direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan De Haar 23
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01

Motivering

behorende bij het TAM-omgevingsplan De Haar 23

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het agrarische bedrijf aan De Haar 23 in Scherpenzeel neemt deel aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijen met piekbelasters (Lbv-plus). Daarmee stopt de agrarische bedrijfsvoering. Na beëindiging willen de initiatiefnemers graag een caravanstalling realiseren, evenals de voortzetting van een al op de locatie aanwezig aannemersbedrijf. Dit past niet in het omgevingsplan. Voor het project is het daarom nodig het omgevingsplan te wijzigen. Daarvoor is deze wijziging van het omgevingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing

De locatie is gelegen in het buitengebied van Scherpenzeel, op zo'n 2,5 kilometer van de dorpskern. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Scherpenzeel, sectie A, nummers 863 en 864.

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0001.jpg"

Ligging in omgeving

1.3 Omgevingsplan

Voor de locatie geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Scherpenzeel. Het tijdelijk deel wordt (onder andere) gevormd door het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013, vastgesteld door de gemeenteraad op 24 september 2015, en het bestemmingsplan Parapluplan parkeernormen, vastgesteld door de gemeenteraad op 13 maart 2018.

Voor de locatie geldt de bestemming 'Agrarisch - Bedrijf', met de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Per bestemmingsvlak is 1 agrarisch bedrijf toegestaan. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. Per bestemmingsvlak is ook 1 bedrijfswoning toegestaan. Daarvoor geldt een maximale inhoudsmaat van 800 m3, en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 9 meter. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij een bedrijfswoning mag niet meer dan 100 m2 bedragen.

Verder gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3 (middel)' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 4 (laag)'. Naar verwachting aanwezige, archeologische waarden worden daarmee beschermd.

Het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeernormen' zijn als het ware regels en normen voor parkeren toegevoegd aan diverse bestemmingsplannen binnen de gemeente. In het kort houden deze regels in dat bij het bouwen of aanpassen van gebouwen in voldoende parkeerruimte moet worden voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0002.jpg"

Uitsnede verbeelding

Het voornemen om de functie te wijzigen naar een woonfunctie is niet mogelijk. Het gebruiken van de locatie voor een niet-agrarische bedrijfsfunctie is niet in lijn met de geldende agrarische bestemming. Het is daarom nodig het omgevingsplan ter plaatse van de locatie te wijzigen.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het initiatief. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt stilgestaan bij het relevante beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid aangetoond en wordt ingegaan op enkele, andere planologische aspecten. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Afsluitend zijn de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief

2.1 Omgeving

De locatie is gelegen in het buitengebied ten noorden van het dorp Scherpenzeel. Het landschap is te typeren als een kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met een onregelmatig, bochtig wegenpatroon, onregelmatige perceelsvormen en veel opgaande begroeiing in de vorm van bospercelen, houtsingels, laanbeplantingen en erfbeplantingen. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De agrarische erven staan verspreid in het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0003.jpg"

Luchtfoto omgeving

2.2 Projectlocatie

De locatie is ingericht ten behoeve van het agrarisch bedrijf. De bedrijfswoning is gesitueerd aan de zuidzijde van het perceel, nabij de ontsluiting op de openbare weg. Aansluitend aan de woning bevindt zich het erf met de agrarische bedrijfsbebouwing. Op het perceel staan drie grote stallen en een schuur, die voornamelijk ten noorden van de woning zijn gesitueerd en in een langgerekte opstelling parallel aan elkaar liggen. Het erf vormt een relatief compacte opzet met de agrarische bedrijfsgebouwen centraal op het perceel. De gronden rondom de bebouwing zijn ingericht als weiland. Langs de perceelsgrenzen zijn stroken met bomen en beplanting aanwezig. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via De Haar, een lokale weg door het buitengebied van Scherpenzeel. De locatie heeft twee opritten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0004.jpg"

Situatietekening bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0005.jpg"

Luchtfoto van de locatie

2.3 Nieuwe situatie

Het bedrijf dat op de locatie aanwezig is, is een voormalig pluimveebedrijf. Het bedrijf heeft zich ingeschreven voor de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). In dat kader is het bedrijf al gestopt met het houden van pluimvee.

Initiatiefnemer heeft nagedacht over een nieuwe, passende invulling op deze locatie. Daarmee is het idee ontstaan om een caravanstalling te beginnen. Daarnaast is het voornemen om door te gaan met het aannemersbedrijf dat al op de locatie aanwezig is. De pluimveestallen zijn praktisch alleen geschikt voor het houden van (pluim)vee. Hergebruik is daarom niet wenselijk. Het voornemen is daarom om de stallen te slopen en een nieuw bedrijfsgebouw van 1.000 m2 te realiseren. 800 m2 daarvan zal gebruikt worden door de caravanstalling en 200 m2 door het aannemersbedrijf.

Om de functiewijziging naar een bedrijfsfunctie met een nieuw bedrijfsgebouw mogelijk te maken, worden sloopmeters afkomstig van de eigen locatie ingezet. In paragraaf 3.3.1 wordt daar verder op ingegaan.

Het nieuwe bedrijfsgebouw krijgt dezelfde oriëntatie als de bestaande stallen, en staat daarmee haaks op De Haar. De bedrijfswoning en het bijgebouw blijven gehandhaafd.

Voor de inpassing van de nieuwe caravanstalling, wordt aan de achterkant van het erf een nieuwe groenstructuur aangelegd. Aan de oostkant wordt een nieuwe boomgaard gerealiseerd. Langs de westelijke perceelsgrens wordt nieuwe kavelgrensbeplanting gerealiseerd, bestaande uit streekeigen bomen. Dit zorgt voor een afscherming van het terrein en versterkt het groene karakter van de omgeving.

Beide opritten blijven gehandhaafd. De aanleiding daarvoor is dat deze opritten regelmatig gebruikt worden als keerlus voor vrachtverkeer dat over De Haar rijdt. Daarnaast is hier een brandput aanwezig die bereikbaar moet blijven. De verharding wordt teruggebracht tot wat minimaal noodzakelijk is, zodat meer ruimte voor infiltratie van hemelwater ontstaat. Door deze maatregelen wordt de nieuwe functie op een zorgvuldige manier ingepast, waarbij rekening wordt gehouden met de ruimtelijke kwaliteit en het karakter van het buitengebied.

Conform de kengetallen uit CROW-publicatie 744 geldt voor deze ontwikkeling een parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen. In totaal worden 10 parkeerplaatsen bij het bedrijf gerealiseerd. Dat is ruimschoots voldoende. Ten aanzien van de verkeersgeneratie zijn dagelijks 15 verkeersbewegingen te verwachten als gevolg van de bedrijfsfunctie. Dat is eenvoudig op te vangen in de bestaande capaciteit van De Haar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0006.jpg"

Nieuwe situatie

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:

  • 4. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 5. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 6. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 7. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.

Toetsing

Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het plangebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

Met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland wil de provincie Gelderland in de toekomst gaaf houden. In deze omgevingsvisie wordt beschreven wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om nu en in de toekomst prettig in de provincie te kunnen wonen, studeren en ontspannen. Samen met partners wordt elke dag gewerkt aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Er wordt gericht op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Aan de hand van 7 onderwerpen wordt hier richting aan gegeven:

  • Energietransitie: van fossielvrij naar duurzaam.
  • Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer.
  • Circulaire economie: sluiten van kringlopen.
  • Biodiversiteit: werken met de natuur.
  • Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
  • Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.
  • Woon- en leefklimaat: dynamisch, divers en duurzaam.

Toetsing

In de omgevingsvisie worden geen specifieke uitgangspunten beschreven voor deze ontwikkeling.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

In de Omgevingsverordening Gelderland zijn regels opgenomen die door gemeenten meegenomen moeten worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Deze regels beschermen en waarborgen de belangen van de provincie. In de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen. Hieronder worden de relevantie bepalingen voor het plangebied besproken.

Artikel 5.37 (beschermen landschap Gelderse streken: Gelderse Vallei)

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Gelderse Vallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei.

Voor deze streek zijn de volgende kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen benoemd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0007.png"

Toetsing

De genoemde kernkwaliteiten zijn specifiek op de locatie niet aanwezig. Wel draagt dit plan positief bij aan de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. Zo wordt de landschappelijke structuur gerespecteerd door het nieuwe bedrijfsgebouw in dezelfde oriëntatie als de bestaande stallen te plaatsen. De aanleg van nieuwe kavelgrensbeplanting en een boomgaard draagt bij aan het behoud en de versterking van kleinschalige landschapselementen. Ook draagt dit plan bij aan het tegengaan van verromeling van het landschap met verouderde agrarische bebouwing en het meer zichtbaar en beleefbaar maken van het landschap.

Conclusie

Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de provinciale omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio Foodvalley regio Amersfoort

De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2024 het regionale Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio Foodvalley regio Amersfoort vastgesteld. De beleidsregels in dit afwegingskader zijn vanaf 9 oktober 2024 van toepassing op plannen voor functieverandering in het buitengebied van Scherpenzeel.

Met het functieveranderingsbeleid willen de regiogemeenten de problematiek van leegstaande stallen in het agrarisch buitengebied aanpakken en de kwaliteit van het landelijk gebied versterken. In ruil voor de sloop van agrarische gebouwen (sloopcompensatie) worden onder voorwaarden diverse nieuwe ontwikkelingen geboden, zoals bijvoorbeeld een nieuwe woning of ander type bedrijf.

Het beleid geeft kaders voor de afhandeling van verzoeken waarbij wordt gevraagd om het omgevingsplan ter plaatse van voormalige agrarische bedrijfslocaties te wijzigen. Het is met name bedoeld om de omvang van de sloopcompensatie te bepalen.

In het beleid voor functieverandering naar werken staat voorop dat nieuwe economische functies bijdragen aan een vitaal en leefbaar landelijk gebied, mits de aard en omvang passen bij de omgeving. Functieverandering naar een bedrijf kan bestaan uit niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, maatschappelijke functies of recreatieve bedrijfsactiviteiten. Het behoud van de (voormalige) bedrijfswoning met bijgebouwen en de sanering van overtollige bebouwing zijn uitgangspunt. Voor het toevoegen van een werkfunctie gelden regels voor sloopcompensatie, landschappelijke inpassing en een bijdrage aan het ontwikkelfonds landelijk gebied. De gemeente maakt daarbij een ruimtelijke afweging of de functie past in het gebied en of de impact op milieu en landschap aanvaardbaar is. Zo draagt functieverandering naar werken bij aan de economische diversiteit en kwaliteit van het buitengebied.

Toetsing

Voor een functieverandering naar 'werken' moet voor het bedrijfsrecht 100 sloopmeters ingezet worden. Daarnaast moet per vierkante meter vloeroppervlakte bedrijfsbebouwing, tot en met 500 m2, 2 sloopmeters per vierkante beter ingezet worden. Alle vierkante meters boven de 500 m2, tot een maximum van 1.000 m2, moeten 3 keer gecompenseerd worden. Voor dit project komt dat in totaal neer op 2.600 sloopmeters.

Verder is de wens om een bijgebouw van maximaal 130 m2 bij de woning te handhaven. Het beleid van de gemeente Scherpenzeel staat maximaal 100 m2 toe. Het functieveranderingsbeleid staat een grotere oppervlakte toe, mits de overschrijding dubbel gecompenseerd wordt met sloopmeters. Dat betekent dat voor de overschrijding 60 sloopmeters ingezet moeten worden.

In totaal is 3.771 m2 (inclusief atrek 100 m2 standaardrecht bijgebouwen) aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Daar dienen afromingspercentages op toegepast te worden conform het beleid. Over de eerste 1.000 m2 hoeft geen afroming plaats te vinden. Over de sloopoppervlakte tussen de 1.000 en 2.000 m2 moet 25% afgeroomd worden. Voor alles daarboven geldt een afroompercentage van 50%. Wanneer dat wordt toegepast op het sloopoppervlak, blijven 2.635 m2 aan inzetbare sloopmeters over. Dat is onvoldoende om de gewenste ontwikkeling te realiseren.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Scherpenzeel

De Omgevingsvisie Scherpenzeel is vastgesteld door de gemeenteraad op 9 november 2021.

De omgevingsvisie geeft aan wat belangrijk gevonden wordt als het om de leefomgeving gaat: over alles wat we buiten zien, ervaren, horen en ruiken. Dit kan over gebouwen, wegen, stoepen en water gaan, maar ook over gras, bomen en monumenten. Over vergrijzing, het omgaan met het buitengebied, bereikbaarheid, en winkelaanbod. Over gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. In de Omgevingsvisie wordt gedacht vanuit de maatschappelijke opgaven voor de fysieke leefomgeving, maar ook het sociaal domein.

Scherpenzeel Noord

Scherpenzeel-Noord omvat het buitengebied ten noorden van het dorp. Het gebied kenmerkt zich door een aantrekkelijk landschap met cultuurhistorische waarde. Landbouw staat centraal in Scherpenzeel-Noord. Daarnaast zijn er kleinschalige recreatieve functies aanwezig die passen bij het cultuurlandschap.

Toekomstperspectief

Ambities voor de toekomst zien wij rondom een aantal thema’s. We gaan in Scherpenzeel-Noord voor kringlooplandbouw waarbij we de natuur niet alleen optimaal gebruiken, maar die ook sparen en verzorgen. We zetten in op het versterken van biodiversiteit (Groene omgeving) en maken in het gebied ruimte voor duurzame energieopwekking (Energietransitie) en waterberging (Duurzaamheid en klimaat). Daarnaast stimuleren wij initiatieven voor kleinschalige functies op vrijkomende agrarische bedrijven zoals recreatie of wonen. We zien kansen om recreatieve (wandel- en fiets)routes in het buitengebied beter te verbinden met het centrum (Recreatie en toerisme). Op de langere termijn is een toekomstige zoeklocatie voor wonen en werken direct boven de N224 bespreekbaar. Daarbij is nadrukkelijk het behoud van het landschappelijke karakter en groene longen belangrijk. We zetten echter eerst in op ontwikkeling van het gebied ten zuiden van onze kern.

Toetsing

Dit project voorziet in een functiewijziging van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel naar een bedrijfsfunctie. In de omgevingsvisie is benoemd dat de gemeente dergelijke initiatieven ondersteunt. Daarmee is dit initiatief in overeenstemming met de omgevingsvisie.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid en overige aspecten

4.1 Gezonde fysieke leefomgeving

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken.

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.

In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de aspecten van een gezonde fysieke leefomgeving beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.1 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties:

  • landbouw en natuur
  • wonen
  • industrie

Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.

Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl.

Voor dit project is door adviesbureau Grondvitaal een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.

De onderzoekshypothese ”verdachte locatie” kan op grond van de analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters worden verworpen. Er is geen verontreiniging aangetroffen. Tijdens de terreininspectie en de monstername van de grond zijn geen asbestverdachte materialen op of in de bodem aangetroffen. Met betrekking tot de voorgenomen bouwactiviteiten op de onderzochte locatie, zijn milieutechnisch geen belemmeringen aan te geven.

Verder is een verkennend asbest in bodemonderzoek uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat er wel lichte concentraties asbestvezels in de grondmonsters zijn aangetroffen, maar deze blijven ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/kg ds. In één monster is aanvullend een SEM-analyse uitgevoerd, waarbij 2,7 mg/kg ds werd vastgesteld, wat ruim onder de risiconorm van 10 mg/kg ds ligt. Ook zijn geen overschrijdingen van PCB’s geconstateerd. Onder de bestaande oprit is een laag puingranulaat aangetroffen, vermoedelijk aangebracht rond 2013, maar omdat hier geen werkzaamheden plaatsvinden is nader onderzoek niet nodig. De aangetroffen verontreinigingen vormen geen aanleiding tot aanvullend onderzoek en er zijn milieutechnisch geen bezwaren tegen het voorgenomen gebruik van de locatie.

4.1.2 Activiteiten en milieuzonering

Onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is het concept van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uit 2024 gebruikt. Deze nieuwe handreiking is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.

Bij deze nieuwe uitgave zit ook een nieuwe tabel, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten zones met afstanden zijn aangegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft zones voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid en geur.

Dit project voorziet in een functiewijziging van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel naar een bedrijfsfunctie. Voor de bedrijfsfunctie is sprake van uitwaartse zonering.

De voorgenomen caravanstalling als bedrijfsfunctie komt het meest overeen met 'opslaggebouwen'. Daarvoor geldt de geluidzone basis, voor het aspect geluid. Ook voor aan aannemersbedrijf met een kleiner bedrijfsoppervlak dan 1.000 m2 geldt de geluidzone basis. De basisregel is dat op 50 meter afstand maximaal 50 db(A) geproduceerd mag worden. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen geluidgevoelige gebouwen van derden aanwezig. Daarmee wordt aan de genoemde afstand voldaan.

Overige milieugevoelige functies zijn op grotere afstand gelegen. Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.1.3 Geluid

Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag.

Dit project voorziet niet in nieuwe, geluidgevoelige functies. Een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig.

4.1.4 Luchtkwaliteit

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). Valt een project binnen een genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool (Excelapplicatie) op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool.

Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Dit project voorziet in een functiewijziging van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel naar een bedrijfsfunctie, met de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw Dit leidt slechts tot een fractie van de verkeersbewegingen die projecten kunnen veroorzaken die onder de standaardgevallen vallen. Daarmee is het aannemelijk dat ook dit project valt onder de Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Het is niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

4.1.5 Omgevingsveiligheid

De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
  • het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor)
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal
  • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal
  • Kwetsbare gebouwen en locaties

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's.

Plaatsgebonden risico

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar.

Aandachtsgebieden

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:

  • brandaandachtsgebied
  • explosieaandachtsgebied
  • gifwolkaandachtsgebied

De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.

afbeelding "i_NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01_0008.jpg"

Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet gelegen is binnen een gifwolk-, explosie- enbrandaandachtsgebied. Externe veiligheidsrisico’s vormen daarmee geen belemmeringvoor dit project.

4.1.6 Milieueffectrapportage

Dit bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een (vormvrije) m.e.r.--beoordeling over te gaan.

4.2 Erfgoed

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Scherpenzeel is de locatie gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk bij oppervlaktes groter dan 250 m2 bij bodemingrepen dieper dan 30 cm.

Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt grotendeels gesitueerd binnen de contouren van de bestaande stallen. De grond is daar al geroerd. Het oppervlak dat buiten de contouren komt te liggen bedraagt precies 250 m2. Het pand wordt namelijk 50 meter lang, en ligt voor 5 meter in de breedte buiten de contouren van de bestaande bebouwing. Daarmee wordt de ondergrens niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.

4.3 Natuur

Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.

Voor dit project is door adviesbureau Florafaunacontrole.nl een natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.

Houtopstanden

Er hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor de specifieke zorgplicht houtopstanden. Bij de voorgenomen werkzaamheden vindt er geen bomenkap plaats. De nieuwe situatie zal landschappelijk worden ingepast met gebiedseigen soorten, wat bijdraagt aan de ecologische waarde en het behoud van de lokale biodiversiteit. Gemeenten hebben vaak eigen regels voor het kappen van bomen, vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), die in overeenstemming moeten zijn met landelijke en provinciale wetgeving.

Beschermde soorten

De manier waarop het perceel nu is ingericht en gebruikt, maakt het gebied niet geschikt voor beschermde dieren en planten. Vleermuizen, vogels en amfibieën kunnen hier wel foerageren. Maar grondgebonden zoogdieren hebben hier geen vaste plekken om te rusten of zich voort te planten, en amfibieën gebruiken het gebied niet als rustplaats in de winter. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen hebben hier geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen.

In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene veel voorkomende soorten is er in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied als ze aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

Beschermde gebieden

Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen en habitatrichtlijnsoorten zijn uit te sluiten. De ontwikkeling wordt uitgevoerd op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000-gebied. De locatie is op ca. 9 km vanaf Natura 2000-gebied Veluwe gelegen. Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels aanwezig en kunnen
zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en wellicht bemaling. Negatieve effecten als gevolg van geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid zijn uitgesloten wegens de ruime afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Er hoeven geen extra maatregelen genomen te worden voor de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden.

De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen het Gelders Natuurnetwerk (NNN) en/of de Groene Ontwikkelzone (GO). Het uitvoeren van de plannen zal geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN en de Groene Ontwikkelzone. Een toetsing aan het NNN- of GO-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Stikstof

Voor dit project is door adviesbureau Locis een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 4. Uit de berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase volgen geen toenames hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Het project is niet vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet.

4.4 Waterparagraaf

Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • watercompensatie in verband met toenemende verharding
  • bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning

Voor dit plan is via www.dewatertoets.nl een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 5.

Dit project voorziet in een aanzienlijke afname van het bebouwde en verharde oppervlak. Daardoor komt meer ruimte beschikbaar voor infiltratie van hemelwater in de bodem. Het hemelwater dat op het nieuwe bedrijfsgebouw valt wordt ook opgevangen en afgevoerd naar de omliggende gronden. De vuilwaterafvoer van het nieuwe bedrijfsgebouw wordt aangesloten op het bestaande riool.

Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.

4.5 Economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project economisch uitvoerbaar is.

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.

Met de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Wijziging omgevingsplan

5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2024. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

5.1.3 Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie De Haar 23, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.2 Artikelsgewijze toelichting functies

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen: In dit artikel worden de definities vastgelegd van begrippen die in de regels van het TAM-omgevingsplan worden gehanteerd. Hierdoor wordt een eenduidige interpretatie van deze begrippen gewaarborgd. De begrippen zijn opgenomen in Bijlage 1.

Artikel 2 Toepassingsbereik: Dit artikel beschrijft de verhouding tussen het TAM-omgevingsplan en het tijdelijk deel van het gemeentelijke omgevingsplan. De locatie waar dit plan op van toepassing is, wordt geometrisch afgebakend en vastgelegd in het GML-bestand.

Artikel 3 Wijze van meten: Hier worden de meetregels vastgelegd voor de diverse bouw- en gebruiksvoorschriften. Dit artikel bepaalt onder andere hoe de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling worden gemeten. Daarnaast worden uitzonderingen voor ondergeschikte bouwdelen benoemd.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod: Het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met de toegestane functies, waarden en activiteiten is niet toegestaan. Dit artikel vormt de basis voor handhaving van de functieregels.

Hoofdstuk 2: Doelen

Artikel 5 Doel omgevingsplan: Het TAM-omgevingsplan heeft als doel bij te dragen aan een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving. Specifieke doelen zijn onder andere het tegengaan van leegstand, het beschermen van archeologische en landschappelijke waarden en het voorkomen van verrommeling van erven.

Hoofdstuk 3: Functies en gebruiksactiviteiten

Artikel 6 Agrarisch met landschapswaarden: Deze gronden zijn bedoeld voor agrarisch gebruik met behoud van landschappelijke kwaliteiten. Toegestane activiteiten zijn agrarische bedrijfsvoering, waterbeheer, recreatief medegebruik en verkeersdoeleinden. Ook het hobbymatig weiden van paarden en functies van openbaar nut vallen hieronder.

Artikel 7 Bedrijf: Binnen de aangewezen gebieden zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan, specifiek voorde stalling van caravans en campers en voor een aannemersbedrijf. Maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de aanleg en instandhouding van het inrichtingsplan.

Hoofdstuk 4: Bouwen

Artikel 8 Bouwactiviteiten: Hier worden de algemene bouwregels vastgelegd, waaronder de verplichting om binnen het bouwvlak te bouwen en de maximale maatvoering van gebouwen en bijgebouwen. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale oppervlakte van 1.000 m2, met een bouwhoogte van 10 meter en een goothoogte van 6,5 meter. Voor bedrijfswoningen geldt een maximale inhoud van 800 m3, een bouwhoogte van 10 meter en een goothoogte van 6,5 meter. Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning mogen een maximale oppervlakte hebben van 130 m2, met een bouwhoogte van 5 meter en een goothoogte van 3,5 meter. Voor overige bouwwerken, zoals erfafscheidingen, geldt dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter mag bedragen en daarachter maximaal 2 meter.

Op locaties met de functie 'Agrarisch met landschapswaarden' mogen alleen bouwwerken worden gebouwd die in directe relatie staan tot de agrarische functie en landschappelijke waarden. Nuts- en energievoorzieningen mogen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 4 meter en een maximale inhoud van 50 m3. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen een maximale bouwhoogte van 2 meter hebben, mits ze niet worden gebruikt voor de opslag van mest.

Hoofdstuk 5: Waarden

Artikel 9 Bescherming van waarden:

  • 9.1 Landschappelijke waarden – grondbewerkingen: Om de landschappelijke waarden te beschermen, gelden beperkingen voor grondbewerkingen die het reliëf of de structuur van het gebied kunnen aantasten. Grondbewerkingen mogen de hoogte niet veranderen met meer dan 30 cm zonder vergunning.
  • 9.2 Archeologische waarde: Bepaalde werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen schaden zijn vergunningplichtig. Voor locaties met een archeologische verwachtingswaarde 2 (hoog) is een vergunning vereist als de werkzaamheden dieper dan 30 cm gaan en een oppervlakte groter dan 250 m2 beslaan. Bij locaties met een archeologische verwachtingswaarde 4 (laag) is een vergunning vereist wanneer de werkzaamheden dieper dan 30 cm gaan en een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 beslaan.

Hoofdstuk 6 Inspraak en overleg

6.1 Vooroverleg

Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan zal toegezonden worden aan de provincie Gelderland in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Daarnaast wordt dit concept toegezonden aan de veiligheidsregio en het waterschap. Dit concept is niet toegezonden aan de Rijksoverheid, aangezien er geen nationale belangen in het geding zijn.

De veiligheidsregio heeft aangegeven geen bezwaren te hebben.

6.2 Ontwerp

Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 19 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Toen zijn geen zienswijzen ingediend.

6.3 Participatie

De omwonenden zijn via de ontwerpfase op de hoogte gesteld van het plan. Daaruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen.