direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Natuurgoed Ziedewij e.o.
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Natuurgoed Ziedewij is een plek die transformeert van agrarisch gebied naar een plek voor recreatie, educatie en natuurervaring. Dit wordt gerealiseerd in de polder Ziedewij, gelegen tussen de Boezemweg in het noorden en de Noldijk in het zuiden. Onderdeel van het Natuurgoed zijn een werkhof, een recreatiehof en enkele kleinschalige eco-logementen.

Ten zuiden van het Natuurgoed Ziedewij komen 6 polderwoningen. Ook aan de Noldijk komen 4 dijkwoningen die samen met de polderwoningen de financiële dragers zijn voor de aanleg van het Natuurgoed.

Onderdeel van de ontwikkeling is ook een doorgaand, vrijliggend fietspad aan de westzijde van het plan. Het fietspad zal een nieuwe verbinding gaan vormen van het dorp Barendrecht naar het buitengebied, richting Heerjansdam, de Waal, Zuidpolder, zuidrand en verder. Het fietspad is openbaar en geen onderdeel van Natuurgoed Ziedewij, maar wel onderdeel van dit bestemmingsplan.

Dit fietspad in combinatie met een goede entree naar Natuurgoed Ziedewij wordt mogelijk gemaakt door een grondruil met het naastgelegen woonperceel, Stationsweg 128. Met de grondruil wordt een sterke kwaliteitsverbetering gerealiseerd door middel van extra water en groen en een volwaardige entreeroute. Om deze kwaliteitsverbetering te realiseren is de grondruil noodzakelijk en om die te kunnen bewerkstelligen wordt er een extra woning mogelijk gemaakt aan de Boezemweg. Dit in lijn met de aanwezige woningen langs de Boezemweg.

Aanvullend op bovenstaande wil het huidige hoveniersbedrijf aan de Noldijk 124 verhuizen naar het terrein aansluitend aan het Natuurgoed. Het hoveniersbedrijf is initiatiefnemer van het Natuurgoed en zal het onderhoud verzorgen vanaf het geplande werkhof in het gebied. Dit werkhof is toegankelijk vanaf Boezempad/Stationsweg, terwijl het bedrijf zelf nu aan de Noldijk ligt. Een wenselijke stap is om het werkhof te combineren met het hoveniersbedrijf. Met de verplaatsing van het hoveniersbedrijf wordt een bedrijf weggehaald van de Noldijk, in lijn met de ontwikkelingen aan de Noldijk, en verplaatst naar de Stationsweg. Deze weg sluit direct aan op de hoofdontsluiting van Barendrecht, de Boezemweg. De Noldijk transformeert zo verder naar een recreatief bebouwingslint met wonen. Door het combineren van bedrijf en werkschuur kan bovendien een efficiënte bedrijfsvoering plaatsvinden.

De realisatie van het Natuurgoed Ziedewij, het fietspad, de 11 woningen en de verplaatsing van hoveniersbedrijf zijn niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan Zuidrand. Daarom is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied van Natuurgoed Ziedewij e.o. ligt tussen de Noldijk (ter hoogte van nummer 116) en het Boezempad / Stationsweg te Barendrecht, kadastraal bekend als percelen nummers 7950 ,8173, 9220, 9239, 9625, 9626, 10123, 7097, 7099, 471, 11656, 11657, 557 en 8175 sectie D Barendrecht. Het plangebied grenst aan agrarisch gebied aan de west- en oostkant en deels aan de bestaande volkstuinen aan de oostzijde. Aan de zuidzijde grenst het gebied aan de Noldijk ter plaatse van de historische schuur met tuin aan de Noldijk 124. Aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de woonpercelen aan de Stationsweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0001.jpg"

Afbeelding ligging en begrenzing plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Bestemmingsplan Zuidrand

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Zuidrand" d.d. 17 februari 2015. Hierin is het plangebied voornamelijk bestemd als 'Agrarisch'. In het noorden van het plangebied geldend ook nog de enkelbestemmingen 'Tuin', 'Water' en 'Wonen'. Ter plaatse van het plangebied bij de Noldijk 124 gelden daarbij de enkelbestemmingen 'Wonen - Lintbebouwing' en 'Bedrijf' (enkel ter plaatse van de schuur). Ter plaatse van het plangebied gelden daarnaast de volgende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen:


Dubbelbestemming – Waarde – Archeologie –2 en Waarde - Archeologie - 5:
De met deze waarde aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.


Gebiedsaanduiding – Geluidszone – Industrie

De gronden ter plaatse van deze aanduiding zijn mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Er mogen geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen worden gebouwd. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd om te onderzoeken of in afwijking van deze regel woningen gerealiseerd kunnen worden.


Gebiedsaanduiding – wro-zone – wijzigingsgebied 2
Het bevoegd gezag kan de gronden ter plaatse van de aanduiding Wro-zone - wijzigingsgebied 2 wijzigen in de bestemmingen Wonen en Recreatie met in achtneming van de regels zoals beschreven in het bestemmingsplan 'Zuidrand' in artikel 41.9 sub a tot en met u.

Het plan reikt verder dan de mogelijkheden van de wijzigingsbevoegdheid en daardoor kan hier geen gebruik van gemaakt worden. Het plan is voor veel onderdelen wel in lijn met de wijzigingsregels.


Dubbelbestemming – Waterstaat – Waterkering
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende andere bouwwerken zoals duikers, keerwanden en merktekens.


Gebiedsaanduiding – Vrijwaringszone – Straalpad

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een straalverbinding.

Gebiedsaanduiding - Veiligheidszone - leiding

Binnen de gebiedsaanduiding ''veiligheidszone - leiding' geldt dat de bouw van kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet zijn toegestaan.


Functieaanduiding - Cultuurhistorische waarde

Ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', mag de bestaande maatvoering van gebouwen en/of bijbehorende bouwwerken niet worden gewijzigd, tenzij het bevoegd gezag een omgevingsvergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering heeft verleend.

Functieaanduiding - detailhandel

Bestemd voor detailhandel.


Voorbereidingsbesluit Supermarkten Barendrecht

Het voorbereidingsbesluit Supermarkten Barendrecht is van toepassing op de locaties met de functieaanduiding detailhandel die deels op het plangebied ligt. Het voorbereidingsbesluit heeft tot doel om de benodigde tijd te creëren om samen met de stakeholders en belanghebbenden in de gemeente Barendrecht een passende regeling te maken voor supermarkten in het bestemmingsplan, danwel omgevingsplan. Doel is niet om de ontwikkeling van supermarkten tegen te gaan, maar om een goed afwegingskader te kunnen opstellen, zodat geen versnippering, en daardoor ontwrichting, van het voorzieningenniveau kan ontstaan. Het planvoornemen voorziet niet in een supermarkt, hierdoor hoeft er niet getoetst te worden aan dit voorbereidingsbesluit.

Parapluherziening 'standplaatsen en evenementen'

Ter plaatse van het plangebied geldt ook de parapluherziening 'standplaatsen en evenementen' (vastgesteld 27 mei 2014). Dit plan bepaalt waar, welke evenementen mogen plaatsvinden en standplaatsen zijn toegestaan. Hierbij wordt onder andere gekeken naar bereikbaarheid en potentiële geluidsoverlast op de omgeving.

Op Natuurgoed Ziedewij zal ook sprake zijn van standplaatsen en evenementen. Dit in overleg met de gemeente Barendrecht. De locatie is niet specifiek genoemd in de Parapluherziening omdat dit gebied op dit moment agrarisch is. Dit gebied sluit wel aan bij de uitgangspunten en is qua karakter vergelijkbaar met genoemde gebieden langs de Oude Maas en Wevershoek.

Conclusie

Het planvoornemen past niet binnen de enkelbestemmingen, dubbelbestemmingen en gebieds- en functieaanduidingen van de onderliggende bestemmingsplannen. Om die reden wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Er wordt wel zoveel mogelijk aangesloten op de systematiek van de onderliggende plannen en waar nodig worden dubbelbestemmingen en gebieds- en functieaanduidingen overgenomen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het plan toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid behandeld. In hoofdstuk 4 worden de beoordelingen en onderzoeken van diverse omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan bod. In hoofdstuk 6 wordt de juridische planbeschrijving toegelicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

In de bestaande situatie is het plangebied aan de noordzijde in gebruik als wonen en agrarische grond. Het plangebied wordt begrensd door het Boezempad/Stationsweg aan de noordwest kant. Dit is de parallelroute van de Boezemweg die onderdeel van de hoofdontsluitingsweg van Barendrecht is. Aan de oostzijde loopt de Stationsweg door richting Heerjansdam. Aan deze zijde ligt ook het spoor (Rotterdam-Dordrecht). Ter plaatse van de locatie is het spoor voorzien van een hoge geluidsvoorziening.


Aan de zuidzijde vormt de Noldijk de begrenzing. Hier liggen ook de percelen van het huidige hoveniersbedrijf. Dit is een historische schuur met monumentenstatus. Links daarvan de woning behorende bij het monument en een extra burgerwoning. Beide woningen behoren niet tot het plangebied. Daarnaast nog wel een stuk plangebied waarop met dit bestemmingsplan de mogelijkheid wordt geboden om twee woningen te realiseren.

Aan de noordzijde ligt nu een bestaande woning met opstallen en aan de zuidzijde het hoveniersbedrijf met parkeerplaatsen en werk- en opslagruimte. Het hoveniersbedrijf is nu gevestigd in de monumentale schuur. De ruimte ertussen is agrarisch gebied met deels opslag en plantruimte voor het hoveniersbedrijf. Op dit moment is dit gebied niet actief in gebruik voor agrarische doeleinden, maar het wordt extensief beheerd in afwachting van het gewenste toekomstige gebruik als Natuurgoed Ziedewij met bijbehorende functies en polderwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0002.jpg"

Afbeelding totale plangebied (rode vlak)

2.2 Nieuwe situatie

Het totale plan is onder te verdelen in verschillende deelgebieden van noord naar zuid; het woonperceel aan de Stationsweg, daarna het hoveniersbedrijf, Natuurgoed Ziedewij in het midden, het terrein van de Noldijk 124 met de te behouden historische schuur en Noldijk 130 en 132, waar de twee toekomstige woningen komen, in het zuiden.

Het planvoornemen voor de noordelijke locatie betreft de realisatie van een extra woning, ten zuiden van de Stationsweg 128. Daarnaast het mogelijk maken van het hoveniersbedrijf en nieuwe toegangsweg en fietspad. Ondersteunend hieraan groen en water. Voor de locatie Noldijk 124 betreft het plan de transformatie van de werkschuur naar wonen en daartoe het omzetten van de bedrijfsbestemming en de agrarische bestemming aan de Noldijk 124 naar respectievelijk 'Wonen' en 'Tuin'.

Nieuwe verbindingen

Aan de westzijde van het plangebied komt een nieuwe verbinding voor voetgangers en fietsers vanuit de bebouwde kom naar de Noldijk en de Waal toe. Dit in lijn met de gemeentelijke wens om een recreatieve netwerk (wandelen, fietsen, kano) te realiseren in de Zuidpolder, Waalzone en het aangrenzende recreatiegebieden en het buitengebied.


Wonen in het gebied

Om de ontwikkeling te financieren worden maximaal acht woningen gerealiseerd, zes polderwoningen en twee dijkwoningen. Deze woningen worden op zorgvuldige wijze in hun omgeving ingepast. Uitgangspunt is om deze woningen volgens de principes van het Barendrechts Buitenboek in het landschap in te passen. Aanvullend hierop geldt ook het beeldkwaliteitsplan. Ook voor de andere bebouwing binnen het plangebied geldt dat deze moet voldoen aan de eisen zoals beschreven in het beeldkwaliteitsplan.


Functies

In het plangebied worden de volgende functies gerealiseerd:

  • Toegangsweg
  • Werkhof met daarin de werkschuren voor het beheer van het natuurgoed, wordt gecombineerd met hoveniersbedrijf, zie deelgebied Stationsweg/Boezempad
  • Parkeerterrein
  • Langzaamverkeersroute (fietsers en voetgangers)
  • Recreatiehof ten behoeve van ontvangst, informatie, educatie, horeca en verblijf/overnachting met daarin o.a. een restaurant / winkel
  • Natuurgoed met daarin een (voedsel) bos, mogelijkheden voor recreatie
  • Ecolodges;
  • 6 Polderwoningen aan de zuidkant van het plangebied;
  • 2 dijkwoningen aan de Noldijk.

Hierna wordt het plandeel Natuurgoed Ziedewij toegelicht, gevolgd door het plandelen aan de Stationsweg/Boezempad en het plangebied aan de Noldijk.

2.2.1 Natuurgoed Ziedewij

Natuurgoed Ziedewij is een uniek terrein waar de beleving van landschap, natuur en cultuur centraal staat. Het huidige agrarische gebruik wordt hiervoor getransformeerd naar een extensief recreatiegebied, waar de nadruk komt te liggen op natuurinclusieve landbouw en nieuwe natuur met, in bescheiden vorm, plaats voor verblijf. Ondersteunend aan de natuurontwikkeling en -educatie in Natuurgoed Ziedewij is in het plan een aantal gebouwde functies opgenomen, waaronder kleinschalige horeca, een informatiecentrum en een werkschuur.

In het voedselbos wordt de mogelijkheid geboden om voor een periode van maximaal 14 dagen te verblijven in ecolodges.

Het polderlandschap vormt de context en het is van belang dat Natuurgoed Ziedewij (inclusief bijbehorende gebouwen) zo goed mogelijk in dit polderlandschap in gepast wordt. Op deze wijze wordt het Natuurgoed een onderscheidende vrijetijdsbelevenis die zich voegt in de landschappelijke context van de locatie.

Hieronder de ontwerptekening met daarin het natuurgoed met recreatiehof en werkhof in zijn omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0003.jpg"

Ontwerptekening van Natuurgoed Ziedewij e.o. met grens ontwerpgebied (rode contour)

Toegangsweg

Natuurgoed Ziedewij is voor de auto enkel toegankelijk vanaf de ringweg van Barendrecht (Boezemweg) via de Stationsweg. Dit is de verbinding voor mensen vanuit Barendrecht. De Stationsweg loopt door richting Heerjansdam en vormt daarmee tevens de toegang vanuit die richting. Vanaf de Stationsweg loopt een route het gebied in tot aan het parkeerterrein. Vanaf daar is toegang naar het Natuurgoed mogelijk te voet, of met de fiets.

Er is geen toegang mogelijk vanaf de zuidzijde/Noldijk. Het Natuurgoed is enkel vanaf de noordzijde toegankelijk met een extra toegang voor de fiets en voetganger halverwege het plangebied.

De Toegangsweg wordt verder toegelicht bij het deelgebied Stationsweg/Boezempad.


Parkeerterrein

Het parkeerterrein ten zuiden van het hoveniersbedrijf biedt voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers van het Natuurgoed, inclusief het recreatiehof en de ecolodges. De parkeerplaats wordt groen ingericht en omzoomd met bomen waardoor de auto's zoveel mogelijk uit het zicht komen te staan. Dit terrein biedt parkeergelegenheid voor zowel auto's als fietsers. De parkeerberekening is toegelicht in paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren.


Fietspad

Langs de westgrens van het plangebied wordt een fietspad aangelegd die de recreatieve verbinding tussen Barendrecht en de Noldijk gaat vormen. Dit fietspad is een nieuwe snelle verbinding van de kern van Barendrecht naar het groene buitengebied en de omgeving. Vanaf deze route kan het Natuurgoed worden bereikt ter plaatse van het Recreatiehof. Deze toegang is alleen open tijdens openingstijden van het Natuurgoed.

Werkhof

Aan de noordkant van het Natuurgoed wordt een Werkhof gerealiseerd met daarin het hoveniersbedrijf en de werkschuur ten behoeve van het beheer van het natuurgoed. Het Werkhof worden verder toegelicht bij het deelgebied Stationsweg/Boezempad.


Recreatiehof

Bij de entree van het Natuurgoed wordt een recreatiehof gerealiseerd. Dit is het levendige centrum van de ontwikkeling. Hier vindt je bijvoorbeeld het informatie- en educatiecentrum, horeca en een kleinschalige winkel met streekproducten en producten uit het voedselbos. Tijdens openingstijden is het mogelijk om groepen te ontvangen voor de educatieve functie. Dit bestemmingsplan staat horeca tot en met categorie 1b toe. Het gaat dan om aan detailhandelsfunctie verwante en ondersteunende horeca (1a) en om lichte horeca (1b). Hieruit vloeit voort dat horeca-activiteiten niet meer dan 250 m2 mag bedragen, inclusief terras. De horeca is ondersteunend aan het Natuurgoed en de ecolodges. De opzet zal informeel zijn met bijvoorbeeld mogelijkheden voor zelfbediening. Onderdeel van de horeca is een buitenterras. Gebouwen en terras worden zo geplaatst dat geluid van het terras zoveel mogelijk wordt afgeschermd door de bebouwing. Voor de openingstijden van de horeca wordt aangesloten bij de openingstijden van restaurants in de omgeving. De openingstijden die worden gehanteerd zijn in principe tussen 10:00 en 21.00 uur. Een horecavoorziening is als "openbare inrichting" vergunningplichtig op grond van artikel 2.28 van de Algemene plaatselijke verordening Barendrecht 2020 (APV). In deze vergunning zullen de openingstijden definitief worden vastgesteld.

Er wordt de mogelijkheid geboden in dit bestemmingsplan om maximaal drie gebouwen te realiseren op deze plek mits er samen de gebouwen op het werkhof niet meer dan vier gebouwen zijn. Vooralsnog is het voornemen op het werkhof twee gebouwen te plaatsen en dus kunnen er maar twee gebouwen op het Recreatiehof komen. Dit bestemmingsplan biedt echter de flexibiliteit om een uitwisseling van een gebouw te realiseren tussen Werkhof en recreatiehof.

Het gebouw, of cluster van gebouwen van het recreatiehof ligt straks als een nieuw boerencluster in het gebied met volumes met lage goten en stevige kappen zoals die in het buitengebied veel zijn te vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0004.jpg"

Afbeelding uitsnede ontwerptekening recreatiehof (in het midden) met parkeerterrein

ten noorden en voedselbos ten zuiden ervan.


Voedselbos

Het voedselbos is het hart van de ontwikkeling waar de beleving van landschap, natuur en cultuur centraal staat. De structuur en vegetatie van het bestaande polderlandschap wordt versterkt met nieuwe beplanting en een rijke biodiversiteit. Met het voedselbos behoudt polder Ziedewij haar agrarische karakter. Dit gebied wordt gebruikt om op een ecologische manier voedsel te telen. In de open delen zijn dat eco-akkers, bij opgaande beplanting is dat het voedselbos.

Langs de watergangen zoveel mogelijk natuurvriendelijke oevers toegepast.

Het toevoegen van verharding wordt in dit deelgebied zo beperkt mogelijk gehouden. Daar waar mogelijk wordt gebruikt gemaakt van halfverharding.

Het Natuurgoed is openbaar toegankelijk, op openingstijden, en biedt mogelijkheden voor diverse recreatieve activiteiten. Er komen verschillende (wandel) routes in het gebied.


Ecolodges

In het voedselbos worden ook 6 ecolodges gerealiseerd. Deze paviljoenachtige bouwwerken, mogelijk uitgevoerd als gecombineerde eenheden, liggen verscholen in de nieuwe natuur. De ecolodges zijn van bescheiden omvang en zijn enkel voor kortdurend verblijf. Uiteraard kan de auto hier niet komen. Doel hier is een extensief recreatief gebied en om die reden is het aantal verhuurbare objecten en het aantal overnachtingen gemaximaliseerd in dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0005.jpg"

Afbeelding uitsnede ontwerptekening Voedselbos met daarin een suggestie voor de ecolodges. Aan de noordzijde is nog het recreatiehof zichtbaar


Polder- en dijkwoningen

Aan de zuidkant van het plangebied komen acht woningen. Langs de Noldijk (ten westen van de bestaande woningen in het plangebied) komen twee nieuwe dijkwoningen. Deze woningen volgen de typologie van de dijk en versterken daarmee het dijkkarakter. Aan de zuidrand van het natuurgoed worden zes polderwoningen ingepast in de polder Ziedewij. Deze voegen zich in het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0006.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0007.jpg"

Afbeelding boven: de dijkwoningen, afbeelding onder: de polderwoningen met de te transformeren schuur met tuin en parkeren aan de Noldijk

2.2.2 Stationsweg/Boezempad

In de huidige situatie is aan de noordzijde al een woonbestemming aanwezig. Daarop ook al een bouwvlak aan de noordoostzijde, ter plaatse van de bestaande woning. Verder zijn er op dit perceel geen bouwvlakken. Er is op dit moment wel een grote schuur aanwezig. Ten zuiden van de planlocatie zijn ook enkele woonpercelen aanwezig met grote bouwvlakken. Hierop woningen in de polderrichting, afgewisseld met agrarische percelen. De nieuwe woning past in deze reeks.
In het bestemmingsplan Zuidrand heeft het de bestemming Recreatie - Natuur met een ruim bouwvlak. Er zijn dus in de huidige situatie al bouwmogelijkheden op dit perceel, zie uitsnede van het vigerende bestemmingsplan hieronder.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0008.jpg"

Uitsnede van het bestemmingsplan Zuidrand.


Algemeen

De nieuwe situatie gaat uit van de grondruil van het perceel D 9625 voor een stuk grond in het noordoosten van perceel D9626, zie Bijlage 2 Stedenbouwkundig plan Boezempad. In het stedenbouwkundig plan voor de nieuwe ontsluiting en fietspad, de woning achter Stationsweg 128 en het toekomstig hoveniersbedrijf weergegeven. Ten opzichte van de entree die mogelijk was in het bestemmingsplan ontstaat er nu een entree die ruimer, meer uitnodigend en overzichtelijker en daarmee verkeersveiliger wordt ingericht. Een kwalitatieve bijdrage aan het plan en de omgeving. Het stedenbouwkundig plan voor dit noordelijke plandeel is opgenomen in de totale ontwerptekening zoals hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0009.jpg"

Ontwerptekening van de beoogde nieuwe situatie aan Stationsweg/Boezempad met nieuwe woning achter de bestaande woning aan de Stationsstraat 128


Wonen

De bestaande woning aan de Stationsweg 128 blijft behouden. In de nieuwe situatie wordt daarachter een woning toegevoegd. Deze nieuwe woning zal zich conformeren aan de polderstructuur. Het wordt een nieuwe woning vormen in de reeks vrijstaande woningen die langs de Boezemweg zijn gerealiseerd. De nokrichting is in lijn met de oriëntatie van het slotenpatroon. De watergang die door het perceel loopt zal hierdoor mogelijk aangepast worden. De bestaande watergangen worden verder behouden. In het plan is vanuit woonkwaliteit een aarden wal ingepast. De watergang aan de zuidzijde van de toekomstige woonbestemming wordt gedempt. Deze slootdemping wordt gecompenseerd door een nieuwe watergang die langs het toekomstige fietspad loopt richting het Natuurgoed Ziedewij.


In de bestaande woning aan de Stationsweg 128 vindt naast wonen kleinschalige zorg op maat plaats. In voorliggend plan wordt de zorgfunctie in zowel de bestaande als de nieuwe woning mogelijk gemaakt. Dit biedt ruimte voor 1 á 2 personen voor maximaal twee weken om tot rust te komen als gevolg van een crisissituatie. Deze zorgfunctie is binnen het bestemmingsplan opgenomen via een aanvullende regeling.


Hoveniersbedrijf

Op de locatie direct ten zuiden van de het bestaande woonperceel wordt met dit bestemmingsplan een hoveniersbedrijf mogelijk gemaakt. Het gaat hier om een verplaatsing van het bestaande bedrijf aan de Noldijk 124. Op de huidige locatie kan de bedrijfsvoering van het hoveniersbedrijf niet goed uitgevoerd worden, mede omdat de locatie grotendeels is bestemd voor 'Wonen', er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn en de ontsluiting via de smalle Noldijk beperkingen geeft.

De verplaatsing is ook wenselijk om het onderhoud van Natuurgoed Ziedewij vanaf één locatie uit te voeren. Hierdoor ontstaat een logische en efficiënte bedrijfsvoering. Om dit onderhoud uit te kunnen uitvoeren zal er een werkhof met buitenopslag en een schuur worden gerealiseerd. Door de verplaatsing van het hoveniersbedrijf zal eveneens het verkeer van werknemers, leveranciers en bezoekers verplaatsen van de smalle Noldijk naar de hoofdontsluiting van Barendrecht. Deze verplaatsing heeft dan ook een gunstig effect op het leefmilieu van bestaande en toekomstige bewoners aan de Noldijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0010.jpg"

Ontwerptekening van de opzet van het hoveniersbedrijf met werkschuur voor Natuurgoed Ziedewij.


Dit bestemmingsplan gaat uit van enkel een bedrijfsbestemming voor een hoveniersbedrijf. Andere bedrijven worden niet mogelijk gemaakt zodat er zekerheid is voor de omgeving over het soort bedrijfsvoering dat hier plaats zal vinden.


De nieuwe opzet gaat uit van 4.851m2 hoveniersbedrijf, mede ten behoeve van Natuurgoed Ziedewij, bestaande uit:

  • 400 m2 schuur Natuurgoed Ziedewij;
  • 400 m2 schuur hoveniersbedrijf/kantoor (ten koste van deel van de oorspronkelijke ruimte op het recreatiehof);
  • 150 m2 parkeren personeel hoveniersbedrijf;
  • 150 m2 parkeren bedrijfsauto's en aanhangers;
  • 3.751 m2 overig terrein ten behoeve van opslag materiaal, materieel en grond en beplanting.


Groen en water

In het kader van de ontwikkeling wordt de bestaande watergang aan de westzijde verbreed. Daarnaast wordt een nieuwe brede watergang aangelegd waarmee het fietspad wordt afgeschermd van Natuurgoed Ziedewij. Aan de oostzijde van deze nieuwe watergang een bomenrij, eventueel met onderbeplanting, die zorgt voor afscherming van de nieuwe activiteiten en benadrukken van de polderstructuur. Ook aan de oostzijde van het toekomstige bedrijfsperceel komt een nieuwe bomenrij.

Rondom het nieuwe woonperceel wordt een grondwal met beplanting aangebracht. Deze vormt een erfafscheiding en draagt bij aan het groene beeld van de locatie. Ook aan de zijde van de Stationsweg/Boezempad loopt de grondwal door. In combinatie met het water, de ruime maat van de toegang en het fietspad ontstaat hier een sterke kwaliteitsverbetering ten opzichte van de huidige mogelijkheden, conform bestaande eigendomsgrenzen en vigerende bestemmingsplannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0011.jpg"

Beoogde profiel van de nieuwe toegangsweg naar het natuurgoed (rechts) en het vrijliggende fietspad (links)


Verkeer en parkeren

Het complete profiel van het gewenste vrijliggende fietspad, water en de toegangsroute voor Natuurgoed Ziedewij kunnen in deze situatie netjes aansluiten op de bestaande wegen en het fietspad. De aansluiting op het bestaande wegennet zal in het vervolgproces nader worden uitgewerkt, binnen de kaders van de huidige ontwerptekening. Hierbij aandacht voor de veiligheid van zowel autoverkeer, voetgangers en fietsers. Mogelijke oplossingen zijn een drempelconstructie, of het aanbrengen van een extra middenberm.

Met deze aansluiting voor de fietsers ontstaat een nieuwe recreatieve hoofdroute.


Het parkeren voor Natuurgoed Ziedewij wordt opgelost op eigen terrein bij de entree van het natuurgoed. Parkeren voor het hoveniersbedrijf en de extra woning wordt op eigen terrein opgelost, zie 4.11 Verkeer en parkeren.

2.2.3 Noldijk

Aan de Noldijk zijn in dit bestemmingsplan zowel de nieuwe woningen opgenomen op nummer 130 en 132 als de transformatie van het bedrijf naar woningen op nummer 124.

In de bestaande situatie is op de locatie aan de Noldijk 124, perceel Barendrecht D 9239, een hoveniersbedrijf gevestigd in de bestaande schuur. Deze schuur vormt onderdeel van de boerderij Noldijk 126 uit 1820 die als Rijksmonument is aangemerkt, monumentnummer 8605. Het kantoor, de werkplaats en opslag van het hoveniersbedrijf bevinden zich in de bestaande schuur. Daarbij is er buitenopslag zowel aan de noordwestzijde, langs de toegangsweg, als de noordoostzijde in de 'tuin'. De toegangsweg is een weg onderlangs de Noldijk die vanaf twee zijden toegankelijk is. Deze route wordt voor al het benodigde verkeer gebruikt, inclusief zwaar werkverkeer voor levering van materiaal. Parkeren van personeel, bedrijfswagens en bezoek is langs de toegangsweg geregeld, deels formeel in vakken en deels informeel in de berm. Het terrein achter de schuur is bijna geheel verhard.


Het deel van de toegangsweg aan de noordoostzijde zal in de toekomst ook gebruikt worden voor de polderwoningen die gebouwd worden als onderdeel van de ontwikkeling Natuurgoed Ziedewij.


Langs de toegangsweg ligt een smalle sloot met enkele bomen erlangs. Aan de noordoostzijde een grote tuin met een haag erlangs en bomen. De tuin wordt, zoals aangegeven, ook gebruikt voor opslag. De tuin is onbebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0012.png"

Bestaande situatie Noldijk 124 (bron:Streetsmart)

Algemeen

De nieuwe situatie gaat uit van behoud van de bestaande schuur aangezien het hier een monument betreft. Daarbij wordt ook zoveel mogelijk van het aanwezige groen (bomen en haag) behouden en het terrein opgeschoond. Het ensemble van boerderij en tuin is waardevol in het beeld van de Noldijk. Het Rijksmonument kan met de herontwikkeling een nieuwe functie krijgen en daarmee is het behoud ook verzekerd, waar nu verval dreigt. Doel is het opheffen van de bedrijfsbestemming die nu op de schuur ligt, waar bedrijfsactiviteiten van categorie 1 en 2 zijn toegestaan en detailhandel, en hier enkel wonen toe te staan.


De huidige bestemming 'Bedrijf'' wordt omsloten door de bestemming 'Wonen'. Door de bedrijfsbestemming op te heffen en een woonbestemming toe te voegen aan het perceel zal een beter woon- en leefklimaat voor het omliggende gebied worden gecreëerd.

Het noordelijk deel van het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch'. Op het oog sluit dit aan op de naastgelegen agrarische gronden, maar met de realisatie van Natuurgoed Ziedewij wordt ook dit deel omgezet naar woongebied en Recreatie - Natuur. De agrarische bestemming binnen het plangebied komt daarmee geïsoleerd in zijn omgeving te liggen. In aansluiting op de systematiek van het vigerende bestemmingsplan 'Zuidrand' is daarom gekozen om hier de bestemming 'Tuin' te realiseren. Binnen deze nieuwe bestemming kan geen bebouwing worden gerealiseerd, anders dan andere bouwwerken zoals benoemd in artikel 6.2.2 in de regels van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0013.png"

Uitsnede bestemmingsplan Zuidrand. De zuidelijk gelegen bedrijfsbestemming is inmiddels vervangen door het bestemmingsplan Parq Waal dat de mogelijkheid biedt voor 16 vrijstaande woningen


Wonen

De bestaande schuur is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met 'cultuurhistorische waarden' omdat het een Rijksmonument betreft. Deze aanduiding blijft behouden in dit nieuwe bestemmingsplan. Hierdoor mag de bestaande vorm en uitstraling van het gebouw niet worden gewijzigd. Er is onderzocht hoe dit gebouw een nieuwe bestemming kan krijgen. De schuur bestaat uit 5 traveeën die worden gevormd door de constructieve spanten. In principe zouden hier 5 woningen gerealiseerd kunnen worden. Dit programma is echter te zwaar voor de omgeving en besloten is dit terug te brengen tot maximaal twee woningeenheden. De woningen bestaan uit meerdere traveeën en kunnen deels een functie krijgen als atelierruimte, danwel werkruimte aan huis. Dit zal in de nadere uitwerking bekeken worden. De schuur blijft zo ongewijzigd qua volume en de nieuwe woonfunctie draagt bij aan het behoud van het cultuurhistorisch waardevol pand.


Groen

De verharding aan de achterzijde wordt teruggebracht door het realiseren van een kleine tuin per toekomstige woning. De bestaande grote tuin wordt behouden en heringericht. Deze kan als gemeenschappelijke tuin worden gebruikt, of toegekend aan één van de woningen. De bomen in het gebied worden zoveel mogelijk behouden.

Verkeer en parkeren

De bestaande ontsluiting blijft behouden. Parkeren wordt wel geformaliseerd om zo ook te voorkomen dat overal langs deze route wordt geparkeerd, zie 4.11 Verkeer en parkeren. Het ingetekende parkeren is indicatief en kan qua positie en aantal worden aangepast, mits wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernota.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0014.jpg" Ontwerptekening nieuwe situatie van het plangebied ter plaatse van de Noldijk 124, inclusief aansluiting fietspad op Noldijk. Deze tekening is indicatief en wegen en fietspad zullen in overleg met de afdeling verkeer nader worden uitgewerkt.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en nauwkeurig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Dit kan worden bereikt door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.


Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen net zoals voor thema's en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • Afwentelen wordt voorkomen.


De kleinschaligheid van het plangebied aan de Stationsweg 128, de Noldijk 124 en het Natuurgoed zorgt voor een nihil raakvlak met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) waardoor het voldoet aan het beleid. Strijdigheid met de NOVI is niet van toepassing.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving - instructieregels

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Het Rijk heeft de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen.


In hoofdstuk 5 van het Bkl staan de instructieregels voor omgevingsplannen per onderwerp. De meeste instructieregels hebben betrekking op omgevingsaspecten en worden in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten beschreven.

Hieronder wordt in gegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking (een algemene planologische instructieregel).

Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Het is terug te vinden in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De instructieregel houdt in dat bij het toelaten van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er rekening moet worden gehouden met:

  • de behoefte aan die ontwikkeling; en
  • bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied of stedelijk groen in de behoefte te voorzien.


Hierbij gaat het om een inhoudelijke sturing op de uit te voeren belangenafweging. De formulering 'rekening houden met' betekent dat het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid heeft. Andere belangen dan het belang dat gediend wordt met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Daarbij is van belang dat het gaat om een afweging van de ontwikkelingsbehoefte met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Zowel kwantitatieve aspecten als ook kwalitatieve aspecten kunnen een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte.

Begrip stedelijke ontwikkeling


Artikel 5.129g Bkl is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van bedrijventerreinen, zeehaventerreinen, woningbouwlocaties, kantoren, detailhandelvoorzieningen of andere stedelijke voorzieningen. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Er zijn geen ondergrenzen aangegeven, maar in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor de volgende lijnen uitgezet:

  • Bij woningbouw is vanaf twaalf woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling;
  • Bij nieuwbouw en uitbreiding van winkels, kantoren en bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2;
  • Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2.

Onder het begrip 'andere stedelijke voorzieningen' worden onder meer maatschappelijke, religieuze, culturele en ontspanning en vermaak gerelateerde voorzieningen als stedelijke ontwikkeling aangemerkt. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Of een stedelijke ontwikkeling nieuw is, wordt bepaald in vergelijking met de regels in het omgevingsplan die daarvoor golden. Dit is inclusief de (in het verleden) verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan. Het gaat daarbij om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte, of, als alleen sprake is van een wijziging van een gebruiksfunctie, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is dus in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan.

Begrip stedelijk gebied

Een stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.


Reikwijdte onderzoek

De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau en de uitgebreidheid waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Bij elk plan hoort derhalve een passende onderbouwing. Provinciale of regionale visies en afspraken kunnen als basis dienen voor de onderbouwing, als dergelijke documenten concreet en voldoende onderbouwd zijn. Bij ontwikkelingen met een ruimtelijk effect op het grondgebied van andere gemeenten of provincies is bovengemeentelijke of zelfs bovenprovinciale afstemming noodzakelijk.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft.
Van belang is hierbij dus in hoeverre het plan:

  • in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging
  • en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan

Een combinatie van een ontwikkeling met een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en een functiewijziging is natuurlijk ook mogelijk.

3.1.3 Ladderonderbouwing

Het project Natuurgoed Ziedewij e.o. voorziet in de realisatie van het natuurgoed, als extensieve recreatieve functie, aangevuld met ondersteunende functies, 11 woningen en de verplaatsing van het bestaande hoveniersbedrijf.

Voor dit bestemmingsplan is het initiatief getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en als verder aangevuld in artikel 7.45 ladder voor duurzame verstedelijking van de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

Op grond van het artikel 5.129g moet in de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd.

Deze Ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. De Ladder schrijft niet voor wanneer en waar wel of niet gebouwd mag worden, maar vraagt om een goede afweging van belangen, zodat onder andere voorkomen wordt dat er voor leegstand wordt gebouwd. Doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het bestemmingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor getoetst is aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is door Ginder een ladderonderbouwing opgesteld. Deze onderbouwing is toegevoegd als Bijlage 3. In deze ladderonderbouwing wordt nog uitgegaan van een eerdere variant van 12 woningen en is dit aantal woningen onderbouwd. Het aantal woningen is in de loop van het traject verlaagd naar 11. Aangezien dit minder is dan 12 woningen, kan de ladderonderbouwing nog gebruikt worden.

Kwantitatieve behoefte woningen

Uit de ladderonderbouwing blijkt dat gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Barendrecht, de grote kwantitatieve opgave van de gemeente en de regio en de ontoereikende (harde) plancapaciteit binnen het marktgebied past het toevoegen van de beoogde woningen binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. Zeker gelet op de druk op de woningmarkt in de bredere regio en de toevloeiing vanuit Rotterdam, waar met name met de polderwoningen aanspraak op wordt gedaan.

Kwalitatieve behoefte woningen

Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen kan gesteld worden dat het plan aansluit bij de demografische ontwikkelingen in het verzorgingsgebied. Op basis van regionale afspraken bestaat er de grootste bouwopgave in het dure segment. In combinatie met het gemeentelijke afwegingskader wordt er met voorliggend plan nadrukkelijk gebouwd naar behoefte. Zo is met de polderwoningen sprake van een bijzondere, nieuwe woonvorm met boven-stedelijke aantrekkingskracht, waarin zeer nadrukkelijk aandacht is voor duurzaamheid, klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en het beleefbaar maken van de natuur. Het zijn ook levensloopbestendige woningen en dus geschikt voor een oudere doelgroep. Daarnaast krijgen enkele bestaande panden een toekomstbestendige invulling met woningen, zodat verloedering wordt tegengegaan. Op deze manier is het gerechtvaardigd om voorliggend plan vanuit kwalitatief oogpunt te realiseren binnen de gemaakte woningbouwafspraken.

Conclusie behoefte

De ontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw sluit aan op de woningbehoefte in de gemeente Barendrecht en anticipeert op de demografische ontwikkelingen door in te zetten op de kwalitatieve speerpunten, met kansen voor levensloopbestendigheid en aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. Daarmee sluit de ontwikkeling aan op de kwalitatieve aspecten vanuit het regionaal en gemeentelijk woonbeleid. De ontwikkeling voorziet daarom in een behoefte van het marktgebied.

Locatie woningen

De gehele planlocatie ligt buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De beoogde functies, danwel de vorm van de functies en relatie onderling, maken dat de volledige ontwikkeling enkel buiten bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden. De woning met zorgcomponent aan de noordzijde van het plangebied voegt zich logisch in het landschap, op een plek welke planologisch reeds deels voor woningbouw is bestemd. De polderwoningen zijn specifieke woningen die ontworpen zijn om zich te voegen in de landschappelijke setting van het gebied en zich daarin zeer ondergeschikt te tonen. De dijkwoningen bevinden zich aan de Noldijk, wat reeds jaren in transformatie is richting woonlint. Daarnaast zorgen de schuurwoningen als de ingebruikname van de Noldijk 126 als wooneenheden voor een duurzame, toekomstbestendige invulling van dit monumentaal pand. Dit tezamen maakt dat de buitenstedelijke woningbouwontwikkeling in lijn is met het gemeentelijk ruimtelijk beleid.

Toeristisch-recreatief programma

De toevoeging van zes ecolodges zal geen (economisch) verdringingseffect met zich meebrengen. Het aantal eenheden is daarvoor te beperkt, en het aanbod in de directe omgeving richt zich op andere doelgroepen. De toevoeging van de ecolodges leidt dus niet tot een ruimtelijk ongewenst verdringingseffect. De markt voor vakantiehuisjes in Zuid-Holland is sterk, met een vraag die harder groeit dan het aanbod. De ecolodges, als onderdeel van de totale ontwikkeling van Natuurgoed Ziedewij, richt zich op de toeristische markt en specifiek op de Leefstijlen Inzicht- en Avontuurzoekers. Met het onderscheidende concept hebben de ecolodges de potentie om de nodige eigen vraag te genereren, aangezien het aansluit bij de nodige trends en ontwikkelingen in de vakantiemarkt.

Recreatiehof

Horeca is een zeer veelzijdige en dynamische sector en sterke zaken c.q. ondernemers creëren in hoge mate hun eigen vraag en omzet. Ook in Natuurgoed Ziedewij bestaan hiertoe goede mogelijkheden, gegeven de bijzondere gebiedskwaliteiten. Vanuit kwalitatief perspectief levert nieuwe horeca in het gebied derhalve een bijdrage aan een sterkere verzorgingsfunctie voor zowel de lokale bevolking als de gasten van de ecolodges. Het voorziet dus in een behoefte, zeker ook omdat het horeca-aanbod in Barendrecht momenteel lager is dan wat landelijk gezien verwacht mag worden. De reële omvang voor (lichte) horeca op Natuurgoed Ziedewij is maximaal 250m2 bvo. Gezien de beperkte schaal en de locatie van de horeca worden daarom geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten elders verwacht.

Het mogelijk maken van 200 m2 bvo detailhandel zal voornamelijk tot gevolg hebben dat het Natuurgoed Ziedewij versterkt wordt. De ontwikkeling is beperkt van schaal, de leegstand in de gemeente Barendrecht is relatief beperkt en de ontwikkeling sluit goed aan bij de huidige maatschappelijke trend naar lokaal geproduceerd voedsel. Er wordt verwacht dat de toevoeging van de detailhandel in het plan Natuurgoed Ziedewij niet voor onaanvaardbare ruimtelijk effecten elders zal zorgen.

Het belang van een informatie- en bezoekerscentrum voor Natuurgoed Ziedewij ligt in de educatieve focus op duurzame voedselproductie en biodiversiteit. Door dit profiel heeft het centrum geen negatieve impact op vergelijkbare centra in de regio, omdat het zich onderscheidt door zijn specifieke focus en ondersteunende rol binnen het Natuurgoed. De zelfstandige trekkracht is daarmee nihil.

Locatietoets toeristisch-recreatief programma en recreatiehof

De gehele planlocatie ligt buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De ecolodges en het recreatiehof, in de vorm van de individuele functies en relatie onderling. Het beoogde toeristisch-recreatieve programma is ondersteunend aan de hoofdfunctie van de planlocatie en draagt bij aan de beleving van het groene buitengebied en aan een beter en zorgvuldiger ruimtegebruik. Het draagt aantoonbaar bij aan het fysiek versterken van de omgevingskwaliteit van het gebied door ontwikkeling en verbetering van de landschapskwaliteit. De planontwikkeling is zo vormgegeven dat de landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied. De eenheden/volumes wordt zo gesitueerd dat flora en fauna zoveel mogelijk behouden blijft. De beleving van de locatie (groen, rust en buitenleven) past goed bij de wensen en behoeften van de toeristische vraag, wat maakt dat de ontwikkeling enkel buiten bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is vastgelegd in het Omgevingsbeleid bestaande uit de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, vastgesteld op 20 april 2019. Daaraan is op 25 augustus 2022 een Omgevingsprogramma toegevoegd.

3.2.1 Omgevingsvisie

De provincie heeft op 18 februari 2025 de omgevingsvisie geconsolideerd. De omgevingsvisie is de opvolger van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit. In de omgevingsvisie zijn meerdere beleidsvisies gebundeld. Het gaat om de volgende plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm), het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww), het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
In de inhoud van de omgevingsvisie zijn geen grote wijzigingen vergeleken met het voorgaande beleid. Ook is de digitale beschikbaarheid van het beleid via de digitaal raadpleegbare kaarten weer een wezenlijk onderdeel van het beleid.


In de Omgevingsvisie zijn zeven ambities gedefinieerd. Het zijn zeven richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Het zijn abstracte ambities die bij specifieke opgaven ook tot botsende belangen kunnen leiden. Juist de confrontatie in opgave zal leiden tot knelpunten, maar ook tot kansen om de opgaven verder te helpen. De zeven ambities zijn:

  • Samenwerken aan Zuid-Holland;
  • Bereikbaar Zuid-Holland;
  • Schone energie voor iedereen;
  • Een welvarend Zuid-Holland;
  • Naar vitale balans water, natuur en landbouw;
  • Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland;
  • Gezond en veilig Zuid-Holland.

Naast de ambities is het algemene doel van de omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in provincie. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen verstaan. Het bestaande beleid is hiervoor gebundeld in de omgevingsvisie. Gezien de Omgevingswet wordt dit verder ontwikkeld. Er komt een omschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in de drie Deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in het internationale netwerk. Daarnaast komt er een leefomgevingstoets bij voorgenomen beleidswijzigingen.

Zoals aangegeven is in de Omgevingsvisie veel beleid overgenomen en samengevoegd. Het beleid zal met het daarvoor opgesteld instrumentarium, Monitor en Evaluatie Omgevingskwaliteit geactualiseerd worden. Hierbij is het uitgangspunt dat niet al het beleid in een keer geactualiseerd wordt maar op basis van specifieke aanleidingen. Het samenvoegen van het beleid heeft tot een aantal beleidskeuzes geleid, welke verder zijn uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Zuid-Holland.


Uit de kaart van de Omgevingsvisie is op te maken dat het plan binnen de volgende aangewezen gebieden ligt:

  • Bodemdalingsgevoelig gebied;
  • Externe veiligheid;
  • Groenblauwe structuur;
  • Naam onbekend;
  • Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorie;
  • Stedelijke ontwikkelingen.

In onderstaande paragrafen zijn de relevante subparagrafen behorende bij de bovenstaande gebieden nader toegelicht. Externe veiligheid is niet toegelicht in deze paragraaf, maar in paragraaf 4.4 Externe veiligheid. Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorie is nader toegelicht in paragraaf 3.2.3.2 Ruimtelijke kwaliteit. Bodemdalingsgevoelig gebied is nader toegelicht in paragraaf 3.2.3.1 Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen.

3.2.1.1 Groenblauwe structuur

De provincie ziet de stedelijke groenblauwe structuur als een integraal onderdeel van de regionale groenblauwe structuur. Het plangebied ligt buiten de kern van Barendrecht. De provincie kiest voor het behoud van en verdere ontwikkeling tot robuuste groene buffers, die vanuit hun gebiedskwaliteit en gebruikswaarde de verstedelijkingsdruk kunnen en moeten weerstaan. Op basis van het gebiedsprofiel van IJsselmonde waarin het plangebied ligt zijn een aantal kenmerken van toepassing. Deze kenmerken zijn:

  • Herkenbaar open zeekleipolderlandschap;
  • Weg door stad en land;
  • Doorsnijdend spoor;
  • Water als structuurdrager;
  • Kwaliteit in dorpsgebied;
  • Kwaliteit van de stads en dorpsrand;
  • Linten blijven linten;
  • Werkgebieden met karakter;
  • Vrijetijdslandschap.

Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Het plangebied is aangewezen als beschermingscategorie 2 (gebieden met bijzondere kwaliteit), het plangebied maakt deel uit van de groene buffer. De zuidkant van het plangebied ligt daarnaast ook nog binnen het aangewezen recreatiegebied, maar dit lijkt een vertekening te zijn van de grens van het perceel van Noldijk 124.
Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. De gebieden groene buffer en recreatiegebied hebben de volgende kwaliteiten:

  • Openbare recreatiegebieden, vanwege hun onmisbare bijdrage aan de leef- en vestigingskwaliteit in zowel het stedelijk als het landelijk gebied in de provincie.
  • Groene buffers. De provincie wil in alle overgangsgebieden van stedelijk gebied naar open landschap het contrast behouden tussen de dynamiek en dichtheid van de stad en de luwte van de aangrenzende groene ruimte. Daarom zijn deze gebieden aangewezen als groene buffer en als zodanig beschermd. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden.

Het gebied aan de Stationsweg 128 voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij de schaal en het karakter van het omliggend gebied in stand wordt gehouden. De onderliggende lineaire polderstructuur wordt versterkt door de lange watergangen, fietsroute en beplanting. Deze structuren kunnen door middel van dit bestemmingsplan van Noldijk tot Stationsstraat/Boezempad worden voortgezet. In paragraaf 3.2.3 wordt aan de hand van de regels vanuit de Omgevingsverordening het planvoornemen in relatie met de groene blauwe structuur onderbouwd.

Aan de hand van provinciale regels uit de Omgevingsverordening wordt het planvoornemen in relatie de groene buffer en recreatiegebied onderbouwd, zie hiervoor de volgende subparagraaf.

3.2.1.2 Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied

De provincie streeft naar een compact, samenhangen en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De ruimte moet daarom beter worden benut, waarbij wordt ingezet op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Daarnaast zet de provincie in op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.
De provincie hanteert voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:

  • Bouw naar behoefte;
  • Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied;
  • Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid;
  • Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten;
  • Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving;
  • Bouw voldoende betaalbare woningen.

Als stedelijke ontwikkelingen niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, dan kan het in het landelijk gebied plaatsvinden. Hierbij wordt aangesloten op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten.

Volgens de provincie Zuid-Holland is een stedelijke ontwikkeling te definiëren via artikel 1.1.1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening. Het planvoornemen is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling op basis van de aangegeven jurisprudentie (11 woningen of minder, ruimtebeslag kleiner 500m2, verplaatsing van functie).

Gedeputeerde Staten zien toe op toepassing door gemeenten van de Ladder voor duurzame verstedelijking en het beleid voor ruimtelijke kwaliteit. De ladderonderbouwing is opgenomen in subparagraaf 3.1.3 Ladderonderbouwing.

3.2.1.3 Wonen

De provincie voorziet op regionaal niveau in voldoende passende woningen voor de verschillende doelgroepen. Dit doet de provincie in samenwerking met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's.
Het planvoornemen voegt 11 woningen toe aan de bestaande woningvoorraad. De woningen zorgen voor een (kleinschalige) aanvulling op het woningaanbod. Door het bouwen van de woningen wordt bijgedragen, zij het bescheiden, aan het oplossen van het woning tekort.

3.2.1.4 Agrarische bebouwing en bedrijfsvoering

De provincie wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige kenmerken en waarden. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie.
Het planvoornemen maakt geen nieuwe agrarische bebouwing mogelijk in het plangebied. In het plangebied wordt wel nieuwe (van beperkte omvang in relatie tot de oppervlakte nieuwe natuur) bebouwing toegevoegd, zoals in paragraaf 2.2 toegelicht en in het bijgevoegde beeldkwaliteitsplan worden de kaders gegeven waarmee de bebouwing zorgvuldige landschappelijk ingepast wordt in het landschap. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage bij de regels (Bijlage 1). Hiermee is geborgd dat de bebouwing zorgvuldig in het landschap wordt ingepast. Het planvoornemen is passend binnen dit provinciaal beleid op dit onderdeel.

3.2.1.5 Grootschalige recreatieve ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied

De provincie vindt het van belang dat de behoefte aan grootschalige recreatieve ontwikkelingen wordt onderbouwd en regionaal afgestemd. Grootschalige recreatieve ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied, zoals een verblijfsrecreatiepark, een golfbaan of een jachthaven, beschouwt de provincie in het algemeen als vormen van buitenstedelijke recreatie. De ladder voor duurzame verstedelijking is hierop dus niet van toepassing. Het is wel van belang om, op een vergelijkbare manier als bij de Ladder voor duurzame verstedelijking, de behoefte aan de recreatieve ontwikkeling te onderbouwen en regionaal af te stemmen.
Het planvoornemen voorziet niet de toevoeging van een grootschalige recreatievoorziening. In het plangebied is de hoofdfunctie het Natuurgoed. Hierbinnen worden wel recreatieve mogelijkheden geboden zoals wandelen, fietsen en overnachten in ecolodges maar er is enkel sprake van extensieve recreatie. Er is in het kader van de ladderonderbouwing ook gekeken naar de behoefte van de beoogde recreatievorm, zie 3.1.3 Ladderonderbouwing en Bijlage 3 Ladderonderbouwing.
Ten aanzien van recreatiewoningen beschouwt de provincie permanente bewoning van recreatiewoningen als een onwenselijke ontwikkeling. Nieuwe recreatiewoningen zijn alleen toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken, teneinde permanente bewoning tegen te gaan.

In de wijzigingsregels van het bestemmingsplan Zuidrand is aangegeven dat bebouwing binnen dit gebied beperkt te blijven tot maximaal 10 volumes met een functie die in dienst staat van de functie recreatie. Te denken valt aan een theehuis, logement en informatiecentrum. Hoewel voorliggend plan een losstaand bestemmingsplan betreft, worden deze regels van het bestemmingsplan Zuidrand als leidraad aangehouden. Op basis hiervan kunnen de beoogde recreatiewoningen (ecologdes), zonder permanente bewoning, wel in het plan opgenomen worden zonder dat deze in strijd zijn met de provinciale regels. Voor alle bebouwing in het plangebied geldt dat deze landschappelijk goed inpasbaar moet zijn, dit wordt bereikt doordat voldaan moet worden aan het beeldkwaliteitsplan. In de regels wordt permanente bewoning expliciet uitgesloten en er is een maximum van 14 dagen opgenomen voor het gebruik van de ecolodges.

3.2.2 Omgevingsprogramma

De provincie heeft op 18 februari 2025 het omgevingsprogramma geconsolideerd. Het Omgevingsprogramma is onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het programma is een instrument waarin wordt uitgewerkt wat het te voeren beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving is. De verschillende beleidskeuzes vanuit de Omgevingsvisie worden omgezet naar beleidsdoelen in het Omgevingsprogramma.

De beleidsdoelen hebben betrekking tot verschillende ambities die zijn gedefinieerd, waaronder:

  • Krachtig openbaar bestuur;
  • Sterke samenleving;
  • Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen;
  • Goed functionerende provinciale infrastructuur;
  • Energietransitie;
  • Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat;
  • Erfgoed en cultuur;
  • Gezonde natuur;
  • Toekomstbestendige landbouw;
  • Leven met water;
  • Wonen;
  • Ruimte en landschap;
  • Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid;
  • Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport;
  • Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering.

Het planvoornemen valt niet in een specifiek aangewezen maatregel binnen het Omgevingsprogramma.

3.2.3 Omgevingsverordening

De omgevingsverordening is gelijk met de omgevingsvisie op 1 april 2019 vastgesteld (geconsolideerd 1 juli 2025). De verordening bevat bindende ruimtelijke regels waar de provincie en gemeenten in Zuid-Holland zich aan moeten houden. De doorwerking van de regels is uitgewerkt doordat bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen niet in strijd mogen zijn met de verordening. De verordening wordt met een digitale kaart beschikbaar gesteld om per locatie direct inzichtelijk te krijgen welke beleidsregels van toepassing zijn op de specifieke locatie.
Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit).
De gebiedsprofielen omtrent ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
Onderstaand zijn de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening opgenomen. Omdat de Omgevingsverordening zich na 1 januari 2024 voornamelijk richt op omgevingsplannen en het voorliggend plan een bestemmingsplan betreft, is in de verwerking van de instructieregels een vertaalslag naar bestemmingsplannen gemaakt.

3.2.3.1 Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen

De omgevingsverordening omschrijft het volgende over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen (paragraaf 7.3.6a):

  • 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
    • a. wateroverlast door overvloedige neerslag;
    • b. overstroming;
    • c. hitte;
    • d. droogte;
    • e. alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
  • 2. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.

In het kader van de ontwikkeling wordt de bestaande watergang aan de westzijde verbreed en wordt een nieuwe brede watergang aangelegd die het fietspad afschermt van Natuurgoed Ziedewij. Aan de oostzijde van deze nieuwe watergang komt een bomenrij, eventueel met onderbeplanting, die zowel de nieuwe functies afschermt als de polderstructuur versterkt. Ook langs de oostzijde van het toekomstige bedrijfsperceel wordt een nieuwe bomenrij toegevoegd. Rondom het nieuwe woonperceel wordt een grondwal met beplanting gerealiseerd, die fungeert als erfafscheiding en bijdraagt aan het groene karakter van de locatie. Deze grondwal loopt door richting de Stationsweg/Boezempad, waar in combinatie met het water, de ruime toegang en het fietspad een duidelijke kwaliteitsverbetering ontstaat ten opzichte van de huidige situatie.

De gekozen inrichting levert tegelijkertijd een belangrijke bijdrage aan de klimaatbestendigheid van het gebied. De verbreding en toevoeging van watergangen vergroten de waterbergingscapaciteit en beperken de kans op wateroverlast. De bomenrijen en de groene grondwal zorgen voor schaduw en verdamping, waardoor hittestress wordt verminderd. Het groene en waterrijke karakter houdt vocht langer vast en verbetert de infiltratie, wat helpt tegen droogte. Het is niet aannemelijk dat het risico op bodemdaling door de ontwikkeling toeneemt. Hierdoor ontstaat niet alleen een ruimtelijk hoogwaardige, maar ook toekomstbestendige inrichting van het gebied.

3.2.3.2 Ruimtelijke kwaliteit

De omgevingsverordening omschrijft het volgende over ruimtelijke kwaliteit (paragraaf 7.3.7):

  • 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (art. 7.43a, lid 1).
  • 2. In een bestemmingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met de beschermingscategorie en het gebiedstype, het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld in bijlage IX onder A (art. 7.43a, lid 2).
  • 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in artikel 7.43.
  • 4. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat deze een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij (art. 7.43d):
    • a. er sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen of transformeren; of
    • b. één of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in bijlage IX, onder A, in het geding zijn.
  • 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden (art. 7.43c):
    • a. de ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
    • b. de ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
    • c. de ruimtelijke ontwikkeling als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
  • 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als opgenomen in de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n, zijn van toepassing, tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat (art. 7.43a, lid 3).
  • 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van (art. 7.43e):
    • a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt;
    • b. wegnemen van verharding;
    • c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;
    • d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij
      • aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering;
      • indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.
  • 8. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, kan in overeenstemming met artikel 7.43h voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen mits de gebiedskenmerken en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied.
  • 9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, kan in overeenstemming met artikel 7.43i voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen waarbij zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 7.43e, voor zover:
    • a. de oppervlakte openbaar toegankelijk recreatiegebied en de potentiële recreatieve waarden per saldo ten minste gelijk blijven, indien nodig door aanvullende maatregelen te treffen;
      • de maatregelen worden bij voorkeur gerealiseerd aansluitend of nabij het recreatiegebied;
      • als het redelijkerwijs niet mogelijk is om de oppervlakte openbaar toegankelijk recreatiegebied per saldo gelijk te houden, vergroten de aanvullende maatregelen de opvangcapaciteit in het gebied en de recreatieve waarden.
    • b. de ontwikkeling bijdraagt aan de recreatieve behoefte van diverse doelgroepen, de kwaliteit van het recreatiegebied en de recreatieve waarde van het gebied;
    • c. de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied;
    • d. de ontwikkeling aansluit bij en zo mogelijk bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren;
    • e. de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatieve routes en cultuurhistorisch erfgoed.
  • 10. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Groene buffers, kan in overeenstemming met artikel 7.43k voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.
  • 11. Bij de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur, natuur- en recreatiegebieden of grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46, is in gebieden met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, transformatie mogelijk.
  • 12. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.43a, een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.

Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën

Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 (artikel 7.43k Groene buffers) kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld artikel 7.43c lid 3, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder 7.43c lid 3 gestelde voorwaarden.

Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn en kunnen bestaan uit (een combinatie van):

  • 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt;
  • 2. wegnemen van verharding;
  • 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;
  • 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

Onderbouwing

Het plangebied ligt volledig binnen de volgende beschermingscategorieën:

  • a. Beschermingscategorie 2, groene buffer;
  • b. Beschermingscategorie 3, buitengebied.

En langs de Noldijk voor een klein gedeelte binnen Beschermingscategorie 2, recreatiegebied.

Het planvoornemen kan opgedeeld worden in drie deelgebieden: het gebied aan de Stationsweg 128, het gebied aan de Noldijk en het gebied van Natuurgoed Ziedewij. Voor het plangebied aan de Stationsweg 128 geldt dat de ruimtelijke impact groter is dan het plangebied aan de Noldijk 124. Het deelgebied aan de Stationsweg 128 wordt gezien als inpassen, omdat er geen grootschalige ruimtelijke ontwikkeling plaatsvinden die de landschappelijke structuur onevenredig aanpassen. Het plangebied aan de Noldijk 124 wordt ook gezien als een inpassing binnen het landschap; de bestaande bedrijfsbestemming wordt opgeheven en een woonbestemming komt hiervoor in de plaats. Binnen het bestaande bedrijfspand worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. En daarnaast worden nog 2 losse woningen in de lintbebouwing ingepast. Hierdoor wordt de lintbebouwing aangevuld. Het is daardoor aannemelijk dat dit een verbetering van de leefbaarheid aan de Noldijk oplevert. De aanduiding recreatiegebied ligt op de perceelsgrens van Noldijk 124. Echter lijkt het in de provinciale omgevingsverordening alsof de aanduiding deels op het perceel van Noldijk 124 ligt, dit betreft een vertekening.

Voor het gebied van Natuurgoed Ziedewij geldt dat de ruimtelijke impact verandert. Het gebied wordt omgevormd van open weidelandschap naar een Natuurgoed. Het private karakter van het agrarisch gebied, het gebied is niet openbaar toegankelijk, wordt een (semi) publiek gebied waarin water en natuurontwikkeling de voornaamste landschapselementen zijn. Geplande bosschages maskeren het volkstuinencomplex en het zicht op het spoor. Hiermee wordt invulling gegeven aan een recreatieve functie, nabij het recreatiegebied. De groene buffer wordt versterkt door de planontwikkeling door middel van de aanleg structureel groen (bos) en watergangen. Dit versterkt ook de zichtbaarheid van het coulisselandschap. Bij elkaar zorgt dit voor een sterke kwaliteitsverbetering van het landschap.

Beeldkwaliteit en kenmerken van het gebied
Het plangebied ligt in het gebied IJsselmonde. In paragraaf 3.2.1.1 is ingegaan op de kenmerken die bij het gebied horen.
Het plangebied aan de Stationsweg 128 past zich in binnen de bestaande structuur van het landschap, waardoor de herkenbaarheid van het open zeekleipolderlandschap niet onevenredig wordt aangetast. De nieuwe ontwikkelingen zullen zich invoegen binnen de bestaande structuur van de bebouwing aan de Boezemweg en de Stationsweg, waardoor lintbebouwing wordt gehandhaafd. Door de toevoeging van een nieuwe watergang binnen het deelgebied wordt de bestaande loop van de watergangen wordt niet onevenredig aangetast, omdat het plan zich inpast binnen de bestaande structuur blijft de rand in relatie staan met het landschap. Hierdoor wordt ook de groenzone aan de rand van Barendrecht gehandhaafd, waardoor het uitzicht op het open polderlandschap behouden blijft.
Het gebied aan de Noldijk 124 past zich ook in binnen de bestaande structuur van het landschap. Er vindt geen grootschalige ontwikkeling plaats, waardoor de herkenbaarheid van het open zeekleipolderlandschap niet onevenredig wordt aangetast. De bestaande bedrijfsbestemming wordt opgeheven en het bestaande bedrijfspand wordt verbouwd tot een woning blijft de huidige lintbebouwing intact. Ook worden er twee extra woningen gerealiseerd die de lintbebouwing completeren.

Het plangebied Natuurgoed Ziedewij past zich in binnen de bestaande structuur van het landschap. De te realiseren bebouwing wordt landschappelijk ingepast (zie ook bijgevoegd beeldkwaliteitsplan in Bijlage 1). Door het koppelen van het beeldkwaliteitsplan aan de regels moet de bebouwing conform dit plan gerealiseerd worden. Hierdoor is een zorgvuldige landschappelijke inpassing geborgd.


Voor het gehele plangebied geldt dat effecten op de overige kenmerken nihil zijn. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de ruimtelijke kwaliteit die passend is bij het gebied IJsselmonde.

3.2.3.3 Stedelijke ontwikkelingen

De omgevingsverordening omschrijft het volgende over stedelijke ontwikkelingen (paragraaf 7.3.8)

  • 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen (art. 7.45):
    • a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    • b. als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.
  • 2. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. Het omgevingsplan betrekt ook de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw (art. 7.45b).
  • 3. Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid (art. 7.45c).
  • 4. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit (art. 7.45ca).
  • 5. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving als bedoeld in artikel 7.45d, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning. In afwijking hiervan kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld gebaseerd op het autobezit per woningtype of woonoppervlak (art. 7.45e).
  • 6. Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn de locaties, genoemd in bijlage IX, onder B, en waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II (art. 7.46).

Onderbouwing

De ladderonderbouwing is opgenomen in subparagraaf 3.1.3 Ladderonderbouwing.

In paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren is het aspect verkeer en parkeren opgenomen. In de onderbouwing voor parkeren zijn de gemeentelijke parkeernormen aangehouden, echter bepaalt de provinciale omgevingsverordening dat voor de nieuwe vrijstaande woning aan de Boezemweg een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning geldt, aangezien deze woning binnen de aanduiding stationsomgeving ligt. Bij de ontwikkeling wordt uitgegaan van de provinciale parkeernorm aangezien dat het leidend beleid is. De parkeeronderbouwing toont wel aan dat ook het gemeentelijk beleid past. Overigens heeft het plangebied niet de kenmerken van een stationsomgeving (bijvoorbeeld hoge dichtheid, binnen de bebouwde kom), het plangebied kent een lage dichtheid en is gelegen in het buitengebied.

De verbetering van de biologische biodiversiteit is opgenomen in subparagraaf 2.2.1 Natuurgoed Ziedewij.

3.2.3.4 Detailhandel

De omgevingsverordening omschrijft het volgende over detailhandel (paragraaf 7.3.9):

  • 1. Een omgevingsplan voorziet alleen in detailhandel in gebieden (art. 7.48 lid 1):
    • a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken;
    • b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;
    • c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.
  • 2. De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen (art. 7.48 lid 2):
    • a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in bijlage IX, onder C, beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin opgenomen te consolideren centra, te herpositioneren centra, te optimaliseren centra en de overige centra;
    • b. aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat;
    • c. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de andere centra, is ook met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland.
  • 3. In afwijking van artikel 7.48 kan een omgevingsplan voorzien in de volgende detailhandel (art. 7.49 eerste lid):
    • a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra:
      • detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
      • detailhandel in volumineuze goederen;
      • meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, alsmede detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II;
      • tuincentra;
      • bouwmarkten;
    • b. kleinschalige detailhandel:
      • in de vorm van een gemakswinkel;
      • bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties;
    • c. ondergeschikte detailhandel:
      • in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf;
      • bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdbestemming;
      • bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt;
    • d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties;
    • e. kringloopwinkels;
    • f. kern gebonden supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie en de leefbaarheid onder druk staat.
  • 4. Het omgevingsplan kan toevoeging of uitbreiding van detailhandel, bedoeld in art. 7.49 eerste lid, onder a en f, alleen mogelijk maken als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Ook met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de detailhandel, bedoeld in art. 7.49 eerste lid, onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het eerste lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte (art. 7.49 tweede lid).
  • 5. Een bestemmingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het derde lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten (art. 7.49 derde lid):
    • a. ten hoogste 20% van het netto-verkoopvloeroppervlakte met een maximum van 500 m2 wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en
    • b. het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.

Onderbouwing

De winkel die beoogd is in het plangebied betreft kleinschalige detailhandel die wordt gerealiseerd bij het Natuurgoed (recreatie- en vrijetijdsvoorziening). Het aanbod van de winkel zal aansluiten bij het Natuurgoed door bijvoorbeeld het aanbieden van producten die binnen het Natuurgoed zelf geproduceerd worden en het aanbieden van streekproducten.

3.2.3.5 Regionale waterkeringen

De Noldijk is aangewezen als regionale waterkering. Het gebied aan de Noldijk 124 valt hierbinnen. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.13 van de provinciale omgevingsverordening, bestemt die waterkering als zodanig (bepaald in artikel 7.25). De dubbelbestemming uit het vigerende bestemmingsplan wordt overeenkomstig opgenomen in dit bestemmingsplan. Deze dubbelbestemming voorkomt dat belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of versterking van de regionale waterkering.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie

Op 2 juli 2012 is de gemeentelijke structuurvisie van Barendrecht vastgesteld. In deze visie zijn verschillende opgaven opgenomen. De voor dit plan relevante opgaven worden nader toegelicht.

Groen en recreatie

Het landschap beter benutten als recreatief uitloopgebied voor Barendrecht én voor de regio, door de gebruikswaarde en belevingswaarde ervan te vergroten.

  • Belevingswaarde vergroten door gebiedseigen kenmerken en kwaliteiten te versterken;
  • Gebruikswaarde vergroten door het stedelijk gebied beter te verbinden met het landschap en groengebieden en toevoeging van (recreatieve) functies toe te staan.
  • Verdere kwaliteitsverbetering van de recreatieve functie van de Zuidrand.
  • Groengebieden en langzaamverkeersroutes beter bruikbaar maken voor recreatieve behoefte.

Door de realisatie van het Natuurgoed (toevoeging recreatieve functies) wordt de kwaliteit van de recreatie functie van de Zuidrand verbeterd. Hiermee wordt ook de gebruikswaarde van de verbinding tussen stedelijk gebied en het landelijk gebied van de Zuidrand verbeterd. Niet alleen door de realisatie van het Natuurgoed maar ook de realisatie van een langzaamverkeersverbinding tussen de Zuidrand en Barendrecht. De belevingswaarde in het gebied wordt vergroot door bij de inrichting van het gebied de structuur van het bestaande coulisselandschap te hanteren, recreatieve functies toe te voegen waaronder het restaurant en de bebouwing zorgvuldig in te passen waardoor de natuurfunctie de boventoon voert.
De realisatie van de langzaamverkeersverbinding langs de westgrens van het plangebied sluit ook op 1 van de opgaven ten aanzien van mobiliteit;

  • Realiseren van ontbrekende verbindingen in en verfijning van het bestaande langzaamverkeersnetwerk, zowel in bestaande als in te ontwikkelen gebieden.

De fietsverbinding zorgt voor het verbinden van Barendrecht met de Zuidrand.

Wonen

  • Woningbouwprogramma afstemmen op de lokale behoefte (migratiesaldo nul).
  • Het realiseren van een woningbouwopgave met een bandbreedte tussen de 2.500 en 3.000 woningen in de periode 2010-2030.
  • Het kwalitatieve woningaanbod zo goed mogelijk laten aansluiten op de marktvraag door het benutten van kennis ten aanzien van leefstijlen.

Het gemeentelijk woonbeleid wordt toegelicht in subparagraaf 3.3.3.
De realisatie van groen en recreatie is ook in lijn met de strategische visie ''Samen Bouwen aan Barendrecht Van Goed naar ...''. Hierin is opgenomen dat de afgelopen jaren is gewerkt aan het realiseren van recreatiegebied Zuidpolder. Dit biedt bewoners en bezoekers ten zuiden van Barendrecht een uitgestrekt groengebied, waar gewandeld, gefietst en gekanood kan worden.
De gemeente wil de lijn voortzetten om te voorzien in de gemeentelijke behoefte aan natuur, rust en recreatie. Het Natuurgoed levert een bijdrage aan de verdere vergroting van de recreatie en natuur aan de zuidkant van Barendrecht.

Zuidrand

De Zuidrand van Barendrecht maakt deel uit van een groter regionaal recreatiegebied. Het accent ligt hierbij op het uitbouwen van de recreatieve functie, het herontwikkelen van bestaande bedrijfslocaties, het revitaliseren van bestaande recreatieve voorzieningen (jachthaven, camping, etc.), het uitbreiden van recreatieve routes en natuur- en landschapsontwikkeling. Het creëren van bereikbare en zichtbare rivieren en het realiseren van en ecologische verbindingen zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.

Het planvoornemen zorgt voor het uitbreiden van recreatieve routes door de ontwikkeling van de entree voor het plangebied. Deze entree sluit aan op de bestaande wegstructuur en realiseert een langzaamverkeersroute door het plangebied naar Natuurgoed Ziedewij. Ook zorgt het planvoornemen aan de Noldijk 124 voor het herontwikkelen van bestaande bedrijfslocaties door de verplaatsing van het hoveniersbedrijf vanaf de Noldijk naar het plangebied aan de Stationsweg 128. In het bestaande bedrijfspand worden twee woningen gerealiseerd. Het plan sluit daarmee aan op de structuurvisie van Barendrecht.

3.3.2 Folder open polder

Met deze folder bieden de gemeente in de regio IJsselmonde (waaronder Barendrecht) een handreiking om ontwikkelingen in polders zo goed mogelijk in te passen.


In het buitengebied staat het landschap centraal. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom nauwkeurig worden ingepast. Dat betekent dat de bebouwing niet te opvallend mag zijn, en er uit ziet alsof het gebouw ook echt op die plek thuishoort. Beplanting speelt daarbij een heel belangrijke rol. In het landelijk gebied hoort een typisch landelijke architectuur, met een erfinrichting en beplanting die past bij de streek.


In zijn algemeenheid, moet met de volgende punten rekening worden gehouden;

  • Houd de bebouwing eenvoudig. Gebouwen in het buitengebied hebben 1 bouwlaag met daarop een eenvoudige, maar beeldbepalende kap;
  • Erfbeplanting is beeldbepalend. Door de erfbeplanting liggen de gebouwen afwezig, min of meer verscholen, in het landschap;
  • Zorg voor zicht op het landschap. Houd rekening met de positie van gebouwen en de organisatie van het erf, zodat het landschap zichtbaar blijft.


In de handreiking is voor de bebouwing in de polder onder andere het volgende opgenomen;

  • Een poldererf bestaat uit een ensemble van gebouwen rondom een gemeenschappelijk erf;
  • De bebouwing bestaat uit maximaal een hoofdgebouw (boerderij) en eventueel een of meerdere bijgebouwen;
  • De architectuur van hoofdgebouw en bijgebouwen is op elkaar afgestemd, de gebouwen zijn familie van elkaar.

In het beeldkwaliteitsplan (zie Bijlage 1) is toegelicht dat de polderwoningen aan de zuidkant van het Natuurgoed passend zijn binnen de poldertypologie. Het bijgevoegde beeldkwaliteitsplan geeft aan deze woningen aansluiten bij het buitenboek.


Bij de bouw van de woning achter Stationsweg 128 wordt gebruik gemaakt van de aanwijzingen en handvatten die de folder biedt. Deze aanwijzingen zijn:

  • De sloot en de voortuin bepalen grotendeels het beeld. De woning staat daarmee op afstand van de weg;
  • De bebouwing en de kap volgen de richting van de huidige polderstructuur.
  • De beplanting is gebiedseigen en de watergangen begrenzen de kavel, waardoor een scheiding ontstaat met het open landschap
  • De oprit loopt door de geluidswal en sluit aan op de verkeersbestemming die naar het Natuurgoed Ziedewij leidt;
  • Het gebruik van hagen en groene erfafscheidingen wordt aangemoedigd, evenals het gebruik van leilindes.


Zoals beschreven in hoofdstuk 2 paragraaf 2.2 wordt voldaan aan de aanwijzingen en handvatten die de folder beschrijft. De bebouwing en kap volgt de polderstructuur. De nieuwe toegangsweg wordt op een gelijkwaardige vormgegeven zoals de toegangsweg ten zuidwesten van het plangebied aan de Stationsweg 128. De aarden wal wordt aangekleed met gebiedseigen bomen. Hiermee wordt voorzien in een groene erfafscheiding. Het plangebied aan de Noldijk 124 houdt het bestaande bedrijfspand in stand voor de realisatie van twee woningen.


Het noordelijke en zuidelijke gebied met woningen wordt tijdens de omgevingsvergunningsprocedure getoetst aan de Welstandsnota. Een beperkte toetsing aan de Nota Welstandbeleid is opgenomen in paragraaf 3.3.4. Hierin worden de woningen aan de Noldijk en Stationsweg getoetst. Het planvoornemen staat een positieve beoordeling niet in de weg.

3.3.3 Woonvisie

De woonvisie 2023-2027 Barendrecht is vastgesteld in 2023. In Barendrecht is het experimenteel en innovatief bouwen tot nu toe slechts op beperkte schaal toegepast. Wel is de afgelopen jaren de mogelijkheid voor woonconsumenten vergroot om de nieuwbouwwoning (gedeeltelijk) naar eigen wens te realiseren. Particulier opdrachtgeverschap geeft daarbij de maximale vrijheid.

In 2024 is het woonprogramma vastgesteld. Hierin wordt aangegeven dat nieuwe woningbouwontwikkelingen moeten voldoen aan 30% sociaal, 30% middelduur en 40% duur. Dit plan voldoet hier niet aan, maar de woningbouwopgave landt in het buitengebied. Ook is de woningbouw in dit plan bedoeld voor de bekostiging van het natuurgoed, hierdoor kan er niet worden voldaan aan de verdeling.


Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen, waarvan 2 binnen het volume van de bestaande schuur aan de Noldijk 124 worden gerealiseerd. Er komen in het gebied geen sociale woningen. Hiervoor wordt een storting gedaan in het vereveningsfonds sociale woningbouw gedaan conform het 'Programma Kostenverhaal en financiële bijdragen gemeente Barendrecht', zie ook 6.1 Economische uitvoerbaarheid.

3.3.4 Nota welstandsbeleid gemeente Barendrecht

Bouwplannen dienen te voldoen aan de algemene welstandscriteria en de gebiedsgerichte welstandscriteria. Voor een aantal objecten en voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn sneltoetscriteria opgesteld. Naast de sneltoetscriteria dient tevens aan de algemene welstandscriteria en de gebiedsgerichte welstandscriteria te worden voldaan.


De woning wordt getoetst aan de criteria die zijn opgenomen in het welstandsbeleid. De algemene gebiedscriteria zijn als volgt:

  • Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft;
  • Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is;
  • Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit;
  • Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.
  • Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.
  • Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

In onderstaande alinea's wordt beschreven onder welk welstandsgebied de Noldijk en de Stationsweg vallen en welke welstandscriteria hiervoor van toepassing zijn.

De Noldijk 124
Dit deel van het plangebied valt onder het welstandsgebied H5 (Dijkbebouwing). De welstandscriteria zijn:

  • De overwegend op de weg gerichte rooilijn dient gerespecteerd te worden;
  • (Voormalige) agrarische bebouwing los van elkaar;
  • Burgerwoningen gesitueerd tegen de kruin van de dijk overwegend los van elkaar (kleine doorkijkjes);
  • Bovendijks gelegen staafvormige burgerwoningen evenwijdig aan de straat (langsrichting);
  • Benedendijks gelegen woningen wisselend haaks op en evenwijdig aan de straat; keuze afhankelijk van omliggende oriëntatie van bebouwing.

Het planvoornemen houdt de op de weg gerichte rooilijn in stand, omdat geen nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De bestaande bebouwing is te typeren als een staafvormige (burger)woning die bovendijks ligt en handhaaft de kleine doorkijkjes en de langsrichting. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gebiedscriteria die van toepassing zijn op het deelgebied.


De Stationsweg 128
Dit deelgebied valt in gebied 29 (buitenplaatsen, landgoederen, agrarisch buitengebied). De welstandscriteria zijn:

  • De voorkant van de hoofdmassa is gericht naar de belangrijkste openbare ruimte of de belangrijkste weg;
  • Bijgebouwen plaatsen op een onopvallende plaats achter de hoofdmassa.

Het planvoornemen voldoet in basis aan de gestelde gebiedscriteria, zoals de richting van de hoofdmassa richting de Stationsweg en de plaatsing van de bijgebouwen op een onopvallende plaats achter de hoofdmassa, zie het stedenbouwkundig plan in Bijlage 2. Voor het Natuurgoed is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, Bijlage 1, met gebiedsgerichte criteria.

Bouwplannen in het plangebied worden tijdens de omgevingsvergunningsprocedure getoetst aan de Welstandsnota en het beeldkwaliteitsplan. Het planvoornemen staat een positieve beoordeling niet in de weg.

3.3.5 Barendrechts Buitenboek

Met het Barendrechts Buitenboek wil de gemeente ondernemers en inwoners van het buitengebied uitdagen om nieuwe (recreatieve) activiteiten in het buitengebied te ontwikkelen, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en recreatiebehoefte van de inwoners van IJsselmonde. De gemeente wil de doelgroep uitdagen om deze ontwikkeling qua beheer betaalbaar te houden. Daarnaast wil de gemeente met het buitenboek laten zien dat nieuwe ontwikkeling goed kunnen passen in het buitengebied zolang ze plaatsvinden in een culturele context, zoals bouwen en beplanten met respect voor streekeigenheid en herinterpretatie en/of opnemen van oude landschappelijke en cultuurhistorische elementen.


Het buitenboek kent een aantal kwaliteiten toe aan een aantal deelgebieden. Het plangebied ligt in het deelgebied 'Ziedewijdse polder' en kent de volgende (ruimtelijke) kwaliteiten:

  • Karakteristiek kleinschalige polderstructuur van de Ziedewijdse polder inclusief hoekverdraaiing van de kavelrichting ten opzichte van de Noldijk;
  • De tijdens de inpoldering afgedamde Waal met zijn karakteristieke meanderende vorm, lage oeverwallen met graslanden en rietkragen;
  • Cultuurhistorisch waardevolle intensieve lintbebouwing langs Noldijk (dromerdijk) met afwisselend gesloten en open delen;
  • Typische doorzichten vanaf de Noldijk, die een visuele relatie met de natuurlijke en recreatief aantrekkelijke oeverzone van de Waal en het aan de overzijde van het water gelegen gebied van Heerjansdam mogelijk maken;
  • Aanwezigheid monumentale bebouwing: een stenen muur in de Noldijk, boerderijen aan de Noldijk 33, 126, 155-157, woningen aan de Noldijk 115, 181-183.


Het gebied kent ook een aantal knelpunten, zoals het spoor dat een barrière vormt die het gebied in twee delen splitst. Ook glastuinbouwbedrijven, kassencomplexen en andere grootschalige bedrijvigheid leiden tot versnippering van het samenhangende landschap van de Ziedewijse polder. Daarnaast zijn ook kansen voor het gebied van toepassing, waaronder de plannen voor Natuurgoed Ziedewij die een nieuwe fietsverbinding door de Ziedewijse polder omvatten.


Het buitenboek geeft richting aan grote ruimtelijke ontwikkelingen in Barendrecht. Het gebied aan de Stationsweg 128 past zich in binnen de bestaande polderstructuur voor zowel de woonbestemming als de bedrijfsbestemming. De bedrijfsbestemming wordt ingepast in het plangebied en is een ondergeschikt onderdeel is van Natuurgoed Ziedewij. Hierdoor draagt de bedrijfsbestemming bij aan de ontwikkeling en via het beheer van Natuurgoed Ziedewij. Daarnaast draagt het bij aan een oplossing van de versnippering van het samenhangend landschap door gebiedseigen bomen te planten en aan te sluiten op de bestaande bebouwingsstructuren langs het Boezempad.

Het gebied aan de Noldijk 124 voegt vier nieuwe woningen toe, waarvan twee in het bestaande bedrijfspand, waardoor de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing, die typerend is voor de Noldijk, gecompleteerd wordt en dus behouden blijft.

De bebouwing van zowel het recreatiehof als de polderwoningen houden de onderliggende polderstructuur als leidend principe aan. De bebouwing voegt zich in de nieuwe groenblauwe structuur en is in hoogte en karakter passend bij dit landschap.

Het planvoornemen past binnen de kaders van het Buitenboek Barendrecht.

3.3.6 Duurzaamheid

Uitvoerings- programma Duurzaam Energiebeleid Barendrecht

Schetsplan duurzaam energiebeleid (2015)

Op 13 oktober 2015 is door de gemeenteraad het Schetsplan Duurzaam energiebeleid aangenomen. Dit Schetsplan is een routekaart naar CO2-neutraliteit in Barendrecht, conform de ambities van het college zoals vastgelegd in het collegeprogramma. De gemeente Barendrecht heeft de ambitie om in 2030 CO2-neutraal te zijn. Het duurzaam energiebeleid van de gemeente Barendrecht heeft vier pijlers, te weten:

  • 40% energie besparen,
  • 60% duurzame warmte inzetten,
  • 60% duurzame stroom opwekken,
  • Mobiliteit op basis van een 100% duurzame brandstof mix in 2030.


Klimaatopgave Barendrecht 2019

Het bovengenoemde schetsplan Duurzaam Energiebeleid 2015-2030 moet geactualiseerd worden. Daarom is in 2019 de klimaatopgave vastgesteld door het college. Eén van de meest in het oog springende ontwikkelingen is het gezamenlijk met 23 gemeenten in de regio opstellen van de Regionale Energie Strategie (RES). In deze RES wordt het energielandschap in 2050 vorm gegeven en is basis voor de uiteindelijke route die ook de afzonderlijke gemeenten gaan nemen.

Op lokaal niveau is in het oorspronkelijke schetsplan een hoger ambitieniveau geschetst, CO2 neutraal in 2030. Gebleken is dat dit ambitieniveau vrijwel onmogelijk te bereiken is, tenzij de gemeente als overheid fors gaan ingrijpen en dwingende maatregelen gaan voorschrijven wat nadrukkelijk niet in lijn met de gemeentelijke leidende principes is. Belangrijker is het om een continue afnemende vraag naar energie te realiseren, waarbij optimaal gebruik is gemaakt van de voorhanden zijnde oplossingen.


Om de klimaatopgave vorm te kunnen geven onderscheid de gemeente een achttal sub-onderwerpen, waarbij de eerste vier onderwerpen zich met name richten op energie, te weten:

  • Opwekking
  • Besparing
  • Warmte
  • Opslag
  • Mobiliteit
  • Voedsel
  • Circulaire Economie
  • Klimaatadaptie


Om bovenstaande doelstellingen te bereiken zijn diverse activiteiten en projecten benoemd in het Uitvoeringsprogramma Duurzaam Energiebeleid.

In het plan zijn drie basis uitgangspunten opgenomen die een relatie hebben met duurzaamheid.

  • 1. Natuur - Versterking van het landschap en natuurbevorderend bouwen. De gebouwen wordt natuurinclusief ontworpen.
  • 2. Bouwen op natuurlijke bouwwijze. De materialen die gebruikt worden zijn natuurlijk, circulair en herbruikbaar. Er wordt gebruik gemaakt van lokale materialen, bouw partijen en prefab bouwsysteem waardoor de uitstoot van het vervoer van de materialen en uitstoot van bouwmachines zo veel mogelijk wordt beperkt.
  • 3. Duurzaam gebruik. De gebouwen worden zo duurzaam mogelijk ontworpen, onder meer door de toevoeging van natuurlijk ventilatie, verwarming met aardwarmte / warmtepomp en zonne-energie en maximale isolatie. Het streven is dat er klimaatneutrale woningen worden gerealiseerd. De gebouwen worden levensloopbestendig.

Convenant Klimaatadaptief bouwen (Strategie Klimaatadaptatie 2022-2026)

Barendrecht is aangesloten bij het convenant Klimaatadaptief Bouwen. Dit convenant is ondertekend door o.a. bouwbedrijven, gemeenten, Provincie Zuid-Holland, waterschappen, maatschappelijke organisaties en meer. Het doel van dit convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte en bodemdaling, hittestress en het vergroten van de biodiversiteit.

Het Natuurgoed Ziedewij draagt bij aan de genoemde doelen door het toevoegen van water, een grote diversiteit aan beplanting en het aanleggen van bos. Hoewel de hittestress beperkt is, zie afbeelding van de Nationale Hittestresskaart, zal toevoegen van bos een grote bijdrage leveren aan verminderen van hittestress. Op de afbeelding is het naastgelegen bosperceel te zien (kleur lichtblauw) dat duidelijk een lagere gevoelstemperatuur laat zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0015.jpg"

Uitsnede nationalehittestresskaart.nl

3.3.7 Groenvisie Barendrecht 2030

Op 26 oktober 2023 is de Groenvisie Barendrecht 2030 vastgesteld. De Groenvisie Barendrecht 2030 bevat de strategische koers voor het gemeentelijk groenbeleid tot 2030. De visie beschrijft hoe Barendrecht het groen wil versterken, beheren en ontwikkelen om de leefkwaliteit, biodiversiteit en klimaatbestendigheid te vergroten. De belangrijkste onderdelen zijn:

  • 1. Het toevoegen van minimaal 50 hectare bomen;
  • 2. Het bewaren en uitbreiden van de groen- en recreatiegebieden;
  • 3. Het op grote schaal ecologisch beheren van gras;
  • 4. Kruidenrijke en toegankelijke dijken;
  • 5. Meer ecologische en wandel- en fietsverbindingen;
  • 6. Bomen helpen om groter te groeien;
  • 7. Het kijken welke planten en bomen bestand zijn tegen water, hitte en droogte;
  • 8. Het rekening houden met een meer extreme Oude Maas bij de keuze voor bomen en planten;
  • 9. Schaduwroutes;
  • 10. Het uitdrukken van functies van bomen in euro's en dit meewegen;
  • 11. Circulair denken;
  • 12. Het vergroenen van Barendrecht.

Onder punt 2 is specifiek benoemd dat de gemeente in de Ziedewijse polder aan meer groene inrichting en toegankelijkheid werkt. De ontwikkeling van het Natuurgoed sluit goed aan op de ambitie om meer recreatiegebieden te realiseren. Het voedselbos past verder bij de ambities van punt 6 en 10, die zich focussen op de meerwaarde en het behoud van bomen. Verder sluit de langzaamverkeersverbinding aan de westzijde van het plangebied goed aan op punt 5, meer ecologische en wandel- en fietsverbindingen. Langs de watergangen zoveel mogelijk natuurvriendelijke oevers toegepast. Het toevoegen van verharding wordt bij het Natuurgoed zo beperkt mogelijk gehouden. Daar waar mogelijk wordt gebruikt gemaakt van halfverharding. Bij de woning aan de Stationsweg en de woningen aan de Noldijk (incl. polderwoningen) wordt ingezet op een groene inrichting van de percelen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In de onderstaande onderzoeksparagrafen is soms onderscheid gemaakt zijn in de onderdelen van het plan, het Natuurgoed en de ontwikkelingen aan de Stationsweg en de Noldijk. Hierdoor zijn voor sommige omgevingsaspecten meerdere onderzoeken uitgevoerd.

4.1 Archeologie

Conform het bestemmingsplan Barendrecht 'Zuidrand' (vastgesteld op 17 februari 2015) geldt voor het areaal van het plangebied een bouwregeling en een aanlegvergunning voor:

  • bouwwerkzaamheden respectievelijk graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 m beneden maaiveld en tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 m² (dubbelbestemming: Waarde - Archeologie - 2): dit is van toepassing op het plangebied langs de Noldijk
  • bouwwerkzaamheden respectievelijk graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,8 m beneden maaiveld en tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 m² (dubbelbestemming: Waarde - Archeologie - 5): dit is van toepassing op de rest van het plangebied

Het aspect archeologie is daarom voorgelegd aan het bevoegd gezag en Archeologie Rotterdam (BOOR). Op basis daarvan is voor Natuurgoed Ziedewij is onderzoek gedaan.

Advies BOOR

Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) Barendrecht wordt aan het gebied een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting toegekend. De AWK geeft aan dat alle grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m2 en tevens dieper reiken dan 80 centimeter beneden maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek.

Conform het bestemmingsplan Barendrecht ‘Zuidrand’ (vastgesteld op 17 februari 2015) geldt voor het areaal van het plangebied een bouwregeling en een aanlegvergunning voor bouwwerkzaamheden respectievelijk graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,8 m beneden maaiveld en tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 m² (dubbelbestemming: Waarde - Archeologie - 5).

In het oosten van de polder Ziedewij wordt ongeveer 10 ha gebied heringericht tot het Natuurgoed Ziedewij. De volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: het inrichten van een entreegebied, een werkhof met opstallen (loodsen), een parkeerterrein, een erfbos met afscheiding en een voedselbos, het bouwen van dijkwoningen, polderwoningen en een recreatiehof ten behoeve van ontvangst, informatie, educatie, horeca en verblijf/overnachting met daarin o.a. een restaurant / winkel en het graven van waterpartijen.

Het is zeer aannemelijk dat de bovengenoemde verstoringsmarges van diepte en oppervlakte van het bestemmingsplan ‘Zuidrand’ worden overschreden. De kans dat bij de inrichtingswerkzaamheden waardevolle ongeroerde archeologische resten worden aangetast.
Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden wordt het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie noodzakelijk geacht. De afdeling Archeologie adviseert de gemeente Barendrecht om in het plangebied een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fasen) uit te voeren. De onderzoeken dienen voorafgaand aan de grondverstorende werkzaamheden te worden uitgevoerd conform de gemeentelijke richtlijnen met betrekking tot archeologisch onderzoek.

Conclusie

Het benodigde archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Inventariserend veldonderzoek

Er is een inventariserend veldonderzoek gedaan voor de locatie in 2021, Bijlage 4. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. De voorgenomen werkzaamheden in dit deel van het plangebied vormen geen bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Alleen de zone direct langs de Noldijk heeft een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De resten uit de Nieuwe tijd worden in principe vanaf het maaiveld verwacht, de resten uit de Late Middeleeuwen in komafzettingen onder het pakket laatmiddeleeuwse overstromingsafzettingen. De komafzettingen liggen ter plaatse van boring 1 beneden 240 m -mv/-1,84 m NAP. Het bovenste archeologische niveau wordt vrijwel zeker bedreigd door de bouw van de voorgenomen dijkwoningen, het onderste niveau waarschijnlijk alleen door het aanbrengen van heipalen.


Voor de zone direct langs de Noldijk adviseert Econsultancy om, voorafgaand aan eventuele vergunningplichtige grondwerkzaamheden, eerst verder archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase. Afhankelijk van de diepte van de werkzaamheden zal dit onderzoek zich moeten richten op het bovenste archeologische niveau en mogelijk ook het onderste. Archeologisch onderzoek naar het bovenste niveau kan het best worden uitgevoerd door middel van een proefsleuvenonderzoek, omdat onder andere funderingsresten uit de Nieuwe tijd worden verwacht. Archeologisch onderzoek naar het onderste niveau kan, gezien de diepteligging in eerste instantie het best door middel van boringen moeten worden uitgevoerd. Het onderzoek moet worden uitgevoerd aan de hand van een door de bevoegde overheid, de gemeente Barendrecht, goedgekeurd Programma van Eisen. Voor de locatie aan de Noldijk zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd in de grond, maar enkel binnen het bestaande gebouw. Het advies voor de zone langs de Noldijk om karterend/waarderend inventariserend veldonderzoek uit te voeren is hier niet van toepassing.

Voor de rest van het plangebied adviseert Econsultancy om geen vervolgonderzoek uit te voeren voorafgaand de voorgenomen vergunningplichtige werkzaamheden. Op basis van het onderzoek is de archeologische verwachting naar beneden bij te stellen voor de strook van Natuurgoed Ziedewij tussen de Noldijk in het zuiden en het Boezempad in het noorden. De geplaatste boringen zijn representatief voor het Natuurgoed Ziedewij, maar ook voor het aangrenzende deel van dit bestemmingsplan, de Stationsweg in het noorden van het plan dat niet is onderzocht. Het beeld van de bodemopbouw zal hier niet anders zijn dan in het onderzoeksgebied van Natuurgoed Ziedewij. Ook hier kan de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld.

In de geschetste situatie is het schuiven van de (geplande) bebouwing acceptabel zolang de aard en diepte van de bodemingrepen niet wijzigen: het naar beneden bijstellen van de archeologische verwachting geldt voor het gehele onderzochte strook tussen de Noldijk en de Stationsweg. Nader archeologisch onderzoek is niet nodig, uitgezonderd een gering plandeel aan de Noldijk.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of er ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.
De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming ligt. De VNG-handreiking gaat uit van de omgevingstypes rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied.

Onderzoek

Voor de beoordeling of er wordt voldaan aan de richtafstand is uitgegaan van het omgevingstype 'rustig buitengebied'. Het plangebied grenst direct aan gronden met een agrarische bestemming (oost- en westkant). Op deze gronden is de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf zoals akkerbouw, tuinbouw (volle grond en glas), fruitteelt en veehouderij toegestaan. Voor een agrarisch bedrijf in akkerbouw en tuinbouw geldt een richtafstand van 30 meter (milieucategorie 2). Voor een agrarisch bedrijf met een veehouderij geldt een richtafstand van 50 meter (milieucategorie 3.1).

De richtafstand geldt zowel tot woningen als de ecolodges (geurgevoelig). Op basis van een recente luchtfoto zijn er geen aanwijzingen dat binnen 50 meter van het plangebied een veehouderij bevindt.

Agrarische gebouwen (waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter) staan op een afstand van minimaal 50 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat wordt een afstand van 10 meter tot de agrarische gronden geadviseerd (in verband met mogelijk hinder van stof en geur van de akkerbouw activiteiten. Aangenomen wordt dat daarom een afstand van 10 meter tussen de woningen en de ecolodges tot de direct aangrenzende gronden voldoende is.

De nieuwe dijkwoningen en de nieuwe woningen in de schuur aan de Noldijk grenzen aan de noordzijde direct aan agrarische gronden. De gronden aan de oostkant van deze woningen zijn al bestemd met 'Wonen'. Dit betekent dat in de huidige situatie al voldoende afstand aangehouden moet worden tussen de agrarische gronden en de woningen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit verandert niet omdat de woningen in hetzelfde bebouwingslint worden gerealiseerd.

Aan de noordzijde van de woning Noldijk 116 bevindt zich op het erf een paardenbak. Het betreft hier hobbymatig gebruik van de paardenbak (het houden van de paarden is niet gericht op het generen van winst). Dit betekent dat het niet gaat om een milieubelastende activiteit zoals bedoeld in het Bal. In dat geval is de milieuregelgeving, zoals geurnormen, niet van toepassing. Er wordt daarom gesteld dat er geen sprake is van milieuhinder naar de omgeving en daarmee ook niet naar de nieuwe woningen. Daarnaast bevinden de nieuwe woningen zich op een afstand van tenminste 5 meter van de paardenbak.
Gesteld wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de bedrijven niet worden belemmerd.

Het nieuw te realiseren restaurant is een bedrijf met milieucategorie 1. De nieuw te realiseren woningen moeten op een afstand van 10 m van het restaurant komen om daarmee te voldoen aan de richtafstand.

Noordelijke deel

Naast de woningen in het zuiden wordt er in het noorden van het plangebied ook 1 woning toegevoegd en het hoveniers bedrijf, waar 2 woningen in komen, wordt verplaatst naar het noorden van het plangebied. Het hoveniersbedrijf ligt in een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. In de directe omgeving zijn namelijk activiteiten aanwezig zoals een spoorweg, een snelweg en het bedrijventerrein 'BT Oost' aan de andere zijde van het spoor.

Onderzoek industrielawaai
In het kader van goede ruimtelijke ordening is de te verwachten geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door de activiteiten van het hoveniersbedrijf inzichtelijk gemaakt door Buro dB. Het rapport is als Bijlage 5 toegevoegd. Het betreft hier onder meer het geluid dat wordt veroorzaakt door het gebruik van een shovel en een bosklepelmaaier. Ook is rekening gehouden met het geluid dat wordt veroorzaakt door het verkeer dat van en naar het hoveniersbedrijf rijdt (de eventuele indirecte hinder).


Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan worden gesteld dat de te verwachten geluidsbelasting van het hoveniersbedrijf voldoet aan de voorwaarden van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Met het plan is sprake van goede ruimtelijke ordening.


Bij de beoordeling van de geluidssituatie is gebruik gemaakt van het stappenplan zoals dat is opgenomen in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit het onderzoek volgt dat de te verwachten geluidbelasting veroorzaakt door de activiteiten van het hoveniersbedrijf voldoet aan stap 2 van de VNG. Dit geldt zowel voor de gemiddelde geluidbelasting als voor de piekgeluiden veroorzaakt door de activiteiten op het terrein van het hoveniersbedrijf als ook voor de gemiddelde geluidbelasting veroorzaakt door het verkeer van en naar het hoveniersbedrijf.


Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan worden gesteld dat de te verwachten geluidsbelasting van het hoveniersbedrijf voldoet aan de voorwaarden van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Met het plan is sprake van goede ruimtelijke ordening. Voor de woning in het noordelijke deel van het plangebied wordt een aarden wal of geluidsscherm geplaatst om mogelijke geluidhinder tegen te gaan. De grondwal is niet noodzakelijk als geluidwerende voorziening. Op de verbeelding is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - grondwal' wel opgenomen bij de bestemming 'Wonen', maar enkel als kwalitatieve groene afscheiding vanuit het oogpunt van woonkwaliteit. Hiermee is gemotiveerd dat het hoveniersbedrijf inpasbaar is naast de woonbestemming.

Conclusie

Op basis van bovenstaande argumentatie kan worden geconcludeerd dan het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

4.3 Bodem

Ter plaatse van het plangebied is een viertal bodemonderzoeken uitgevoerd:

  • Rapport verkennend bodemonderzoek percelen D 9626 en 11656 in de Ziedewijdsepolder, Koenders en Partners januari 2019, kenmerk 180364.
  • Rapport verkennend bodemonderzoek percelen D 7097 en 7099 in de Ziedewijdsepolder, Koenders en Partners april 2019, kenmerk 190101-B01.
  • Rapport verkennend bodemonderzoek Percelen D 471 en 8175 in de Ziedewijdsepolder, KP Adviseurs BV maart 2022, kenmerk 190324-B01.
  • Rapport verkennend bodemonderzoek, KP Adviseurs BV december 2022 kenmerk 2204422-B01 (percelen D 9625 en D 9626 (beiden gedeeltelijk))

De onderzoeken zijn als Bijlage 6, Bijlage 7, Bijlage 8 en Bijlage 9 bijgevoegd en de conclusies worden onderstaand toegelicht.

Bodemonderzoek percelen D 9626 en 11656
Ter plaatse van het perceel Barendrecht D 9626 is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het advies is wel om de waargenomen plasticresten aan het maaiveld van perceel D 9626 te verwijderen voorafgaand aan ingebruikname van het plangebied ten behoeve van recreatieve doeleinden. Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat met het perceel D 11656 niet zonder meer is geschikt voor de beoogde toekomstige herinrichting en het voorgenomen gebruik (recreatie / openbaar groen). Een nader bodemonderzoek is nodig ter plaatse van dit perceel om de aard en omvang van de aangetoonde matige en sterke bodemverontreinigingen vast te stellen. Het advies is ook, indien mogelijk, de niet onderzochte dam aanvullend te onderzoeken. Bij herinrichtingswerkzaamheden ter plaatse dient rekening te worden gehouden met eventuele beperkingen ten aanzien van de leiding;

Bodemonderzoek percelen D 7097 en 7099
Uit het onderzoek volgt dat de locatie is geschikt voor het voorgenomen gebruik (recreatie / openbaar groen). Indien werkzaamheden zijn voorzien ter plaatse van de toegangsdam, wordt geadviseerd om het vrijkomende puin af te voeren naar een acceptant. Indien bij de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden sloten gedempt dienen te worden is het advies om voorafgaand een verkennend waterbodemonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. In deze fase is dan bekend of sloten gedempt moeten worden en om welke sloten het dan gaat. Bij de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met eventuele beperkingen ten aanzien van de waterstoftransportleiding.

Gronden dijkwoningen (D 8175) en perceel D 471
In de grondwatermonsters zijn (na herbemonstering) ten hoogste lichte verontreinigingen met diverse zware metalen, xylenen en/of naftaleen aangetoond. De aangetoonde lichte verontreinigingen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen herinrichting en het voorgenomen gebruik (combinatie recreatie, openbaar groen en wonen met tuin). Bij de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden ter plaatse van deellocatie A dient rekening te worden gehouden met eventuele beperkingen ten aanzien van de waterstoftransportleiding. Tot slot wordt geadviseerd om tijdens vervolgwerkzaamheden alert te zijn op eventuele onvoorziene bodemverontreiniging.

Bodemonderzoek (percelen D 9625 en D 9626 (beiden gedeeltelijk))

Door middel van het bodemonderzoek is de milieuhygienische situatie van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie in voldoende mate vastgelegd. In overleg met de opdrachtgever is geen onderzoek verricht naar de puinverharding (repac) rondom de schuur en het zand in de paardenbak. Visueel zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. Analytisch zijn in de bovengrond ten hoogste licht verhoogde concentraties met koper en PAK aangetoond. De venige ondergrond is ten hoogste licht verontreinigd met molybdeen en in de kleiige ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. De indicatieve bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond wordt beiden aangemerkt als klasse Achtergrondwaarde. In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met barium, xylenen en naftaleen aangetoond. De aangetoonde licht verontreinigingen in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De locatie is geschikt voor de beoogde bestemmingsplanwijziging en voorgenomen herontwikkeling.

Conclusie
Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen.

4.4 Externe veiligheid

Stantec heeft een onderzoek naar de externe veiligheid uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 10 bijgevoegd aan de toelichting.

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied van het bestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o. zijn verschillende risicobronnen aanwezig, zie onderstaande afbeelding. Het plangebied is op deze figuur globaal in het groen aangeduid. De volgende risicobronnen zijn van belang:

  • Spoorweg Barendrecht-Dordrecht: ± 70 meter
  • Rangeerterrein Kijfhoek: minimaal 1,0 km
  • Buisleiding Air Products waterstofleiding: loopt door het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0016.jpg"

In de Regeling Basisnet wordt voor alle rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorlijnen een risicoplafond -dat wil zeggen hoeveel risico er maximaal mag zijn- vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur.

Air Products waterstofleiding

De Air Products waterstofleiding heeft een werkdruk van 44 bar en een diameter van 6,61 inch. In het Externe Veiligheidsbeleid van de gemeente Barendrecht is aangegeven dat langs deze leiding een PR 10-6-contour aanwezig is van 10 meter. Het invloedsgebied van deze leiding is 35 meter. Deze zone is opgenomen op de verbeelding.

Inventarisatie Rangeerterrein Kijfhoek

Voor het Rangeerterrein Kijfhoek is door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) het ‘Beheersplan Groepsrisico Kijfhoek’ opgesteld (d.d. april 2012). In dit beheersplan is aangegeven dat het invloedsgebied circa 1.380 meter bedraagt en wordt bepaald door een incident met waterstoffluoride (toxisch). Binnen het invloedsgebied is een zogenoemde schillenbenadering van toepassing. Meetbare effecten op het GR zijn aantoonbaar tot een afstand van bijna 1 km. In het beheersplan is door de OZHZ ook de hoogte van het GR berekend, te weten 0,90 x de oriëntatiewaarde. De kortste afstand van het plangebied tot het Rangeerterrein Kijfhoek is 1 km of meer. Daarmee leidt de toename aan populatie in het plangebied niet tot een toename op het GR.

Spoorweg Barendrecht - Dordrecht

Op minimaal 30 meter ten noorden van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o. is de spoorweg Barendrecht - Dordrecht gelegen, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de onderstaande tabel zijn de gegevens van het transport gevaarlijke stoffen over de spoorweg Barendrecht - Dordrecht ter hoogte van het plangebied van het bestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0017.jpg"

Omdat de afstand van het plangebied tot aan de spoorlijn Barendrecht - Dordrecht minder is dan 200 meter, is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico benodigd.

Risicoberekening

Plaatsgebonden risico

In het Basisnet Spoor is aangegeven dat ter plaatse van het plangebied van het bestemmingsplan langs de spoorlijn een PR 10-6 contour aanwezig is met een breedte van 28 meter, gelegen aan weerzijden vanuit het hart van de spoorlijn. De voorgenomen ontwikkelingen zijn niet binnen deze contour gelegen, waardoor deze contour geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen.

Plasbrandaandachtsgebied

In de Regeling basisnet is aangegeven dat langs de spoorweg, ter hoogte van het bouwplan, een plasbrandaandachtsgebied (PAG) aanwezig is. Een PAG is het gebied tot 30 meter van de spoorweg waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Het PAG geldt aan weerszijden van de spoorbaan en wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf.

Het bouwplan bevindt zich niet in het PAG. Het PAG levert dan ook geen (bouw)beperkingen op voor de realisatie van het bouwplan.

Groepsrisico

De hoogte van het groepsrisico is berekend voor twee scenario’s, te weten

  • De autonome situatie
  • De toekomstige situatie (situatie met ontwikkelingsmogelijkheden bestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o.)

Door de twee scenario’s met elkaar te vergelijken is de invloed van de nieuwe ontwikkeling op het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. In de tabel zijn de resultaten voor de maatgevende kilometer kwantitatief inzichtelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0018.jpg"

Uit de beoordeling van de rekenresultaten en de fN-curves zijn de volgende conclusies te trekken:

  • De oriëntatiewaarde (OW) wordt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg in zowel de autonome situatie als in de toekomstige situatie niet overschreden.
  • De realisatie van het ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o. leidt niet tot een toename van het groepsrisico en bedraagt in zowel de autonome als de toekomstige situatie 0,729 x OW.
  • De maatgevende kilometer (traject van 0 tot 998) verschuift niet.
  • Het aantal dodelijke slachtoffers bedraagt voor de beide situaties 476 personen bij een ongeval frequentie van 1,3 x 10-9 per jaar.
  • De kans dat er sprake is van een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers neemt niet toe door de ontwikkeling. De kans is en blijft 4,1 x 10-6.

Zoals hiervoor aangegeven verschuift de maatgevende kilometer niet. De maatgevende kilometer ligt ten noorden van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o.

De gemeente Barendrecht, als bevoegd gezag, dient een oordeel te geven over de hoogte van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico

In hoofdstuk 7 van Bijlage 10 wordt uitgebreid ingegaan op de verantwoording van het groepsrisico waarbij ingegaan wordt op de populatiedichtheid in het verantwoordingsgebied van de spoorweg en op de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
De ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan zijn niet specifiek bestemd voor minder zelfredzame personen, zoals voor kinderen en ouderen. Bij een eventuele dreigende situatie kunnen alle aanwezigen over het algemeen zich op eigen kracht in veiligheid brengen.
De wegenstructuur rondom het plangebied zijn, bij een dreigende situatie op de spoorweg of op het Rangeerterrein Kijfhoek, als goede vluchtwegen aan te merken.

Conclusie

Het planvoornemen kan gezien vanuit externe veiligheid gerealiseerd worden. Een motivering zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid is opgesteld en naar aanleiding van de uitgevoerde groepsrisicoberekening voor de spoorlijn is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico opgesteld.

Geadviseerd wordt om vroegtijdig de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in de ruimtelijke procedure te betrekken en om advies te vragen.

4.5 Flora en fauna

Voor het planvoornemen zijn quickscans Flora en Fauna uitgevoerd door Stantec en Ekoza. De Vos Ecologie heeft de onderzoeken van Ekoza geactualiseerd.

4.5.1 Quickscan
4.5.1.1 Quickscan Natuurgoed

Een quickscan flora en fauna is uitgevoerd door Ekoza ter plaatse van het plangebied, het rapport is als Bijlage 11 bijgevoegd.


Onderzoeksresultaten Soortenbescherming
In de onderstaande tabel is een samenvattend overzicht van de maatregelen per soortgroep opgenomen. Onderstaand worden de resultaten aangaande soortenbescherming nader toegelicht.

Soortgroep   Soort   Maatregelen  
Vogels   Buizerd   De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, of buiten een straal van 75m rondom het nest. Voor het kappen van bomen binnen deze straal moet een ontheffing worden aangevraagd.  
Vissen   Grote modderkruiper   Aanvullend onderzoek.  

Grondgebonden zoogdieren
De voorgenomen werkzaamheden leveren geen negatief effect op voor grondgebonden zoogdieren. Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.


Vleermuizen
Op de locatie zijn geen geschikte gebouwen of bomen aanwezig, waardoor verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Mogelijk bevindt zich binnen het gebied wel foerageergebied en vliegroutes voor vleermuizen. Echter de directe omgeving biedt genoeg uitwijkmogelijkheden. Daarnaast biedt het te realiseren natuurgoed mogelijk meer foerageermogelijkheden dan de huidige braakliggende akkers. Er is dan ook geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig.


Vogels

Werkzaamheden die verricht worden vinden niet plaats aan voor vogels geschikte bebouwing, waardoor jaarrond gebouwbewonende vogelsoorten niet aanwezig kunnen zijn. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen (februari t/m augustus) plaatsvinden. Volgens het Kennisdocument Buizerd is de verstoringsafstand minimaal 75 meter. Activiteiten tijdens het broedseizoen moeten dus buiten deze straal van 75 meter rondom het nest plaatsvinden, om negatieve gevolgen te voorkomen. Voor activiteiten, zoals het kappen van bomen, die binnen deze zone plaatsvinden moet een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd. Tenslotte zijn de vele bomen en struiken geschikt als mogelijke nestlocaties voor vogels. Deze dienen buiten het algemene broedseizoen (half maart- half juli) verwijderd te worden om te voorkomen dat broedvogels zich nestelen in het te verwijderen groen. Indien het verwijderen niet plaats kan vinden buiten het broedseizoen, dienen de bomen en struiken voor verwijdering te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten. Ten allen tijde, ook buiten het broedseizoen, blijft de zorgplicht van toepassing.


Reptielen, amfibieën en vissen
Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen en amfibieën in het plangebied niet aanwezig. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet nodig. Voor de wateren binnen het plangebied kon echter niet met zekerheid de afwezigheid van de grote modderkruiper worden aangetoond. Alvorens er werkzaamheden aan de sloot plaatsvinden, of werkzaamheden die van invloed zijn op het waterpeil, moet nader onderzoek worden uitgevoerd om de aanwezigheid van de grote modderkruiper uit te sluiten. Nader onderzoek moet uitwijzen of de grote modderkruiper daadwerkelijk voorkomt in de wateren binnen het plangebied en of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.


Flora
In het plangebied zijn geen beschermde planten waargenomen of te verwachten. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet nodig.


Ongewervelden
In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet nodig.


Houtopstanden
De bomen in het plangebied vallen niet onder de bebouwde kom houtopstanden. De te kappen bomen betreffen echter wel bomen op een woonerf, en een bomenrij naast landbouwgebied welke buiten de bescherming houtopstanden vallen. Er is een meld- en herplantplicht indien het gaat om zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.


Conclusie
Er is aanvullend onderzoek nodig naar de grote modderkruiper en is ontheffing nodig voor de buizerd als binnen een straal van 75 meter van het bomen worden gekapt. De nadere onderzoeken en ontheffing worden beschreven in paragraaf 4.5.2.

4.5.1.2 Quickscan Stationsweg-Boezempad

Door Stantec is een quickscan gedaan om de effecten op de beschermde gebieden, soorten en houtopstanden te beoordelen, Bijlage 12.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de beschermde soortgroepen. In de tabel is aangegeven voor welke soorten maatregelen en/of nader onderzoek van toepassing is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0019.jpg"

Flora

Op basis van de bureaustudie en het veldonderzoek zijn beschermde soorten flora niet te verwachten in het plangebied. Derhalve is een negatief effect door de ruimtelijke ingreep op beschermde flora niet te verwachten.


Algemene broedvogels

De projectlocatie vormt geschikt habitat voor algemene broedvogels. Er zijn meerdere struwelen, hagen en bomen aanwezig in en direct rondom het plangebied die geschikte nestlocaties zijn.


Voor de algemeen voorkomende broedvogels volstaat de zorgplicht. Hierbij geldt dat voldoende zorg gedragen dient te worden voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van dieren te voorkomen.


Broedende vogels in en direct rond het plangebied mogen niet verstoord worden met de voorgenomen ontwikkeling. De rooi- en/of sloop/bouwwerkzaamheden dienen van start te gaan nadat de nader onderzoeken zijn afgerond, buiten de reguliere broedperiode (half maart tot half juli) en mogen dan doorlopen tot in het broedseizoen. Voor alle vogels geldt dat actieve vogelnesten mogen nooit verplaatst worden zonder een ontheffing.


Advies is om bestaande nestkasten buiten het broedseizoen te verwijderen, om te voorkomen dat deze tijdens het broedseizoen in gebruik worden genomen.


Vogels met jaarrond beschermd nest

Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten. De werkschuur is niet geschikt voor gebouwgebonden soorten als de huismus en de gierzwaluw. De bomen zijn te jong en te klein voor de beschermde nesten. Daarnaast is tijdens het veldbezoek geen waarneming gedaan van nesten binnen het plangebied. Derhalve is nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk.


Vleermuizen

Binnen het plangebied is geen geschikte bebouwing aanwezig voor gebouwbewonende vleermuizen. Ook zijn de aanwezige bomen niet geschikt voor boombewonende soorten. Ze hebben geen holtes of loshangend schors waar vleermuizen in kunnen verblijven. Derhalve is nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk.


Grondgebonden zoogdieren

Beschermde grondgebonden zoogdieren worden niet in het plangebied verwacht. Geschikt habitat is niet aanwezig voor de soorten. Van de vrijgestelde soorten is het aannemelijk dat de egel, de haas, het konijn en enkele muizensoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Echter gelden naast de zorgplicht geen aanvullende verplichtingen voor deze soorten.

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.5.1.3 Quickscan Noldijk

Door Stantec is een quickscan gedaan om de effecten op de beschermde gebieden, soorten en houtopstanden te beoordelen, Bijlage 13.

In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, of dat men volstaat met het werken middels een ecologisch werkprotocol.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0020.jpg"

Algemene broedvogels

Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij beplanting wordt verwijderd of het huis wordt gesloopt, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.

Sloop van de schuur is niet toegestaan en uitgangspunt van de ontwikkeling is behoud van de aanwezige bomen.

Grondgebonden zoogdieren

Er zijn groenstructuren, struwelen en een boomgaard met ruigten aanwezig binnen het plangebied waar zich, naast de algemene vrijgestelde soorten, de steenmarter kan verblijven. De voormalige boomgaard met ruigten en struwelen is mogelijk geschikt als voor de steenmarter als foerageergebied. Het betreft hier echter geen essentieel foerageergebied aangezien er in de directe omgeving voldoende alternatieven overblijven/aanwezig zijn in de vorm van struweel, oevers en bomenrijen. Het plangebied beschikt niet over potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen voor de steenmarter.
Overige soorten als de noordse woelmuis en bever zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. De soorten worden op basis van het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht.

Vleermuizen

Vleermuizen foerageergebied

Door de werkzaamheden zal er ruimtebeslag optreden op potentieel foerageergebied van vleermuizen. Het betreft hier geen essentieel foerageergebied aangezien er voldoende foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied intact blijft.


Bij de uitvoer van de werkzaamheden kunnen eveneens negatieve effecten door verstoring door licht optreden. Deze effecten kunnen worden voorkomen door te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de groenstructuren, welke gebruikt worden door vleermuizen, onverlicht blijven.

Vleermuizen vliegroutes

Aangrenzend aan het plangebied zijn lijnvormige landschapselementen aanwezig welke geschikt zijn als vliegroute voor vleermuizen.

De voorgenomen activiteiten hebben geen direct effect op deze lijnvormige structuren op het gebied van ruimtebeslag. Indirecte effecten als gevolg van de werkzaamheden, in dit geval lichtverstoring, kunnen echter niet worden uitgesloten. Deze effecten kunnen worden voorkomen door te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de lijnvormige elementen onverlicht blijven.

Vleermuizen verblijfplaatsen
Er zijn boomholten aanwezig in de essen en okkernoot nabij het plangebied. Indien de essen worden gekapt is er nader onderzoek nodig naar het voorkomen van boombewonende vleermuizen. De monumentale boerderij is mogelijk geschikt voor vleermuizen om in te verblijven. Indien er werkzaamheden zijn aan het gebouw is er nader onderzoek nodig naar mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. De essen blijven in de planvorming behouden.

Conclusie

Nader onderzoek is benodigd voor mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de monumentale boerderij. Nader onderzoek is niet benodigd voor de overige soortgroepen, mits de maatregelen zoals omschreven opgevolgd worden.

Bij de verbouw van de schuur zal nader onderzoek worden verricht. Op dit moment is er nog geen concrete planvorming en is dus onduidelijk welke ingrepen plaats zullen vinden. Het hoveniersbedrijf zal nog in de schuur blijven zitten de komende jaren, totdat de nieuwe locatie is ontwikkeld. Voorafgaand aan de verbouw zal het nader onderzoek worden uitgevoerd.

4.5.2 Nadere onderzoeken

Nader onderzoek modderkruiper
Voor de modderkruiper is een nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 14 bijgevoegd. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt.


Conclusie
De grote modderkruiper is aanwezig binnen het gehele plangebied. Er zijn binnen het plangebied op verscheidene locaties zowel hoge als lage DNA concentraties aangetroffen. Omdat de sloten echter in directe verbinding staan met elkaar (zie ook Bijlage I van het onderzoeksrapport) wordt aangenomen dat de soort in het gehele gebied aanwezig is.
Als er geen mitigerende maatregelen worden getroffen, zullen de werkzaamheden negatieve effecten hebben op de bestaande grote modderkruipers binnen het plangebied. Er zal een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moeten worden aangevraagd, alvorens men stappen onderneemt. De mitigerende maatregelen die genomen kunnen worden zijn bijvoorbeeld:

  • Het realiseren van nieuw, geschikt habitat, voor de start van de werkzaamheden
  • Het wegvangen en verplaatsen van dieren die binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden vallen
  • Het ontzien van de kwetsbare periode (april t/m augustus)
  • Het plaatsen van duikers om de verbinding tussen de sloten te behouden


Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit dient te worden aangevraagd.


Projectplan Buizerd
Voor de Buizerd is een projectplan opgesteld. Dit projectplan, Bijlage 15, is bij de ontheffingsaanvraag ingediend.


Activiteitenplan
Voor zowel de buizerd als de modderkruiper is een activiteitenplan, Bijlage 16, opgesteld.

Nader onderzoek steenmarter

Voor de steenmarter is een nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 17 bijgevoegd. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt.

Conclusie

Op elk van de 4 cameralocaties is de steenmarter vastgelegd, op verspreid liggende datums gedurende de gehele onderzoeksperiode. Het staat hiermee vast dat het plangebied tot het functionele leefgebied van steenmarters behoort.

De steenmarter maakt gebruik van het plangebied. Een gebrek aan waarnemingen rond de schemering en afwezigheid van sporen zoals latrines en prooiresten maakt het echter aannemelijk dat de steenmarter buiten het plangebied de vaste verblijfplaats heeft. Op korte afstand van het plangebied bevinden zich een bosperceel, terreinen met allerlei opslagmateriaal, boerenschuren en een groot volkstuinencomplex met diverse opstalletjes. Ook deze terreinen kunnen verblijfsplaatsen van steenmarters herbergen.

Aangezien de steenmarter binnen zijn/haar territorium gebruik maakt van een netwerk aan verblijfplaatsen, en hier frequent tussen wisselt, is het in deze casus zaak om zorg te dragen dat er te allen tijde voldoende geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. Hiermee blijft het terrein eenzelfde functie vervullen in het netwerk van de steenmarter. Door voorafgaand aan de ontwikkelingen (die leiden tot het opruimen van rommelhoekjes, houthopen etc.) op diverse locaties alternatieve duurzame verblijfplaatsen te creëren voor steenmarter wordt negatief effect op deze soort voorkomen en is een vergunning ten aanzien van natuurwetgeving niet noodzakelijk. Als functioneel leefgebied (foerageerhabitat, verbindingszone) blijft het plangebied functioneel voor de steenmarter (het terrein behoudt een natuurlijk en gevarieerd karakter).

In samenspraak met een ecoloog is een plan opgesteld om zorg te gedragen dat het plangebied een functie als verblijfplaats en leefgebied voor de steenmarter behoudt. Dit ecologisch werkprotocol is bijgesloten als Bijlage 19. Inmiddels zijn twee marterverblijfplaatsen gerealiseerd worden op de locatie, conform werkprotocol.

4.5.3 Actualisatie onderzoeken (oplegnotitie)

Om te bepalen of de voorgenomen plannen leiden tot een overtreding van de natuurwetgeving, heeft Ekoza in 2020 een quickscan uitgevoerd. Vervolgens heeft Ekoza nader onderzoek naar de buizerd en grote modderkruiper uitgevoerd en een functie als (essentieel) leefgebied voor deze soorten aangetoond. Voor het vangen en aantasten van leefgebied van de grote modderkruiper is een ontheffing verkregen (Kenmerk ODH118340, zaaknummer 00608380). Deze ontheffing en de rapporten van Ekoza zijn echter ondertussen verjaard. De Vos Ecologie heeft op basis van een veldonderzoek (dd. 29-04-2024) en bronnenonderzoek een actualisatie uitgevoerd. De actualisatie van de onderzoeken is toegevoegd als Bijlage 18.

Gedurende het globale broedseizoen (1 maart – 1 september) moet rekening worden gehouden met algemene broedvogels door het nemen van voorzorgsmaatregelen. De buizerd heeft geen nest meer in het plangebied. Verder moet in het kader van de zorgplicht rekening worden gehouden met algemene diersoorten.

Een functie voor de strikt beschermde steenmarter is op voorhand niet uit te sluiten. Het uitvoeren van nader onderzoek moet hier uitsluitsel over geven.

Zolang er voor een eventuele uitbreiding van het watersysteem geen graafwerkzaamheden plaatsvinden gedurende de kwetsbare perioden (voortplanting en winterrust), kan een negatief effect op de strikt beschermde grote modderkruiper op voorhand worden uitgesloten.

4.5.4 Conclusie

Nader onderzoek is benodigd voor mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de monumentale boerderij. Voorafgaand aan de verbouw zal het nader onderzoek worden uitgevoerd. Dit wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

Er is ook nader onderzoek benodigd naar de steenmarter.

Verder blijkt uit de actualisatie van de onderzoeken dat de ontheffingen voor Modderkruiper en Buizerd zijn verleend. Ook is daarbij aangegeven dat de Buizerd niet meer aanwezig is in het plangebied. En er is voor de modderkruiper niet nogmaals een ontheffing/omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd als graafwerkzaamheden plaatsvinden buiten de kwetsbare perioden.

Het aspect flora en fauna levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen.

4.6 Geluid

In het kader van de ruimtelijke procedure voor de gewijzigde bestemming moet de te verwachten geluidsbelasting op de gevels van de woningen worden onderzocht en getoetst. De te verwachten geluidsbelasting moet voldoen aan de wettelijke vereisten en aan de voorwaarden van een goede ruimtelijke ordening. Buro DB heeft akoestische onderzoeken wegverkeer uitgevoerd. De rapportages zijn als Bijlage 20 en Bijlage 21 bijgevoegd. Het plangebied ligt buiten de geluidszone van de spoorbaan Rotterdam en Dordrecht, onderzoek naar spoorweglawaai is daarom niet uitgevoerd. Het aspect industrielawaai, ten gevolge van het terrein Kijfhoek, is niet onderzocht. De reden hiervoor is dat het plangebied buiten de 50 dB(A) contour van dit terrein ligt (zie hiervoor ook onderstaande afbeelding). Derhalve is akoestisch onderzoek industrielawaai niet verplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0021.jpg"

Afbeelding ligging geluidzone Kijfhoek ten opzichte van het natuurgoed.

Onderzoek
Wegverkeerlawaai

De planlocatie van het noordelijke plandeel ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Boezemweg en de Stationsweg. De planlocatie van het zuidelijke plandeel ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Noldijk. De te verwachten geluidsbelasting van deze wegen is bepaald en getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder.

Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe woning van het noordelijke plandeel de norm overschrijdt ten gevolge van zowel het verkeer op de Boezemweg als op de Stationsweg. De normoverschrijding is respectievelijk 3 en 1 dB. De geluidsbelasting van de nieuwe ontsluitingsweg voldoet aan de grenswaarde voor een acceptabel woon- en leefklimaat.

Voor het woongebied van de toekomstige zes polderwoningen zijn de geluidscontouren van de Noldijk bepaald. Uit het onderzoek volgt dat bij inachtname van een afstand van ten minste 25 meter vanaf de as van de Noldijk, de woningen zonder verdere geluidsbeperkende maatregelen kunnen worden gerealiseerd. Bij de bouw van een woning in de zone tussen 8 en 25 meter vanaf de as van de weg is daarvoor ontheffing van een hogere grenswaarde nodig. De geluidsbelasting op de gevel dient dan middels nader onderzoek te worden vastgesteld waarna tevens een toets van de benodigde geluidwering van de gevels moet worden uitgevoerd. Het bouwen van een woning binnen een afstand van 8 meter vanaf de wegas is vanuit het aspect geluid niet toegestaan.

Ter plaatse van de nieuwe woningen van het zuidelijke plandeel is sprake van normoverschrijding en overschrijding van de maximale ontheffingswaarde. De hoogste geluidsbelasting, aan de zijde van de Noldijk, is 57 dB. Daarmee wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB overschreden.

Railverkeerslawaai

Ten aanzien van het railverkeerslawaai van de spoorbaan Barendrecht-Dordrecht is de te verwachten geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe woning van het noordelijke plandeel maximaal 63 dB. Daarmee is sprake van normoverschrijding. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Ter plaatse van de planlocatie aan de Noldijk wordt voldaan aan de wettelijke norm.

Geluidsbeperkende maatregelen

Uit de beschouwing van mogelijk toe te passen geluidsbeperkende maatregelen volgt dat deze niet realistisch en/of doelmatig zijn. Het toepassen van dove gevels in de nieuwe woning van het noordelijke plandeel wordt afgeraden. Het toepassen van een dove gevelzijde (aan de wegzijde) bij de realisatie van de twee woningen in het bestaande pand aan de Noldijk wordt wel geadviseerd. Vanuit het oogpunt van geluid is dit dé manier om de beoogde woningen op deze locatie te kunnen realiseren.

Geluidwering gevels

In verband met de normoverschrijdingen is voor het plan (de aanvraag van) ontheffing van hogere waarden nodig. Het gaat om de 4 woningen aan de Noldijk en de woning in het noordelijke deel van het plan. Omdat voor de woning ontheffing nodig is dient te worden aangetoond of er maatregelen aan de gevels van de woningen nodig zijn om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit. De geluidwering van de gevels moet voldoende zijn om te kunnen voldoen aan een geluidsniveau van maximaal 33 dB in de verblijfsgebieden van de woning (maximale binnenwaarde). De balans tussen de maximale geluidsbelasting en de minimaal benodigde ventilatie speelt daarbij een belangrijke rol.


Met de huidige bouwmethoden is het goed mogelijk om aan de gestelde eisen ten aanzien van de geluidwering gevels te voldoen. Vanuit het aspect geluid is realisatie van het plan dan ook mogelijk.


Conclusie

Met in achtname van de volgende voorwaarden kan het plan vanuit het aspect geluid van wegverkeer worden gerealiseerd:

  • Aanvraag hogere grenswaarden voor de vier dijkwoningen en de woning in het noordelijke deel, ten behoeve van deze aanvraag moet een onderzoek naar de geluidwering van de gevels worden uitgevoerd;
  • Plaatsing van de zes polderwoningen op tenminste 25 meter van de Noldijk.
  • Bronmaatregelen zijn hier niet realistisch gezien het zeer beperkte aantal woningen.
  • Het toepassen van een dove gevel voor de twee woningen in het bestaande pand aan de wegzijde wordt sterk aanbevolen.

Met ontheffing van hogere grenswaarden en aantoonbaar voldoende geluidwering van de gevels kunnen de nieuwe woningen vanuit het aspect geluid, worden gerealiseerd.

4.7 Luchtkwaliteit

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Het Bkl bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven.

Tabel 1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.

Stof   toetsing van   Grenswaarden EU   Advieswaarde WHO  
Stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/ m³   10 µg/ m³  
  uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)   200 µg/ m³    
Fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/ m³   15 µg/ m³  
  daggemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden)   50 µg/ m³    
Zeer fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/ m2   5 µg/ m2  

Bij een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de wet is, door middel van criteria, een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3 % van de grenswaarde (= 1,2 ug/m3) voor stikstofdioxide en fijn stof. Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1500 woningen betreft met 1 ontsluitingsweg en meer dan 3000 woningen wanneer er twee ontsluitingswegen zijn dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2.

Beoordeling

Het plangebied wordt ontsloten via twee ontsluitingswegen, het aantal woningen bedraagt minder 3000 en het BVO is minder dan 100.000m2. Daardoor is deze ontwikkeling aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Maar om toch een beeld te geven van de luchtkwaliteit ter plaatse wordt het NIBM-tool ingevuld.


Voor het gehele planvoornemen is aan de hand van NIBM tool bepaald of het plan in niet betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van luchtkwaliteit. Hiervoor is de totale verkeersgeneratie zoals bepaald in de paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren gebruikt als invoer. Er is voor de worst case scenario uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1% voor de aan- en afvoer van goederen voor het natuurgoed. Uit de worst case berekening volgt dat de bijdrage aan extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0022.jpg"

Afbeelding NIBM-tool

Monitoringstool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK)

Met behulp van de Monitoringstool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK (versie 2022) zijn de totale concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) en ultra fijn stof (PM2,5) langs de wegen rondom de planlocatie bepaald. De wegen rondom het plangebied zijn de Ziedewijdsedijk, Noldijk, Waalviaduct / Stationsweg. In de tabel zijn de monitoringsresultaten van het plangebied weergegeven.

Tabel 2: monitoringsresultaten plangebied:

Stof   waarde µg/ m³ 2020   Waarde µg/ m³ 2030   Grenswaarde µg/ m³   Advieswaarde (WHO) µg/ m³  
Stikstofdioxide (NO2)   19,7   17,2   40   10  
Fijn stof (PM10)   16,5   14,9   40   15  
Fijn stof (PM2,5)   9,0   7,8   25   5  

Uit de tabel blijkt dat in het plangebied aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan in zowel 2020 als 2030. De WHO hanteert advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 die lager zijn dan de wettelijke grenswaarden. De WHO-advieswaarde worden niet behaald. Het betreffen minimale overschrijdingen en is er een verbetering van de waarde in 2030, dit wordt acceptabel geacht. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog lager is.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.8 M.e.r. beoordeling

Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.

Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld, zie Bijlage 22.

Daaruit volgt dat het plan niet plan m.e.r.-plichtig is. Voor het plan is wel een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld waarbij is getoetst aan de drie selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet het bevoegd gezag in staat stellen te besluiten of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk maakt. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus geen beoordeling van de milieueffecten die in het kader van een bestemmingsplan noodzakelijk is, maar (uitsluitend) een beoordeling van de vraag of een MER noodzakelijk is. Daarvoor wordt in beeld gebracht of 'belangrijke nadelige milieugevolgen' kunnen worden uitgesloten. Als wordt geconcludeerd dat geen MER noodzakelijk is, dan blijft vanzelfsprekend de normale verplichting tot het beschouwen van milieueffecten ten behoeve van het ruimtelijk plan aanwezig.

Conclusie

De uitkomst van de m.e.r.- beoordeling is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en de locatie van het project die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in de directe omgeving.

4.9 Stikstof

Econsultancy heeft onderzoeken verricht naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura-2000 gebieden. De onderzoeken zijn als Bijlage 23 en Bijlage 24 toegevoegd bij de toelichting.

Onderzoek

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Omgevingswet. Het is verboden om zonder vergunning van het college van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Derhalve dient er onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.


De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het stationair draaien van vrachtwagens op het terrein, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar de gerealiseerde ontwikkeling en het gebruik van mobiele werktuigen voor het hoveniersbedrijf.


In de onderzoeken is de berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2023.2.1). Berekeningen van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met behulp van de meest recente versie van de AERIUS Calculator (versie 2025.0.1) zijn ook beschikbaar (bijgesloten als Bijlage 25 en Bijlage 26). Hierin zijn ook eventuele wijzigingen in het planvoornemen ten opzichte van de rapporten uit 2023 & 2024 verwerkt. Uit beide berekeningen volgt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Het is niet nodig om de conclusies van de onderzoeken aan te passen.

Conclusie

Het aspect stikstof levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen.

4.10 Trillingen

Stantec heeft een trilling technisch onderzoek uitgevoerd met het doel het prognosticeren van de trillingsniveaus in de toekomstige gevoelige ruimten van het bouwplan “nieuwe woning met zorg” ten gevolge van het railverkeer tussen Rotterdam en Dordrecht welke over het nabijgelegen spoortraject rijden. Dit rapport is als Bijlage 27 toegevoegd.

Onderzoek

De meet- en beoordelingsrichtlijn B, "Hinder voor personen in gebouwen" uit augustus 2002 bevat richtlijnen voor het meten en beoordelen van hinder voor personen. De richtlijn maakt onderscheid in de functie van het gebouw, aard van de trillingsbron en in bestaande, gewijzigde en nieuwe situaties. In de richtlijn vindt de beoordeling plaats door middel van de waarden A1, A2 en A3:

  • A1 is de onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax;
  • A2 is de bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax;
  • A3 is de streefwaarde voor de trillingssterkte Vper.

Voor de hoogte van de streefwaarden geldt in algemene zin dat A3<A1<TA2.

Er wordt voldaan aan de streefwaarden indien:

  • De waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1; of
  • De waarde van de maximale trillingssterkte van een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor de ruimte (Vper) kleiner is dan A3.

In de onderhavige situatie worden de optredende trillingen beschouwd als herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd. De situatie kan worden beschouwd als een nieuwe situatie daar het een bouwplan betreft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0023.jpg"

De dag/avondperiode loopt van 07.00 uur tot 23.00 uur en de nachtperiode loopt van 23.00 uur tot 07.00 uur.

De hoogste gecorrigeerde waarde voor de Veff,max is opgenomen in onderstaande tabel voor de nachtperiode.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0024.jpg"

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de onderste streefwaarde uit de SBR richtlijn B niet wordt overschreden voor de nachtperiode. Conform de systematiek van de SBR wordt derhalve aan de richtlijnen voldaan en is vervolg niet meer nodig.

Dezelfde trillingamplituden worden in de dag- en avondperiode verwacht. Daar de richtwaarden in deze perioden dezelfde of minder streng zijn, wordt ook in deze perioden voldaan aan de richtwaarden.

Voor de beeldvorming wordt de Vper beschouwd en kan uit de meetresultaten worden bepaald, volgens bijlage 1 van Bijlage 27, waarbij het maximum is bepaald in de x-, y- en z-richting voor de nachtperiode: Vper = 0,05.

Met de overdrachtsreductie van 85% volgens hoofdstuk 5 wordt in de nieuwbouw een Vper van 0,008 verwacht. Getoetst aan de norm van A3 = 0,05 treedt eveneens geen overschrijding op in de nachtperiode.

Conclusie

De trillingen voldoen aan de streefwaarden voor nieuwe situaties. In feite is de kans klein dat in de toekomstige situatie in de nieuwbouw hinder optreedt ten gevolge van het railverkeer. Het aspect trillingen levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen.

4.11 Verkeer en parkeren

Buro DB heeft voor het plan verkeersonderzoeken uitgevoerd. De rapporten zijn toegevoegd als Bijlage 28 en Bijlage 29.

Verkeer

Voor het vaststellen van de verkeerseffecten van het plan is de verkeersaantrekkende werking van het plangebied in de plansituatie bepaald. Uitgangspunt is dat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied in de huidige situatie nihil is. Het plan omvat de volgende onderdelen en functies:

  • Hoofdfunctie 1, Recreatiehof ter grootte van in totaal circa 1.200 tot 1.500 m2 bvo.
  • Hoofdfunctie 2, Zes ecolodges.
  • Hoofdfunctie 3, Werkhof ter grootte van 400-500 m2 bvo.
  • Hoofdfunctie 4, Twee vrijstaande eengezinswoningen, twee woningen in de schuur aan de Noldijk, zes polderwoningen en een woning aan de Stationsweg.
  • Hoofdfunctie 5, Hoveniersbedrijf.
  • een parkeerterrein voor hoofdfuncties 1, 2 en 3 ter grootte van circa 3.296 m2.

Verkeer van en naar de hoofdfuncties 1, 2, 3 en 5 van het plan gaat rijden via de Boezemweg en een kort deel van de Stationsweg. Alle woningen worden ontsloten vanaf de Noldijk op de woning aan het Boezempad/Stationsweg na. Voor het plangebied is daarmee onderscheid gemaakt in de noordelijke en de zuidelijke ontsluiting.

De verkeersgeneratie is bepaald met behulp van daarvoor beschikbare kencijfers uit de publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' en de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW. In de tussentijd is een nieuwe versie van de kencijfers van het CROW gepubliceerd, maar de kencijfers voor verkeersaantrekkende werking van een tuincentrum zijn gelijk gebleven. De nieuwe versie heeft geen invloed op de berekeningen. De onderzoekslocatie(s) in Barendrecht is qua ligging gelegen in het gebied 'Rest bebouwde kom'. Barendrecht is daarnaast een sterk stedelijk gebied met stedelijkheidsgraad 2 volgens de definities van het CROW.

Noordelijke ontsluiting

Het aan de hoofdfuncties 1, 2 en 3 van het plan gebonden verkeer wordt via de Boezemweg en Stationsweg ontsloten. Hoofdfunctie 1 is bedoeld voor de bezoekers van het Natuurgoed. De beoogde onderdelen van deze functie kunnen qua verkeersaantrekkende werking worden vergeleken met een plantentuin of groen- of tuincentrum. Bij het onderzoek is uitgegaan van een worst case-benadering en derhalve van de hoogste verkeersgeneratie. Voor hoofdfunctie 1 is uitgegaan van de kencijfers van een tuincentrum ter grootte van 1.500 m2 bvo. De verkeersgeneratie van deze functie, op deze locatie, is volgens het CROW maximaal 18,0 ritten per 100 m2 bvo. Daarmee genereert hoofdfunctie 1 van het plan circa (1500/100 x 18=) 270 autoritten per etmaal.
Hoofdfunctie 2 omvat de zes volumes ecolodges, op te delen in 12 verhuurbare delen. Bij de berekening van de verkeersaantrekkende werking van deze recreatiewoningen is uitgegaan van het maximale kencijfer van het CROW, zijnde 2,8 autoritten per woning. Totaal komt dit neer op (12x2,8 =) 34 autoritten per etmaal voor hoofdfunctie 2 van het plan.
Het Werkhof (Hoofdfunctie 3) aan de noordzijde van het plangebied kan worden vergeleken met een bedrijf/werkplaats. Het is een arbeidsintensieve, bezoekersextensieve functie. Volgens het CROW is het hierbij behorende kencijfer voor de verkeersgeneratie maximaal 10,9 ritten per 100 m2 bvo. Uitgaande van maximaal 500 m2 bvo is de verkeersgeneratie van het Werkhof maximaal 55 autoritten per etmaal.
Voor de nieuwe vrijstaande woning aan het Boezempad / Stationsweg ligt de verkeersgeneratie volgens het CROW tussen 7,8 en 8,6 autoritten per etmaal. Bij dit onderzoek is uitgegaan van gemiddeld 9 autoritten per etmaal. Voor specifiek een hoveniersbedrijf (hoofdfunctie 5) heeft het CROW geen kencijfers beschikbaar. Voor de verwachte verkeersgeneratie is uitgegaan van de door de initiatiefnemer aangegeven opgave. De verwachte verkeersgeneratie van het bedrijf is daarmee 28 autoritten personenauto's en 2 ritten vrachtverkeer per etmaal. Een totaal van 30 autoritten per etmaal.

In totaal genereert het plangedeelte met de ontsluiting de noordzijde maximaal circa (270+17+55+30+9=) 381 autoritten per etmaal.

Zuidelijke ontsluiting
In het zuidelijke plandeel wordt het hoveniersbedrijf opgeheven. Hiermee komen tevens de 30 autoritten per etmaal (gemiddeld 28 ritten personenauto's en 2 ritten vrachtwagens) te vervallen.

De zuidelijke aansluiting van het plan is voornamelijk bedoeld voor de zes polderwoningen. Daarnaast is sprake van enig aan het plan verbonden werkverkeer voor onderhoud en dergelijke. Uit de berekening volgt dat de verkeersaantrekkende werking van het zuidelijke plandeel circa 56 autoritten per etmaal bedraagt.

De twee dijkwoningen en de twee woningen in de schuur worden direct ontsloten op de Noldijk en het aan deze woningen gebonden verkeer maakt geen gebruik van de zuidelijke ontsluiting van het plan. Het onderzoek is ervan uitgegaan dat In de plansituatie de planlocatie verkeer gegenereerd door maximaal vier nieuwe woningen op de Noldijk. Het betreft vrijstaande woningen of rijwoningen / dure koopappartementen met volgens het CROW een verkeersgeneratie van 7,0 tot 7,8 autoritten per etmaal. Uitgaande van het maximum van de bandbreedte is de verwachte verkeersaantrekkende werking van dit plandeel (4x7,8 =) 32 autoritten per etmaal. Per saldo is sprake van een toename van (32-30 =) 2 autoritten per etmaal.

In totaal genereert het plangedeelte maximaal ongeveer (56+2=) 58 autoritten per etmaal.

Beoordeling verkeersgeneratie

De verkeersgegevens van de wegen in de omgeving van plangebied Natuurgoed 'Ziedewij' zijn ontleend aan telcijfers van de gemeente Barendrecht (Boezemweg, teldatum februari 2019) en aan recent uitgevoerd (akoestisch) onderzoek in de nabije omgeving (Noldijk, prognose voor 2030). De verkeersgegevens daarvan zijn ingeschat op basis van het verkeersmodel van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag.


In de huidige situatie is er op geen van de wegen sprake van een capaciteitsoverschrijding. De capaciteit van de Boezemweg ligt tussen de 12.000 tot 15.000 motorvoertuigen per etmaal. De capaciteit van de Noldijk ligt tussen 2.500 en 5.000 motorvoertuigen per etmaal. Onder normale omstandigheden kan het verkeer zonder knelpunten en congestie worden afgewikkeld.
Het verkeer van en naar de hoofdfuncties 1, 2, 3 en 5 van het plan gaat rijden via de Boezemweg (noordelijke ontsluiting). Het aantal van 381 aan het plan gebonden verkeersbewegingen betekent ten opzichte van het verkeer op de Boezemweg een toename van maximaal 4 procent. De hoeveelheid verkeer op de weg neemt als gevolg van het plan toe tot maximaal circa 10.313 motorvoertuigen per etmaal.
Gesteld wordt dat de door het plan verwachte verkeerstoename ten opzichte van de huidige situatie zeer beperkt is. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor de verkeerssituatie. De goede verkeersafwikkeling en -veiligheid komen niet in het gedrang.

Het verkeer van en naar hoofdfunctie 4, de woningen aan de zuidzijde van het plan, zal gaan rijden via de Noldijk. Het maximale aantal van circa 58 aan het plan gebonden autobewegingen betekent ten opzichte van de autonome hoeveelheid verkeer op de deze weg een toename van circa 7. De hoeveelheid verkeer op de weg neemt als gevolg van het plan toe tot maximaal circa 1.080 motorvoertuigen per etmaal. Hiermee wordt nog ruimschoots voldaan aan de maximale capaciteit van de weg. Gesteld wordt dat ook op de Noldijk geen nadelige gevolgen voor de verkeerssituatie zullen optreden door het plan. De verkeersafwikkeling en -veiligheid van de weg komen niet in het gedrang. De bereikbaarheid van bestaande bestemmingen aan de weg blijft op hetzelfde peil.
Met de realisatie van het plan blijft er blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Parkeren

De verschillende functies van het plan hebben een bepaalde parkeerbehoefte. Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke initiatieven heeft de gemeente Barendrecht de beleidsregel 'Parkeernormen gemeente Barendrecht 2018' vastgesteld. Het volgende is daarin gesteld:

  • 1. de parkeerkencijfers en de daarbij aangegeven uitgangspunten zoals aangegeven in de CROW publicatie "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV)" vast te stellen als parkeernorm voor de gemeente Barendrecht;
  • 2. deze parkeerkencijfers te hanteren bij het bepalen van de parkeerbehoefte bij ontwikkelingen.

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van het onderhavige plan is daarom uitgegaan van de meest actuele parkeerkencijfers van het CROW zoals vermeld in de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'.

Parkeerbehoefte plan

De parkeerbehoefte van het plan is berekend op basis van de beschikbare CROW-normen. Net als bij de berekening van de verkeersgeneratie zijn hierbij de kencijfers afgeleid voor de functies en woningtypen. Uitgegaan is van de 'Rest bebouwde kom' in een 'Sterk stedelijke omgeving' (stedelijkheidsgraad 2).

Bestemming   Parkeercijfers   Eenheid  
  Minimaal   Maximaal    
Vrijstaande woning   2   2,8   Woning  
Rijwoning / duurappartement   1,7   2,5   Woning  
Hoofdfunctie 1, voorzieningen bezoekers   2,6   3,1   100 m2 bvo  
Hoofdfunctie 2 ecolodges   2   2,2   woning  
Hoofdfunctie 3, werkhof   2,1   2,6   100 m2 bvo  
Hoofdfunctie5, hoveniersbedrijf   2,6   3,1   100 m2 bvo  

Tabel Kencijfers parkeren planvoornemen Natuurgoed Ziedewij e.o.

Op basis in bovenstaande tabel wordt voor de nieuwe vrijstaande woningen (woning aan het Boezempad, dijkwoningen en polderwoningen) geadviseerd om per woning een aantal van drie parkeerplaatsen (op eigen terrein) te realiseren.

Voor de hoofdfuncties 1, 2, 3 en 5 is in het plan voorzien in een (gezamenlijk) parkeerterrein. Op basis van de gegevens in bovenstaande tabel is de (maximale) parkeerbehoefte van deze functies:

3,1 x 1.500 m2 = 46,5 parkeerplaatsen voor hoofdfunctie 1

2,2 x 12 = 26,4 parkeerplaatsen voor hoofdfunctie 2

2,6 x 500 m2 = 13,0 parkeerplaatsen voor hoofdfunctie 3

3,1 x 800 m2 = 24,8 parkeerplaatsen voor hoofdfunctie 5

Dit resulteert in een totale parkeerbehoefte van (46,5+26,4+13,0+24,8=110,7) afgerond 111 parkeerplaatsen. Het voor het parkeerterrein gereserveerde gebied is circa 3.296 m2 groot. Voor de realisatie van 111 parkeerplaatsen is daarmee per plaats ruimte beschikbaar van circa 30 m2.

Een gemiddeld parkeervak heeft, inclusief de parkeerweg, een benodigde oppervlakte van circa 25 m2. Dat betekent dat voor de parkeerbehoefte van het plan op de beoogde parkeerlocatie (ruim) voldoende ruimte aanwezig is om hierin te kunnen voorzien.

Voor de woningen die gerealiseerd worden in de bestaande schuur wordt gerekend met 2,5 parkeerplaats per woning. In de referentiesituatie is het hoveniersbedrijf ter grootte van circa 400 vierkante meter bvo aanwezig. Dit komt neer op (3,1x400m2 =) 12,4 = 13 parkeerplaatsen. In totaal zijn er voor de 2 woningen (2,5x2=) 5 parkeerplaatsen nodig. De parkeerbehoefte van de plansituatie is daarmee niet groter dan de parkeerbehoefte van de bestaande situatie van het hoveniersbedrijf. Voor realisatie van het plan hoeft niet te worden voorzien in extra parkeergelegenheid aan de Noldijk bij de schuur.

Conclusie

Vanuit het aspect verkeer en de verkeersaantrekkende werking kan het plan zonder verdere maatregelen en/of voorzieningen worden gerealiseerd.
Vanuit het aspect parkeren is in het plan voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Bij de woningen in het plan moet rekening worden gehouden met de aanleg van de benodigde parkeerplaatsen. Dit is in basis minimaal 2 stuks per woning op eigen terrein.

Met de vermindering van het aantal m2 bebouwing in het recreatiehof zullen de benodigde parkeerplaatsen ook minder zijn aangezien de parkeerplaatsen voor het toekomstige hoveniersbedrijf op eigen terrein worden opgelost. Dit geeft ruimte voor verdere vergroening.

4.12 Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Het is verplicht plannen te toetsen op wateraspecten. Het doel van de watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Op het gebied van beleid en wetgeving zijn de volgende stukken van toepassing op het plangebied:

  • Kaderrichtlijn Water;
  • Waterwet;
  • Waterbeheer 21e eeuw (WB21);
  • Nationaal waterprogramma;
  • Nationaal bestuursakkoord water;
  • Watertoetsproces;
  • Beleid waterschap Holllandse Delta;
  • Gemeentelijk Rioleringsplan Barendrecht 2018-2022.

Onderzoek

Stantec heeft voor het planvoornemen een waterparagraaf opgesteld. Dit is toegevoegd als Bijlage 30 bij de toelichting.

Maaiveld

Het maaiveld in het plangebied ligt gemiddeld op -0,15 m NAP. Het hoogste punt in het plangebied is 1,10 m+ NAP en het laagste punt is 1,25 m- NAP (Actueel Hoogtebestand Nederland, 2024).

Bodemopbouw

De bodemopbouw in het plangebied luidt als volgt (BRO GeoTOP v1.6, 2024):

  • Van maaiveld tot 2,5 m -mv is klei.
  • Van 2,5 tot 5,5 m -mv is veen.
  • Van 5,5 tot 13,5 m -mv is klei.

Vanwege de bodemopbouw in het plangebied wordt er een lage infiltratie snelheid verwacht.

Grondwater

In het plangebied is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) 0,8 m -mv en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) 1,5 m -mv (Klimaat effect atlas, 2024). Bij de GHG is de ontwateringsdiepte 0,8 meter. Met deze ontwateringsdiepte wordt er geen grondwateroverlast verwacht.

Hemel en droogwaterriolering

Het huidige rioleringsstelsel in de stationsweg is een persriool stelsel.

Oppervlakte water

Het oppervlaktewater in het gebied bestaat uit verschillende typen watergangen waarvan de onderhoudsplicht bij verschillende partijen ligt. Het oppervlaktewater stroomt vanuit het zuiden van het plangebied richting een hoofdwatergang die afwatert naar de boezem in het zuidoosten (Legger waterschap Hollandse Delta, 2022). Onderstaande figuur toont de aanwezige watergangen en onderhoudsplichtigen in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0025.jpg"

Afbeelding Ligging van de watergangen in het plangebied ((Legger waterschap Hollandse Delta, 2022)

Grondwaterbeschermingsgebied

Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Hierdoor zijn extra maatregelen niet noodzakelijk (provincie Zuid-Holland, 2022).

Verharding

De verdeling van de oppervlaktes ten opzichte van de huidige en toekomstige situatie zijn weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0489.BPZUR20230002-VI01_0026.jpg"

Op basis van deze gegevens is er sprake van een verhardingstoename van 15.614 m2.

Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is vaak sprake van een toename van het verhard oppervlak en daarmee een afname van het infiltratieoppervlak. Hierdoor zal hemelwater versneld worden afgevoerd naar de riolering of het oppervlaktewater. Dit is ongewenst en dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Uitgangspunt is dat het hemelwater zoveel mogelijk in het plangebied blijft. De wijze waarop kan per situatie verschillen en is gebiedsafhankelijk.

Met een toename van het verhard oppervlak van 15.614 m² valt de planontwikkeling binnen de grenswaarde van meer dan 10.000 m2. Vanuit de Algemene Regel van het waterschap is er een verplichting tot aanleg van een bergingsvoorziening.


De gemeente Barendrecht hanteert echter een zwaarder wegend beleid voor watercompensatie. De gemeente gaat uit van het toekomstig verhard oppervlak. Met een toekomstig verhard oppervlak van 19.179 m2 is er vanuit het PSW een verplichting tot het aanbrengen van een bergingsvoorziening volgens de norm 50 mm/m2. Voor het plangebied is de rekensom te maken: 19.179 m2 * 50 mm = 959 m3.

In het gebied wordt structureel open water toegevoegd waarmee ruim zal worden voldaan aan de benodigde compensatie. De vormgeving van deze waterwatercompensatie wordt nader uitgewerkt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.

Conclusie
De watercompensatie is geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels. Het aspect water levert daarmee geen belemmeringen op voor het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In dit bestemmingsplan wordt gestreefd naar de juridische vastlegging van de woon-, bedrijfs- en verkeersfunctie binnen het plangebied. Voor dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de landelijke richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Hierin zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de opbouw en presentatie van het bestemmingsplan. Daarnaast is het bestemmingsplan Zuidrand als voorbeeld van de planregels gebruikt.

Het bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsgericht plan waarbij de realisatie van een woning, de verplaatsing van een hoveniersbedrijf en de herinrichting van een weg (t.b.v. Natuurgoed Ziedewij) planologisch wordt mogelijk gemaakt.

5.2 Bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In dit Hoofdstuk wordt een aantal Begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het Artikel Wijze van meten opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit Hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen.

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

Artikel 3 Bedrijf
De bestemming 'Bedrijf' is opgenomen om het te verplaatsen hoveniersbedrijf vanaf de Noldijk naar het plangebied planologisch mogelijk te maken. Hier wordt enkel een hoveniersbedrijf mogelijk gemaakt en overige bedrijfsactiviteiten wordt hiermee uitgesloten. De planregels voor de bestemming zijn gebaseerd op het vigerende bestemmingsplan 'Zuidrand'.


Artikel 4 Groen
De bestemming 'Groen' is opgenomen om het hoveniersbedrijf landschappelijk in te passen en ook om voldoende afstand te houden van de naastgelegen volkstuinen. De planregels voor de bestemming zijn gebaseerd op het vigerende bestemmingsplan 'Zuidrand'.

Artikel 5 Recreatie - Natuur

De bestemming 'Recreatie - Natuur' is opgenomen voor het deel van het plangebied waar het Natuurgoed Ziedewij wordt ontwikkeld. Hierbinnen zijn verschillende functies, passend binnen de recreatieve en de natuurdoelstellingen, mogelijk. Binnen deze bestemming zullen onder meer watergangen, oevers, groenzones en het voedselbos worden gerealiseerd. In dit deel van het plangebied is recreatief gebruik uitgangspunt. Hierbij gaat het om extensieve dagrecreatie waarbij vormen van dagrecreatie met een beperkte ruimtelijke impact zoals fietsen, wandelen, struinen, kleinschalige evenementen en niet-bedrijfsmatige groepsactiviteiten zijn toegestaan. Voorts worden binnen deze bestemming een recreatiehof toegestaan en logementen, beide enkel binnen de daartoe aangegeven aanduiding.


Artikel 6 Tuin
De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor het onbebouwde deel behorende bij het hoofdgebouw aan de Noldijk. In de bestaande situatie is het bestemd als Agrarisch maar wordt niet als zodanig gebruikt. Met de bestemming Tuin wordt beter aangesloten op het feitelijk gebruik en wordt evenmin bebouwing mogelijk gemaakt langs dit deel van de dijk. De planregels voor de bestemming zijn gebaseerd op het vigerende bestemmingsplan 'Zuidrand'.

Artikel 7 Water

De bestemming 'Water' is opgenomen voor de bestaande watergang in het plangebied. De planregels voor de bestemming zijn gebaseerd op het vigerende bestemmingsplan 'Zuidrand'. N.B. de nieuw aan te leggen watergangen zijn mogelijk binnen de overige bestemmingen.


Artikel 8 Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn enkel bestemd voor de bestaande vrijstaande woning en één nieuwe woning. De planregels voor deze woonbestemming zijn overeenkomstig de woonbestemming in bestemmingsplan 'Zuidrand'. Daarnaast kan het college onder voorwaarden bedrijf aan huis, aan-huis-gebonden beroep en handel via internet (niet zijnde detailhandelsfunctie) toestaan.

Op de verbeelding zijn de maximale bouw- en goothoogte vastgelegd. Tevens is een aanduiding voor de grondwal opgenomen. Binnen deze aanduiding 'specifieke vorm van wonen - grondwal' is tevens een aarden wal toegestaan.

Daarnaast is in deze bestemming een aanduiding bijgebouw opgenomen. Dit betreft het bestaande bijgebouw bij de woning van nr. 128. In het plangebied is geborgd dat dit bijgebouw gesloopt moet zijn alvorens de nieuwe woning in gebruik genomen wordt. Hiermee wordt voorkomen dat er te veel bijgebouwen mogelijk zijn op basis van de bestaande situatie in combinatie met de nieuwe woning en het vergunningsvrij bouwen. Het ongewenst toenemen van bouwvolume in het buitengebied wordt hiermee voorkomen.


Artikel 9 Wonen - Lintbebouwing - 1 en Artikel 10 Wonen - Lintbebouwing - 2

Deze bestemming is gegeven aan alle woningen in het plangebied die op, of direct aan de Noldijk staan. Binnen de bestemming zijn opgenomen de woningen zelf, met de daarbij behorende bijgebouwen, tuinen en erven. Beroepsuitoefening aan huis is onder bepaalde voorwaarden toegestaan.

Binnen de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing - 1' worden de 2 woningen mogelijk gemaakt. De goothoogte van deze hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 4,5 m en bouwhoogte 10 meter.

Binnen de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing - 2' worden maximaal 2 woningen mogelijk gemaakt binnen het bestaande volume van de monumentale schuur.

Artikel 11 Woongebied

Binnen de bestemming 'Woongebied' worden de 6 polderwoningen mogelijk gemaakt. Ook voor deze woningen geldt de goothoogte respectievelijk bouwhoogte van hoofdgebouwen van ten hoogste 4,5 respectievelijk 10 meter. Binnen deze bestemming zijn tevens erven, toegangswegen en parkeren toegestaan, evenals groen en water.

Ook zijn bouwvlakken opgenomen zodat duidelijk is waar de woningen zullen komen.

Dubbelbestemmingen

Naast de bovengenoemde bestemmingen zijn er vier dubbelbestemmingen opgenomen in het plan. Het gaat om de volgende bestemmingen:

Artikel 12 Leiding - Brandstof

De voor 'Leiding-Brandstof' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 6 inch en een druk van ten hoogste 40 bar.


Artikel 13 Waarde - Archeologie - 2 en Artikel 14 Waarde - Archeologie - 5

Op de verbeelding zijn deze twee dubbelbestemmingen opgenomen om de eventueel aanwezig archeologische waarden te beschermen in het plangebied.


Artikel 15 Waterstaat - Waterkering
Deze dubbelbestemming is opgenomen zodat geen aanpassingen aan de waterkering uitgevoerd worden zonder dat voorafgaand het waterschap toestemming heeft gegeven.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
In dit Hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.


Artikel 16 Anti-dubbeltelregel
In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.


Artikel 17 Algemene bouwregels
In dit artikel zijn algemene regels voor een overschrijding van bouwgrenzen en de aangelegen bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen van gebouwen vastgelegd, zoals balkons en galerijen. Tevens is een regeling opgenomen voor het realiseren van dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties.


Het bouwvlak en de aangelegen bestemmingsgrenzen mogen in afwijking van de verbeelding en het gestelde in de regels worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, afdaken, dakoverstekken, luifels en andere ondergeschikte bouwdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt.


Artikel 18 Algemene gebruiksregels

In deze regels is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.


Artikel 19 Algemene aanduidingsregels
In deze regels zijn voorwaarden opgenomen die borgen dat er geen milieutechnische of gebruiksbelemmeringen ontstaan.


Artikel 20 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte.


Artikel 21 Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het betreft een regeling die het mogelijk maakt om geringe wijzigingen in de bestemmingsgrenzen door te voeren. In de regeling zijn de kaders waarbinnen de bevoegdheid kan worden uitgevoerd aangegeven.


Artikel 22 Overige regels
In deze regels zijn de voorschriften van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard opgenomen die buiten toepassing zijn op basis van artikel 9 lid 2 van de Woningwet.


Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In Artikel 23 Overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.


In Artikel 24 Slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Vanwege de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid op een andere manier is gegarandeerd.
De procedurekosten voor het plan worden door de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Ook wordt een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan.
Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico's voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.

Een exploitatie is niet openbaar omdat het hier een privé-initiatief betreft. De gemeente heeft wel inzicht gekregen in de exploitatie van de ontwikkeling en is van mening dat dit een realistische exploitatie is en dat hiervoor het in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte vastgoed noodzakelijk is. Dit is intern door de gemeente zorgvuldig beoordeeld.

De exploitatie gaat uit van drie stadia, de ontwikkelfase, aanlegfase en beheerfase. Allen zijn van belang in dit project. De realisatie van de woningen is belangrijk de ontwikkelfase en aanlegfase te financieren. Daarbij dekken de inkomsten uit de woningen een stukje van de eerste beheerstappen af. Het beheer, en onderhoud, dat nodig is voor een langdurig duurzaam gebied vraagt ook om kostendragers en daarvoor zijn ook het recreatiehof en de ecolodges, conform de aangeleverde opstal- en exploitatie berekeningen, noodzakelijk voor het dekken van de structurele kosten van het Natuurgoed.

De aanlegfase bestaat voor een deel uit voedselbos, maar hier horen ook de toegangsweg, het parkeren, het aansluiten op de gemeentelijke weg, nieuwe watergangen, onderhoudsvoorzieningen (paden en gebouwen) bij. Daarbij ook de aanleg van de overige functies binnen het Natuurgoed.

Bij de beheersfase geldt dat de genoemde planonderdelen ook beheer vragen. Het gaat om een totaalontwikkeling. Daarbij zullen de inkomsten van de functies ook relatief weinig zijn en daarmee aansluiten bij de kosten.

Het hoveniersbedrijf is een zelfstandige ontwikkeling in deze en vormt geen onderdeel van de exploitatie van het Natuurgoed. Ook de woning aan de Stationsstraat 128 vormt geen onderdeel van de exploitatie omdat deze opbrengsten niet ten goede komen aan het Natuurgoed. Met het toevoegen van deze woning is de grondruil mogelijk gemaakt die noodzakelijk was voor een hoogwaardige toegang op de Stationsstraat/Boezempad.

Sociale woningbouw

Uitgangspunt voor een ontwikkeling is dat er 30% sociale woningbouw wordt gerealiseerd. Vanwege de locatie van het voorliggende plan en de ruimtelijke opzet is sociale woningbouw hier niet passend. Daarmee voldoet het plan niet aan de uitgangspunten van de verdeling van de woningprijscategorieën uit het Omgevingsprogramma Wonen. Het vereveningsfonds is een instrument om verevening tussen locaties mogelijk te maken. De initiatieven die te weinig sociale huurwoningen realiseren, storten een compensatiebedrag in het vereveningsfonds. De gemeente neemt daarmee de plicht over om te blijven voldoen aan het uitgangspunt van het Omgevingsprogramma Wonen om te streven naar 30% sociaal op de totale woningvoorraad. Hiervoor zet zij het vereveningsfonds in om te stimuleren dat particulieren initiatieven extra sociale huurwoningen realiseren bovenop de verplichte 30% sociaal.

Omdat sociale woningbouw binnen het plangebied niet gerealiseerd kan worden, wordt een storting in het vereveningsfonds sociale woningbouw gedaan conform het 'Programma Kostenverhaal en financiële bijdragen gemeente Barendrecht'.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor het planvoornemen van het Natuurgoed Ziedewij is op meerdere momenten participatie doorlopen waarbij direct omwonenden over de planvorming en het vervolgproces zijn geïnformeerd. Daarnaast zijn het wettelijke vooroverleg en de tervisielegging doorlopen.

6.2.1 Vooroverleg

Burgemeester en wethouders hebben bij de voorbereiding van het bestemmingsplan overleg gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

De reacties in het kader van het vooroverleg zijn beschreven in de Nota Vooroverleg, bijgesloten als Bijlage 31. Naar aanleiding hiervan is In de regels is artikel 5.3.2 de toegestane detailhandel expliciet ingeperkt tot: kleinschalige detailhandel in de vorm van een winkel voor de verkoop van eigen land- en streekproducten met een maximaal bruto vloeroppervlak van 200 m2. Daarnaast is in de toelichting nader aandacht besteed aan de behoefte aan recreatie.

6.2.2 Zienswijze

Het ontwerpbestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o. (OWP Natuurgoed Ziedewij e.o.) lag vanaf 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024 ter inzage. Er zijn vier zienswijzen binnengekomen die zijn beoordeeld en beantwoord in de Nota Zienswijzen, zie hiervoor Bijlage 33. Belangrijkste wijzigingen n.a.v. de zienswijzen zijn:

  • Het nieuwe onderzoek van externe veiligheid wordt toegevoegd aan de bijlage en toelichting van het bestemmingsplan.
  • Er is een onderzoek naar trillinghinder uitgevoerd en opgenomen in de toelichting (paragraaf 4.10) en als bijlage 23 bij de toelichting.
  • De Ladderonderbouwing Wonen en Toeristisch-Recreatief Programma - Natuurgoed Ziedewij van Ginder wordt toegevoegd aan de bijlage 5 en verwerkt in paragraaf 3.1.4 van de toelichting.
  • Het woord mits wordt aangepast in artikel 3.4. Toegevoegd wordt "mits aan alle onderstaande punten wordt voldaan".
  • De mogelijkheden voor andere bedrijven dan het hoveniersbedrijf binnen de bestemming 'bedrijf' wordt geschrapt door het laten vervallen van artikel 3.4 lid b, artikel 3.6 en de staat van bedrijfsactiviteiten. Daarmee is ook de staat van bedrijfsactiviteiten zelf vervallen.
  • Naar aanleiding van de zienswijzen zijn de teksten in hoofdstuk 2.2 van de toelichting, met betrekking tot de nieuwe situatie, verder verduidelijkt.
  • In hoofdstuk 6.1 is nader ingegaan op de economische haalbaarheid met een nadere toelichting op financiële uitgangspunten.
  • In hoofdstuk 6.2 is een overzicht toegevoegd van participatiemomenten en aanpassingen die naar aanleiding hiervan zijn doorgevoerd.

Ambtshalve wijzigingen

Tussen ontwerp en vaststelling van dit bestemmingsplan is er een uitspraak geweest van de Raad van State over het wijzigingsplan Natuurgoed Ziedewij dat ten tijden van de ter inzage legging deels ten grondslag lag aan dit bestemmingsplan. In de uitspraak zijn er meerdere onderdelen aangehaald die in dit bestemmingplan gerepareerd worden. Hierdoor zijn er ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De ambtshalve wijzigingen zijn:

  • In 5.3.2 lid d sub 2 is aangevuld dat het oppervlak inclusief terras is.
  • Het aantal woningen in de schuur aan de Noldijk 124 is teruggebracht naar twee om zo de druk op de omgeving nog verder te verminderen.
  • Voor de polderwoningen, die te realiseren zijn binnen de bestemming 'Woongebied', is het maximum van 1.000 m3 teruggebracht naar 800 m3 waarmee er meer ruimte op de kavels blijft en de verkoopprijzen lager. Dit mede omdat gebleken is dat er minder interesse is in dergelijke grote woningen.
  • De regels zijn op punten verduidelijkt en geactualiseerd. Zo zijn o.a. begrippen m.b.t. meten verplaatst naar artikel 2, wijze van meten, zodat ze daar helder te vinden zijn. Parkeren is nu op één plek geregeld in artikel 18 in plaats van per artikel zodat er een eenduidige en duidelijke regeling ontstaat. Omdat de staat van bedrijfsactiviteiten is vervallen zijn bijvoorbeeld de artikelen m.b.t. bevi-inrichtingen vervallen omdat die niet meer mogelijk zijn.

6.2.3 Participatie

Daartoe zijn 3 bijeenkomsten belegd, in 2012, 2017 en op 22 september 2020. Het verslag van de verschillende bijeenkomsten en wat daaruit is opgehaald is als Bijlage 32 bijgesloten. Dit verslag en de getoonde tekeningen zijn ook ter beschikking gesteld aan genodigden, die niet in de gelegenheid waren om deze bijeenkomst bij te wonen. Daarna zijn er nog momenten in 2021 en 2024 geweest:

  • Info avond omwonenden 16.06.2021, inzake ter visie legging Wijzigingsplan,
  • Overleg met bewoners Boezempad (separaat op 30.06.2021)
  • Info avond omwonenden 30.01.2024, inzake ter visie legging Bestemmingsplan Natuurgoed Ziedewij e.o.


Op deze momenten is het plan gepresenteerd en inhoudelijk toegelicht door de initiatiefnemer, de architect en een deskundige op het gebied van realisatie van het voedselbos. Naar aanleiding van de participatie zijn diverse aanpassingen en/of specificaties gedaan in het plan waarmee het programma en de bouwmogelijkheden zijn teruggebracht en er meer zekerheid is over wat er kan komen:

  • Recreatieve nachtverblijven (Eco lodges) zijn teruggebracht van 2x12 naar 2x6 eenheden en gemaximaliseerd tot 50 personen.
  • Kampeerplaatsen zijn uitgesloten.
  • Voor de Eco lodges zijn maximale goot- en bouwhoogtes opgenomen en voldoende afstand gewaarborgd t.o.v. de bestaande bebouwing door het opnemen van een functieaanduiding.
  • Alleen niet-zelfstandige horeca is toegestaan ten dienste van de hoofdbestemming recreatie-natuur en het oppervlakte voor de horeca (binnen en buiten) is gemaximaliseerd tot 250 m2.
  • Gebruik bouwwerken voor verblijfsrecreatie en/of polderwoningen is pas toegestaan als voldoende natuurontwikkeling is gerealiseerd. Hiermee is bebouwing gekoppeld aan de realisatie van het Natuurgoed en kan er geen zelfstandige verblijfsrecreatie komen.
  • Openstelling van de horeca is beperkt tot van 10:00 uur tot 21:00 uur.