  • Het deel van de muur met de groeiplaats van schubvaren moet in zijn geheel worden verwijderd en ergens anders geplaatst om de groeiplaats van deze zeldzame soort te behouden.

De conclusies en aanbevelingen waren gebasseerd op het regime van de hiervoor geldende Flora- en faunawet. Ten aanzien van de aangetroffen soorten is het regime onder de nieuwe wetgeving niet wezenlijk veranderd waardoor de conclussies nog steeds actueel zijn.

De aanbevelingen uit de natuurtoets worden overgenomen. De werkzaamheden zullen aangevangen worden buiten het broedseizoen. Ten aanzien van de genoemde soorten die mogelijk een verblijfplaats hebben in de gebouwen die mogelijk gesloopt worden is nader onderzoek ingesteld (zie bijlage 7).

Tijdens het vervolgonderzoek zijn in de te slopen woonboerderij aan de Westdijk 78 twee nestlocaties van de huismus vastgesteld. Voor deze soorten wordt een ontheffing aangevraagd. Er zijn binnen het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van kerkuil vastgesteld. Bij het gerichte onderzoek naar vleermuizen zijn drie soorten vleermuizen waargenomen in en rondom het plangebied: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Van gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn alleen enkele foeragerende en passerende individuen waargenomen binnen het plangebied; het plangebied is voor deze soorten niet van grote betekenis. Op de bovenverdieping van de woonboerderij aan de Westdijk 78 is een zomerverblijfplaats van gewone grootoorvleermuis vastgesteld; er kan niet worden uitgesloten dan de verblijfplaats ook in de winter door een of enkele dieren van deze soort wordt gebruikt als verblijfplaats. Voor het verwijderen van deze verblijfplaats wordt een ontheffing aangevraagd. Op de zuidelijke muur van de woonboerderij (Westdijk 78) zijn nogmaals enkele tientallen exemplaren van schubvaren aangetroffen.

Op basis van de resultaten van dit nader onderzoek is dus ontheffing noodzakelijk. Deze wordt aangevraagd en de verwachting is dat deze wordt verkregen. De muur met schubvaren op Westdijk 78 zal vervolgens worden verplaats naar een locatie waar deze kan worden behouden.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

De locatie is niet in of nabij het NNN gelegen.

4.3 Verkeer en parkeren

Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw plan op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.

4.3.1 Ontsluiting

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Westdijk. De planlocatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de Westdijk. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. De akkerbouwpercelen die in eigendom zijn liggen in de directe omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0009.png"

Ligging bedrijf ten opzichte van bijbehorende landbouwpercelen

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren (zie onderstaande afbeelding). Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0010.png" Rijroutes op het erf
Bron: DLV Advies

4.3.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. De Westdijk biedt, volgens gegevens van de gemeente, voldoende capaciteit om dit verkeer te kunnen verwerken. Het verkeer dat zich van en naar het bedrijf begeeft zal, mede door de capaciteit en drukte van de Westdijk en door de afstand van de inrichting tot gevoelige objecten, volledig in het normale wegverkeer zijn opgenomen voordat het een woning van derden zal bereiken, waarmee geen sprake is van een extra overlast.

Het bedrijf sorteert, verpakt en verkoopt aan huis zelf aardappels. Vanwege deze activiteit, in combinatie met voertuigen van bedrijven (adviseur, verkoper, leveranciers) leidt dit bedrijfsmatig tot de volgende maximale hoeveelheid voertuigen per dag (aantal bewegingen is maal 2):

Dagperiode (07.00-19.00) : 10

Avondperiode (19.00-23.00) : 2

Nachtperiode (23.00-07.00) : 1

In de categorie zware voertuigen betreft het tractoren en vrachtwagens. Hierbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen de dagen in de oogstperiode en buiten het oogstseizoen. Het oogstseizoen zal maximaal op 14 dagen per jaar voorkomen. Er worden aardappels en uien in de bewaarschuur gereden en de suikerbieten worden op het erf opgeslagen. De aanvoer vindt plaats met tractoren.

Dit leidt tot de volgende maximale hoeveelheid voertuigen per dag (aantal bewegingen is maal 2):

Dagperiode (07.00-19.00) : 24

Avondperiode (19.00-23.00) : 6

Nachtperiode (23.00-07.00) : 2

Buiten de oogstperiode worden er producten met vrachtwagens opgehaald en vinden er aan-en afrijbewegingen plaats met de eigen tractoren naar het land. Ook wordt dieselolie, verpakkingsmateriaal en dergelijke wordt gebracht. Dit leidt tot de volgende hoeveelheid zware voertuigen

volgende maximale hoeveelheid voertuigen per dag (aantal bewegingen is maal 2):

Dagperiode (07.00-19.00) : 4

Avondperiode (19.00-23.00) : 1

Nachtperiode (23.00-07.00) : 1 (bv ophalen van suikerbieten, beperkt aantal dagen)

4.3.3 Infrastructuur

Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de bestaande infrastructuur. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken.

Rond het bedrijf is 35 ha gelegen, wat nu vanuit twee locaties bewerkt wordt. In de nieuwe situatie vindt opslag van een deel van de producten plaats op de locatie Westdijk 82. Tijdens de oogsttijd vindt dit transport reeds plaats.

De rest van de gronden (30 ha) die door het bedrijf bewerkt worden, liggen aan de Blaaksedijk en Zomerlandseweg en in Maasdam. De Westdijk is een erftoegangsweg type 2 die in het beheer is bij het waterschap. Deze kan instemmen met de extra verkeersbewegingen mits de aan- en afrijroute voor de percelen aan de Zomerlandseweg en de Blaaksedijk verloopt via de zuidzijde van de Westdijk, Doesburgerweg, N489, Reedijk, Blaaksedijk. Deze route is beter geschikt voor de extra verkeersbewegingen. Dit is weergegeven op de onderstaande luchtfoto.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0011.png"

Ontsluiting richting snelweg

Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

4.3.4 Parkeren

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het pla geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het plan zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het plan, geheel op eigen terrein plaatsvinden. Voor agrarisch bedrijven geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per bedrijfswoning. Bij de woning is hiervoor voldoende ruimte aanwezig. Aan de westzijde van het erf is voldoende ruimte om enkele auto's voor personeel te kunnen parkeren.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie

4.4.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

De gemeente Binnenmaas heeft een eigen archeologiebeleid vastgesteld, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem in beeld is gebracht op een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de waarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien op de archeologische verwachtingskaart, welke is weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie aan de Westdijk 82 gelegen in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. De planlocatie aan de Westdijk 78 is gelegen in een gebied met een hoge verwachtingswaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0012.png"
Archeologische verwachtingswaarde.
Bron: Gemeente Binnenmaas

Ten aanzien van gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde stelt de gemeente het volgende in haar beleid:

Bij plangebieden groter dan 500 m2 zijn geen bodemingrepen toegestaan dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening vroegtijdig archeologisch onderzoek laten uitvoeren en streven naar inpassing van terreinen met archeologische waarden.

Ten aanzien van gebieden met een hoge verwachtingswaarde stelt de gemeente het volgende in haar beleid:

Voor plannen waarvan de bodemverstoring een oppervlak van minder dan 100 m2 beslaat hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd.

Gezien niet aan de voorwaarden tot vrijstelling van archeologisch onderzoek kan worden voldaan dient aangetoond te worden dat met de voorgenomen ontwikkeling geen archeologische resten zullen worden geschaad. In het kader van dit plan is dan ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8).

Op basis van een vooronderzoek is vastgesteld dat ter plaatse van de huidige bebouwing in het plangebied (zowel op locatie Westdijk 82 en locatie Westdijk 78) sprake is van een middelhoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van bebouwingresten uit (het begin van) de Nieuwe tijd. Op historisch kaartmateriaal is op die plekken reeds sprake van bebouwing in het begin van de 19 e eeuw, waardoor de aanwezigheid van bebouwing in perioden daarvoor ook zeer waarschijnlijk is. Op basis van het veldonderzoek en –bezoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat deze bebouwingsresten als gevolg van recent graafwerk verdwenen zouden moeten zijn. Voor de overige perioden geldt op locatie Westdijk 82 in zijn geheel een lage archeologische verwachting. Hier is op grond van boringen aangetoond, dat het landschap altijd te nat was voor bewoning of door erosie is aangetast. Op locatie Westdijk 78 zijn geen boringen verricht. Hierom blijft de verwachting voor de overige perioden vanuit het bureauonderzoek staan (middelhoog).

In het plangebied bestaat ten dele nog een archeologische verwachting. Met het oog op de planvorming wordt ter plaatse van locatie 82 aanbevolen om een archeologische begeleiding uit te voeren op het moment de loods wordt gesloopt (protocol proefsleuven), eventueel gevolgd door een proefsleuf. Op basis hiervan kan een conclusie worden getrokken in hoeverre nog in het deelgebied nog resten van bebouwing uit de Nieuwe tijd en/of eventuele ophoog- c.q. terplagen aanwezig zijn. De overig geplande ingrepen op de locatie 82 vinden in een zone met een lage archeologische verwachting plaats. Hiervoor zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet artikel 5.10 bij de gemeente dienen te worden gemeld. De hiervoor genoemde adviezen wordt opgevolgd bij de realisatie van het plan. Hiermee vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.4.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. Om de cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld te brengen is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld.

Volgens de CHW, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

Op grond van deze kaart is de gehele Hoeksche Waard aangewezen als Cultuurhistorisch Topgebied. Het plangebied is hierbinnen niet nader aangeduid. Uitgangspunt bij toekomstige ontwikkelingen in Topgebied is het behouden en versterken van zowel de structuur alsook van fysieke elementen (gebouwen, waterlopen, kades, e.d.) door het herkenbaar houden van de ruimtelijke kenmerken hiervan (verkavelingspatroon, openheid, bebouwingsstructuur, profiel van kades, wegen en waterlopen). Voor (de omgeving van) het plangebied gaat het daarbij onder andere om het behoud van:

- de landschappelijke opbouw bestaand uit 'opwassen' en 'aanwassen';

- een redelijk gaaf dicht netwerk van dijken, die het systeem van aan- en opwassen inzichtelijk maken;

- het contrast tussen het open land en dicht beplante dijken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0013.png"
Cultuurhistorische Atlas
Bron: Provincie Zuid Holland

De planlocatie is op voldoende afstand van cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Hierdoor zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden worden aangetast.

4.5 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

4.5.1 Waterparagraaf

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening.

In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.

Ten aanzien van het wateraspect heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap Hollandse Delta. Een afschrift van de conclusie uit dit overleg is opgenomen in bijlage 9.

4.5.2 Waterbeleid

De planlocatie valt binnen het werkgebied van waterschap Hollandse Delta. Het Waterschap Hollandse Delta maakt onderscheid in de drie waterthema's veiligheid, voldoende water, schoon water en het thema wegen. Voor dit plan zijn voldoende water en schoon water relevant.

4.5.2.1 Voldoende water - wateroverlast

Een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Zo'n systeem kan het water, conform de daarvoor vastgestelde normen en zonder overlast te veroorzaken, verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Daarbij dient uitgegaan worden van het uitgangspunt 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Bij het oplossen van waterhuishoudkundige problemen wordt afwenteling voorkomen. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het plangebied gevonden te worden. Indien dit niet mogelijk is dient dichtbij het plangebied compensatie gezocht te worden. Compensatie dient in ieder geval binnen hetzelfde peilgebied plaats te vinden. De verbindingen tussen wateren horen daar ook bij. De berekening van te realiseren berging is gebaseerd op de randvoorwaarde dat de afvoer maximaal 2 l/s/ha bedraagt. Bij een plan wordt gebruik gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m² verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Hierbij geldt een ondergrens van 1.500 m² in het landelijk gebied. Dit volume wordt bij voorkeur gerealiseerd in de vorm van open water. In het stedelijk gebied mag het waterpeil maximaal tot aan maaiveld stijgen bij een maatgevende bui waarvan de kans van voorkomen eens per 100 per jaar is. Voor land- en tuinbouw is dat eens per 50 jaar, voor akkerbouw eens per 25 jaar en voor grasland eens per 10 jaar. Hierbij mag nergens inundatie optreden. De aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. De waterberging wordt altijd berekend boven het streefpeil. De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. Dit plan voorziet in een toename van verhard oppervlak met 2.750 m². Ter compensatie wordt een bestaande watergang ten zuiden van he erf over de volledige lengte van 350 meter met 0,80 cm verbreed. Dit resulteert in een toename van 280 m² aan oppervalkte water. De compensatie voorziet aan de vuistregel van het waterschap. De oplossing is besproken met het waterschap en akkoord bevonden.

Voor de verbreding van de watergang wordt een vergunning bij het waterschap aangevraagd. Hieronder is de situatie ten aanzien van de watergangen weergegeven op een luchtfoto.

afbeelding "i_NL.IMRO.0585.BPWESTDIJK82-VG01_0014.png"

Te verbreden watergang

4.5.2.2 Schoon water - goed omgaan met afvalwater

Menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen wordt uitgegaan van het niet aankoppelen van hemelwater op het rioolstelsel. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door stedelijk afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. In de onderhavige situatie wordt een bestaande locatie uitgebreid. Het vuilwater van het akkerbouwbedrijf wordt geloosd op een eigen voorziening. De woningen aan de Westdijk zijn gesitueerd tussen de buisleidingstraat en de A29, om die reden zijn ze niet aangesloten op de riolering. In 2007 heeft gemeente Binnenmaas een ontheffing gekregen van de provincie, zodat deze woningen niet aangesloten hoeven worden. Vanwege verbeterde technieken is er in 2015 een nieuw onderzoek gedaan of het rendabel was enkele clusters woningen aan te sluiten. Deze cluster zat daar ook bij en uit het onderzoek bleek dat de maatschappelijke kosten nog steeds te hoog zijn om ze aan te sluiten. Er wordt voorzien in de realisatie van een septictank met een minimale inhoud van 6 m³ voor de afvoer van rioolwater.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk plan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Het bouwplan is een bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplan ex artikel 6.12 Wro. Hierin is het onderdeel grondexploitatie opgenomen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit plan een overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de bestemmingsplanprocedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Binnenmaas.

Verder zal ook eventuele planschade in de overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het plan financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Binnenmaas" van gemeente Binnenmaas en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3 Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Binnenmaas vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een vrijstelling.

Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanregels die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.

Handhaving zal, indien nodig, plaatsvinden aan de hand van het handhavingsbeleid van de gemeente Binnenmaas.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste 2 paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden).

Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid, de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels: 
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels: 
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels: 
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de regels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

6.3.1 Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

In dit bestemmingsplan zijn de relevante regels overgenomen uit het geldend bestemmingsplan. Het gehele plangebied heeft de bestemming "Agrarisch". Op de locatie Westdijk 82 is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de bebouwing van één agrarisch bedrijf is toegelaten.
 

Hoofdstuk 7 Procedure

In dit hoofstuk is de procedure die het voorliggende plan heeft doorlopen nader omschreven.

7.1 Zienswijzen

In het kader van de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het voorliggende plan op grond van de artikelen 3.8 en 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van 24 april 2017 tot en met 5 juni 2017 als ontwerp ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het ontwerpplan in te dienen.

Op het ontwerpplan zijn geen zienswijzen ingekomen.