direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Mercurion 34 Zevenaar
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding en leeswijzer

1.1 TAM- IMRO

Het TAM-IMRO Omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) die kan worden gebruikt in de periode dat onderdelen van het DSO nog niet (optimaal) werken of gebruikt kunnen worden omdat de plansoftware van de gemeente nog niet alle benodigde functies biedt of omdat er te weinig tijd is geweest om ermee te oefenen.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wet ruimtelijke ordening (inmiddels vervallen) tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl.

Een TAM-IMRO omgevingsplan wordt alleen gebruikt om een ontwikkeling mogelijk te maken als niet van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA, betreft een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningsvrij voor bouwen is) gebruik gemaakt kan worden. In Hoofdstuk 2 wordt hierop nader ingegaan.

Juridisch gezien is een TAM-IMRO plan aan te merken als een wijziging van het omgevingsplan en moet daarom ook voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan gaat juridisch één geheel vormen met het gemeentelijke omgevingsplan. Dit TAM-IMRO omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan gevoegd.

1.2 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk, Hoofdstuk 1, vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat de aanleiding voor het opstellen van dit plan. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving en analyse van de huidige situatie. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de toekomstige situatie, de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat de beoordeling ten aanzien van algemeen beleid en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 6 (goede omgevingskwaliteit) en Hoofdstuk 7 (veilige en gezonde fysieke leefomgeving) wordt ingegaan op de effecten van de ontwikkeling in relatie tot de bescherming van de fysieke leefomgeving. Afgesloten wordt met een concluderend Hoofdstuk 8, Hoofdstuk 9 en Hoofdstuk 10 waarin wordt aangegeven onder welke voorwaarden de aanvraag voldoet aan de wettelijke en beleidsmatige kaders.

Hoofdstuk 2 Aanleiding

2.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens op het perceel aan de Mercurion, naast nummer 36, een (zorg-)wooncomplex te realiseren. In het (zorg-)wooncomplex worden 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen gerealiseerd.

Deze ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op grond van het omgevingsplan. Tevens is in het omgevingsplan is geen binnenplanse mogelijkheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken. De gemeente Zevenaar kiest ervoor om qua systematiek zoveel mogelijk aan te sluiten bij het bestemmingsplan. Het TAM-Omgevingsplan sluit hier het beste bij aan.

De gemeente Zevenaar wil daarom medewerking verlenen aan de ontwikkeling door een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen. Aan een dergelijke wijziging kan alleen medewerking worden verleend als deze in ieder geval voldoet aan:

  • de doelen van de Omgevingswet (zie artikel 1.3 en 2.1, lid 1, Omgevingswet);
  • de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2, Omgevingswet);
  • de instructieregels over het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); de instructieregels over het omgevingsplan uit de omgevingsverordening van Provincie Gelderland;
  • de instructies (instructiebesluiten) van Rijk over het omgevingsplan.

De onderbouwing dat de beoogde ontwikkeling hieraan voldoet is opgenomen in voorliggend document. Daar waar in dit document gesproken wordt over de wijziging van het omgevingsplan, wordt bedoeld de wijziging van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel op basis van de IMRO-standaard.

2.2 Projectgebied

Het projectgebied ligt aan de Mercurion, naast nummer 36. Kadastraal staat het gebied bekend als: nummer 4856, sectie K, kadastrale gemeente Zevenaar.

Het projectgebied is gelegen op kantorenpark Mercurion aan de noordzijde van Zevenaar. Het projectgebied heeft een omvang van 2.945 m² en bestaat in de huidige situatie uit een grasveld met bosschages.

Op de volgende afbeeldingen zijn de globale ligging en ligging in de directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit TAM-Omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0001.jpg"

Globale ligging projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0002.jpg"

Globale begrenzing projectgebied

In de directe omgeving van het gebied zijn aan de noordwestelijke zijde van het projectgebied bedrijven gevestigd. Ten oosten van het projectgebied ligt een fietsverbinding met aan de overzijde een basisschool en parkeerplaats. In zuidelijke richting bevindt zich een groenstructuur met daarin een fietsverbinding. Aan de overzijde van deze fietsverbinding bevinden zich woningen. Tevens bevindt zich aan de noordoostzijde een sportpark met tennis- en padelbanen.

2.3 Strijdigheden met het omgevingsplan

2.3.1 Projectgebied

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de Erfgoedverordening en de Geurverordening en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden.

Voor het projectgebied geldt het 'Omgevingsplan gemeente Zevenaar'. Onderdeel van dit omgevingsplan zijn de bruidsschatregels en de bestemmingsplannen. De bruidsschatregels zijn voormalige rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn komen te vervallen en in het omgevingsplan van de gemeente zijn opgenomen. Alle (voorheen of op 31 december 2023) geldende bestemmingsplannen zijn per 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel geworden van het 'Omgevingsplan gemeente Zevenaar'.

Ter plaatse van het projectgebied zijn nog geen specifieke regelingen opgenomen in het omgevingsplan. Daarom geldt het bestemmingsplan 'Mercurion' dat op 29 mei 2013 is vastgesteld door de raad van de gemeente Zevenaar.

Op grond van het vigerend bestemmingsplan kent het projectgebied de bestemming 'Gemengd'. De gronden met de bestemming 'Gemengd' zijn bestemd voor het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten, kantoren, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Ter plaatste van het projectgebied is een bouwvlak opgenomen. Binnen het opgenomen bouwvlak is een maximaal bebouwingspercentage van 40%, een maximale bouwhoogte van 9 meter en een minimale bouwhoogte van 6 meter opgenomen.

Tevens heeft het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en is de functieaanduiding 'Specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting' opgenomen. Ter plaatste van deze functieaanduiding is het verboden om bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 meter uit te voeren of te laten uitvoeren zonder een omgevingsvergunning.

Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het vigerend bestemmingsplan weergegeven. Het projectgebied is hierop globaal met een gele belijning aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0003.jpg"

Uitsnede bestemmingsplan 'Mercurion'

2.3.2 Strijdigheden met het omgevingsplan van rechtswege

Zoals in voorgaande subparagraaf benoemd heeft het projectgebied op grond van het vigerend bestemmingsplan 'Mercurion' de bestemming 'Gemengd'. Ten aanzien van de ruimtelijke bouwactiviteiten zijn er de volgende strijdigheden met het omgevingsplan geconstateerd:

  • Binnen de bestemming 'Gemengd' is wonen niet toegestaan. De beoogde ontwikkeling is hiermee in strijd met het Omgevingsplan.
  • Ter plaatse van de bouwactiviteiten is een maximale bouwhoogte van 9 meter opgenomen. Met de voorliggende ontwikkeling wordt de bouwhoogte overschreden. De beoogde ontwikkeling is hiermee in strijd met het Omgevingsplan.

Ten aanzien van de wijziging van het omgevingsplan voor voorliggend initiatief, is de gemeente Zevenaar het bevoegd gezag om een besluit te nemen. In het omgevingsplan zelf is geen mogelijkheid opgenomen om met een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling.

2.4 Voorbereiding

2.4.1 Conceptaanvraag

Voordat initiatiefnemers een definitief verzoek om wijziging van het omgevingsplan indienen, kan er eerst vooroverleg worden gevoerd met de gemeente. De gemeente beoordeelt dan of het plan op hoofdlijnen aansluit op de maatschappelijke behoeften en of de fysieke leefomgeving voldoende beschermd blijft. Dit leidt tot een formele beoordeling van het plan in de vorm van een reactie op een conceptaanvraag.

Beoordeling

Voor de beoogde ontwikkeling is voorafgaand aan de definitieve aanvraag omgevingsvergunning is een conceptaanvraag ingediend. Op 6 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders een positieve grondhouding aan genomen over de conceptaanvraag. Hiermee kan het proces worden gestart om te komen tot realisatie. Hiervoor moet een Omgevingsplan opgesteld worden, waarvoor benodigde onderzoeken worden uitgevoerd. Dit TAM-Omgevingsplan voorziet in de eisen uit de conceptaanvraag. Hiervoor is nadere toetsing niet noodzakelijk.

2.4.2 Participatie

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Ook bij de wijziging van het omgevingsplan hecht de gemeente veel waarde aan een goed participatietraject. Participatie vindt in de regel plaats in aanloop naar de publicatie van een ontwerp-omgevingsplan: op die manier worden belanghebbenden in een vroegtijdig stadium betrokken en kunnen de verschillende belangen en wensen worden betrokken bij de te maken afweging.

Wettelijk kader

Participatie door de initiatiefnemer bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan is niet wettelijk vereist. Wel dient in het vaststellingsbesluit staan of en hoe zij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken heeft. En ook wat de gemeente met de resultaten heeft gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit.

Wie de gemeente bij de vroegtijdige participatie betrekt of laat betrekken, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.

Beleid en verordeningen

De gemeenteraad van Zevenaar heeft een dergelijke lijst op 21 september 2022 vastgesteld. In dezelfde raadsvergadering is de participatieleidraad 'Zevenaar voor een goede omgevingsdialoog onder de Omgevingswet' vastgesteld. Daarin wordt aangegeven op welke manier in Zevenaar uitvoering gegeven wordt aan participatie voor alle ruimtelijke ontwikkelingen (dus ook de niet wettelijk verplichte).

De formele wettelijke procedures (zienswijze, bezwaar en beroep) worden niet vervangen door participatie. Meer informatie over deze wettelijke procedures is te vinden in hoofdstuk 8 (proces).

In de participatieleidraad wordt gebruik gemaakt van de 'participatietrap' om per project of plan de juiste participatieaanpak te bepalen. In deze trap zijn verschillende opties, ook wel de gespreksdoelen, van participatie weergegeven:

  • Informeren
  • Inventariseren
  • Verdiepen
  • Samen doen

Per initiatief wordt beoordeeld welk gespreksdoel het meest voor de hand ligt. Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan de impact die de ontwikkeling heeft op de omgeving door bijvoorbeeld de omvang of de aard van de activiteit, politieke gevoeligheid, te verwachten zienswijzen etc. Grote initiatieven zijn ontwikkelingen waarbij meerdere (tegengestelde) belangen spelen.

Beoordeling

De informatieavond vond plaats op woensdagavond 29 januari 2025 van 19.00 – 20.00 uur bij Zevenaardig aan de Voltastraat 45 in Zevenaar. De genodigden konden zich vooraf per mail aanmelden. In de ruimte waren diverse informatiepanelen opgesteld met daarop een presentatie van de plannen. Deze plannen bestonden uit het architectonische ontwerp van het (zorg-)wooncomplex, almede de inrichting van het bijbehorende terrein. Door de initiatiefnemer en de architect werden de plannen, op verzoek, nader toegelicht. Er was positieve en kritische feedback, maar er werd op een prettige en constructieve wijze met elkaar gediscussieerd.

Een volledig participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 1.

Conclusie

In het kader van de totstandkoming van het ontwerp-omgevingsplan is vorm gegeven aan de eis tot participatie (artikel 10.2, lid 2 Omgevingsbesluit). Dit is wel conform het vereiste niveau van de 'participatietrap' in de participatieleidraad van de gemeente Zevenaar.

Het aspect participatie vormt daarmee geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

Hoofdstuk 3 Huidige situatie

3.1 Ontstaansgeschiedenis

Het gebied bestond oorspronkelijk uit weilanden in een orthogonale verkavelingsstructuur. Op de topografische kaart uit 1950 zien we de Hunneveldweg wat destijds nog een doorgaande autoverbinding was.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0004.jpg"

Topografische kaarten 1950 (bron: www.topotijdreis.nl)

Door de jaren heen groeit Zevenaar in noordelijke richting. De woningbouw ten zuiden van de locatie is op de topografische kaart van 1980 voor het eerst zichtbaar. Vlak daarna volgt ook de bouw van het ziekenhuis en de sporthal op het bedrijventerrein Mercurion. De Hunneveldweg wordt een langzaam verkeersverbinding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0005.jpg"

Topografische kaarten 1980 (bron: www.topotijdreis.nl)

Inmiddels is een groot deel van het bedrijventerrein bebouwd met kantoren, een school en sportvelden. Er zijn nog een aantal open ruimtes te vinden die nooit zijn bebouwd, waaronder ook het projectgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0006.jpg"

Topografische kaarten 2023 (bron: www.topotijdreis.nl)

Tevens is er door Buro Ontwerp & Omgeving een stedenbouwkundige analyse gemaakt waarin de historie van het projectgebied nader is uitgewerkt. Voor de stedenbouwkundige analyse wordt verwezen naar Bijlage 3.

3.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Het projectgebied is gelegen op voormalig Technopark, thans kantorenpark Mercurion aan de noordzijde van Zevenaar. Het kantorenpark is ontwikkeld als werkomgeving in een parkachtige structuur, waarbij de openbare ruimte samen met een groene buitenruimte en kwalitatieve bebouwing op uitgeefbare grond elkaar versterken tot een hoogwaardige omgeving.

Het projectgebied heeft een omvang van 2.945 m² en bestaat in de huidige situatie uit een grasveld met bosschages. Aan de noordwestelijke zijde van het projectgebied bevinden zich bedrijven. Ten oosten van het projectgebied ligt een fietsverbinding met daarachter een basisschool en parkeerplaats. In zuidelijke richting bevindt zich een groenstructuur met daarin een fietsverbinding. Aan de overzijde van deze fietsverbinding bevinden zich woningen. Tevens bevindt zich aan de noordoostzijde een sportpark met tennis- en padelbanen.

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een stedenbouwkundige analyse gemaakt waarin het groen en bebouwing van het projectgebied nader is uitgewerkt. Voor de stedenbouwkundige analyse wordt verwezen naar Bijlage 3.

Groen

Het projectgebied is open met sterke groene randen. In zuidelijk richting grenst het aan een belangrijke doorlopende groenstructuur, bestaande uit een bomenlaan met daaronder bosschage. Deze groenstructuur is een belangrijke groene buffer tussen het bedrijventerrein en de woonwijk ten zuiden van het projectgebied. De bosschage loopt door tot in het projectgebied. Voor de bouw van het appartementencomplex zal deze bosschage terug worden gebracht richting de erfgrens.

Het projectgebied heeft momenteel een open en groene uitstraling. Het is gewenst deze groene uitstraling zoveel mogelijk te behouden. Waar nodig zullen enkele bosschages worden verwijderd.

Bebouwing

In de omgeving van het projectgebied liggen grote, massieve bouwblokken met een strakke uitstraling, wat kenmerkend is voor een kantorenpark. De functies van deze gebouwen zijn in lijn met deze uitstraling en bestaan uit maatschappelijke voorzieningen en bedrijfsruimtes.

De bouwblokken variëren in hoogte van één tot drie verdiepingen en zijn op een logische manier naar de straat georiënteerd. De achterkanten van de gebouwen zijn naar elkaar gericht. Een nieuw appartementencomplex, naar buiten georiënteerd, zou het stedenbouwkundige bouwblok kunnen afronden.

Bij de positionering van het gebouw is het wenselijk om enige afstand tot de 'straatzijde' of 'voorzijde' (noordelijke en oostelijke perceelsgrens) te hebben. Dit is ook te zien bij de bestaande bebouwing. Het is wenselijk om minimaal 4m uit de perceelsgrens te blijven. Binnen deze zone zijn op hoogte wel balkons mogelijk. Daarnaast kan de rooilijn van naastgelegen gebouw worden aangehouden.

De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie en inrichting van de openbare ruimte in het projectgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0007.jpg"

Vogelvluchtweergave huidige situatie projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0008.jpg"

Grasveld met bosschages op het projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0009.jpg"

Parkeerplaats grenzend aan het projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0010.jpg"

Fietspad aangrenzend aan projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0011.jpg"

Straatbeeld Mercurion

Hoofdstuk 4 Toekomstige situatie

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en weergegeven met afbeeldingen.

4.1 Functionele ontwikkeling

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. In het (zorg-)wooncomplex worden 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen gerealiseerd. Het huidige perceel is onbebouwd. Echter bevinden zich er wel enkele bosschages in het projectgebied, deze moeten terug gebracht richting de erfgrens om de realisatie van het (zorg-)wooncomplex mogelijk te maken. De doelgroep voor wie het (zorg-)wooncomplex wordt gerealiseerd is vastgelegd in de anterieure overeenkomst.

De ontwikkeling geeft het huidige braakliggend terrein een kwaliteitsimpuls door het introduceren van een nieuwe functie. De leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit zal met het initiatief worden verbeterd waardoor de ontwikkeling als gewenst kan worden aangemerkt.

4.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

Momenteel bestaat het projectgebied uit een grasveld en kent geen overige functies. Om die reden wordt er nieuwe invulling aan het projectgebied gegeven door de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Het perceel van circa 2.950 m2 wordt voor circa 40% bebouwd (1180 m2).

Tevens worden er aan de voorkant 23 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd, met ruimte bij de entree van het complex voor twee invalide parkeerplaatsen. Daarnaast wordt er een berging en fietsparkeren gerealiseerd.

Voor de ontwikkeling is een inrichtingsplan en een stedenbouwkundige analyse opgesteld. Het inrichtingsplan is als Bijlage 2 bijgevoegd. Tevens is de stedenbouwkundige analyse toegevoegd als Bijlage 3. Op de navolgende afbeelding wordt het inrichtingsplan voor het projectgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0012.png"

Inrichtingsplan toekomstige situatie

In de stedenbouwkundige opzet wordt rekening gehouden met de groene uitstraling door het appartementencomplex in te passen en de perceelsranden groen te houden. Daarnaast worden er met het initiatief bosschages terug gebracht richting de erfgrens. In het stedenbouwkundig ontwerp zijn daarom nieuwe bomen voorzien welke de te verwijderen bosschage zullen compenseren. Dit voor het behoud van de groene uitstraling en natuurwaarden.

Op de navolgende afbeelding uit het inrichtingsplan met een gedetailleerde invulling van het perceel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0013.png"

Gedetailleerde invulling perceel

In het plan zijn diverse stedenbouwkundige uitgangspunten meegenomen, hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten:

Groen:

  • De groene uitstraling zoveel mogelijk behouden door het appartementencomplex groen in te passen en de perceelsranden groen te houden.
  • De te verwijderen bosschages compenseren voor het behoud van de groene uitstraling en natuurwaarden.
  • Bosschage onder ecologische begeleiding terugsnoeien (mits vergund). De te kappen bomen/bosschages zijn echter niet (ecologisch) waardevol.
  • Overhangende boomkronen aan de westzijde dienen gerespecteerd te worden voor het behoud van een groene zone langs de perceelgrens.
  • Hoge haag aan de noordzijde handhaven/versterken voor een groene scheiding langs de perceelgrens.
  • Door de slechte infiltratie van regenwater (kleigronden/laagliggend gebied) dienen er aanvullende maatregelen te worden genomen, zoals een groen dak, opvang in de omgeving of aansluiting op het rioolsysteem.
  • Bomen langs het fietspad aan de westzijde zijn structuurbepalend en worden te allen tijde behouden, ook wanneer zij zonlichtinval beperken; bij de verdere uitwerking wordt de bouwafstand hierop afgestemd.
  • Aan de oostzijde wordt de beplanting waar mogelijk behouden en herplant wanneer deze de bouwfase niet overleeft.

Infrastructuur:

  • Zoekgebied voor ontsluiting aan de oostelijke zijde bij de bestaande parkeerplaats en fietsverbinding, wat zorgt voor een goede aansluiting op de bestaande infrastructuur.
  • Zoekgebied voor parkeren bij de ontsluiting, voor een duidelijke entree en vermindering van verharding op het perceel.
  • Benutten van de naastgelegen bestaande parkeerplaatsen indien mogelijk/noodzakelijk.
  • Doortrekken van het trottoir vanaf de noordelijke zijde en langs de oostelijke zijde, en aansluiten op de bestaande voetgangersstructuur voor een verbeterde toegankelijkheid voor voetgangers en het tegengaan van olifantenpaadjes.

Bebouwing:

  • Aan de 'voorzijde' moet enige afstand tot de perceelsgrens worden gehouden. Deze zone kan groen worden ingericht om een groene overgang van openbaar naar privé te creëren.
  • De rooilijn van naastgelegen gebouw moet aan de zuidzijde worden gehandhaafd. Hierdoor komt het toekomstige appartementencomplex in lijn met de bestaande bebouwing en blijft de groene buffer richting de woonwijk behouden.
  • Bij de afronding van het stedelijk bouwblok is het belangrijk dat het gebouw rondom representatief is en zich onderscheidt in architectuur van de omliggende gebouwen, waarbij de noordelijke en oostelijke gevels de voorzijde vormen die gericht zijn op de openbare ruimte.
  • De nieuwbouw bestaat uit meerdere volumes, met aan de westzijde maximaal drie bouwlagen en aan de oostzijde een hoogteaccent van maximaal zes bouwlagen. Hierdoor sluit het plan aan op de schaal van de omliggende bebouwing en krijgt het gebouw een minder massieve uitstraling. Zo ontstaat een geleidelijke overgang naar de omgeving. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar Bijlage 3.
  • De bouwmassa krijgt een plat dak voor de mogelijke realisatie van een groen dak en zorgt voor aansluiting op de omgeving.
  • Richting de school (oostzijde) is een set-back en/ of architectonische verbijzondering gewenst. Dit geeft het gebouw een minder massieve, vriendelijke uitstraling.
  • Het zoekgebied voor de entree moet aansluiten op de parkeerplaats, voor een goede bereikbaarheid van de entree.
  • Het gebouw onderscheidt zich in architectuur van de naastgelegen (kantoor)gebouwen, passend bij de woonfunctie.
  • Binnen de buitenberging is een vaste, afsluitbare locatie gereserveerd voor de inzameling en tijdelijke opslag van bedrijfsafval van RIBW en Siza.
  • De 30x30 betontegels worden doorgezet als trottoirverharding, waarmee de aansluiting op de bestaande openbare ruimte wordt gewaarborgd.

Hoofdstuk 5 Beleid en regelgeving

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het algemene beleid en regelgeving van de drie overheidslagen (Rijk, provincie en gemeente) en het waterschap ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Op specifieke onderwerpen wordt in de hoofdstukken 6 (goede omgevingskwaliteit) en 7 (veilige en gezonde leefomgeving) nader ingegaan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 en 5.2 de instructieregels opgenomen die relevant zijn bij de wijziging van het omgevingsplan.

Zoals ook opgenomen in paragraaf 2.1, dient bij de wijziging van een omgevingsplan ten minste gevolg te worden gegeven aan de volgende aspecten:

  • de doelen van de Omgevingswet (zie artikel 1.3 en 2.1, lid 1, Omgevingswet);
  • de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2, Omgevingswet);
  • de instructieregels over het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • de instructieregels over het omgevingsplan uit de omgevingsverordening van Provincie Gelderland;
  • de instructies (instructiebesluiten) van Rijk en van Provincie Gelderland over het omgevingsplan.

In Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 van deze toelichting is nader onderbouwd dat - en op welke wijze - het plan zich verhoudt met deze elementen.

5.2 Rijk

5.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) speelt het Rijk in op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van circa 1 miljoen nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en een gebiedsgerichte aanpak. Vier prioriteiten staan centraal:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Behoud van omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle ontwikkelingen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid plaatsvinden. De NOVI maakt hierbij gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Daarbij zijn de belangrijkste inhoudelijke keuzes:

  • Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast;
  • De transitie van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie is er oog voor omgevingskwaliteit;
  • De transitie naar een circulaire economie met behoud van concurrentiekracht en een aantrekkelijk vestigingsklimaat;
  • De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee wordt gestuurd op de verstedelijking in samenhang met bereikbaarheid en wordt het potentieel van heel Nederland benut. Woningbouw wordt
  • versneld met oog voor omgevingskwaliteit;
  • Concentratie van de stedelijke ontwikkeling/logistieke functies en daarmee behoud van openheid van het landschap;
  • Op termijn herindeling van het landelijk gebied in goed evenwicht met natuur en landschap en werken aan de omslag naar de kringlooplandbouw.

Naast de NOVI zijn er vanuit het Rijk nog themagerichte structuurvisies en programma's:

  • Nationaal Water Programma 2022-2027
  • Structuurvisie buisleidingen 2012-2035
  • Structuurvisie Ondergrond
  • Structuurvisie buisleidingen 2012-2035
  • Programma Noordzee 2022-2027
  • Structuurvisie Windenergie op land
  • Programma Energiehoofdstructuur

Op nationale belangen geeft het Rijk hiermee sturing aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De bovenlokale belangen worden door provincie en gemeente vertaald naar concrete besluiten. Dit gebeurt via de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Beoordeling initiatief

Hoewel het project vanwege de kleine schaal niet van invloed is op NOVI-doelstellingen, levert het op lokaal niveau wél een positieve bijdrage. Met het initiatief wordt op zeer geringe schaal bijgedragen aan de prioriteiten "Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie" en "Steden en regio's sterker en gezonder maken" uit het NOVI.

Met het plan is sprake van een ontwikkeling binnen een bestaand bedrijventerrein. Het huidige braakliggend terrein krijgt een nieuw functie door een (zorg-)wooncomplex te realiseren. Onderdeel van het initiatief is het inrichten van de openbare ruimte met meer en biodiverser groen en klimaatadaptieve maatregelen. Er is sprake van uitbreiding van de woningvoorraad en een kwaliteitsimpuls voor de omgeving.

5.2.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • het Omgevingsbesluit (Ob);
  • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Bkl instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan:

  • de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl);
  • waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Beoordeling initiatief

Voor het initiatief zijn, anders dan de instructieregels die verderop in deze motivering aan bod komen, geen specifieke instructieregels van toepassing.

5.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt de ladder als volgt omschreven:

Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:

  • 1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • 2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:

  • 1. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
  • 2. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.

Beoordeling initiatief

Voorliggende ontwikkeling zou kunnen worden aangemerkt als een woningbouwlocatie. Deze term is echter niet gedefinieerd in het Bro. Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4) blijkt dat woningbouwplannen met elf woningen niet hoeven te worden aangemerkt als woningbouwlocatie, maar grotere woningbouwplannen wel.

In voorliggend plan is sprake van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Er worden per saldo meer dan 11 (zorg)woningen gerealiseerd. Nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt ingegaan op paragraaf 6.1.

5.2.4 Nationale woon- en bouwagenda

In de Nationale Woon- en Bouwagenda (11 maart 2022) worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland.

De afgelopen jaren heeft de Rijksoverheid zijn eigen rol voor het grondrecht wonen te klein gemaakt. Te veel is gedacht dat de markt als vanzelf en alleen een oplossing zou bieden voor de woningnood. Te lang is geloofd dat de optelsom van alle gedecentraliseerde keuzes zou leiden tot de oplossing. Regie is nu des te gewenster, omdat er – mede als gevolg van de bevolkingstoename – een enorme schaarste aan huizen is. Die maakt dat de overheid nu met meer tempo en meer regie aan de slag moet.

De huidige situatie vergt de bouw van veel meer huizen. De ambitie gaat omhoog naar 100.000 nieuwe woningen per jaar. De Rijksoverheid wil ook duidelijk kunnen sturen op voor wie er wordt gebouwd, op het bouwen van goede en betaalbare woningen op de plek waar ze gewenst zijn.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Er worden per saldo 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen in het projectgebied gerealiseerd. De extra (zorg)woningen dragen, zij het beperkt, bij aan de ambitie om 100.000 nieuwe woningen per jaar te bouwen.

5.2.5 Conclusie

Het voorliggende plan voldoet wel aan de instructieregels van het Rijk.

5.3 Provincie

5.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.

Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:

  • energietransitie;
  • klimaatadaptatie;
  • circulaire economie;
  • biodiversiteit;
  • bereikbaarheid;
  • economisch vestigingsklimaat;
  • woon- en leefklimaat.

Voor dit initiatief zijn met name de ambities voor klimaatadaptatie en het woon- en leefklimaat van toepassing.

Klimaatadaptatie

Het klimaat is merkbaar aan het veranderen, waarbij hoosbuien, extreme hitte en langdurige droogte hierbij goede voorbeelden van zijn. Provincie Gelderland wil zich voorbereiden op het veranderende klimaat door in te zetten op het tegengaan van de bijbehorende risico's en gevaren. Dit heeft prioriteit: In 2050 wil Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. De provincie Gelderland werkt hierbij vooral vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de variatie van de Gelderse streken.

De provincie Gelderland wil met haar partners verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving nemen we de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan. Klimaatbestendig werken is daarbij voor de provincie Gelderland een logische voorwaarde als er samengewerkt wordt met anderen. Verschillende ontwikkelingen binnen toerisme en recreatie horen hier ook bij. Deze ontwikkelen wil de provincie Gelderland benutten. Hierbij is het van belang dat de ontwikkelingen passen bij de Gelderse kwaliteiten. De provincie streeft naar een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid zodat Gelderland versterkt wordt voor nu en in de toekomst.

Woon- en leefklimaat

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van een ontwikkeling binnen een bestaand stedelijk gebied. Het huidige braakliggend terrein krijgt een nieuw functie door een (zorg-)wooncomplex te realiseren. Onderdeel van het initiatief is het inrichten van de buitenruimte met meer en biodiverser groen en klimaatadaptieve maatregelen. Er is sprake van uitbreiding van de woningvoorraad en een kwaliteitsimpuls voor de omgeving op lokaal niveau.

Het initiatief draagt bij aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

5.3.2 Omgevingsverordening

De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Ten aanzien van voorliggend initiatief zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'woonlocaties' en 'klimaatadaptatie' relevant.

Paragraaf 5.7.1 'Woonlocaties'

In de verordening wordt aangegeven dat een omgevingsplan nieuwe woningen alleen toe laat als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als:

  • a. de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en
  • b. Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

Paragraaf 5.7.6 'Klimaatadaptatie'

Voor zover een initiatief een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van de instructieregel klimaatadaptatie de toelichting bij het ruimtelijke plan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van een ontwikkeling binnen een bestaand stedelijk gebied. Het huidige braakliggend terrein krijgt een nieuw functie door een (zorg-)wooncomplex te realiseren. Onderdeel van het initiatief is het inrichten van de openbare ruimte met meer en biodiverser groen en klimaatadaptieve maatregelen. Er is sprake van uitbreiding van de woningvoorraad, een kwaliteitsimpuls voor de omgeving en een vergroting van het woonaanbod voor aandachtsgroepen. Zoals weergegeven in paragraaf 5.3.3 past het initiatief binnen de afspraken uit het Actieplan wonen 2020-2025.

Met het plan wordt door de inpassing van veelvoudig groen een bijdrage geleverd aan de klimaatadaptatie van het gebied. Evenals door de implementatie van groen kan wateroverlast, droogte, hitte en overstroming worden tegengegaan. In paragraaf 7.11 is de nadere toetsing aan het aspect klimaatadaptatie weergegeven.

Het initiatief is in overeenstemming met de regels uit de Omgevingsverordening Gelderland.

5.3.3 Actieplan wonen 2020-2025

Het Actieplan Wonen is op 27 mei 2020 vastgesteld door de Provinciale Staten van Gelderland. Gelderland heeft te maken met een urgente vraag naar meer woonruimte. Tot 2030 moeten er in de provincie ruim 80.000 nieuwe woningen gebouwd worden. Het provinciale 'Actieplan Wonen 2020-2025' is een actieplan voor heel Gelderland. Met het plan wil de provincie het tekort aan (betaalbare) huizen terugdringen. Er moet worden gewerkt aan het oplossen van het woningtekort. Vanuit deze insteek benoemt het 'Actieplan Wonen 2020-2025' twaalf acties voor de woningmarkt en nodigt gemeenten en andere bij het bouwen en wonen betrokken partijen uit om samen met de provincie een impuls te geven aan de (verdere) versterking en vernieuwing van de regionale samenwerking. De twaalf acties zijn ondergebracht in drie thema's. Deze thema's betreffen:

  • acties om de woningbouw te versnellen;
  • acties voor betaalbaar wonen;
  • acties voor meer flexibele woonvormen.

Acties om de woningbouw te versnellen

Het 'Actieplan Wonen' versnelt de komende vijf jaar de bouwproductie van 43.000 woningen, met vijftig doorbraakprojecten beginnend met grote projecten met een harde status die voor 2025 gerealiseerd kunnen zijn. Daarnaast zorgen de acties ervoor dat overal in Gelderland in bestemmingsplannen voldoende bouwplannen zijn opgenomen die uitgevoerd kunnen worden.

Acties voor betaalbaar wonen

Het 'Actieplan Wonen' zorgt voor de betere beschikbaarheid en betaalbaarheid van sociale en middeldure huur- en koopwoningen. De provincie zet daarbij niet alleen bestaande provinciale instrumenten in, zoals afspraken in de regionale woonagenda's, maar draagt ook bij aan de financiering en/of totstandkoming van deze woningen.

Acties voor meer flexibele woonvormen

Het 'Actieplan Wonen' wil 2.000 flexibele woningen (tijdelijke huizen gerealiseerd door nieuwbouw of transformatie van bestaande woningen) toevoegen.

Beoordeling initiatief

Met het plan worden er 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen gerealiseerd. Het plan draagt hiermee bij aan de realisatie van de 43.000 woningen tot 2025. Daarnaast worden de woningen betaalbaar, wat ook een actiepunt is voor het Actieplan wonen. Het initiatief sluit aan bij het Actieplan Wonen 2020-2025.

5.3.4 Conclusie

De wijziging omgevingsplan voldoet aan de instructieregels van de provincie Gelderland. Daarnaast voldoet de beoogde ontwikkeling wel aan de rechtstreeks geldende regels.

5.4 Gemeente

5.4.1 Omgevingsvisie Gemeente Zevenaar 2040

De omgevingsvisie 'Zevenaar: stad, dorpen en landschap in balans' is op 25 juni 2025 vastgesteld. In deze visie is de langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Zevenaar uitgewerkt.

De gemeente groeit in 2040 uit tot circa 45.000 inwoners. Om deze groei te faciliteren kiest Zevenaar voor meervoudig ruimtegebruik, behoud van cultuurhistorische kwaliteiten en versterken van landschap en biodiversiteit. De visie is uitgewerkt in acht integrale ambities die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen:

  • 1. Een fijne woongemeente in een dynamische omgeving met een goed woningaanbod (voor jong en oud). Zevenaar bouwt het grootste deel van de nieuwe woningen (ongeveer 80%) binnen de stedelijke zone. De dorpen groeien mee, passend bij hun eigen schaal en identiteit. De gemeente zet in op betaalbaar en passend wonen (2 /3 betaalbaar, waarvan 1 /3 sociaal), met ruimte voor verschillende woonvormen, zorg en doorstroming. Verdichten gebeurt zo veel mogelijk in combinatie met vergroenen en waar mogelijk circulair bouwen.
  • 2. Een onderwijsaanbod en werkgelegenheid passend bij de beroepsbevolking. Verouderde bedrijventerreinen worden getransformeerd naar gemengde woon- en werkgebieden. Nieuwe werklocaties worden vooral langs de A12 ontwikkeld. Zevenaar blijft inzetten op maakindustrie, logistiek en vrijetijdseconomie, en geeft ruimte aan innovatie en samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven, bijvoorbeeld in de vorm van een technische campus.
  • 3. Mooie landschappen en natuur en beleefbarecultuurhistorie, waar het fijn recreëren is. Groenblauwe structuren worden versterkt, zodat landschap, stad en dorpen beter met elkaar verbonden zijn. Cultuurhistorische elementen, zoals oude dijken, landgoederen en de Romeinse Limes, worden zichtbaar gemaakt en gebruikt als inspiratie bij ruimtelijke ontwikkelingen. Recreatie richt zich op water, natuur, cultuurhistorie en winkelen.
  • 4. Een gezonde, veilige en schone leefomgeving. De openbare ruimte wordt groener en aantrekkelijk ingericht, om bewegen, ontmoeten en gezond gedrag te stimuleren. De gemeente zet in op een veilig leefklimaat, goede luchtkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast.
  • 5. Een klimaatneutrale gemeente. Zevenaar werkt aan grootschalige opwek van duurzame energie, met mogelijkheden voor zon op daken en wind langs de A12. Nieuwbouw en bestaande wijken worden klimaatadaptief ingericht en circulair bouwen wordt gestimuleerd. De gemeente ondersteunt inwoners en bedrijven bij energiebesparing en werkt aan de doorontwikkeling van warmtenetten.
  • 6. Een voorzieningen passend bij regiofunctie. Zevenaar versterkt zijn rol als regionaal centrum voor zorg, onderwijs, vrije tijd en evenementen. Voorzieningen worden geconcentreerd in en rondom het centrum en het station, zodat ze goed bereikbaar zijn en bijdragen aan een levendige stad. In de stedelijke zone is ruimte voor groei in zowel wonen als werken.
  • 7. Een goede bereikbaarheid als noodzakelijke basisvoorwaarde voor de leefbaarheid en vitaliteit. Fiets, lopen, openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit krijgen prioriteit, waardoor de stad autoluwer wordt. De station- en spoorzone worden verbeterd en beter verbonden met de omgeving. Waar nodig worden wegen en verbindingen uitgebreid, onder meer met een nieuwe fiets- en loopbrug over de IJssel.
  • 8. Saamhorigheid in de kernen, ruimte voor ontmoeting en initiatieven. Nieuwe woonwijken worden gemengd opgebouwd, met voorzieningen dichtbij en een openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen, spelen en ontmoeten. De gemeente stimuleert veerkrachtige dorpen en buurten, waar mensen naar elkaar omkijken en iedereen kan meedoen.

Beoordeling initiatief

Het initiatief betreft een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Een braakliggend perceel aan de Mercurion krijgt een nieuwe functie door de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met zorgappartementen en huurappartementen. De Omgevingsvisie Zevenaar 2040 benoemt Mercurion expliciet als transformatielocaties. De locatie wordt geleidelijk getransformeerd naar meer passende functies, voornamelijk woongebieden. Het plan draagt bij aan de woningbouwopgave binnen de stedelijke zone en vergroot het woonaanbod voor aandachtsgroepen. De inrichting van het terrein wordt groen, biodivers en klimaatadaptief, waarbij groen zo veel mogelijk blijft behouden. Het initiatief sluit daarom aan op de ambities uit de Omgevingsvisie van de gemeente Zevenaar voor 2040.

5.4.2 Structuurvisie Zevenaar 2030

De Structuurvisie 'Samen kijken naar de toekomst 2012-2030' is 20 februari 2013 vastgesteld als kader voor het ruimtelijke beleid van de gemeente Zevenaar voor de periode tot 2030. De visie omvat vijf hoofdopgaven:

  • Versterken van de identiteit van Zevenaar met aandacht voor de diversiteit in landschappen, kernen en functies;
  • Voldoende plek voor stedelijke ontwikkelingen tot 2030;
  • Behoud van kwalitatief goede woon- en werkgebieden en goede voorzieningen;
  • Tegengaan van versnippering van de leefomgeving inclusief het leefbaar houden van de kernen;
  • Nadrukkelijker inzetten op een duurzame ontwikkeling.

De opgaven worden benaderd vanuit drie kernwaarden: 'verbinden', 'diversiteit' en 'kwaliteit'. Deze kernwaarden vormen de rode draad van waaruit de gemeente Zevenaar gedurende de planperiode werkt. Conform het kaartbeeld van de structuurvisie is het projectgebied gelegen in de bestaande woonkern Zevenaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0014.jpg"

Uitsnede kaartbeeld Structuurvisie Zevenaar (projectgebied geel omlijnd)

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van een ontwikkeling binnen een bestaand stedelijk gebied. Het huidige braakliggend terrein krijgt een nieuw functie door een (zorg-)wooncomplex te realiseren. Onderdeel van het initiatief is het inrichten van de openbare ruimte met meer en biodiverser groen en klimaatadaptieve maatregelen. Er is sprake van uitbreiding van de woningvoorraad, een kwaliteitsimpuls voor de omgeving en een vergroting van het woonaanbod voor aandachtsgroepen. Conform de structuurvisie zal Zevenaar zich blijven uitbreiden door middel van ontwikkelingslocaties. Mercurion is een ontwikkellocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Het initiatief sluit daarom aan bij de Structuurvisie Zevenaar 2030.

5.4.3 Woonvisie gemeente Zevenaar 2015-2025

In de Woonvisie Zevenaar is de koers van de gemeente tot 2025 bepaald. Naast het visiedeel is er een uitvoeringsprogramma waarin is vastgelegd hoe de gemeente dit vorm gaat geven in de komende vier jaar. Het uitvoeringsprogramma wordt iedere 4 jaar bekeken en indien nodig bijgesteld.

De gemeente blijft zich inzetten om een jonge populatie en hogere inkomensgroepen aan zich te binden. Dat is goed voor de lokale economie en noodzakelijk om voldoende draagvlak te behouden voor de voorzieningen. Deze voorzieningen zijn belangrijk voor een prettige woonomgeving en om de leefbaarheid op peil te houden.

In de nota wonen is aangegeven dat de gemeente heeft gekozen voor “Groeien in een veranderd perspectief”. Daarbij legt zij de focus op drie belangrijke opgaven:

  • Het aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad;
  • Het verbeteren van de positie van doelgroepen met een kwetsbare positie;
  • Bewaken dat de woningbouw aansluit bij de behoefte: om de potentiële groei maximaal op te vangen én tegelijkertijd het voorkomen van overaanbod.

Bij de invulling van deze drie opgaven komt ook het beleid en ambitie rondom duurzaamheid, wonen en zorg, leefbaarheid en het ruimtelijk beleid aan bod. Zevenaar blijft de centrumgemeente in de Liemers en biedt met het woningbouwprogramma ruimte om te groeien. Naast voldoende woningaanbod is een transparante woningmarkt, een goede bereikbaarheid, een aantrekkelijk voorzieningenaanbod en voldoende werkgelegenheid cruciaal om deze ambitie waar te kunnen maken.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van een ontwikkeling binnen een bestaand stedelijk gebied. Het huidige braakliggend terrein krijgt een nieuw functie door een (zorg-)wooncomplex te realiseren. Het plan levert hiermee en bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve bijdrage in de gemeente Zevenaar. Ook voldoen de woningen aan actuele normen op het gebied van duurzaamheid en wordt er rekening gehouden met thema's op het gebied van klimaatadaptief bouwen en mogelijkheden voor laadinfrastructuur. Hiermee wordt tevens een kwalitatieve bijdrage geleverd aan het woonaanbod in de gemeente Zevenaar. Het initiatief is daarmee passend binnen de Woonvisie.

5.4.4 Liemerse Woonagenda 2020-2025

Op 13 oktober 2020 is door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland de Liemerse Woonagenda 2020-2025 vastgesteld, waarmee de agenda onderdeel is van het provinciaal beleid. Met dit document wil de regio de gezamenlijke koers vastleggen over hoe er lokaal voor wordt gezorgd dat er ruimte wordt gegeven aan kwalitatief goede woningbouwplannen.

De regionale woningbouwafspraken zijn tot stand gekomen op basis van recentelijk uitgevoerd onderzoek naar de toekomstige woonbehoeftes in de Liemers en is doorvertaald naar de verschillende gemeenten. Waar men vijf jaar geleden nog bezig was met de aanstaande krimp en het terugbrengen van de nieuwbouw aantallen, voorziet men nu dat er hard aan de slag gegaan moet worden met extra locaties om in de groeiende woningbehoefte te voorzien. Op basis van het Woningmarktonderzoek 2019 Arnhem Nijmegen is in beeld gebracht wat de belangrijkste opgaven zijn in de komende jaren. De opgaven voor de Liemerse Woningmarkt zijn:

  • Groeiende woningbehoefte;
  • Ruimte voor nieuwe woningbouwlocaties;
  • Behoefte aan betaalbaar wonen;
  • Kleine uitbreidingsvraag sociale huur;
  • Aan de slag met de versnelling van de woningbouw in de Liemers.

Groeiende woningbehoefte en behoefte aan betaalbaar wonen

De Liemerse Woonagenda gaat qua woningbehoefte nog uit van de prognoses uit 2019. Zoals beschreven in de Ladder voor Duurzame Verstedelijking die is toegevoegd als Bijlage 4 is er inmiddels een recenter Woonbehoefteonderzoek 2022 - 2040, welke het onderzoek uit 2019 vervangt.

Ruimte voor nieuwe woningbouwlocaties

De woningvraag in de Liemers concentreert zich in de kernen langs de A12. Er is dan ook voor gekozen om in de kernen langs de A12 en de spoorlijn, Westervoort, Duiven, Zevenaar en Didam de bouwopgave in de komende jaren te concentreren.

Kleine uitbreidingsvraag sociale huur

De sociale huursector wordt (door Rijksregels) ingezet voor de laagste inkomensgroepen. Afhankelijk van de economische ontwikkelingen is er in de Liemers volgens het woningbehoefteonderzoek een beperkte uitbreidingsbehoefte. Bij nieuwe ontwikkelingen ligt er een opgave in het toevoegen van woningen in het midden- en dure segment om meer ruimte te bieden voor doorstroming.

Aan de slag met de versnelling van de woningbouw in de Liemers

Om voor de komende 10 jaar voldoende plancapaciteit beschikbaar te hebben zijn extra locaties nodig. Naast nieuwe transformatielocaties (vrijkomende scholen, sportvelden, kerken etc.) is daarvoor ook een beperkt aantal nieuwe uitleglocaties nodig. De groei wordt op een groene manier gerealiseerd. Daarbij gaat om de woningen én de woonomgeving om te zorgen voor toekomstbestendige nieuwbouwwijken. Bij de uitleglocaties wordt dan ook gestuurd op kwaliteit: duurzaam, klimaatadaptieve woonomgevingen, circulair bouwen en een goede overgang naar het open Liemerse landschap. Dit aansluitend op de ambities uit de Woondeal. Samen met het Rijk, de provincie, woningcorporaties en marktpartijen maakt de regio Liemers in de Woondeal Arnhem-Nijmegen actief werk van de versnelling.

  • Op basis van bovenstaande opgaven worden de volgende zes uitgangspunten van de Liemerse Woonagenda gehanteerd:
  • De regio legt de prioriteit bij inbreiding en vullen dat aanbod aan met uitleglocaties; De regio zet in op verduurzaming en vernieuwing van de woningvoorraad;
  • De regio stuurt op de 'groene' kwaliteit van nieuwbouw;
  • Ruimte voor goede woningbouwplannen: maatwerk per kern voor aanvullend woningaanbod; Ruimte voor goede woningbouwplannen: opgave in betaalbare woningbouw;
  • Woningbouwopgave en versnelling.

Met de Liemerse Woonagenda wordt sterker ingezet op bouwen naar behoefte (zowel kwalitatief als kwantitatief) en is men afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van een ontwikkeling binnen een bestaand stedelijk gebied. Het huidige braakliggend terrein krijgt een nieuw functie door een (zorg-)wooncomplex te realiseren. Het plan levert hiermee en bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve bijdrage in de gemeente Zevenaar. Het plan sluit aan op de Liemerse woonagenda gezien er in een van de gekozen kernen uit de woonagenda een nieuwe woningbouwlocatie is gevonden. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan inbreiding, waar voorliggend initiatief ook op aansluit. Tevens kan er met het plan een significante bijdrage worden geleverd aan de behoefte aan nieuwe woningen. Concluderend sluit het initiatief aan op de Liemerse Woonagenda.

5.4.5 Conclusie

Het project voldoet aan de regels van het beleid van de gemeente.

5.5 Waterschap

De gemeente Zevenaar ligt in het werkgebied van waterschap Rijn en IJssel. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerplan 2022-2027 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken.

Als gevolg van het veranderende klimaat heeft het waterschap de uitgangspunten voor de weging van het waterbelang geactualiseerd. De uitgangspunten in de uitgangspuntennotitie 'Water in ruimtelijke plannen' vormen het vertrekpunt voor het overleg tussen waterschap en initiatiefnemer en/of gemeente over de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en hun effect op het watersysteem, de waterketen en waterveiligheid. Hoofdpunten van verandering van de uitgangspunten zijn:

  • de eisen ten aanzien van het tegengaan van wateroverlast;
  • in de 'Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen' worden de klimaatstatistieken van het KNMI als basis genomen voor de berekening van de bergingsopgave;
  • uitbreiding van het beleid om meer water vast te houden tegen droogte en hitte.
5.5.1 Waterschapsverordening

De belangen van het waterschap in de fysieke leefomgeving worden gewaarborgd via regels in een waterschapsverordening. De kern van de waterschapsverordening bestaat uit regels over activiteiten van burgers, bedrijven en mede-overheden die van invloed zijn op het watersysteem, de waterveiligheid en de zuiveringtechnische werken (rioolwaterzuiveringsinstallaties, RWZI).

Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen.

Beoordeling initiatief

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan water gemaakt, deze is bijgevoegd als Bijlage 10. In de quickscan water is rekening gehouden met de bergingseis. Er worden geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. De uiteindelijke wijze van berging dient afgestemd te worden met de gemeente en het waterschap. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltechnisch uitgewerkt te worden.

Tevens is via 'het wateradvies' is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Voor dit plan is op 4 november 2024 'het wateradvies' doorlopen. Hieruit blijkt dat de 'normale procedure' doorlopen moet worden, waarbij er overleg met waterschap Rijn en IJssel gevoerd dient te worden. In Bijlage 11 is de samenvatting van het wateradvies opgenomen.

5.5.2 Conclusie

Het project is niet in strijd met de waterschapsverordening.

Hoofdstuk 6 Goede omgevingskwaliteit

6.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist.

Als een initiatief (onder meer) bestaat uit de ontwikkeling/uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, woningbouwlocatie, een detailhandelsvoorziening, van kantoren of een andere stedelijke ontwikkeling dan moet de behoefte aan de ontwikkeling aangetoond worden. Dit om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en leegstand tegen te gaan. Daarbij moet ingegaan worden op:

  • De behoefte aan het voornemen.
  • Als een stedelijke ontwikkeling buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk gebied groen aan de rand van de bebouwing van het stedelijk gebied voorzien is: de mogelijkheden om binnen dat gebied in die behoefte te voorzien.
  • Bij de vestiging van een dienst zoals bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet moet aangetoond worden dat de vestiging van de dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.1.1 Beoordeling

In artikel 5.129g van het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Voorliggend initiatief wordt aangemerkt als een woningbouwlocatie.

De Laddertoets wordt alleen uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Relevant voor onderhavig plan is de jurisprudentie waarin bepaald is dat een plan onder stedelijke ontwikkeling valt indien er sprake is van 'Overige stedelijke voorzieningen'. De 'Overige stedelijke voorzieningen' worden gedefinieerd als accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

Gezien er een (zorg-)wooncomplex met 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen worden ontwikkeld, is er sprake van een 'Overige stedelijke voorziening'.

Om deze redenen is er een toets gemaakt voor de ladder van duurzame verstedelijking. Deze is toegevoegd als Bijlage 4. Geconcludeerd kan worden dat met het plan binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de (her)ontwikkellocatie. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

6.1.2 Conclusie

Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.2 Stedenbouw

Vanuit stedenbouw wordt gekeken of nieuwe gebouwen goed in de omgeving passen (ligging, functioneel en hoofdvormen).

6.2.1 Beoordeling

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een stedenbouwkundige analyse gemaakt, deze is bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze motivering. Daarnaast zijn de belangrijkste uitgangspunten van de stedenbouwkundige analyse nader toegelicht in paragraaf 4.2. Het behoud van ruimte voor toekomstige functies is niet van toepassing met voorliggend initiatief. Verder wordt er geen infrastructuur getroffen in het projectgebied en liggen er geen buisleidingen die van nationaal belang zijn.

Toename bouwoppervlak en -massa t.o.v. vigerende bestemmingsplan

De toename aan bouwmassa ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is het gevolg van een gewenste verstedelijkingsaccentuering binnen het kantorenpark Mercurion. Vanuit het gemeentelijk beleid (Structuurvisie 2030, Woonvisie 2015–2025 en Liemerse Woonagenda 2020–2025) is nadrukkelijk ingezet op inbreiding met hogere dichtheden binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt zorgvuldig ruimtegebruik bevorderd en wordt de druk op uitleglocaties voorkomen.

De locatie aan de Mercurion leent zich bij uitstek voor een meer stedelijke massaopbouw:

  • Het perceel maakt deel uit van een stedelijk bouwblok met grote volumes en platte daken (kantoren en maatschappelijke voorzieningen), waarin een hoogteaccent stedenbouwkundig passend is.
  • De opbouw in lagen zorgt voor een trapsgewijze overgang naar de omgeving. Richting de Hunneveldweg en de aangrenzende woonwijk wordt de hoogte afgebouwd en blijft de bestaande groenstructuur met bomenrij van circa 12 m behouden, waardoor de feitelijke visuele impact beperkt is.
  • De 4 m onbebouwde zone functioneert als groene voorzone en visuele buffer, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de rooilijnen en groene inrichting van het kantorenpark. Deze maat is niet willekeurig, maar volgt de bestaande stedenbouwkundige rooilijnsystematiek binnen Mercurion en waarborgt voldoende ruimte voor openbaar groen, entrees en verblijfskwaliteit.
  • De oriëntatie en articulatie van de massa (accent aan de oostzijde richting de openbare ruimte, lagere volumes aan de westzijde) versterken de leesbaarheid van het bouwblok en creëren een stedelijk herkenningspunt aan de entree van het gebied.
  • Het hoge bouwdeel is bovendien een bewuste stedenbouwkundige keuze, voortgekomen uit overleg met het college van B&W (juli 2023), waarin is gevraagd om op deze locatie te kijken naar mogelijkheden voor optopping, passend bij de representatieve uitstraling van Mercurion.

Samengevat is de bouwmassa een evenwichtige vertaling van de stedenbouwkundige randvoorwaarden:

  • zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied,
  • visuele inpassing door groenstructuren en hoogte-opbouw,
  • aansluiting bij de schaal van omliggende bebouwing,
  • en een bewust stedenbouwkundig accent ter afronding van het bouwblok.

De beoogde opzet biedt zodoende een goede balans tussen intensivering, ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde, en vormt een verantwoorde toename van de massa binnen de context van Mercurion.

Nadere toetsing aan het aspect stedenbouw is om die reden niet van toepassing.

6.2.2 Conclusie

Het aspect stedenbouw vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.3 Welstand

Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Dit doet de gemeente op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Vanuit welstand wordt voor nieuwe gebouwen gekeken naar de gedetailleerde onderdelen (dakkappellen e.d.), gevelindelingen, kleuren en materiaalgebruik. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarnaast geldt specifiek voor de welstandsnota overgangsrecht. Dit staat in artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit artikel regelt dat als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt. Dit betekent niet dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet de beleidsregels over de plaatsing van het bouwwerk in de welstandsnota vervallen. Ook deze onderdelen van de welstandsnota worden meegenomen bij de behandeling van de bouwaanvraag (artikel 22.29 van de bruidsschat).

Naast de welstandsnota kan ook een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld. Dit toetsingskader is vormvrij en kan betrekking hebben op een specifiek gebied. Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte en bevat toetsbare criteria. Het is een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Het plan geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de vormgeving van bebouwing en de inrichting van de ruimte.

Indien het beeldkwaliteitsplan gebruikt gaat worden voor de formele toetsing van de uiteindelijke bouw- en inrichtingsplannen, dient naar het beeldkwaliteitsplan te worden verwezen in de planregels. Daarnaast zal de welstandsnota (beleidsregel) moeten worden aangevuld als het ook als toetsingskader voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet dienen. Het beeldkwaliteitsplan kan dan het kader vormen voor die aanvulling.

6.3.1 Beoordeling

De gemeente Zevenaar heeft een welstandsnota vastgesteld onder de naam Nota Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Zevenaar 2012. Op de navolgende afbeelding is weergegeven waar het projectgebied ligt op de Welstandskaart. Het projectgebied is in deze afbeelding aangeduid met een rode belijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0015.jpg"

Welstandskaart Nota Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Zevenaar 2012

Zoals is af te lezen uit de kaart is het projectgebied gelegen in welstandsniveau 'Regulier'. Hieronder vallen gebieden, die vanuit het perspectief van de gehele gemeente geen zware toetsing nodig hebben, maar waar wel aanleiding is om alert te blijven op de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. In deze gebieden dient de basiskwaliteit gehandhaafd te worden, voor zover deze niet grenzen aan belangrijke wegen of openbare ruimtes. Volgens de Nota zijn de volgende beoordelingsaspecten van toepassing voor welstandsniveau 'Regulier':

  • Relatie met omgeving (ligging);
  • Bouwmassa;
  • Materialen en kleuren;
  • Relatie met de omgeving:

In de omgeving van het plangebied liggen grote, massieve bouwblokken met een strakke uitstraling, wat kenmerkend is voor een kantorenpark. De functies van deze gebouwen zijn in lijn met deze uitstraling en bestaan uit maatschappelijke voorzieningen en bedrijfsruimtes. De bouwblokken variëren in hoogte van één tot drie verdiepingen en zijn op een logische manier naar de straat georiënteerd. De achterkanten van de gebouwen zijn naar elkaar gericht. Een nieuw appartementencomplex, naar buiten georiënteerd, zou het stedenbouwkundige bouwblok kunnen afronden. Bij de positionering van het gebouw is het wenselijk om enige afstand tot de 'straatzijde' of 'voorzijde' (noordelijke en oostelijke perceelsgrens) te hebben. Dit is ook te zien bij de bestaande bebouwing. Het is wenselijk om minimaal 4 meter uit de perceelsgrens te blijven. Binnen deze zone zijn op hoogte wel balkons mogelijk. Daarnaast kan de rooilijn van naastgelegen gebouw worden aangehouden.

Bouwmassa

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving in de stedenbouwkundige analyse een massa studie uitgevoerd. Hieronder staan de belangrijkste punten beschreven. Voor de massa studie zelf wordt verwezen naar Bijlage 3.

In zuidelijke richting bevinden zich de bestaande woningen. Tussen het nieuwe appartementencomplex en de bestaande woningen bevindt zich de bomenlaan aan de Hunneveldweg, met bomen van ca. 12m hoog. De bomenlaan zorgt ervoor dat een gebouw van 6 lagen niet zichtbaar is vanaf de woningen. In noordelijke richting bevindt zich het kantoorgebouw aan de Mercurion 32. Het zicht op het groen aan de Hunneveldweg wordt met het nieuwe complex verbroken. Gezien de functie heeft het aantal lagen van het appartementcomplex minder invloed dan de woningen aan de zuidzijde. Echter is het wel gewenst om tussen het nieuwe appartementencomplex en het kantoor een groene buffer te maken van meer dan alleen de bestaande haag. Bij voorkeur een door middel van een bomenrij van ca. 10m hoog.

In westelijke richting bevindt zich op enige afstand (ca. 35m) de tandartspraktijk aan de Reisenakker 2 en het kantoorgebouw aan de Reisenakker 4. Om een geleidelijke overgang te maken richting het hoogte accent van het nieuwe appartementencomplex is het wenselijk dag de westzijde of 'achterzijde' lager is. Door deze zijde maximaal 4 lagen te maken sluit het beter aan op de omliggende bebouwing. In oostelijke richting bevindt zich de basisschool met schoolplein aan de Mercurion nr. 36. Het nieuwe appartementen complex komt op minimaal 32m van het schoolgebouw. Om het gebouw minder massief te laten lijken kan aan deze zijde een architectonische verbijzondering worden gemaakt.

Materialen en kleuren

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een inrichtingsplan gemaakt waarin de materialisatie is toegelicht. Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 2.

De materialen en kleuren die worden gebruikt voor de bebouwing zijn nader te bepalen. De materialen die worden gebruikt zullen duurzame materialen zijn die passen bij de omgeving en de inpassing van groen. De kleuren die zullen worden gebruikt zullen aansluiten op de overige bebouwing van panden aan de Mercurion.

6.3.2 Conclusie

Volgend op de wijziging van het omgevingsplan volgt de vergunningsprocedure, waarbij het plan verder is uitgewerkt. In die fase wordt het plan getoetst aan de welstandsnota, en dient het uiteraard te voldoen aan dit beoordelingskader.

6.4 Mobiliteit en parkeren

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). De gemeente Zevenaar neemt hierdoor ook verkeersveiligheid mee in haar afwegingen. Zo zal verkeersveiligheid, een goede afhandeling van verkeersstromen en het voorkomen van (voorzienbare) parkeerhinder voor de gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) in het omgevingsplan. De inrichting en inpassing van infrastructuur in de omgeving heeft invloed op de veiligheid. Zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Maar ook bebouwing of een bouwwerk naast de weg kan effect hebben op de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid is dan ook een onderdeel van de afweging om ruimte te verdelen en gebieden aan te wijzen voor een bepaalde functie.

Van belang is dat bij een nieuwe ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en een goede verkeersafwikkeling. Bij de afweging tot het toedelen van functies aan locaties wordt tevens de verkeersaantrekkende werking van de betreffende activiteit betrokken. De gemeentelijke uitgangspunten voor parkeren zijn vastgelegd in het omgevingsplan in het onderdeel 'Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar'.

6.4.1 Gemeentelijk beleid

Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar

De juridische borging van het gemeentelijke parkeerbeleid dient te gebeuren via het bestemmingsplan. Hiervoor is het voorliggende bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar opgesteld. Dit is een partiële herziening en geldt aanvullend op de vigerende bestemmingsplannen.

Voor de te hanteren parkeernormen wordt aangesloten bij de parkeerkencijfers van Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (CROW: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2024). Deze publicatie biedt een handreiking voor bijvoorbeeld het bepalen van het aantal verkeersbewegingen die een bepaalde functie genereert maar ook voor de parkeernorm (parkeerkencijfers) die bij de functie hoort. De parkeernorm neemt daarbij af naarmate het project dichter bij het centrum ligt van zeer stedelijk gebied en is het hoogst als het project in het buitengebied ligt van een niet stedelijk gebied.

6.4.2 Beoordeling

Verkeersbewegingen

In de zorgappartementen komen twee doelgroepen te wonen. De eerste doelgroep bestaat uit cliënten met een verstandelijke beperking. De meeste cliënten hebben geen rijbewijs. Reizen is doorgaans per fiets, scooter of openbaar vervoer. Een enkele cliënt heeft een auto of een 45 km vervoermiddel. De tweede doelgroep bestaat uit cliënten met een psychische kwetsbaarheid. De meeste cliënten zijn niet in het bezit van een auto. Doorgaans maken zij gebruik van de fiets, scooter/brommer of openbaar vervoer.

Dit betekent dat er ook geen verkeersbewegingen ontstaan door deze doelgroep. Echter zijn in het kader van de zorgvuldigheid de zorgappartementen meegenomen als 'aanleunwoning/serviceflat'. Dit betreft een worst-case benadering. Hiermee wordt het bezoek en de zorgmedewerkers meegenomen in de berekening. Voor een aanleunwoning/serviceflat geldt een gemiddeld aantal verkeersbewegingen van 2,45 per etmaal per woning. In totaal is er dus sprake van (56 x 2,45 =) 137,2 verkeersbewegingen per etmaal vanuit de zorgappartementen.

Daarnaast worden er nog 18 reguliere huurwoningen met het initiatief gerealiseerd. Deze doelgroep zorgt tevens voor een toename in het aantal verkeersbewegingen. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gekeken naar de CROW parkeercijfers 2024. Voor voorliggend initiatief is uitgegaan van het woningtype: 'Huur, appartement, sociale huur, <75m2 bvo'. Het projectgebied wordt aangewezen als 'Matig stedelijk' met de ligging 'Rest bebouwde kom'. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt 2,7 per woning per etmaal. De totale verkeersgeneratie vanuit de reguliere huurwoningen bedraagt (18 x 2,7 =) 48,6 verkeersbewegingen per etmaal.

De totale verkeersgeneratie komt worst-case uit op (137,2 + 48,6 =) 185,8 verkeersbewegingen per etmaal. De 185,8 verkeersbewegingen per etmaal kunnen gemakkelijk opgevangen worden via de ontsluitingsweg van de Mercurion. Hiermee is het aantal verkeersbewegingen voldoende verantwoord. Daarnaast zal de daadwerkelijke hoeveelheid verkeersbewegingen lager liggen dan het theoretische aantal.

Parkeren

Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet.

De locatie ligt conform het paraplubestemmingsplan van de gemeente Zevenaar in deelgebied 'Parkeernormen Buitengebied'. Bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van het volgend aantal functies:

  • 56 zorgappartementen;
  • 18 huurappartementen in midden/goedkoop segment.

Voor zorgappartementen geldt dat deze gelijk worden gesteld aan een 'verpleeg- en verzorgingstehuis'. Voor deze functie geldt een parkeernorm van 0,6 per wooneenheid. Voor de appartementen geldt en parkeernorm van 1,1 per woning. In totaal ontstaat er een parkeerbehoefte van (0,6 x 56 + 1,4 x 18 = 58,8) afgerond 59 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 23 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er ontstaat hiermee een tekort van 36 parkeerplaatsen. Gezien dit theoretische tekort aan parkeerplaatsen, is een parkeeronderzoek uitgevoerd.

Parkeeronderzoek

Er is door Bureau de Groot Volker een notitie parkeerbalans uitgevoerd. Deze notitie is toegevoegd als Bijlage 5. De notitie heeft als doel om de parkeerdruk en de daaruit volgende restcapaciteit van de parkeerplaatsen in de omgeving van de Mercurion 34 in beeld te brengen, om vervolgens te concluderen of de parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de omgeving. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies verwoord.

Om de situatie met betrekking tot het parkeren inzichtelijk te maken, is dus een parkeerbalansberekening opgesteld. Voor de berekening van de parkeerbalans wordt eerst de parkeervraag per functie bepaald. Met de berekende parkeervraag kan worden bepaald of eventueel dubbelgebruik van parkeerplaatsen mogelijk is. Een vergelijking tussen parkeervraag en parkeeraanbod biedt inzicht in het totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen. In het jaar 2024 heeft Bureau de Groot Volker in de omgeving van de Mercurion 34 in Zevenaar parkeeronderzoeken uitgevoerd, welke is bijgevoegd als Bijlage 6. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is de restcapaciteit van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte vastgesteld.

Op basis van de parkeervraag ten gevolge van het bouwplan en het beschikbare aanbod aan parkeerplaatsen is de parkeerbalans per dagdeel berekend. Uit de berekening blijkt dat op de meeste dagdelen een overschot aan parkeerplaatsen aanwezig is. Op de werkdagmiddag is de parkeervraag en het parkeeraanbod precies in balans. Op dit moment komt de parkeerbalans uit op 0 parkeerplaatsen. Naast de theoretische kencijfers is voor de zorgfuncties ook gekeken naar de verwachte parkeervraag in de praktijk.

In de praktijk kan op sommige momenten nog wel een hogere parkeervraag voorkomen. Op basis van ervaring van de toekomstige gebruikers kan de parkeervraag op een werkdagmiddag nog met maximaal 6 parkeerplaatsen toenemen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de restcapaciteit in de openbare ruimte is berekend op basis van het maatgevende (drukste) meetmoment van in totaal 28 afzonderlijke meetmomenten. Bij het bepalen van deze restcapaciteit is daarnaast ook gerekend met een maximale bezetting van 85% voor de openbare parkeerplaatsen.

In de omgeving van de ontwikkeling is nog ruimte aanwezig voor de realisatie van extra openbare parkeerplaatsen. Sectie 5 uit het parkeeronderzoek (op de Mercurion) bestaat uit haal- en brengstroken voor de nabijgelegen basisschool. Tussen de parkeerplaatsen zijn verhoogde trottoirs aanwezig om passagiers te laten in- en uitstappen. In de praktijk worden deze parkeerplaatsen niet meer voor dit doel gebruikt. Uit de resultaten van het parkeeronderzoek blijkt dat deze parkeerplaatsen op de meetmomenten overdag vrijwel geheel bezet zijn (op werkdagen). Hierdoor zijn ze tijdens het halen en brengen van leerlingen niet voor dit doel beschikbaar.

Door de aanwezige ruimte beter te benutten kunnen op deze locatie meer groen en meer parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Met het opnieuw inrichten van de helft van sectie 5 kunnen 6 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In totaal is hier ruimte voor maximaal 12 parkeerplaatsen. De aanleg van de parkeerplaatsen is voor rekening van de initiatiefnemer en hier zijn in de anterieure overeenkomst afspraken over gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0016.jpg"

Parkeerplaatsen sectie 5, Mercurion (links) en de mogelijke oplossing voor extra parkeerplaatsen en groen (rechts)

Te concluderen valt uit het parkeeronderzoek dat met de herinrichting van de naastgelegen parkeerplaatsen er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om te voldoen aan de parkeerbehoefte die ontstaat door onderhavige ontwikkeling.

6.4.3 Conclusie

Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.5 Openbare ruimte

Bij nieuwe ontwikkelingen is aandacht voor het behouden en versterken van de (kwaliteit) van de (inrichting van de) openbare ruimte alsmede de mogelijke effecten op de openbare ruimte een belangrijk issue. Het robuust en klimaatbestendig inrichten wordt nadrukkelijk in de afweging betrokken.

In paragraaf 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn regels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. De instructieregel voor toegankelijkheid van de openbare buitenruimte heeft tot doel om het gebruik gemakkelijker te maken voor personen met een functiebeperking. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de gemeente met dit belang rekening houden. Ook moet de gemeente die afweging maken bij bijvoorbeeld het stellen van regels over de bruikbaarheid van de openbare weg, zoals winkeluitstallingen en het plaatsen van hekken en fietsen.

6.5.1 Beoordeling

Voorliggend project voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex. Hierbij wordt alleen terrein van het (zorg-)wooncomplex ingericht.

Voor de materialisatie van de rijbaan en het voetpad wordt er gekozen voor klinkerverharding. Het wordt gerealiseerd in een beton of gebakken klinkerverharding in halfsteensverband. Voor het voetpad buiten het perceel worden betontegels gebruikt. Dit sluit aan op de bestaande voetpaden van de openbare ruimte. Voor de parkeerplaatsen wordt gebruik gemaakt van grasbetonsteen. De haaksparkeervakken worden gerealiseerd in waterdoorlatende betonverharding. Dit draagt bij aan de opvang en infiltratie van regenwater en versterkt het groene karakter van het gebied.

Daarbij zal er met het project diverse bomen en beplanting worden aangelegd. Dit draagt bij aan het groene karakter van het gebied en het klimaatbestendig inrichten. Daarbij wordt er een beukenhaag aangelegd om het gebied af te scheiden. Naast groen zijn er nog enkele overige inrichtingselementen zoals bankjes die worden gerealiseerd. Op verschillende plekken worden ontmoet- en zitgelegenheden gecreëerd met bankjes of picknicktafel. De banken en de picknicktafel hebben een natuurlijke uitstraling.

6.5.2 Conclusie

Het aspect openbare ruimte vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project, omdat er geen (nieuwe) openbare ruimte wordt ingericht.

6.6 Cultureel erfgoed

Bij erfgoed zijn twee beleidsbenaderingen van belang die maken dat archeologie en cultuurhistorie als belangrijke versterkers en aanjagers kunnen fungeren van de plaatselijke identiteit. Erfgoedbeleid richt zich allereerst op het inzichtelijk maken van cultuurhistorische waarden en het gericht beschermen en in stand houden daarvan (behoud in situ). Daarnaast biedt erfgoed echter ook inspiratie en aanknopingspunten voor ontwikkelingen in de toekomst. Uitgangspunt daarbij is hoe erfgoed een ruimtelijke inrichting kan versterken.

Om deze reden is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Volgens de definitie in de Omgevingswet behoren tot dat erfgoed: 1. Monumenten (zijnde beschermde of voorbeschermde Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden), 2. Archeologische monumenten (zijnde bekende en te verwachten archeologische waarden), 3. Stads- en Dorpsgezichten en/of Cultuurlandschappen, en 4. Ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies.

Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is zowel gericht op bescherming en behoud van waardevol erfgoed, als op het benutten van kansen van erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast verplicht de implementatie van Europees beleid (Verdrag van Granada) in de Omgevingswet gemeenten er voortaan toe dat ook een aantasting van de omgeving van de op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten wordt voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130) zijn alle instructieregels opgenomen die zich richten op het behoud van (voorbeschermde) Rijksmonumenten, monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke monumenten, karakteristieke panden) en archeologische monumenten. Daarnaast moeten de regels zich richten op het voorkomen van de aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen en tevens alle omgevingen van (voorbeschermde) Rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd.

Een vergelijkbare instructieregel bestaat al voor specifiek historische molens, op grond van de Omgevingsverordening van de provincie. Die schrijft voor dat er op gronden binnen de omgeving met een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mag worden gemaakt als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt.

Daarnaast zijn in afdeling 8.80 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit.

De essentie van wetgeving en beleid ten aanzien van cultureel erfgoed is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn een aantal beginselen geformuleerd wat aanzien van de bescherming betreft. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

6.6.1 Beoordeling

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Het projectgebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Archeologie' dat is vastgesteld op 4 juli 2010 door de gemeente Zevenaar. Hierbinnen heeft het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de gebiedsaanduiding 'Specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting'. Dit houdt in dat voor bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd. Voorliggend initiatief voorziet niet in bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m. Daarom is nadere toetsing aan het aspect archeologie niet noodzakelijk.

De locatie ligt niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht. De aanwezige gebouwen zijn geen gemeentelijk of rijksmonument, gezien er geen bebouwing aanwezig is. Hieruit is te concluderen dat er geen nadere toetsing nodig is voor het aspect cultuurhistorie.

6.6.2 Conclusie

Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.7 Groen, bomen en landschap

Dit thema is gericht op het behoud, respecteren en zo mogelijk versterken van groen en landschappelijke waarden en landschapselementen in het plangebied dan wel de effecten van het initiatief op groen en landschap. Ten aanzien van het groen ligt er ook een duidelijke relatie met de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van de klimaatadaptatie (waaronder het tegengaan, verminderen van hittestress) en gezondheid.

6.7.1 Beoordeling

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Met voorliggend initiatief wordt er binnen stedelijk gebied nieuw groen aangelegd waardoor er een positief effect zal plaatsvinden op het groen en landschap. Ook worden er groene daken en zonnepanelen gerealiseerd waardoor het initiatief aansluit op gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van de klimaatadaptatie.

Tevens wordt ingezet op een klimaatrobuuste inrichting, die hittestress kan verminderen en daarmee de gezondheid beschermt tijdens warme perioden. Verdere toelichting over de invulling van het projectgebied is te lezen in het inrichtingsplan in Bijlage 2.

6.7.2 Conclusie

Het aspect groen en landschap vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.8 Natuur

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de eerdere Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

De Omgevingswet is gericht op:

  • het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit;
  • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies;
  • het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

Een plan of project kan in strijd zijn met de Omgevingswet wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Omgevingsvergunningen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Zorgplicht

De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is ten aanzien van natuur een aantal specifieke zorgplichten opgenomen. Deze specifieke zorgplichten hebben voorrang op de algemene zorgplicht.

Deze specifieke zorgplichten gelden voor:

  • Activiteiten met gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied (artikel 11.6 Bal);
  • Flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal);
  • Activiteiten met betrekking tot houtopstanden (artikel 11.116 Bal).

Deze zorgplichten gelden voor iedereen die de activiteit uitvoert.

6.8.1 Gebiedsbescherming

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving in oktober 2024 een quickscan flora en fauna uitgevoerd waarin het aspect gebiedsbescherming wordt behandeld. Deze is toegevoegd als Bijlage 7.

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een Omgevingsvergunning in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Rijntakken. De uiterwaarden van de IJssel vormen hiervan een deelgebied. Dit gebied ligt op ongeveer 3,0 kilometer afstand van het projectgebied. Een ander Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand is de Veluwe (ca. 8,3 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0017.jpg"

Ligging plangebied (pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken).

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht.

Omdat Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe op minder dan 10 km afstand van het plangebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van deze Natura 2000-gebieden. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. Zie paragraaf 6.8.1 voor een verdere toelichting op de AERIUS-berekening.

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Het plangebied ligt op ca. 1,5 km afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 1,8 km afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0018.jpg"

Ligging plangebied (pijl) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).

Beoordeling

De locatie ligt niet in een bijzonder nationaal natuurgebied.

6.8.2 Houtopstanden

Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels rondom een bebouwingscontour houtkap: in een omgevingsplan wordt voor de toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving een bebouwingscontour houtkap aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied.

Beoordeling

De groenvoorzieningen in het plangebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Gelderland. Bovendien geldt er een herbeplantingsplicht.

6.8.3 Soortenbescherming

Quickscan flora & fauna

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • 1. er soorten aanwezig zijn; en
  • 2. welke soorten dat zijn.
  • 3. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Naast de wettelijke bepalingen komt het thema natuur ook terug in het gemeentelijk beleid.

Beoordeling

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving in oktober 2024 een quickscan flora en fauna uitgevoerd waarin het aspect soortenbescherming wordt behandeld. Deze is toegevoegd als Bijlage 7.

Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten zouden nader onderzocht kunnen worden.

Bunzing, hermelijn en wezel

De ruigte in het plangebied is geschikt om dienst te doen als rust- of verblijfplaats voor de bunzing, hermelijn en wezel. Deze kleine marters zijn soorten van nationaal belang en zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soorten. De aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel wordt nader onderzocht.

Steenmarter

De ruigte in het plangebied biedt genoeg dekking voor de steenmarter. Hierdoor kunnen negatieve effecten op een rust- of voortplantingsplaats van de steenmarter niet worden uitgesloten. De steenmarter is een soort van nationaal belang en is in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de steenmarter wordt nader onderzocht.

Grote vos

In het plangebied zijn meerdere boswilgen aanwezig, welke dienst doen als waardplant voor de grote vos. Hierdoor kan het plangebied dienen als rust- of voortplantingsplaats van de soort. De grote vos is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de grote vos wordt nader onderzocht.

Grote weerschijnvlinder

In het plangebied zijn meerdere boswilgen aanwezig, welke dienst doen als waardplant voor de grote weerschijnvlinder. Hierdoor kan het plangebied dienen als rust- of voortplantingsplaats van de soort. De grote weerschijnvlinder is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vanen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder wordt nader onderzocht.

Nader ecologisch onderzoek

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is toegevoegd als Bijlage 8. Het nader ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die door Buro Ontwerp & Omgeving op 7 november 2024 in het projectgebied is uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de locatie geschikt is als rust-, nest- of voortplantingsplaats voor de bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, grote vos en grote weerschijnvlinder.

Beoordeling

Uit het nader ecologisch onderzoek is gebleken dat er geen rust- of verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, grote vos en grote weerschijnvlinder zijn aangetroffen tijdens het nader onderzoek in het projectgebied. Met betrekking tot soortbescherming kan worden geconcludeerd dat er geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Hierna volgen nog enkele adviezen uit het nader ecologisch onderzoek.

Vogelbroedseizoen en algemene diersoorten

Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels en andere diersoorten in en rond het projectgebied voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet de specifieke zorgplicht in acht worden genomen (artikel 11.27, Bal). Handelingen die nadelige effecten hebben moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten passende preventieve maatregelen worden genomen om nadelige effecten te beperken of ongedaan te maken. Bovendien moet zowel tijdens als na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen. Passende herstelmaatregelen moeten worden getroffen als het staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Tevens dienen de werkzaamheden (ruim) buiten het indicatieve vogelbroedseizoen te starten, omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten (15 maart - 15 juli).

Verlichting

Maak in de actieve periode van vleermuizen 's avonds en 's nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar houtopstanden en water moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht.

6.8.4 Voortoets stikstof

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in april 2025 een voortoets stikstof uitgevoerd. Hierbij is worst-case uitgegaan van huurappartementen in het dure segment. Dit onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd. Uit de rekenresultaten blijkt dat op verschillende stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie groter 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt in de realisatiefase. Op gebieden met een hersteldoel zijn tevens geen rekenresultaten groter dan 0,00 mol N/ha/jr gehaald.

Vanuit het aspect stikstof zijn dus geen belemmeringen voor de uitvoering van het initiatief.

6.8.5 Conclusie

Het aspect natuur vormt in de basis geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.9 Nutsvoorzieningen, kabels en leidingen

Bij een ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de ligging en aansluiting op de nutsvoorzieningen, kabels en leidingen.

Hiertoe heeft de gemeente specifiek beleid opgesteld en gelden er (verordende) regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Daarnaast gelden de eisen ten aanzien van het gasloos bouwen van nieuwe woningbouw.

6.9.1 Beoordeling

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Het (zorg-)wooncomplex wordt deels zelfvoorzienend door de aanleg van zonnepanelen op de daken. Door het projectgebied lopen geen kabels en/of leidingen die eventueel verplaatst moeten worden. Het afval dat vrijkomt bij de functies van RIBW en Siza wordt aangemerkt als bedrijfsafval. In het ontwerp is hiermee rekening gehouden door in de buitenberging een vaste en afsluitbare ruimte te reserveren voor de inzameling en tijdelijke opslag hiervan. Het huishoudelijk afval afkomstig van de woningen wordt aangesloten op de gemeentelijke afvalvoorzieningen conform het geldend beleid. Dit zal in een later stadium nader worden uitgewerkt.

Te concluderen valt dat er geen extra voorzieningen nodig zijn voor de realisatie van het initiatief.

6.9.2 Conclusie

Het aspect nuts-voorzieningen, kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.10 Milieuzonering

Een goed woon- en leefklimaat is een belangrijk onderdeel van onze fysieke leefomgeving. Binnen het kader van de Omgevingswet speelt milieuzonering een belangrijke rol bij het waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Milieuzonering heeft tot doel om hinder en risico’s van milieubelastende functies (zoals bedrijven, scholen of sportvoorzieningen) te beperken en tegelijkertijd voldoende ontwikkelruimte te bieden aan nieuwe functies, zoals wonen en zorg.

Bij milieuzonering wordt gekeken naar de afstanden tussen hinder veroorzakende en hinder gevoelige functies, waarbij geluid, geur, stof en gevaar de belangrijkste aspecten vormen. De richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2022) vormen hierbij een belangrijk afwegingskader. Binnen bestaand stedelijk gebied kan, afhankelijk van de aard en omvang van functies, gemotiveerd worden afgeweken van deze richtafstanden indien een goed woon- en leefklimaat kan worden aangetoond.

6.10.1 Beoordeling

Het projectgebied aan de Mercurion ligt binnen een stedelijke context met overwegend gemengde functies, bestaande uit kantoren, maatschappelijke voorzieningen en sportfuncties. In de directe omgeving zijn de volgende functies aanwezig die in het kader van milieuzonering relevant zijn:

  • Basisschool voor speciaal onderwijs (basisschool de Schilderspoort) (aan de oostzijde van het projectgebied. Deze voorziening betreft een maatschappelijke functie. De activiteiten van een basisschool bestaan voornamelijk uit dagfuncties (tussen 08:00 en 17:00 uur) met beperkte milieubelasting in de avond of nacht. De belangrijkste mogelijke hinder is geluid van spelende kinderen op het schoolplein. Gezien de beperkte duur en het dagkarakter van deze geluiden wordt dit niet als belemmerend beschouwd voor een goed woon- en leefklimaat. De afstand tussen het schoolplein en de nieuwbouw bedraagt circa 25 meter, waarmee voldoende scheiding aanwezig is.
  • Tennis- en padelbanen (tennisvereniging T.C. Seven Aeren) (aan de noordoostelijke zijde van het projectgebied). Deze sportvoorzieningen genereren periodiek geluid door stemgeluid en ballencontact. De activiteiten vinden voornamelijk plaats in de avonduren, soms onder kunstverlichting. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 40 meter. Gezien de tussenliggende bebouwing, groenstructuur en oriëntatie van de banen is geen sprake van structurele hinder. De sportvoorzieningen worden beschouwd als passende functies binnen stedelijk gemengd gebied, waarbij het woon- en leefklimaat voor het nieuwe (zorg-)wooncomplex als goed kan worden aangemerkt.
  • Kantoorfuncties (aan de west- en noordzijde van het projectgebied). In de directe omgeving bevinden zich diverse kantoor- en bedrijfsmatige functies met een overwegend representatief karakter. Deze functies vallen binnen milieucategorie 1 of 2 en kennen daardoor een beperkte milieubelasting (voornamelijk verkeersbewegingen en beperkte installaties). De activiteiten vinden uitsluitend overdag plaats, waardoor geen sprake is van structurele hinder in de avond of nacht.

Gezien de aard en omvang van de omliggende functies en de stedelijke context kan het gebied worden gekarakteriseerd als gemengd stedelijk gebied. Binnen een dergelijke omgeving worden kortere richtafstanden gehanteerd dan in rustige woongebieden. Alle omliggende functies voldoen ruimschoots aan deze verkorte richtafstanden.

6.10.2 Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

Hoofdstuk 7 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

7.1 Water

Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet voegt wetten die betrekking hebben op waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid samen. Met deze waterbelangen moet rekening gehouden worden bij de besluitvorming over een omgevingsplanactiviteit.

In artikel 5.37 van het Bkl is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In de navolgende paragrafen wordt het beleid van het waterschap en de gemeente beschreven. Daarop volgt de toetsing aan het aspect water, het resultaat van de Digitale Watertoets en het overleg met het waterschap.

Waterschapsverordening waterschap Rijn en IJssel

De waterschapsverordening bevat de regels van het Waterschap Rijn en IJssel over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij Waterschap Rijn en IJssel.

De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur en de algemene regels. Bovendien bevat de waterschapsverordening regels over lozingen. Lozingen waren eerst op het niveau van de centrale overheid geregeld.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda.

Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's.

Klimaatrobuust gebied

De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.

Gezonde leefomgeving

Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

7.1.1 Beoordeling

Voor het aspect water is er door Buro Ontwerp & Omgeving in november 2025 een Quickscan water uitgevoerd. Deze is toegevoegd als Bijlage 10. Hieronder zullen de belangrijkste conclusies worden samengevat.

De initiatiefnemer is voornemens om het plangebied aan de Mercurion te Zevenaar te ontwikkelen tot (zorg-)wooncomplex. Voor het ruimtelijke plan is een analyse van de waterhuishouding uitgevoerd. Uit de analyse blijkt het volgende:

  • De bodem van onderhavig plangebied bestaat tot circa 1,2 m-mv á 2 m-mv uit sterk zandige klei, vanaf circa 1,2 m-mv bestaat de ondergrond uit matig grof, matig siltig zand;
  • De klei is niet geschikt voor infiltratie van hemelwater, het onderliggende zandpakket is wel geschikt voor de infiltratie van hemelwater;
  • Het maaiveld van het plangebied is gelegen op een hoogte van gemiddeld circa 10,1 m +NAP;
  • De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied wordt ingeschat op circa 1 m-mv (circa 9,1 m +NAP);
  • Op basis van het beleid van de gemeente Zevenaar en het Waterschap Rijn en IJssel dient er circa 167 m3 water geborgen te worden;
  • In de toekomstige situatie dient rekening gehouden te worden met een DWA (droog-weerafvoer) piekbelasting van circa 1 m3/uur.

Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

In overleg met de gemeente dient te worden bepaald worden waar het vuilwater kan worden aangesloten. De uiteindelijke wijze van berging dient afgestemd te worden met de gemeente en het waterschap. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltechnisch uitgewerkt te worden.

Gezien de verwachte wateroverlast bij klimaatbuien wordt geadviseerd om het plangebied op te hogen. Aanbevolen wordt om het vloerpeil minimaal 20 cm hoger te realiseren dan de aangrenzende parkeerplaatsen. Hiermee wordt voorkomen dat water de woning binnenstroomt als er bij heftige buien water op straat staat.

Waterberging

Het projectgebied aan de Mercurion fungeert in de huidige situatie deels als infiltratiezone. Bij de ontwikkeling van het (zorg-)wooncomplex neemt het verhard oppervlak toe, waardoor de natuurlijke bergingscapaciteit afneemt. Om dit te compenseren wordt de volledige waterbergingsopgave op eigen terrein opgelost, zonder afwenteling op het openbaar gebied.

Binnen het plan wordt voorzien in een combinatie van maatregelen die bijdragen aan een robuust en toekomstbestendig watersysteem:

  • hemelwater wordt lokaal opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd;
  • toepassing van een groen daken groene daken op het appartementencomplex en de fietsenstalling/berging zorgt voor extra buffering en verdamping;
  • toepassing van waterpasserende verharding bij parkeerplaatsen;
  • aanleg van een wadi ten zuiden van het complex (ca. 66 m³ berging). De wadi wordt uitgevoerd met een gereguleerde leegloop via een drain, waarmee vertraagde afvoer naar het gescheiden rioolstelsel plaatsvindt, omdat infiltratie in de ondiepe kleilaag beperkt mogelijk is;
  • bergingskratten worden vermeden, omdat deze op lange termijn onderhoudsgevoelig zijn.

Met deze aanpak blijft de waterbalans in evenwicht en blijft de huidige waterbufferende functie behouden binnen het plangebied. Het is mogelijk om met alle maatregelen de noodzakelijke 167 m3 te bergen binnen het projectgebied.

7.1.2 Conclusie

Het aspect waterkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.2 Bodem

Bij ontwikkelingen is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

7.2.1 Beoordeling

In opdracht van Gemeente Zevenaar is in oktober 2022 door De Klinker Milieu Adviesbureau een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Mercurion te Zevenaar. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 12. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door het voorgenomen gebruik als (zorg-)wooncomplex van het terrein. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:

  • tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen;
  • de bovengrond is licht verontreinigd met kobalt, nikkel en zink;
  • in de ondergrond van het gehele terrein zijn verhoogde concentraties nikkel aangetroffen;
  • het grondwater is licht verontreinigd met barium;
  • de hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk).

7.2.2 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.3 Geluid

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

  • Het voorkomen van een onbeheerste groei van geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
  • Het reduceren van geluidsbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
  • Het bevorderen van bronmaatregelen;
  • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
  • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Het thema geluid kent in Zevenaar meerdere invalshoeken. Ontwikkelingen kunnen te maken hebben met geluid afkomstig van wegverkeer, industrieterreinen, overige bedrijven, spoorwegen en scheepvaart. Daarbij dient ook te worden ingegaan op de cumulatie van deze geluidsbronnen. Geluid door luchtvaart is voor de gemeente Zevenaar niet relevant, daarom wordt hier niet nader op ingegaan. Daarnaast zijn in de provinciale omgevingsverordening stiltegebieden aangewezen. De navolgende alinea's gaan kort in op al deze geluidsaspecten.

De Omgevingswet kent een stelsel van normen om geluidhinder te voorkomen door wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen met een GPP (geluidproductieplafonds). De waarde van het geluid mag bij nieuwe ontwikkelingen op geluidgevoelige gebouwen in principe niet meer bedragen dan de standaardwaarde. Voldoen aan de standaardwaarde leidt tot een voldoende kwaliteit voor de leefomgeving. Indien de waarde van het geluid niet voldoet aan de standaardwaarde dan kan onder voorwaarden een hogere waarde van het geluid toch worden toegelaten. Ontwikkelingen die getoetst worden zijn:

  • 1. Toelaten geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied
  • 2. Aanleg of reconstructie van een weg
  • 3. Wijzigingen aan een industrieterrein met GPP.
  • 4. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een bronsoort op een geluidgevoelig gebouw.
7.3.1 Beoordeling

In de omgeving van het projectgebied bevinden zich verschillende voorzieningen die geluid kunnen produceren, zoals een sportcomplex en een basisschool. Hiervoor is een onderzoek naar milieuzonering uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van structurele geluidshinder door deze voorzieningen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.10.1.

Daarnaast is in november 2025 door Buro Ontwerp & Omgeving een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 13. Hieronder zullen de belangrijkste conclusies uit het onderzoek worden samengevat.

Aan de noordzijde van het kantorenpark Mercurion in Zevenaar ligt een grasveld met bomen en bosschage. Op deze plek wordt een nieuw appartementencomplex gerealiseerd met 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen. Door de nieuwe ontwikkeling worden woningen (geluidsgevoelige bestemmingen) gerealiseerd. Voor de realisatie van deze nieuwe woningen is akoestisch onderzoek verricht. De geluidsbelasting van de nieuwe woningen wordt getoetst aan de normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Rijkswegen

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Rijksweg (A12), bedraagt 60 dB. Bij de nieuwe woningen wordt de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl overschreden, echter er wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 60 dB uit het Bkl.

Gemeentelijke wegen

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de gemeentewegen (Mercurion, Reisenakker, Hunneveldweg en Eikenbaan), bedraagt 38 dB. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl.

Toetsing Bkl

Het doel van het Bkl is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de standaardwaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de A12, het realiseren van het geluidsscherm langs de A12 of het toepassen van dove gevels. Gezien de beperkte schaal van dit plan (realisatie van 76 appartementen) is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de standaardwaarde van 50 dB uit het Bkl.

De cumulatieve geluidsbelasting wordt gebruikt in hoeverre de verhoogde geluidsbelastingen toelaatbaar is. Bij de cumulatieve geluid wordt rekening wordt gehouden met de hinderlijkheid van het geluid. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting (LCUM) bedraagt 60 dB. Dit komt overeen met classificatie van matig. De optreden cumulatieve geluidsbelastingen zijn daarmee acceptabel. Op basis van de optredende cumulatieve geluidsbelastingen (LCUM) en de Bkl kan de gemeente de hogere geluidsbelastingen accepteren.

Toetsing Bbl

Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. De hoogste gezamenlijke geluidsbelastingen en de minimaal benodigde gevelwering zijn weergegeven in de onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0019.jpg"

Gezamenlijke geluidsbelastingen en minimaal benodigde gevelwering

De hoogste gezamenlijke geluidsbelasting bedraagt 60 dB. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (60-33=) 27 dB worden bereikt. Ter indicatie: volgens artikel 4.102 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Bij de aanvraag van een 'Omgevingsvergunning bouwen' (voormalige bouwvergunning) moet door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl.

Gemeentelijk geluidbeleid

Naast de toetsing aan de landelijke normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), dient ook het gemeentelijk geluidbeleid van de gemeente Zevenaar in acht te worden genomen. De gemeente Zevenaar heeft echter wel geluidbeleid “Gemeentelijk geluidsbeleid 2008 Zevenaar” vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder (Wgh). Uit het geluidbeleid op basis van de Wgh blijkt dat er sprake is van een geluidluwe gevel wanneer er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Deze beleidsuitspraak uit het geluidbeleid op basis van de Wgh kan worden vertaald naar de Bkl dat er sprake is van een geluidluwe gevel wanneer er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. In het geluidsbeleid is vastgelegd dat minimaal 1 verblijfsruimte moet grenzen aan de geluidsluwe gevel bij appartementen. Hierdoor kan deze verblijfsruimte worden gespuid (sterk ventileren) en blijft tijdens het spuien sprake van een relatief laag geluidsniveau in de woning.

Uit het onderzoek blijkt dat bij het overgrote deel van de appartementen een geluidsluwe gevel is. Echter bij de noordgevels en de westgevels bij de woontoren is er geen sprake van een geluidsluwe gevel. Om te kunnen “stil” spuien wordt bij de appartementen zonder een geluidsluwe gevel een geluidwerende raamsystemen, zoals een harbourvenster of Masterline SoftTone.

Doordat in de woningen wordt voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en “stil” spuien mogelijk door de aanwezigheid van een geluidsluwe gevel of door maatregelen is er bij alle appartementen sprake van een goed woon- en leefklimaat.

7.3.2 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

7.4.1 Beoordeling

Het initiatief zorgt per saldo voor een toename van 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2022 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2022, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Het rekenpunt (27364178_37873) dat het dichtst bij het projectgebied ligt (gelegen aan de A12 op circa 350 meter afstand), kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2023:

  • NO2: 16,1475 µg/m3
  • PM10: 15,238 µg/m3
  • PM2,5: 8,4485 µg/m3

Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2022, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

7.4.2 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.5 Geur

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geur. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming.

Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies (paragraaf 5.1.4.6). Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten:

  • geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf;
  • geur door het houden van fokteven van nertsen;
  • geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
  • geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken;

Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld.

7.5.1 Beoordeling

Met het initiatief is sprake van de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. De (zorg)woningen en reguliere huurappartementen worden beschouwd als geurgevoelige objecten.

In de omgeving van het projectgebied zijn alleen geurveroorzakende bedrijven gelegen (in dit geval veehouderijen) waarvoor een vaste afstandsnorm geldt van 100 meter tot aan de geurgevoelige objecten binnen het projectgebied. De geurveroorzakende bedrijven liggen op ruim grotere afstand dan 100 meter. De dichtstbij gelegen veehouderij ligt op een afstand van 450 meter tot het projectgebied. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het projectgebied. Daarnaast geldt dat het initiatief niet zorgt voor een beperking van de bedrijfsvoering van de geurveroorzakende bedrijven in de omgeving.

7.5.2 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.6 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). Deze paragraaf gaat in op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties benoemd.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Daarnaast zijn er specifieke regels over:

  • beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen;
  • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
  • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten;
  • veiligheid rond luchthavens.

In Zevenaar is sprake van een grote mate van bedrijvigheid en is veel boven- en ondergrondse infrastructuur aanwezig. Deze bedrijfsactiviteiten en het gebruik van de infrastructuur kunnen leiden tot risico's. Het is daarom van belang om bij nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig te kijken naar externe veiligheid.

7.6.1 Beoordeling

Met het initiatief is sprake van de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. De (zorg)woningen en reguliere huurappartementen worden beschouwd als kwetsbare objecten. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een rood kader.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0020.jpg"

Uitsnede externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving

Zoals te zien in de afbeelding hierboven ligt het projectgebied niet in een aandachtsgebied. Tevens is er geen plaatsgebonden risico aanwezig.

In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen stationaire of mobiele risicobronnen. Een nadere toetsing aan het aspect omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk.

Niet gesprongen explosieven

Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden.

In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de VEO Bommenkaart weergegeven. Het projectgebied is hierin aangeduid met een rood kader.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0021.jpg"

Uitsnede externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving

Uit de bommenkaart blijkt dat er vooronderzoek is gedaan ter plaatse van het projectgebied. Hieruit is geconstateerd dat er geen niet gesprongen explosieven aanwezig zijn in het projectgebied.

7.6.2 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.7 Licht

Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Dit is het onderwerp bezonning. Tot slot kan kunstlicht leiden tot diverse vormen van lichthinder.

7.7.1 Beoordeling

Met het initiatief is sprake van de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. In de nabije omgeving van het projectgebied zijn geen vormen van kunstlicht gevestigd. Hierdoor kan lichthinder door kunstlicht worden uitgesloten. Daarnaast vereist het (zorg-)wooncomplex voldoende zonlicht. Aan de zuidzijde van het projectgebied zijn reeds bomen gevestigd. Deze veroorzaken de nodige schaduw. Om dit goed in beeld te brengen is er gebruikt gemaakt van een shade map. Op de navolgende afbeeldingen is weergegeven hoeveel schaduw en zon er in het projectgebied aanwezig is. Er is gekeken naar verschillende jaarperiode's, op de eerste afbeelding is januari weergegeven, op de tweede afbeelding juni. Beide afbeeldingen zijn om 12.00 's middags weergegeven. Het projectgebied is met rode belijning omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0022.jpg"

Schaduw in het projectgebied in januari

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP52MERCURION34-VA01_0023.jpg"

Schaduw in het projectgebied in juni

Zoals op bovenstaande afbeeldingen is weergegeven, is de zuidelijke rand van het projectgebied voornamelijk schaduwrijk. Te concluderen valt dat het (zorg-)wooncomplex genoeg daglichttoetreding heeft. Hierdoor zijn negatieve punten voor de gezondheid uit te sluiten. Er is in het projectgebied een mooie combinatie van schaduw en zon aanwezig.

7.7.2 Conclusie

Het aspect licht vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.8 Windhinder

Windhinder treedt op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Daarbij is dan sprake van verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn.

7.8.1 Beoordeling

Met het initiatief is sprake van de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Het (zorg-)wooncomplex wordt 6 bouwlagen hoog. Het gebouw wordt daardoor circa 18,5 meter hoog. De bebouwing in de omgeving van de Mercurion bestaat voornamelijk uit gebouwen die ook 2 verdiepingen of meer hebben. Er zijn verder in de directe omgeving geen andere gebouwen aanwezig die ervoor kunnen zorgen dat verblijf in het (zorg-)wooncomplex onaangenaam of gevaarlijk is. Windhinder zal daarom geen grote impact hebben op voorliggend initiatief.

7.8.2 Conclusie

Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.9 Trillingen

Er dient bij ontwikkelingen rekening gehouden te worden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een ruimtelijk besluit voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Om te kijken of onderzoek naar trillingshinder noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrilling.

7.9.1 Beoordeling

Met het initiatief is sprake van de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Het (zorg-)wooncomplex is een trillinggevoelige functie. Er zijn in de nabije omgeving geen functies gevestigd die trillingshinder kunnen veroorzaken. Nadere toetsing aan het aspect trilling is daarom niet noodzakelijk.

7.9.2 Conclusie

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.10 Beschermen van de gezondheid

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?)
  • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
7.10.1 Beoordeling

Met het initiatief wordt voorzien in de realisatie van een (zorg)wooncomplex met bijbehorende parkeervoorzieningen. Het plan draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en bevordert een goede omgevingskwaliteit. Door de bouwhoogte te concentreren op de locatie van bestaande bebouwing wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimtelijke inpassing en wordt hinder voor de omgeving beperkt.

Daarnaast wordt met de aanleg van kleinschalige groenvoorzieningen en wandelpaden invulling gegeven aan een aantrekkelijke en groene woonomgeving die uitnodigt tot verblijf en beweging. Hiermee wordt de gezondheid en het welzijn van bewoners en omwonenden ondersteund.

Het initiatief is daarmee in overeenstemming met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet als bedoeld in artikel 1.3, in het bijzonder het bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.10.2 Conclusie

Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico's op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen.

In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid.

Om inzicht te krijgen in mogelijke klimaateffecten heeft de gemeente Zevenaar een Klimaatatlas gemaakt. De getoonde effecten zijn gebaseerd op de klimaatscenario's voor 2050 van het KNMI. De gemeente en het waterschap stellen met deze atlas een klimaatagenda op, in overleg met vertegenwoordigers uit de omgeving. Daarnaast biedt de atlas inzicht in mogelijke effecten zodat maatschappelijke organisaties, inwoners en bedrijven hun leefomgeving hierop kunnen aanpassen.

7.11.1 Beoordeling

Met het initiatief is sprake van de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Uit de klimaatatlas van Zevenaar is het volgende te constateren:

  • Er is kans op 10-25 centimeter plasvorming bij 2 piekuren ter plaatste van het projectgebied. Er is geen risico voor panden opgenomen.
  • De hittestress kaart laat zien dat het projectgebied 'normaal' is qua temperatuursverschillen en daarom geen risico heeft op hittestress.
  • De klimaatatlas laat zien dat ter plaatse van het projectgebied er kans is op minder dan 1 week aan warme nachten. Dit aantal is laag vergeleken met de rest van de gemeente Zevenaar.
  • De Klimaatatlas laat zien dat er ter plaatste van het projectgebied circa 50% groen en 50% verharding is. Echter gaat dit uit van een groter gebied dan alleen het projectgebied. In de bestaande situatie is het projectgebied een grasveld.
  • Er geldt ter plaatste van het projectgebied een kleine kans op overstroming. De kans ligt op 1x per 300 tot 3.000 jaar.

Hoewel de verwachte klimaateffecten beperkt zijn, is het thema duurzaamheid en klimaatadaptatie nadrukkelijk meegenomen in het stedenbouwkundig plan en het inrichtingsplan. In de inrichting van de buitenruimte wordt ingezet op het toepassen van meer en biodiverser groen. Er wordt een wadi aangelegd voor de tijdelijke berging van regenwater. De bestaande bosschages worden waar mogelijk behouden en daarnaast worden nieuwe bomen toegevoegd die de te verwijderen bosschage compenseren. De parkeervoorzieningen worden deels uitgevoerd met waterdoorlatende verharding.

Ook bij het gebouw zelf is duurzaamheid meegenomen. Het gebouw wordt voorzien van zonnepanelen en er worden duurzame materialen toegepast. Op de delen van de daken van het appartementencomplex en van de fietsenstalling/berging waar geen zonnepanelen worden geplaatst, wordt een groen dak gerealiseerd. In de gevels worden nest- en vleermuiskasten geïntegreerd, zodat sprake is van natuurinclusief bouwen.

Te concluderen valt dat er geen nadelige effecten zijn voor het projectgebied op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie. Nadere toetsing is daarom niet noodzakelijk.

7.11.2 Conclusie

Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.12 M.e.r.- beoordeling

Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat de overheid daar een besluit over neemt. Het doel van een m.e.r. is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Een initiatiefnemer beschrijft in het milieueffectrapport (MER) de effecten van het plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu.

De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures:

  • plan-m.e.r.-beoordelingsplicht
  • plan-m.e.r.
  • project-m.e.r.-beoordelingsplicht
  • project-m.e.r.

Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer (kolom 1). Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee medewerking aan het initiatief wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.

7.12.1 Beoordeling

Bij een project-mer-beoordeling staan centraal de plannen en programma's die een (beoordelings)kader kunnen vormen voor projecten (bijvoorbeeld een latere omgevingsvergunning).

We spreken over 'een kader vormen' als in het plan een locatie- of tracékeuze staat. Een 'kader' moet concreet genoeg zijn en is in zekere mate bindend voor een later besluit. Dit later te nemen besluit moet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. In artikel 16.34, lid 2 Omgevingswet is bepaald dat onder een 'plan of programma' in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Als uitgangspunt worden in artikel 16.36 Omgevingswet drie situaties beschreven waarbij het opstellen van een milieueffectrapport (project-mer) verplicht is. Daarop worden vervolgens uitzonderingen gemaakt. In het navolgende zal dit verder worden uitgelegd.

De Omgevingswet verplicht in de navolgende situaties tot het opstellen van een project-mer:

  • In artikel 16.36, lid 1 Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag voor een plan of programma een milieueffectrapport (MER) maakt als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor aangewezen projecten in bijlage V Omgevingsbesluit.
  • In artikel 16.36, lid 2 Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag voor een plan of programma een milieueffectrapport (MER) maakt indien op grond van artikel 16.53c Omgevingswet een passende beoordeling moet worden gemaakt.
  • In artikel 16.36, lid 4 Omgevingswet is een 'vangnet' bepaling opgenomen. Daarin is bepaald dat voor een plan of programma dat het kader vormt voor andere projecten dan aangewezen in bijlage V Omgevingsbesluit het bevoegd gezag een milieueffectrapport maakt als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om tot deze conclusie te kunnen komen wordt eerst een project-mer-beoordeling gemaakt.

De uitzonderingen op het opstellen van een project-mer zijn opgenomen in artikel 16.36 lid 3 en 5 van de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan of programma eerst een project-mer-beoordeling mag worden opgesteld. Op basis daarvan moet eerst beoordeeld worden of er een project-mer moet worden gemaakt.

Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat wanneer een plan of een programma niet meer 1% van het grondgebied van de gemeente omvat (hierna: '1%-criterium'), dat plan betrekking heeft op een klein gebied. Daarmee is niet gezegd dat wanneer het plan procentueel meer grond van een gemeente omvat, er geen sprake is van een klein gebied. Dat zal nadere jurisprudentie moeten uitwijzen.

De gemeente Zevenaar heeft een oppervlakte van ruim 10.000 hectare. Op basis van het 1%-criterium betekent dat een project van niet meer dan 100 hectare kan worden beschouwd als 'kleine gebieden op lokaal niveau'. In de project-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee uitkomsten mogelijk:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.

De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is afhankelijk van de vraag of de specifieke omstandigheden waaronder het project wordt uitgevoerd kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit wordt onder andere beoordeeld aan de hand van:

  • de fysieke kenmerken van het project;
  • de plaats van het project;
  • de kenmerken van de potentiële effecten

De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een project-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 14 bijgevoegd. Op grond van de m.e.r.-beoordeling kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten.

7.12.2 Conclusie

Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.13 Lichthinder kunstmatig licht

Licht is een belangrijk onderdeel van onze fysieke leefomgeving. Voldoende verlichting draagt bij aan verkeersveiligheid, sociale veiligheid en oriëntatie in de openbare ruimte. Tegelijkertijd kan overmatige of verkeerd gerichte verlichting leiden tot lichthinder of lichtvervuiling, met gevolgen voor omwonenden, de natuur en de beleving van duisternis. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het daarom van belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met verlichting, zodat enerzijds de veiligheid wordt gewaarborgd en anderzijds hinder voor de omgeving wordt voorkomen. Hierbij wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de Handreiking lichthinder (NSVV, 2020), waarin de maximale waarden voor verlichtingssterkte en lichtuittreding in stedelijke gebieden zijn opgenomen.

7.13.1 Beoordeling

Het projectgebied ligt in een stedelijke omgeving met uiteenlopende functies, waaronder kantoren, een school en sportvoorzieningen. In de directe nabijheid bevindt zich aan de noordoostelijke zijde een complex met tennis- en padelbanen, voorzien van kunstverlichting. Deze verlichting is primair functioneel bedoeld voor gebruik in de avonduren en kan in beperkte mate lichtuittreding naar de omgeving veroorzaken.

De belangrijkste aspecten met betrekking tot licht in relatie tot het initiatief zijn:

  • Afstand en situering: de tennis- en padelbanen liggen op circa 40 meter afstand van de projectlocatie. Tussen het sportcomplex en het plangebied bevindt zich een kleine groene buffer met (toekomstige bomen en) struiken. Deze vegetatie beperkt de directe lichtinval op de locatie aanzienlijk.
  • Gebruikstijden: de verlichting van de banen is alleen actief tijdens speeluren in de avond, doorgaans tot uiterlijk 23.00 uur. Er is geen sprake van permanente verlichting in de nachtperiode.
  • Lichtintensiteit en afscherming: moderne LED-armaturen bij sportvoorzieningen zijn doorgaans voorzien van gerichte bundels en afscherming, waardoor strooilicht wordt geminimaliseerd. Bovendien zijn de armaturen zodanig geplaatst dat de hoofdbundel op het speelveld is gericht, niet op de omgeving.
  • Stedelijke context: de omgeving van Mercurion kent een stedelijk karakter met reeds aanwezige verlichting van parkeervoorzieningen, kantoren en openbare wegen. Binnen deze context wordt het beperkte lichtniveau van de sportvelden als aanvaardbaar beschouwd.

Ten aanzien van het nieuwe (zorg-)wooncomplex geldt dat de oriëntatie van de gevels voornamelijk naar het westen en zuiden is gericht, niet gericht naar de tennis- en padelbanen. Hierdoor is directe blootstelling aan lichtstraling beperkt. Het aanwezige groen en de tussenliggende afstand zorgen voor een extra visuele afscherming.

7.13.2 Conclusie

Het aspect licht vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal

De Omgevingswet biedt ruimte aan initiatiefnemers voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van deze activiteiten zal ook de gemeente vaak kosten maken. Voorbeelden zijn de aanleg van openbare voorzieningen en het doorlopen van een procedure voor de wijziging van het omgevingsplan en de verlening van een omgevingsvergunning.

De Omgevingswet verplicht de gemeente de kosten die zij zelf maakt ten behoeve van een planologisch besluit voor het mogelijk maken van een kostenverhaalplichtige activiteit te verhalen op de eigenaar of eigenaren van de betreffende gronden. Het kostenverhaal betreft alleen kosten die op de kostensoortenlijst staan als genoemd in Bijlage IV bij het Omgevingsbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de kosten die gemoeid zijn met de voorbereiding van het planologisch besluit in de procedurefase, maar ook aan de kosten van aanleg van openbare voorzieningen in de uitvoeringsfase.

Een kostenverhaalsplichtige activiteit mag niet worden verricht voordat de voor de activiteit verschuldigde bijdrage in het kader van het kostenverhaal is betaald. Hiervan kan worden afgeweken als een overeenkomst wordt gesloten waarin voorwaarden worden opgenomen over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling. In dit geval mag de uitvoering van een activiteit wel starten voordat de kostenverhaalbijdrage betaald is. Als er geen zekerheid voor betaling is overeengekomen vóór het nemen van het planologisch besluit, neemt de gemeente kostenverhaalsregels op in het omgevingsplan, danwel kostenverhaalvoorschriften op bij de omgevingsvergunning.

Ook kan het zijn dat derden nadeel ondervinden van een nieuwe ontwikkeling. De Omgevingswet bevat hiervoor regels over mogelijke financiële compensatie in hoofdstuk 15.

8.1 Beoordeling

De beoogde ontwikkeling is een initiatief van een private partij, waarbij de gemeente niet is betrokken. De financiële uitvoerbaarheid is voldoende verzekerd doordat het plan geheel en al voor rekening en risico van de initiatiefnemer wordt uitgevoerd en:

  • er een anterieure overeenkomst is gesloten en voor de daarin opgenomen bijdrage in het kader van het kostenverhaal afdoende zekerheid is gesteld;
  • de bijdrage in het kader van het kostenverhaal is gedekt uit de opbrengsten van de verkoop van de grond door de gemeente.

8.2 Conclusie

Het aspect financiën vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

Hoofdstuk 9 Proces

In dit hoofdstuk wordt de procedure rondom de totstandkoming van het omgevingsplan toegelicht. Ingegaan wordt op de wettelijke processtappen en de rol van de diverse instanties hierbij.

9.1 Wettelijke procedure

In de Algemene wet bestuursrecht zijn de regels opgenomen die mede van toepassing zijn op de wijziging van het omgevingsplan door de overheid (hoofdstuk 3 en 4). Na afronding van het vooroverleg met de ketenpartners en een eventueel participatieproces met omwonenden en belanghebbenden, start de formele procedure. Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) c.q. Omgevingsloket. TAM-omgevingsplannen kunnen net als de 'oude' bestemmingsplannen via de overbruggingsfunctie van het DSO geraadpleegd worden. Via het onderdeel 'Regels op de Kaart' kan iedereen zien welke regels waar gelden.

Het ontwerp-TAM-omgevingsplan en de daarbij behorende stukken hebben gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen, namelijk van donderdag 18 december 2025 tot en met woensdag 28 januari 2026. In deze periode konden de stukken in het gemeentehuis worden ingezien en waren deze tevens via internet raadpleegbaar. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging bekendgemaakt in de Zevenaar Post en in het Gemeenteblad van woensdag 17 december 2025. Gedurende deze termijn bestond voor eenieder de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren te brengen. Gedurende de inzagetermijn zijn twee zienswijzen binnengekomen. Deze zijn samengevat en beantwoord in een aparte nota, die als Bijlage 15 bij dit TAM-omgevingsplan is opgenomen.

Vervolgens besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het TAM-omgevingsplan. Het vaststellingsbesluit is als Bijlage 16 bij deze motivering opgenomen. De gemeente maakt het vastgestelde TAM-omgevingsplan bekend door publicatie in het gemeenteblad via het LVBB. Tegelijk met deze bekendmaking wordt kennis gegeven van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Indien zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit toegezonden aan degenen die een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht. Daarbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld.

Het vastgestelde TAM-omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, tenzij in het plan een later tijdstip van inwerkingtreding is opgenomen. Het ontwerpbesluit is bekendgemaakt in het Gemeenteblad en in de Zevenaar Post van 17 december 2025. Daarnaast waren het ontwerp-TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken gedurende de inzagetermijn digitaal raadpleegbaar. Het vastgestelde TAM-omgevingsplan wordt eveneens bekendgemaakt via het gemeenteblad en digitaal beschikbaar gesteld via het Omgevingsloket, waaronder het onderdeel ‘Regels op de Kaart’.

9.2 Advies en instemming vooroverlegpartners

De Omgevingswet schrijft voor dat de gemeente in bepaalde gevallen advies moet vragen aan instanties (vooroverlegpartners) voordat er een besluit wordt genomen over de gevraagde wijziging van het omgevingsplan. Soms is er ook instemming van een instantie nodig voor het nemen van het besluit. Voor voorliggend initiatief is advies gevraagd aan de volgende instanties: provincie Gelderland, VGGM, Waterschap, Gasunie, Vitens, Alliander en Rijkswaterstaat.

Alleen de provincie heeft naar aanleiding van het adviesverzoek aangegeven dat het plan aanvulling behoeft. Dit deed zij in de vorm van een zienswijze. Daarin is terecht opgemerkt dat in de motivering van het plan niet ingegaan is op het Regionaal Programma Werklocaties (RPW). In het RPW is aangegeven dat bij de herbestemming van bedrijfspercelen op een bedrijventerrein compensatie vereist is. Hoewel de kavel al sinds de oprichting van het bedrijventerrein braak ligt, is compensatie toch noodzakelijk. In navolging van die zienswijze is – in lijn met het RPW – alsnog een compensatieplan opgesteld. Dit plan is goedgekeurd door het ambtelijke en bestuurlijke platform van de RPW. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met het RPW. De compensatiestrategie is als Bijlage 17 aan het plan toegevoegd.

9.2.1 Conclusie

De adviezen van de vooroverlegpartners leiden er niet toe dat het plan onuitvoerbaar is.

Hoofdstuk 10 Eindconclusie

Dit is het overkoepelende en samenvattende hoofdstuk waarin een integrale afweging wordt gemaakt met betrekking tot een goede en evenwichtige toedeling van de functies aan locaties.

10.1 Beoordeling

Voorliggend initiatief leidt tot een aanpassing van het Omgevingsplan, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen in voorliggende onderbouwing. Daarbij zijn alle relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en beschreven en beoordeeld, ook in samenhang met elkaar. Daarnaast is er rekening gehouden met de diverse betrokken belangen (waaronder de instructieregels, projectbesluiten en voorbereidingsbesluiten van provincie en Rijk) en is het proces zorgvuldig doorlopen. Indien van toepassing, is per onderdeel benoemd onder welke voorwaarden er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10.2 Conclusie

Alles overwegende is de conclusie dat de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar is vanuit een goede fysieke leefomgeving.