direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan De Haar 23
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01

Regels

Met dit TAM omgevingsplan wordt de agrarische bedrijfsfunctie van de locatie De Haar 23 vervangen door een niet-agrarische bedrijfsfunctie. Dit plan is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Scherpenzeel. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het (voorheen geldende) Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b.' gelezen worden.

In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

  • a. Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan De Haar 23 bevat begrippen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan.
  • b. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan De Haar 23, tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.
1.1 omgevingsplan:

het omgevingsplan van de gemeente Scherpenzeel;

1.2 TAM-omgevingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 agrarisch bedrijf:

een veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf - niet zijnde een boomkwekerij, een productieboomgaard, een glastuinbouwbedrijf, een champignonkwekerijbedrijf of een gebruiksgerichte paardenhouderij;

1.6 archeologisch deskundige:

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid;

1.7 archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt;

1.8 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden;

1.9 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken;

1.10 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

1.11 bedrijfswoning:

een woning op een terrein, kennelijk slechts bestemd voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, met het oog op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;

1.12 bedrijf aan huis:

het door de bewoner van de woning in beperkte omvang en ondergeschikt aan de woonfunctie bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. uitvoeren van geheel of overwegend handmatige ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel, behoudens beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft dat met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.13 beroep aan huis:

het door de bewoner van de woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratieve, juridische, medische, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte onderschikte omvang in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft dat met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.14 bijbehorende bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.15 bijgebouw:

een opzichzelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.16 boomkwekerij:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, rozenstruiken, sierconiferen en overige sierheesters een en ander in de vorm van volle grondsteelt dan wel containerteelt, uitgezonderd snijheesterkwekerijen;

1.17 bouwactiviteit:

activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk;

1.18 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.19 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.20 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.21 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.22 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal welke, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.23 dagrecreatie:


vormen van recreatie, die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf;

1.24 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan diegenen die die goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Hieronder worden tevens afhaalpunten verstaan;

1.25 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.26 glastuinbouwbedrijf:

een bedrijf dat (overwegend) is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen door gebruik te maken van kassen (staand glas);

1.27 hobbymatige activiteiten:

niet bedrijfsmatige activiteiten

1.28 huishouden:

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan;

1.29 inwoning:

het voor een bepaalde tijd één of meerdere personen, die geen deel uitma(akt)(ken) van de huishouding, gebruik laten maken van ruimte(n) in een (deel van een) woning c.q. hoofdgebouw die geschikt is (zijn) voor (nacht)verblijf, waaronder ook mantelzorg wordt begrepen;

1.30 kampeermiddel:

een tent, tentwagen, toercaravan, stacaravan of kampeerauto;

1.31 landschappelijke waarden:

aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

1.32 natuurlijke waarden:

aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen, voorkomend in dat gebied;

1.33 opslag:

opslag van goederen die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze een bewerking ondergaan en zonder dat deze verhandeld worden;

1.34 paardenhouderij:

een agrarisch bedrijf, gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden, het geven van instructie aan derden, het trainen van paarden en uitbrengen in de sport, verhuur van diensten met behulp van paarden en de in- en verkoop van paarden;

1.35 voorgevel:


de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een gebouw met meerdere zijden aan een openbare weg grenst, de als zodanig door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen gevel;

1.36 wonen:

het gehuisvest zijn in een woning, waaronder niet inbegrepen kamerverhuur en inwoning;

1.37 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

2.1 Verhouding met ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g en n, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het tweede lid.

2.2 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie De Haar 23 te Scherpenzeel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0279.TAM2025DeHaar23-vg01 zoals weergegeven op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

Artikel 3 Wijze van meten

3.1 Algemene regels

De meetbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.2.

3.2 Aanvullende regels
  • a. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • b. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • c. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  • d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • e. de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel: tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
3.3 Uitzonderingen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten,pilaster, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, reclameborden, gevel- en kroonlijsten,luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,50 meter bedraagt.

3.4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden de gronden en de bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze strijdig met de aangegeven functies, waarden, activiteiten en/of doelen.

Hoofdstuk 2 Doelen

Artikel 5 Doel omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan De Haar 23 is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • b. een gezonde en veilige leefomgeving;
  • c. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  • d. het voorkomen van leegstand van voormalige agrarische bebouwing;
  • e. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen in het buitengebied;
  • f. het versterken van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied;
  • g. het gebruik van bouwwerken;
  • h. het beschermen van archeologische waarden;
  • i. het beschermen van landschappelijke waarden.

Hoofdstuk 3 Functies en gebruiksactiviteiten

Artikel 6 Agrarisch met landschapswaarden

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met landschapswaarden'.

6.2 Functieomschrijving

Op de voor 'Agrarisch met landschapswaarden' aangewezen gronden zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf;
  • b. de waterhuishouding, waaronder begrepen watergangen en voorzieningen voor het keren en beheersen van water;
  • c. recreatief medegebruik in de zin van voet-, fiets- en/of ruiterpaden en ondergeschikte dagrecreatieve voorzieningen;
  • d. het hobbymatig weiden van paarden;
  • e. verkeersdoeleinden, uitsluitend voor wegen en (voet- en fiets)paden;
  • f. functies van openbaar nut;
  • g. functies die de landschappelijke waarden als benoemd in 9.1 verhogen.

Artikel 7 Bedrijf

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bedrijf'.

7.2 Functieomschrijving

Op de voor 'Bedrijf’ aangewezen gronden zijn uitsluitend de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. het stallen van caravans, campers en andere kampeermiddelen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling';
  • b. een aannemersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'aannemersbedrijf';
  • c. een bedrijfswoning;
  • d. beroep aan huis;
  • e. bedrijf aan huis;
  • f. functies van openbaar nut.
7.3 Specifieke gebruiksregels
7.3.1 Beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis

Onder beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis wordt verstaan activiteiten die een beperkte ruimtelijke uitstraling hebben en die binnen een huis kunnen worden uitgeoefend, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • a. activeiten die meldingsplichtig zijn op basis van afdeling 22.3, en;
  • b. het Besluit activiteiten leefomgeving.
7.3.2 Verboden gebruik

Onder gebruik van de gronden en bouwwerken in strijd met deze functie wordt in elk geval begrepen:

  • a. gebruik voor andere bedrijfsactiviteiten;
  • b. het gebruik van meer dan 200 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voor een aannemersbedrijf;
  • c. het gebruik van meer dan 800 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voor een caravanstalling;
  • d. gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig lid 7.2 zonder de aanleg en instandhouding van het in Bijlage 2 opgenomen inrichtingsplan;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder d. mogen de gronden en bouwwerken in het eerste jaar na vaststelling van dit plan gebruikt worden overeenkomst lid 7.2 zolang begonnen is aan de aanleg van het in Bijlage 2 opgenomen inrichtingsplan.

Hoofdstuk 4 Bouwen

Artikel 8 Bouwactiviteiten

8.1 Algemene bouwregels
8.1.1 Bouwen passend binnen functie/activiteit

Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de toegestane activiteiten zoals omschreven in deze regels.

8.1.2 Bouwen conform maatvoering
  • a. Indien op de verbeelding ter plaatse van een locatie maatvoeringsaanduidingen of omgevingsnormen zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse van deze locatie gegeven maximum-,minimum-, verplichte dan wel andere maten.
  • b. Voor een locatie waar geen maatvoeringsaanduidingen of omgevingsnormen op de verbeelding zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de in de regels opgenomen maten die van toepassing zijn op de betreffende locatie.
8.2 Bouwregel algemeen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen op locaties met de functie Bedrijf geldt dat:

  • a. een bedrijfswoning is toegestaan;
  • b. het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 1;
  • c. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 700 m3, dan wel, indien een grotere woning aanwezig is, de inhoud zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen, exclusief de bedrijfswoning en daarbij behorende bouwwerken, niet meer bedraagt dan 1.000 m2;
  • e. de goothoogte ten hoogste 6,5 m bedraagt;
  • f. de bouwhoogte ten hoogste 10 m bedraagt;
  • g. de dakhelling ten minste 18° bedraagt.
8.3 Bouwregel bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen op locaties met de functie Bedrijf gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte per woning mag niet meer bedragen dan 130 m2;
  • b. de goothoogte bedraagt ten hoogste 3,50 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 5 m;
  • d. de afstand van bijgebouwen tot de voorgevel en het verlengde daarvan van de bedrijfswoning bedraagt tenminste 1 m;
  • e. de afstand van bijgebouwen tot de bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 25 m.
8.4 Bouwregel bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op locaties met de functie Bedrijf gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte voor erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m mogen bedragen;
  • b. van overige erfafscheidingen mag de bouwhoogte ten hoogste 2 m mogen bedragen;
  • c. de bouwhoogte van palen en masten ten hoogste 8 m bedraagt;
  • d. installaties, zoals airco's en warmtepompsystemen, zijn aan de achter- en zijgevel toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 1 m2 en met haakse afstand tot de gevel van maximaal 1 meter;
  • e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen ten hoogste 3,5 m bedragen.

Hoofdstuk 5 Waarden

Artikel 9 Bescherming van waarden

9.1 Landschappelijke waarden - grondbewerkingen
9.1.1 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke waarden zoals deze tot uitdrukking komen in het reliëf, het begroeiingpatroon (houtsingels), het verkavelingspatroon, de (relatieve) openheid en/of in de kleinschaligheid, zoals deze met name tot uitdrukking komt in de verkaveling.

9.1.2 Algemene regels

De volgende grondbewerkingen mogen worden uitgevoerd, zolang zij de grond niet verhogen of verlagen met meer dan 0,30 meter:

  • a. graven;
  • b. ophogen; en
  • c. egaliseren.
9.1.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende grondbewerkingen uit te voeren als zij de grond verhogen of verlagen met meer dan 0,30 meter:

  • a. graven;
  • b. ophogen; en
  • c. egaliseren.
9.1.4 beoordelingsregels

De vergunning, als bedoeld in 9.1.3, wordt alleen verleend als door de activiteit niet direct of indirect:

  • a. onevenredige schade wordt toegebracht aan:
    • 1. de bestaande landschappelijke waarden; en
    • 2. de bestaande agrarische waarden en functie; en
  • b. onevenredig de mogelijkheden van herstel van de volgende waarden worden verkleind:
    • 1. de bestaande landschappelijke waarden; en
    • 2. de bestaande agrarische waarden.
9.2 Archeologische waarde
9.2.1 Toepassingsbereik
  • 1. Deze paragraaf gaat over het verrichten van bouwwerkzaamheden, grondwerkzaamheden en het ophogen van de bodem in gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.
  • 2. Onder de in lid 1 bedoelde bouw- en grondwerkzaamheden die mogelijk aanwezige archeologische (verwachtings)waarden kunnen schaden wordt verstaan:
    • a. het indrijven en aanleggen van funderingen, waaronder paalfunderingen;
    • b. afgraven;
    • c. woelen;
    • d. mengen;
    • e. diepploegen;
    • f. egaliseren;
    • g. ontginnen;
    • h. ophogen;
    • i. het aanleggen van drainage;
    • j. het vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • k. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • l. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • m. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
    • n. het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting;
    • o. het rooien van bos of een boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • p. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.2.2 Vergunningplicht
  • 1. Het is verboden om in het werkingsgebied Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten, als:
    • a. de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm; of
    • b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden meer is dan 250 m².
  • 2. Het is verboden om in het werkingsgebied Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten, als:
    • a. de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm; of
    • b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden meer is dan 10.000 m².
  • 3. Het eerste en tweede lid gelden niet:
    • a. voor grondwerkzaamheden die worden verricht voor vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;
    • b. voor grondwerkzaamheden die worden verricht voor archeologisch onderzoek.
  • 4. In het geval van grondwerkzaamheden en/of ophoging van meer dan 30 cm in een gebied waar twee of meer categorieën gelden is de hoogste verwachtingswaarde van toepassing.
9.2.3 Aanvraagvereisten
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 9.2.2 wordt een archeologisch onderzoeksrapport aangeleverd waaruit blijkt dat de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld en veiliggesteld.
  • 2. Als het in lid 1 bedoelde archeologisch onderzoek een proefsleuvenonderzoek, archeologische begeleiding of een opgraving is, wordt voorafgaand aan dat onderzoek een archeologisch programma van eisen aangeleverd, waarin nadere regels worden gesteld over het betreffende onderzoek.
  • 3. Voordat het in lid 2 bedoelde archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, legt de initiatiefnemer een archeologisch plan van aanpak ter goedkeuring voor aan het college van burgemeester en wethouders/de gemeentelijk archeologische deskundige.
9.2.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.2.2 wordt verleend als:

  • a. er geen archeologische waarden worden geschaad; of
  • b. schade door de met de oprichting van het bouw of grondwerkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen, door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld in 9.2.5.
  • c. alvorens omtrent het verlenen van omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
9.2.5 Vergunningvoorschriften

Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in 9.2.4, onder b kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in 9.2.2 worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.
  • c. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.