direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Woningcorporatie Veenvensters vernieuwt de komende twintig jaar 1.100 woningen in de Veenendaalse wijk het Franse Gat. Veel huurwoningen in de wijk zijn verouderd en zijn niet meer van deze tijd. Veenvensters wil deze woningen vervangen door nieuwbouw.

De bouwkundige staat van de na-oorlogse woningen is dus niet goed. Verbouwen en verduurzamen is geen optie door de onevenredig hoge kosten daarvan. De huidige bewoners wonen nog steeds met veel plezier, maar er liggen ook kansen om met de nieuwbouw de stedenbouwkundige structuur van de wijk te verbeteren. Verder zal de nieuwbouw bestaan uit duurzame woningen die aansluiten op de huidige wensen.

Voor de wijk het Franse Gat in Veenendaal is een gebiedsvisie en stedenbouwkundig randvoorwaarden vastgesteld. De wijk is op het moment in transformatie 'en wordt in drie deelplannen gerealiseerd:' deelplan Rand, deelplan Zuid en deelplan Noord. De deelplannen zijn opgedeeld in deelgebieden: deelgebied 1, 2 en 3. Dit TAM-plan gaat over deelplan Zuid: deelgebied 3. Voor de deelgebieden 1 en 2 is al een bestemmingsplan opgesteld dat is vastgesteld op 3 mei 2023 en opgenomen in het Omgevingsplan. Deelgebied 1 is afgerond, deelgebied 2 is in ontwikkeling en voor deelgebied 3 is het stedenbouwkundig plan vastgesteld op 25 maart 2025.

1.2 Ligging planlocatie

De planlocatie (deelgebied 3) ligt in Veenendaal-Zuidwest in de wijk het Franse Gat en betreft de woningen in de Klaaskaterstraat (aan de oostkant nummer 5 t/m 139 en aan de westkant nummer 82 t/m 96) en in de Dr. de Visserstraat (nummers 6 t/m 10 en 14 t/m 36). Figuur 1.1 toont de begrenzing van Deelgebied 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0001.png"

Figuur 1.1: Luchtfoto met plangrens

1.3 Procedure

Op basis van het omgevingsplan van gemeente Veenendaal is de beoogde transformatie strijdig (zie paragraaf 2.3) Om de gebiedsontwikkeling mogelijk te maken is voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld. Met dit TAM omgevingsplan wordt de nieuwbouw van deelgebied 3 mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van de feitelijk bestaande activiteiten en aanwezige bebouwing op de locatie. Bovendien wordt hier nader ingegaan op de invloed van de locatie op de omgeving en vice versa. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor de planlocatie en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan de voorgenomen inrichting van de percelen. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 en 5 het plan getoetst aan het relevante beleidskader en het beoordelingskader van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de het TAM omgevingsplan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als etfal).

Hoofdstuk 2 Bestaande en toekomstige situatie

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Feitelijke situatie

De bebouwing bestaat uit naoorlogse eengezinswoningen gebouwd in de jaren '50. Binnen de planlocatie zijn nu 95 woningen. De wijk kenmerkt zich door de duidelijke structuur en typische stijl uit de wederopbouwperiode. Een deel van de wijk is al getransformeerd. De gebiedsontwikkeling begon met het renoveren van woningen in deelplan Rand. Aan de woningen in deelplan Noord heeft herstel en onderhoud plaatsgevonden. Het herstel en onderhoud is een tussenstap zodat sloop en nieuwbouw kan worden uitgesteld tot 2030 en later. In Deelplan Zuid gaat het om sloop nieuwbouw plannen. De huidige bewoners mogen doorverhuizen of terugkeren naar de nieuwbouwwoningen. Daarom is het deelplan verdeelt in drie deelgebieden. Deelgebied 1 is afgerond en in deelgebied 2 is de bouw gestart. Voor deelgebied 3 (de planlocatie) is het stedenbouwkundig plan vastgesteld.

Het is een dichtbevolkt deel van Veenendaal met weinig groen en voornamelijk sociale huurwoningen. Ook het lage aantal parkeerplaatsen is nu een probleem. De naoorlogse wijk is niet gebouwd met het oog op de auto als primair vervoersmiddel, waardoor een tekort aan parkeerplaatsen ervaren wordt. Hierdoor parkeren sommige bewoners in hun voortuin.

Bij de vernieuwing van het Franse Gat blijven belangrijke kwaliteiten van de wijk behouden en worden ze versterkt. Het bestaande stratenpatroon met lange noord-zuidlijnen blijft herkenbaar en de samenhang tussen bebouwing en openbare ruimte vormt het uitgangspunt. De nieuwe woningen krijgen een eigentijdse uitstraling, geïnspireerd op de jaren '50-woningen, met aandacht voor metselwerk, sobere materialen en ritmiek in de gevels. Bestaande groene plekken en bomen worden zoveel mogelijk ingepast, en de wijk krijgt een groener en opener karakter met meer ruimte voor wandelen en fietsen. De Klaas Katerstraat wordt een fietsstraat en de nieuwe Freule Berkhoutstraat verbindt verschillende groene plekken. Ook sociale kwaliteiten, zoals de Delftse stoepen en het karakteristieke Bruïneplein met zijn platanen, blijven behouden. Zo wordt het Franse Gat vernieuwd met respect voor zijn oorspronkelijke identiteit.

Naast de kwaliteiten zijn ook knelpunten te benoemen. Met de herstructurering ontstaat de mogelijkheid deze aan te pakken. Hieronder zijn enkele kort beschreven.

  • Een belangrijke aanleiding voor de herstructurering is de staat van de woningen. Veel woningen zijn gedateerd en toe aan verbetering of vervanging: lage energielabels, gedateerde indeling, technische en functionele gebreken. Bij de zij- en achtertuinen is sprake van verrommeling met schuttingen, aan- en uitbouwen. De aanblik en inrichting van de binnenterreinen zijn in de loop der jaren veranderd. Aanvankelijk waren de terreinen open en hadden zij een openbaar karakter, kenmerkend voor de periode waarin de wijk tot stand kwam. Tegenwoordig zijn de terreinen dichtgezet met schuttingen en bijgebouwen.
  • Ooit opgezet vanuit de moderne tuinstad gedachte, is ’t Franse Gat in de loop van de jaren een stuk minder groen geworden. Straten werden voorzien van meer parkeerplaatsen, grote tuinen zijn deels bebouwd met aanbouwen, bergingen en garages. Voor- en achtertuinen zijn in veel gevallen bestraat. Dat zorgt niet alleen voor een stenig beeld met weinig groen, het zorgt ook voor hittestress (de warmte bouwt zich op in de zomer met al dat steen). Ook kan hierdoor het water niet goed weg bij hevige regenbuien waardoor wateroverlast ontstaat.
  • De buurt is in de jaren ’50 van de vorige eeuw tot stand gekomen. In deze tijd waren veel minder auto’s in Nederland dan we op dit moment hebben. Het gevolg hiervan is dat in bepaalde straten (te) weinig bruikbare parkeerplaatsen aanwezig zijn. Hierdoor is niet voor iedereen een parkeerplaats in de nabije omgeving van de eigen woning, waardoor de bewoners die dit overkomt een stukje moeten lopen voordat ze thuis of bij hun auto zijn. Om toch dicht bij huis te kunnen parkeren hebben bewoners oplossingen gecreëerd: parkeren in de voortuin en in de achtertuin. Voortuinen zijn verhard en ingericht als parkeerplaats. In de achtertuinen zijn door bewoners parkeervoorzieningen (garages) gerealiseerd die bereikbaar zijn via brandgangen ofwel achterpaden, die daar echter nooit voor bedoeld waren.
2.1.2 Gebiedswaarden

De planlocatie heeft te maken met een aantal gebiedswaarden. Vanuit het bestemmingsplan wordt 'Archeologie - Middelhoog' aangegeven. Hoe dit invloed heeft op de beoogde ontwikkeling wordt verder uitgewerkt in paragraaf 5.10 Cultureel erfgoed Ook ligt de planlocatie in de buurt van een Natura 2000 gebied (zie paragraaf 5.17 Ecologie)

Het karakter van 't Franse Gat zit voor een belangrijk deel in de architectuur. Deze is typerend voor de gebouwen ut de jaren '50. Die zich kenmerken door een sobere en doelmatige stijl met subtiele architectonische details. Ze hebben metselwerkgevels, flauwe daken met rode pannen en minimale overstekken, wat een eenvoudig, archetypisch huisbeeld oplevert met een gemetselde schoorsteen centraal op het dak. Verbijzonderingen bevinden zich vaak in de kopgevels en bij voordeuren, meestal in de vorm van een afwijkend metselpatroon.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Ruimtelijk programma

Op de locatie staan nu 95 grondgebonden jaren '50 woningen (en 60 parkeerplaatsen). Deze worden gesloopt en vervangen met maximaal 168 nieuwe woningen (en 217 parkeerplaatsen). De toekomstige woningen zijn verdeeld over verschillende woningtypes; drie appartementencomplexen met in totaal 80 appartementen, twee rijen beneden-bovenwoningen met in totaal 23 woningen en zes rijen eengezinswoningen met in totaal 60 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0002.png"

Tabel 2.1: Aantal woningen

2.2.2 Ruimtelijk raamwerk

Het huidige stratenpatroon wordt behouden. De hoofdwegen (structurerende lijnen) verdelen de wijk op in buurten. Naast de huidige inrichting gericht op autoverkeer komt binnen het herstructureringsgebied meer groen in de woonstraten. In de Mr. Heemskerkstraat en Dr. Colijnstraat komt naast de bestaande straat ruimte voor groen en brede trottoirs. Om het fietsen te stimuleren wordt de Klaas Katerstraat ingericht als fietsstraat – de auto is hier te gast. Het stratenpatroon wordt aangevuld met een nieuwe oostwestverbinding tussen Mr. Heemkerkstraat en Klaas Katerstraat. Deze nieuwe autovrije straat verbindt oude en nieuwe groene plekken: een nieuw plantsoen op de plaats van de W.C. Beeremansstraat en de bestaande groene ruimte tussen Mr. Heemskerk-, Bruïne- en Dr. Colijnstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0003.png"

Figuur 2.1: Raamwerk Franse Gat (bron: Jam Architecten, 2021).

In de tijd dat de wijk gebouwd werd, waren in Nederland nog niet zoveel auto’s als vandaag de dag. Het Franse Gat is niet ingericht voor de hoeveelheid auto’s die nu een parkeerplek nodig hebben in de wijk. Het gevolg daarvan is dat veel bewoners de voortuin hebben ingericht als parkeerplek. In de nieuwe opzet voor deelgebied Zuid wordt daarom rekening gehouden met meer parkeervoorzieningen voor de bewoners. In de straten blijven ook parkeerplaatsen aanwezig. Verder worden de voortuinen vervangen door een Delfste stoep (van maximaal 1,5 meter diep) en wordt het openbaar groen uitgebreid. Alleen aan de Dr. Schokkingstraat komen voortuinen omdat dit beter aansluit bij het bestaande straatbeeld. Een auto parkeren in de voortuin zal in de toekomst dus nauwelijks meer mogelijk zijn.


Deze nieuwe, aangepaste hoofdopzet en ruimtelijke ingrepen zijn mogelijk door:

  • Het straatprofiel wordt verbreed om zo meer ruimte te creeren voor openbaar groen en bredere trottoirs.
  • In plaats van voortuinen komen voor de woningen zogeheten margestroken of Delftse stoepen: een zone van 1,5 meter voor de woning met verharding waar bewoners een stoel, tafel, bloempot of iets anders kunnen plaatsen;
  • Het maken van collectieve parkeerterreinen in de vorm van ‘parkeerkoffers’: een cluster parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers, direct bereikbaar vanaf openbare weg, deels omsloten door bebouwing. Een andere manier is parkeren op een binnenterrein met parkeerplekken alleen voor de omliggende woningen.


De Klaas Katerstraat wordt getransformeerd tot een fietsstraat, waar de auto te gast is. Ook wordt de straat groener. Tussen de Mr. Heemskerkstraat en de Klaas Katerstraat komt een nieuwe oost-west verbinding, de Freule Berkhoutstraat. Het is een autovrij gebied gericht op verblijf. Deze nieuwe verbinding, maakt ook het verborgen plantsoen tussen de Dr. Colijnstraat en de Mr. Heemskerkstraat veel meer onderdeel van de openbare ruimte. Deze bestaande plek wordt een zichtbare en beleefbare groene plek in de wijk.


Het gebied rond het Bruïneplein biedt kansen voor appartementen dichtbij voorzieningen, zoals winkels. Het gebied ten zuiden van het plein en bestaande winkels (en ten noorden van de nieuwe oostwest verbinding) valt binnen de invloedssfeer van deze voorzieningen en sluit aan op het rondje Franse Gat.

2.2.3 Randvoorwaarden en ontwikkelingen

Stedenbouwkundige randvoorwaarden bebouwing

Voor de planlocatie zijn specifieke stedenbouwkundige randvoorwaarden vastgesteld om een samenhangend en herkenbaar straatbeeld te waarborgen. De bebouwing wordt zorgvuldig gepositioneerd binnen duidelijk afgebakende bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn bedoeld voor aaneengesloten bebouwing, of vormen een ruimtelijk geheel met een binnenterrein waar ruimte is gereserveerd voor parkeren.

De rooilijn vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke opzet. Langs deze lijn geldt een margestrook van maximaal 1,5 meter. In overleg met de stedenbouwkundige kan deze margestrook, afhankelijk van de situatie en gewenste ruimtelijke werking, worden vergroot tot maximaal 2 meter. Zo blijft flexibiliteit mogelijk in de geveluitlijning en de overgang tussen openbaar en privégebied. De bouwhoogte van de hoofdgebouwen varieert per bouwblok, maar is overwegend 10 meter (3 lagen hoog). Één bouwblok is 13 meter (4 lagen hoog). Deze variatie zorgt voor een afwisselend en levendig straatbeeld, terwijl de schaal en hoogte in verhouding blijven met de omgeving.

De parkeeroplossing wordt voornamelijk gerealiseerd op binnenterreinen, waar parkeerkoffers en parkeerhofjes op een logische en ordelijke manier zijn ingepast. Deze aanpak draagt bij aan een rustig straatbeeld met beperkte parkeerdruk in de openbare ruimte. De eengezinswoningen worden direct aan de straat of aan de margestrook ontsloten, waarbij de voordeuren een actieve relatie aangaan met het straatprofiel. Dit bevordert de levendigheid aan de straatzijde en versterkt de sociale veiligheid. Vanaf de eerste verdieping is het toegestaan om bouwkundige elementen zoals balkons, erkers of loggia's tot maximaal 1,5 meter buiten de rooilijn te laten uitsteken. Deze toevoegingen zorgen voor meer dynamiek in de gevels en bieden bewoners extra gebruikswaarde.

Tot slot mogen hoofdgebouwen in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd, zodat de zijgevels van eindwoningen in het verlengde staan van de perceelsgrens en aansluiten op de aangrenzende straat of hoekbebouwing. Hierdoor ontstaat een sterke ruimtelijke samenhang en een afgeronde stedenbouwkundige structuur.

Figuur 2.2 toont de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0004.png"

Figuur: 2.2: Stedenbouwkundige randvoorwaarden (bron:Jam architecten, 2021)

Stedenbouwkundige randvoorwaarden openbare ruimte:

De openbare ruimte wordt ingericht als een groene, veilige en goed toegankelijke woonomgeving met ruimte voor verblijf en langzaam verkeer. Belangrijke straten krijgen bredere trottoirs en groenstroken met bomen, terwijl de Klaas Katerstraat wordt ingericht als fietsstraat. Nieuwe verbindingen verbeteren de bereikbaarheid binnen de wijk.Parkeren vindt voornamelijk plaats op binnenterreinen en in parkeerkoffers, waardoor de openbare ruimte rustig en groen blijft. Daarbij wordt ingezet op duurzame oplossingen, zoals waterdoorlatende verharding.De inrichting richt zich op overzicht, veiligheid en een samenhangend straatbeeld dat bijdraagt aan de leefkwaliteit van de wijk.

Figuur 2.3 toont de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de openbare ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0005.png"

Figuur 2.3: Stedenbouwkundige randvoorwaarden openbare ruimte (bron: Jam architecten, 2021)

2.3 Strijdigheden omgevingsplan

De beoogde ontwikkeling is in strijd met regels uit het bestemmingsplan 'woongebieden 2018' wat onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal. Voor de beoogde ontwikkeling worden alle ter plaatse geldende regels in het bestemmingsplan. Enkele belangrijke strijdigheden zijn:

  • De nieuwbouw uit het stedenbouwkundig plan past niet binnen de huidige bouwvlakken. Binnen de bouwvlakken geldt de bouwaanduiding aaneengebouwd. Door de verschuiving van de bouwblokken past de nieuwbouw niet binnen deze bouwaanduiding;
  • het aantal woningen mag niet worden vergroot ten opzichte van het bestaande en/of vergunde aantal, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' waar dit aantal als maximum geldt;
  • behoudens de ter plaatse aangeduide bouwaanduidingen, bedragen de maximum goot- en bouwhoogte voor aaneengebouwde, twee-aaneen gebouwde en vrijstaande woningen respectievelijk 6 en 10 meter tenzij de bestaande goot- en/of bouwhoogte meer bedraagt, in welk geval de bestaande goot- en/of bouwhoogte als maximum geldt.

Dit TAM-omgevingsplan voorziet in een nieuw planologisch kader ten behoeve van de ontwikkeling van deelgebied 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0006.png"

Figuur 2.4: Stedenbouwkundig plan (bron: Veenvensters, 2024).

Hoofdstuk 3 Participatie

3.1 Participatie omgeving

Proces

Participatieaanpak

Voor de invulling van de nieuwbouw is samen met de omgeving een stedenbouwkundig plan ontwikkeld, binnen de door de gemeente opgestelde kaders. Om te bepalen hoe de omgeving werd betrokken, is er samen met woningcorporatie Veenvesters, de gemeente Veenendaal en bewoners een particpatieaanpak gemaakt. Heirn is omschreven wie, wanneer en over welke onderwerpen betrokken zou worden bij de ontwikkeling van het stedenbouwkundig plan. Het meegegeven participatiekader van de gemeente om te participeren op trede 3 (verdiepen door dialoog) is hierin verwerkt.

Vanaf december 2023 tot september 2024 werkte een projectgroep van Veenvensters samen met de omgeving aan het ontwikkelen van het stedenbouwkundig plan. De eerste bijeenkomsten met de omgeving waren in januari en februari 2024. Bij deze startbijeenkomsten werden de bewoners geinformeerd over de uitgangspunten die waren opgesteld door de gemeente, Veenvensters en de architect. De 148 betrokkenen die aanwezig waren bij de startbijeenkomsten deelde hun zorgen en aadachtspunten met de actoren.

In maart 2024 startten de werkateliers waarbij de 41 participanten de schetsontwerpen van de architect beoordeelden en aanscherpten. Een deel van de participanten heeft hierbij ook eigen voorstellen/ontwerpen ingediend. Vanaf juni 2024 werd doormiddel van straatgesprekken het nieuwbouwplan gepresenteerd waarbij ook werd toegelicht hoe de inbreng van de participatie was vewerkt in het plan. Na het informeren van de betrokkenen werdt het plan officieel opgeleverd in september en in maart 2025 vastgesteld door het college van B&W. Een uitgebreide verslaglegging van het proces is beschikbaar via de site www.fransegatvernieuwt.nl

Reactie & resultaten

De reacties en opbrengsten van de participatierondes zijn verwerkt per thema. Hieronder staat of de adviezen zijn overgenomen, de redenering daarvoor en hoe het is verwerkt in het stedenbouwkundig plan.

Woningbouw

Tijdens de werkateliers is gesproken over de maximale bouwhoogtes zoals vastgelegd in de randvoorwaarden van het stedenbouwkundig plan. De participanten vonden de bouwhoogtes te hoog i.v.m. privacy, en dit geldt met name voor het Dr. Slotmaker de Bruïneplein, waar het binnen de randvoorwaarden mogelijk is om 6 of 8 lagen hoog te bouwen. Naar aanleiding van alle opmerkingen wordt de bebouwing overal twee lagen en kap of drie lagen hoog, passend bij de omliggende bebouwing. Alleen aan het Dr. Slotemaker de Bruïneplein wordt bewust gekozen voor een nieuwe bebouwing van 4 bouwlagen aan de oostzijde van het plein om de plein- en winkelfunctie van het plein te versterken en een nieuwe pleinwand te maken. De bestaande bebouwing aan de noordzijde van het plein - waar de Jumbo en Aldi gesitueerd zijn - is ook uitgevoerd in vier bouwlagen. Met deze bouwhoogten blijft er een verbinding tussen pleinbezoekers en omwonenden (karakter van de wijk) en heeft het plein voldoende wand. Daarnaast is deze locatie uitermate geschikt om zorggeschikte woningen te realiseren dichtbij de voorzieningen rond het plein. Met deze aanpassingen is in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de wensen van participanten.

Bouwvolume

Naast de bouwhoogte is het bouwvolume ook deels aangepast door de inbreng van de participanten. Volgens de participanten waren de eerste schetsontwerpen te stedelijk met te veel woningen, wandvorming en te weinig variatie in de bebouwing. Daarom zijn er verschillende aanpassingen gedaan. Het aantal woningen is verlaagd en er komen meerdere woningtypes waaronder eengezinswoningen, appartementen en beneden bovenwoningen, en er is meer ruimte voor groen. Het straatbeeld aan de gehele Klaas Katerstraat oneven zijde krijgt een duidelijke opbouw naar het plein toe. Van noord naar zuid: 3A eengezinswoningen (2 lagen+kap) en appartementen 3 lagen; 3B appartementen 4 lagen en appartementen 3 bouwlagen; 3C eengezinswoningen (2 lagen en kap), beneden-bovenwoningen (2 lagen en terugliggende 3e laag) en beneden-bovenwoningen (2 lagen). Op deze manier is er een afwisselend straatbeeld en is er geen sprake van een lange en eenvormige muur van bebouwing. Aan de Klaas Katerstraat even zijde en Dr. De Visserstraat komen eengezinswoningen.

Gelijkwaardigheid nieuwe woningen

De huidige bewoners van de sociale huurwoningen krijgen de mogelijkheid om te verhuizen naar een nieuwbouwwoning. De nieuwe huurwoningen zullen over het geheel genomen gelijkwaardig of groter zijn dan de huidige woningen. In het nieuwe plan wordt met een delftse stoep tegemoet gekomen aan de wens om voor een woning een privéruimte te hebben, al is dit niet in de vorm van een voortuin. Zo blijft een ruimtelijke scheiding bestaan tussen openbaar en privé.
Huurders maakten zich zorgen over de terugkeermogelijkheden in deelgebied 3. De angst bestond dat er weinig eengezinswoningen in de sociale huur terugkomen. In de nieuwbouw van deelgebied 2 komen weliswaar veel eengezinswoningen beschikbaar voor huurders van deelgebied 3, maar veel mensen willen ook de mogelijkheid krijgen om terug te keren in eigen gebied. Veenvesters heeft er daarom voor gekozen om in blok 3D alle eengezinswoningen in de sociale huur aan te bieden. Samen met de eengezinswoningen in de sociale huur in deelgebied 2, is de verwachting dat dit er ruim voldoende zijn voor alle huurders die graag willen terugkeren in de nieuwbouw. Het aantal appartementen in de sociale huur wordt weliswaar lager dan eerder gepland, maar voor de huurders die daarheen willen zijn er meer dan genoeg appartementen. Met alle wijzigingen komen er in heel deelplan Zuid ongeveer 10 sociale huurwoningen méér dan er stonden.

Naslagwerk

Het participatieproces en resultaten zijn terug te lezen op de website van Veenvensters: https://www.fransegatvernieuwt.nl/deelgebied-3/. Hier zijn alle participatiedocumenten te vinden zoals: verslagen van bijeenkomsten, infographic van de resultaten, toelichting op de verwerking in het stedenbouwkundig plan en het evaluatierapport. Een samenvatting van het participatieproces is opgenomen in bijlage 5.

3.2 Bestuurlijk vooroverleg

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn door gemeente Veenendaal de vooroverlegpartners/ketenpartners in gelegenheid gesteld om advies uit te brengen op het voorliggende TAM-omgevingsplan. De adviezen van de gevraagde instanties zijn zo veel mogelijk verwerkt in het voorliggende TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Beleid

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Met de NOVI wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • b. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • c. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • d. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

    • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
    • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
    • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toetsing en conclusie

Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan de nationale belangen door een toekomstbestendige benadering door middel van het realiseren en verbeteren van een goede leefomgevingskwaliteit, het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en zorg te dragen voor een gedifferentieerde woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. De ontwikkeling past binnen het beleid.

4.1.2 NOVEX Gebieden

De Rijksoverheid heeft 16 gebieden aangewezen waar de ruimtelijke opgaven van overheden zo groot en gestapeld zijn, dat ze vragen om gezamenlijke regie van het Rijk en de regio. Deze gebieden worden de NOVEX-gebieden genoemd. Om de opgaven effectief aan te pakken, bundelen de Rijksoverheid, regio, provincies, waterschappen en gemeenten hun krachten en werken ze gebiedsgericht samen. Vrijwel elk NOVEX-gebied heeft inmiddels een ontwikkelperspectief met een visie voor de toekomst opgesteld. 

De 16 NOVEX-gebieden zijn onderverdeeld in 3 verschillende clusters: haven- en industriegebiedenverstedelijkingsgebieden en landelijke gebieden. Op dit moment werken de NOVEX-gebieden aan de ontwikkeling van een uitvoeringsagenda, één agenda per gebied.

De drie clusters bestaan uit:

  • Havengebieden: Groningen, Noordzeekanaalgebied, North Sea Port District, Rotterdamse haven, Schiphol, Zuid-Limburg
  • Verstedelijkingsgebieden: Lelylijn, Metropoolregio Amsterdam, Regio Groningen-Assen, Regio Zwolle, Stedelijk Brabant, Utrecht-Amersfoort, Zuidelijke Randstad.
  • Landelijke gebieden: Arnhem Nijmegen Foodvalley, De Peel, Groene Hart.

In Arnhem Nijmegen Foodvalley werken Regio en Rijk samen aan het vormgeven van gebiedsgerichte regie op een combinatie van ruimtelijke opgaven. Ruimte voor wonen is een van de hoofdopgaven. Deze hoofdopgave betreft de realisatie van maximaal 25.000 tot 2030

Toetsing en conclusie

De planlocatie is onderdeel van Arnhem Nijmegen Foodvalley, (regio Foodvalley). Verdere toetsing of de ontwikkeling past binnen de vereisten van dit gebied blijkt uit de toetsing aan de instructieregel voor NOVEX-gebieden uit het Bkl, dit komt terug in paragraaf 5.14. De toetsing aan het regionaal beleid is terug te vinden onder paragraaf 4.3.1.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met:

  • De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

In paraagraaf 5.14 staat de toetsing aan bovengenoemde instructieregel uit het Bkl.

4.1.4 Nationaal Water Programma 2022 - 2027

De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland.

Toetsing en Conclusie

Doormiddel van de weging van het waterbelang, wordt ervoor gezorgd dat er bij nieuwbouwplannen aandacht is voor de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Voor de uitwerking en toetsing zie paragrafen 5.4 Water en 5.5 Grondwaterbescherming.

4.1.5 Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie

De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema's beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om 'klimaat adaptief' te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben.

Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.

Toetsing en conclusie

Voor de beoogde ontwikkeling is rekening gehouden met klimaatadaptatie en de gevolgen van wateroverlast. Voor de uitwerking en toetsing zie paragrafen 5.4 Water,5.5 Grondwaterbescherming en 5.19 Duurzaamheid en klimaatadaptatie.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht

Op 01-04-2021 is door de Provinciale Staten van provincie Utrecht de Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld.De provincie Utrecht zet in op een gezonde en veilige leefomgeving, aan de hand van zeven samenhangende beleidsthema's:

  • Stad en land gezond
  • Klimaatbestendig & waterrobuust
  • Duurzame energie
  • Vitale steden & dorpen
  • Duurzaam gezond & veilig bereikbaar
  • Levend landschap erfgoed & cultuur
  • Toekomstbestendige natuur & landbouw

De volgende onderdelen van de Provinciale omgevingsvisie zijn voor de ontwikkeling van belang:

Ambitie milieu en gezondheid

wij streven naar een gezonde en veilige leefomgeving: de milieukwaliteit is goed, de veiligheid is gewaarborgd, bewegen wordt gestimuleerd, er zijn voldoende ontspannings- en ontmoetingsmogelijkheden en iedereen doet mee.

Klimaatbestendig en waterrobuust

Tot 2040 worden veel nieuwe woningen gebouwd. Het is belangrijk om deze woningen klimaatadaptief te ontwikkelen om toekomstige extra investeringen en overlast in de woonomgeving door de verandering van het klimaat te beperken. Hiervoor zullen we gemeenten faciliteren bij het klimaatbestendig ontwikkelen.

Duurzame energie

De provincie Utrecht is zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal. De provincie Utrecht heeft samen met partners haar bijdrage geleverd in onder andere de Regionale Energiestrategieën om aan de afspraken in het nationale Klimaatakkoord te voldoen.

Vitale steden en dorpen

een sterke provincie met een duurzaam, gezond en divers woon- en leefklimaat. Behoud en versterking van de inclusiviteit van de Utrechtse samenleving, zodat alle inwoners kunnen wonen, werken of ontmoeten waar en wanneer zij dat wensen. Iedereen die in de provincie Utrecht wil wonen kan beschikken over passende woning,

Regio Foodvalley

Voor deze regio wordt een verstedelijkingsstrategie gegeven als regionale uitwerking van het beleid. Daaruit blijkt dat de woningbehoefte in Foodvalley het aanbod overtreft en ook de prognoses laten een groei zien. In de periode 2019 tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.000 tot 8.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte.

Toetsing en conclusie

De gebiedstransformatie draagt bij aan de grote woningbouwopgave die er ligt. Binnen het plan wordt aandacht besteed aan klimaatbestendigheid, duurzaamheid, veiligheid, inclusiviteit en gezondheid. Het plan is in lijn met de provinciale Omgevingsvisie.

4.2.2 Omgevingsverordening provincie Utrecht

Op 1 f eptembet 2025 hebben Provinciale Staten van Utrecht de eerste wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld, deze is op 1 maart 2024 in werking getreden. In de omgevingsverordening staan de regels die nodig zijn om het beleid uit de Omgevingsvisie van de provincie uit te voeren. In de verordening zijn alle regels voor de leefomgeving van circa 20 verordeningen samengebracht naar één verordening.

Navolgend worden de relevante thema's uit de provinciale verordening toegelicht:

Water

Artikel 2.6 gaat in op de omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe. De planlocatie valt in het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn . Hierbij geldt als omgevingswaarde de overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

Hierbij geldt Artikel 2.13 Instructieregel monitoring omgevingswaarde wateroverlast, waarmee het waterschap wordt belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevignswaarden en de zorg dat wateroverlast beperkt blijft tot de maximaal gestelde omgevingswaarde.

Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied, geeft aan dat de planlocatie ligt binnen de grenzen van overstroombaargebied. Hierdoor moet het omgevingsplan regels bevatten die rekening houden met overstromingsrisico's. De motivering daarvan gaat in op het gemeentelijk beleid omtrent overstromingsrisico's.

Klein open bodemenergiesysteem - Grondwatergebied

Een deel van de planlocatie valt binnen het gebied 'klein open bodemenergiesysteem'dat in Artikel 3.4 wordt vrijgesteld van de vergunningsvereiste voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem, indien de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer bedraagt dan 10 m3/u.

Boringsvrije zone – Grondwaterbeschermingszone

Artikel 3.6 stelt dat de planlocatie is gelegen binnen de 'Boringsvrije zone' van het grondwaterbeschermingsgebied. Hierbinnen zijn geen activiteiten toegestaan die een risico vormen voor de grond – en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in het toevoegen van nieuwe woningen en vormt daarmee geen risico. In de planregels is daarnaast een aanlegstelsel opgenomen waarmee mogelijk risicovolle activiteiten vergunningplichtig worden gemaakt waarmee activiteiten met nadelige gevolgen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie worden uitgesloten.

Bereikbaarheid

Artikel 4.1 Instructieregel bereikbaarheid: Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat de nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toename van de knelpunten in de bereikbaarheid. Bij voorkeur leiden de nieuwe ontwikkelingen tot een afname van knelpunten in de bereikbaarheid.

Energie

Artikel 5.11 Instructieregel weging elektriciteits-infrastructuur: Een omgevingsplan waarin nieuwe functies zijn voorzien die tot een aanvullende belasting kunnen leiden, wordt rekening gehouden met de aansluitbaarheid op de elektriciteitsinfrastructuur.

Landschap

Artikel 7.11 Instructieregel Gelderse Vallei: De planlocatie is op grond van de verordening gelegen binnen het landschap 'Gelderse Vallei'. De locatie is onderdeel van de bebouwde kom van Veenendaal en daarmee zijn ter plaatse van de planlocatie geen of nauwelijks elementen van het betreffende landschap nog aanwezig. Afbreuk van kernkwaliteiten kan daarmee op voorhand worden uitgesloten.

Stedelijk gebied

Artikel 9.2 wijst de planlocatie aan als stedelijk gebied. Voor een plan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van woningbouw binnen stedelijk gebied geldt op grond van artikel 9.17 uit de verordening dat de woningbouw passend dient te zijn binnen het door gedeputeerde staten vastgestelde programma woningbouw. In het programma Wonen en Werken is voor het Utrechtse deel van de regio Foodvalley opgenomen dat in de periode tot 2040 zo'n 7.900 tot 9.100 woningen dienen te worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte. De totale plancapaciteit (hard, zacht en potentieel) omvat circa 7.771. Er is daarmee nog ruimte om extra woningen te realiseren in deze regio om aan de woningbehoefte te voldoen. Voorliggend plan draagt met maximaal 168 woningen bij aan de invulling van de woningbehoefte. Hiermee kan gesteld worden dat het initiatief passend is binnen het programma wonen. Daarnaast mag de woningbouw niet leiden tot extra bodemdaling.

Aandachtsgebied stiltegebied

Artikel 9.25 wijst de planlocatie aan als aandachtsgebied stiltegebied. Dit is een zone van 1500 meter rondom een stiltegebied. Artikel 9.29 stelt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen het aandachtsgebied regels bevat betreft de doelstellingen voor het geluidniveau uit artikel 9.26. De motivering gaat in op het gemeentelijk beleid. (zie paragraaf 5.7)

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Ambities Regio Foodvalley

Regio Foodvalley is in het kader van het programma NOVEX aangewezen als één van de 16 NOVEX-gebieden. De ambities en keuzes zijn gebiedsgericht samengevat per regio. De regio Foodvalley-Zuid, waar Veenendaal onderdeel van is, ligt binnen de provincies Utrecht en Gelderland en bestaat uit acht gemeenten.


Voor deze regio wordt een verstedelijkingsstrategie gegeven als regionale uitwerking van het beleid. Daaruit blijkt dat de woningbehoefte in Foodvalley het aanbod overtreft en ook de prognoses laten een groei zien. In de periode 2020 tot 2040 moeten er in regio Foodvalley 40.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte.

Toetsing en conclusie

Zie toetsing onder 5.14 Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.3.2 Woondeal Regio Foodvalley

Voor de regio Foodvalley hebben Rijk, provincie, woonregio's en gemeenten afspraken gemaakt over de ambities. Hierin staan de aantal woningen en percentages over betaalbaarheid. De belangijkste ambities zijn:

Voldoende woningen en woningbouw.

  • Tot 2030 maximaal 25.000 extra woningen. (Deze woningen spelen in op de (toekomstige) vraag).
  • Voldoende huizen voor iedere inkomensgroep.

Vitale en duurzame steden, dorpen en wijken.

  • Verbetering van stads- en dorpscentra.
  • Alle woningen hebben in 2023 gemiddeld energielabel B en zijn in 2050 aardgasloos.

Behoud en verbetering van natuur en landschap.

  • Woningbouw en energietransitie vragen ruimte: dit wordt slim ingepast zodat het minimale ruimte inneemt.
  • Verstedelijking gaat niet ten koste van natuur en landschap.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het bouwen van extra woningen voor de inkomensgroep waarvan het meeste vraag is, zoals sociale huur en koop. Met het plan wordt ook de leefomgeving van de wijk ook verbeterd door meer ruimte voor groen en veiligere straten. Verder worden alle woningen aardgasloos. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de regionale woondeal.

4.3.3 Blauw Omgevingsprogramma 2022 - 2027

Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema’s en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma’s. Dit Blauw Omgevingsprogramma is de gebiedsgerichte doorvertaling van de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050).

Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico’s (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplichte deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. Het waterbeheerprogramma is resultaatsverplichtend en zelfbindend. In het BOP is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in een aantal programma’s:

  • Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.
  • Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen.
  • Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt.
  • Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven.
  • Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.

Toetsing en Conclusie

Doormiddel van de weging van het waterbelang, wordt ervoor gezorgd dat er bij nieuwbouwplannen aandacht is voor de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Voor de uitwerking en toetsing zie paragrafen 5.4 Water en 5.5 Grondwaterbescherming.

4.3.4 Blauwe omgevingsvise waterschap Vallei en Veluwe

Op 20 februari 2019 is door het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI 2050) vastgesteld. Met deze BOVI zet waterschap Vallei en Veluwe op nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. In de BOVI wordt gedacht vanuit drie waterprincipes:

  • 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.
  • 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.
  • 3. Partnerschap als watermerk.

De visiekaart en waterprincipes werken door in de doelen van het nieuwe waterprogramma.

Toetsing en Conclusie

Doormiddel van deweging van het waterbelang, wordt ervoor gezorgd dat er bij nieuwbouwplannen aandacht is voor de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Voor de uitwerking en toetsing zie paragrafen 5.4 Water en 5.5 Grondwaterbescherming.

4.3.5 Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe

Op 17 oktober 2023 heeft het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe hun waterschapsverordening vastgesteld. De waterschapsverordening bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het watersysteem binnen het waterschapsgebied. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur van Waterschap Vallei en Veluwe en de daarbij behorende algemene regels. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op rijksniveau waren geregeld

Toetsing en Conclusie

Doormiddel van de weging van het waterbelang, wordt ervoor gezorgd dat er bij nieuwbouwplannen aandacht is voor de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Voor de uitwerking en toetsing zie paragrafen 5.4 Water en 5.5 Grondwaterbescherming.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie 2030

De Omgevingsvisie Veenendaal 2030 is een strategisch beleidsdocument dat de toekomst van de fysieke leefomgeving van Veenendaal beschrijft. Het document behandelt verschillende thema's zoals bouwen en wonen, groen, natuur en water, mobiliteit, milieu, economie, recreatie, cultuur, veiligheid, gezondheid, welzijn en duurzaamheid.

De kern van de Omgevingsvisie is gebaseerd op drie leidende principes: gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. Het bevorderen van een gezonde leefstijl wordt nagestreefd door meer groen en beweegmogelijkheden te creëren. Duurzaamheid richt zich op de energietransitie, klimaatadaptatie en de circulaire economie. Veiligheid omvat zowel sociale veiligheid als de veilige inrichting van de leefomgeving.

Voor elk thema zijn specifieke doelstellingen geformuleerd:

  • 1. Bouwen en Wonen: Duurzaam en circulair bouwen, levensloopbestendige woningen, en voldoende betaalbare woningen.
  • 2. Groen, Natuur en Water: Meer groen, verbeteren biodiversiteit, en klimaatadaptieve maatregelen.
  • 3. Mobiliteit: Stimuleren van fietsen en wandelen, verbeteren openbaar vervoer, en duurzame mobiliteit.
  • 4. Economie: Behouden en versterken van bedrijvigheid, stimuleren circulaire economie, en ontwikkelen van een ICT-campus.
  • 5. Milieu: Verbeteren lucht-, bodem- en waterkwaliteit, en beheersen van risico's door externe veiligheid.
  • 6. Centrum: Verlevendigen van de binnenstad, meer groen, reguleren horeca en uitgaansgelegenheden, en optimaliseren van de warenmarkt.

Toetsing en conclusie

De strategische doelen van de ontwikkeling liggen in lijn met doelstellingen 1, 2 en 3.

  • Een van de strategische doelen van het Franse gat is het realisere van een klimaatadaptieve en toekomstbestendige wijk. Het plan geeft meer ruimte voor openbaar groen en waterberging.
  • Het volgende doel is om als wijk in 2050 aardgasloos zijn waardoor de nieuwbouwwoningen niet worden aangesloten op gas.
  • Het volgende doel gaat in op het bouwen van voldoende betaalbare en levensloopbestendige woningen om zo goed aan te sluiten op de vraag.
  • andere maatregelen gaan in op het stimuleren van duurzamemobiliteit door het aanleggen van fietsstraten en bredere trottoirs.

Hiermee ligt het plan in lijn met de Omgevingsvisie van de gemeente Veenendaal.

4.4.2 Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP)

Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente

maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen.

Toetsing en Conclusie

Doormiddel van de weging van het waterbelang, wordt ervoor gezorgd dat er bij nieuwbouwplannen aandacht is voor de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Voor de uitwerking en toetsing zie paragrafen 5.4 Water en 5.5 Grondwaterbescherming.

4.4.3 Welstandsnota 2017

Het welstandsbeleid van de gemeente Veenendaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigd dient te worden. Door het ontwikkelen van beleidsregels voor de welstandsadvisering zet de gemeente haar visie op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de rol van de welstandszorg daarin uiteen.

Deze welstandsnota vormt het toetsingskader voor zowel de reguliere vergunningsplichtige bouwwerken als voor de zogeheten veel voorkomende kleine bouwwerken die vergunningsplichtig zijn.

In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie tussen omgevingsplan en welstandscriteria van belang. Het omgevingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden.

De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het omgevingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het omgevingsplan biedt dus invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het omgevingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het omgevingsplan, maar het omgevingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo'n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren.

Toetsing en conclusie

Bij de wijziging van het omgevingsplan wordt tevens een beeldkwaliteitsplan voor het Franse Gat deelgebied 3 vastgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld als beleidsregel op grond van artikel 4.19 Omgevingswet. Dit betekent dat voor het Franse Gat deelgebied 3 niet de welstandsnota als toetsingskader geldt, maar dat het beeldkwaliteitsplan daarvoor in de plaats komt. In de regels is geborgd dat de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwwerk, naast andere aspecten, beoordeeld wordt aan de hand het beeldkwaliteitsplan 'Franse Gat deelgebied 3'. De adviescommissie ruimtelijke kwaliteit is het adviesorgaan wat bij de vergunningverlening betrokken wordt. Daarnaast geldt het beeldkwaliteitsplan als toetsingskader voor vergunningvrije bouwwerken in het kader van repressief welstand. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 11 .

4.4.4 Gebiedsgericht beleid
4.4.4.1 Gebiedsvisie het Franse Gat

Gebiedsvisie Franse Gat

De gebiedsvisie Franse Gat (vastgesteld 17-09-2020) beschrijft de aanpak van de gebiedsontwikkeling. Het Franse Gat is verdeeld in drie deelgebieden: Rand, Noord en Zuid. Deelgebied Zuid bestaat de ontwikkeling geheel uit sloop- en nieuwbouw van circa 250 woningen, waarvan maximaal 168 in deelgebied 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0007.png"

Figuur 4.1: Deelplannen Franse Gat (bron: Jam Architecten, 2021)

In de visie zijn uitgangspunten vastgelegd waarmee de wijk vernieuwd zal worden. Zo wordt het nieuwe woningaantal hoger mede door hogere bebouwing. Dit zal zich concentreren rond de voorzieningen. Verder zal het ontwerp passen bij de bestaande bouw en het karakter daarvan. Wat wel veranderd zijn de woning types. Deze zullen voor verschillende doelgroepen worden gebouwd met aandacht voor levensbestendige woningen. Ook zullen naast sociale huur meer koopwoningen bij komen. Het sociale huuraanbod zal gelijk blijven.

De openbare ruimte wordt verbeterd door meer ruimte voor groen, waterberging, voetgangers en fietsers, Ook zullen er meer parkeerplaatsen komen die deels gecentreerd worden op binnenterreinen.

Op de stedenbouwkundige randvoorwaarden en het plan wordt verder ingegaan in Hoofdstuk 2.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan de opgestelde gebiedsvisie wat is verdeeld in drie hoofdstukken.

Renovatie en strategische doelen

De beoogde ontwikkeling van het Franse Gat richt zich op een grondige herstructurering van de wijk, waarbij verouderde woningen worden vervangen of verbeterd, maar het karakter van de bestaande buurt behouden blijft. Veel woningen verkeren in een slechte technische staat en zijn niet geschikt voor duurzame renovatie, waardoor sloop en nieuwbouw op veel plekken noodzakelijk is.

Het stedenbouwkundig raamwerk blijft grotendeels gebaseerd op de bestaande structuur van lange straten en bouwvelden, maar wordt verfijnd en groener ingericht. De hoofdstraten blijven de dragers van de wijk, terwijl nieuwe oost-westverbindingen en autoluwe routes de samenhang en doorwaadbaarheid verbeteren.

De openbare ruimte krijgt een grote kwaliteitsimpuls. Verharde voortuinen maken plaats voor margestroken met groen en zitplekken, trottoirs worden verbreed en het straatbeeld wordt groener en klimaatbestendiger ingericht. Binnengebieden worden beter verbonden met de straten, waardoor het woonmilieu opener, veiliger en aantrekkelijker wordt. De verkeersstructuur wordt aangepast aan een rustiger, meer leefbare wijk. Autoverkeer wordt gebundeld, hierdoor ontstaat meer ruimte voor voetgangers, groen en verblijf.

Gezond en duurzaam leefklimaat

Op het gebied van de energietransitie wordt de wijk voorbereid op een toekomst zonder aardgas. Nieuwe woningen worden direct aardgasvrij gebouwd en voorzien van duurzame installaties, zoals warmtepompen en goede isolatie. Voor bestaande woningen wordt gekeken naar isolatie, energiebesparing en mogelijke aansluiting op een warmtenet of andere collectieve systemen. Daarmee draagt de herstructurering bij aan de landelijke doelstelling voor CO2-reductie en aan lagere woonlasten voor bewoners.

Ook klimaatadaptatie speelt een grote rol in het plan. De wijk kampt nu met veel verharding, wateroverlast en hittestress, daarom wordt in de herinrichting ruimte gemaakt voor meer groen en waterinfiltratie. Straten krijgen bredere groenstroken en bomen, voortuinen worden groener ingericht en er komen margestroken die regenwater beter kunnen opnemen. Nieuwe autoluwe en groene verbindingen zorgen voor meer verblijfskwaliteit, schaduw en biodiversiteit.

Sociaal en leefbaar

De ontwikkeling van het Franse Gat richt zich op een sociale en leefbare wijk waar bewoners prettig en langdurig kunnen wonen. Er wordt ingezet op goede voorzieningen dichtbij huis, zoals een nieuw Integraal Kindcentrum dat onderwijs, opvang en welzijn combineert en als ontmoetingsplek voor de buurt dient. De wijk krijgt een gevarieerd woningaanbod met meer levensloopbestendige woningen, zodat ouderen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Daarnaast wordt aandacht besteed aan zorg en welzijn dichtbij bewoners en het versterken van sociale samenhang door ontmoeting, participatie en een veilige, overzichtelijke woonomgeving.

4.4.5 Strategische visie

 Op 26 oktober 2017 heeft de raad de Strategische Visie voor Veenendaal in 2040 vastgesteld. Hierin zijn de kernambities voor de toekomst van Veenendaal opgenomen. Veenendalers kiezen voor een versterking van de woonfunctie en richten hun blik naar de regio. Dat betekent dat de ambities zich primair richten op het versterken van de woon- en leefomgeving, met in het kielzog de arbeidsmarkt gericht op wonen en arbeidsintensieve bedrijvigheid. Dit is in lijn met de trend werken volgt wonen. Ook de blik naar buiten die de voorkeur heeft van de Veenendaalse gemeenschap is in lijn met een belangrijke trend: die van lokale gebondenheid naar regionale samenwerking. Algemene conclusie van de demografische ontwikkelingen is dat Veenendaal in de toekomst niet alleen maar de groei hoeft te accommoderen, maar zich ook kan toeleggen op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Van kwantiteit naar kwaliteit! Deze kwaliteiten moeten een diverse bevolkingsgroep aanspreken.

Veenendaal moet zich in de toekomst dus richten op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. En – in lijn met de wensen van inwoners – moet Veenendaal zich bovenal concentreren op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Dat betekent dat Veenendaal moet zorgen dat het slim omgaat met de ruimte door intensivering van de woonbebouwing, herontwikkeling en functieverandering en voldoende aandacht blijft houden voor groen.

Onderdeel van een aantrekkelijke woonomgeving is een goede bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. Veenendaal richt zich daarom in de toekomst niet op ruimte-intensieve en arbeidsextensieve bedrijvigheid, maar op arbeidsintensieve bedrijven. Kortom, de visie stelt vooral eisen aan de kwaliteit van nieuwe of herontwikkelingen en spreekt zich niet uit over kwantitatieve doelstellingen. Deze richting – Veenendaal als leefstad met een sterke, regionale binding – werken we uit aan de hand van vier thema's. Juist binnen deze thema's liggen de grootste maatschappelijke veranderingen. Per thema zijn de volgende kernambities geformuleerd:

  • Netwerksamenleving: “niet alleen, maar samen” met ruimte voor ieders eigen identiteit;
  • (Samen) leven: Veenendaal met excellent woonklimaat;
  • Digitale wereld: Veenendaal heeft een hoogwaardige duurzaam bedrijfsleven met arbeids- en kennisintensieve bedrijven en een bruisend multifunctioneel centrum;
  • Duurzaamheid: Veenendaal heeft in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente afgerond.

Toetsing en conclusie 

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan 3 kernambities van de strategische visie, Netwerksamenleving, (Samen) leven en duurzaamheid.

Netwerksamenleving

De beoogde ontwikkeling sluit goed aan bij de ambitie van Veenendaal om een verbonden en inclusieve netwerksamenleving te zijn. De plannen zijn samen met bewoners, gemeente en Veenvesters ontwikkeld, waardoor de vernieuwing zowel fysiek als sociaal van betekenis is.
De stedenbouwkundige opzet stimuleert ontmoeting door Delftse stoepen, groene pleinen en autoluwe straten. Zo ontstaat ruimte om elkaar te ontmoeten en samen te leven. De wijk behoudt haar karakter als jaren '50-tuinstad, maar krijgt meer variatie in bewoners en woningen. Hierdoor komt ieders identiteit tot zijn recht binnen een hechte gemeenschap. 't Franse Gat wordt zo een wijk van “niet alleen, maar samen.”

(Samen) leven

De vernieuwing draagt direct bij aan een excellent woonklimaat. Verouderde woningen maken plaats voor comfortabele, energiezuinige en levensloopbestendige nieuwbouw, geschikt voor uiteenlopende doelgroepen. De leefomgeving wordt groener, veiliger en uitnodigender met brede trottoirs, fietsstraten en autovrije zones.
De Speelse Straat en het nieuwe plantsoen aan de W.C. Beeremansstraat bieden ruimte voor ontmoeting en ontspanning. Met aandacht voor veiligheid, overzicht en sociale controle ontstaat een prettige, gezonde en samenhangende leefomgeving waarin bewoners zich thuis voelen.

Duurzaamheid

Duurzaamheid vormt een centrale pijler in het plan. Alle woningen worden aardgasloos en energiezuinig gebouwd en de wijk krijgt meer groen, waterberging en minder verharding om hitte en wateroverlast te beperken.
De openbare ruimte wordt ingericht met groene daken, waterdoorlatende bestrating en infiltratievoorzieningen voor regenwater. Daarnaast wordt bewonersparticipatie gestimuleerd bij de inrichting van groene plekken, waardoor duurzaamheid ook sociaal wordt verankerd.
De herontwikkeling maakt van het Franse Gat een toekomstbestendige, klimaatbewuste wijk die de duurzaamheidsambities van Veenendaal 2040 tastbaar maakt.

4.4.6 Opgaveperspectief Duurzaamheid

De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 6 februari 2024 het Opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal vastgesteld. Het Opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal geeft voor de komende periode richting aan de ambities en doelen die leiden tot een duurzame stad in 2050.

Gemeente Veenendaal zet zich de komende jaren in voor een leefbare wereld onder het motto: Duurzaam denken, gewoon doen! Er wordt ingezet op de thema's duurzaam wonen, CO2-neutraal leven, het minimaliseren van het gebruik van grondstoffen en het omarmen van klimaatadaptatie.

Het ombuigen van onze huidige omgang met energie, grondstoffen en hulpbronnen naar een toekomstbestendig Veenendaal vraagt om structurele veranderingen. We zien duurzaamheid als het belangrijkste antwoord om deze veranderingen in gang te zetten. We richten ons op het bereiken van een Circulair, Energieneutraal en Klimaatbestendig Veenendaal en hanteren de volgende visie:

Veenendaal ontwikkelt zich tot een duurzame stad waarbij circulaire economie, duurzame energie en klimaatadaptatie onze belangrijkste speerpunten zijn. Hierbij hebben we voor ogen dat Veenendaal ook voor de volgende generaties een gezonde, duurzame en veilige plek is om te leven.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling draagt op meerdere manieren sterk bij aan de opgestelde duurzaamheidsambities. Hieronder volgt de toetsingen en conclusie per hoofdlijn van de visie.

Duurzaam wonen

De vernieuwing van het Franse Gat bestaat uit de bouw van energiezuinige, aardgasloze woningen die voldoen aan de eisen van deze tijd. De woningen worden goed geïsoleerd, geventileerd en voorbereid op duurzame energieopwekking, zoals zonnepanelen. Daarnaast wordt gewerkt met circulaire bouwprincipes, waarbij materiaalhergebruik en duurzame bouwmaterialen centraal staan.

CO2-neutraal leven

De herstructurering vormt een concrete stap richting een CO2-neutrale wijk. De nieuwe woningen zijn aardgasloos en maken gebruik van duurzame energievoorzieningen. Door compact te bouwen en te verdichten binnen de bestaande stad, wordt het ruimtegebruik beperkt en neemt de noodzaak tot nieuwe infrastructuur af, wat ook de uitstoot vermindert. Bovendien stimuleert het plan duurzame mobiliteit door een duidelijke voorrang aan lopen, fietsen en elektrisch vervoer, ondersteund door laadvoorzieningen in parkeerkoffers en op binnenterreinen.

Circulair gebruik van grondstoffen

In het ontwerp en de uitvoeringsstrategie is expliciet aandacht voor hergebruik van materialen en circulair bouwen. Bij de nieuwbouw wordt ingezet op duurzame, onderhoudsarme materialen die bijdragen aan een lange levensduur. Ook het ontwerp van de openbare ruimte, met waterdoorlatende verharding, groene daken en hergebruik van regenwater, sluit aan bij het principe van “minimaal grondstofverbruik, maximaal hergebruik.

Klimaatadaptatie en weerbaarheid

Klimaatadaptatie vormt een belangrijk onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp. De wijk krijgt meer groen, minder verharding en extra waterbergingscapaciteit. Groene plantsoenen, bredere bermen, waterpasserende bestrating en infiltratievoorzieningen verminderen hittestress en wateroverlast. De nieuwe “Speelse Straat” en de vergroening van de W.C. Beeremansstraat als plantsoen maken de wijk koeler en regenbestendiger.

4.4.7 Omgevingsprogramma's

Het omgevingsprogramma is een van de kerninstrumenten onder de Omgevingswet. Een omgevingsprogramma is zelfbindend, maar kan wel inwoners en bedrijven stimuleren om die dingen te doen, die helpen doelstellingen uit de omgevingsvisie te behalen. Het omgevingsprogramma is een flexibel instrument en kan verschillende maatregelen bevatten, zoals:

  • Inzet van communicatie- en informatie-instrumenten
  • Beleidsregels waarin het bestuursorgaan aangeeft hoe zij belangen tegen elkaar afweegt, feiten vaststelt of wettelijke voorschriften uitlegt bij de uitoefening van een bevoegdheid, zoals het behandelen van een aanvraag omgevingsvergunning
  • Inzet van financiële instrumenten, zoals leningen of subsidies
  • Afspraken met organisaties
  • Het stellen van algemene regels in het omgevingsplan

De gemeente Veenendaal heeft op dit moment de volgende omgevingsprogramma's vastgesteld:

  • Omgevingsprogramma Openbare Ruimte Veenendaal 2022-2025 (25 november 2021)
  • Omgevingsprogramma Energieneutraal Veenendaal 2022-2025 (16 december 2021)
  • Omgevingsprogramma Vitale Binnenstad (17 december 2020)

Toetsing en conclusie

Omgevingsprogramma Openbare Ruimte Veenendaal 2022-2025

Het beleid heeft een aantal thematische doelen en maatregelen, die onderverdeeld zijn in de volgende punten;

  • Bewegen, ontmoeten, sporten & spelen (BOSS);
  • Klimaatadaptieve leefomgeving;
  • Circulaire economie;
  • Energieneutraal Veenendaal (ENV);
  • Samen maken we de stad;
  • Data en monitoring.

De beoogde ontwikkeling draagt aan de volgende thema's bij:

Bewegen, ontmoeten, sporten & spelen (BOSS)

Om het bewegen, ontmoeten, spelen en sporten te bevorderen wordt ervoor gezorgd dat er voldoende locaties van degelijk formaat zijn waar mensen kunnen spelen en/of sporten. Deze plekken worden met elkaar verbonden om zo tot fijne beweegroutes door de wijk te komen. Waar mogelijk worden de routes gecombineerd met bestaande of nog te ontwikkelen groene openbare ruimtes. De indeling van de locatie wordt nog afgestemd met de buurt, hierdoor komt er een breed aanbod voor de verschillende doelgroepen. Uit de analyse is gebleken dat een uitbreiding van de mogelijkheden om de spelen en sporten in het Franse Gat noodzakelijk is om in de toekomst geen overlast te krijgen van hangjongeren en voor zover deze overlast er al is, deze te verminderen. Een ander aspect uit de analyse is de grote hoeveel toestellen voor de jongere kinderen, door de gehele buurt gaat er nog gekeken worden wat er nodig is en waar het gaat komen.

Klimaatadaptieve leefomgeving

Voor de beoogde ontwikkeling is er gekozen voor een minder diepe achtertuin, een zogeheten margestrook voor de woning en meer groen in de openbare ruimte. Door deze keuze is het groene karakter tot in de lengte van dagen vastgesteld en niet meer afhankelijk van bewoners. Hierdoor is er in de straten meer ruimte voor groen in de vorm van vakken met beplanting en bomen en waar mogelijk worden de plantvakken rondom bestaande bomen vergroot. De groene ruimten nemen hemelwater op, waardoor wateroverlast in de wijk kan afnemen, en deze plekken gaan samen met bomen 'hittestress' tegen.De nieuwe gemeenschappelijke parkeerterreinen worden zodanig ingericht dat ze ook functioneren als waterbergingsvoorziening, bijvoorbeeld met waterdoorlatende bestrating of voegen.

Circulaire economie

De beoogde ontwikkeling van het Franse Gat draagt bij aan de circulaire economie door hergebruik van materialen en infrastructuur, duurzame materiaalkeuze, afvalscheiding, energiezuinige bouw en meervoudig ruimtegebruik, allemaal gericht op minimale verspilling en maximale levensduur van wat er wordt gebouwd en gebruikt. Daarnaast stimuleert het plan bewust omgaan met energie en water, onder meer via klimaatadaptieve maatregelen zoals waterberging op parkeerterreinen en vergroening van de openbare ruimte. Door bestaande kwaliteiten te behouden en te combineren met toekomstbestendige oplossingen, ontstaat een wijk die duurzaam kan groeien binnen haar eigen grenzen. Zo vormt het Franse Gat een voorbeeld van stedelijke vernieuwing volgens circulaire principes, waarin wonen, klimaat en economie elkaar versterken.

Energieneutraal Veenendaal (ENV)

Het Franse Gat draagt bij aan Energieneutraal Veenendaal 2050 door volledig aardgasvrij te bouwen en in te zetten op all-electric oplossingen, goede isolatie en duurzame energiebronnen zoals zonnepanelen. De plannen sluiten aan bij de Transitievisie Warmte, waarin wordt samengewerkt met Stedin en Veenvesters om energie, infrastructuur en klimaat slim te combineren tot een toekomstbestendige, CO2-neutrale wijk.

Samen maken we de stad

De ontwikkeling van het Franse Gat sluit aan bij “Samen maken we de stad” doordat bewoners, Veenvesters en de gemeente samen werken aan de vernieuwing van de wijk. Inwoners worden actief betrokken bij de inrichting van groene plekken, speelruimtes en de openbare ruimte, en er is ruimte voor zelfbeheer en initiatieven vanuit de buurt. Zo ontstaat een leefbare en duurzame wijk waarin samenwerking en betrokkenheid centraal staan en bewoners mede vormgeven aan hun eigen leefomgeving.

Omgevingsprogramma Energieneutraal Veenendaal 2022-2025 

Veenendaal wil in 2050 volledig energieneutraal zijn. Dat betekent dat de gemeente dan evenveel duurzame energie opwekt als ze verbruikt. Dit draagt bij aan het verminderen van CO2-uitstoot, het verbeteren van de leefomgeving en het versterken van de lokale economie. Het plan is opgebouwd rond vier pijlers:

  • 1. Wonen;
  • 2. Werken;
  • 3. Mobiliteit;
  • 4. Gemeente als Voorbeeld.

De beoogde ontwikkeling draagt aan de volgende pijlers bij:

Pijler Wonen

De beoogde ontwikkeling in het Franse Gat sluit goed aan op de pijler Wonen door volop in te zetten op duurzame energie, energiebesparing en aardgasreductie. De wijk wordt toekomstbestendig gemaakt door woningen te isoleren volgens landelijke streefwaarden, zonnepanelen te stimuleren en over te stappen op duurzame energiebronnen zoals warmtenetten en all-electric oplossingen. Nieuwe woningen voldoen minimaal aan de BENG-normen en worden waar mogelijk energieneutraal gerealiseerd. Hiermee draagt het Franse Gat concreet bij aan de gemeentelijke ambitie voor een aardgasvrije, energiezuinige en duurzame woonomgeving met actieve betrokkenheid van bewoners.

Pijler Mobiliteit

Binnen de pijler mobiliteit wordt de wijk ingericht met meer ruimte voor de fietser en voetgangers, waaronder de transformatie van de Klaas Katerstraat tot fietsstraat en de aanleg van autoluwe zones zoals de Speelse Straat. Dit sluit aan op de gemeentelijke doelstelling om duurzame vervoersmiddelen te stimuleren en verkeersveiligheid te verbeteren. Ook wordt rekening gehouden met de aanleg van laadpunten voor elektrische voertuigen, passend bij de ambitie om het aantal duurzame voertuigen te vergroten.

Pijler Gemeente als voorbeeld

De beoogde ontwikkeling sluit tot slot goed aan bij deze pijler door de toepassing van klimaatadaptieve maatregelen, natuur inclusief bouwen en energiezuinige openbare verlichting.

Omgevingsprogramma Vitale Binnenstad

De binnenstad van Veenendaal transformeert van een traditionele winkelstad naar een complete, toegankelijke, groene, innovatieve en goed georganiseerde binnenstad. Het plan speelt in op veranderend consumentengedrag, leegstand, digitalisering en de behoefte aan beleving en verblijfskwaliteit, het plan is uitgewerkt in vijf speerpunten:

  • 1. Complete binnenstad;
  • 2. Toegankelijke binnenstad;
  • 3. Groene en duurzame binnenstad;
  • 4. Innovatieve binnenstad;
  • 5. Goed georganiseerde binnenstad.

De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de volgende speerpunten;

Complete binnenstad

Het plan voor het Franse Gat zet in op gemengd wonen met ruimte voor verschillende doelgroepen en woningtypologieën, in combinatie met maatschappelijke voorzieningen en een sterke verbinding met de stedelijke functies richting het centrum. Daarmee wordt de wijk verder ontwikkeld als verlengstuk van de binnenstad, met een stedelijkere dichtheid, nieuwe bebouwingsstructuren langs de centrale routes en een betere koppeling naar voorzieningen aan de Kerkewijk en Brouwerspoort.Het plan draagt zo bij aan de diversiteitssprong die het programmaplan beoogt: een binnenstad met meer functies naast detailhandel en een aantrekkelijk stedelijk woonmilieu.

Toegankelijke binnenstad

De herontwikkeling van het Franse Gat versterkt de toegankelijkheid van de binnenstad door verbeterde fiets- en wandelverbindingen tussen de wijk en het centrum. Autoverkeer krijgt een ondergeschikte rol ten opzichte van verblijfskwaliteit en groen. Parkeren wordt geclusterd aan de randen van het gebied, waardoor de openbare ruimte leefbaarder wordt. Er is daarnaast aandacht voor een goede ontsluiting voor hulpdiensten en logistiek, zonder dat dit ten koste gaat van de woonkwaliteit.De aansluiting met het stedelijke beleid is hiermee goed: het plan bevordert de bereikbaarheid en stimuleert duurzame mobiliteit.

De groene en duurzame binnenstad

Het Franse Gat krijgt een sterke groene en duurzame impuls. De openbare ruimte wordt groener ingericht, met aandacht voor biodiversiteit en klimaatadaptatie door middel van wadi’s, waterdoorlatende bestrating en schaduwrijke routes. In de bouw wordt ingezet op energiezuinige, natuurinclusieve en circulaire principes.Het groen vormt een belangrijke ruimtelijke structuurdrager en zorgt voor verbinding met het bredere groene netwerk van de binnenstad.

Goed georganiseerde binnenstad

Het plan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met bewoners, woningcorporaties en de gemeente, waarbij sociaal draagvlak en participatie centraal staan. De herstructurering wordt uitgevoerd als een gebiedsgerichte samenwerking, gericht op leefbaarheid, sociale cohesie en goed beheer. Daarmee sluit het plan naadloos aan op de bestuurlijke en participatieve aanpak die de Vitale Binnenstad nastreeft.

4.4.8 Woonvisie

Op 23 juni 2022 heeft de raad van Veenendaal de Woningvisie 2022-2025 vastgesteld.

In de Woonvisie is als centrale visie op wonen in Veenendaal aangemerkt: “De Woonvisie is richtinggevend en normstellend voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en nieuwbouw van woningen in onze gemeente. Zo blijft het prettig wonen in Veenendaal voor iedereen. Veenendaal is een aantrekkelijke woongemeente. We streven naar behoud van de huidige aantrekkelijkheid, ook onder de groeiende en veranderende woningbehoefte in de komende jaren. We spannen ons nu maximaal in om voor de lange termijn te sturen op de gewenste kwantiteit en kwaliteit. Keuzes van nu zijn namelijk van groot belang voor de toekomst. Een verkeerde keuze nu, kan groot effect hebben op de lange termijn. Van goede keuzes zullen we daarentegen nog lang profijt hebben. Vanzelfsprekend passen we nieuwbouw altijd met zorg en aandacht voor de omgeving in.”

Toetsing

De herontwikkeling van het Franse Gat sluit goed aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie 2022–2025. Het plan draagt bij aan een kwalitatieve vernieuwing van de woningvoorraad, met energiezuinige, aardgasloze en toekomstbestendige woningen die aansluiten bij de woonwensen van nu en later. Er wordt ingezet op duurzaamheid, comfort en levensloopbestendigheid, waardoor de wijk weer klaar is voor de toekomst.

Daarnaast ontstaat meer variatie in woningtypen en prijsklassen, zodat zowel starters, gezinnen als senioren een passende woning kunnen vinden. Dit bevordert de doorstroming en zorgt voor een evenwichtige, inclusieve wijk.

De leefomgeving wordt groener, veiliger en aantrekkelijker ingericht met ruimte voor ontmoeting, spelen en wandelen. Daarmee wordt nieuwbouw zorgvuldig ingepast in de bestaande omgeving, geheel in lijn met het uitgangspunt van de Woonvisie om met aandacht te bouwen aan een prettig en leefbaar Veenendaal.

Conclusie:
De beoogde ontwikkeling past binnen de Woonvisie Veenendaal 2022–2025. Het plan versterkt de kwaliteit, diversiteit en duurzaamheid van de woningvoorraad en draagt bij aan een aantrekkelijke, toekomstbestendige woonomgeving voor iedereen.

4.4.9 Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal

Op 1 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal vastgesteld. Het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal is een uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 naar concrete maatregelen. Het puntensysteem is van toepassing op woningbouwprojecten waarvoor een herziening, uitwerking of wijziging van het bestemmingsplan nodig is.

Toetsing en conclusie

Door de opzet van het toetsen van concrete maatregelen omtrent duurzaamheid en biodiversiteit, zoals het soort bomen zal de beoogde ontwikkeling bij de planuitwerking getoetst worden aan het puntensysteem.

4.4.10 Groenbeleid

Groenstructuurplan

Op 29 januari 2004 heeft de gemeenteraad het groenstructuurplan vastgesteld. Het doel van het groenstructuurplan is als volgt te formuleren:

1. De samenhang van het groen met de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische patronen versterken;

2. met het groen de herkenbaarheid en identiteit van de openbare ruimte vergroten;

3. de gewenste groenstructuur formuleren en realiseren volgens de opgestelde visie;

4. groen bij nieuwe ontwikkelingen als bouwsteen en leidend principe gebruiken;

5. accenten in het groen aanbrengen overeenkomstig de plaats en het niveau.

Spelregels voor groencompensatie

Op 17 december 2015 heeft de gemeenteraad de notitie 'Spelregels voor groencompensatie' vastgesteld. Groencompensatie vormt een onderdeel van het totale groenbeleid en heeft als doel dat bij nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig wordt omgegaan met bestaande groene structuren. Doordat er praktisch toepasbare spelregels voor groencompensatie zijn vastgesteld, kunnen de gevolgen voor het groen bij nieuwe ontwikkelingen overzichtelijk worden gehouden.

Toetsing

Bij het ontwerp is het groen een leidend principe geweest. De wijk krijgt een duidelijke groenstructuur met meer bomen, plantsoenen en groene verbindingen tussen straten en binnenterreinen. Zo wordt de ecologische samenhang versterkt en draagt het groen bij aan de herkenbaarheid en identiteit van de wijk.

Belangrijke onderdelen zijn de aanleg van de “Speelse Straat” als groene oost-westverbinding, het nieuwe plantsoen aan de W.C. Beeremansstraat, en het vergroenen van de openbare ruimte door minder verharding en meer infiltratiezones. Hiermee wordt het bestaande groen niet alleen behouden, maar ook uitgebreid en kwalitatief verbeterd.

De ontwikkeling volgt daarmee de spelregels voor groencompensatie: bij veranderingen wordt zorgvuldig omgegaan met bestaand groen en wordt waar nodig nieuw groen toegevoegd als compensatie.

Conclusie:
De beoogde ontwikkeling versterkt de groenstructuur, vergroot de biodiversiteit en maakt het groen tot een bouwsteen van de nieuwe wijk. Daarmee draagt het project bij aan een herkenbare, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving in lijn met de groene ambities van Veenendaal.

4.4.11 Landschapsontwikkelingsplan Veenendaal

Het Landschapsontwikkelingsplan is in 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en voorziet in overkoepelend beleid voor het landschap. Veenendaal legt hiermee de waarden van het landschap als waardevolle aanvulling op het stedelijk gebied vast in het beleid.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling versterkt de relatie tussen stad en landschap. Het plan draagt bij aan een groen en samenhangend stedelijk milieu waarin natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten een prominente plek krijgen.

Binnen het ontwerp is veel aandacht voor groene structuren, zichtlijnen en beplanting, die aansluiten op de bestaande landschappelijke identiteit van Veenendaal. Door de aanleg van groene straten, plantsoenen en verbindingen wordt de wijk groener, biodiverser en klimaatbestendiger. Deze inrichting zorgt ervoor dat het stedelijk wonen en het omliggende landschap beter met elkaar in balans komen.

Daarnaast versterkt het plan de beleving van groen en open ruimte binnen de wijk en vergroot het de ecologische samenhang met aangrenzende gebieden. Daarmee is de ontwikkeling een waardevolle aanvulling op het stedelijk gebied.

Hoofdstuk 5 Effecten fysieke leefomgeving

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving.

Paragraaf 5.2 tot en met 5.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 5.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.

5.2 Milieueffectrapportage

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving.

Paragraaf 5.1 tot en met 5.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 5.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.

5.2.1 Wettelijk kader

De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (hierna: SMB-richtlijn).

De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

5.2.2 Toetsing

Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:

Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:

  • a. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
  • b. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 7 (Franse Gat (deelgebied 3) Aanmeldingsnotitie, 12-09-2025, Sweco) bij de motivering.

Het bevoegd gezag beslist op basis van deze aanmeldingsnotitie of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. De mer-beoordeling kent een ‘nee, tenzij’ principe. Dit betekent dat geen nadere mer nodig is tenzij aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het plan.

In tabel 5.1 van bijlage 7 zijn de nodige mitigerende maatregelen voor wat betreft soortenbeschermning en gebiedsbescherming beschreven. Hiermee worden negatieve effecten als gevolg van het plan voorkomen.

5.2.3 Conclusie

Op grond van het voorgaande wordt met inachtneming van de genoemde mitigerende maatregelen het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.

5.3 Omgevingsveiligheid

5.3.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving in § 5.1.2. Deze paragraaf gaat in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2).

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

Groepsrisico

Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

Kwetsbare functies

Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:

  • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig?
  • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen?
  • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident.

Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.

5.3.2 Toetsing

Het omgevingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe risicovolle activiteiten. Wel worden kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Zeer kwetsbare gebouwen (zoals bijvoorbeeld kinderdagverblijven en bepaalde zorgfuncties) zijn niet toegestaan.

Het is daarom van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de PAV-kaarten van het REV is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van de planlocatie vinden. Daarbij is gekeken naar activiteiten met externe veiligheidsrisico's, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De risicobronnen met relevante contouren en aandachtsgebieden zijn weergegeven in onderstaand figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0008.png"

Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart met begrenzing planlocatie (Bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Uit de uitsnede is te herleiden dat de planlocatie niet binnen de contour van een plaatsgebonden risico van een milieubelastende activiteit met een extern veiligheidsrisico is gelegen. Daarnaast bevindt de planlocatie zich ook niet binnen een aandachtsgebied voor brand, explosie of gifwolk. Er is geen aanleiding tot nader onderzoek of het opnemen van regels ten aanzien van externe veiligheid.

Gevaren anders dan externe veiligheid

De planlocatie bevindt zich in een gebied met een middelgrote kans op overstroming: 1/30 tot 1/300 per jaar. De berekende waterdiepte die optreedt bij een overstroming is 2 tot 5 meter. Omdat dit overstromingsrisico voor heel Veenendaal geldt, zijn er op planniveau geen specifieke aanpassingen gedaan om het risico of het effect van een overstroming te beperken.

De gemeente Veenendaal sluit aan bij landelijke kaders zoals het Deltaprogramma en de Waterveiligheidsnormen. Binnen de planlocatie zijn geen aanvullende eisen gesteld, aangezien het risico voortkomt uit een bredere regionale situatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt het overstromingsrisico wel meegewogen, maar dit leidt niet standaard tot fysieke maatregelen op perceelsniveau.

Ten aanzien van elektrische voorzieningen geldt dat de gemeente via de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) en het Handboek Kabels en Leidingen eisen stelt aan de aanleg en bescherming van ondergrondse netwerken. Deze kaders dragen bij aan het beperken van risico's bij overstromingen, bijvoorbeeld door het voorkomen van schade aan vitale infrastructuur en het minimaliseren van verstoringen bij calamiteiten.

Binnen de planlocatie zijn voldoende mogelijkheden aanwezig voor zowel evacuatie als tijdelijk schuilen in geval van een overstroming. De fysieke opzet van de bebouwing en de bereikbaarheid van het gebied sluiten aan bij de uitgangspunten van de veiligheidsregio. Gezien deze omstandigheden en het feit dat het overstromingsrisico generiek is voor het stedelijk gebied van Veenendaal, bestaat er geen aanleiding om op planniveau aanvullende randvoorwaarden of planregels op te nemen met betrekking tot evacuatie of schuilmogelijkheden.

5.3.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande is de aangevraagde activiteit in overeenstemming met instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. De beoogde gebiedsontwikkeling draagt voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op het gebied van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.

5.4 Water

5.4.1 Wettelijk kader

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (weging van het waterbelang). In deze waterparagraaf zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het project gegeven. Deze paragraaf vormt daarmee de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Om de waterbelangen te borgen is advies ingewonnen bij de waterbeheerder (www.wateradvies .nl). Indien hiervan afgeweken wordt is dit in navolgende onderbouwing deugdelijk gemotiveerd. Verder zijn de water gerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening getoetst. Hiermee is gegarandeerd dat het waterbelang in voldoende mate is meegewogen en dat de plan specifieke regels van het bevoegd gezag (waterschap en gemeente) op een goede wijze in het plan zijn meegenomen.

Ten slotte wordt het project ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water.

Provinciale instructieregels

Artikel 2.6 gaat in op de omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe. De planlocatie valt in het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn . Hierbij geldt als omgevingswaarde de overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

Hierbij geldt Artikel 2.13 Instructieregel monitoring omgevingswaarde wateroverlast waarmee het waterschap wordt belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevignswaarden en de zorg dat wateroverlast beperkt blijft tot de maximaal gestelde omgevingswaarde.

Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied geeft aan dat de planlocatie ligt binnen de grenzen van overstroombaargebied. Hierdoor moet het omgevingsplan regels bevatten die rekening houden met overstromingsrisico's. De motiviering daarvan gaat in op het gemeentelijk beleid omtrent overstromingsrisico's.

5.4.2 Toetsing

Hoogteligging 

Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich ter plaatse van deelgebied A op een hoogte van gemiddeld 7,20 tot 7,50 m +NAP. Ter plaatse van deelgebied B ligt het maaiveld op een hoogte van gemiddeld 7,50 tot 7,70 m +NAP en ter plaatse deelgebieden C en D op een hoogte van gemiddeld 7,50 tot 7,80 m +NAP. In figuur 5.1 t/m figuur 5.3 is per deelgebied een uitsnede van het AHN weergegeven. Op basis van de gegevens uit het AHN zijn enkele hoogtemarkers geplaatst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0009.png"

Figuur 5.1 Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland deelgebied A (Bron: AHN_4)

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0010.png"

Figuur 5.2 Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland deelgebied B (Bron: AHN_4)

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0011.png"

Figuur 5.3 Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland deelgebied C en D (Bron: AHN_4)

Waterdoorlatendheid

De waterdoorlatendheid is in-situ (nog) niet onderzocht. Op basis van de verwachtte bodemopbouw en textuur worden vooralsnog geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Geadviseerd wordt om bij de verdere planvorming een in-situ waterdoorlatendheidsonderzoek uit te voeren. Met het uitvoeren van een in-situ waterdoorlatendheidsonderzoek kan vastgesteld worden dat de voorgestelde hemelwatervoorzieningen ook daadwerkelijk door middel van infiltratie snel genoeg kunnen ledigen.

Hydrogeologie

Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologischeeenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2.3 en GeoTOP v1.6.1 model van uit het BROloket. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. In tabel 5.1 is de hydrogeologische opbouw van de ondergrond op schematische wijze weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0012.png"

Tabel 5.1 Hydrogeologie (DKL = deklaag, WVL = watervoerende laag, SDL =slecht doorlatende laag)

Grondwater 

De freatische grondwaterstand fluctueert in een jaar als gevolg van seizoensinvloeden (neerslag en verdamping). In het algemeen ligt de freatische grondwaterstand in het voorjaar (februari-maart) op het hoogste niveau en in de nazomer (september) op het laagste niveau. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). In de omgeving van de planlocatie liggen meerdere grondwatermeetpunten. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn gebruik geïnterpoleerd naar de planlocatie. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noordoostelijke richting. In tabel 5.2 zijn de gegevens van de grondwatermeetpunten opgenomen. In figuur 5.4 is de situering van de grondwatermeetpunten weergegeven. Op basis van de grondwaterstromingsrichting en de gegevens van de grondwaterpeilputten is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het zuiden van de planlocatie is gelegen op een hoogte van ca. 7,10 m +NAP. In het noorden van de planlocatie wordt ingeschat dat de GHG op een hoogte ligt van ca. 6,0 m +NAP ligt. Dit betekent dat de GHG in het zuiden is te verwachten op ca. 0,7 meter beneden maaiveld en op ca. 1,2 meter beneden maaiveld in het noorden. In Bijlage 6 (Weging van het waterbelang Franse Gat deelgebied 3 Veenendaal, 20-10-2025, RB-water) zijn de stijghoogte metingen van de grondwatermeetpunten opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0013.png"

Tabel 5.2 Gegevens grondwatermeetpunten

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0014.png"

Figuur 5.4 Situering grondwatermeetpunten

Oppervlaktewater

Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op basis van de leggerkaart van waterschap Vallei en Veluwe is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen.

Veiligheid (waterkering)

De planlocatie ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.

Klimaateffect

Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader heeft het waterschap een klimaateffectatlas ontwikkeld2. Via deze klimaateffectatlas kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag.

De kaarten in figuur 5.6 en figuur 5.7 laten voor de planlocatie het resultaat van de klimaateffectatlas zien voor respectievelijk een extreme bui van 46 millimeter en 74 mm in 1 uur. Beide testen laten zien dat er in de Klaas katerstraat met name in het zuiden van de planlocatie water-op-straat is te verwachten. Bij een bui van 74 mm in 1 uur treedt ook water-op-straat op in het noorden van de planlocatie. Hier zal bij het toekomstige ontwerp rekening mee gehouden worden. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen worden de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm hoger aangelegd dan het naastgelegen maaiveldniveau of wegpeil.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0015.png"

Figuur 5.6 Klimaateffectatlas Vallei en Veluwe, bui 46 mm in 1 uur

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0016.png"

Figuur 5.7 Klimaateffectatlas Vallei en Veluwe, bui 46 mm in 1 uur

Ontwatering

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0017.png"

Figuur 5.8 Ontwatering en drooglegging

De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn opgenomen in tabel 5.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0018.png"

Tabel 5.3 Normen voor ontwateringsdiepte

Riolering 

Momenteel zijn woningen in binnen de planlocatie aangesloten op de gemengde riolering, waarop zowel het vuilwater als het hemelwater wordt afgevoerd. In enkele aangrenzende wegen zoals de Dr. de Visserstraat, de Dr. Slotemaker de Bruinestraat en de Binnenronde ligt een regenwaterriool.

Drainage

Door kwel van grondwater vanuit de Utrechtse Heuvelrug ontstaan er hoge grondwaterstanden in de wijk Franse Gat. Om dit te voorkomen, is er een drainagestelsel aanwezig voor het afvoeren van overtollig water. Dit drainage stelsel wordt bemalen door middel van pompen.

Verhard oppervlak 

Het huidig verhard oppervlak is bij benadering bepaald aan de hand van de Opentopokaart van de Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK), de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), de NEO verhardingsmonitor en luchtfoto’s. meegenomen in de bepaling voor het verhard oppervlak van de achtertuinen. Via de NEO verhardingsmonitor is de verharding van de tuinen berekend. Op basis van de gegevens van de NEO verhardingsmonitor is voor de tuinen in de huidige inrichting het verhardingspercentage vastgesteld op 50%. In de bestaande situatie is sprake van een verhard oppervlak van 20.980 m2. Dit komt overeen met een verhardingspercentage van ca. 74%. In figuur 5.9 is een verbeelding van de oppervlakten weergegeven. De tekening is tevens bijgevoegd in Bijlage 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0019.png"

Figuur 5.9 Overzicht oppervlakten bestaande situatie

Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van 20.540 m2. Dit komt overeen met een verhardingspercentage van ca. 72%. De oppervlakten zijn bij benadering en bepaald aan de hand van het stedenbouwkundigplan zoals opgenomen in Bijlage 6. Bij de berekening is 50 % van het netto perceeloppervlak van de beneden-bovenwoningen en eengezinswoningen (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van tuin- en erfverharding.

Omdat de parkeerplaatsen worden uitgewerkt in een doorgroeiverharding zijn deze eveneens voor 50% als verhard beschouwd. In figuur 5.10 is een verbeelding van de oppervlakten weergegeven. De tekening is tevens bijgevoegd in Bijlage 6

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0020.png"

Figuur 5.10 Overzicht oppervlakten toekomstige situatie

In tabel 5.4 staan de oppervlakten van de bestaande en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Omdat de toekomstige parkeerplaatsen worden aangelegd als doorgroeiverharding, is ten opzichte van de huidige situatie sprake van een afname van de totale verharding van 440 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0021.png"

Tabel 5.4 Gegevens verhard oppervlak

Waterbergingsopgave

De toename of aanleg van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. Omdat er sprake is van een verhardingsafname of toename kleiner dan 1.500 m2 is er vanuit het waterschap geen bergingsopgave voor hemelwater. In het kader van de Omgevingsvisie Veenendaal wordt vanuit de gemeente de minimale eisen voor waterberging gesteld van minimaal 25 mm waterberging over het totaal verharde oppervlakte én 2 m3 waterberging per 100 m2 bebouwd oppervlak bij hoogbouw of 2 m3 waterberging per woning bij grondgebonden woningen. Hier zal aan moeten worden voldaan.

In het kader van de bergingseis van minimaal 25 mm bedraagt de bergingsopgave voor de planlocatie in totaal ca. 514 m3 (20.540 m2 x 25 mm). De exacte berekening en uitwerking vindt plaats bij een latere uitwerkingsfase.

Voor de drie appartementencomplexen (hoogbouw) dient in aanvulling op de waterbergingsopgave van 514 m3 te worden voorzien in een waterberging op eigen terrein van ca. 20 m3 per complex. Voor de twee rijen beneden-bovenwoningen en zes rijen eengezinswoningen (grondgebonden) zal per woning moeten worden voorzien in een waterberging van 2 m3.

Per 10 mm kunnen extra berging 4 punten verdiend worden met een maximum van 12 punten, hiervoor dient voor de drie appartementencomplexen per 4 punten per complex ca. 10 m3 extra waterberging gerealiseerd te worden. Voor de twee rijen beneden-bovenwoningen en zes rijen eengezinswoningen (grondgebonden) kunnen 4 extra punten worden verkregen, met een maximum van 12 punten, voor elke extra m3 waterberging op eigen perceel.

Randvoorwaarden en uitgangspunten

In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat waterbelangen worden geraakt en dat de normale procedure van toepassing is. Dit betekent dat (voor)overleg met het waterschap nodig is. Het resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in Bijlage 6. De digitale watertoets is geen aanvraag voor een vergunning voor een wateractiviteit. De uitkomsten van de digitale watertoets zijn bedoeld voor de (ruimtelijke) planvorming fase. Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoetsprocedure of met de digitale watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);
  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);
  • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;
  • Verhard oppervlak 20.540 m2.
  • Afname verhard oppervlak 440 m2.
  • Wateropgave totale plan 514 m3 (25 mm/m2 verharding);
  • Wateropgave eigen perceel:

Hoogbouw: 2 m3 per 100 m2 bebouwing (20 mm);

Grondgebonden woningen: 2 m3 per woning.

  • De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 48 uur;
  • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;
  • GHG:

Zuiden: 7,10 m +NAP;

Noorden 6,0 m +NAP.

  • Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden);
  • Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Hemelwater

Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen (hydrologisch neutraal). Het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) wordt gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Vanwege de herinrichting van de weg wordt een gescheiden hemelwaterriool aangelegd dat het hemelwater uiteindelijk afvoert. De verwachting is dat dit ook meteen een groot deel van de waargenomen wateroverlast in het noordelijke deel van de wijk wegneemt. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met waarop het hemelwaterriool vervolgens afvoert.

De definitieve systeemkeuze, positionering en technische uitwerking van het systeem wordt bij een latere uitwerkingsfase nader uitgewerkt en gedimensioneerd met aangegeven maatvoering en dwarsdoorsnede(s) met hoogtematen t.o.v. NAP. De diverse onderdelen van het hemel-, afvalwatersysteem worden vervolgens (civieltechnisch)uitgewerkt en getoetst. Daarnaast wordt de wijze van beheer en onderhoud en onderhoudsplichtige overlegd. Het waterschap vallei en veluwe heeft hierbij expliciet aangegeven dat Voor de verdere planuitwerking is het noodzakelijk om inzichtelijk te maken hoeveel verhard oppervlak (in m²) wordt afgekoppeld van het gemengde riool. Daarnaast moet worden vastgesteld waar het HWA-lozingspunt zich bevindt ten opzichte van het peilvak van de gemengde overstort. Indien beide in hetzelfde peilvak liggen, kan het afkoppelen verguningsvrij plaatsvinden. Bevindt het lozingspunt zich in een ander peilvak, dan is een vergunning vereist en moet worden aangetoond dat het afkoppelen geen nadelige effecten heeft op het ontvangende watersysteem. Dit kan op verschillende manieren, conform de toelichting in Beleidsregel 3.2.13 – Brengen van water vanaf verhard oppervlak (‘afkoppelen’).

Binnen de planlocatie wordt voorzien in waterberging met als doel om het afstomende regenwater korte tijd vast te houden, zodanig dat de pieken van de regenwaterafvoer worden afgevlakt en daardoor minder kans op wateroverlast is.

Waterbergende voorzieningen voor 25 mm

Voor het opvangen van de waterbergingsopgave van het totale plan (25 mm/m2 verharding) worden onder andere de nieuwe gemeenschappelijke parkeerterreinen ingezet (afhankelijk van de bodemopbouw en aanwezige grondsoorten ter plekke voor infiltratie). Hier kan eventueel gekozen worden door het toepassen van waterberging onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering. Voor de bestratingselementen en funderingslaag kunnen verschillende waterbergende materialen worden toegepast zoals lava, (drainage)zand, schelpen, Grauwacke of systemen zoals Rockflow (steenwolelementen), Aquaflow of bergende bestratingselementen zoals de Bufferblock of Aquaparker. Het vullen van een dergelijk systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, waterdoorlatende verhardingsconstructies (steen of voeg), permeoblokken en/of lijn,- molgoten.

Bij de aanleg van ondergrondse voorzieningen dient, afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid en gronddekking rekening te worden gehouden met de grondwaterstand (GHG) zodat een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging wordt aangelegd.

Waterberging onder de nieuwe gemeenschappelijke parkeerterreinen kan daarbij worden gecombineerd door de aanleg van bovengrondse voorzieningen zoals wadi's of raingardens. Bij bovengrondse en groene voorzieningen is het functioneren inzichtelijker, beter te onderhouden en het draagt bij aan een groene leefomgeving. In de openbare groenvakken.

Waterbergende voorzieningen percelen

Voor het opvangen van de waterbergingsopgave op de percelen, 2 m3 per 100 m2 bebouwing bij hoogbouw en 2 m3 per woning bij grondgebonden woningen kan worden ingezet op het toepassen van waterdaken/groene daken op woningen en/of bijgebouwen, regenwatertonnen of -schuttingen of de aanleg/toepassing van infiltratie elementen van steenwol in de voortuinen (Rockflow/Aco Rainbloxx), de Waterbucket van Trewatin of raingardens.

Kwaliteit 

Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende

bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Tijdens de gebruiksfase van de planlocatie verdienen de volgende zaken extra aandacht:

  • Toepassing van chemische onkruidbestrijding;
  • Toepassing van uitlogend wegmeubilair (met name gegalvaniseerd metaal);
  • Wassen van auto’s door particulieren;
  • Hondenpoep;
  • Afval inzamelen;
  • Regelmatig vegen;
  • Gladheidsbestrijding.

Waterschapsverordening

Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht:

  • Tijdelijke grondwateronttrekkingen;
  • Tijdelijke lozingen van bemalingswater.

Afvalwater 

Het hemelwater en vuilwater binnen het plan wordt gescheiden opgevangen en uiteindelijk gescheiden aangeboden aan de kavelgrens. Bij de herinrichting van de weg schrijft gemeente Veenendaal voor dat er ook meteen een gescheiden rioolstelsel wordt aangelegd, waarop de bebouwing vervolgens wordt aangesloten.

Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater wordt opnieuw aangesloten op het omliggende vuilwater rioleringsstelsel. Het aantal woningen neemt toe van 95 bestaande naar circa 163 nieuwe woningen. Dit betekent dat bij een gemiddelde vuilwaterproductie van 12 l/u en 2,5 inwoners per woning, de DWA-productie toeneemt met 2,04 m3/u. Er dient te worden nagegaan of deze toename binnen de capaciteit van het huidige rioleringsstelsel en de -gemalen past. In de toekomstige situatie zal de hemelwaterafvoer afnemen door de afname van verhard oppervlak en de te realiseren waterberging. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal bij het verdere planproces in overleg nader worden uitgewerkt en worden getoetst.

Drainage 

Het bestaande drainagesysteem in de Klaas katerstraat en omliggende wegen blijft gehandhaafd of wordt vernieuwd.

5.4.3 Conclusie

Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zijn de waterhuishoudkundige consequenties in beeld gebracht waarbij de waterbelangen ten aanzien van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn gewogen. Bij de weging van de waterbelangen zijn de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan

en de waterschapsverordening van het waterschap in acht genomen en vormde hiervoor de basis. Met het uitvoeren van de weging van het waterbelang is het kader gegeven voor het vastleggen van het wateraspect zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Op basis van de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen wordt er in het plan voldoende rekening gehouden met de waterbelangen.

5.5 Grondwaterbescherming

5.5.1 Wettelijk kader

In de grondwaterbeschermingsgebieden is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en vaak een kwetsbare bodem. Daarom moeten personen en instanties die hier activiteiten ontplooien extra alert en zorgvuldig zijn op zaken die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Voor de activiteiten die altijd schadelijk zijn, of die mogelijk schadelijk zijn en vaak voorkomen, zijn gerichte regels opgesteld.

In afdeling 3.2 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld voor de bescherming van het grondwater.

De grondwaterbeschermingszone bestaat uit verschillende onderdelen waaronder het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrijezone.

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden en hebben als doel de waterwinning te beschermen tegen schadelijk invloeden. De grens van deze gebieden is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones).

5.5.2 Toetsing en conclusie

Grondwaterbescherming

In de grondwaterbeschermingsgebieden is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en vaak een kwetsbare bodem. Daarom moeten personen en instanties die hier activiteiten ontplooien extra alert en zorgvuldig zijn op zaken die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Voor de activiteiten die altijd schadelijk zijn, of die mogelijk schadelijk zijn en vaak voorkomen, zijn gerichte regels opgesteld. In afdeling 3.2 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld voor de bescherming van het grondwater. De grondwaterbeschermingszone bestaat uit verschillende onderdelen waaronder het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrijezone. Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden en hebben als doel de waterwinning te beschermen tegen schadelijk invloeden. De grens van deze gebieden is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone).

Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones).

In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht wordt in artikel 3.51 lid 4 aangegeven dat het centrum van Veenendaal binnen de boringsvrijezone ligt. Het doel van deze zone is het bescherming van de waterwinning. Voor de boringsvrijezone in Veenendaal geldt een vergunningplicht bij boringen dieper dan 30 meter ten behoeve van energiesystemen of een meldingsplicht voor funderingen. De planlocatie ligt binnen de boringsvrijezone. Er zijn voor zover bekend geen activiteiten voorzien dieper dan 30 meter. De planlocatie ligt niet in een grondwaterwingebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0022.png"

Figuur 5.1 Boringsvrijezone

Conclusie
De planlocatie ligt binnen de boringsvrijezone van Veenendaal, zoals bepaald in artikel 3.51 lid 4 van de Omgevingsverordening Utrecht. Voor deze zone geldt een vergunningplicht bij boringen dieper dan 30 meter en een meldingsplicht voor funderingen. Binnen het plan zijn geen activiteiten voorzien die dieper reiken dan 30 meter. De locatie ligt niet in een grondwaterwingebied. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregel uit de Omgevingsverordening.

5.6 Luchtkwaliteit

5.6.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten (te weten de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis en de aanleg van een autoweg of autosnelweg) de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. In het geval wanneer een ontwikkeling in of nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof plaatsvindt kan in de volgende gevallen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig zijn:

  • de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  • activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  • milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht

Onderzoek is in deze gevallen in beginsel niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.6.2 Toetsing

Om de bijlage can het project op de luchtkwaliteit te toesten is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is te vinden in Bijlage 8 (Luchtkwaliteitsonderzoek Franse Gat fase 3, 18-07-2025, Sweco).

De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Veenendaal niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. Maatgevend is het toetspunt aan de Klaas Katerstraat. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2024:

  • 10,95 µg/m³ voor NO2 
  • 15,87 µg/m³ voor PM10
  • 8,85 µg/m³ voor PM2,5.

Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, dus ook in Nederland. Uiterlijk in 2030 moeten de jaargemiddelde concentraties zijn gedaald naar :

  • 20 ìg/m³ voor NO2 (huidige norm 40 ìg/m³)
  • 20 ìg/m³ voor PM10 (huidige norm 40 ìg/m³)
  • 10 ìg/m³ voor PM10 (huidige norm 25 ìg/m³)

Toetsing NIBM

De beoogde ontwikkeling valt binnen woningbouwlocaties onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit van Artikel 5.54 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin wordt genoemd dat wanneer woningbouwlocaties die in geval van één ontsluitingsweg netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten Niet in betekende mate bijdragen. Het aantal te realiseren woningen in de planlocatie bedraagt maximaal 168. Dit totale aantal van 168 woningen valt ruim onder de grens van het NIBM-artikel.

Toetsing ETFAL

Naast de NIMB toetsing is ook getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hieruit moet blijken of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, met betrekking tot de luchtkwaliteit, aanwezig is.

Hiervoor zijn de maximale jaargemiddelde concentraties van de luchtverontreinigende stoffen NO2 en PM10 ter hoogte van dit rekenpunt gemeten. Dit is zowel de achtergrondconcentraties en bijdrage van het lokale wegverkeer. De meetwaarden zijn terug te lezen in tabel 5.1. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving geen overschrijdingen zijn van de grenswaarden van de betreffende stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0023.png"

Tabel 5.1: Omgevingswaarden planlocatie (Bron: Sweco, 2025)

5.6.3 Conclusie

Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit zoals opgenomen in Artikel 5.54 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ter plaatse ruimschoots onder de grenswaarden. Een aanvullende toetsing van de luchtkwaliteit is niet nodig. De beoogde ontwikkeling past voor het aspect luchtkwaliteit binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Geluid door activiteiten

5.7.1 Wettelijk kader

Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten.

Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:

  • Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder);
  • Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie.

In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit.

Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen:

Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw   07.00-19.00 uur   07.00-19.00 uur   07.00-19.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   65 dB(A)   65 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   65 dB(A)   65 dB(A)  

Tabel 5.2: Standaardwaarden gevoelig gebouw

Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten   07.00-19.00 uur   07.00-19.00 uur   07.00-19.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   55 dB(A)   55 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   45 dB(A)   45 dB(A)  

Tabel 5.3: Standaardwaarden gevoelige ruimten

Provinciale instructieregels

Artikel 9.25 wijst de planlocatie aan als aandachtsgebied stiltegebied. Dit is een zone van 1500 meter rondom een stiltegebied. Artikel 9.29 stelt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen het aandachtsgebied regels bevat betreft de doelstellingen voor het geluidniveau uit artikel 9.26. Artikel 9.26 bevat een geluidsnorm die geldt binnen de bufferzone op korte afstand van het daadwerkelijke stiltegebied. Het aandachtsgebied waar de planlocatie zich in bevindt valt buiten die bufferzone. Artikel 9.26 bevat dus geen geluidsnorm voor de planlocatie.

Warmtepompen

Bij de technische eisen uit de bouwregelgeving (Bbl) staan eisen weergegeven aan warmtepompen en airco’s met buitenunits. Bij nieuwbouw en verbouw (aanpassing gebouw) zijn er eisen gesteld omtrent het geluidniveau veroorzaakt door buitenunits van warmtepompen en airconditioningunits. Deze eis is ingevoerd op 1 april 2021. De eisen over installatiegeluid zijn gesteld in paragraaf 4.3.2 van Bbl.

Lid 2 van artikel 4.107 van Bbl stelt richting andere percelen: “Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een bouwwerkperceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.”

Lid 3 van artikel 4.108 stelt bij woonfuncties op hetzelfde perceel (woongebouw zoals appartementengebouwen): "Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels."

Iedere woonfunctie met een eigen warmtepomp is volgens Bbl een afzonderlijke installatie. Dit betekent dat de toetsing aan het Bbl gedaan moet worden per afzonderlijke warmtepomp. Echter, in werkelijkheid zal er cumulatie optreden door de aanwezigheid van meerdere warmtepompen, maar hiermee hoeft volgens Bbl geen rekening worden gehouden. Cumulatie is het optellen van het geproduceerde geluid van de afzonderlijke geluidbronnen. Hiermee wordt het geluid op een positie bepaald als er meerdere geluidbronnen aanwezig zijn. De eisen van Bbl is gebaseerd op het maximaal geluidvermogen van een warmtepomp en dus niet over het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau.

Akoestisch leefklimaat

Bij grootschalige wijzigingen in een gebied moet er ook rekening gehouden worden met het realiseren van een redelijk akoestisch leefklimaat binnen de planlocatie. Dit betreft dan een toetsing bij het vaststellen van omgevingsplan of activiteiten afwijkend van het omgevingsplan. Er zijn een aantal rechterlijke uitspraken hierover gedaan in relatie tot warmtepompen. Vaak wordt bij besluiten verwezen naar de geluideisen van Bbl (of dezelfde eisen uit haar voorganger Bouwbesluit 2012) voor buitenunits. De Raad van State heeft bij de uitspraak van 24 maart 2021 met zaaknummer 202002867/1/R4 geoordeeld dat de gecumuleerde waarde van verschillende warmtepomp-buitenunits van meerdere woonfuncties inzichtelijk gemaakt moeten worden om te kunnen toetsen of er sprake is van een aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat. Bij de betreffende zaak had de bezwaarmaker kritiek op de eis van 35 dB(A) op perceelgrens gesteld door het college van Burgermeester en Wethouders van Amersfoort. De Raad van State had geen bezwaar over de waarde van 35 dB(A) gesteld door de Gemeente Amersfoort. Het college had deze eis deels gebaseerd op de eis uit Bouwbesluit. Het is niet specifiek door Raad van State verklaart dat er ook akkoord was gegaan met een hogere gecumuleerde waarde, terwijl dat wel geloofwaardig als de 40 dB(A) van Bbl als referentiekader wordt toegepast.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Veenendaal hanteerde onder de Wet geluidhinder een eigen beleid met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Er is nog geen nieuw beleid onder de Omgevingswet. In de Geluidsnota Gemeente Veenendaal heeft de gemeente de beleidsregels voor hogere waarden opgesteld. Inhoudelijk komen daarbij de volgende punten aan de orde:

  • Het huidige en toekomstige karakter van het gebied is leidend voor de mate waarin de aanwezigheid van geluid aanvaardbaar wordt geacht.
  • Motiveringsplicht en onderzoeksplicht: wettelijke voorwaarden waaronder hogere waarden worden toegelaten.
  • Geluidluwe gevel: principe dat op minimaal één gevel van de woning de voorkeurswaarde gehaald moet worden.
  • Indelingsvoorschrift: principe dat bij hogere geluidniveaus de indeling van de woning afhankelijk wordt gemaakt van het geluid, zoals het situeren van een badkamer aan de drukke straatkant of zoals een slaapkamer/balkon aan de achterzijde plaatsen.
  • Maximale ontheffingswaarde voor weg- en railverkeerslawaai: de gemeente verleent bij uitzondering hogere waarden dan 58 dB voor wegverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh) en 65 dB voor railverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh). Dit is conform het gemeentelijke milieukwaliteitsplan de hoogste waarde voor de basisgeluidkwaliteit op woningen.
  • Cumulatie: rekening houden met overige geluidbronnen zoals een andere weg of spoorweg.
  • Toepassing dove gevel: randvoorwaarden voor het toepassen van dove gevels, dit zijn bijvoorbeeld gevels met niet te openen ramen of deuren.

Het omgevingsplan geeft geen normering voor indirecte akoestische effecten. Hiervoor wordt de normering uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gehanteerd. Bkl paragraaf 5.1.4.2a.5, artikel 5.78af

Artikel 22.63 lid 3 van Omgevingsplan van Veenendaal gaat over inpandige en aanpandige geluidgevoelige objecten. De warmtepomp met de hoogste bijdrage is namelijk bevestigd aan de woning. De betreffende eisen zijn gesteld aan het geluidniveau binnen de verblijfsruimten van de woningen. Er wordt gesteld dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr;LT) niet meer mag zijn dan:

35 dB(A) in de periode tussen 07:00 en 19:00.

30 dB(A) in de periode tussen 19:00 en 23:00.

25 dB(A) in de periode tussen 23:00 en 07:00.

Tevens mag in voornoemde ruimten het maximale geluidniveau niet hoger zijn dan:

  • 55 dB(A) in de periode tussen 07:00 en 19:00.
  • 50 dB(A) in de periode tussen 19:00 en 23:00.
  • 45 dB(A) in de periode tussen 23:00 en 07:00.

5.7.2 Toetsing

Bufferzone stiltegebied

De instructieregels staan geen activiteiten toe die kunnen zorgen voor geluidhinder. Er worden in de planregels alleen woningen, dus geluidgevoelige gebouwen, mogelijk gemaakt waardoor er geen nadelige invloed kan zijn op de bufferzone stilstegebied en de geluidsnormen die daar als uitgangspunt gelden. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 9.26 van de POV.

Akoestisch onderzoek warmtepompen

Bij de woningen worden warmtepompen gerealiseerd. Aan de warmtepompen kan potentieel geluidshinder worden ondervonden aan de beoogde danwel bestaande geluidsgevoelige gebouwen. Om deze reden is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd om na te gaan dat er kan worden voldaan aan de vigerende geluidsnormen zodoende te kunnen spreken van een goed woon- en leefklimaat. Dit aspect is onderzocht in het akoestisch rapport en is te vinden in Bijlage 1. Onderstaand is een samenvatting van de conclusie een aanbevelingen.

De berekeningen tonen dat buitenunits van warmtepompen, zowel op maaiveld bij grondgebonden woningen als op het dak van appartementengebouwen, voldoen aan de geluidseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij plaatsing op maaiveld is het geluid op de perceelgrens maximaal 40 dB(A) en op de gevels van woningen circa 45 dB(A), wat met een gevelgeluidwering van 20 dB neerkomt op ongeveer 25 dB(A) binnenshuis. Voor dakopstellingen geldt een hoger bronvermogen, maar ook hier blijft de geluidbelasting bij omliggende gevels onder 45 dB(A). Dit betreft een maximaal niveau en niet een langtijdgemiddelde. De resultaten zijn bruikbaar voor plaatsing in voortuinen, omdat geen rekening is gehouden met schuttingen.

Binnen het onderzoek wordt geconcludeerd dat een goed woon- en leefklimaat qua geluid kan worden gerealiseerd door minimaal één van de volgende maatregelen: geen installatie met buitenunit toepassen, buitenunits op maaiveld plaatsen lager dan 1,5 meter en conform Bbl-eisen, buitenunits op het platte dak van woongebouwen met minimaal één meter afstand tot de dakrand, of bij afwijkende posities systemen kiezen met een lager geluidvermogen en een berekening van de cumulatieve geluidbelasting aanleveren voor toetsing. Deze aandachtspunten dienen te worden meegenomen bij de verdere planontwikkeling.

Voorgenomende toont aan dat de geluidbelasting van de units binnen de wettelijke normen blijft en het plan uitvoerbaar is.

5.7.3 Conclusie

De ontwikkeling heeft met de bouw van woningen geen nadelige gevolgen op de bufferzone stiltegebied.

De berekeningen tonen aan dat de geluidbelasting van buitenunits van warmtepompen, zowel op maaiveld als op daken, binnen de wettelijke normen blijft. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er zijn geen aanvullende planregels nodig; aandachtspunten voor plaatsing van buitenunits kunnen in de verdere planuitwerking worden meegenomen.

5.8 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.8.1 Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierin wordt beschreven dat een omgevingsplan rekening moet houden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en erin voorziet dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 1. In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:

Geluidbronsoort   Standaardwaarde Lden [dB]   Grenswaarde Lden[dB]  
Provinciale wegen
Rijkswegen  
50   60  
Gemeentewegen
Waterschapswegen  
53   70  
Lokale spoorwegen
Hoofdspoorwegen  
55   65  
Industrieterreinen   50 Lden/40 Lnight   55 Lden/45 Lnigh  

Tabel 5.4: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:

  • bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen;
  • bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie);
  • bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde;
  • bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;
  • bij een niet-geluidgevoelige gevel.

Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.

 

In het uiterste geval van het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.

Provinciale instructieregels

Artikel 9.25 wijst de planlocatie aan als aandachtsgebied stiltegebied. Dit is een zone van 1500 meter rondom een stiltegebied. Artikel 9.29 stelt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen het aandachtsgebied regels bevat betreft de doelstellingen voor het geluidniveau uit artikel 9.26. Door de ligging van het de planlocatie in een aandachtsgebied is akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Veenendaal hanteerde onder de Wet geluidhinder een eigen beleid met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Er is nog geen nieuw beleid onder de Omgevingswet. Daarom wordt het beleid zoals dat gold onder de Wet geluidhinder meegenomen.

Uit het beleid komen de volgende Inhoudelijke punten naar voren:

  • Het huidige en toekomstige karakter van het gebied is leidend voor de mate waarin de aanwezigheid van geluid aanvaardbaar wordt geacht;
  • Motiveringsplicht en onderzoeksplicht: wettelijke voorwaarden waaronder hogere waarden worden toegelaten;
  • Geluidluwe gevel: principe dat op minimaal één gevel van de woning de voorkeurswaarde gehaald moet worden;
  • Indelingsvoorschrift: principe dat bij hogere geluidniveaus de indeling van de woning afhankelijk wordt gemaakt van het geluid, zoals het situeren van een badkamer aan de drukke straatkant;
  • Maximale ontheffingswaarde voor weg- en railverkeerslawaai: de gemeente verleent bij uitzondering hogere waarden dan 58 dB voor wegverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh) en 65 dB voor railverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh). Dit is conform het gemeentelijke milieukwaliteitsplan de hoogste waarde voor de basisgeluidkwaliteit op woningen;
  • (Akoestische) compensatie: zoals een slaapkamer/balkon aan de achterzijde plaatsen;
  • Cumulatie: rekening houden met overige geluidbronnen zoals een andere weg of spoorweg;
  • Toepassing dove gevel: randvoorwaarden voor het toepassen van dove gevels, dit zijn bijvoorbeeld gevels met niet te openen ramen of deuren.

Onder de Omgevingswet wordt geen hogere waarden besluit meer genomen, maar wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan.

5.8.2 Toetsing

Geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied

De planlocatie maakt zelf geen nieuwe weg, spoorweg of industrieterrein mogelijk. Het project maakt wel geluidgevoelige gebouwen mogelijk in een geluidaandachtsgebied van de geluidbronsoorten gemeentewege. De planlocatie ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van een spoorlijn, rijksweg of gezoneerd industrieterrein.

Sweco heeft een akoestisch onderzoek (wegverkeerslawaai) uitgevoerd. Hierbij is getoetst of de grenswaarden niet worden overschreven. Het volledige onderzoek is te vinden in Bijlage 1 (Woningbouw Franse Gat akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, 28-11-2025, Sweco). Het plan zorgt voor een toename van verkeersbewegingen doordat bestaande woningen worden vervangen door (meer) nieuwe woningen. De ontwikkeling verandert de verkeersstructuur niet en de extra belasting is in verhouding tot de bestaande intensiteit beperkt. Op basis van deze omstandigheden is redelijkerwijs aan te nemen dat de geluidseffecten gering blijven en geen aanmerkelijke verslechtering van de leefomgeving veroorzaken. Een aanvullend akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Het wegverkeerslawaai bedraagt maximaal 53 dB waarmee de wettelijke standaardwaarde van 53 dB niet overschreden wordt. Verder akoestisch onderzoek naar maatregelen is niet nodig.

Indirect akoestische effecten

Het voorgenomen plan zorgt voor een toename van 557 motorvoertuigen per gemiddelde weekdag. Om deze wijk te verlaten kunnen de bewoners gebruik maken van drie ontsluitingsroutes: via de Docotor Slotemaker de Bruïnestraat, via de Patrimoniumlaan of via de Doctor de Visserstraat/Bilderdijkstraat. Dat betekent dat op deze routes het verkeer kan toenamen met ongeveer 200 motorvoertuigen per etmaal.

De gehanteerde verkeersgegevens zoals opgenomen in tabel 2, vermeerderd met de hiervoor genoemde verkeersgeneratie, blijven nog ruim onder het drempelaantal (2.500 motorvoertuigen per etmaal) zoals gesteld voor indirecte akoestische effecten.

Tevens zullen de nieuwe woningen ongeveer dezelfde locatie en bouwhoogte hebben als de huidige woningen, hierdoor treden geen extra reflecties op. De bestaande afscherming blijft ongeveer hetzelfde, waardoor de invloed minimaal zal zijn.

Ten gevolge van de ontwikkeling van dit plan is het niet te verwachten dat er indirecte akoestische effecten optreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0024.png"

Figuur 5.3: Wegverkeerslawaai op beoogde nieuwbouwgevels (Bron: Sweco 2025)

5.8.3 Conclusie

De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregel (artikel 5.78t Bkl) voor geluid door wegen omdat er wordt voldaan aan de standaardwaarde en daarmee het geluid als aanvaardbaar wordt beoordeeld.

De ontwikkeling past voor het aspect geluid door wegen binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat het geluid als aanvaardbaar wordt beoordeeld.

Er zijn geen voorschriften nodig voor het aspect geluid vanwege (spoor)wegen en industrieterreinen om te voldoen aan etfal en instructieregels.

5.9 Bodemkwaliteit

5.9.1 Wettelijk kader

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:

  • het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
  • het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies);
  • het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

Om een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie   toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Provinciale instructieregels

Klein open bodemenergiesysteem - Grondwatergebied

Een deel van de planlocatie valt binnen het gebied 'klein open bodemenergiesysteem'dat in Artikel 3.4 wordt vrijgesteld van de vergunningsvereiste voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem, indien de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer bedraagt dan 10 m3/u.

5.9.2 Toetsing

Bodemfunctieklasse

    • 1. Het Bkl verplicht de gemeente om de landbodem in bodemfunctieklassen (Artikel 5.89p) in te delen
    • 2. De Nota Bodembeheer is gedeeltelijk opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan, inclusief de bodemfunctieklassenkaart (overgangsrecht)

Voor het vaststellen van de gebiedseigen bodemkwaliteit is de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) (2024) geraadpleegd (https://www.odru.nl/geoloket/). De bodemfunctieklasse van de onderzoekslocatie is Wonen.

Volgens de ontgravingskaarten van de ODRU voldoet de gemiddelde kwaliteit van de

bovengrond aan de ontgravingsklasse Wonen. De gemiddelde kwaliteit van de ondergrond

voldoet aan de ontgravingsklasse Landbouw/Natuur. Voor de toepassingskaart geldt voor

de bovengrond de toepassing Wonen en voor de ondergrond de toepassing

Landbouw/Natuur.

Door Sweco is binnen de planlocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de milieuhygienische bodemkwaliteit vast te stellen. Het gehele onderzoek is te vinden in Bijlage 2 (Verkennend bodemonderzoek Franse Gat Deelgebied 3, 06-11-2025, Sweco). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in openbare gebieden en privetuinen in de planlocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0025.png"

Figuur 5.4: Uitsnede boorpunten bodemonderzoek (bron: Sweco, 2025)

Voor de locatie gold de hypothese ‘verdachte locatie’ conform NEN 5740. Strikt

genomen is deze hypothese juist gebleken, omdat er licht verhoogde gehalte aan

verschillende parameters zijn gemeten (allemaal kleiner dan de

interventiewaarden) bij boringen 33, 46, 47, 48 en 61. Hierbij zijn ook verhoogde

waarden aan PFOS aangetroffen ter plaatse van boringen 33. De grond ter plaatse

van de boringen is geclassificeerd als “Klasse Industrie”. De overige monsters zijn

geclassificeerd als Landbouw/ Natuur.

Het grondwater bevond zich tijdens de veldwerkzaamheden op een diepte van

circa 1,00 tot 2,00 m-mv. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 42 is slechts

een overschrijdingen gemeten van de signaleringsparameters (molybdeen) welke

geen verdere belemmeringen vormen voor de beoogde werkzaamheden.

De onderzoeksresultaten geven vanuit de Omgevingswet (Besluit activiteiten

leefomgeving) aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek ter plaatse van

de ondergrond op het openbaargebied in verband met het aantreffen van het

asbestverdacht materiaal en de fundering onder de weg

5.9.3 Conclusie

Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit.

De onderzoeksresultaten geven vanuit de Omgevingswet (Besluit activiteiten leefomgeving) aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek ter plaatse van de ondergrond op het openbaargebied (boring 25) in verband met het aantreffen van het asbestverdacht materiaal en de fundering onder de weg. Om de hergebruiksmogelijkheden te bepalen dienen samenstellings- en uitlooganalyses uitgevoerd te worden. Ter plaatse van de overige terreindelen is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.


Bij uitvoering van de werkzaamheden is geen veiligheidsklasse van toepassing op basis van de resultaten van dit onderzoek.

De beoogde ontwikkeling past voor het aspect bodem binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Cultureel erfgoed

5.10.1 Wettelijk kader

Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Gemeente Veenendaal heeft in Parapluplan 2022 (Vastgesteld 20-04-2023) de planlocatie de waarde Archeologie middelhoog toegekend. bij ontwikkelingen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en waar dieper gegraven wordt dan 0,5 meter is daarom is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Zo kan de mogelijke archeologische waarde van de planlocatie vastgesteld of uitgesloten worden.

5.10.2 Toetsing

De planlocatie heeft volgens de archeologische beleidskaart een middelhoge verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en waarbij dieper dan 0,5 meter wordt gegraven en/of onderheid wordt is archeologisch onderzoek verplicht.

In het kader van de beoogde ontwikkeling is archeologisch onderzoek uitgevoerd wat is opgenomen in Bijlage 3 (Archeologisch onderzoek Franse Gat deelgebied 3, gemeente

Veenendaal, 04-11-2025, Sweco).

Op de archeologische beleidskaart in figuur 5.5 is te zien dat de planlocatie de waarde middelhoog heeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0026.png"

Figuur 5.5: Archeologische beleidskaart Veenendaal (Keunen, 2018)

Het archeologisch bureauonderzoek heeft de onderstaande archologsiche kenmerken in het terrein uitgesloten:

  • Het plangbied bevat geen geregistreerde AMK-terreinen
  • In het plangebied zijn geen archeologische vondstmeldingen geregistreerd
  • Binnen het plangebied zijn geen archeologische onderzoeksmeldingen geregistreerd
  • In het plangebied bevinden zich geen gebouwde rijksmonumenten
  • in het plangebied worden geen ondergrondse bouwhistorische waarden verwacht

Verder heeft het onderzoek aangetoond dat de aanleg van gebouwen, kabels en leidingen mogelijk wel eventuele archeologische resten verstoord. De diepte en de mate van de verstoringen is niet bekend. Om de mate van verstoring of te achterhalen zal een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd moeten worden.

Van de het Paleolithicum tot de Nieuwe Tijd zijn middelhoge archeologische verwachtingen. De verwachte diepte is vanaf direct onder het maaiveld. Hierdoor ligt de grootse verwachting in de onbebouwde gebieden omdat daar geen verstoring is geweest door de aanleg van bebouwing.

Vondsten uit de tweede wereldoorlog zullen beperkt blijven tot incidentele vondsten omdat de wapenopstellingen na de oorlog zijn verwijderd.

Organische materialen worden niet verwacht door de ongunstige bodemsamenstelling.

In dit tam-omgevingsplan is de archeologische verwachtingswaarde en bijbehorende beschermingsregime overgenomen. Archeologische belangen worden via het vergunningproces zorgvuldig geborgd en daarmee is de uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd.

Monumenten

Zoals in de onderstaande figuur is weergegeven zijn volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) binnen het plangebied geen AMK-terreinen

geregistreerd.

Binnen het onderzoeksgebied staan één gebouwd rijksmonument en één complex.

Monumentnummer 511612: Het gebouw staat 350 m ten oosten van het huidige plangebied.

Complexnummer 506995: De noordelijke grens van het complext ligt 520 m ten zuidwesten van het huidige plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0027.png"

Figuur 5.X: Rijksmonumenten, vondst- en onderzoeksmeldingen met ligging planlocatie (Sweco, 2025)

5.10.3 Conclusie

Er is in dit plan voldoende rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In dit tam-omgevingsplan is de archeologische verwachtingswaarde en hun bijbehorende beschermingsregime overgenomen.

In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt een aanvullend onderzoek uitgevoerd.

Gelet op bovenstaande zijn cultuurhistorie en archeologie adequaat geborgd, is het plan uitvoerbaar en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, conform artikel 5.130 Bkl en instructieregels 7.9 en 7.11 van de provincie.

5.11 Geur

5.11.1 Wettelijk kader

Besluit kwaliteit leefomgeving

De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Bkl. Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet).

Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Omgevingsverordening provincie Utrecht

De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geur.

5.11.2 Toetsing

Met de ontwikkeling wordt wonen mogelijk gemaakt, waardoor geurgevoelige gebouwen binnen de planlocatie worden toegestaan. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken. De enige relevante bron betreft een bakkerij aan de Nicolaas Beetsstraat 2, gelegen op circa 30 meter van de planlocatie. Deze bakker valt onder de regels voor niet-industriële voedselbereiding uit het tijdelijk omgevingsplan Veenendaal. Deze regeling borgt dat geurhinder richting de omgeving wordt beperkt, waardoor ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor horecabedrijven geldt in het omgevingsplan Veenendaal (artikel 22.199) dat afgezogen dampen en gassen ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van bebouwing binnen 25 meter van de uitmonding moeten worden afgevoerd. Omdat de dichtstbijzijnde beoogde woningen op circa 30 meter afstand liggen, wordt deze bedrijfsvoering niet beperkt door het plan. Daarmee is geborgd dat de ontwikkeling voldoet aan de geldende geurregels en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.11.3 Conclusie

Met de geurregels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl. Bij de realisatie van nieuwe (hogere) woningen wordt de bestaande bakker niet beperkt in haar bedrijfsruimte en kan voldoen aan de regels van het omgevingsplan. Tevens is er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.

5.12 Trillingen

5.12.1 Wettelijk Kader

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl zijn instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. De gemeente kan in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.

Omgevingsverordening provincie Utrecht

De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema trillingen.

5.12.2 Toetsing

Het voornemen maakt trillinggevoelige gebouwen mogelijk. Het planvoornemen voorziet niet in activiteiten die trillingen veroorzaken.

Vanuit het Bkl is er geen directe aanleiding om voor deze planlocatie nader in te gaan op trillingshinder. Ten (noord)oosten van de planlocatie is op meer dan 500 meter afstand het spoor gelegen. Gelet op deze afstand en het ontbreken van goederentransport op deze spoorlijn wordt er geen trillingshinder verwacht. De standaardwaarde voor trillingen is niet van toepassing op het doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Specifiek onderzoek is niet nodig.

5.12.3 Conclusie

Er wordt geen trillinghinder verwacht ter plaatse van de beoogde herontwikkeling. Vanuit het Bkl is er geen directe aanleiding om voor deze planlocatie nader in te gaan op trillingshinder of regels op te nemen in het omgevingsplan.

5.13 Milieuzonering

5.13.1 Toetsingskader

Bij het opstellen van een omgevingsplan moet worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet. Dit houdt in dat nieuwe functies, zoals woningbouw, moeten passen binnen de bestaande omgeving en geen onaanvaardbare hinder veroorzaken of leiden tot beperkingen voor omliggende bedrijven. Milieuzonering is hierbij een belangrijk instrument om de afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen, te beoordelen.

De beoordeling richt zich op:

  • Geluid en geur van nabijgelegen bedrijven en activiteiten;
  • De vraag of toekomstige woningen een goed woon- en leefklimaat hebben;
  • De vraag of bedrijven in hun bedrijfsvoering niet worden beperkt door de nieuwe ontwikkeling.
5.13.2 Toetsing

Het planvoornemen voorziet in de vervanging van 95 grondgebonden woningen door maximaal 168 nieuwe woningen. Het plan staat geen bedrijfsactiviteiten toe, waardoor de ontwikkeling primair een woonfunctie behoudt. Uit de sectorale analyses voor de aspecten geluid en geur blijkt dat er geen belemmeringen ontstaan voor de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

Wel verdient het aandacht dat bij toepassing van warmtepompen, zoals beschreven in paragraaf 5.7, enkele maatregelen noodzakelijk zijn om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Deze maatregelen zijn redelijkerwijs goed uitvoerbaar en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.

Ten aanzien van het aspect geur kan worden geconcludeerd dat er geen bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt, zoals beschreven in paragraaf 5.11.

5.13.3 Conclusie

Uit de sectorale analyse komen geen onoverkomelijke belemmeringen naar voren. Er worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsruimte en ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bovengenoemde toont aan dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14 Ladder voor Duurzame Verstedelijking

5.14.1 Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14.2 Toetsing

Behoefte gebiedsontwikkeling

Met de ondertekening van de woondeal Foodvalley heeft gemeente Veenendaal de taak op zich genomen om in de komende jaren veel nieuwe woningen te realiseren. Veenendaal heeft haar gemeentegrenzen bereikt en uitbreiding is nauwelijks mogelijk. De ruimtevraag naar woningen, werken, recreëren en mobiliteit neemt echter toe. De beschikbare ruimte binnen de gemeentegrenzen moet daarom zo efficiënt mogelijk worden benut.

Woningbehoefte

De woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld.

Actualisatie woondeal Foodvalley (juli 2025)

In de jaren 2025 tot en met 2030 spant de regio Foodvalley zich in om 19.580 woningen te realiseren, waarvan minimaal 66% betaalbaar, inclusief minimaal 30% sociale huurwoningen. De gemeente Veenendaal zet zich in voor de realisatie van 4.390 woningen in deze periode.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0028.png"

Figuur 5.5. Woningbehoefte 2025 tm 2030 (bron: geactualiseerde woondeal)

Van 2031 tot en met 2034 spant de regio zich in om circa 8.176 woningen te realiseren, waarvan tenminste tweederde betaalbaar, inclusief minimaal 30% sociale huurwoningen. Dit vanwege de woningbehoefte (Primos2023), het noodzakelijke inlopen van het woningtekort, vanwege netto-bruto/sloop (woningbehoefteonderzoek Stec Groep uit 2024). De gemeente Veenendaal zet zich in voor de realisatie van 1.350 woningen in deze periode.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0029.png"

Figuur 5.6. Woningbehoefte 2031 tm 2034 (bron: geactualiseerde woondeal)

De totale behoefte voor Veenendaal in de periode 2025 tot en met 2034 is 9.526 woningen. Met dit project kan daar significant aan worden bijgedragen.

Doelgroepen en type woningen

Met het woonbehoefteonderzoek regio foodvalley is onderzocht hoe gaat met de verstedelijkingsstrategie van regio foodvalley ten opzichte van de woningbehoefte. De passende woningvoorraad heeft het grootste tekort bij de lage inkomens zonder passend toewijzen en de middeninkomens. Voor de hoge inkomens is een overschot in het aanbod te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0030.png"

Figuur 5.7: Betaalbaarheidsgrenzen woningvoorraad (bron: woningbehoefteonderzoek Foodvalley)

Het plan bestaat uit 59 sociale huurwoningen en 109 koopwoningen. Kijkend naar de huishoudontwikkeling voor Veenendaal is ook te zijn dat sociale huur het grootste aandeel heeft in de prognose. Voor koopwoningen is dat de betaalbare koop. Bij de type woningen is de behoefte het grootste bij gelijkvloerse woningen. Het woningbouwprogramma bestaat uit 82 gelijkvloerse appartementen, 25 beneden boven woningen en 61 grondgebonden eengezinswoningen. Hiermee sluit het programma goed aan op de vraag en verwacht ontwikkeling.

Het type woningen

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0031.png"

Figuur 5.8 Vergelijking verwachte huishoudensontwikkeling 2025 t/m 3035 naar prijssegmenten (bron: woningbehoefteonderzoek Foodvalley)

5.14.3 Conclusie

De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor duurzame ontwikkeling, omdat er op een binnenstedelijke locatie invulling wordt gegeven aan de behoefte aan een gedifferentieerd woningaanbod voor diverse doelgroepen en prijssegmenten. Binnen de gemeente en regio foodvalley is een grote vraag naar nieuwe woningen. Met de sloop- en nieuwbouw wordt het woningaantal vergroot en sluit het beter aan op de diverse, actuele en toekomstige vraag. Met het mogelijk maken van de ontwikkeling is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er invulling wordt gegeven aan de vraag en behoefte op een binnenstedelijke locatie.

In de planregels is geborgd dat ten minste 30% van het aantal woningen binnen de planlocatie sociale woningen zijn. Ten minste twee derde van de sociale woningen zijn sociale huurwoningen die voldoen aan de doelgroepenverordening. Hiermee is geborgd dat wordt voldaan aan de regels over betaalbare woningen uit het Omgevingsplan van de gemeente Veenendaal.

5.15 Toegankelijkheid Openbare Ruimte

5.15.1 Wettelijk kader

In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

De instructieregel brengt mee dat bestuursorganen als zij nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken het belang van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een beperking moeten afwegen tegen de overige betrokken belangen. De tekst van artikel 5.162 brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming lukt van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder.

Omgevingsverordening provincie Utrecht

De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema toegankelijkheid openbare ruimte.

5.15.2 Toetsing

Dit tam-omgevingsplan maakt de herinrichting van de openbare ruimte binnen de planlocatie planologisch mogelijk en legt verder geen beperkingen op aan het bevorderen van de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking.

De toegankelijkheid voor mensen met een functiebeperking wordt betrokken bij de nadere uitwerking in het op te stellen inrichtingsplan.

5.15.3 Conclusie

De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel voor toegankelijkheid van in openbare ruimte. Hiermee draagt het bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.16 Mobiliteit en Parkeren

5.16.1 Wettelijk kader

Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en gemeente hiervoor beleid heeft, bijvoorbeeld een Mobiliteitsvisie, regels over aanleg parkeerplaatsen in het omgevingsplan en/of een Nota Parkeernormen.

In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer).

De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. Hierbij wordt de parkeerbehoefte bepaald op basis van het geldende gemeentelijke parkeerbeleid indien beschikbaar.

Beleid gemeente Veenendaal

In de Notitie Parkeernormen Veenendaal (herziening 2023) staat het parkeerbeleid van de gemeente. Hierin zit een reductie van de parkeernormen. De ruimte die hiermee beschikbaar komt moet ingezet worden voor de realisatie van andere ruimtelijke kwaliteiten. Het benodigde aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte mag ook niet overschreden worden. Een nieuwe ontwikkeling mag geen parkeerproblemen veroorzaken. De parkeeroplossing moet dus binnen de planlocatie gerealiseerd worden. Het benodigde aantal geldt hier voor hele nieuwbouwplan.

Voor het vaststellen van de parkeernormen is de gemeente verdeeld in zones. De planlocatie ligt in zone 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0032.png"

Figuur 5.7: Zonering parkeernormen gemeente Veenendaal (bron: Notitie parkeernormen Veenendaal)

Fietsparkeren

Naast de parkeernormen voor auto's is ook een fietsparkeernorm. Fietsparkeervoorzieningen voor bewoners moeten op eigen terrein opgelost worden doormiddel van een berging. Voor grondgebonden woningen is dit een eigen berging van minimaal 5m² dichtbij de ingang. Voor gestapelde woningen zijn verschillende opties:

  • een berging op de begane grond per woning,
  • een gezamenlijke fietsenstalling in het gebouw,
  • een gezamenlijke berging in nabijheid van in- en uitgang van het gebouw op maximaal 50 meter loopafstand,
  • een mix van berging per woning en gezamenlijke fietsenstalling.

bij een gezamelijke stalling is de parkeernorm voor bewoners 2,5 p.p./woning. De fietsparkeervoorziening voor bezoekers moet bij de hoofdingang van gestapelde woningen. Voor alle woontypes is de bezoekersnorm 0,1 p.p./woning.

5.16.2 Toetsing

Parkeren

Met de parkeerbalans voor deelgebied 3 deelplan zuid is berekend of het plan voorziet in voldoende parkeerplekken.

  • Op basis van 163 woningen is het aantal benodigde parkeerplekken 215.
  • Het aantal beoogde parkeerplekken in het stedenbouwkundig plan bedraagt 217 parkeerplekken waarmee een overschot van 2 parkeerplaatsen wordt mogelijk gemaakt.

In de planregels is echter een maximum woningaantal van 168 woningen opgenomen. Bij dit maximale woningaantal dient één extra parkeerplaats gerealiseerd te worden om in de parkeerbehoefte te voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0033.png"

Figuur 5.8: Parkeerbalans planlocatie

Fietsparkeren

Op basis van 168 woningen is het aantal benodigde fietsparkeerplekken in de openbare ruimte 16,8, dus 17 plekken.

Verkeer

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 168 woningen, waarvoor 95 bestaande sociale huurwoningen komen te vervallen. Bij het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling kan dan ook rekening worden gehouden met het toepassen van saldering.

Voor het bepalen van de verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Veenendaal een stedelijkheidsgraad van 'sterk stedelijk' aangehouden. De ligging van de projectlocatie is gedefinieerd als 'schil centrum'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit per huishouden in Veenendaal conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-744 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast.

In tabel 5.9 is de verkeersgeneratie van de planlocatie in de bestaande en beoogde situatie bepaald.

Bestaande situatie  
Functie   Aantal   Kencijfer   Weekdag (mvt/etmaal)   Werkdag (mvt/etmaal)  
Huur, huis, sociale huur   95 woningen   3,6 per woning   342   379,62  
Beoogde ontwikkeling  
Functie   Aantal   Kencijfer   Weekdag (mvt/etmaal)   Werkdag (mvt/etmaal)  
Koop, huis, tussen/hoek   36 woningen   6,8 per woning   244,8   271,7  
Koop, appartement, >100 m² bvo   56 woningen   6,8 per woning   380,8  
422,7  
Koop, appartement, 75-100 m² bvo   17 woningen   5,1 per woning   86,7   96,2  
Huur, huis, sociale huur   25 woningen   3,6 per woning   90   99,9  
Huur, appartement, sociale huur, >100 m² bvo   26 woningen   2,9 per woning   75,4   83,7  
Huur, appartement, sociale huur, 75-100 m² bvo   8 woningen   2,6 per woning   20,8   23,1  
Totaal beoogd   168 woningen     898,5   997,3  
Toename (beoogd - bestaand)       +556,5   +617,7  

Tabel 5.9: Verkeerstoename beoogde ontwikkeling

In totaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 618 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.

Verkeersafwikkeling

Voor de toedeling van het gegenereerde verkeer worden 3 routes voorzien. De eerste route is vanaf de noordzijde van het projectgebied, via de Hovystraat. Vanaf de Hovystraat wordt het gegenereerde verkeer vervolgens in westelijke richting ontsloten over de Doctor Slotemaker de Bruinestraat tot aan het kruispunt bij de Rondweg-West. De tweede route houdt rekening met een ontsluiting via de Klaas Katerstraat in noordelijke richting naar de Patrimoniumlaan, waarna het verkeer vervolgens in oostelijke richting wordt ontsloten richting de Kerkewijk. De derde route begint tevens op de Klaas Katerstraat, waarvandaan het gegenereerde verkeer vervolgens in zuidelijke richting wordt ontsloten langs de Van Limburg Stirumstraat naar de Bergweg. Vanaf de Bergweg splitst het verkeer zich vervolgens evenredig in westelijke richting naar de Rondweg-West en in oostelijke richting naar de Kerkewijk. Aan wordt gehouden dat de totale verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling zich evenredig verdeeld over de drie benoemde routes.

De exacte huidige verkeersintensiteiten op de omliggende wegen (zoals de Klaas Katerstraat en Nicolaas Beetsstraat) worden nog door de gemeente bevestigd. Deze wegen hebben een erftoegangsfunctie en zijn ingericht voor lage snelheden (30 km/uur). De bestaande wegenstructuur biedt voldoende capaciteit om de tijdelijke toename op piekmomenten op te vangen. Ook bij kruispunten worden geen merkbare effecten op de doorstroming verwacht. De aansluitingen van het projectgebied op het omliggende wegennet kunnen de extra verkeersbelasting probleemloos verwerken, waardoor de verkeersveiligheid naar verwachting niet wordt beïnvloed.

Het effect van de toename van het verkeer is beperkt en concentreert zich uitsluitend op de realisatiefase van de bouw. Na afronding van de werkzaamheden keert de verkeersbelasting grotendeels terug naar de huidige situatie, met alleen een lichte toename als gevolg van de nieuwe bewoners. De verkeersafwikkeling in de omgeving van het Franse Gat blijft hierdoor onverminderd goed functioneren.

Verkeersonderzoek

In het kader van de wijkuitbreiding heeft Bureau Sweco onderzoek gedaan naar het verkeer in het Franse Gat (Bijlage 10, De verkeerscirculatie in het Franse Gat, 20-03-2023, Sweco). Hieruit kwam op basis van modelstudies naar voren dat het effect van de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling beperkt is. De beoogde ontwikkeling zorgt gemiddeld voor een verkeerstoename van circa 2,5 voertuigbewegingen per minuut gedurende het piekmoment. De omliggende wegen hebben voldoende restcapaciteit beschikbaar om deze verkeerstoename probleemloos op te vangen, zowel op basis van de huidige inrichting van de verkeersstructuur als na doorvoering van verkeerscirculatiemaatregelen.

Verkeersveiligheid

De inrichting van de openbare ruimte wordt afgestemd op de principes van Duurzaam Veilig. Er komen voldoende oversteekmogelijkheden en de verblijfsfunctie blijft leidend.

Daarbovenop worden aanvullende maatregelen genomen voor het verbeteren van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid van het gebied voor fietsers. Zo worden conform de Gebiedsvisie Franse Gat de Jan Steenlaan, Bergweg en de route Frans Halslaan - Klaas Katerstraat - Van Limburg Stirumstraat heringericht tot fietsstraaten. Dit houdt in dat de wegen opnieuw worden ingericht vanuit het oogpunt dat fietsers de primaire weggebruikers zijn en de auto te gast. In figuur 5.9 is een voorbeeld opgenomen van hoe een dergelijke fietsstraat eruitziet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0034.png"

Figuur 5.9: Voorbeeldinrichting fietsstraat binnen een woongebied (bron: Sweco, 2023)

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersveiligheid van het omliggende wegennet.

5.16.3 Conclusie

Op basis van het woningaantal van 163 uit het stedenbouwkundig plan wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Bij de maximaal mogelijke planologische invulling van 168 woningen, wordt een extra parkeerplek mogelijk gemaakt om in de parkeerbehoefte te voorzien. Hiervoor is in de regeling een beoordelingsregel opgenomen (Artikel 24.2). Bij de aanvraag moet worden aangetoond dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Verder worden bij de verkeersafwikkeling of veiligheid geen knelpunten verwacht. De beoogde ontwikkeling past voor het aspect mobiliteit en parkeren binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.17 Ecologie

5.17.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.

Natura 2000-gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een wijziging van het omgevingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Een activiteit waarvoor een omgevingsplan wordt aangevraagd kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

5.17.2 Toetsing

Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de mogelijke effecten van het project op de omgeving zijn onderzocht (Bijlage 7, Franse Gat (deelgebied 3) Aanmeldingsnotitie, 19-11-2025, Sweco). De mogelijke effecten en maatregelen worden hieronder verder toegelicht.

Soortenbescherming

Voor de planlocatie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieruit bleek dat binnen de planlocatie beschermde soorten aanwezig zijn; de gierzwaluw , huismus en gewone dwergvleermuis. Omdat de voorgenomen werkzaamheden (sloop, nieuwbouw en renovatie) leiden tot het verstoren en verwijderen van verblijfplaatsen van deze soorten, is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) aangevraagd.

Ontheffing Wet natuurbescherming

Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben op 14 oktober 2021 een ontheffing verleend (zaaknummer Z-WNB-RI-REG-2021-0690). De ontheffing geldt tot en met 15 augustus 2026.

Met de verleende ontheffing en de uitvoering van mitigerende en compenserende maatregelen is het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan. Om eventuele verstorende werkzaamheden na 15 augustus 2026 voort te kunnen zetten is t.z.t. een verlenging van de ontheffing noodzakelijk.

Gebiedsbescherming

De planlocatie ligt niet binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Sweco heeft onderzoek gedaan naar stikstofdepositie. Het onderzoek is terug te vinden in Bijlage 4 (Franse Gat fase 3 Onderzoek stikstofdepositie, 06-11-2025, Sweco)

Voor de beoordeling van de stikstofdepositie is gekeken naar de locaties binnen Natura 2000-gebieden waar er een overbelasting van stikstofdepositie is. Dat wil zeggen dat de heersende achtergronddepositie groter is dan de KDW van de gekarteerde habitattypen en/of leefgebieden. Uit voorzorg worden ook locaties beoordeeld waar de achtergronddepositie tot 70 mol N/ha/jaar onder de KDW ligt (een naderende overschrijding KDW). Rondom het projectgebied zijn de volgende Nederlandse Natura-2000 gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden aanwezig (zie figuur 5.9):

  • Binnenveld circa 1,8 kilometer;
  • Rijntakken circa 4,3 kilometer;
  • Kolland & Overlangbroek circa 7,5 kilometer;
  • Veluwe circa 8,8 kilometer.

Het nabijgelegen Natura 2000-gebied Arkemheen (± 24,6 km) kent geen stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden of geen overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW).

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0035.png"

Figuur 5.10: omliggende Natura-2000 gebieden en relevante habitattypen (Bron: Sweco)

Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatiefase en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan deze stikstofdepositie op de relevante stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten binnen Natura 2000- gebieden worden berekend. Het gebruik van dit rekeninstrument is in de Omgevingsregeling voorgeschreven.

5.17.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt een tijdelijke toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen het Natura 2000-gebied Binnenveld. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat het is uitgesloten dat de berekende tijdelijke toenames aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zullen leiden tot een negatief ecologisch effect. Hiermee worden ook mogelijke belemmeringen op hersteldoelen voor herstelhexagonen binnen het Natura 2000-gebied Binnenveld niet negatief beïnvloed (in ecologische zin). Daarnaast is een cumulatietoets uitgevoerd, om te achterhalen of de voorgenomen ontwikkeling in cumulatie met andere projecten voor significant negatieve effecten zorgt. Ook hieruit bleek dat significante effecten ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn uitgesloten.

In het kader van soortenbescherming is een ontheffing verleent. Bij verstorende werkzaamheden na 15 augustus 2026 zal de ontheffing meoten worden verlengd.

De beoogde ontwikkeling past voor het aspect mobiliteit en parkeren binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.18 Bezonning

5.18.1 Wettelijk kader

Nieuwbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Het Bkl bevat geen instructieregels voor bezonning dan wel schaduwhinder. Gemeenten kunnen hier beleid voor vaststellen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onevenredige gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van omliggende woningen.

Gemeente Veenendaal heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een lichte en een strenge norm:

  • de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;
  • de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.

5.18.2 Toetsing

Binnen de planlocatie Franse Gat deelgebied 3 zijn vier bouwblokken voorzien met verschillende bouwhoogtes. Het merendeel van de blokken heeft een maximale bouwhoogte van 10 meter en twee blokken beschikken over een maximale bouwhoogte van 13 meter.

Op basis van de stedenbouwkundige opzet, de oriëntatie van de blokken, onderlinge afstanden en een in het participatieproces uitgevoerde bezonningsstudie door KAW wordt verwacht dat de hogere blokken (3A en 3B) lokaal mogelijk extra schaduw veroorzaken, met name in de winterperiode, maar dit leidt niet tot structurele overschrijding van de normen. De openbare ruimten en groenvoorzieningen behouden gedurende een groot deel van de dag zonlicht. Er is geen sprake van onevenredige schaduwhinder voor omliggende woningen.

5.18.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling past voor het aspect bezonning binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.19 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

5.19.1 Wettelijk kader

Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid.

Omgevingsvisie Gemeente Veenendaal

In de omgevingsvisie van de gemeente Veenendaal staan de doelen en beleidmaatregelen omtrent duurzaamheid en klimaatadaptatie:

  • Ruimte voor groen: In de openbare ruimte moet groen en water zichtbaarder en functioneler worden. Zo moet huidig en nieuw groen, gebruiksgroen worden.
  • Mobiliteit: Wandelen en fietsen wordt aantrekkelijker gemaakt door hiervoor betere verbindingen en meer ruimte te creeren . Zo worden deze manieren uitnodigender, toegankelijker en veiliger.
  • Energie: Zonne-energie opwekken op daken en gevels wordt gestimuleerd. Verder wordt met stakeholders in Regio Foodvalley samengewerkt aan een Regionale Energie Strategie. Hiermee worden de ambities om in 2030 voor de helft duurzame energie te hebben en in 2050 klimaatneutraal te zijn concreter.

  • Franse gat is een van de wijken waar aardgasvrij snel een mogelijkheid is. Voor 2050 moeten alle wijken aardgasvrij zijn.

  • Klimaatadaptatie: Gebiedsontwikkeling moet ruimte geven aan klimaatadaptieve maatregelen zoals regenwateropvang en tegengaan van hittestress. Waterberging voor particulieren wordt mogelijk verplicht. Verder wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen grondwaterneutraal gebouwd.

5.19.2 Toetsing

Op het gebied van duurzaamheid wordt een grote stap gemaakt door de huidige slecht geïsoleerde woningen te vervangen door nieuwbouw dat gasloos en energieneutraal wordt gerealiseerd. Verder is met Veenvesters afgesproken dat voor de grondgebonden woningen BENG 3 = 100% geldt. Ook voor de appartementen geldt BENG 3 = 100%, mits het dakoppervlak voldoende ruimte biedt. Het dakoppervlak wordt maximaal benut met zonnepanelen, rekening houdend met de benodigde ruimte voor overige installaties en het borgen van de toegankelijkheid van het dak. Het percentage van BENG 3 geeft aan welk deel van gebouwgebonden energieverbruik hernieuwbaar wordt opgewekt. Ook de score voor de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) scoort beter dan wat landelijk is verplicht.

Op het gebied van klimaatadaptatie wordt de wijk klimaatbestendiger door waterberging te realiseren in de openbare ruimte. Dit door middel van waterbergingsvoorzieningen, infiltratiesystemen en meer groen in de straat.

Afspraken over maatregelen die verder gaan dan de wettelijke verplichtingen zijn vastgelegd in de exploitatieovereenkomst die is gesloten tussen Veenvesters en de gemeente.

De nieuwbouwwoningen worden niet meer aangesloten op gas.

In paragrafen 4.2.1, 4.4.6 en 5.4 wordt is verder ingegaan op de toetsing aan de relevant beleidskaders voor duurzaamheid en klimaatadaptatie.

5.19.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling draagt op meerdere vlakken bij aan een duurzame- en klimaatadaptieve inrichting van de fysieke leefomgeving. Door aandacht voor waterbeheer en groenvoorziening. Het project draagt voor het aspect duurzaamheid en klimaat bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.20 Windhinder

5.20.1 Wettelijk kader

Nieuwbouw kan vanwege de positionering en bouwhoogte veranderingen teweeg brengen in het lokale windklimaat. In het Bkl of andere wetgeving zijn geen instructieregels opgesteld voor windhinder. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om hier zelf beleid op te maken. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving.

Gemeente Veenendaal heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft windhinder en windgevaar. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, kan voor het beoordelen van het lokale windklimaat op loop- en verblijfsniveau de algemeen gehanteerde norm NEN 8100 ('Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving') worden toegepast. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. Voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) is aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn:

  • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig;
  • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is;
  • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.
5.20.2 Toetsing

Rond de planlocatie komen geen gebouwen voor die hoger zijn dan 15 meter. De bouwhoogte van de omliggende woningen is maximaal 10 meter met uitzondering van de woningen aan het Dr. Slotemaker de Bruineplein waar 13 en 15 meter is toegestaan. Binnen de planlocatie is de hoogst toegestane bouwhoogte 13 meter. Op basis hiervan is nader onderzoek niet nodig.

5.20.3 Conclusie

Het planvoornemen zorgt niet voor onaanvaardbare windhinder of windgevaar binnen of buiten de planlocatie.

5.21 Slagschaduw bij windturbines

5.21.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl worden regels gesteld voor slagschaduw van windturbines. Het gaat hierbij om regels voor windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die langer dan 10 jaar ergens zullen staan. Slagschaduwgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebruik (artikel 5.98b Bkl). De gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met de aanvaardbaarheid van slagschaduw van windturbines. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.3.18 van de Bruidsschat en zijn gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit, zolang de gemeente deze regels nog niet heeft verplaatst en/of aangepast (check bruidsschat/omgevingsplan).

5.21.2 Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in de buurt van een windturbine, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over slagschaduw.

5.22 Ontplofbare oorlogsresten

5.22.1 Wettelijk kader

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger.

De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie.

Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.

Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.

5.22.2 Toetsing

De planlocatie ligt niet binnen een verwachtingsgebied ontplofbare oorlogsresten.

Het gemeentelijk beleid stelt dat binnen onverdachte gebieden werkzaamheden normale

doorgang kunnen hebben. Vervolgstappen op het gebied van OO zijn niet nodig. Daarbij dient vermeld te worden dat er ten alle tijden rekening gehouden dient te worden met het Protocol van Toevalsvondsten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01_0036.png"

Figuur 5.11: De planlocatie geprojecteerd op de OO-bodembelastingkaart van de gemeente Veenendaal.

5.22.3 Conclusie

De planlocatie ligt op basis van de risicokaart Veenendaal niet binnen een verwachtingsgebied ontplofbare oorlogsresten. Nader onderzoek is daarmee niet nodig.

5.23 Weging elektriciteits-infrastructuur, energieparagraaf

5.23.1 Wettelijk kader

De instructieregels uit de provinciale verordening geven in artikel 5.11 aan dat bij de bouw van 10 of meer woningen, die tot een aanvullende belasting van de elektriciteits-infrastructuur kunnen leiden, rekening gehouden wordt met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur.

5.23.2 Toetsing en conclusie

Er is inventariserend overleg gevoerd met de netbeheerder. Daaruit is gebleken dat het plan past binnen de energie-instrastructuur van de netbeheerder. In het kader van het vooroverleg wordt de netbeheerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het plan.

In het kader van de wijkvernieuwing van het Franse Gat werkt netbeheerder Stedin samen met de gemeente Veenendaal aan de inzet van verzwaring van het elektranetwerk.

5.24 Gezondheid en milieu

5.24.1 Wettelijk kader

Een van de doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De afgelopen jaren is er binnen de ruimtelijke ordening al steeds meer aandacht voor gezondheid (zowel gezondheidsbescherming als gezondheidsbevordering), maar onder Omgevingswet komen de gezondheidsafwegingen meer centraal te staan.  

5.24.2 Toetsing

Voor het aspect luchtkwaliteit liggen de concentraties luchtverontreinigende stoffen wel boven de gezondheidskundige advieswaarden (maar dat geldt voor de hele gemeente Veenendaal omdat de achtergrondconcentraties reeds hoger zijn dan deze advieswaarden). In de GGD-Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid wordt aanbevolen om nieuwe gevoelige bestemmingen, inclusief woningen en ziekenhuizen, bij voorkeur niet binnen 150 meter van een snelweg en niet binnen 25 meter van een drukke weg binnen de bebouwde kom met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal te bouwen. Dit is onafhankelijk van de vraag of de grenswaarden worden overschreden of niet.

De GGD adviseert om binnen 25 meter van een dergelijke weg geen nieuwe functies voor hooggevoelige groepen te realiseren. De planlocatie ligt niet binnen 25 meter van een dergelijke weg en voldoet daarmee aan het GGD advies.

Met het oog op de gezondheidssituatie in brede zin, is van belang dat de planlocatie goed bereikbaar is voor langzaam verkeer. Alle voorzieningen zijn op loop- of fietsafstand bereikbaar, waarmee het autogebruik wordt beperkt en een gezonde leefstijl (met zo veel mogelijk beweging) wordt gestimuleerd. De openbare ruimte wordt ingericht als een groene, veilige en goed toegankelijke woonomgeving met ruimte voor verblijf en langzaam verkeer. Belangrijke straten krijgen bredere trottoirs en groenstroken met bomen, terwijl de Klaas Katerstraat wordt ingericht als fietsstraat. Deze elementen dragen in positieve zin bij aan de gezondheid van bewoners en gebruikers van het gebied.

5.24.3 Conclusie

De ontwikkeling draagt voor het aspect gezondheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.25 Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte

5.25.1 Wettelijk kader

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter – en goedkoper – gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.

In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.

Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

5.25.2 Toetsing en conclusie

De planlocatie is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.26 Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het initiatief niet op onacceptabele

gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

De bouw van woningen is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.

Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van het Franse Gat verzekerd is.

Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de regels is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

Hoofdstuk 7 Juridisch kader

7.1 Toelichting regels

7.1.1 Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

In het eerste hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan worden een aantal algemene dingen geregeld. Zo worden in artikel 1 begripsbepalingen opgenomen. Voor dit TAM-omgevingsplan zijn naast de specifieke begrippen die zijn opgenomen in artikel 1, ook de begrippen die horen bij het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing verklaard. De specifieke begrippen uit het TAM-omgevingsplan, krijgen voorrang op de begrippen die horen bij de amvb's als sprake is van een andere definitie. Daarnaast zijn de begrippen uit bijlage 1 van de Omgevingswet altijd van toepassing op omgevingsplannen. Begrippen die al zijn opgenomen in bijlage 1 van de Omgevingswet zijn daarom niet opgenomen in de begripsbepalingen van het TAM-omgevingsplan.

Artikel 2 regelt specifiek het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan. Zo wordt geregeld dat het vigerende bestemmingsplan niet langer van toepassing is na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan. De overige onderdelen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan blijven wel in stand.

Ook wordt specifiek een uitzondering gemaakt op de regels over stedenbouwkundige ensembles die in het omgevingsplan gemeente Veenendaal geregeld zijn.

Verder wordt de verhouding met de bruidsschat (afdeling 22.2 en 22.3) geduid. Tot slot wordt geregeld dat de locaties die zijn gemaakt voor het TAM-omgevingsplan ook juridisch deel uitmaken van het TAM-omgevingsplan.

In artikel 3 wordt een aanvulling gedaan op de meetbepalingen uit de bruidsschat en geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze hoogtes, afstanden, inhoud en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

Tot slot wordt in artikel 4 het systeem van de toelatingsplanologie juridisch vastgelegd voor zover het gebruiks- of bouwactiviteiten betreft. Dat houdt in dat het TAM-omgevingsplan aangeeft welke gebruiks- en bouwactiviteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dat op grond van artikel 4 aangemerkt als activiteit in strijd met het TAM-omgevingsplan. Een uitzondering hierop vormen de bestaande bouwwerken. Deze bouwwerken zijn, ongeacht wat het TAM-omgevingsplan regelt, altijd toegestaan. Het moet dan wel gaan om legale bouwwerken.

7.1.2 Hoofdstuk 2 - Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Het hoofdstuk aanwijzingen in de fysieke leefomgeving aanwijzingen van gebieden die in latere hoofdstukken weer terugkomen. In het geval van dit TAM-omgevingsplan is een aanwijzing opgenomen voor het archeologisch waardevol gebied en het grondwaterbeschermingsgebied. De inhoudelijke regels die verband houden met de aanwezigheid van het archeologisch waardevol gebied en het grondwaterbeschermingsgebied zijn opgenomen in de hoofdstukken die de verschillende activiteiten reguleren. Je ziet dit bijvoorbeeld terug in hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten en hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten.

7.1.3 Hoofdstuk 3 - Benutten van de fysieke leefomgeving

Hoofdstuk 3 bevat regels voor gebruiksactiviteiten. Het gaat hierbij om zogenaamde hoofdgebruiksactiviteiten, die als zelfstandige gebruiksactiviteit mogen worden uitgeoefend. Naast artikel 7, waarin een aantal specifieke gebruiksactiviteiten worden verboden, wordt binnen het plangebied het gebruik voor wonen toegestaan en worden gebruiksactiviteiten binnen verkeer mogelijk gemaakt.

Voor het gebruik voor wonen geldt dat dit in de basis is toegestaan. Wel moet er worden voldaan aan de voorgeschreven onderverdeling tussen sociale huur/koop en vrije sector woningen. Daarnaast wordt er per deelgebied binnen het plangebied aangegeven hoeveel wooneenheden in gebruik mogen worden genomen.

Voor de gebruiksactiviteiten binnen verkeer wordt geregeld dat de voorzieningen die in de openbare ruimte voorkomen als zodanig mogen worden gebruikt. Deze regeling geeft hiermee niet aan dat het hele gebied wat is aangewezen met de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan' is bestemd voor een verkeersfunctie. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk om het gebied groen in te richten.

7.1.4 Hoofdstuk 4 - Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

Naast hoofdgebruiksactiviteiten zijn er ook regels opgenomen voor ondergeschikte gebruiksactiviteiten. Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan. Het gaat hierbij specifiek om een regeling voor beroepen of bedrijven aan huis zijn die onder voorwaarden zijn toegestaan.

7.1.5 Hoofdstuk 5 - Bouwactiviteiten

In hoofdstuk 5 zijn alle regels voor bouwactiviteiten opgenomen. Dit hoofdstuk begint met een artikel dat algemene regels bevat, waaronder de anti-dubbeltelregel en enkele andere algemene regels. Verder zijn in dit hoofdstuk regels opgenomen over het bouwen van gebouwen, hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. Voor de het archeologisch waardevol gebied vind je hier ook een bouwregel terug.

Voor de grotere wooncomplexen zonder tuin is de gebouwenregeling uit artikel 12 toegepast. Voor de woningen met tuin is de hoofdgebouwenregeling uit artikel 13 toegepast. Deze artikelen hebben wat betreft werkingsgebied nergens binnen het plangebied overlap.

Voor de bijbehorende bouwwerken is aangesloten op de regeling uit de bruidsschat in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan gemeente Veenendaal. In de regels van dit TAM-omgevingsplan is hier een aanpassing in doorgevoerd vanwege een instructieregel uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit heeft ook geresulteerd in de meldingsplicht voor bijbehorende bouwwerken.

7.1.6 Hoofdstuk 6 - Aanlegactiviteiten

Hoofdstuk 6 bevat de regels voor aanlegactiviteiten. Hier vind je bijvoorbeeld de vergunningplicht voor het uitvoeren van aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied en het grondwaterbeschermingsgebied.

7.1.7 Hoofdstuk 7 - Overige activiteiten

In hoofdstuk 7 van de regels van dit TAM-omgevingsplan is een regeling opgenomen over parkeren en laden en lossen.

7.1.8 Hoofdstuk 8 - Overgangs- en slotregels

De regels worden afgesloten met hoofdstuk 8 die de overgangsbepalingen bevat. Hier wordt geen slotregel opgenomen omdat de slotregel al in het omgevingsplan gemeente Veenendaal staat, waar dit TAM-omgevingsplan juridisch gezien onderdeel van uitmaakt.

7.2 Toelichting verbeelding

Op de verbeelding zijn alle locaties die het werkingsgebied van de verschillende artikelen vormen weergegeven. In elk artikel wordt aangegeven op welke locatie dat artikel van toepassing is. Vaak wordt daarbij verwezen naar een enkelbestemming, soms kan dit een dubbelbestemming of een gebiedsaanduiding zijn. In het geval van algemene regels wordt geen verwijzing gemaakt naar een specifieke locatie, deze regels gelden binnen het hele plangebied.

Door de systematiek van de regels van dit TAM-omgevingsplan bestaat de verbeelding uit een opeenstapeling van bestemmingsvlakken. Hierdoor kan geen volledig beeld worden verkregen van de toepassing van de artikelen als alle bestemmingsvlakken tegelijkertijd worden getoond. Voor een correcte weergave is het aan te raden elk bestemmingsvlak afzonderlijk te raadplegen wat mogelijk is in de viewer regels op de kaart.

Hoofdstuk 8 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

8.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er is sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of de aangevraagde activiteit(en) kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante omgevingsaspecten en andere thema's (voor zover relevant voor het project en de omgeving daarvan) zorgvuldig onderzocht en afgewogen op basis van de instructieregels. Hieronder volgt de samenvatting van de beoordeling en de conclusie waaruit volgt of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.2 Beleidskader

De ontwikkeling is ook aan het relevante beleidskader getoetst. Deze toetsing staat in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing. Hieruit volgt dat de ontwikkeling past binnen het beleidskader.

Met de ontwikkeling wordt de sloop- en nieuwbouw van woningen mogelijk gemaakt. Hierbij wordt het aantal woningen vergroot en is het woontype aangepast op de vraag. De toevoeging van de woning past binnen het streven van het Rijk en de regio naar het uitbreiden van het woningaanbod. Het bouwen van sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen is afgestemd op de vraag binnen de regio en de gemeente. Ook ligt het plan in lijn met de duurzaamheidsambities van de provincie en de gemeente.

8.3 Omgevingsaspecten

Deze motivering bevat de toetsing aan deze beoordelingsregels. In hoofdstuk 5 van deze motivering is voor de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving getoetst of aan deze beoordelingsregels wordt voldaan en of er met het project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Binnen de planlocatie gelden geen belemmeringen voor de ontwikkeling omtrent omgevingsveiligheid. Verder is met het wateradvies beoordeeld dat de belangen van het waterschap zijn geborgd en worden nadere aandachtspunten in het kader van het inrichtingsplan verder uitgewerkt.

Daarbij valt de ontwikkeling onder de standaardgevallen 'niet in betekenende mate' luchtkwaliteit, hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met artikel 5.54 van het Bkl. Bovendien blijkt dat de luchtkwaliteit binnen de locatie aanvaardbaar is waardoor de ontwikkeling voor het aspect luchtkwaliteit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Ook heeft het akoestisch onderzoek aangetoond dat de ontwikkeling binnen de aanvaardbare geluidsniveau's blijft voor zowel geluid door wegen als activiteiten.

Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit. Uit bodem- en asbestonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor de vervolgfunctie. Wel zal vervolgonderzoek moeten plaatsvinden om de hergebruikmogelijkheden te bepalen in het huidige openbaar gebied.

Uit de beoordeling van het archeologisch onderzoek blijkt dat dit plan voldoende rekening houdt met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In het omgevingsplan is een regeling opgenomen die ziet op het voorkomen van aantasting van aanwezige waarden. Het is niet nodig voor dit tam-omgevingsplan deze regelingen te wijzigen of aan te vullen.

De ontwikkeling is aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Met het mogelijk maken van de ontwikkeling is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er invulling wordt gegeven aan de vraag en behoefte op een binnenstedelijke locatie.

Voor het aspect mobiliteit en parkeren is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het plan houdt rekening met de verkeersafwikkeling en parkeernormen.

Daarbij draagt de ontwikkeling voor het aspect gebiedsbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de stikstofberekeningen aantonen dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast.

Het plan draagt voor het aspect bezonning bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling leidt namelijk niet tot structurele overschrijding van de normen.

Als laatste draagt het plan bij aan de duurzaamheids- ambities en beleidskaders van de gemeente. Hiermee draagt het bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.