| Plan: | TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01 |
Op het perceel Schoofbandweg 10 in Rossum is een agrarisch bedrijf aanwezig. Bij de gemeente Maasdriel is het verzoek ingekomen om met toepassing van de regeling voor 'vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied' (VAB-regeling) de agrarische bedrijfsgebouwen te slopen. In plaats daarvan wordt de agrarische bedrijfswoning bestemd tot burgerwoning. Tevens wordt een nieuwe woning gerealiseerd ten westen van het voormalige agrarische bedrijf.
Op basis van het geldende planologische regime is de realisatie van dit initiatief niet mogelijk. Om deze reden is deze wijziging van het omgevingsplan opgesteld.
De locatie ligt aan de Schoofbandweg in Rossum. Het plangebied bestaat uit de percelen kadastraal bekend als sectie E, nummer 801, 1001 en 1002 en heeft een omvang van ongeveer 5.000 m2. Op onderstaande afbeeldingen zijn de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Ligging Schoofbandweg 10
Begrenzing Schoofbandweg 10
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Maasdriel aan de Schoofbandweg. De percelen direct om Schoofbandweg 10 heen, hebben een agrarische functie. De voornaamste functie in de directe omgeving is eveneens de agrarische functie.
Nieuwe situatie
Het agrarische bedrijf wordt beëindigd en de voormalige agrarische opstallen worden gesloopt. Op basis van het VAB-beleid wordt de huidige bedrijfswoning bestemd als burgerwoning en wordt één extra woning gerealiseerd ten westen van de bestaande bedrijfswoning. De gronden achter de woonpercelen zullen in agrarisch gebruik blijven.
In de loop der jaren is het een en ander gesloopt. Op het perceel staat nu een vrijstaande kapschuur. De sloop omvat in totaal 1.750 m2 van de bedrijfsgebouwen in het plangebied. De bestaande woning en een gedeelte van 332 m3 van het bestaande bijgebouw achter de woning blijven behouden.
De nieuw te realiseren woning mag een maximale inhoud van 750 m3 en 100 m2 aan bijgebouwen bevatten. Hiermee wordt aangesloten op de regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, waarin woningen een maximale inhoud van 750 m3 en 100 m2 aan bijgebouwen mogen hebben.
De huidige bedrijfswoning, inclusief inpandig bijgebouw, blijft in stand. Dit betreft een inhoud van 1.157 m3. Dit bestaat uit een woning van 825 m3 (750 m3, inclusief 10% afwijkingsmogelijkheid) en 332 m3 aan bijgebouwen. Dit staat gelijk aan een oppervlakte van 65 m2 aan bijgebouwen. Op het perceel mag daarbovenop nog 85 m2 aan bijgebouwen worden gebouwd. Het huidige agrarische perceel komt te vervallen. In plaats daarvan wordt een functievlak rondom de bestaande voormalige bedrijfswoning opgenomen.
Landschappelijke inpassing
Voor de nieuw te realiseren woning is een landschappelijke inpassing opgesteld, zie Bijlage 1. In de landschappelijke inpassing is de meest wenselijke locatie van de nieuwe woning aangegeven. De gevel van de nieuwe bebouwing moet evenwijdig liggen aan de Schoofbandweg.
De houtsingel aan de oostzijde wordt versterkt en doorgetrokken. Op het erf komen enkele losse bomen te staan, waardoor het open karakter van de omgeving niet wordt verstoord. Op de hoeken van het perceel komen enkele boomgroepen met boomsoorten die aansluiten op het bomenstructuurplan van de gemeente.
Landschappelijke inpassing (bron: BügelHajema Adviseurs)
Waterberging
Op het perceel wordt een vijver voor waterberging gerealiseerd. Deze vijver wordt achter de nieuwe woning gerealiseerd. De vijver heeft een oppervlak van 117 m2. In het landschappelijk inpassingsplan wordt verder uitgewerkt hoe de waterberging vorm krijgt.
Een uitgebreide verantwoording van de ontwikkeling is opgenomen in de hoofdstukken 2 tot en met 5.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 13 oktober 2022 en maakt sinds 1 januari 2024 onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege van gemeente Maasdriel.
Ter plaatse van het plangebied geldt op het moment de bestemming Agrarisch met waarden. Ter plaatse van deze bestemming mag een agrarisch bedrijf worden geëxploiteerd. Ter plaatse van de woning en het voormalige bedrijf Schoofbandweg 10 is een bouwvlak opgenomen. Binnen dit bouwvlak is het toegestaan bebouwing op te richten. Op het noordwestelijk deel van het perceel geldt een archeologische dubbelbestemming. Deze dubbelbescherming beschermt mogelijke archeologische waarden in de grond.
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het geldende omgevingsplan opgenomen.
Uitsnede omgevingsplan (bron: regels op de kaart)
Ter plaatse van de agrarische bestemming is een burgerwoning niet toegestaan. Ook biedt het huidige bouwvlak onvoldoende ruimte voor de nieuwe woning. Om deze reden is een wijziging van het omgevingsplan ter plaatse noodzakelijk.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Maasdriel aan de Schoofbandweg. Het plangebied maakt onderdeel uit van de kern Rossum. De voornaamste functie in de directe omgeving is de agrarische functie. Op een afstand van circa 300 m ten noordoosten van het plangebied bevindt zich het bedrijventerrein De Wildeman van Zaltbommel.
Op het perceel staat een bedrijfswoning met een bijgebouw eraan vast aan de straatkant. Achter de woning bevindt zich het bedrijfsgebouw. De gronden ter plaatse van de te realiseren woning zijn momenteel in gebruik als grasland.
Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele beelden van het plangebied weergegeven.
Woning Schoofbandweg 10 (eigen foto)
Locatie nieuwe woning Schoofbandweg (bron: maps.google.com)
Gebiedskemerken
Het initiatief ligt in het buitengebied, in het waardevol open gebied. Het gebied rond de Schoofbandweg wordt gekenmerkt door een afwisseling van doorzichten en verdichting. De verdichtingen zijn met name de (agrarische) erven langs deze weg. De verdichting wordt veroorzaakt door de bebouwing en de begroeiing om de erven heen. De doorzichten zijn over het algemeen de stukken open land tussen deze erven in.
De Schoofbandweg en de andere wegen in de omgeving worden gemarkeerd door de bomenrijen langs de weg. Vanuit de omgeving is duidelijk te zien waar deze wegen lopen.
Het plangebied wordt ontsloten via de Schoofbandweg. De Schoofbandweg sluit aan op de Van Heemstraweg, een grotere ontsluitingsweg van de kern Maasdriel. Via de Veilingweg is de Schoofbandweg aangesloten op het bedrijventerrein De Wildeman. Via deze route kan men ook richting de snelweg.
Historie
Het gebied rondom de Schoofbandweg is al ruime tijd in gebruik met een agrarische functie. Ook kenmerkt het landschap zich in de afgelopen eeuw met een grote mate van openheid. Met de tijd is deze openheid steeds verder onderbroken door de komst van agrarische bedrijven.
Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele uitsneden van de historische kaarten weergegeven.
Historische kaarten Schoofbandweg (bron: topotijdreis.nl)
Welstandsnota Maasdriel
In de welstandnota van Maasdriel is het plangebied aangemerkt als Agrarisch landschap. Het agrarisch landschap is als geheel aangemerkt als een regulier welstandsgebied; welstandsniveau 3. Daarbij zijn de volgende (algemene) criteria van toepassing:
Het agrarische bedrijf is beëindigd en de voormalige agrarische opstallen zijn gesloopt. Op basis van het VAB-beleid wordt de huidige bedrijfswoning bestemd als burgerwoning en wordt één extra woning gerealiseerd ten westen van de bestaande bedrijfswoning. De gronden achter de woonpercelen zullen in agrarisch gebruik blijven.
De sloop omvat 1.750 m2 van de bestaande bedrijfsgebouwen in het plangebied. De bestaande woning en een gedeelte van het bestaande bijgebouw achter de woning (332 m3) blijven behouden. De nieuw te realiseren woning mag een maximale inhoud van 750 m3 en 100 m2 aan bijgebouwen bevatten. Hiermee wordt aangesloten op de regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, waarin woningen een maximale inhoud van 750 m3 en 100 m2 aan bijgebouwen mogen hebben.
De huidige bedrijfswoning, inclusief inpandig bijgebouw, blijft in stand. Dit betreft een inhoud van 1.157 m3. Dit bestaat uit een woning van 825 m3 (750 m3, inclusief 10% afwijkingsmogelijkheid) en 332 m3 aan bijgebouwen. Dit staat gelijk aan een oppervlakte van 65 m2 aan bijgebouwen. Op het perceel mag daarbovenop nog 85 m2 aan bijgebouwen worden gebouwd. Het huidige agrarische perceel komt te vervallen. In plaats daarvan wordt een bestemmingsvlak rondom de bestaande voormalige bedrijfswoning opgenomen.
Landschappelijke inpassing
Voor de nieuw te realiseren woning is een landschappelijke inpassing opgesteld, zie Bijlage 1. In de landschappelijke inpassing is de meest wenselijke locatie van de nieuwe woning aangegeven. De gevel van de nieuwe bebouwing ligt evenwijdig aan de Schoofbandweg.
De houtsingel aan de oostzijde wordt versterkt en doorgetrokken. Op het erf komen enkele losse bomen te staan, waardoor het open karakter van de omgeving niet wordt verstoord. Op de hoeken van het perceel komen enkele boomgroepen met boomsoorten die aansluiten op het bomenstructuurplan van de gemeente.
Landschappelijke inpassing (bron: BügelHajema Adviseurs)
Gemeenten moeten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten meenemen bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden. Er gelden beperkt instructieregels van het Rijk. Een goede omgevingskwaliteit is opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving. Maar ook om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. Gemeenten moeten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan, daaronder valt ook het stellen van regels over activiteiten (denk aan bouwhoogten en bebouwingspercentages bij een ruimtelijke bouwactiviteit).
Het initiatief dient bij de verdere uitwerking in ieder geval aan de volgende beleidsdocumenten te voldoen wat betreft omgevingskwaliteit:
Vanuit het oogpunt van omgevingskwaliteit stelt de gemeente Maasdriel de volgende concrete randvoorwaarden aan het initiatief:
| RANDVOORWAARDEN | |
| Algemene stedenbouwkundige kaders | In de omgevingsvisie is het plangebied aangemerkt als 'Open Kom'. In dit gebied zoekt de gemeente naar kansen om de openheid te vergroten. Met dit initiatief wordt hier invulling aan gegeven. Een groot deel van de agrarische bebouwing is/wordt gesloopt. Er wordt beperkt bebouwing terug gebouwd in de vorm van een woning. |
| Plaatsing | Hoofdmassa De nieuw te bouwen woning wordt op circa 25 m van de weg gerealiseerd. De woning verspringt iets in de rooilijn ten opzichte van de bestaande woning. De achterzijde van het kavel blijft open om zo het open zicht op het achterliggende landschap te behouden. |
| Massa en vorm | Hoofdmassa De nieuw te realiseren woning mag een maximale inhoud van 825 m3 bevatten. Hiermee wordt aangesloten op de regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied, waarin woningen een maximale inhoud van 750 m3 mogen hebben. Bij de nieuwe woning mag 150 m2 aan bijgebouwen worden gerealiseerd. |
| Uitstraling Welstand/Uiterlijk van bouwwerken |
Bij de realisatie van de woning worden de welstandseisen, zoals in de bovenstaande paragraaf beschreven in acht genomen. Het ontwerp wordt uitgewerkt nadat de ruimtelijke procedure is afgerond. |
Voor de nieuw te realiseren woning is een landschappelijke inpassing opgesteld, zie Bijlage 1.
Vanuit het oogpunt van volkshuisvesting stelt de gemeente Maasdriel de volgende concrete randvoorwaarden aan het initiatief:
| Differentiatie | Het initiatief voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning. Het initiatief spitst zich toe op nieuwe inwoners die een grotere woning zoeken. |
| Levensloopbestendigheid | De woningen zijn levensloopbestendig of eenvoudig levensloopbestendig te maken. In het definitieve ontwerp van de woning wordt hiermee rekening gehouden. |
| Ontmoeting | Het initiatief voorziet in een nieuwe woning vlak naast een bestaande woning. Hiermee wordt de kans aannemelijker dat bewoners elkaar ontmoeten. |
Uitgangspunt voor de ontwikkeling zijn de parkeernormen uit de Beleidsregels parkeernormen 2024 gemeente Maasdriel. In bijzondere gevallen kan de gemeente, na onderzoek naar de parkeerdruk door de initiatiefnemer, besluiten om andere parkeernormen aan te houden voor een concreet initiatief.
| Parkeren | Ten aanzien van parkeren kan worden gesteld dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm (2,2 parkeerplaatsen per burgerwoning). Afgerond naar boven worden er 3 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. |
Duurzaamheid gaat over de huidige en toekomstige generatie. De energietransitie, het hergebruik van grondstoffen en asbestsanering zijn belangrijke elementen. Evenals onderwerpen als duurzaam wonen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
| RANDVOORWAARDEN | |
| Energie- en warmtetransitie | De nieuwe woning wordt energieneutraal gerealiseerd. |
| Openbare ruimte | Het initiatief voorziet niet in de realisatie van nieuwe openbare ruimte. |
| Circulaire economie | De nieuwe woning wordt waar mogelijk circulair gebouwd. |
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Planspecifiek
Het initiatief heeft betrekking op belang 4: een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Met deze ontwikkeling wordt invulling gegeven aan een vrijkomende agrarische locatie in het landelijke gebied van Maasdriel.
Conclusie
Het initiatief past binnen de beleidskaders van de nationale omgevingsvisie. Het plan geeft invulling aan belang 4. Voor het overige is de ontwikkeling niet strijdig met de NOVI.
Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 ingestemd met de nieuwe 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland'. De kern van deze omgevingsvisie is dat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland voorop staat. Om dit te behouden en te bereiken, worden in de omgevingsvisie drie uitgangspunten centraal gesteld: een Duurzaam, Economisch krachtig en een Verbonden Gelderland.
Planspecifiek
Het initiatief heeft geen expliciete betrekking op een van de provinciale belangen die zijn opgenomen in de omgevingsvisie. Het initiatief staat de provinciale uitgangspunten niet in de weg en is daarmee passend binnen de provinciale omgevingsvisie.
Conclusie
Het initiatief past binnen de beleidskaders van de provinciale omgevingsvisie.
Regionale Woonagenda 2020 - 2030
De provincie Gelderland geeft in de omgevingsverordening aan dat van de regio's wordt verwacht dat zij hun beleid op het gebied van wonen afstemmen met (externe) partners in een 'regionale woonagenda'. Hierin zijn de belangrijkste thema's omschreven waaraan de betreffende regio gaat werken. In de Regionale Woonagenda 2020-2030 zijn vijf thema's uitgewerkt waarop de acht regiogemeenten de komende jaren willen samenwerken. Deze thema's zijn:
Planspecifiek
Het initiatief is vanwege de beperkte omvang (één woning) niet opgenomen in het woningbouwprogramma in de lijst projecten categorie 1 of categorie 2. Wat betreft het programma scoort de ontwikkeling echter goed, omdat wordt bijgedragen aan het invullen van de woningbouwopgave in gemeente Maasdriel.
Bij de motivering dient aandacht te worden gevestigd op het beleid van de gemeente op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet.
De gemeenteraad van Maasdriel stelde in 2022 de Omgevingsvisie Bommelerwaard vast. De omgevingsvisie gaat over de vraag: Hoe ziet de Bommelerwaard er in de toekomst uit? In de visie beschrijven we hoe we kijken naar de ontwikkeling van de gemeenten. Welke kansen én uitdagingen zijn er? Hoe willen we daarmee omgaan? Het gaat over thema's als wonen, werken, landbouw, voorzieningen, klimaat, gezondheid en cultureel erfgoed. Kortom alles wat te maken heeft met de fysieke leefomgeving komt voorbij.
De visie is gebaseerd op bestaand beleid en aangevuld met nieuwe thema's en de Bommelerwaardse waarden. Het beschrijft de belangrijkste opgaven en ruimtelijke keuzes voor de Bommelerwaard, en voor Maasdriel in het bijzonder, en hoe hieraan uitvoering gegeven wordt. De omgevingsvisie is opgebouwd uit 3 hoofdonderdelen:
Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (Gvvp)
Het oude recht (het recht van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) bevatte regels over het opstellen van een verkeers- en vervoerplan (artikel 9 Planwet verkeer en vervoer). De omgevingsvisie uit de Omgevingswet komt in de plaats van dit sectorale strategisch beleidsdocument. In Maasdriel is het verkeers- en vervoersplan nog niet opgenomen in de omgevingsvisie. Uiterlijk in 2026 zal dat wel het geval zijn. Toch moet al rekening worden gehouden met de uitgangspunten uit het gvvp.
In algemene zin moeten ruimtelijke ontwikkelingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst aan de verkeersverwachting over 10 jaar. Daarvoor is een prognose van toekomstige intensiteiten in/van een verkeersmodel (prognosejaar) belangrijk.
Een eerste toets richt zich daarbij of de ruimtelijke ontwikkeling al in het verkeersmodel is opgenomen en of dat in de juiste omvang (aantallen woningen, voorzieningen en dergelijke) is gebeurd. Daarvoor is een prognose van toekomstige intensiteiten in/van een verkeersmodel (prognosejaar) belangrijk.
Planspecifiek
Het initiatief ligt in het plangebied van de omgevingsvisie en valt binnen het deelgebied 'Open Kommen'. Relevante aandachtspunten zijn het versterken van het open karakter van het gebied. Als gevolg van dit initiatief wordt agrarische bebouwing gesloopt en wordt daarmee meer openheid gecreëerd in het gebied. Er wordt één woning gerealiseerd in het kader van dit plan. Het agrarische karakter van het gebied blijft hiermee grotendeels in stand.
De nieuwe woning voorziet in een zeer beperkte extra verkeersgeneratie. Aanpassing van de bestaande infrastructuur is niet noodzakelijk.
Conclusie
Het initiatief past binnen de beleidskaders van de omgevingsvisie en het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan. Het agrarisch karakter van het gebied blijft behouden en de openheid van het gebied wordt versterkt.
Er zijn geen aanpassingen aan de infrastructuur noodzakelijk.
De gemeente Maasdriel heeft samen met de gemeente Zaltbommel de Woonvisie Bommelerwaard 2021-2025 opgesteld. In de visie zetten de gemeenten hun ambities uiteen uit op het gebied van wonen. Centrale thema's van de woonvisie: Snel voldoende woningen; Meer variatie; Duurzame woningvoorraad; Wonen en zorg; Leefbaarheid. De ambities en woonthema's zijn in het uitvoeringsprogramma vertaald in uitvoeringsacties.
Planspecifiek
De Woonvisie Bommelerwaard 2021-2025 is wel van toepassing op het initiatief. De ontwikkeling heeft beperkt betrekking op de centrale thema's van de woonvisie. Dit komt doordat het een ontwikkeling is met een beperkte omvang (het realiseren van één woning). Met dit initiatief wordt bijgedragen aan het thema 'Snel voldoende woningen'. In paragraaf 2.2.2 staat verder uitgewerkt hoe dit initiatief past binnen de concrete randvoorwaarden die zijn gesteld in het oogpunt van de omgevingskwaliteit, hier wordt ook ingegaan op volkshuisvesting.
Conclusie
Het initiatief past binnen de beleidskaders van de woonvisie.
De directe aanleiding voor het opstellen van deze beleidsvisie is de invoering van de Omgevingswet. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Bovendien moet de huidige visie van gemeente Zaltbommel worden geactualiseerd (gemeente Maasdriel heeft op dit moment nog geen beleidsvisie). Een deel van de huidige regels rondom externe veiligheid blijft bestaan onder de Omgevingswet.
De Beleidsvisie Externe Veiligheid Zaltbommel en Maasdriel is opgesteld met als primair doel een goede bouwsteen te hebben voor de omgevingsvisie (2.0 versie) en het omgevingsplan. Daarnaast bevat de beleidsvisie een beoordelingskader om bepaalde taken door de gemeente en ODR (namens gemeente) sneller, uniformer en beter te kunnen uitvoeren. Het gaat dan met name om de beoordeling van:
Planspecifiek
De beleidsvisie externe veiligheid heeft geen betrekking op het initiatief, omdat het initiatief niet in een extern veiligheidsgebied ligt. In de nabijheid van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding. De belemmeringenstrook van de leiding ligt niet over het plangebied. Tevens liggen de 1% (invloedsgebied) en 100% letaalzones niet over het plangebied.
In de nabijheid van het plangebied ligt een Sevesoinrichting (Distributiecentrum Mainfreight Docks), hier worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. Het terrein van de inrichting en de risicocontouren liggen niet over het plangebied heen.
Conclusie
Het initiatief past binnen de doelstellingen uit de beleidsvisie externe veiligheid, omdat het gebied niet binnen een extern veiligheidsgebied ligt.
Het algemeen streven van het landschapsplan is om de kernkwaliteiten te behouden, de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit te verstreken, nieuwe functies in te passen in het landschap en nieuwe landschappelijke structuren te ontwikkelen. Het landschapsplan onderscheidt in Bommelerwaard drie landschappelijke hoofdeenheden, namelijk de rivieren met de uiterwaarden, de oeverwallen en de komgronden. De hoofdeenheden zijn onder te verdelen in deelgebieden. Voor elk deelgebied beschrijft het Landschapsplan de kenmerkende landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden.
Planspecifiek
Het plangebied valt onder de landschappelijk hoofdstructuur 'De Komgebieden'. De ruimtelijke karakteristiek van de komgebieden wordt bepaald door de open weidegebieden met lange rijen populieren langs de wegen (het meest in het midden en westen van de Bommelerwaard) en de verspreid gelegen boerderijen. De meeste kommen hebben een strokenverkaveling. Een groot deel van de rechte wegen en (grote) waterlopen hebben een oost-west georiënteerde ligging. In de laagste delen zijn eendenkooien en bos- en griendpercelen aanwezig (met name langs de Capreton).
Het plangebied valt onder het deelgebied 'De kommen de Vliert en het Groote Lage Broek'. Dit komgebied ligt grotendeels in de gemeente Maasdriel en deels in de gemeente Zaltbommel. Voor dit gebied gelden de volgende landschappelijke waarden:
Hieruit komen de volgende beleidsuitgangspunten naar voren:
Voor de nieuw te realiseren woning is een landschappelijke inpassing opgesteld, zie Bijlage 1. In de landschappelijke inpassing is de meest wenselijke locatie van de nieuwe woning aangegeven. De gevel van de nieuwe bebouwing ligt evenwijdig aan de Schoofbandweg.
De houtsingel aan de oostzijde wordt versterkt en doorgetrokken. Op het erf komen enkele losse bomen te staan, waardoor het open karakter van de omgeving niet wordt verstoord. Op de hoeken van het perceel komen enkele boomgroepen met boomsoorten die aansluiten op het bomenstructuurplan van de gemeente.
Conclusie
Het initiatief past binnen de doelstellingen uit het landschapsplan.
In 2017 heeft de gemeenteraad het beleidskader Hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied (VAB) Bommelerwaard vastgesteld. Het beleid biedt de mogelijkheid om de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren door hergebruik en functieverandering van leegstaande en verouderde agrarische bedrijfsgebouwen. Ook kan via sloop en nieuwbouw functieverandering plaatsvinden. Stoppende agrariërs hebben op basis van het beleid de mogelijkheid nieuwe initiatieven te ontwikkelen. Het beleidskader biedt mogelijkheden voor het wijzigen van het agrarisch gebruik naar wonen, niet-agrarische bedrijvigheid, kleinschalige recreatie, zorgvoorzieningen of een veldopstelling van zonnepanelen.
Planspecifiek
Het beleidskader biedt de mogelijkheid tot het bouwen van één vrijstaande woning met een volume van maximaal 1.200 m³ in ruil voor sloop van tussen de 2.500-5.000 m² bedrijfsgebouwen. Voorts gelden de volgende (voor dit plan relevante) voorwaarden:
In het plangebied staat het agrarische bedrijf met bedrijfsgebouwen, waarvan minimaal 1.750 m2 wordt gesloopt. Naast de voormalige bedrijfswoning wordt één nieuwe vrijstaande woning toegestaan. Voorts wordt op de volgende wijze aan de aanvullende voorwaarden voldaan:
Conclusie
Het plan is niet in strijd met het VAB-beleid.
Arbeidsmigranten zijn van groot economisch belang met name voor agrariërs en (delen van) het bedrijfsleven. De gemeente Maasdriel streeft daarom naar goede huisvesting van arbeidsmigranten en wil, mede uit dat oogpunt, streng optreden tegen illegale en ondeugdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Daarnaast heeft dit beleid als doel om ongewenste concentratie van huisvesting van arbeidsmigranten in een straat of wijk te voorkomen, conform het Bestuursakkoord.
Het beleid is zodanig ingericht dat de nadruk ligt bij de huisvesting op het terrein van de werkgever. De mogelijkheden worden hiervoor in het beleid verruimd. Daarnaast blijft het mogelijk om arbeidsmigranten te huisvesten in woningen. De mogelijkheden worden in (dorps)kernen en wijken beperkt ten opzichte van het voorgaande beleid. In hele specifieke gevallen kan de gemeente geconcentreerde huisvesting mogelijk maken.
Planspecifiek
Het beleid Huisvesting arbeidsmigranten heeft geen betrekking op het initiatief, omdat de ontwikkeling gericht is op de realisatie van één woning, niet voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
Conclusie
Het initiatief past binnen beleid Huisvesting arbeidsmigranten, omdat de ontwikkeling de realisatie van een woning mogelijk maakt. De ontwikkeling maakt geen huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk.
De gemeente Maasdriel beschikt verder over een aantal beleidsnota's die richting geven aan de invulling van het initiatief. Daarbij gaat het om (niet-limitatief):
Indien van toepassing zijn deze beleidskaders meegenomen in de uitwerking van Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.
Artikel 2.25 en artikel 2.26 van de Omgevingswet bepalen dat een omgevingsplan moet voldoen aan Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).
Een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van de Dienstenrichtlijn.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de Dienstenrichtlijn, omdat in deze ontwikkeling geen dienst mogelijk wordt gemaakt die afhankelijk is van economische criteria.
In deze paragraaf gaat het om instructieregels over externe veiligheid. In een omgevingsplan wordt voor risico's van branden, rampen en crisissen, als bedoeld in artikel 10, onder a en b van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:
Het gaat onder andere om instructieregels over:
Planspecifiek
De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief.
Uitsnede kaart Atlas Leefomgeving, plangebied aangegeven met de blauwe cirkel
In de nabijheid van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding. Gelet op artikel 5.18 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een belemmeringenstrook tot 4 m aan weerszijde van de buisleiding aanwezig. Deze belemmeringenstrook ligt niet over het plangebied. Tevens liggen de 1% (invloedsgebied) en 100% letaalzones niet over het plangebied.
In de nabijheid van het plangebied ligt een Sevesoinrichting (Distributiecentrum Mainfreight Docks), hier worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. Het terrein van de inrichting ligt niet over het plangebied heen. Wel ligt het gifwolkaandachtsgebied van dit bedrijf over het plangebied heen. Bij een incident op dit terrein kunnen ter plaatse van het plangebied effecten ontstaan als gevolg van een gifwolk.
Om deze effecten te mitigeren, is het noodzakelijk dat de ventilatie binnen de nieuwe woning handmatig kan worden uitgeschakeld zodat de lucht binnen de woning schoon blijft. De woning dient eveneens als schuilgelegenheid in het geval van een incident. Ook zijn er voldoende vluchtroutes rondom het plangebied, en zijn er voldoende toegangsroutes voor hulpdiensten.
Te treffen maatregelen en conclusie
Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf. Wat betreft de risico's rondom het plangebied geldt dat ter plaatse van de ontwikkeling voldoende schuilmogelijkheden zijn. Ook zijn er voldoende toegangs- en vluchtroutes. Daarmee blijft het groepsrisico ter plaatse beheersbaar. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit het aspect waarborgen van de veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (vergelijkbaar met de huidige watertoets in bestemmingsplannen). Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (het waterschap).
Er gelden ook specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, zoals primaire waterkeringen, het kustfundament en het rivierbed van de grote rivieren. De reserveringsgebieden voor de lange termijn voor de Maas zijn onder andere de dijkverlegging Alem en de dijkverleggingen Hedel waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
Uit de weging van het waterbelang kan volgen dat het gewenst is beperkingen op te leggen aan bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen. Dit gaat uitdrukkelijk ook over het grondwaterbelang. Grondwater is niet altijd in beeld bij ruimtelijke ontwikkelingen, maar speelt wel een grote rol. Bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een nieuwbouwproject. Door het grondwaterbelang mee te wegen, kunnen beheerproblemen worden voorkomen na oplevering van de nieuwbouw.
Planspecifiek en onderzoek
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot het wateradvies. Het wateradvies voor de ontwikkeling op deze locatie heeft digitaal plaatsgevonden. Het resultaat is opgenomen in Bijlage 2. In deze memo wordt het geldende waterbeleid beschreven en verwoord hoe in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.
In het ontwerp is rekening gehouden met een woning van 150 m2 en met een verhard erf van circa 500 m2. Totaal is sprake van 650 m2 verhard oppervlak in de nieuwe situatie.
In het kader van deze ontwikkeling is circa 1.800 m2 agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. Ook is een loods verwijderd met bijhorende verharding met een oppervlak van circa 400 m2. Deze loods bevond zich direct achter de bestaande woning Schoofbandweg 10.
Te treffen maatregelen en conclusie
In de landschappelijke inpassing (Bijlage 1) is de waterparagraaf voor de ontwikkeling van een nieuwe vrijstaande woning ter plaatse van Schoofbandweg 10 uitgewerkt. Het plan voorziet in een toename van verharding ter plaatse. Hiervoor worden compenserende maatregelen getroffen. Het initiatief is in lijn met de geldende beleidskaders en regelgeving ter plaatse. Het aspect water staat dit initiatief niet in de weg.
Vanuit het aspect beschermen van de waterbelangen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
De artikelen 5.50 en 5.51 Bkl bevatten instructieregels voor specifieke situaties: het aanleggen of wijzigen van een wegtunnelbuis, het aanleggen van snelwegen en autowegen, het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen en milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of PM10, moeten in een omgevingsplan specifieke omgevingswaarden in acht genomen. Ook zijn gemeentes benoemd die worden aangewezen als aandachtsgebied luchtkwaliteit. Voor deze gemeenten gelden aanvullende omgevingswaarden. De gemeente Maasdriel behoort niet tot een aandachtsgebied luchtkwaliteit.
Het is in ieder geval niet toegestaan om bepaalde activiteiten toe te laten (standaardgevallen NIBM) die leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder bedoeld in artikel 5.54 Bkl. NIBM staat voor: niet in betekenende mate. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Planspecifiek
De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. De wijziging van het plan voorziet in het bouwen van slechts één extra woning. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Zie de tabel hieronder.
Te treffen maatregelen en conclusie
Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling. Vanuit het aspect kwaliteit van de buitenlucht is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Geluid door activiteiten (§ 5.1.4.2)
In een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59 Bkl). Dat is het geval bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegestaan. En bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit op een locatie die is toegestaan, anders dan het wonen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (artikel 5.59 Bkl).
Voor de volgende activiteiten gelden verschillende specifieke instructieregels:
Geluid door infrastructuur (§ 3.5)
Bij toelaten van een activiteit, gemeenteweg, waterschapsweg, lokale spoorweg of geluidgevoelig gebouw op een locatie houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met geluid. Deze instructieregel bevat geen concreet kwaliteitsniveau voor geluid. Daarom heeft het bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid.
Planspecifiek
De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel betrekking op het initiatief. Door Econsultancy is op 27 februari 2024 een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie Bijlage 3.
De geluidbelasting op de nieuw te bouwen woning bedraagt ten hoogste 56 Lden als gevolg van de provinciale weg en ten hoogste 51 Lden als gevolg van de gemeenteweg. Aan de standaardwaarde van de gemeenteweg wordt voldaan. Als gevolg van de provinciale weg treedt een overschrijding op van de standaardwaarde. De grenswaardewaarde van 60 Lden wordt niet overschreden.
Te treffen maatregelen en conclusie
De berekende geluidbelasting bedraagt 56 Lden en overschrijdt daarmee de voorkeurswaarde van 50 dB. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig, waardoor de geluidbelasting niet terug wordt gebracht naar de standaardwaarde. Voor de woning dient het akoestisch klimaat in de woning (de zogenaamde binnenwaarde) te worden gegarandeerd. Voor de bouw van de woning is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd en wordt ingediend bij de bouwvergunning.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (artikel 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (artikel 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (artikel 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Bkl).
Planspecifiek
De ontwikkeling betreft het realiseren van een woning. Voor de sloop- en bouwprocessen wordt in het kader van de sloopvergunning onderbouwd of en hoe rekening wordt gehouden met mogelijke trillinghinder voor omliggende functies. Wat betreft de gevoeligheid van de nieuwe woningen voor trillingen kan vooraf worden uitgesloten dat er geen grote bronnen aanwezig zijn die trillinghinder kunnen veroorzaken. Grote (spoor)wegen liggen op grotere afstand.
Te treffen maatregelen en conclusie
Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf. Vanuit het aspect trillingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Als een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer op een locatie wordt toegelaten of een slagschaduw gevoelig gebouw waarop slagschaduw wordt veroorzaakt door een dergelijke windturbine, gelden voor het aspect slagschaduw instructieregels. Deze instructieregels gelden alleen ter bescherming van slagschaduw gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Er geldt een tijdelijke uitzondering voor windparken (artikel 5.89aa Bkl).
Planspecifiek
De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat in het plangebied of in de omgeving van het plangebied geen windturbines voorkomen.
Te treffen maatregelen en conclusie
Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf; er komen geen windturbines in het plangebied en in de omgeving voor. Vanuit het aspect slagschaduw van windturbines is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan.
De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Een omgevingsplan bepaalt daarom dat bepaalde maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn.
Planspecifiek
Door Terra Milieu bv is op 1 maart 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (zie Bijlage 4). Naar aanleiding van dit onderzoek zijn twee nadere bodemonderzoeken uitgevoerd: een eindsituatie bodemonderzoek en een asbest bodemonderzoek. Deze onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 5 en Bijlage 6.
Het eindsituatie bodemonderzoek concludeert dat de voormalige bodem belastende activiteiten mogelijk maximaal lichte verontreinigingen hebben veroorzaakt. Verhogingen ten opzichte van de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur, respectievelijk de streefwaarde, worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen of gebruiksbeperkingen met betrekking tot het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie.
Het asbestonderzoek concludeert dat analytisch geen asbest is aangetroffen in de bodem en de (half)verharding. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie. Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren.
Te treffen maatregelen en conclusie
Uit de onderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor het gebruik van de grond voor wonen. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan. Vanuit het aspect bodemkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (artikel 5.92 Bkl). Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Let op, in geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (artikelen 5.95 en 5.96 Bkl).
Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan, één of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (artikel 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet worden vastgelegd in het omgevingsplan. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen.
Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op:
Planspecifiek
Op 14 maart 2024 is door De Roever Omgevingsadvies onderzoek gedaan naar geurhinder van veehouderijen, zie Bijlage 7. In de omgeving van het plangebied liggen veehouderijen. Deze veehouderijen en de totale geuremissies zijn aangegeven op onderstaande afbeelding.
Veehouderijen en geuremissies
Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, moet een afstand van 50 m tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object buiten een bebouwde kom in acht worden genomen. Daarnaast geldt een gevel-gevelafstand van 25 m tussen de gevel van een dierenverblijf en een gevel van een geurgevoelig object buiten een bebouwde kom.
Voor de om te zetten agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning geldt volgens artikel 22.100 van het omgevingsplan een afstandseis van 50 m (een woning die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij). Op onderstaande afbeelding is de afstandscontour van 50 m rondom de bouwvlakken van veehouderijen weergegeven.
Geurafstanden
De bestaande woning en beoogde woning liggen buiten de afstandscontouren. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de belangen van veehouderijen worden niet geschaad. Hierbij is rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden.
Gelet op de geuremissie van de omliggende veehouderijen in relatie tot de afstand tot het plangebied zijn de veehouderijen aan Schoofbandweg 6 en Veilingweg 1 maatgevend voor de geurbelasting ter plaatse van het plangebied. Voor vorengenoemde veehouderijen is een berekening van de voorgrondbelasting uitgevoerd. Daarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Dat wil zeggen dat (uitgaande van de vergunde of gemelde veebezetting en stalsystemen) een emissiepunt is gekozen op de rand van het bouwvlak van de veehouderij, zo dicht mogelijk bij het plangebied.
De hoogst berekende voorgrondbelasting ter plaatse van de beoogde woning bedraagt 0,4 ouE/m3. Er wordt voldaan aan de geurnorm van 8 ouE/m3. De veehouderijen worden niet in de belangen geschaad.
Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van 2 km van het plangebied betrokken. De achtergrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt ten hoogste 2,4 ouE/m3. Deze waarde komt overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier het geval; de achtergrondbelasting is maatgevend en aanvaardbaar.
Te treffen maatregelen en conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Vanuit het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met (artikel 5.129g):
Vorenstaande geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Tot stedelijk gebied wordt niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
Planspecifiek
De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Op basis van jurisprudentie blijkt dat één of enkele woningen niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4; Midden-Delfland). Het initiatief betreft de realisatie van één vrijstaande woning. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De duurzaamheidsladder is niet van toepassing.
Conclusie
De ontwikkeling voldoet aan het Besluit kwaliteit leefomgeving en aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Planspecifiek ('Archeologische waarden)
Het plangebied valt in de beleidszone ''geen voorschriften''.
In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig. De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel betrekking op het initiatief, omdat het plangebied valt onder de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5. Hiervoor zijn planregels opgenomen in Artikel 14. Eveneens wordt rekening gehouden met landschappelijke inpassing, hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dit wordt verder toegelicht in paragraaf 1.4 en in paragraaf 3.4.4.
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart weergegeven met het plangebied daarop rood omlijnd.
Provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Plangebied rood omlijnd.
Te treffen maatregelen en conclusie
Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf. Er bevinden zich archeologische verwachtingswaarden op het perceel. Met deze waarden is rekening gehouden bij de uitwerking van het plan. Ook worden de waarden geborgd in dit plan. Vanuit het aspect cultureel erfgoed en werelderfgoed is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Op grond van de instructieregels van het Bkl mogen de activiteiten die met een omgevingsplan worden toegestaan, geen belemmering vormen voor de bestemming die daaraan is gegeven binnen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen.
Planspecifiek
De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat er geen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang binnen het plangebied liggen.
Te treffen maatregelen en conclusie
Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf want er liggen geen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang binnen het plangebied. Vanuit het aspect behoud van ruimte voor toekomstige functies is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Het Rijk geeft in deze paragraaf instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan.
Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen.
Planspecifiek
De instructieregels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op het initiatief. Het plan heeft geen invloed op de landsverdediging en nationale veiligheid, omdat er geen militaire terreinen of terreinen met een militair doel in het gebied zijn. Bovendien is binnen het gebied geen locatie voor elektriciteitsvoorziening, grootschalige elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales of hoogspanningsverbindingen. Er is ook geen vrijwaringsgebied voor rijksvaarwegen in het gebied aanwezig. Aangezien er geen vliegveld op de locatie of in de directe omgeving ligt, zijn de instructies voor de burgerluchtvaart niet van toepassing op deze ontwikkeling. Bovendien zijn er geen nationale fiets- en wandelroutes aanwezig.
Te treffen maatregelen en conclusie
Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf, deze regels hebben geen invloed op het plangebied van deze ontwikkeling. Vanuit het aspect behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Planspecifiek
De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat het initiatief geen nieuwe ontwikkeling is met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte.
Te treffen maatregelen en conclusie
Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf, het is geen ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte. Vanuit het aspect bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
In de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor aangewezen gebieden, thema's en activiteiten waaraan het Omgevingsplan Maasdriel moet voldoen.
Planspecifiek
De volgende regels uit de omgevingsverordening hebben wel betrekking op het plangebied van het initiatief:
Artikel 5.36 (beschermen landschap Gelderse streken: Bommelerwaard)
Bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Bij de streek Bommelerwaard horen de volgende kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen:
| Kernkwaliteiten | Ontwikkeldoelen | |
| 1 | Landelijk rivierengebied, met een sterk verweven uitstraling van agrarisch cultuurlandschap, glastuinbouw en kleinschalige verstedelijking. Als een ‘eiland’ gelegen tussen Waal, Maas en Afgedamde Maas. De Waal is dynamischer dan de Maas. Bij Fort Sint Andries raken beide rivieren elkaar net niet. | Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van Bommelerwaard. Ontwikkeling naar een duurzame landbouw versterkt het landschap. Expliciete aandacht is nodig voor de ruimtelijke kwaliteit van glastuinbouw en verstedelijking. Dijkversterking met versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de dijk als scenic route. Evenals het ecologisch verbinden van Maas- en Waalnatuur bij Fort Sint Andries. |
| 2 | Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, oude rivierarmen, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. Landschap mede gevormd door continue strijd tegen het water en de klei-, zand- en grindwinning van de laatste decennia. Dorpspolderstructuren met (dwars)dijken, kaden, weteringen, sluizen etc. Veel bijzondere landschapselementen als eendenkooien, grienden, donken, vluchtheuvels. | Accentueren van de landschappelijke opbouw van het rivierengebied: rivieren met natuurrijke uiterwaarden, kleinschalige diversiteit op de oeverwal met veel historische waarden en een rivierkomlandschap met rationele verkaveling en grote maten. Behouden en versterken van regiospecifieke, bijzondere landschapselementen. |
| 3 | Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap en over de rivieren. | Zichtlijnen behoeden voor verstorende elementen. De dijken ontwikkelen als lange doorgaande lijnen in het landschap. |
| 4 | Kenmerkend voor de Maas zijn de ‘bakenbomen’. | Herstel van bakenbomen. |
| 5 | Kleinschalige oeverwallen kennen een rijke afwisseling van boomgaarden, kassenteelt, grasland, buurtschappen, dorpen en verspreide bebouwing. | Doorontwikkeling van kleinschalig wonen, landgoederen, werken, energietransitie, recreëren en landbouw, gecombineerd met landschapsontwikkeling. O.a. door aanleg, herstel en beheer van groene landschapselementen. Inpassen van glastuinbouw. Recreatieve toegankelijkheid en beleefbaarheid verbeteren. |
| 6 | Verstedelijking vooral op de oeverwallen met Zaltbommel en Kerkdriel als centrumplaatsen. In het glastuinbouwgebied transformeert het landschap. | Ontwikkeling glastuinbouw betekent robuuste landschappelijke inpassing creëren, afgestemd op de gebiedskenmerken. Dit geldt eveneens voor verstedelijking en bedrijvigheid langs de infrastructuur. Daar is zorgvuldige ruimtelijke ordening en inpassing met ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk. Door tegengaan van verdere verdichting langs infrastructuur. Ofwel, behoud van afwisselingen van open en dicht op de oeverwallen. Opheffen van de barrièrewerking van de A2. |
| 7 | Er is sprake van een oost-west aaneenschakeling of ketting van open kommen van elkaar afgescheiden door dwarsdijken (o.a. Meidijk en Nieuwendijk). Open kommen met weidebouw, patronen van sloten en weteringen en wegbeplanting langs rechte wegen, in contrast met kleinschaligheid van de oeverwallen. | In de agrarisch komgebieden is de landbouw een belangrijke drager van de openheid en kunnen combinaties met klimaatadaptatie en natuurontwikkeling landschaps-versterkend zijn. Openheid zoveel mogelijk behouden. |
| 8 | De waardevol open kom van de Capreton wordt gekenmerkt door een centraal gelegen broekgebied, niet open maar kleinschalig besloten met diverse broekbossen langs de Capreton. Contrast met kleinschalige noordoost-zuidwest gerichte oeverwal van Bruchem-Kerkwijk. | Behoud van de open weidsheid door zeer terughoudendheid te zijn ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij. Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling en zichtlijnen respecteren. Behouden van groene landschapselementen. |
| 9 | In het westen aanwezigheid van Hollandse Waterlinies, met Slot Loevestein en de batterijen Poederoijen en Brakel. Het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit o.a.: strategisch landschap, het watermanagement-systeem en de militaire werken (UNESCO-waarde). | Bijzondere aandacht besteden aan de versterking en ontwikkeling van het landschap van de Hollandse Waterlinies, passend bij de te beschermen erfgoedwaarden. Hier zijn goede combinaties denkbaar met recreatie, natuur, landbouw en klimaatadaptatie in de voormalige inundatievlakten. |
Artikel 5.78 (eenmalige uitbreiding bestaand glastuinbouwbedrijf)
Een omgevingsplan kan, gerekend vanaf 29 juni 2005, eenmalig een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal 5 ha toelaten van een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied.
Het plangebied ligt binnen het intrekgebied. In afdeling 4.3 van de omgevingsverordening zijn hier regels over gesteld, bijvoorbeeld over de specifieke zorgplicht en het verbod mijnbouwactiviteit in intrekgebieden. Deze afdeling is opgenomen met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater vanwege de openbare drinkwatervoorziening. Degene die een grondwaterbedreigenactiviteit verricht in een intrekgebied en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater, is verplicht:
Het plangebied ligt binnen het peilbesluitgebied. In paragraaf 6.5.1 van de omgevingsverordening worden over het peilbesluitgebied instuctieregels gesteld. Deze instructieregels gaan over de taken en bevoegdheden van het waterschap op het gebied van peilbesluitgebieden.
Daarnaast ligt het plangebied ook in het werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland. In afdeling 2.1 van de omgevingsverordening worden regels gesteld over faunabeheer. De faunabeheereenheid heeft tot taak het coördineren van de uitvoering van het faunabeheerplan en het adviseren van Gedeputeerde Staten over faunabeleid.
Conclusie
Het initiatief past binnen de regels van de omgevingsverordening, omdat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de kernkwaliteiten en doelen van het gebied Bommelerwaard. Daarnaast is in het plangebied geen sprake van een bestaand glastuinbouwbedrijf.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente naast de instructieregels in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid bij het stellen van regels en tweede voorbeeld waarbij normstelling geen toereikend instrument is, treedt op bij invloeden op de gezondheid die (nog) niet te normeren zijn. Het gaat daarbij om zaken als hinder, beleving, ziekteverwekkers uit veeteelt en elektromagnetische straling. De gemeente heeft op grond van artikel 2, tweede lid, onder c, van de Wet publieke gezondheid onder meer de taak om bij bestuurlijke beslissingen de gezondheidsaspecten op het terrein van de fysieke leefomgeving te bewaken. Om te komen tot een goede afweging, kan daarbij op grond van artikel 16 van de Wet publieke gezondheid advies vragen aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
Planspecifiek
In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische percelen aanwezig. Op deze percelen bestaat in theorie de mogelijkheid voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, die schadelijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid.
Gewasbeschermende middelen
Vaste jurisprudentie van de Afdeling luidt dat wanneer het gaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, er geen wettelijke bepalingen bestaan over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. Er dient dus een belangenafweging plaats te vinden. De minimaal aan te houden afstand dient zodanig te worden gekozen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd.
De Afdeling acht een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, daarbij niet onredelijk. Een kortere afstand is mogelijk, mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag wordt gelegd. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object, ter plaatse van de betreffende functie, mensen langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een grotere kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object.
Op basis van het geldende bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan is het binnen de agrarische bestemmingen niet toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken waarbij een zijwaartse of opwaartse spuittechniek wordt gebruikt. Alle gronden die om het perceel Schoofbandweg 10 liggen hebben een agrarische bestemming en zijn daarmee van deze regeling voorzien.
Op de website boerenbunder.nl is te zien dat de omliggende gronden de afgelopen 10 jaar allemaal voor het overgrote deel zijn gebruikt als grasland. Er worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt voor deze gronden. Daar waar wel gewassen zijn geteeld, is geen sprake van gewassen die gebruik van beschermingsmiddelen behoeven. Gelet op de huidige situatie rondom deze gronden is het niet aannemelijk dat er in de toekomstige situatie gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Nadere maatregelen in het kader van spuitzoneringen zijn niet nodig.
Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen verdere belemmering voor dit voornemen.
Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten als:
Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Of voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de regels over mer. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen straks dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.
Planspecifiek
Uit de beoordeling aan de regels over een milieueffectrapportage blijkt dat er wel plicht is om een mer-beoordeling uit te voeren. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Onderdeel J11 betreft: 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Hoewel geen sprake is van een wettelijke verplichting tot het doorlopen van de uitgebreide mer-procedure, is er wel een wettelijke verplichting dat voor de geplande activiteiten wel een project-mer-beoordeling moet worden uitgevoerd. Deze mer-beoordelingsplicht volgt uit artikel 16.43, lid 1 Omgevingswet, hoofdstuk 11 Omgevingsbesluit en bijlage V. Deze beoordeling moet worden uitgewerkt in een aanmeldnotitie. Bij een dergelijke beoordeling moet worden gekeken of het project belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van de uitgebreide procedure.
Onderzoek
Er is een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 11.
In deze plan-mer-beoordeling zijn de gevolgen van het realiseren van een woning en het herbestemmen van de huidige bedrijfswoning naar burgerwoning in Rossum besproken. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft een relatief geringe omvang. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig een volledige mer-procedure te doorlopen.
Te treffen maatregelen en conclusie
Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Planspecifiek
Natura 2000
Het plangebied ligt op ongeveer 1,1 km afstand van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit Natura 2000-gebied is ter plaatse begrensd als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Voor het Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden, heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied. Wel kan sprake zijn van externe werking door het planvoornemen. De uitstoot van stikstof is hiervan een goed voorbeeld.
Om de effecten ten gevolge van de stikstofuitstoot in kaart te brengen, is een stikstofberekening uitgevoerd (zie Bijlage 8). Uit de resultaten van de AERIUS-berekeningen blijkt dat de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op het omliggende Natura 2000-gebied voor zowel de aanleg- als gebruiksfase.
Soortenbescherming
Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 6 maart 2024 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De inventarisatie is opgenomen in Bijlage 9.
Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens kan worden geconcludeerd dat nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen nodig is. Het plan heeft geen negatieve effecten op provinciaal beschermde natuurgebieden.
De aanwezigheid van huismus en vleermuisverblijfplaatsen in de kapschuur kan niet op voorhand worden uitgesloten. Om te kunnen bepalen of een vergunning nodig is voor de plannen, moet nader onderzoek worden uitgevoerd naar jaarrond beschermde nesten van huismus en vleermuisverblijfplaatsen.
Voor andere beschermde soorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de algemene en specifieke zorgplichten in acht wordt genomen. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van beschermde (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het plan is tot slot niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Het plan leidt niet tot aantasting van beschermde houtopstanden. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Gelderland vanwege beschermde houtopstanden is niet nodig.
Nader onderzoek
Tussen april en oktober 2024 is door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs nader onderzoek uitgevoerd naar de verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen (zie Bijlage 10). Uit de inventarisaties komt naar voren dat in het plangebied jaarrond beschermde nesten van huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Deze verblijfplaatsen en nesten bevinden zich allemaal in de te behouden woning, waaraan geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Wel dient verstoring van deze verblijfplaatsen door lichtuitstraling te worden voorkomen.
In de te slopen kapschuur zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten of vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen. Als gevolg van de werkzaamheden gaan dan ook geen jaarrond beschermde nesten of verblijfplaatsen verloren. Er is geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig voor de plannen.
Wel zijn in de te slopen kapschuur vier nesten van kauw aangetroffen. Nesten van kauw zijn alleen beschermd wanneer deze in gebruik zijn gedurende de broedperiode. Dit houdt in dat de kapschuur bij voorkeur wordt gesloopt buiten het broedseizoen van kauw, dus buiten de periode april t/m juni. Is de wens om de kapschuur toch gedurende het broedseizoen te slopen, dan moet eerst door een ecoloog/broedvogeldeskundige worden gecontroleerd of de aanwezige nesten in gebruik zijn. Zo ja, dan zullen de sloopwerkzaamheden moeten wachten tot de jongen uit eigen beweging zijn uitgevlogen.
Te treffen maatregelen en conclusie
Uit nader onderzoek blijkt dat in de te slopen kapschuur geen jaarrond beschermde volgelnesten of vleermuisverblijfplaatsen zijn aangetroffen. Wel zijn nesten van kauw aangetroffen. De voorkeur is dat de schuur wordt gesloopt buiten het broedseizoen van kauw. Overige beschermde soorten ondervinden geen hinder van dit initiatief, mits de beschreven maatregelen worden opgevolgd. Het aspect natuur is verder inpasbaar wat betreft beschermde gebieden.
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder conventionele explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als niet-gesprongen explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente. Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet-gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel 'verdachte' gebieden op het gebied van niet-gesprongen CE aangegeven.
Planspecifiek
Uitsnede locatie Explosievenkansenkaart in Stroomlijn, plangebied met rood aangegeven
Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard van 10 juni 2016 bevindt de planlocatie zich in 'onverdacht' gebied. Er zijn geen feitelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in (en in de directe omgeving van) de projectlocatie. Het plangebied kan als onverdacht op de aanwezigheid van CE worden beschouwd. De voorgenomen werkzaamheden kunnen zonder extra maatregelen met betrekking tot explosieven worden uitgevoerd. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd.
Conclusie
Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locatie noodzakelijk.
Kabels en leidingen verschillen in omvang en wat zij vervoeren. Daarnaast liggen kabels en leidingen in verschillende (openbare) gronden, waardoor verschillende belangen worden geraakt. Bij de aanleg kunnen meerdere regels in diverse juridische instrumenten van toepassing zijn.
Planspecifiek
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen die een planologische bescherming genieten. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Te zijner tijd zal bij de bouw en het woonrijp maken van de extra bouwkavel contact moeten worden opgenomen met de leidingbeheerders in verband met de aansluiting op de diverse netten.
Conclusie
Binnen dit initiatief is geen sprake van relevante kabels en leidingen waarmee rekening moet worden gehouden. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het plan.
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. De regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan worden vervangen door de regels in dit TAM-omgevingsplan. Deze wijziging heeft met name tot gevolg dat de ontwikkeling van twee woningen juridisch mogelijk wordt gemaakt.
Verbeelding plangebied
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel, de hoofdstukken moeten worden gelezen als paragrafen en voor de nummering van de artikelen moet het hoofdstuknummer worden gelezen. Daarnaast moeten aanduidingen, zoals 'maximum bouwhoogte', worden gelezen als omgevingsnormen. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Artikel 14 Waarde - Archeologie 5
In dit TAM-omgevingsplan is het (potentieel) archeologisch waardevol gebied binnen het plangebied aangegeven met 'Waarde - Archeologie'. Binnen het gebied is het toegestaan gronden, naast de toegelaten functies, te gebruiken voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.
Artikel 4 Wonen - buitengebied
In dit artikel zijn de functies en activiteiten van de betreffende gronden aangegeven. Deze functie laat toe om gronden te gebruiken voor wonen in het buitengebied. Het artikel bevat regels over de volgende onderwerpen: het toepassingsbereik, de functieomschrijving, het gebruik, omgevingsplanactiviteiten en over de bouwactiviteit.
In dit artikel zijn de functies en activiteiten van de betreffende gronden aangegeven. Deze functie laat toe om gronden te gebruiken voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het artikel bevat regels over de volgende onderwerpen: het toepassingsbereik, de functieomschrijving, het gebruik, omgevingsplancativiteiten en over de bouwactiviteit.
Dit artikel geeft aan dat de regels in Hoofdstuk 3 gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2.
Dit artikel geeft aan dat de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Maasdriel, van overeenkomstige toepassing zijn op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan.
Artikel 8 Specifieke beoordelingsregels bouwen
In dit artikel wordt geregeld dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan Maasdriel wordt verleend van het bepaalde in Hoofdstuk 2 als het gaat om de opsomming benoemd in het artikel. Daarnaast stelt het regels voor het voorzien in voldoende waterberging.
Artikel 9 Algemene gebruiksactiviteit
In dit artikel zijn activiteiten opgenomen die altijd verboden zijn. Daarnaast wordt het milieuzone-intrekgebied benoemd.
Artikel 11 Omgevingsplanactiviteit - specifieke activiteiten
Dit artikel geeft aan dat een vergunning voor kleinschalig kamperen bij de burger alleen wordt verleend als wordt voldaan aan de vereisten in het artikel.
Artikel 12 Maatwerkvoorschrift - maaiveld-peilhoogte
In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen over de hoogte van het maaiveld en peilhoogte, indien dit voor een goede inrichting en afwatering van de gronden en aangrenzende percelen noodzakelijk is.
Artikel 13 Voorwaardelijke verplichtingen
In dit artikel worden twee voorwaardelijke verplichtingen gesteld. Bij het slopen van (bedrijfs)gebouwen moet eerst uit een soortenonderzoek blijken dat de desbetreffende soorten zijn uitgesloten, dan wel zijn te mitigeren. Daarnaast is het strijdig om gronden en bouwwerken voor wonen in gebruik te (laten) nemen als het goedgekeurde landschappelijk inpassingsplan niet wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
In dit artikel wordt in het eerste lid de regels uit het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding. In het tweede lid wordt bepaald dat bepaalde ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het derde lid wordt bepaald dat bepaalde ruimtelijke plannen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan voorrang hebben op de regels in dit TAM-omgevingsplan. In het vierde lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-omgevingsplan.
In dit artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten en aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen
De initiatiefnemer en de gemeente Maasdriel zijn een anterieure overeenkomst aangegaan waarin het verplichte kostenverhaal is geregeld. Degene die meent schade te lijden door het vaststellen van het omgevingsplan, kan een verzoek indienen om een tegemoetkoming van de schade (artikel 15.1 Ow). Eventuele kosten voortkomend uit de planschade zijn in eerdergenoemde overeenkomst meegenomen.
Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1, dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld:
Als een omgevingsplan regelt dat voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, is niet het omgevingsplan de schadeoorzaak. Dat is in die situatie de omgevingsvergunning.
Als het projectbesluit het omgevingsplan verandert, geldt het projectbesluit als schadeveroorzakend besluit. Dit regelt artikel 15.1, lid 3 van de Omgevingswet. Het bestuursorgaan dat het projectbesluit neemt, besluit dan ook over de aanvraag om schadevergoeding.
De gemeente gaat een anterieure overeenkomst, waarin de nadeelcompensatie is verzekerd, met de opdrachtgever sluiten.
In de Omgevingswet is aangegeven dat het voor ruimtelijke initiatieven noodzakelijk om te verantwoorden hoe er aan participatie is gedaan. Ten aanzien van de participatie is een participatieplan opgesteld. Dit plan is opgenomen in Bijlage 12. In dit plan wordt beschreven hoe de participatie voor dit project wordt aangepakt. Aangezien het een initiatief van beperkte omvang betreft kan de participatie beperkt blijven.
Op 27 mei 2025 is aan de omwonenden een brief toegezonden waarin het initiatief nader werd beschreven. In de brief kregen de inwoners de gelegenheid om contact met de gemeente op te nemen wanneer zij vragen of bezwaren hebben bij het project. Bij de gemeente zijn geen reacties binnen gekomen naar aanleiding van de brief. Daarmee kan gesteld worden dat er geen bezwaren of kanttekeningen zijn vanuit de omwonenden bij dit plan.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 24 december 2025 tot en met 3 februari 2026 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen op het plan ontvangen.
Afdeling 3.4 Awb is van toepassing op de voorbereiding van een omgevingsplan of de wijziging van een omgevingsplan.
Tegen het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan of het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerste en enige aanleg. Dezelfde procedure is van toepassing op de afwijzing van een verzoek tot wijziging van een omgevingsplan. Tegen een beschikking krachtens een omgevingsplan waarbij maatwerkvoorschriften worden gesteld, of waarbij wordt toegestaan gelijkwaardige maatregelen te treffen, staat (na de bezwaarfase) beroep in eerste aanleg open bij de rechtbank met de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als een dergelijke beschikking wordt geweigerd, geldt hetzelfde.
Het omgevingsplan treedt in werking vier weken nadat van het omgevingsplan mededeling is gemaakt. Een verzoek om een voorlopige voorziening heeft niet automatisch een schorsende werking.
Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, lid 1 Omgevingswet). Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving.
De gemeente kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan bereiken door:
Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren.
De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld.
In paragraaf 7.1 wordt gemotiveerd dat gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierin komt de afweging van alle betrokken belangen tot uitdrukking. De conclusie is dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is.
Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om dit te kunnen beoordelen, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5).
De wijziging van het Omgevingsplan Maasdriel waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt, voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven. Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Op alle onderdelen wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl en is er geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van deze ruimtelijke ontwikkeling kan worden voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Hierbij is voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met artikel 8.0 e van het Bkl.
De planwijziging is in lijn met het gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving. De ontwikkeling is, in paragraaf 3.4, getoetst aan de volgende beleidsstukken:
In deze beleidsstukken zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling, waardoor het voldoet aan het gemeentelijk beleid.
Bij het toedelen van functies aan locaties is rekening gehouden met de instructieregels, dit staat uitgewerkt in Hoofdstuk 4. Hieronder staan de instructieregels waarmee rekening is gehouden.
Waarborgen van de veiligheid
Planspecfiek
Het initiatief voldoet aan de instructieregels, op basis van onderzoek naar het plangebied kan worden geconcludeerd dat er geen gevaarlijke inrichtingen of buisleidingen in het plangebied gelegen zijn. Daardoor vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Beschermen van de waterbelangen
Planspecifiek
Voor de ontwikkeling is de digitale watertoets ingevuld, zie Bijlage 2. Hieruit is het advies gekomen dat in de motivering een waterparagraaf moet worden opgenomen. Deze paragraaf is toegevoegd in Hoofdstuk 4. De ontwikkeling heeft een geringe invloed op de taken en belangen van het waterschap. Volgens het waterschap kan worden volstaan met het advies vanuit de digitale watertoets.
Beschermen van de gezondheid en van het milieu
Planspecifiek
De wijziging van het plan voorziet in het bouwen van slechts één extra woning. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Daardoor voldoet deze ontwikkeling aan deze instructieregels.
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Planspecifiek
Het initiatief betreft de realisatie van één vrijstaande woning. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De duurzaamheidsladder is niet van toepassing.
Het Omgevingsplan Maasdriel is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. De handhaafbaarheid van een omgevingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.
Vertaling naar omgevingsplanregeling
Het strikt handhaven van vergunningen, regels en procedures geeft duidelijkheid en maakt de samenleving veiliger. Het gedogen moet worden tegengegaan. Overbodige regels en onduidelijke regelgeving zijn daarom getracht zoveel mogelijk achterwege te laten. De regels zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen en dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.