direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01

Regels

Preambule 

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Schoofbandweg 10 te Rossum en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit plan) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22a] van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan gemeente Maasdriel

Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Maasdriel in die zin dat na hoofdstuk 22 [22a-TAM-omgevingsplan_Schoofbandweg_10_Rossum_Hoofdstuk_22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - Wro-besluiten
  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.
  • 2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren 2022' met identificatienummer 'NL.IMRO.0263.BP1217-VG01'.
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk [22a] Schoofbandweg 10 te Rossum waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring
  • 1. begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan;
  • 2. het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het begrip Bijbehorend bouwwerk uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • 3. het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het begrip Wooneenheid uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
2.2 Aanvullende begrippen

in aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.44 gehanteerd;

2.3 Plan

het TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01 van de gemeente Maasdriel bestaande uit:

  • a. de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01;
  • b. de in dit plan opgenomen regels; en
  • c. de daarbij behorende bijlagen;
2.4 aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten

het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid welke zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de (bedrijfs)woning en/of de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend. Detailhandel, niet zijnde ondergeschikte detailhandel, behoort niet tot een aan huis verbonden (bedrijfs)activiteit;

2.5 aan huis verbonden beroepen

het in een (bedrijfs)woning met bijbehorende gebouwen beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, zulks met behoud van de woonfunctie als hoofdfunctie van de betreffende woning;

2.6 achtergevel

een van de openbare weg en/of fiets- en voetpad afgekeerde gevel van een hoofdmassa;

2.7 agrarisch bedrijf

Een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, met dien verstande dat maneges, paardenhouderijen, kennels en dierenasiels niet als agrarische bedrijven worden aangemerkt;

2.8 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.9 bed & breakfast

een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een primair toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed & breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie, met dien verstande dat:

  • a. ondergeschikt zakelijk verblijf ook is toegestaan, mits:
    • 1. maximaal één persoon per kamer is toegestaan;
    • 2. zakelijk verblijf alleen kan plaatsvinden op doordeweekse dagen.
2.10 begane grondvloer

de op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloer van een doorlopend gedeelte van een gebouw, voor zover die vloer gelegen is op niet meer dan 1 meter boven en niet minder dan 1 meter beneden de bestaande gemiddelde hoogte van de grond op het punt waar deze grond direct grenst aan de voorgevel van het gebouw;

2.11 bestaand
  • ten aanzien van bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • ten aanzien van gebruik: het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
2.12 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of bouwwerk, geen gebouw zijnde dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Daarbij geldt dat een overkapping geen bijbehorend bouwwerk betreft;

2.13 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.14 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een kelder en de ruimte(n) in de kap;

2.15 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.16 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

2.17 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.18 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending, alsmede webshops, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt;

2.19 functie

het gebruiksdoel dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft;

2.20 gebruik

de wijze waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, waarbij het kan gaan om functies en gebruiksactiviteiten;

2.21 grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond waarover het bedrijf beschikt bij de bedrijfsvoering, waaronder een grondgebonden veehouderij in ieder geval wordt verstaan en waaronder boomkwekerijen en houtteeltbedrijven niet worden verstaan;

2.22 hobbymatig agrarisch gebruik

het houden van vee en/of telen van gewassen, niet gericht op een reële inkomensvorming;

2.23 hoofdverblijf

het adres waar betrokkene woont of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal verblijven;

2.24 huishouden

een persoon of groep personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren;

2.25 insteek

de snijlijn van het schuine oevertalud met het horizontaal gemeten maaiveld;

2.26 kampeermiddel
  • 1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  • 2. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde;
  • 3. één en ander voorzover de onder 1 en 2 bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
2.27 kunstwerken

bouwwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden, zoals viaducten, alsmede bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers;

2.28 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een functie;

2.29 nevenactiviteit

een bedrijfsmatige activiteit die voorziet in een aanvulling van het inkomen van de uitvoerder van de hoofdactiviteit, waarbij die nevenactiviteit in ruimtelijk, functioneel en economisch opzicht ondergeschikt blijft aan de hoofdactiviteit die is toegestaan op het perceel;

2.30 ondersteunende horeca

het exploiteren van een gelegenheid voor het consumeren van betaalde (kleine) eetwaren en/of dranken in een inrichting die geen hoofdbestemming horeca heeft, waarbij:

  • a. de horeca-activiteit uitsluitend in samenhang met en ondersteunend aan de hoofdactiviteit plaatsvindt;
  • b. de openingstijden van de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden zoals genoemd in de Algemene Plaatselijke Verordening voor horecabedrijven als (ondersteunende) ondergeschikte nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf;
  • c. de toegang tot de horeca-activiteit dezelfde toegang betreft als die van de hoofdactiviteit;
  • d. er in het pand (vrij toegankelijke) sanitaire ruimte aanwezig is;
  • e. er voor de horeca-activiteit geen reclame mag worden gemaakt, bijvoorbeeld door middel van uithangborden, menukaarten voor het raam, 'sandwichborden' op straat, in de media;
  • f. de ondersteunende horeca-activiteiten tijdens openingsuren enkel toegankelijk zijn voor derden die gebruik maken van de hoofdactiviteit;
  • g. verhuur aan derden tijdens en buiten openingstijden voor al dan niet besloten feesten en partijen niet is toegestaan;
2.31 overkapping

een voor mensen toegankelijke, overdekte en met maximaal 1 wand - die al dan niet deel uitmaken van de constructie - omsloten ruimte;

2.32 paardenbak

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;

2.33 peil
  • a. voor gebouwen grenzend aan een weg, de kruin van de weg ter plaatse van het gebouw;
  • b. voor dijkwoningen: de bestaande gemiddelde hoogte van het maaiveld op het punt waar deze grenst aan de gevel die is gericht naar de weg;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;
  • d. indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse;
2.34 permanente bewoning

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

2.35 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een sekstheater, een parenclub, een privéhuis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.36 verdiepingen

de bouwlagen van een gebouw gelegen boven de begane grondlaag;

2.37 vloeroppervlak

totale oppervlakte, binnenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane grond, de verdiepingen, de zolder en de bijbehorende aan- en uitbouwen;

2.38 voorgevel

een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad en/of groenvoorziening toegekeerde gevel of gevels van een hoofdmassa;

2.39 voorgevelrooilijn

denkbeeldige lijn getrokken langs de voorgevel van een gebouw en het verlengde daarvan;

2.40 voorzieningen van openbaar nut

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, apparatuur voor telecommunicatie en waterhuishoudkundige voorzieningen;

2.41 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten et cetera;

2.42 wonen

het huisvesten van een huishouding in een woning/wooneenheid;

2.43 woning

een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend mag worden gebruikt voor de huisvesting van één huishouden;

2.44 wooneenheid

een zelfstandig gedeelte van een gebouw dat uitsluitend mag worden gebruikt voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, gelden de volgende meetbepalingen:

3.1 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, uitgezonderd dakkapellen;

3.2 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.4 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein;

3.5 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.6 het bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage van de gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Wonen - buitengebied

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01 is aangewezen als Wonen - buitengebied.

4.2 Functieomschrijving

Een als Wonen - Buitengebied aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. aan huis verbonden beroepen overeenkomstig het bepaalde in 4.4.1;
  • c. hobbymatig agrarisch gebruik;
  • d. een paardenbak overeenkomstig het bepaalde in 4.4.2;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen;
  • f. ontsluiting van percelen;

een en ander met bijbehorende voorzieningen:

  • g. tuinen;
  • h. erven;
  • i. groen- en parkeervoorzieningen, paden;
  • j. bomen en taluds.
4.3 Gebruiksactiviteit - verboden
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.

4.3.2 Specifiek

Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor (zelfstandige) bewoning.

4.4 Gebruiksactiviteit - nadere regels
4.4.1 Aan huis verbonden beroep

Voor het gebruiken van ruimten binnen de woning, met inbegrip van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van een aan huis verbonden beroep gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep mag, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van andere beroeps- en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 4.6.2, niet meer bedragen dan 30 m² van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel;
  • b. het aan huis verbonden beroep mag uitsluitend door de bewoner van de desbetreffende woning worden uitgeoefend.
4.4.2 Paardenbak

Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een paardenbak is toegestaan, als de grens van het locatievlak 'Wonen - buitengebied' met 10 m mag worden overschreden ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch gebied', mits minimaal 75% van de paardenbak gelegen is binnen het locatievlak 'Wonen - buitengebied'.

4.5 Gebruiksactiviteit - gebod

Ten behoeve van het gebruik van de functie Wonen - buitengebied dienen drie parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig te zijn.

4.6 Gebruiksactiviteit - Aan-huis-verbonden bedrijf
4.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor een aan-huis- verbonden bedrijf.

4.6.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit aan-huis-verbonden-bedrijf wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de woonfunctie blijft als overwegende functie gehandhaafd;
  • b. het gebruik levert geen onevenredige hinder op voor het woon- en leefmilieu opleveren en doet geen afbreuk aan het karakter van de buurt;
  • c. het bedrijf wordt door de bewoner geëxploiteerd;
  • d. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer en leidt niet tot onevenredige parkeerdruk;
  • e. parkeren vindt plaats op eigen terrein;
  • f. Detailhandel of handel is alleen toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van de aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteit;
  • g. Voor uitoefening van de activiteit wordt maximaal 30 m² vloeroppervlak gebruikt.
4.7 Gebruiksactiviteit - recreatieve activiteiten
4.7.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor recreatieve activiteiten zoals het verstrekken van logies en ontbijtvoorzieningen (bed & breakfast), horeca-activiteiten (theetuin en soortgelijke activiteiten), exposities, verhuur van fietsen, huifkarren en dergelijke.

4.7.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit recreatieve activiteiten wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  • b. de activiteit vindt plaats binnen de bestaande gebouwen of binnen het locatievlak ''wonen-buitengebied'' als het buitenactiviteiten betreffen;
  • c. de activiteit gebruikt maximaal 30% van het vloeroppervlak tot een maximum van 150 m2 mag bedragen;
  • d. als het betreft logies, zijn maximaal 5 appartementen toegestaan;
  • e. er is geen sprake van onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke waarden;
  • f. het gebruik leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • g. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer en leidt niet tot onevenredige parkeerdruk;
  • h. parkeren vindt plaats op eigen terrein.
4.8 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - algemeen
4.8.1 Functionele relatie

Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2.

4.8.2 Toegestaan

Op de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken geen gebouw zijnde.
4.9 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - hoofdgebouwen
4.9.1 Beoordelingsregels hoofdgebouwen

De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. hoofdgebouwen worden alleen binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. het hoofdgebouw bestaat uit:
    • 1. maximaal 1 woning;
  • c. de goothoogte van hoofdgebouwen is maximaal 6,5 m;
  • d. de bouwhoogte van hoofdgebouwen is maximaal 11 m;
  • e. de inhoud van een hoofdgebouw is maximaal 750 m³;
  • f. er 3 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd;
  • g. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - maximum geluidbelasting (db)’ het gezamenlijk geluid op de betreffende gevel niet meer dan 56 dB bedraagt ;
  • h. voor het hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - maximum geluidbelasting (db)':
    • 1. bij de aanvraag van de bouwactiviteit een gevelweringsonderzoek is overgelegd waaruit blijkt dat de geluidwering van de gevels voldoet aan de eisen uit artikel 3.2.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zoals dat luidt op het moment van toepassing;
    • 2. het onderzoek is uitgevoerd door een ter zake deskundige en bevat een berekening van de geluidsbelasting, een beschrijving van de toegepaste bouwkundige maatregelen, en een toetsing aan de geldende normen voor geluidwering van verblijfsruimten.
4.10 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - bijbehorende bouwwerken
4.10.1 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken

wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden alleen binnen het locatievlak 'bijgebouwen' gebouwd, of;
  • b. als ter plaatse geen locatievlak 'bijgebouwen' is aangegeven op minimaal 3 m achter – het verlengde van – de voorgevel van het hoofdgebouw met uitzondering van carports;
  • c. de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woning is maximaal 100 m2;
  • d. maximaal 50% van het bouwperceel in het locatievlak 'wonen-buitengebied' gelegen achter - het verlengde van - de voorgevel van het hoofdgebouw is bebouwd;
  • e. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken is maximaal 3,5 m, of bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerk maximaal de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m;
  • f. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerk is maximaal 6,5 m;
  • g. aangebouwde bijbehorende bouwwerken hebben een:
    • 1. maximale diepte van 5,5 m aan de achtergevel van het hoofdgebouw, en;
    • 2. maximale breedte van 5 m aan de zijgevel van het hoofdgebouw;
  • h. het plaatsen van een hekwerk op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is alleen toegestaan als;
    • 1. het hekwerk functioneert als afscheiding voor een dakterras, en;
    • 2. het hekwerk maximaal 1 m hoog is.
  • i. de bouwhoogte van overkappingen is maximaal 3 m;
  • j. bijbehorende bouwwerken bij vrijstaande woningen staan op minimaal 1 m afstand tot de zijdelingse van het bouwperceel in het locatievlak 'wonen-buitengebied'.
4.11 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - Bouwwerken geen gebouw zijnde
4.11.1 Algemeen

In aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 Omgevingsplan Maasdriel en artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving geldt het verbod van artikel 22.26 Omgevingsplan Maasdriel niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van pergola's en overkappingen is maximaal 3 m;
  • b. de oppervlakte van paardenbakken is maximaal 1.200 m²;
  • c. zwembaden - achter het verlengde van - de achtergevel van het hoofdgebouw, tot een bouwhoogte van maximaal 1,2 m.
4.12 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - ondergronds bouwen
4.12.1 Algemeen

In aanvulling op de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken gelden voor ondergronds bouwen aanvullende regels. Onder gebouwen mag ondergrondse gebouwen worden gebouwd indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. ondergrondse gebouwen zijn alleen toegestaan onder gebouwen;
  • b. alleen binnen de contouren van de buitengevels van het bovengronds gebouw;
  • c. de diepte van de ondergrondse gebouw is maximaal 3,5 m onder peil;
  • d. onder buitendijks gelegen gebouwen is ondergronds bouwen niet toegestaan, met uitzondering dat het funderen onder peil van een buitendijks gebouw wel is toegestaan;
  • e. onder plaatsgebonden kampeermiddelen en de daarbij behorende bouwwerken is ondergronds bouwen niet toegestaan;
  • f. een toegang van buitenaf tot de ondergrondse gebouwen is toegestaan, als deze toegang niet zichtbaar is vanaf de openbare weg.

Artikel 5 Agrarisch gebied

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01 is aangewezen als 'Agrarisch gebied'.

5.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch gebied' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. uitoefening van agrarische activiteiten voor een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. behoud en herstel van waardevolle landschapselementen;
  • c. bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden en cultuurhistorische waarden, met name in de vorm van waardevolle landschapselementen en beslotenheid van het landschap;
  • d. behoud en herstel van cultuurhistorsiche waarden van de bebouwing ter plaats van het locatievlak 'cultuurhistorische waarden';
  • e. hobbymatig agrarisch gebruik, aansluitend aan de functie 'Wonen - buitengebied';
  • f. ontsluiting van percelen;
  • g. extensief recreatief medegebruik;

een en ander met de bijbehorende voorzieningen:

  • h. agrarische gronden;
  • i. bermen en taluds;
  • j. toegangswegen, -paden en overig verblijfsgebied;
  • k. parkeervoorzieningen;
  • l. groenvoorzieningen, waaronder landschappelijke inpassing;
  • m. duurzame energievoorzieningen;
  • n. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen.
5.3 Gebruiksactiviteit - verboden
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies.

5.3.2 Specifiek

Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor activiteiten ten behoeve van:

  • glastuinbouw;
  • paddenstoelenteelt;
  • niet grondgebonden veehouderij;
  • paardenhouderij;
  • stalling.
5.4 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - algemeen
5.4.1 Functionele relatie

Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2.

5.4.2 Toegestaan

Op de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.5 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - Bouwwerken geen gebouwen zijnde
5.5.1 Algemeen

In aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 Omgevingsplan Maasdriel en artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving geldt het verbod van artikel 22.26 Omgevingsplan Maasdriel niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. een paardenbak waarvan minimaal 75% van het totale oppervlak is gelegen binnen het aansluitende locatievlak 'Wonen - buitengebied' en vanuit de locatievlakgrens de overschrijding binnen het locatievlak 'Agrarisch gebied' maximaal 10 m meet.
5.6 Omgevingsplanactiviteit - werken en/of werkzaamheden
5.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:

  • a. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden;
  • b. het vellen of rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen;
  • c. het bebossen of anderszins beplanten met hoogopgaande beplanting, waaronder het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
  • d. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren al dan niet in combinatie met het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, in- en uitritten, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2;
  • f. het aanleggen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
5.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het verbod van 5.6.1 geldt niet voor werken of werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit artikel een omgevingsvergunning is verleend;
  • b. die ten tijde van het van kracht worden van dit artikel in uitvoering waren;
  • c. die betreffen het normale beheer en onderhoud.
5.6.3 Beoordelingsregels
  • a. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als en voor zover:
    • 1. door de uitvoering van de werken of werkzaamheden of door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden waaronder de openheid of functies die het plan beoogt te beschermen; en
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersafwikkeling.
  • b. De omgevingsvergunning wordt ook verleend als aan de beoordelingsregels door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 6 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en als dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2.

Artikel 7 Aanvraagvereisten

  • 1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Maasdriel, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    • b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit in dit plan.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 8 Specifieke beoordelingsregels bouwen

8.1 Algemeen

Bij de beoordeling van het bepaalde over bouwwerken in Hoofdstuk 2 van dit plan worden buiten beschouwing gelaten:

  • a. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen, liftopbouwen en schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, galerijen en luifels, erkers mits de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, met niet meer dan 1,5 m overschrijden;
  • b. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden;
  • c. goten en ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen.
8.2 Waterberging

Ten behoeve van het voorzien in voldoende waterberging gelden de volgende regels:

  • a. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Maasdriel wordt slechts verleend nadat afdoende is verzekerd dat wordt voorzien in voldoende waterberging. Het bevoegd gezag toetst bij de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen rondom voldoende voorziening van waterberging aan de regels die zijn gesteld in de "Verordening afvoer hemel- en grondwater Maasdriel' of diens rechtsopvolgers;
  • b. het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de onder a bedoelde omgevingsvergunning betrekking heeft, is slechts toegestaan wanneer voldoende waterberging in stand wordt gehouden.

Artikel 9 Algemene gebruiksactiviteit

9.1 Verboden gebruik gronden en gebouwen
  • 1. Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven functie en de daarop betrekking hebbende regels voor gebruiksactiviteiten.
  • 2. Het is in ieder geval verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
    • a. een seksinrichting;
    • b. zelfstandige bewoning, waar het betreft vrijstaande bijgebouwen;
    • c. het huisvesten van tijdelijke werknemers,
    • d. het uitoefenen van een bed & breakfast;
    • e. het uitoefenen van een kinderdagverblijf;
    • f. als opslag-, stort- en of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten behoeve van de functies die zijn toegestaan.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend voor de gebruiksactiviteiten opgenomen in Artikel 11 en indien voldaan wordt aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in dat artikel.
9.2 Milieuzone - intrekgebied

Ter plaatse van het gebied 'milieuzone - intrekgebied' zijn de gronden mede voor het behoud en verbetering van de kwaliteit en winning van het grondwater, zoals ook geregeld in paragraaf 4.3.6 in de Omgevingsverordening Gelderland.

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Omgevingsplanactiviteit - specifieke activiteiten

11.1 Omgevingsplanactiviteit - evenementen
11.1.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van evenementen.

11.1.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:

  • a. de omvang van het evenement niet meer bedraagt dan 6 ha;
  • b. de duur van het evenement niet meer bedraagt dan 1 week;
  • c. er geen onomkeerbare gevolgen voor het landschap optreden;
  • d. de belangen van functies en locaties niet onevenredig worden aangetast;
  • e. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  • f. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische of natuurwaarden en de belangen van de in de nabijheid gelegen functies zich evenmin verzetten tegen dit gebruik.
11.2 Omgevingsplanactiviteit - mini-windturbines
11.2.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een mini-windturbine te plaatsen of op te richten.

11.2.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:

  • a. het hoogste punt van een wiek van een mini-windturbine;
    • 1. geplaatst op het maaiveld niet meer bedraagt dan 20 m1;
    • 2. geplaatst op een gebouw niet meer bedraagt dan 5 m1;
  • b. de belangen van de functies en locaties niet onevenredig worden aangetast;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  • d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische of natuurwaarden en de belangen van de in de nabijheid gelegen functies zich evenmin verzetten tegen dit gebruik.
11.3 Omgevingsplanactiviteit - kleinschalig kamperen bij de burger
11.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor kleinschalig kamperen bij een burgerwoning.

11.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. maximaal 15 mobiele kampeermiddelen zijn toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
  • b. de kampeerlocatie landschappelijk is ingepast en de inpassing behouden blijft volgens een aan de vergunning verbonden landschappelijk inpassingsplan;
  • c. de oppervlakte van het perceel is minimaal 0,5 ha;
  • d. de kampeermiddelen en de bijbehorende voorziening worden:
    • 1. gesitueerd binnen het locatievlak 'Wonen - buitengebied'; of
    • 2. gesitueerd direct grenzend aan het locatievlak 'Wonen - buitengebied' op gronden met de functie 'agrarisch gebied' of de bestemming 'Agrarisch gebied' of 'Agrarisch met waarden';
    • 3. niet gesitueerd op gronden met de aanduiding 'specifieke vormen van 'agrarisch - uiterwaard';
  • e. bijbehorende gebouwde voorzieningen voldoen aan de bouwregels van de functie 'Wonen - buitengebied';
  • f. vaste kampeermiddelen zijn niet toegestaan;
  • g. het gebruik geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu oplevert en geen afbreuk doet aan het karakter van de buurt;
  • h. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer of leidt tot onevenredige parkeerdruk;
  • i. detailhandel is niet toegestaan.
11.4 Omgevingsplanactiviteit - huisvesting arbeidsmigranten
11.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan één huishouden te huisvesten.

11.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a. voldaan wordt aan de gestelde randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in de 'beleidsregel Huisvesting Arbeidsmigranten 2019', die op 25 april 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad van Maasdriel, of haar rechtsopvolger.
11.4.3 Maatwerkvoorschriften

Bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders maatwerkvoorschriften opstellen over de situering en maatvoering van bebouwing, als en voor zover dit noodzakelijk is:

  • a. om de ruimtelijke samenhang met de overige bebouwing veilig te stellen;
  • b. om een milieuhygiënisch verantwoorde situering te bevorderen;
  • c. om een onevenredige inbreuk op het aanwezige woon- en leefmilieu te voorkomen;
  • d. om een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende terreinen te voorkomen.

Artikel 12 Maatwerkvoorschrift - maaiveld-peilhoogte

Met een maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de hoogte van het maaiveld en peilhoogte als dit voor een goede inrichting en afwatering van de gronden en aangrenzende percelen noodzakelijk is.

Artikel 13 Voorwaardelijke verplichtingen

13.1 Sloop bedrijfsgebouwen

Het is verboden de bestaande (bedrijfs)gebouwen te slopen in de maanden april – mei – juni. Van dit verbod kan worden afgeweken als door een ecoloog is geconstateerd en wordt bevestigd dat de aanwezige nesten niet of niet meer in gebruik zijn en het bevoegd gezag van de bevestiging in kennis is gesteld.

13.2 Sloop kapschuur

Tot een met dit plan strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken voor wonen indien de sloop van de kapschuur, zoals vermeldt in Bijlage 2 van de regels, niet wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

13.3 Landschappelijke inpassing

Tot een met dit plan strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken voor wonen indien het goedgekeurde landschappelijke inpassingsplan, zoals vermeldt in Bijlage 3 van de regels, niet is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Hoofdstuk 4 Thematische regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 14 Waarde - Archeologie 5

14.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3 van dit plan.

14.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22a-VG01 is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5'.

14.3 Toedelen van functies aan locaties

Een locatie die is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5' heeft als functie het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

14.4 Omgevingsplanactiviteit - Bouwen
14.4.1 Aanvullende beoordelingsregels
  • 1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als naar oordeel van het bevoegd gezag:
    • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • c. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
  • 2. Voordat het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de archeologische deskundige.
14.4.2 Aanvullende aanvraagvereisten
  • 1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een deskundig archeologisch rapport overlegd waarin:
    • a. de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld; en,
    • b. in voldoende mate is aangegeven hoe de archeologische waarden worden beschermd en behouden.
  • 2. Een deskundig rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
14.4.3 Aanvullende vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan, in het belang van bescherming en behoud van de archeologische waarden, één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • d. nadere eisen aan de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden.
14.4.4 Uitzondering

Het bepaalde in 14.4 geldt niet bij:

  • a. een verstoringsoppervlakte tot maximaal 1.000 m2 en een verstoringsdiepte tot maximaal 30 cm onder het bestaande maaiveld; of
  • b. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande fundering wordt gebruikt en de oppervlakte niet vergroot.
14.5 Omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden
14.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:

  • a. grondwerken, waartoe in ieder geval worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, ophogen en ook het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen en verhogen van het waterpeil, waaronder het tot stand brengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het aanleggen en verwijderen van verhardingen voor wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
14.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van 14.5.1 geldt niet voor werken of werkzaamheden die:

  • a. een verstoringsoppervlakte hebben van maximaal 1.000 m2 en een verstoringsdiepte van maximaal 30 cm onder het bestaande maaiveld;
  • b. het normale beheer of onderhoud betreffen;
  • c. onderdeel uitmaken van een archeologisch onderzoek of daarop gericht zijn;
  • d. de archeologische waarden niet onevenredig kunnen schaden, hetgeen met archeologisch onderzoek is aangetoond en het bevoegd gezag heeft ingestemd;
  • e. worden uitgevoerd op en in gronden waarvan met archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn en het bevoegd gezag heeft ingestemd;
  • f. betreffen het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen of ontgronden is vereist;
  • g. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende omgevingsvergunning;
  • h. al in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
14.5.3 Beoordelingsregels
  • 1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit werken en werkzaamheden wordt alleen verleend als:
    • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • c. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
  • 2. Voordat het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid winnen zij schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige over de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden moeten worden gesteld.
14.5.4 Aanvraagvereisten
  • 1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een deskundig archeologisch rapport overgelegd waarin:
    • a. de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld, en;
    • b. in voldoende mate is aangegeven hoe de archeologische waarden worden beschermd en behouden.
  • 2. Een deskundige rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

14.5.5 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
15.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
15.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 15.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 15.1.1 met maximaal 10%.

15.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, waaronder de overgangsbepalingen.

15.2 Overgangsrecht gebruik
15.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

15.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdig gebruik, bedoeld in 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

15.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 15.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

15.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.