direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Kooiplein
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Cambium Vastgoed B.V. (hierna: initiatiefnemer) is voornemens op de locatie aan het Kooiplein 2 te Castricum te herontwikkelen. In de huidige situatie staat hier een gebouw van een voormalig garagebedrijf en zijn er twee naastgelegen winkelruimtes op Kooiplein 4 en 6 aanwezig.

Het voornemen is om het Kooiplein 2, samen met de naastgelegen winkels op nummers 4 en 6 te herontwikkelen naar een duurzaam appartementengebouw met betaalbare huurwoningen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is reeds door de gemeenteraad van Castricum een Ruimtelijk Kader vastgesteld op 8 mei 2025. In het Ruimtelijk Kader zijn de hoofdlijnen van de (her)ontwikkeling vastgesteld en het kader dient daarmee als basis voor de nadere planuitwerking en de te doorlopen planologische procedure.

Omdat het geldende omgevingsplan, waar het bestemmingsplan "Castricum Noord, Oost en West" (2009) tijdelijk onderdeel van uitmaakt, niet toereikend is voor de geplande ontwikkeling, is een nieuw planologisch kader nodig. Voorliggend TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Kooiplein voorziet dan ook in het planologisch kader voor deze locatie.

1.2 Het plangebied

Het plangebied van Kooiplein ligt in de noordwest hoek van de woonkern Castricum en wordt omsloten door de woningen (gestapeld en grondgebonden) van de Piet Heinlaan aan de noordzijde, de appartementen in de Admiraal de Ruyterlaan aan de oostzijde, de belendende winkel-woonpanden aan het Kooiplein aan de zuidzijde en de patiowoningen van de J. Van Heemskerklaan aan de westzijde.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0001.png"

In figuur 1.2 is ingezoomd op de projectlocatie.

Figuur 1.2: Ligging plangebied ingezoomd

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0002.png"

Het totale plangebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan heeft een oppervlakte van circa 2.650 m2 en bestaat uit bebouwing (voormalige garagebedrijf en winkelpanden), bestrating en een ondoordringbare groenstrook.

1.3 Geldende omgevingsplannen

Ter plaatse van het projectgebied geldt het "Omgevingsplan gemeente Castricum" (/akn/nl/act/gm0383/2020/omgevingsplan), zoals gepubliceerd op 22 mei 2023 (in werking vanaf 1 januari 2024). Het projectgebied valt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet naar het definitief omgevingsplan. In Hoofdstuk 3 van dit TAM-omgevingsplan wordt hier nader op ingegaan.

De beoogde activiteit 'Wonen' is in het geldende omgevingsplan in het projectgebied niet toegestaan en de ontwikkeling voldoet bovendien niet aan de bouwregels. Middels voorliggend TAM-omgevingsplan wordt voorzien in het planologisch kader.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en nieuwe situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats. Hoofdstuk 4 geeft een beschouwing van de relevante beleidskaders en hoofdstuk 5 betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer de stedenbouwkundige inpassing, archeologie en duurzaamheid aan bod komen. Hoofdstuk 6 bevat vervolgens een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid behandeld worden. In hoofdstuk 7 wordt de juridische planbeschrijving van het project beschreven en tot slot wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het Kooiplein is in de jaren ‘60 ontwikkeld als centrum voor de nieuwe wijken Zeeheldenbuurt en Componistenbuurt. Op het Kooiplein vestigden zich diverse winkels en het werd een centrale ontmoetingsplek. In de loop der jaren zijn veel verschillende ondernemers aan het plein gevestigd geweest, met de aanwezigheid van een kleine supermarkt als drager van de levendigheid.

Na het vertrek van de Dekamarkt zijn steeds meer winkelruimtes leeg komen te staan en is de kwaliteit van de omgeving achteruit gegaan.

Initiatieven om een nieuwe en grotere supermarkt op het plein te realiseren bleken niet passend in het detailhandelsbeleid wat geen goedkeuring geeft aan initiatieven buiten de bestaande winkelstructuur. Recent heeft Dekamarkt de deuren van haar oude vestiging aan het Kooiplein opnieuw geopend wat een impuls zal geven aan de levendigheid. De herontwikkeling van het voormalig garagebedrijf naar woningen geeft het Kooiplein een verdere, blijvende, kwaliteitsimpuls.

Figuur 2.1: Aanzicht plangebied vanuit noordoostelijke hoek

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0003.png"

2.2 Toekomstige situatie

Het initiatief voorziet in de sloop van de bestaande opstallen binnen het plangebied en de realisatie van een nieuw appartementencomplex bestaande uit 63 huurwoningen gelegen op een half verdiept aangelegde parkeergarage met maximaal 39 parkeerplaatsen en een gemeenschappelijke fietsenstalling.

De herontwikkeling van het plangebied is reeds in mei 2025 door de gemeenteraad van Castricum voorzien door het vaststellen van het Ruimtelijk Kader Kooiplein (vastgesteld op 8 mei 2025). In dit kader zijn ambities, richtlijnen en aanwijzingen voor de herontwikkeling van het plangebied opgenomen. De ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt, is dan ook uitgewerkt binnen deze kaders. Voor een volledige beschrijving van de toekomstige situatie, wordt eerst nader ingegaan op dit ruimtelijk kader (paragraaf 2.2.1). Vervolgens wordt de ontwikkeling toegelicht, die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt (2.2.2).

2.2.1 Ruimtelijk Kader Kooiplein

Op 8 mei 2025 is door de gemeenteraad van Castricum een ruimtelijk kader vastgesteld voor het perceel Kooiplein 2, 4 en 6. Het Ruimtelijk Kader bestaat uit een structuurontwerp en een schetsontwerp openbare ruimte voor de herontwikkeling van het plangebied. Het Ruimtelijk Kader vormt hiermee een globaal ruimtelijk kader.

Programma

De ontwikkeling draagt bij aan het voorzien van (betaalbare) woningbouw in de gemeente. Het programma voorziet in de realisatie van 63 huurwoningen; 30% sociaal, 40% middelduur en 30% vrije sector. Hierbij dient te worden vermeld dat het initiatief al van voor 2022 loopt, waarbij het uitgangspunt was om minimaal 30% sociaal te realiseren.

Er wordt een half verdiepte parkeergarage gerealiseerd met maximaal 39 parkeerplaatsen en ruimte voor een gemeenschappelijke fietsenstalling.

Er komt een gemeenschappelijke ruimte voor de bewoners met faciliteiten waarbij gedacht kan worden aan een pantry, leestafel, wasruimte of werkplekken.

Doelgroepen

Met voorliggend programma wordt gedacht aan de volgende doelgroepen:

  • Starters: de betaalbaarheid van de woningen maakt ze uitermate geschikt voor starters. Dit kunnen zowel jongeren zijn die op zichzelf willen wonen als jonge stellen met een wens om een gezamenlijk huishouden te starten.
  • Eénpersoonshuishoudens: het aandeel éénpersoonshuishoudens neemt de komende jaren toe. De beperkte bestedingskracht van deze doelgroep vraagt om sociale en middeldure woningen.
  • Beroepsgroepen: middeldure huurwoningen vallen binnen de bestedingskracht van noodzakelijke beroepsgroepen als onderwijs, zorg en politie.
  • Gezinnen: enkele appartementen hebben 3 kamers en zijn daarmee geschikt voor gezinnen.
  • Senioren: de appartementen zijn levensloopbestendig en daarmee geschikt voor senioren.

Bouwplan

De rooilijnen van het voorgestelde bouwblok zijn:

  • Piet Heinlaan gelijk met de rooilijn van de patiowoning aan de J. Van Heemskerklaan;
  • langs de Admiraal de Ruyterlaan gelijk met de voorgevel van gebouw Lathyrus;
  • langs het Kooiplein anderhalve meter van de winkel Kooiplein 8.

Figuur 2.2: Rooilijnen bouwvlak (bron: Moke architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0004.png"

Dit bouwvlak is ingegeven zodat de half-verdiepte parkeergarage efficiënt kan worden aangelegd en het maximale aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd.

Uitstraling

Het appartementengebouw wordt alzijdig. De woningen liggen rondom een gemeenschappelijk binnentuin op het dak van de halfverdiepte garage. De eerste 3 bouwlagen volgen de rooilijn van de half verdiepte garage. De vierde laag krijgt een setback aan de zijde van de J. Van Heemskerklaan. Door andere materialisering onderscheidt deze setback zich van de rest van het gebouw.

De vijfde laag is een accentlaag met setback op een deel van het gebouw op de hoek Admiraal de Ruyterlaan en Piet Heinlaan. Het toepassen van setbacks geeft plasticiteit aan het gebouw en legt een relatie met de lagere hoogte van de omliggende bebouwing. De buitenruimtes vallen buiten de gevels, behalve bij de setbacks waar de woningen een dakterras krijgen.

De halfverdiepte garage wordt aan het zicht onttrokken door het groen middels taluds tegen het gebouw en de daarvoor geplaatste keerwanden aan te laten groeien. Door middel van koven wordt de garage geventileerd. De entree van de parkeergarage komt aan de J. Van Heemskerklaan. De bestaande bebouwing aan de overzijde betreft éénlaags patiowoningen met een diepe voortuin zodat minimale overlast van inschijnende koplampen ontstaat.

Figuur 2.3: Situatie nieuwbouw met mogelijke indeling (bron: Moke architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0005.png"

Figuur 2.4: impressies nieuwbouw (bron: Moke architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0006.png"

Hoogte

De maximale bouwhoogte die is benodigd op de accentlaag bedraagt circa 18 meter. De laag daaronder heeft een bouwhoogte van circa 14,5 meter en ter plaatse van de setback een hoogte van circa 11 meter.

Aan de binnenzijde grenzen de woningen aan een gemeenschappelijke binnentuin die wordt aangelegd op het dak van de garage. De meeste woningen krijgen hierdoor van 2 kanten daglicht wat de woonbeleving verbetert.

Figuur 2.5: Doorsnedes bouwplan (bron: Moke architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0007.png"

Openbare ruimte en landschappelijke inpassing

Voor de inpassing van het complex is door Dijk & Co landschapsarchitectuur een schetsontwerp voor de Openbare Ruimte opgesteld. De inpassing van een nieuw gebouw in een bestaande omgeving vraagt extra aandacht. De overgang tussen bestaand en nieuw moet zorgvuldig worden vormgegeven. Gekoppeld aan de wens om meer groen toe te voegen aan het versteende Kooiplein is aan een landschapsarchitect gevraagd een schetsontwerp van de Openbare Ruimte in het plangebied te maken. Het schetsontwerp is als bijlage 1 terug te vinden. Aan 3 zijden van de planlocatie worden parkeerplaatsen (her)ingericht. Tussen deze parkeerplaatsen worden bomen geplaatst. Indien op een later moment de rest van het Kooiplein kan worden ontwikkeld vormen deze bomen de eerste aanzet van een toekomstig bomencarré rondom het hele Kooiplein.
Op het Kooiplein zelf wordt een bijzondere boom, een zwarte den, geplaats bij de entree van het gebouw. Rondom het gebouw wordt een brede groenstrook aangelegd in de vorm van een talud tegen de gevel en ervoor geplaatste keerwanden.

Figuur 2.6: Schetsontwerp buitenruimte (bron: Dijk & Co,2024)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0008.png"

Taluds zorgen ervoor dat de halfverdiepte parkeergarage aan het zicht wordt onttrokken. De beplanting van het talud bestaat uit duinvegetatie welke aansluit bij de vegetatie in de omgeving. Tevens ontstaat hier een rijk en biodivers plantvak welke tegen de hogere en drogere situatie bestendig is.

Figuur 2.7: Doorsnede Jan van Heemskerklaan

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0009.png"

Het groen wordt doorgetrokken op en langs gebouw. De setbacks op de bovenste twee lagen van het gebouw worden aangekleed met groen en langs de kolommen van de balkons kan het groen vanuit het groene talud omhoog klimmen.

Figuur 2.8: Impressie mogelijke uitwerking nieuwbouw met groenplan

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0010.png"

Grondeigendom

De voormalige garage is eigendom van de Cambium Vastgoed bv. De footprint van het appartementencomplex ligt echter ook op grond van de gemeente. De gemeente is voornemens deze gronden in te brengen in de voorgestane ontwikkeling. Hiertoe zal dan ook een publicatie in een later stadium plaatsvinden in het kader van het Didam-arrest.

Natuurinclusief bouwen

Door het toepassen van inheemse en insectenminnende beplanting wordt er bijgedragen aan een verbetering van de ecologische situatie. Door het aanplanten van gevelbeplanting wordt dit versterkt en is er veel voedsel aanwezig voor de verschillende organismen zoals vogels, bijen en vlinders.

De nieuw te planten bomen zullen inheems en besdragend zijn waardoor ook zij een bijdrage leveren aan biodiversiteit.

2.2.2 Vertaling naar TAM-omgevingsplan

Conform het Ruimtelijk Kader (zie paragraaf 2.2.1) voorziet onderhavig TAM-omgevingsplan in maximaal 63 woningen. In de regels van dit TAM-omgevingsplan is daarnaast opgenomen dat minimaal 30% van het totaal aantal te realiseren woningen, een woning in het sociale segment moet betreffen.

Verder is in de regels en op de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan geborgd dat enkel gestapelde woningen mogen worden gerealiseerd. De maximale bouwhoogte bedraagt 18 meter voor het gebouwdeel aan de Admiraal de Ruyterlaan en 14,5 meter voor het gebouw aan de J. Van Heemskerklaan.

In het plangebied is verder zowel de realisatie van de beoogde parkeergarage als de parkeerplaatsen op maaiveld mogelijk gemaakt.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan

Het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Castricum bestaat uit de (voormalig geldende) bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Hierna wordt per relevant onderdeel de voorgenomen ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt, getoetst op strijdigheden.

3.1 Bakkum, Castricum Noord, Oost en West en Bedrijventerreinen, 1e herziening

De beheersverordening Bakkum, Castricum Noord, Oost en West en Bedrijventerreinen, 1e herziening is op 9 september 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van Castricum. Dit betreft de herziening van de in 2019 vastgestelde beheersverordening. Deze beheersverordening verklaart voor het overgrote deel de voormalige bestemmingen uit de bestemmingsplannen van toepassing. Het adres Kooiplein 2 is echter uit deze beheersverordening gehaald en maakt geen onderdeel uit van dit plan. De gronden om het (bestaande) gebouw en van Kooiplein 4 en 6 maken wel onderdeel uit van de beheersverordening en hebben hier de bestemmingen 'Groen', Gemengd' en 'Verkeer - verblijfsgebied' conform het bestemmingsplan "Castricum Noord, Oost en West" dat onderdeel uitmaakt van deze beheersverordening (zie ook figuur 3.1).

Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn de gronden bestemd voor detailhandel, dienstverlening, kantoren en het bestaande aantal woningen. De maximale toegestane bouwhoogte is hier 3 meter. De bestemming 'Verkeer-Verblfijfsgebied' is bestemd voor wegen en straten, wandel- en fietspaden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen. Gebouwen zijn hier niet toegestaan. Binnen de bestemming 'Groen' zijn groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige doeleinden, parkeervoorzieningen, voet- fietspaden en verhardingen toegestaan. Ook hier zijn gebouwen niet toegestaan.

3.2 Bestemmingsplan "Castricum Noord, Oost en West"

Op 12 februari 2009 is het bestemmingsplan "Castricum Noord, Oost en West" vastgesteld door de gemeenteraad van Castricum. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het perceel Kooiplein 2 (voormalige garagegebouw) de bestemming 'Bedrijf'', met de functieaanduiding 'garagebedrijf''. Daarnaast is in het plangebied een bouwvlak opgenomen.

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven waar in dit geval ook een garagebedrijf is toegestaan. De maximale toegestane bouwhoogte is hier 8 meter.

Figuur 3.1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Castricum Noord, Oost en West" (met globale plangrens in oranje)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0011.png"

De voorgenomen ontwikkeling voorziet uitsluitend in de realisatie van woningen, in de vorm van een appartementengebouw met een hoogte van maximaal 18 meter. De ontwikkeling is derhalve in strijd met zowel de gebruik- als bouwregels behorende bij de bestemming 'Bedrijf'.

3.3 Parapluplan Parkeren en Wonen

Het Parapluplan Parkeren en Wonen is op 25 april 2024 vastgesteld. Dit bestemmingsplan voert relevante wijzigingen door in de bestaande bestemmingsplannen op het gebied van parkeren en wonen. De bepalingen uit het Parapluplan zijn, daar waar relevant, dan ook overgenomen in de regels van dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

De vier prioriteiten

De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.


Drie afwegingsprincipes

Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:

  • 1. Combineren boven enkelvoudig;
  • 2. Kenmerken & identiteit;
  • 3. Afwentelen voorkomen.

Relatie tot het plangebied

Onderhavig TAM-omgevingsplan maakt de ontwikkeling van 63 woningen in het plangebied mogelijk. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij nationaal belang nummer 5: 'zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit bij woonbehoeften'. De opgave is om aansluitend op de woonbehoefte (met name in en bij de stedelijke regio's) tussen 2019 en 2030 circa 1 miljoen woningen te realiseren en een goede kwaliteit van de woningvoorraad in regio's met bevolkingsdaling te behouden. Het plangebied is gelegen binnen het bestaande stedelijke gebied van Castricum. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de opgave behorend bij nationaal belang nummer 5. De overige 20 nationale belangen zijn niet relevant voor het plangebied.

Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan staat een ontwikkeling toe, die in overeenstemming is met opgaven uit de NOVI.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.

Omgevingswaarden

Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Bkl. De rijksomgevingswaarden luiden als volgt:

  • Lucht
  • Waterveiligheid primaire waterkeringen
  • Oppervlaktewaterkwaliteit
  • Grondwater
  • Bronnen voor drinkwater
  • Zwemmen in oppervlaktewater
  • NEC omgevingswaarden

Provincies en gemeenten mogen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit. Ook kunnen ze omgevingswaarden stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Hierbij te denken aan omgevingswaarde voor geur- of lichthinder.

Instructieregels

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten.

Regels voor monitoring

Bij monitoring verzamelen bestuursorganen gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan.

Relatie tot het plangebied

Hoofdstuk 5 Bkl bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De toets aan deze instructieregels vindt plaats in Hoofdstuk 5 Omgevingskwaliteit en Hoofdstuk 6 Aspecten fysieke leefomgeving van deze motivering. Daar waar aan de orde, zijn de instructieregels vertaald in de Regels van dit TAM-omgevingsplan.

Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:

  • voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen
  • lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
  • lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool
  • bebouwingscontour jacht
  • bebouwingscontour houtkap


Onderhavig TAM-omgevingsplan ziet niet toe op de hoofdspoorweginfrastructuur, de infrastructuur van rijkswegen en lokale spoorwegen. Zodoende kan een nadere toetsing aan deze instructieregels achterwege blijven. Verder voorziet dit TAM-omgevingsplan enkel in de realisatie van woningen. Het lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool is derhalve eveneens niet aan de orde. Ditzelfde geldt voor de bebouwingscontouren jacht en houtkap: deze zijn niet opgenomen in dit TAM-omgevingsplan waardoor toetsing aan deze instructieregels achterwege kan blijven.

Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Deze hoeven niet te worden aangewend ten behoeve van de ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt.

Tot slot geldt dat het plangebied op basis van het Bkl gelegen is binnen de gebiedsaanwijzing 'Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren' en 'Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra'. Onderhavig TAM-omgevingsplan staat de realisatie van windturbines en/of hyperscale datacentra niet toe. Zodoende is geen sprake van strijd met de regels behorende bij deze gebiedsaanwijzing.

Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met het Bkl.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie NH2050

De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich uit over het Waarom en deels over het Wat. Onder de hoofdambitie 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De bijbehorende deelambities zijn:

  • 1. Leefomgeving: een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving, met als doel:
    • a. een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland;
    • b. het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving;
    • c. het vergroten van de biodiversiteit in Noord-Holland.
  • 2. Gebruik van de leefomgeving: ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren, met als doel:
    • a. een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor;
    • b. vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter met elkaar in overeenstemming brengen;
    • c. dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden;
    • d. het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie.
  • 3. Energietransitie: Noord-Holland als samenleving in 2050 klimaatneutraal en gebaseerd op hernieuwbare energie.


Relatie tot het plangebied

Eén van de aspecten die de provincie noemt voor een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling is een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De ontwikkelingen in de provincie dienen daarom passend te zijn in het (karakteristieke) landschap en mogen het behoud van de (karakteristieke) landschappen niet belemmeren. Dit wordt onder andere gerealiseerd door natuurinclusief ontwikkelen. Dit TAM-omgevingsplan maakt de ontwikkeling van 63 woningen mogelijk in een binnenstedelijke omgeving, waarbij veel oog is voor de leefomgeving. Dit is met name terug te zien in het schetsontwerp openbare ruimte dat ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is opgesteld (zie hiervoor ook paragraaf 2.2, waar een uitgebreide planbeschrijving heeft plaatsgevonden).

Ook is sprake van een verduurzamingsslag in het plangebied. In plaats van een bedrijfsbestemming wordt voorzien in nieuwe, duurzame woningen waarbij ook ruim aandacht is voor een klimaatbestendige inrichting van het plangebied.

Conclusie

Onderhavig TAM-omgevingsplan is in lijn met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050.

4.2.2 Omgevingsverordening NH022

De Omgevingsverordening NH2022 vertaalt de ambities, ontwikkelprincipes en de sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie NH2050. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn daarnaast de provinciale regels over de fysieke leefomgeving opgenomen.

Relatie tot het plangebied
De Omgevingsverordening NH2022 is opgebouwd uit artikelen die toezien op het gehele grondgebied en specifieke werkingsgebieden. Hieronder wordt eerst de toets aan de regels voor het gehele grondgebied uitgevoerd. Vervolgens zal de relatie van de werkingsgebieden tot de voorgenomen ontwikkeling nader worden beschouwd.

Regels voor het gehele grondgebied

Nieuwe stedelijke ontwikkelingen

Artikel 6.12 van de Omgevingsverordening NH2022 bepaalt dat paragraaf 6.2.2.1 van de omgevingsverordening van toepassing is op nieuwe stedelijke ontwikkelingen voor het gehele provinciale grondgebied. De regels in deze paragraaf zijn onder andere opgesteld met het oog op het actief stimuleren van regionale afstemming, duurzaam ruimtegebruik en het voorkomen van overprogrammering. Op grond van artikel 6.13 van de Omgevingsverordening NH2022 kan een ruimtelijk plan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte afspraken. Onder de binnen de regio gemaakte afspraken worden onder meer woonakkoorden verstaan.

Dit TAM-omgevingsplan maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Er mogen immers maximaal 63 woningen in het plangebied worden gerealiseerd. Op basis van het grote woningtekort in de regio en de wens om meer woningen binnenstedelijk aan te kunnen bieden, kan gesteld worden dat er voorzien wordt in de behoefte. Dit wordt tevens nader gemotiveerd in de paragraaf 5.4 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking.

Risico's van klimaatverandering

Artikel 6.75 van de Omgevingsverordening NH2022 bepaalt dat de motivering van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering moet bevatten. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op:

  • a. wateroverlast;
  • b. overstroming;
  • c. hitte;
  • d. watertekort;
  • e. verzilting; en
  • f. verslechtering van de ecologische en chemische kwaliteit.

De voorgenomen ontwikkeling houdt rekening met de risico's van klimaatverandering. Het bouwplan en de inrichting van de openbare ruimte beoogd een biodivers en klimaatadaptief gebouw en buitenruimte te realiseren. Beplanting is inheems en tevens aantrekkelijk voor bijen, vlinders en vogels. Gelet op voorgaande wordt voldoende rekening gehouden met de risico's van klimaatverandering.

Specifieke werkingsgebieden

Op basis van de digitale viewer van de Omgevingsverordening NH2022 (te raadplegen via Regels op de Kaart) kan beoordeeld worden binnen welke specifieke werkingsgebieden de projectlocatie is gelegen. Dit betreffen de volgende werkingsgebieden:

  • Datacenters uitgesloten
  • Ontgrondingen
  • Peilbesluit
  • Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied


Datacenters uitgesloten

Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied 'Datacenters uitgesloten'. Artikel 6.32c van de Omgevingsverordening NH2022 stelt dat binnen het werkingsgebied geen nieuwe datacenters met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA gerealiseerd mogen worden. Dit TAM-omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van een datacenter zoals bedoeld in artikel 6.32c. Nadere toetsing aan artikel 6.32c kan derhalve achterwege blijven. Strijdigheid met artikel 6.32c doet zich niet voor.

Ontgrondingen

Afdeling 4.5 van de Omgevingsverordening NH2022 (bestaande uit artikel 4.56 t/m 4.58) stelt regels met het oog op het vrijstellen van activiteiten waarvoor vanwege het doel of de omvang van de ontgronding geen vergunningplicht geldt. Er worden in de artikelen 4.57 en 4.58 aanvullingen geformuleerd op de vrijstellingen zoals geformuleerd in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat vermoedelijk geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit noodzakelijk is. De volgende activiteiten zijn onder meer vrijgesteld:

  • niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven.
  • als het gaat om het aanleggen, eranderen of verwijderen van een haven, industrieterrein, bouwterrein, sportterrein, park of plantsoen.

Mocht toch een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit noodzakelijk zijn, dan zal deze worden aangevraagd. De Omgevingsverordening NH2022 staat hier niet aan in de weg.

Peilbesluit

Artikel 6.91 regelt dat het waterschapsbestuur een of meerdere peilbesluiten vaststelt voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnnen het werkingsgebied peilbesluit. Deze instructieregel geldt voor het waterschapsbestuur en staat voorliggende ontwikkeling niet in de weg.

Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied

Binnen het werkingsgebied 'Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied' gelden regels in het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort. Met het oog op de verdeling van het beschikbare water uit het IJsselmeer wordt in artikel 6.92a prioriteit toegekend aan bepaalde behoeften waarvoor dit water benodigd is.

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen. De ontwikkeling heeft geen betrekking op de verdeling van water bij een watertekort. Nadere toetsing aan artikel 6.92a kan derhalve achterwege blijven. Er doet zich geen strijdigheid met dit artikel voor.

Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de (instructie)regels uit de Omgevingsverordening NH2022.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Woonakkoord Regio Alkmaar

In de Woonagenda 2020-2025 van de provincie Noord-Holland is bepaald dat de regio's samen met de provincie Woonakkoorden opstellen. Hierin zijn afspraken over woningbouw, nieuwbouw en een overzicht van woningbouwplannen in het landelijk gebied opgenomen. Het Woonakkoord is de opvolger van het Regionaal Actieprogramma (RAP). De regio Alkmaar, waar de gemeente Castricum onderdeel van uit maakt, ziet het Woonakkoord als een goede basis om de woningbouw versneld te realiseren. Het akkoord biedt een actuele en krachtige impuls en inspiratie voor lokale woonvisies en prestatieafspraken, maar heeft zelf niet die status. Het Woonakkoord zet in op het toevoegen van minimaal 2.000 woningen per jaar binnen de regio tot 2030. Tot 2040 wordt ingezet op het toevoegen van circa 25.000 - 33.000 woningen.

De regio Alkmaar zet in op binnenstedelijk bouwen. Er wordt prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van woningen op inbreidingslocaties, nabij OV-knooppunten en in de nabijheid van andere voorzieningen. In de Regio Alkmaar is ruimte om een deel van de benodigde nieuwbouwopgave van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) op te vangen door aanvullende woonmilieus en productmarktcombinaties te realiseren. De regio bouwt niet meer woningen dan nodig is voor de woningbehoefte, maar zoekt wel naar flexibiliteit waar dat leidt tot een grotere vraaggerichtheid van de nieuwbouw.

Relatie tot het plangebied

Uit het Woonakkoord volgt dat aan alle segmenten behoefte is en dat versnelling van woningbouwrealisatie essentieel is. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 63 appartementen, waarvan 30% (19 appartementen) in het sociale huursegment. Het plangebied is daarnaast gelegen op een binnenstedelijke locatie. De voorgenomen ontwikkeling levert derhalve een bijdrage aan de doelstellingen zoals geformuleerd in het Woonakkoord.

Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de doelstellingen uit het Woonakkoord Regio Alkmaar.

4.4 Gemeentelijk beleid

In paragraaf 2.2.1 is de voorgenomen ontwikkeling reeds getoetst aan het Ruimtelijk Kader Kooiplein. Dit gemeentelijke beleidsdocument komt derhalve in deze paragraaf niet meer aan bod. In deze paragraaf wordt derhalve enkel nog ingegaan op de Omgevingsvisie gemeente Castricum en de gemeentelijke woonvisie.

4.4.1 Omgevingsvisie gemeente Castricum

In de Omgevingsvisie gemeente Castricum (april 2023) komen de ambities van de gemeente voor de toekomst, de wensen van betrokken partijen en het bestaande beleid, mede op basis van trends en ontwikkelingen samen. De omgevingsvisie is bindend voor de gemeente: afwijken is slechts mogelijk op basis van een goede onderbouwing.

In de omgevingsvisie is de ambitie voor de gemeente beschreven aan de hand van drie hoofddoelen, die nader zijn uitgewerkt in verschillende speerpunten. Bij ontwikkelingen binnen deze drie hoofddoelen is het belangrijk om rekening te houden met de kernwaarden. Dit zijn de waarden waar inwoners trots op zijn, die mede de identiteit vormen van de gemeente en waarvan de gemeente behoud en liefst versterking belangrijk vindt. De waarden zijn per gebied en per dorpskern beschreven. Verder is in de omgevingsvisie de visie op de gebieden en de dorpen beschreven. Dit is in de visiekaart en kernenkaarten in beeld gebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0012.png"

Figuur 4.2: schematische weergave opzet omgevingsvisie

Relatie tot het plangebied

De voorgenomen ontwikkeling betreft een ontwikkeling die een bijdrage levert aan de hoofddoelen (en de daarbij behorende speerpunten) uit de omgevingsvisie. In het plangebied worden immers 63 woningen toegevoegd, waarvan 30% van de woningen in het sociale segment worden gerealiseerd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan hoofddoel 1. Ook is veel aandacht voor het duurzaam inrichten van de locatie (hoofddoel 3). Het schetsontwerp openbare ruimte (bijlage 1) zorgt voor een biodivers en klimaatadaptief gebouw en omgeving.

Specifiek voor de woonkern Castricum, waarbinnen het plangebied is gelegen, is in de omgevingsvisie onder meer opgenomen dat er in Castricum mogelijkheden zijn voor gestapelde bouw, mits goed ingepast. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in gestapelde bouw en daarmee een intensivering en gewenste toevoeging van woningbouw binnen de kern die op een goede wijze ingepast is.

Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de hoofddoelen, speerpunten en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie gemeente Castricum.

4.4.2 Woonvisie Castricum 2020 - 2025

De Woonvisie Castricum 2020 - 2025 (december 2019) schetst de gemeentelijke visie op het wonen in de gemeente Castricum. De woonvisie houdt rekening met de kaders van het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Voor de onderbouwing van deze woonvisie is gebruikgemaakt van het kwalitatieve woningmarktonderzoek uit de notitie Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar en het Woningbehoefteonderzoek Castricum 2018. In het Woningbehoefteonderzoek is middels een enquête de woonwensen van de inwoners van Castricum geïnventariseerd. Ruim 2.400 inwoners hebben via de enquête hun woonwensen aangegeven.

In de woonvisie onderbouwt de gemeente het streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van de huidige en toekomstige bewoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. De gemeente streeft naar een lichte groei van het aantal inwoners, zodat ook aan de vraag van huishoudens die vanuit de metropool regio Amsterdam (MRA) naar Castricum verhuizen kan worden voldaan. Op deze wijze wordt verdrukking van eigen inwoners op de woningmarkt beperkt. Daarnaast zorgt een toename van het aantal inwoners ervoor dat er ook in de toekomst voldoende draagvlak blijft voor het huidige voorzieningenniveau.

De gemeente biedt een veilige en behaaglijke woonomgeving met veel groen, optimale voorzieningen voor alle leeftijdsgroepen, fraaie verblijfsgebieden in de dorpen en de natuur. Kortom een inspirerende omgeving voor inwoners, ondernemers en bezoekers.

Relatie tot het plangebied

Uit de woonvisie volgt dat binnen de regio Alkmaar sprake is van een vijftal opgaven:

  • 1. het bouwtempo moet stevig omhoog om de huidige druk op de markt het hoofd te bieden;
  • 2. flexibiliteit creëren in planvoorraad door adaptief te programmeren;
  • 3. inzet op de diversiteit in woonmilieus, waarbij drie subregio's op basis van de verscheidenheid aan woonmilieus wordt gehanteerd: Alkmaar, Heerhugowaard/Langedijk en de BUCH-gemeenten;
  • 4. voorkomen van verdringing;
  • 5. inspelen op de langetermijn behoefte.

Op de korte termijn is daarnaast behoefte aan realisatie van grondgebonden woningen, maar op de lange termijn is behoefte aan kleinschalige appartementencomplexen met appartementen die zowel geschikt zijn voor starters als senioren. Om doorstroming te bevorderen moeten daarnaast koopwoningen en vrije sector huurwoningen worden toegevoegd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwl woongebouw met daarin ruimte voor maximaal 63 appartementen. 30% van dit aantal woningen wordt gerealiseerd te worden in het sociale segment. Daarnaast wordt 40% in de middeldure huursector en 30% als vrije huursectorwoningen aangeboden. De voorgenomen ontwikkeling levert hiermee een positieve bijdrage aan de beoogde doorstroming op de markt en het voorzien van betaalbare woningbouw in de gemeente. De ontwikkeling draagt gelet op voorgaande - in meer en mindere mate - bij aan de vijftal opgaven die spelen binnen de regio Alkmaar.

Uit de woonvisie volgt verder het streven om bij nieuwbouw in te zetten op 30% sociale woningbouw. Voor de komende jaren ligt de nadruk binnen het sociale segment vooral op de huursector. In dit TAM-omgevingsplan is in artikel 5.4.1 onder b vastgelegd dat voor deze ontwikkeling een percentage van 30% van het totaal aantal woningen moet worden gerealiseerd in het sociale huursegment.

Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de Woonvisie Castricum 2021 - 2025.

Hoofdstuk 5 Omgevingskwaliteit

In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.

5.1 Beeldkwaliteit / architectuur / welstand

Artikel 22.29 lid 1 onder b van het geldende omgevingsplan gemeente Castricum bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.

Relatie tot het plangebied

In Castricum geldt de 'Nota Omgevingskwaliteit gemeente Castricum' uit september 2023. Het plangebied valt onder de gebiedstypering 'Woongebieden'. De ambities van de woongebieden ziet toe op:

  • Behouden van de samenhang op wijk-, buurt- of bouwblokniveau. Voorkomen van verrommeling straatbeeld door ‘on-eigen’ individuele ruimtelijke inpassingen van ingrepen in openbare ruimte, bouwplannen, reclametoepassingen, nieuwe functies, e.d.
  • Respecteren van aanwezige bebouwingsbeeld, verkavelingsstructuur, korrelgrootte en schaal.
  • Op stedenbouwkundig geëigende plekken (langs hoofdstructuren, hoeken etc.) kunnen verbijzonderingen in functie, vorm en omvang de stedenbouwkundige structuur versterken.
  • Aandacht voor (groene) overgang van de dorpsranden naar het landschap.

Met voorliggend plan wordt de bestaande stedenbouwkundige structuur van het Kooiplein gebruikt om sloop-nieuwbouw te realiseren. Hierbij wordt aangesloten op de rooilijnen van de omliggende bebouwing en blijft de samenhang op buurt- en blokniveau behouden.

Beoordelingsniveau welstand

De woongebieden zijn daarnaast onderverdeeld in gebieden en voorzien van beoordelingsniveau's (bijzonder, basis, beperkt of vrij). Het plangebied valt binnen het woongebied 'h. Kooiweg' met het beoordelingsniveau 'vrij'. Dit betekent dat vergunningaanvragen niet worden getoetst aan 'redelijke eisen van welstand'. De regels uit het omgevingsplan blijven wel van toepassing, zoals regels over plaats, grootte, bouwhoogte e.d.. De keuze voor materiaal, vorm en kleur is in deze gebieden vrij. Aangezien afgeweken wordt van de (bouw)regels van het omgevingsplan (qua hoogte en oppervlak) wordt wel aangesloten bij de ambities van de woongebieden.

Conclusie

Het aspect beeldkwaliteit / architectuur / welstand staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed

Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed. Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed.

Relatie tot het plangebied

Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten archeologie, cultuurhistorie en erfgoed.

Archeologie

Op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. bestaande uit het bestemmingsplan “Castricum Noord, Oost en West”) heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 500 m2 en die dieper reiken dan 50 cm -Mv een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 800 m².. Met de voorgenomen ontwikkeling worden deze grenzen overschreden. Daarom is door Transect in juli 2025 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit archeologisch onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze motivering. De resultaten van het onderzoek worden hieronder weergegeven.

Bureauonderzoek

Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in het Oer-IJ getijdengebied, ter hoogte van het zeegat ligt. Omstreeks 1500 v. Chr. ligt het plangebied nog in zee. Tussen 1500 en 100 na Chr. raken de strandwallen steeds verder gesloten en slibt het zeegat geleidelijk dicht. Omstreeks 500 v. Chr. hebben zich in het midden van het zeegat ter hoogte van het plangebied wadden gevormd. Circa 250 v. Chr. is het zeegat bijna volledig dichtgeslibd en ligt het plangebied op de grens tussen het waddengebied en de kwelders. Omstreeks 100 na Chr. zijn de strandwallen volledig afgesloten en ligt het plangebied in een gebied met kwelderwallen en -ruggen. Op de getijdenafzettingen is bewoning mogelijk vanaf de IJzertijd. In de omgeving van het plangebied is tijdens een archeologisch onderzoek een greppel uit vermoedelijk de IJzertijd of Romeinse Tijd gevonden. Dit bevestigt de archeologische verwachting. Voor de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen geldt daarom een hoge archeologische verwachting. Op historisch kaartmateriaal is het plangebied tot in de 20e eeuw in gebruik als wei- en bouwland en later deels als tuinbouwgrond. De eerste bebouwing in het plangebied dateert uit 1966. Archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd zullen daarom met name uit sporen van landgebruik en ontginning bestaan. De verwachting voor dergelijke sporen is laag. Archeologische resten van vóór de IJzertijd worden niet in het plangebied verwacht.

Veldonderzoek

Op basis van het inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, blijkt dat de ondergrond tot de maximaal geboorde diepte van 200 cm -Mv (circa 2,0 m -NAP) uit getijdegeul- en wadplaatafzettingen bestaat. De getijdegeul is in het westen van het plangebied aanwezig en ligt op een diepte van 70-95 cm -Mv (0,6-0,7 m -NAP). In de top van de getijdegeul is sprake van een humeus niveau van circa 25-35 cm dikte. Dit niveau is geïnterpreteerd als een overstromingslaag dat waarschijnlijk gevormd is tijdens de verlandingsfase van de geul na het sluiten van het zeegat sinds 250 v.Chr. (IJzertijd). In het oosten van het plangebied is sprake van wadafzettingen, waarvan de top op een diepte van 40-110 cm -Mv (0,4-0,8 m -NAP) ligt. In boring 6 is de oorspronkelijke top van de wadafzettingen niet meer intact aanwezig. Zowel de getijdegeul- als de wadplaatafzettingen worden bedekt door een ophogingspakket, waarop bestrating is aangebracht. Op basis van de resultaten blijkt dat het plangebied landschappelijk gezien in een hoog energetisch en marien milieu gelegen heeft. In de afzettingen zijn geen archeologisch relevante niveaus of indicatoren aangetroffen, waardoor het aantreffen van archeologische vindplaatsen in het plangebied klein geacht wordt. De hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen is op basis van het bureauonderzoek daarom naar laag bij te stellen.

Advies

Op basis van het archeologisch onderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting. De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is daarom erg klein. In het kader van de sloop van bestaande bebouwing en de realisatie van een appartementencomplex met een halfverdiepte parkeergarage is een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Indien er onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt er een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 om deze zaken te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Castricum).

Cultuurhistorie en erfgoed

Het plangebied ligt niet in of nabij een beschermd stadsgezicht. Dit heeft tot gevolg dat in beginsel geen rekening gehouden hoeft te worden met het handhaven van de bestaande bouw- en kapvormen als uitgangspunt. Daarnaast is in het plangebied ook geen bestaande bebouwing aanwezig, die aan te merken is als karakteristiek en/of een monumentale status heeft.

Conclusie

Het aspect archeologie, cultuurhistorie en erfgoed staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

5.3 Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal), is het wenselijk om duidelijk aan te geven welke duurzame aspecten aanwezig zijn of waar het plan aan bijdraagt (ook in relatie tot de Bruidsschat, art. 22.52). 

Relatie tot het plangebied

Zoals in paragraaf 2.2.1 reeds is beschreven, houdt de voorgenomen ontwikkeling rekening met de risico's van klimaatverandering. Het toe te voegen groen in de buitenruimte en op/aan het gebouw draagt bij aan het tegengaan van hittestress en heeft een positief effect voor het opvangen van hemelwater. Het plan beoogd een biodivers en klimaatadaptief landschap te realiseren.

Naast een groene inpassing wordt ook gekeken in hoeverre circulair bouwmateriaal en houtgebruik mogelijk is bij de verdere uitwerking van het plan. Het installatieconcept is All Electric waarbij een gasaansluiting niet noodzakelijk is. Elektriciteit wordt geleverd via een regulier aansluiting aangevuld met zonnepanelen.

Natuurinclusief bouwen

Door het toepassen van inheemse en insectenminnende beplanting wordt er bijgedragen aan een verbetering van de ecologische situatie. Door het aanplanten van gevelbeplanting wordt dit versterkt en is er veel voedsel aanwezig voor de verschillende organismen zoals vogels, bijen en vlinders.

De nieuw te planten bomen zullen inheems en besdragend zijn waardoor ook zij een bijdrage leveren aan biodiversiteit.

Conclusie

Het aspect duurzaamheid en natuurinclusief bouwen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

5.4 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking

De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de 'laddertoets' genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel' zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden.

Op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, in het omgevingsplan rekening te houden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan dient in het omgevingsplan te worden beschreven wat de mogelijkheden zijn om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Relatie tot het plangebied

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Dit TAM-omgevingsplan maakt immers de realisatie van 63 woningen mogelijk. De planlocatie maakt daarnaast onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied.

De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de behoefte om meer (betaalbare) woningen toe te voegen in de kern Castricum. Deze behoefte volgt ook uit het Woonakkoord Regio Alkmaar, waarin wordt ingezet op het toevoegen van minimaal 2.000 woningen per jaar binnen de regio tot 2030. Tot 2040 wordt ingezet op het toevoegen van circa 25.000 - 33.000 woningen. Kwalitatief gezien dient een gedifferentieerd woningaanbod op de planlocatie te worden voorzien, dit volgt onder meer uit de gemeentelijke woonvisie. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in dit kader in woningen in het sociale segment (30%), het middeldure segment (40%) en de vrije sector (30%). Zodoende is er ook sprake van voldoende kwalitatieve behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in zorgvuldig ruimtegebruik en wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Dit aspect staat derhalve de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg.

Hoofdstuk 6 Aspecten fysieke leefomgeving

In de motivering van dit TAM-omgevingsplan dient beschreven te worden op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Deze aspecten omvatten in ieder geval de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

6.1 Activiteiten en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leef kwaliteit. Het zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Milieuzonering is een complex onderwerp en daarom ondersteunt de Vereniging van Nederlandse Gemeente (hierna VNG) sinds 1986 gemeentes en andere partijen met een handreiking.

Om aan te sluiten bij de nieuwe Omgevingswetgeving heeft de VNG besloten om een nieuwe handreiking op te stellen: Activiteiten en milieuzonering. De kern van deze handreiking draait om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden en dus niet meer aan de hand van richtafstanden zoals in het verleden is gedaan. De nieuwe handreiking hanteert een systematiek van verschillende zones voor geluid en geur. Daarbij geldt hoe verder van een gevoelige functie (zoals woningen), hoe meer gebruiksruimte een bedrijf ontvangt. Voor geluid geldt een basiszone, een beperkte zone of een verruimde zone. Voor het aspect geur wordt slechts gebruik gemaakt van een basiszone en een verruimde zone.

Figuur 6.1: Transponering VNG-tabellen (bron: VNG)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0013.png"

De milieucategorieën uit de VNG-handreiking 2009 zijn omgezet naar posities van 1 t/m 4. Daarnaast bestaan er twee bijzondere posities zoals functiemenging (FM) en industrieterrein (IT). Afhankelijk van de positie-indeling kan worden ingeschat of een activiteit passend is in een basiszone, een beperkte zone of een verruimde zone.

In de basis geldt dat binnen een gemengd gebied met wonen geen zones met gebruiksruimte voor geluid en geur worden vastgesteld. De zones gelden in principe alleen voor bedrijventerreinen. De nieuwe handreiking gaat er dan ook vanuit dat in gemengd gebied met wonen zich alleen bedrijven kunnen vestigen, die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen. Bij een goede bouwkundige constructie is het mogelijk de bedrijfsactiviteiten uit te voeren in hetzelfde gebouw als woningen, bijvoorbeeld in de plint. Contactgeluid, geurdoorslag en trillingen worden hierbij in voldoende mate voorkomen.

Voor rustige woonwijken geldt dat dit gebieden zijn waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden.

Relatie tot het plangebied

Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van woningen mogelijk in het plangebied. Deze beoogde woningen veroorzaken zelf geen relevante geluid- of geurhinder naar de omgeving. In het geldende omgevingsplan gemeente Castricum zijn (nog) geen normen vastgesteld ten aanzien van de milieuwaarden op de thema’s geluid en geur.

Het plangebied kent de bestemming 'Bedrijf' en wordt gewijzigd in de functie 'Wonen'. Omliggende bestemmingen (thans: functies) betreffen overwegend 'Gemengd', 'Wonen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een gemengd gebied met wonen. In basis geldt dat binnen een gemengd gebied met wonen geen zones met gebruiksruimte voor geluid en geur worden vastgesteld. De waarden en regels in het omgevingsplan die zijn gericht op het beschermen van gevoelige gebouwen, zijn tevens de regels die de gebruiksruimte voor de (bedrijfs)activiteiten begrenzen. De handreiking van de VNG gaat er dan ook vanuit dat in gemengd gebied met wonen zich alleen bedrijven kunnen vestigen, die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen. Bij een goede bouwkundige constructie is het mogelijk de bedrijfsactiviteiten uit te voeren in hetzelfde gebouw als woningen, bijvoorbeeld in de plint. In onderhavig TAM-omgevingsplan voorziet de ontwikkeling juist in het toevoegen van woningen in een gemengd gebied, waar reeds bedrijfsmatige functies aanwezig zijn (naastgelegen gemengde bestemming met dienstverlening, horeca en detailhandel).

Ten behoeve van de voorgenomen woningbouwontwikkeling zijn de volgende bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving (mogelijk) relevant. Deze bedrijfsmatige activiteiten vallen allemaal binnen de voormalige categorie 1 en onder de nieuwe handreiking binnen functiemenging (FM). Hierdoor verhouden deze activiteiten zich goed tot de woningbouw (die op dit moment al aanwezig is boven deze functies). De nieuwbouw is daarnaast bouwkundig gescheiden van de dichtstbij gelegen gemengde functie. Het is derhalve niet de verwachting dat de toekomstige woningen hinder ondervinden van de naastgelegen functies en dat de aanwezige bedrijfsmatige functies belemmerd worden door de komst van het woongebouw.

Conclusie

Het aspect activiteiten en milieuzonering staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.2 Bodem

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); 
  • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal);
  • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); 
  • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 

Relatie tot het plangebied

Dit TAM-omgevingsplan staat de realisatie van nieuwe woningen in het plangebied toe. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om te bepalen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Dit onderzoek is uitgevoerd door Kwinfra (juni 2025) en het onderzoek is opgenomen als 3 bij deze motivering. De resultaten worden hieronder nader weergegeven.

Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan een oordeel worden gegeven over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie.

  • Zowel de zintuiglijk schone boven- als ondergrond is niet verontreinigd boven de interventiewaarden bodemkwaliteit. Getoetst aan het Handelingskader PFAS en de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2022 is het grond(meng)monster MM01 niet verontreinigd en vrij toepasbaar, met uitzondering van grondwaterbeschermingsgebieden.
  • Het grondwater is niet verontreinigd boven de maximale waarden signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering.
  • Gezien de aangetoonde aanwezigheid van kwaliteitsklasse landbouw - natuur wordt de vooraf gestelde hypothese verdacht niet bevestigd.
  • De onderzoeksresultaten geven een representatief beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en mede gezien de aangetoonde mate van verontreiniging is er geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek.

De onderzoeksresultaten van onderhavig bodemonderzoek vormen naar het inzicht van Kwinfra geen belemmering voor de realisatie van woningbouw op de locatie.

Verder wordt geadviseerd de nog aanwezige (inpandige) ondergrondse tank, welke in het verleden werd gebruikt voor de opslag van afgewerkte olie, te laten verwijderen door een hiervoor gecertificeerd bedrijf.

Conclusie

Het aspect bodem staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.3 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: 

  • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);  
  • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);  
  • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).  


De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). 

Relatie tot het plangebied

Binnen het onderhavige TAM-omgevingsplan worden geluidgevoelige gebouwen (woningen) gerealiseerd. In dit kader is er een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is in juni 2025 uitgevoerd door TecMap en is opgenomen als bijlage 4 bij deze motivering. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder weergegeven.

Gemeentelijke wegen

Uitgaande van de verkeersgegevens zoals aangereikt, is de waarde voor geluid berekend ter hoogte van de appartementen vanwege het verkeer over de gemeentelijke wegen (peiljaar 2040). In onderstaande tabel is het resultaat van de berekeningen opgenomen. In de tabel is telkens per gevel de maximaal berekende waarde opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0014.png"

Uit de tabel blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB niet wordt overschreden. De waarde voor geluid vanwege de gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 51 dB en wort vrijwel volledig bepaald door het verkeer over de Admiraal de Ruyterlaan.

Het gezamenlijke geluid

Uitgaande van een berekende bijdrage van 45 dB vanwege vliegtuiglawaai en 51 dB vanwege wegverkeerslawaai dan bedraagt het gezamenlijke geluid niet meer dan 52 dB.

Dit betekent dat bij een grenswaarde van 33 dB in woonvertrekken van nieuwbouw er sprake moet zijn van een karakteristieke geluidwering (GA;k) van minimaal 20 dB (de minimaal vereiste waarde). Om dit te kunnen bereiken zijn geen bijzondere bouwkundige voorzieningen noodzakelijk.

Cumulatief

Omdat voor geen lawaaisoort verzocht wordt om een hogere waarde voor geluid dan de standaardwaarde, hoeft de totale gecumuleerde waarde voor geluid ter hoogte van de nieuw te bouwen appartementen niet te worden berekend.

Conclusie

Uit de berekeningen blijkt dat op de gevels van de appartementen geen hogere waarde dan de standaardwaarde ontstaat vanwege een lawaaisoort. De waarde voor het gezamenlijke geluid zal niet meer dan 53 dB bedragen wat betekent dat volstaan kan worden met een karakteristieke geluidwering van 20 dB. Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg.

6.4 Geur

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven

Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

Relatie tot het plangebied

Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van woningen. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige gebouwen. In het geldende omgevingsplan zijn geen geurafstanden en/of geurwaarden vastgesteld. Daarnaast zijn in de nabijheid van het plangebied geen bedrijven of activiteiten aanwezig waarvan geurhinder te verwachten is.

Conclusie

Het aspect geur staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.5 Gezondheid

Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.

Relatie tot het plangebied

Ten aanzien van gezondheidsbescherming geldt dat in de paragrafen 6.3,6.4, 6.8 en 6.14 reeds wordt ingegaan op respectievelijk de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en water. Voor gezondheidsbevordering geldt dat hiervoor (nog) geen specifiek gemeentelijk beleid voorhanden is. Wel kan gesteld worden dat de toekomstige inrichting van het plangebied bijdraagt aan gezondheidsbevordering. Zoals in paragraaf 2.2.1 Ruimtelijk Kader Kooiplein reeds toegelicht, wordt de beoogde nieuwbouw gerealiseerd met aandacht voor groen, biodiversiteit en klimaatadaptatie. De buitenruimte en het nog te herontwikkelen plein nodigt in de toekomst uit tot ontmoeten.

Conclusie

Het aspect gezondheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.6 Kabels en leidingen

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.

Relatie tot het plangebied

In het geldende omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Ook uit de HoogspanningsNet Netkaart volgen geen kabels en leidingen die in of in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen.

Daarnaast worden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Hiermee wordt geborgd dat er geen schade optreedt aan ondergrondse kabels en leidingen of dat er gevaarlijke situaties ontstaan.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.7 Licht

6.7.1 Bezonning

Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan.

Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. Daarnaast kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd.

Relatie tot het plangebied

Onderhavig TAM-omgevingsplan staat het realiseren van een woongebouw tot een hoogte van maximaal 18 meter toe. De gemeente Castricum heeft geen specifiek beleid voor bezonning opgesteld, waardoor teruggevallen kan worden op de landelijk geaccepteerde TNO-norm.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de aanwezigheid van omliggende woningen is door de Bezonningsingenieur.nl een bezonningsstudie uitgevoerd. De bezonningsstudie is als bijlage 5 terug te vinden. In de bezonningsstudie is een vergelijking gemaakt tussen hetgeen op basis van het geldende (oude) bestemmingsplan gebouwd kan worden en wat het voorliggende TAM-omgevingsplan aan bebouwing toestaat. Daarbij zijn ook de balkons met een diepte van 2 meter buiten het bouwvlak meegenomen. Er is getoetst aan de lichte TNO-bezonningsnorm, waarbij ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam valt.

Op basis van zowel de visuele als kwantitatieve benaderingen kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Visuele uitwerking:

Voorgevels:

Piet Heinlaan 61-71: Ruwweg is er in de bestemmingsplan situatie bezonning mogelijk vanaf het eind van de ochtend tot het eind van de middag in de wintermaanden. Dit loopt op tot 20.00 uut in de zomermaanden en neemt daarna navenant af. In de TAM-omgevingsplan situatie is er in de wintermaanden in de eerste helft van de middag bij de oostelijke woningen invloed. Op 21 maart (21 september) is er vrijwel geen invloed. Op alle peildata van 21 april tot en met 21 augustus is er geen invloed.

J. Van Heemskerklaan 2-10: Op 21 december is er in de bestemmingsplan situatie bezonning mogelijk van 10:00 uur tot en met 14:00 uur grotendeels. Tot 21 juni loopt de bezonningsduur op van 7:00 uur tot en met 15:00 uur. Daarna neemt de bezonningsduur navenant af tot 21 december. In de TAM-omgevingsplan situatie verschuift een schaduw gebied over de noordelijke woningen naar de zuidelijkere woningen. In de wintermaanden is er invloed rond 10:00 uur terwijl deze in de zomermaanden rond 7:00 uur beperkt optreedt.

Overige bebouwing:

Bij de Admiraal de Ruyterlaan 4-30 blijkt er in de wintermaanden halverwege de middag invloed op de westgevel bij de meest zuidelijk gelegen woningen van dit complex. Bij de bebouwing ten oosten van de planlocatie zoals Admiraal de Ruyterlaan 1-29 blijkt er in het zomerhalfjaar een beperkte invloed in de avond.

TNO-bezonningsnorm (toetsingsdatum 19 februari):

De woningen aan de Piet Heinlaan 61-71 en J. Van Heemskerklaan 2-10 voldoen in zowel de bestemmingsplan situatie als TAM-omgevingsplan situatie ruimschoots aan de lichte TNO-bezonningsnorm. Maatgevend zijn de woningen aan de Piet Heinlaan 69 en 71 waar respectievelijk op 19 februari (en 21 oktober) 52% en 48% afnames optreden (zie tabel 6 en 7 uit het onderzoek). Binnen de toetsingsperiode is deze mate van invloed kortstondig want op 21 maart (en 21 september) is er vrijwel geen invloed bij deze maatgevende woningen.

Conclusie

Gesteld kan worden dat ten gevolge van de bebouwingsmogelijkheden binnen het TAM-omgevingsplan de hoeveelheid bezonning niet onaanvaardbaar verslechtert voor de bebouwing rondom de planlocatie. Alle 11 getoetste woningen (Piet Heinlaan 61-71 en J. Van Heemskerklaan 2-10) blijken op toetsingsdatum 19 februari ruimschoots te voldoen aan de lichte TNO-bezonningsnorm in zowel de bestemmingsplan situatie als TAM-omgevingsplan situatie. Tussen 21 maart en 21 september is er geen tot een beperkte invloed. Het aspect bezonning staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.7.2 Lichthinder

Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten:

  • 1. Hinder voor de mens
  • 2. Hinder langs wegen
  • 3. Verstoring van de natuur
  • 4. Horizonvervuiling


Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes. Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden.

Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder.

Relatie tot het plangebied

De ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt voorziet in de realisatie van woningen. De functie wonen is geen activiteit die onevenredige lichthinder veroorzaakt voor de omgeving.

Met voorliggend plan wordt wel een halfverdiepte parkeergarage mogelijk gemaakt. Opgemerkt moet worden dat in beginsel op basis van het geldende omgevingsplan ook een halfverdiepte parkeergarage onder het gebouw gerealiseerd kan worden. De in- en uitrit van de garage ligt aan de J. Van Heemskerklaan. Hiermee zou enige lichthinder gepaard kunnen gaan bij het uitrijden van de personenauto's. Dit is door Moke architecten inzichtelijk gemaakt, zie bijlage 6. Hieruit blijkt dat bij het uitrijden via het schuine talud enkel bij het betreden van het maaiveld de koplampen direct op de gevel van de patiowoning in kan schijnen. Dit is vergelijkbaar met auto's die nu planologisch op maaiveld op deze plek geparkeerd kunnen worden en wegrijden. Het aantal auto's is wel groter dan een of twee parkeerplaatsen aangezien er maximaal 39 auto's kunnen parkeren, maar is in een stedelijke omgeving acceptabel. Er is daarmee geen onevenredige lichthinder te verwachten.

Conclusie

Het aspect lichthinder staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.8 Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. 

Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit.

Relatie tot het plangebied

Voor het plangebied is beschouwd in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarnaast wordt het woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit toegelicht.

Toets NIBM

Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder:

  • Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen;
  • Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen;
  • Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met:
    • 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of
    • 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.


De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van maximaal 63 woningen mogelijk. Hiermee draagt het plan - gelet op de weergegeven voorbeelden - niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving.

Aandachtsgebieden luchtkwaliteit

De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De gemeente Castricum is niet aangewezen als een van de aandachtsgebieden.

Goed woon- en leefklimaat

In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving, wordt in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het plangebied inzichtelijk gemaakt in tabel 6.1.

Figuur 6.1: Totale concentraties stikstof en fijnstof nabij het projectgebied (bron: CIMLK)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0015.png"

Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Zodoende kan gesproken worden van een goed woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.9 Milieueffectrapportage

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor plannen en programma's (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r-(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder 'het omgevingsplan' ook 'de omgevingsplanactiviteit' verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.-beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.

Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit).


Relatie tot het plangebied

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de projecten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. De beoogde ontwikkeling is onder J.11 opgenomen in kolom 1 van bijlage V, maar uit kolom 2 blijkt dat een mer-plicht niet van toepassing is. Op grond van kolom 3 is een m.e.r.-beoordeling wel nodig.

Figuur 6.2: Onderdeel J.11 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0016.png"

In het kader van de m.e.r.-beoordeling dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. De aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 7 bij deze motivering. Geconcludeerd wordt dat er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn. Hieruit volgt dat een nadere m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een MER niet noodzakelijk is.

Conclusie

Omdat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject onder J.11, dient een m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden. Op basis van de opgestelde aanmeldnotitie kan geconcludeerd worden dat er geen significante negatieve effecten te verwachten zijn. Hieruit volgt dat een nadere m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een MER niet noodzakelijk is.

6.10 Mobiliteit en parkeren

Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP's wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak.

Wat betreft de parkeereffecten van de voorgenomen ontwikkeling kan gebruik worden gemaakt van de Nota Parkeernormen 2025 gemeente Castricum, zoals vastgesteld op 27 februari 2025 door de gemeenteraad. Deze nota vervult een rol in het ruimtelijke toetsingskader voor nieuwbouw- en transformatieontwikkelingen. Aan de hand van deze nota wordt het aantal parkeerplaatsen voor auto's bepaald dat aangelegd en in stand gehouden moet worden. Aan te leggen parkeerplaatsen moeten voldoen aan de kwalitatieve eisen die de bruikbaarheid van de parkeerplaatsen waarborgen.

Onderdeel van het vastgestelde Ruimtelijk Kader (zie paragraaf 2.2.1) was ook een parkeerbalans. Bij deze parkeerbalans werd nog gerekend op basis van de Nota Parkeernormen 2020. In voorliggende paragraaf wordt echter getoetst aan de nu geldende Nota Parkeernormen 2025.

Relatie tot het plangebied

Parkeren

De parkeerbehoefte wordt vanuit de Nota Parkeernormen 2025 bepaald aan de hand van de oppervlakte van woningen. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen sociale woningen en vrije sectorwoningen. Er is geen middeldure categorie, daarvoor wordt aangesloten bij de normen voor vrije sectorwoningen.

De beoogde ontwikkeling omvat 63 appartementen, onder te verdelen in:

  • 19 sociale huurappartementen < 75 m2
  • 24 vrije sector huurappartementen < 75 m2
  • 18 vrije sector huurappartementen 75<100 m2
  • 2 vrije sector huurappartementen > 100 m2.

Op basis hiervan is een parkeerbalans opgesteld die terug te vinden is als bijlage 8.

De parkeerbalans laat zien dat de normatieve behoefte (ongewogen parkeerbehoefte) voor de 63 woningen in totaal 57,6 parkeerplaatsen voor bewoners bedraagt. In het plan wordt een parkeergarage gerealiseerd met maximaal 39 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er nog (57,6 - 39=) 18,6 parkeerplaatsen voor bewoners nodig zijn. Daarnaast is er een parkeerbehoefte van 0,2 per woning voor bezoekers, wat betekent dat er in totaal (63 x 0,2=) 12,6 parkeerplaatsen voor bezoek nodig is. In totaal zijn er derhalve 31,2 parkeerplaatsen nodig in de openbare ruimte.

Op basis van aanwezigheidspercentages kan het maatgevende moment worden bepaald. In dit geval is het maatgevend moment de zaterdagavond waarbij de parkeerbehoefte 27,5 betreft.

De huidige functies (garage, commerciële plint en bestaande woning) mogen in het kader van salderen afgetrokken worden van de parkeerbehoefte indien de functie niet langer dan 5 jaar leeg staat. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van 3,2 parkeerplaatsen voor de commerciële plint (buurtcentrum) van 80 m2 (de garage staat langer dan 5 jaar leeg en mag dus niet meegenomen worden).

De parkeervraag na salderen op het maatgevende moment betreft ook 27,5 op de zaterdagavond (dan is de parkeerbehoefte voor de commerciële plint namelijk 0%).

Naast de parkeergarage worden er in de openbare ruimte 17 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee blijft de parkeervraag in de openbare ruimte op het maatgevende moment (zaterdagavond) (27,5 - 17 =) 10,5 parkeerplaatsen.

Er zijn parkeertellingen uitgevoerd door de gemeente om de restcapaciteit in de openbare ruimte te bepalen. Hieruit blijkt dat er meer dan voldoende restcapaciteit over is op het maatgevende moment (en op alle andere momenten) om de overblijvende parkeervraag van 10,5 op te kunnen lossen in de openbare ruimte, zonder dat er sprake is van een parkeerdruk die boven de 90% komt. Hierbij is een maximale loopafstand van 100 meter aangehouden.

Met deze parkeerbalans is de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan aangetoond. Om te waarborgen dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn, is in artikel 8.1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van parkeren opgenomen. Hiermee wordt geregeld dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen er aangetoond moet worden dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op basis van de Nota Parkeernormen 2025.

Fietsparkeren

In de halfverdiepte parkeergarage wordt een ruimte gereserveerd voor een fietsenstalling. De fietsenstalling wordt gerealiseerd op basis van de Amsterdamse bouwbrief, waarbij het gelijkwaardigheidsbeginsel van toepassing wordt verklaard en de gezamenlijke fietstenstalling als alternatief voor individuele bergingen gebruikt kan worden.

Verkeersgeneratie

De verkeersgeneratie wordt bepaald met behulp van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig Parkeren - Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie'. Hierbij wordt als uitgangspunt gebruikt dat Castricum als matig stedelijk staat aangeduid en dat de woningen in de rest bebouwde kom gerealiseerd zullen worden. Op basis van de woningdifferentiatie die ook voor het bepalen van de parkeerbehoefte is bepaald, is de gemiddelde verkeersgeneratie 197 verkeersbewegingen per etmaal voor de te realiseren 63 woningen.

Figuur 6.4: Berekende verkeersgeneratie

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0017.png"

Het plangebied wordt ontsloten via de Admiraal de Ruyterlaan naar de zuidzijde richting de Oranjelaan of via de noordzijde richting de Beethovensingel die beide aan de oostzijde aantakken op de Soomerwegh en zo richting de N513 en N203 provinciale weg richting de A9. De bestaande wegenstructuur kan de extra verkeersgeneratie op deze wijze goed opvangen.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.11 Natuur

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de - nog te bepalen - datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. 

Relatie tot het plangebied

In het kader van natuurbescherming dient de aan- of afwezigheid van beschermde soorten vastgesteld te worden en de invloed op beschermde natuur bepaald te worden. Hiertoe is een ecologische quickscan voor het plangebied uitgevoerd. De quickscan is uitgevoerd door Dresmé & Van der Valk en de rapportage is bijgevoegd als als bijlage 9 van deze motivering. Hierna worden de resultaten uit dit onderzoek kort weergegeven. Daarnaast wordt onder 'gebiedsbescherming' onder andere ingegaan op het aspect stikstofdepositie. In dit kader is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd door MBH Consultants. De onderzoeksrapportage is bijgevoegd als bijlage 10.

Soortenbescherming

Op basis van de in mei 2025 uitgevoerde Quickscan natuurwetgeving kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in het projectgebied worden uitgesloten. Een nader onderzoek naar vleermuizen of een omgevingsvergunning voor een flora-en fauna-activiteit is niet nodig.

Binnen de bebouwing van het projectgebied zijn geen geschikte ruimtes of holtes aanwezig voor jaarrond beschermde vogelnesten van de huismus en gierzwaluw. Een nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw of een omgevingsvergunning voor een flora-en fauna-activiteit is niet nodig.

In de bomen en struiken in de groenstrook ten westen van de voormalige garage, komen mogelijk nesten voor van algemeen voorkomende vogels zoals ekster, merel, roodborst, pimpelmees en winterkoninkje. Deze soorten maken echter elk jaar een nieuw nest, waardoor een nest alleen in het broedseizoen (globaal van 15 maart t/m eind augustus) beschermd is. Indien gehouden wordt aan de Zorgplicht, zijn geen aanvullende maatregelen nodig.

Gebiedsbescherming

Het projectgebied is niet in of nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) of Natura 2000-gebieden gelegen. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Noordhollands Duinreservaat op circa 1,4 kilometer afstand van het projectgebied. Verder weg gelegen gebieden zijn Schoorlse Duinen op circa 7 kilometer afstand, Eilandspolder op circa 8 kilometer en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder op circa 9 kilometer afstand van het projectgebied.

Het meest nabijgelegen NNN-gebied is een gebied ten zuiden van de Schulpvaart (hetgeen een NNNverbindingszone is) op circa 450 meter afstand van het projectgebied. Ook is het projectgebied niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als belangrijk weidevogelleefgebied, strategische reservering natuur of recreatie rond de steden.

Op de korte termijn ontstaan lokale effecten, zoals een toename van geluid en stof door de renovatiewerkzaamheden. Deze effecten zijn echter verwaarloosbaar en niet waarneembaar ter plaatse van beschermde gebieden. Gezien de afstand en het tussengelegen stedelijke gebied worden geen effecten verwacht op het NNN of Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden. Op lange termijn worden ook geen effecten verwacht die van betekenis kunnen zijn voor de natuurwaarden van beschermde gebieden.

Stikstofdepositie

Het effect van het project op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige natuur dient wel bepaald te worden. Uit het uitgevoerde onderzoek van MBH Consult BV blijkt dat het projecteffect op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j. voor de bouwfase en gebruiksfase.

Op basis van het berekeningsresultaat kunnen significant negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Een vergunning voor een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect natuur staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.12 Omgevingsveiligheid

Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Omgevingsveiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het omgevingsveiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving.

Het wettelijk kader m.b.t. omgevingsveiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de omgevingsveiligheid zijn twee begrippen van belang:

  • Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
  • Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:

  • Brandaandachtsgebied
  • Explosieaandachtsgebied
  • Gifwolkaandachtsgebied


Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen.

Relatie tot het plangebied

Dit TAM-omgevingsplan staat de realisatie van woningen toe en voorziet daarmee niet in risicovolle activiteiten. Op basis van de kaarten van Atlas Leefomgeving is het plangebied daarnaast niet gelegen in een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied of een gifwolkaandachtsgebied. In het geldende omgevingsplan zijn daarnaast (nog) geen beperkingengebieden ten aanzien van externe veiligheid opgenomen.

Figuur 6.5: Uitsnede Atlas Leefomgeving, plangebied in orange cirkel

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0018.png"

BP Tankstation

Ten zuiden van de planlocatie ligt het BP tankstation aan de Soomerwegh 3 met een LPG risicocontour en aandachtsgebied. De planlocatie ligt echter op ruim 500 meter van het aandachtsgebied.

Buisleiding

Aan de oostzijde van de planlocatie loopt een buisleiding van de Gasunie met bijbehorend aandachtsgebied. De planlocatie ligt echter op ruim 750 meter van het aandachtsgebied van deze buisleiding.

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.13 Trillingen

Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder.

Relatie tot het plangebied

Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van woningen. Woningen worden aangemerkt als trillinggevoelige gebouwen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. Het plangebied is op een afstand van minimaal 500 meter van het spoor gelegen. Derhalve is het uitvoeren van een trillingshinderonderzoek niet noodzakelijk. Ook zijn er geen overige activiteiten in de directe nabijheid die trillingen kunnen veroorzaken.

Conclusie

Het aspect trillingen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

6.14 Waterbelang

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

Relatie tot het plangebied

Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van het het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling getoetst dient te worden aan de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. De Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap. De Waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op het niveau van de centrale overheid waren geregeld.

Hieronder wordt op de diverse onderdelen uit de Waterschapsverordening in relatie tot het plangebied in gegaan.

Waterkwantiteit

Het totale plangebied dat circa 2.650 m2 groot is, bestaat op dit moment uit verharding in de vorm van de bestaande opstallen en de bestrating van de buitenruimte. Aan de J. van Heemskerklaan is een onverharde groenstrook aanwezig van ongeveer 330 m2 groot.

Met de herontwikkeling wordt het bestaande plantsoen voor een groot deel verwijderd, maar komt groen rondom het gebouw terug. Er komt 439 m2 groen terug na realisatie van het plan.

Figuur 6.6: huidige situatie vs. nieuwe situatie groen (rood gearceerd in nieuwe situatie)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0019.png"

Het resultaat is dat geen sprake is van een afname, maar juist een toename van onverhard oppervlak binnen het plangebied. In artikel 2.73 van de Waterschapsverordening is bepaald dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning voor een water activiteit, meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak aan te brengen. Verder is in artikel 2.76 van de Waterschapsverordening bepaald dat het nieuw aangebrachte verharde oppervlak wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied 10% van de oppervlakte ervan als verbreed of nieuw oppervlaktewater te graven. Deze eis geldt niet als minder dan 800 m2 aan verharding wordt toegevoegd. Zodoende geldt er dus geen compensatie-eis voor de voorgenomen ontwikkeling.

Waterkwaliteit

Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse.

Waterkeringen en waterveiligheid

Het plangebied is niet gelegen binnen de beperkingengebieden van een oppervlaktewaterlichaam, primair of secundair oppervlaktewater, waterkeringen of kwetsbaar gebied voor grondwater. Het plangebied ligt enkel binnen een niet-risicovol gebied verticale drainage.

Op onderstaand figuur is de begrenzing van de hierboven genoemde beperkingengebieden weergegeven. Het beperkingengebied voor het secundair oppervlaktewater, ligt (relatief) strak om de getoonde watergang heen.

Figuur 6.7: Uitsnede Waterschapsverordening (bron: Omgevingsloket, Regels op de kaart)

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0020.png"

Ligging binnen niet-risicovol gebied voor verticale drainage

Bij het plaatsen of behouden van verticale drainages in het niet-risicovol gebied voor verticale drainage dient voldaan te worden aan de specifieke zorgplicht. Het in stand houden van de bestaande grondwaterstand, valt niet onder deze zorgplicht. Van verticale drainage is geen sprake in het plangebied.

Riolering

De beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Binnen de gemeente wordt het afvalwater gescheiden ingezameld. Er dient dan ook een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het huishoudelijk afvalwater moet met een aparte leiding worden aangesloten op het gemeentelijke vuilwater riool.

Conclusie

Er wordt voldoende rekening gehouden met het waterbelang. Dit aspect staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Algemeen

Onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Kooiplein vormt een wijziging van het omgevingsplan. Woningbouw op deze locatie is in strijd met het in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan "Castricum Noord, Oost en West", waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Kooiplein dient dus ook als zodanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de Regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan.

7.2 Methodiek

Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een motivering. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel. De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dit betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Castricum. Dit betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan het Kooiplein 2 te Castricum (tenzij ze daarmee strijdig zijn of specifiek zijn uitgezonderd). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van het plan 'Kooiplein 2' te Castricum. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn echter wel zodanig opgesteld dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet (en de voor TAM-omgevingsplannen beschikbare technische en juridische werkinstructie).

Hoofdstuk 3 - Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Ook is hier de voorwaardelijke verplichting voor het realiseren van voldoende parkeerplaatsen geregeld.

Opgemerkt wordt dat in TAM-omgevingsplannen geen bepalingen inzake overgangsrecht hoeven te worden opgenomen. In dit TAM-omgevingsplan is, wegens het ontbreken van een noodzaak voor overgangsrechtelijke bepalingen, dan ook afgezien van het opnemen van overgangsrecht.

7.3 Toelichting op de functies en activiteiten

In dit TAM-omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen:


Verkeer - Verblijfsgebied

De functie 'Verkeer - Verblijfsgebied' is toegekend aan de gronden waarop de ontsluiting van de parkeergarage is voorzien, de gronden waarop het parkeren op maaiveld is voorzien en waar de groene inrichting van de buitenruimte is voorzien. Ook is hier geregeld dat terrassen en of balkons behorende bij de aangrenzende woonfunctie toegestaan zijn met een diepte van maximaal 2,5 meter.

Wonen

Binnen de functie 'Wonen' is het wonen, uitsluitend in de vorm van gestapelde woningen, toegestaan. Ook is binnen deze functie een parkeergarage toegestaan. Daarnaast zijn specifieke beoordelingsregels voor de aanvraag van een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken opgenomen. Denk hierbij aan een koppeling met de maatvoering van het gebouw. Ook zijn binnen de functie 'Wonen' specifieke functieregels opgenomen. Een van deze functieregels is dat voorzien moet worden in een specifiek percentage aan sociale huurwoningen en/of koopwoningen.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt is een initiatief van een ontwikkelende partij. De kosten voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. Deze beschikt over voldoende financiële middelen om het voornemen te bekostigen. Tussen de initiatiefnemer en gemeente Castricum wordt ook een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is de financiële haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan voldoende aannemelijk gemaakt.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Participatie

In het kader van het vasstellen van het Ruimtelijk Kader door de gemeenteraad (wat de basis vormt voor dit Tam-omgevingplan) heeft participatie plaatsgevonden.

Op 11 december 2024 heeft een participatieavond plaatsgevonden op de locatie Kooiplein 2. Uitnodigingen zijn verstuurd naar omwonenden en ondernemers van het Kooiplein op basis van een door de gemeente aangeleverde adressenlijst. Daarnaast is de informatieavond aangekondigd op de website van de gemeente en opgenomen in de kennisgevingslijst die wekelijks wordt gepubliceerd. De raadsleden zijn actief geïnformeerd. In een persbericht is de participatieavond tevens aangekondigd zodat andere geïnteresseerden en de pers ook op de hoogte zijn gebracht.

De participatieavond is door circa 100 personen bezocht waarvan ongeveer 65 inwoners zich vooraf hebben aangemeld.

De informatie over het initiatief is via duidelijke panelen gedeeld met de belangstellenden. Deze panelen zijn als bijlage bij dit voorstel gevoegd. Daarnaast is een maquette getoond waarin duidelijk zichtbaar is hoe het gebouw zich voegt in de omgeving.

Bij elk paneel waren vertegenwoordigers van de initiatiefnemer aanwezig om aanvullende informatie te verstrekken en met belangstellenden van gedachten te wisselen over de voorgenomen uitgangspunten. Daarnaast waren vertegenwoordigers van de gemeente aanwezig om extra informatie te verstrekken en vragen te beantwoorden.

De presentatie werd over het algemeen positief ontvangen. Een verslag van de avond is bijgevoegd als bijlage 11. De belangstellenden konden die avond door middel van een evaluatieformulier feedback geven op de gepresenteerde uitgangspunten. Hiervan is door 39 belangstellenden gebruik gemaakt. Er zijn een zestal thema's specifiek benoemd om feedback op te geven en er is mogelijkheid geboden om extra vragen te stellen of opmerkingen te plaatsen. De reacties op de 6 thema's zijn beoordeeld en gerubriceerd in positief, neutraal of negatief en samengevat in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0383.BPC25Kooiplein-VS01_0021.png"

De vragen die zijn geanonimiseerd, beantwoord en samen met het verslag terug gestuurd naar alle belangstellenden die hebben aangegeven geïnformeerd te willen worden.

8.2.2 Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft vanaf 6 november t/m 17 december 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode werd een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Over het ontwerp TAM-omgevingsplan zijn vijf zienswijzen naar voren gebracht. Deze vijf zienswijzen zijn beantwoord in een Nota van zienswijzen, die als bijlage 12 terug te vinden is. De zienswijzen hebben niet geleid tot wijzigingen in het TAM-omgevingsplan.