| Plan: | TAM-omgevingsplan De Heygraeff 15 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0351.TAMheygraeff15-vg01 |
behorende bij het TAM-omgevingsplan De Heygraeff 15
Aan De Heygraeff 15 in Woudenberg is momenteel een camping aanwezig. De eigenaar is voornemens het kampeerterrein uit te breiden op een perceel gelegen ten oosten van de huidige camping. De wens is om daar 25 nieuwe chalets te plaatsen en 20 nieuwe standplaatsen te maken. Daarnaast wil de camping een nieuwe bedrijfswoning en een werkplaats realiseren. Deze voornemens passen niet in het omgevingsplan. Voor een verdere realisatie van het project is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Woudenberg. De dorpskern van Woudenberg ligt op circa 2 kilometer ten oosten van de locatie. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie H, nummer 499.
Ligging in omgeving
Om een goede koppeling van de regels te kunnen maken, is het bestaande campinggedeelte meegenomen in het werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan.
Ter plaatse van het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het bestemmingsplan Buitengebied 2010 vastgesteld door de gemeenteraad op 23 september 2010.
Het huidige kampeergedeelte is bestemd als Recreatie – Verblijfsrecreatie, met de nadere aanduiding specifieke vorm van recreatie – 1. Daarbinnen is één bedrijfswoning toegestaan en twee gebouwen voor groepsaccommodaties, waarvoor een maximale gezamenlijke oppervlakte van 1100 m2 geldt. Daarnaast zijn maximaal 150 standplaatsen toegestaan, waarvan er 60 permanent mogen zijn. De oppervlakte van gebouwen voor voorzieningen mag niet meer dan 320 m2 bedragen.
Het andere perceel, het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan, is bestemd als Agrarisch met waarden – Landschapswaarde – Reliëf. Daarmee zijn deze gronden in hoofdzaak bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem, de landschapsstructuur en van het groot- en kleinschalig reliëf. Bedrijfsbebouwing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn alleen binnen een bouwvlak toegestaan.
Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Daarmee zijn deze gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden.
Ook gelden de gebiedsaanduidiingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 3' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 5'. Ter plaatse van het wijzigingsgebied 3 kan de bestemming gewijzigd worden naar Natuur. Wijzigingsgebied 5 biedt de mogelijkheid om de bestemming te wijzigen naar Recreatie - Verblijfsrecreatie, met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 1'.
Uitsnede verbeelding
Het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. Gebruik van het perceel voor verblijfsrecreatie is niet mogelijk. Onder oude wetgeving was het ter plaatse van het wijzigingsgebied 5 wel mogelijk de bestemming te wijzigen. Die wijzigingsbevoegdheid is echter niet meer bruikbaar onder de Omgevingswet. Daarnaast voorziet die wijzigingsbevoegdheid niet in de gewenste werkplaats. Voor het initiatief is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.
Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst en wordt het initiatief getoetst aan de voorheen geldende regels uit de wijzigingsbevoegdheid. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 en 7 wordt afgesloten met de (economische) uitvoerbaarheid en de procedure.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Woudenberg, ten westen van de dorpskern en ten oosten van het Henschotermeer. Het landschap is te typeren als een slagenlandschap. Dit is een vrij grootschalig landschap met een regelmatige rechthoekige verkaveling en rechte wegen. Beplanting is voornamelijk aanwezig langs de wegen en op de erven. De agrarische erven staan langs de wegen en verspreid in het landschap.
Luchtfoto omgeving
De locatie is gelegen in het verlengde van de camping aan De Heygraeff 15. Momenteel is de locatie vrijwel volledig ingericht als grasland. Aan de westkant staat een tent, waaronder initiatiefnemer momenteel chalets bouwt. Ten zuiden daarvan is een deel verhard, wat gebruikt wordt als parkeerplaats.
Luchtfoto locatie
De eigenaar van de camping wil graag de positie van het bedrijf verstevigen. De wens is om de aanbod van het bedrijf te verbeteren, te vergroten en te verdiepen. Het bedrijf wil graag haar verblijfsrecreatieve functie in de omgeving versterken.
Met de voorheen geldende wijzigingsbevoegdheid in gedachte, is het voornemen ontstaan de camping uit te breiden over het perceel dat agrarisch bestemd is. De wens is om, naast nieuwe staanplaatsen, ook nieuwe chalets toe te voegen. Een bijzondere eigenschap van het bedrijf is dat het zelf chalets bouwt. De chalets op de camping worden dus niet aangekocht, maar zelf gefabriceerd door de eigenaar. Dit gebeurt nu in een daarvoor opgezette tent. Een geschikte werkplaats ontbreekt. Momenteel worden ook de nodige werktuigen voor het onderhoud van de camping, zoals een shovel, onder de tent gestald. Dat is geen houdbare, toekomstgerichte situatie. Het voornemen is daarom om op het terrein een nieuwe werkplaats en opslag te realiseren, waar de chalets gebouwd kunnen worden en overige spullen voor het beheer van de camping opgeslagen kunnen worden. Ook vanuit het oogpunt van veiligheid is dat een betere situatie.
Verder is het voornemen om een nieuwe bedrijfswoning te realiseren, ter vervanging van de huidige bedrijfswoning. De huidige bedrijfswoning in de boerderij is met 100 jaar enorm verouderd en voldoet niet meer aan de huidige eisen en standaarden voor een goed woongenot. Kostentechnisch is herbouw ook beter dan de boerderij te verduurzamen. De bestaande bedrijfswoning krijgt dan een nieuwe functie. Die kan bij de aangrenzende groepsaccommodatie worden betrokken. Die accommodatie is momenteel aan de kleine kant. Door de bestaande bedrijfswoning bij de groepsaccommodatie te betrekken ontstaat ruimte voor meer personen. Logischerwijs wil het bedrijf die extra ruimte ook graag benutten om daar meer gasten te kunnen laten slapen. Met de uitbreiding is straks ruimte voor 180 slaapplaatsen in de groepsaccommodaties gezamenlijk. Dat aantal wordt vastgeleged in de regels van dit deel van het omgevingsplan, evenals de nieuwe, maximaal toegestane omvang van de groepsaccommodaties: 1.210 m2.
Uitwerking
Het project voorziet in een uitbreiding van de camping over de lange strook ten oosten van het bestaande kampeerterrein. Het eerste deel leent zich, vanwege de centrale ligging, goed voor de nieuwe werkplaats. Daar worden twee geschakelde loodsen van elk 300 m2 gerealiseerd. Een andere geschikte plek op het bestaande deel van de camping is er niet: dat terrein is momenteel al bezet door chalets, voorzieningen, standplaatsen en speelvelden. Veiligheidsrisico's ten aanzien van de bouw van de chalets worden niet voorzien: ondanks dat de bouw van de chalets tot meer verkeersbewegingen op het terrein leiden, worden de chalets enkel gebouw in het laagseizoen. Er zijn dan weinig bezoekers op de camping. Daarnaast zal het transport van de chalets over de camping plaatsvinden wanneer het rustig is.
Naast de nieuwe werkplaats komt de nieuwe bedrijfswoning. Daarmee wordt de woning gegroepeerd bij de overige bedrijfsgebouwen, en ook dicht bij de nieuwe werkplaats. Ten oosten en zuiden van de nieuwe bedrijfswoning worden parkeerplaatsen aangelegd.
Die nieuwe chalets en standplaatsen worden over de rest van het perceel verspreid. In totaal gaat het om 25 chalets en 20 standplaatsen. De chalets worden volledig zelfvoorzienend door de toepassing van zonnepanelen en accu's. Bij elke chalet is ruimte om een auto te parkeren. De nieuwe standplaatsen worden elk voorzien van een eigen sanitairunit. Naast dat dit zorgt voor veel gebruiksgemak en extra privé, zorgt dit er ook voor dat de camping zelf minder schoonmaakwerkzaamheden hoeft uit te voeren. Elke kampeerder zal namelijk zijn eigen sanitairunit schoon moeten opleveren. De nieuwe chalets en sanitairunits zullen aangesloten worden op het bestaande, gemeentelijke rioleringssysteem.
Naast de nieuw chalets en standplaatsen, worden nog twee speelvelden en een natuurvijver aangelegd. Daarmee wordt het recreatieve karakter van de locatie verder versterkt. De nieuwe situatie wordt verder landschappelijk ingepast door het toevoegen van struweelhagen langs de noordelijke perceelsgrens. Daarnaast wordt elke chalet van elkaar afgeschermd met een beuken- of meidoornhaag. Per 4 standplaatsen wordt ook een beuken- of meidoornhaag aangelegd. Zo ontstaat een soort hofje per 4 standplaatsen. Verder worden over het terrein, met name bij elke chalet en rond de natuurvijver, nieuwe bomen aangeplant om het terrein verder groen aan te kleden.
Verder is nagedacht over mogelijke ontsnappingsmogelijkheden in geval van calamiteiten. Met de beoogde ontwikkeling wordt de camping aanzienlijk 'langer'. Om te zorgen voor voldoende, goede vluchtwegen en een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten, worden 2 extra vluchtwegen gerealiseerd. De eerste nieuwe vluchtweg komt naast de nieuwe werkplaats. Die vluchtweg leidt dan tot het terrein van de buren, Reinaerde. De andere nieuwe vluchtweg komt langs De Heygraeff. Nu zit daar al een landbouwuitrit. Daar kan dan goed gebruik van gemaakt worden. Verder wordt er een keerlus aangelegd aan de oostkant van het terrein, zodat het geen doodlopende weg wordt. De totale breedte zal 13 meter bedragen, zodat een brandweerwagen hier goed kan keren.
Inrichtingstekening
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:
De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.
Toetsing
Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het werkingsgebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).
De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over:
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Toetsing
In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief getoetst.
De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Omgevingsvisie is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt:
De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley.
De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. Op Omgevingsvisie heeft alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.
Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in één provinciale omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. De omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale omgevingsvisie. Hierna worden de voor het projectgebied relevante bepalingen besproken.
Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied
Toetsing
De locatie is binnendijks gelegen. Dit project voorziet niet in nieuwe woonwijken en vitale of kwetsbare objecten. Daarom hoeft geen rekening gehouden te worden met overstromingsrisico's.
Artikel 7.11 Instructieregel landschap
Voor de Gelderse Vallei zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd:
Toetsing
De kleinschaligheid van het landschap is op de locatie en de omgeving beperkt aanwezig. De omgeving wordt gekenmerkt door een vrij grofmazige verkaveling en beperkte hoeveelheid perceelsrandbeplantingen. Beken, griften en kanalen zijn op de locatie niet aanwezig. Wel zijn een aantal sloten ten noorden, oosten en westen van de locatie aanwezig. Dit project verandert niets aan die watergangen. Dit project doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten die samenhangen met de Grebbelinie. De locatie ligt niet in de nabijheid van de Grebbelinie. De genoemde kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei zijn niet specifiek op de locatie aanwezig en worden in dit project afdoende beschermd.
Artikel 9.8 Instructieregel recreatiewoning
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Recreatiewoning bevat regels die het recreatief gebruik van recreatiewoningen en bijbehorende gronden garanderen en omvorming van deze recreatiewoningen en gronden ten behoeve van permanente bewoning uitsluiten.
Toetsing
Dit project voorziet in nieuwe chalets en standplaatsen. Die mogen niet permanent bewoond worden. In de regels van deze omgevingsplanwijziging is dat ook specifiek uitgesloten.
Artikel 9.9 Instructieregel bestaande stedelijke functie, anders dan wonen
Toetsing
Dit project voorziet in een uitbreiding van meer dan 20% van de beboouwingsmogelijkheden. De uitbreiding van het verblijfsrecreatieve aanbod is noodzakelijk om de continuïteit en toekomstbestendigheid van het bedrijf te waarborgen. De huidige bedrijfsvoering staat onder druk doordat de bestaande voorzieningen, waaronder de bedrijfswoning, chalets en werkruimte, niet meer aansluiten bij de huidige kwaliteits- en veiligheidsnormen. Tegelijkertijd neemt de vraag naar kwalitatieve, duurzame en jaarrond beschikbare recreatieverblijven toe binnen de regio. Door vervanging van de verouderde bedrijfswoning, toevoeging van nieuwe chalets en standplaatsen en het realiseren van een volwaardige werkplaats kan het bedrijf inspelen op deze marktvraag en blijven concurreren binnen een groeiende recreatiesector.
De werkplaats vormt een essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering, omdat de chalets in eigen beheer worden gebouwd en onderhouden. Zonder deze werkplaats is het niet mogelijk om de gewenste kwaliteitsverbetering en uitbreiding efficiënt en veilig uit te voeren. Daarnaast draagt de uitbreiding van standplaatsen en chalets direct bij aan een versterking van de economische draagkracht van de camping, waardoor het bedrijf kan blijven investeren in een aantrekkelijk recreatief aanbod.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
In de Structuurvisie Woudenberg 2030 geeft het gemeentebestuur zijn visie over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren in Woudenberg voor de komende jaren tot 2030.
Op de Utrechtse Heuvelrug groeit tot 2030 de recreatie naar verwachting met 10%- 20%. Woudenberg wil deze groei benutten. De gemeente draagt komende jaren bij aan de recreatieve hoofdstructuur van de provincie Utrecht door het accommoderen van meer kwaliteit en diversiteit. In potentie is Woudenberg daar goed toe in staat. De gemeente biedt immers een breed pakket aan recreatieve voorzieningen: van vermaak op het Henschotermeer tot cultuur en natuur bij de Pyramide van Auserlitz, langs de Grebbelinie en spoordijk en op verschillende landgoederen. Daarnaast biedt met name het buitengebied nog uitgebreide mogelijkheden tot sportief recreëren. De grootste opgave ligt in:
De sectoren en partijen die daarvoor van belang zijn zijn: de agrarische sector met haar agrariërs, de cultuurhistorie en het erfgoed met o.a. de landgoedeigenaren, natuur en landschap en hun organisaties en de (recreatieve) ondernemers en winkeliers in het centrum van Woudenberg en daarbuiten, zoals de eigenaar van hotel Schimmel en de campings rondom het Henschotermeer. Voor deze sectoren schept de gemeente condities die leiden tot kwaliteitsverbetering en vruchtbare samenwerking. Alleen dan is het mogelijk een sterke en duurzame recreatieve structuur te ontwikkelen in Woudenberg die onderdeel uitmaakt en meeprofiteert van de recreatieve hoofdstructuur op provinciaal niveau.
Voor het Henschotermeer gelden alle drie de opgaven. Voor het verbeteren van de verblijfskwaliteit en het verlengen van de verblijfsduur wordt ingezet op respectievelijk verbreding van het dagrecreatieve profiel met sport en spel en het toevoegen van jaarrond horeca. Er wordt geen ruimte geboden aan verdere uitbreiding van verblijfsrecreatieve voorzieningen zoals campings en recreatieterreinen. Kwaliteitsverbetering moet plaatsvinden op bestaand terrein.
Toetsing
Dit project voorziet wel in een uitbreiding van de verblijfsrecreatieve voorzieningen. Ondanks dat in de structuurvisie staat dat geen ruimte geboden wordt aan verdere uitbreiding van verblijfsrecreatieve voorzieningen rond het Henschotermeer, komt deze uitbreiding niet geheel uit de lucht vallen. Zoals benoemd is de locatie namelijk aangewezen als wijzigingsgebied 5 in het bestemmingsplan Buitengebied 2010, waarmee de gemeente de camping de ruimte biedt om onder voorwaarden uit te breiden. In het volgende hoofdstuk wordt op die voorwaarden ingegaan.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming met de structuurvisie.
In het tijdelijk deel van het omgevingsplan is het werkingsgebied van dit deel van het omgevingsplan aangewezen als 'Wetgevingszone - 5'. Daarmee kon de functie ter plaatse gewijzigd worden naar 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Deze wijzigingsbevoegdheid wordt hierna aangehaald en getoetst.
35.8 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 5
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemmingen van de gronden aangeduid met 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 5' wijzigen in de bestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-1' en het dienovereenkomstig de bouwregels ten behoeve van de uitbreiding van het aangrenzende kampeerterrein Het Boerenerf, met inachtneming van het volgende:
Toetsing
De beoogde ontwikkeling voldoet niet aan alle voorwaarden van de beschreven wijzigingsbevoegdheid. De gemeente heeft in haar principebrief aangegeven onder voorwaarden toch medewerking te kunnen verlenen aan de gewenste uitbreiding.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.1.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. Dit hoofdstuk gaat daarop in.
In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties:
Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.
Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl.
Voor dit project is door adviesbureau Beacx een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 bij deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat in het gehele weiland, de mogelijke oude mestplaats en brandplaats, de vermoedelijke diesellekkage en de voormalige huisbrandolietank geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen in grond of grondwater zijn aangetroffen; alleen in de kleine dempingen is een lichte verhoging van lood, kwik, zink en PAK gevonden, maar deze blijft binnen de klasse Landbouw/Natuur, waardoor de volledige locatie geschikt wordt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik, zonder beperkingen voor de geplande ontwikkelingen.
Onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uit 2024 gebruikt. Deze nieuwe handreiking is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.
Bij deze nieuwe uitgave zit ook een nieuwe tabel, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten zones met afstanden zijn aangegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft zones voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid en geur.
Toetsing
Dit project voorziet in een uitbreiding van de camping. Daarmee is sprake van uitwaartse zonering. Voor een kampeerterrein geldt geluidzone 2 en geurzone 1. Geluidzone 2 kan worden toegekend in een zone op een afstand van tenminste 50 meter van rustig woongebied en 30 meter van gemengd woongebied. Gezien de ligging nabij het Henschotermeer, waar meerdere campings, bedrijven en een maatschappelijke functie aanwezig zijn, is de locatie niet aan te merken als rustig woongebied. De locatie grenst aan de instelling van Reinaerde aan de Heygraeff 3a, waar een dagopvang voor mensen met een beperking aanwezig is. Voor een klein deel ligt het uitbreidingsterrein binnen de afstand van 30 meter. Desondanks wordt geluidhinder niet verwacht. Binnen de zone zijn alleen de werkplaats, de nieuwe bedrijfswoning en twee chalets aanwezig zijn. De bedrijfswoning en de chalets zijn verblijfsfuncties, die verdragen zich goed in de nabijheid van een andere verblijfsfunctie: de dagopvang. Voor de werkplaats geldt dat de aan- en afvoer voor de productie van de chalets via de zuidzijde zal verlopen. De geluidsproductie van de werkplaats wordt dus richting de dagopvang afgeschermd door de werkplaats zelf.
Overige mileugevoelige functies zijn op ruimere afstand gelegen. Andersom zorgt de functiewijziging niet voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Op kortere afstand tot de omliggende bedrijven zijn namelijk al (burger)woningen aanwezig, die daarmee al beperkend zijn.
Akoestisch onderzoek
Om uit te sluiten dat de nieuwe werkplaats voor significante geluidhinder bij milieugevoelige functies zorgt, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Op basis van het akoestisch onderzoek is vastgesteld dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van geluidgevoelige objecten maximaal 38 dB(A) etmaalwaarde bedraagt en het maximale geluidniveau (LAmax) 60 dB(A). Daarmee worden de grenswaarden uit het Omgevingsplan ruimschoots gerespecteerd. Binnen de berekende milieugebruiksruimte zijn geen geluidgevoelige objecten van derden aanwezig, en volgens de beoordelingssystematiek van de Circulaire indirecte hinder is er geen sprake van hinder door verkeer van en naar de werkplaats. De nieuwe werkplaats is daarmee akoestisch inpasbaar, mits geen houtbewerkingswerkzaamheden plaatsvinden in het oostelijke deel van de werkplaats, geen glazen wand wordt toegepast aan de noordgevel (tenzij met een vergelijkbare geluidisolatie als de beoogde sandwichpanelen), en het geluidvermogen van de afzuiginstallatie beperkt blijft tot 81 dB(A) bronvermogen of 70 dB(A) op 1 meter afstand van de uitlaat.
Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project.
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt.
De instructieregels voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf staan in paragraaf 5.1.4.6.3 van het Bkl. Deze instructieregels gelden alleen voor geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf in een geurgevoelig gebouw. Ze gelden niet voor andere activiteiten bij veehouderijen. Er zijn ook instructieregels voor geur door bijvoorbeeld opslagen bij veehouderijen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.4 'Geur door andere agrarische activiteiten'.
In de omgeving van de locatie zijn geen dierverblijven aanwezig waar landbouwhuisdieren gehouden worden. Daarnaast zijn de standplaatsen en chalets geen geurgevoelige objecten. Geurhinder staat de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.
Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag.
Met de nieuwe bedrijfswoning voorziet dit project in een nieuwe, geluidgevoelige functie. De woning is op meer dan 300 meter van de provinciale weg N224 en De Heygraeff geprojecteerd. Gezien die afstanden is hinder vanwege wegverkeer niet te verwachten. De geluidskaart van Atlas Leefomgeving laat dat ook zien: ter plaatse van de nieuwe woning is een geluidbelasting van ongeveer 45 dB. Dat is ruimschoots onder de grenswaarde van 53 dB. Om deze redenen is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet nodig.
Uitsnede kaart Geluid van wegverkeer Atlas Leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Dit project doet onder aan projecten die vallen onder de Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarom is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Kwetsbare gebouwen en locaties
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's.
Plaatsgebonden risico
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar.
Aandachtsgebieden
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.
Uitsnede risicokaart
Uit de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat de projectlocatie niet gelegen is binnen de invloedsfeer van milieubelastende activiteiten of aandachtsgebieden.
Externe veiligheidsrisico's vormen geen belemmering voor dit project.
Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden.
Op de locatie zich geen kabels, leidingen of hoogspanningslijnen die de realisatie van het project belemmeren. Dit aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Dit project valt onder de categorie M4 Permanente kampeer-of caravanterrein, zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daaruit volgt dat een mer-beoordelingsplicht geldt bij de aanleg, wijziging of uitbreiding daarvan. Daarom wordt hierna een (vormvrije) mer-beoordeling gegeven.
Er is beoordeeld of het initiatief aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en of daarom een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld. Hierna wordt ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.
Kenmerken van het project
Het project betreft de uitbreiding van een bestaand recreatieterrein (camping) met nieuwe chalets en standplaatsen. Het initiatief is kleinschalig en sluit aan bij de bestaande functie van de locatie. Er is geen sprake van risicovolle activiteiten, grootschalige grondverzet of het gebruik van gevaarlijke stoffen. Ook wordt geen permanente bewoning toegestaan. De uitbreiding leidt tot een beperkte toename van recreatief gebruik van het terrein, binnen een reeds recreatief ingericht gebied.
Plaats van het project
De locatie ligt in het buitengebied van de gemeente Woudenberg, nabij het Henschotermeer. Het terrein is gelegen binnen het Gelders Vallei-landschap, maar kent op de projectlocatie zelf geen uitgesproken kernkwaliteiten van het landschap. De locatie valt buiten aangewezen Natura 2000-gebieden.
Potentiële milieueffecten
Gezien de aard en omvang van het initiatief zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten. In dit hoofdstuk zijn de milieuaspecten onderzocht. Daaruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. De toename van bezoekers leidt tot een beperkte extra verkeersbeweging, maar deze blijft ruim binnen de bestaande capaciteiten van de infrastructuur. Natuurwaarden worden niet aangetast en bestaande landschappelijke structuren behouden blijven.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande blijkt dat het initiatief geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het opstellen van een milieueffectrapport (MER) is daarom niet noodzakelijk.
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
Voor dit project is door adviesbureau Synthegra een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, alsmede een verkennend booronderzoek, uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Voor de perioden Laat-Paleolithicum en Mesolithicum geldt een lage verwachting; voor het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen een middelhoge; en voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd een hoge verwachting. In het bijzonder worden nederzettingssporen en sporen van agrarisch gebruik verwacht, mogelijk afgedekt door een conserverend plaggendek.
Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen uitgevoerd, gelijkmatig verspreid over het terrein. Er zijn geen duidelijke archeologische indicatoren of sporen aangetroffen. De bodem bestaat uit verspoelde dekzanden in natte omstandigheden, met een aangetroffen antropogeen ophoogpakket. De kans op intacte archeologische resten wordt laag geacht.
Op basis van de resultaten wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. De bevoegde overheid (gemeente Woudenberg) dient hierover een definitief besluit te nemen.
Specifieke cultuurhistorische waarden en monumenten zijn niet aanwezig binnen de locatie.
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.
Voor dit project is door adviesbureau Cozijnsen een natuurtoets uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 4 bij deze motivering. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Soortenbescherming
De manier waarop het perceel is ingericht en wordt gebruikt, maakt het gebied niet geschikt als leefgebied voor beschermde dieren en planten. Vleermuizen, vogels en amfibieën kunnen het terrein wel gebruiken om voedsel te zoeken. Grondgebonden zoogdieren hebben er echter geen vaste plekken om te rusten of zich voort te planten, en amfibieën gebruiken het gebied niet als rustplaats in de winter. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen hebben er geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen.
Omdat effecten op de haas niet uitgesloten zijn, is een nader onderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Uit het veldonderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen hazen zijn waargenomen en dat het terrein niet als functioneel leefgebied voor de haas kan worden aangemerkt. Sporen zoals wissels, legers en zoogactiviteit zijn niet vastgesteld, ook niet tijdens observaties op relevante momenten van de dag.
Het terrein kent een hoge mate van menselijke verstoring en een inrichting die weinig dekking, structuur of voedselrijkdom biedt. Essentiële ecologische voorwaarden voor duurzaam gebruik door hazen, zoals rustzones en verbindingsmogelijkheden, ontbreken. Hoewel hazen zijn waargenomen op afstand buiten het plangebied, is er geen sprake van functionele binding met het terrein.
Op basis van deze bevindingen wordt geconcludeerd dat het plangebied geen functie vervult als leef-, rust- of voortplantingsgebied voor de haas. De voorgenomen ruimtelijke ingreep leidt daarmee niet tot overtreding van verbodsbepalingen onder de Omgevingswet. Een vergunning of ontheffing voor flora- en fauna-activiteiten is niet noodzakelijk, en aanvullende maatregelen zijn niet vereist.
Gebiedsbescherming
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kolland & Overlangbroek en is op het kortst gemeten op een afstand van ca. 10 km ten zuiden van de onderzoekslocatie gelegen. De voorgenomen werkzaamheden hebben gezien de aard, de duur en de afstand geen significant negatief effect op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek of andere Natura 2000-gebieden.
De onderzoekslocatie ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Groene Contour (GC).
Stikstofdepositie-onderzoek
Voor dit project is door adviesbureau Teus' Advies een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De berekeningen voor de aanlegfase en gebruiksfase zijn opgenomen als Bijlage 6. Uit de berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase volgen geen toenames hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gezien het resultaat van de met Aerius uitgevoerde berekeningen, zijn geen negatieve effecten aan de orde door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het project is niet vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit).
Voor dit project is door adviesbureau Bonotraffics een verkeersonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 7. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Om de impact van de uitbreiding van de camping op het verkeer te analyseren, is een verkeerstelling uitgevoerd op De Heygraeff van 3 tot 10 maart 2025. Hieruit volgt dat de huidige verkeersintensiteit op een werkdag 1820 motorvoertuigen per etmaal bedraagt en in het weekend 2459.
Op basis van verkeersgeneratiekencijfers is berekend dat de uitbreiding 82 extra verkeersbewegingen per etmaal zal veroorzaken, wat neerkomt op een toename van 3,3% in het laagseizoen. In het hoogseizoen wordt verwacht dat deze stijging relatief minder impact heeft door het hogere verkeersaanbod. De conclusie van het onderzoek is dat deze toename geen significante negatieve effecten heeft op de verkeersdoorstroming op De Heygraeff.
Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor dit project is een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 8. Hieruit blijkt dat overleg met het waterschap nodig is.
Met het project neemt het verharde en bebouwde oppervlak toe met maximaal 4.000 m2. Compenserende maatregelen voor waterberging zijn daarom nodig. Het waterschap eist 60 m3 compensatie per vierkante meter verharding. Dat komt neer op een waterbergingseis van 240 m3. Op het inrichtingsplan is een natuurvijver van ongeveer 400 m2 getekend. Met die omvang is de eis van 240 m3 eenvoudig te realiseren. Er zal een overloop komen richting de noordelijk gelegen C-watergang. Al het water dat op de verharding valt wordt eerst afgevoerd naar de vijver, voordat het naar de aangrenzende sloten afgevoerd wordt.
Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal opgevangen en afgevoerd worden naar de vijver, voordat het afgevoerd wordt naar de aangrenzende sloten. De vuilwaterafvoer van de nieuwe bedrijfswoning, de chalets en de sanitairunits wordt aangesloten op het bestaande riool. Ondanks dat de chalets en sanitairunits op enige afstand van het hoofdriool komen te liggen, is de inschatting van de initiatiefnemer dat het afschot naar het hoofdriool voldoende is om het afvalwater af te voeren. Indien het afschot niet voldoende blijkt te zijn zal een extra pomp aangelegd worden.
Ter plaatse is geen grondwateroverlast bekend. Langs de westelijke perceelsgrens loopt een A-watergang. Langs de overige perceelsgrenzen zijn dat C-watergangen. Dit project wijzigt niets aan deze watergangen.
Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project economisch uitvoerbaar is.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie De Heygraeff 15, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0351.TAMheygraeff15-vg01 zoals weergeven op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de volgende planregels van het omgevingsplan:
Aan de verbeelding wordt ter plaatse van het werkingsgebied de functie Recreatie - Verblijfsrecreatie met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 1' toegekend. De gebruiksmogelijkheden van de camping worden verruimd met het aantal standplaatsen en de oppervlakte aan voorzieningen. Voor het overige wordt aangesloten bij de regels uit het bestemmingsplan Bestemmingsplan Woudenberg
Artikel 3 Recreatie - Verblijfsrecreatie
Met artikel 3 is de functie Recreatie - Verblijfsrecreatie toegekend aan het oostelijke deel van werkingsgebied. Hiermee wordt voorzien in de uitbreiding van de camping. Binnen die functie zijn maximaal 195 standplaatsen toegestaan, waarvan maximaal 85 permanent. Verder is 1000 m2 aan voorzieningen toegestaan. Ten aanzien van de groepsaccommodaties worden in totaal 180 slaapplaatsen toegestaan.
Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan is toegezonden worden aan de provincie Utrecht in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Dit concept is ook toegezonden aan het Waterschap Vallei en Veluwe.
De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen.
Initiatiefnemer heeft de directe buren, maar ook agrariërs in de omgeving, geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen en de reacties waren positief. Met de noordelijke buren, zorginstelling Reinaerde, zijn zelfs ideeën uitgewisseld over mogelijke samenwerkingen. Zo zou Reinaerde het waarderen als de nieuwe werkplaats aan de achterzijde voorzien wordt van een glazen wand of een groot raam, zodat hun bewoners van een afstand mee kunnen kijken hoe de chalets gebouwd worden. Daarnaast is de optie besproken dat ouders van bewoners, met name in de winter, op de camping kunnen slapen zodat ze voor een langere periode dicht bij hun kinderen kunnen zijn. Tot slot is de mogelijkheid besproken om in de toekomst een gebouw van Reinaerde aan te kopen. Het participatieverslag is opgenomen als Bijlage 9.
Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 10 december 2025 tot en met 20 januari 2026 ter inzage gelegen. Toen zijn geen zienswijzen ingediend.