| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Haarweg 12 Tonden |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0213.TAMBG7007-on01 |
Voorliggend TAM-omgevingsplan betreft de wijziging van de functie van de gronden ter plaatse van het agrarisch bedrijf aan de Haarweg 12 in Tonden, gemeente Brummen (hierna: plangebied). Binnen het plangebied is een melkveehouderij aanwezig. De eigenaar heeft besloten om de bedrijfsactiviteiten van de melkveehouderij te beëindigen en gebruik te maken van de Landelijke beëindigingsregeling Veehouderijen (LBV). In het kader van deze LBV regeling is gezocht naar een nieuwe invulling van de gronden. De melkveehouderij stopt en gaat door met akkerbouw. Alle bebouwing die geen functie meer heeft (1200m2) wordt gesloopt. Initiatiefnemers zijn voornemens om een nieuw landgoed te ontwikkelen met een ecologisch, innovatief akkerbouwbedrijf. De bedrijfsvoering hiervan wordt uitgevoerd door meerdere agrariërs, waar meerdere woningen voor benodigd zijn. Er wordt ruimte gemaakt voor een zogenoemde klimaatboerderij, waarbij er duurzame vormen van landbouw gezocht worden. De agro-ecologische bedrijfsvoering bestsaat uit onder andere: akkerbouwbedrijf met o.a. notenteelt, boomweide met extensief beweiden, kwekerij, paddenstoelenkwekerij in de silo, hobbymatig houden van dieren, ruimte voor workshops en kleischalige bijeenkomsten.
Het landgoed krijgt een omvang van meer dan 25 hectare. De bestaande gesplitste boerderijwoning blijft behouden, net als twee kleinere schuren. De rest van de agrarische bebouwing wordt verwijderd. Op het nieuw te vormen erf worden drie schuuwoningen en drie tiny houses gerealiseerd, net als een camping, een B&B en de bijbehorende voorzieningen. Daarnaast wordt er in samenspraak met Natuurmonumenten nieuw bos gerealiseerd. Er wordt daarnaast een nieuwe kavel gerealiseerd voor de vrije verkoop. Het initiatief is als 'klimaatboerderij 2050-2100' opgenomen in de regiodeal Stedendriehoek. Het landgoed krijgt de naam 'landgoed Middenbos'. Met voorliggend TAM-omgevingsplan wordt deze wijziging naar een landgoed mogelijk gemaakt.
Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: gemeente Brummen, sectie O, nummers 220, 249, 283, 353, 354. Afbeelding 1.1 laat de ligging van het plangebied zien. Het plangebied is links aangegeven met een rode ster en rechts met een rood kader. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: openstreetmap.org) |
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten:
Hierna wordt ingegaan op de regels van de geldende bestemmingsplannen. Omdat deze bestemmingsplannen zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'.
Voor de verbeelding van het geldend planologisch regime is met name bestemmingsplan "Buitengebied 2008" en "Paraplubestemmingsplan Archeologie" relevant. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van deze bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is met de lichtblauwe omlijning indicatief aangegeven.
| Afbeelding 1.2: Geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket) |
Hieronder worden de ter plaatse geldende functies en bestemmingen verder beschreven.
'Agrarisch met landschapswaarden'
De voor 'Agrarisch met landschapswaarden' aangewezen grond is met name bestemd voor agrarische doeleinden, agrarische bouwpercelen met bijbehorende erven alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden. Hieraan ondergeschikt zijn ook het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf en het op hobbymatige basis houden van dieren toegestaan.
Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bestaand aantal dienstwoningen geldt als maximum. Maximaal 50 m² van de oppervlakte van bebouwing mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf mits deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben.
Ter plaatse van de aanduiding 'Beslotenheid/Houtopstanden' is vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen ten gevolge kunnen hebben verboden zonder aanlegvergunning.
Ter plaatse van de aanduiding 'Bodemreliëf' is ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem, aanleggen en verharden van wegen, aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen en het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur verboden zonder aanlegvergunning.
'Overige zone - oeverwallenlandschap'
Bij het 'Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied' is op een deel van het plangebied de aanduiding 'overige zone - oeverwallenlandschap' van toepassing. Ter aanvulling op de regels die bij de agrarische bestemming gelden zijn diverse landschapselementen toegestaan, zoals houtsingels, vogelbosjes, struweelhagen, geriefhoutbosjes, erfbeplanting. Voor de aanleg van deze landschapselementen is in afwijking van de regels uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008'
'Overige zone - landgoederenzone'
Bij het "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" is op een deel van het plangebied de aanduiding 'overige zone - landgoederenzone' van toepassing. Ter aanvulling op de regels die bij de agrarische bestemming gelden zijn diverse landschapselementen toegestaan. Voor de aanleg van deze landschapselementen is in afwijking van de regels uit bestemmingsplan "Buitengebied 2008" geen (omgevings)vergunning nodig.
In het plangebied is de bebouwing van een melkveehouderij aanwezig. De melkveehouderij stopt en gaat door met akkerbouw. Er worden daarnaast 3 schuurwoningen, 3 tiny houses, een camping en nieuw bos gerealiseerd. Dit alles wordt een nieuw landgoed. Dit is strijdig met de gebruiksregels en bouwregels van het bestemmingsplan 'buitengebied 2008', en daarmee het omgevingsplan. De initiatiefnemer heeft de gemeente middels een principeverzoek verzocht mee te werken aan een wijziging naar een nieuw landgoed. De gemeente heeft toegezegd medewerking te verlenen. Om de nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden toe te voegen is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Dit gebeurt middels voorliggend TAM-omgevingsplan.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie.
Zoals eerder benoemd ligt het plangebied aan de Haarweg 12 in Tonden. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Brummen. In de omgeving van het plangebied komen meerdere (voormalige) agrarische erven, woonpercelen en bospercelen voor. Het omliggende landschap bestaat uit voornamelijk agrarische percelen, beken en bospercelen.
Het plangebied bestaat uit een agrarische bedrijfswoning met inwoning en bebouwing van de (voormalige) melkveehouderij: meerdere sleufsilo's, werktuigenberging en een veestal.
Afbeelding 2.1 toont een luchtfoto van het voormalig agrarische bedrijf en toont indicatief het landgoed met een rode lijn.
| Afbeelding 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied (bron: PDOK) |
Onderhavig plan betreft het realiseren van een nieuwe planologisch-juridische situatie middels een wijziging van het omgevingsplan. Deze procedure is benodigd om ter plaatse van het plangebied een nieuw landgoed planologisch-juridisch mogelijk te maken. Het gaat om een agro-ecologisch landgoed. Het initiatief is als 'klimaatboerderij 2050-2100' opgenomen in de regiodeal Stedendriehoek. Het totale landgoed zal ongeveer 25,7 hectare beslaan. De nieuwe functies bestaan uit gronden en gebouwen. De voormalige stallen behorende bij de melkveehouderij met een totale oppervlakte van 1.200m2 zullen worden gesloopt. De te behouden bebouwing bestaat uit twee schuren en de bestaande geplitste woonboerderij.
Om het bedrijf toekomstbestendig te maken vindt er diversificatie plaats: er worden recreatieve-, woon- en natuurfuncties toegevoegd, waarbij de huidige bedrijfsvoering wordt omgezet naar een natuurinclusieve vorm van akkerbouw. Binnen deze nieuwe bedrijfsvoering is er ook plaats voor jonge agrarische ondernemers om te experimenteren. Ook zal het landgoed dienst doen als plek om kennis te delen in de vorm van onder andere trainingen. Concreet zijn bij het landgoed de volgende functies gemoeid:
In afbeelding 2.2 is een globale schets opgenomen van de voorgenomen ontwikkeling. Afbeelding 2.3 geeft een impressie van de landschappelijke inpassing. Afbeelding 2.4 laat de beoogde situatie zien van het erf.
Afbeelding 2.2 Globale schets gehele ontwikkeling (bron: studioDAT)
Afbeelding 2.3 Landschappelijke inpasing (bron: studioDAT)
Afbeelding 2.4 Gewenste situatie erf (bron: studioDAT)
Het uitvoeren van de maatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan uit Bijlage 1 is in de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan opgenomen als voorwaardelijke verplichting.
Er wordt aangesloten bij de voorwaarden die gesteld zijn in de toelichting van het voormalige bestemmingsplan 'Buitengebied 2008', waarbij de definitie van een nieuw landgoed als volgt is: een openbaar toegankelijk bos- en/of natuurcomplex (al dan niet met overige gronden) met een oppervlakte van minimaal 25 ha, met daarin een woongebouw van allure met maximaal 3 wooneenheden en een minimale omvang van het nieuwe bos of natuurgebied van 5 ha. Wat betreft de toetsing aan het woonbeleid waarin de motivering over de woongebouwen op het erf staat toegelicht wordt verwezen naar, paragraaf 4.3.4.
Landgoed Middenbos
Landgoed Middenbos is een innovatief concept dat werkt aan verduurzaming van de landbouw. Het laat zien hoe landbouw en natuurwaarden gecombineerd kunnen worden in een landschap rondom N2000 gebieden. Duurzaam en meer kleinschalige productie van voedsel, vezels en energie. Ook een economische transitie is hiervoor noodzakelijk; de mogelijkheid voor meer kleinschalige landbouw activiteiten, waarbij jonge agrariërs toegang krijgen tot grond. Het landgoed concept grijpt terug naar vroegere tijden waarbij wonen en werken meer verbonden was met het gebied en de lokale keten. Waar samenwerking en de cyclus van levensfasen samenkomen op het erf.
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behouden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Van het aanleggen of veranderen van openbare ruimte is geen sprake bij dit voornemen. Dit aspect wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. De gemeente Brummen heeft hiertoe het paraplubestemmingplan 'Parkeren' vastgesteld. Hierin Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:
Verkeersgeneratie
Er is voor de kencijfers van de verkeersgeneratie gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'.
| Functie | Verkeersgeneratie | Aantal | Totale verkeersgeneratie |
| Bedrijf arbeidsextensief | 4,8 per 100m2 | 200m2 | 9,6 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 7,8 per woning | 2 woningen | 15,6 |
| Koop, huis, vrijstaand | 8,2 per woning | 1 woning | 8,2 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 7,4 per woning | 3 woningen | 22,2 |
| Kleine eenpersoonswoning (tiny house) | 2,1 per woning | 3 woningen | 6,3 |
| Camping (kampeerterrein) | 0,4 per standplaats | 10 standplaatsen | 4 |
| Bungalowpark (huisjescomplex) | 2,7 per bungalow | 4 trekkershutten + 1 bed&breakfast | 13,5 |
| Totaal aantal verkeersbewegingen (afgerond) | 80 | ||
De totale verkeersgeneratie voor het landgoed komt neer op afgerond 80 vekeersbewegingen per weekdagetmaal. De ontsluiting van het landgoed vindt plaats over de Haarweg, welke in noordelijke richting en westelijke richting ontsluitingsmogelijkheden kent. De omliggende wegen kunnen dit in voldoende mate aan.
Parkeren
Er is voor de kencijfers parkeren gebruik gemaakt van het paraplubestemmingsplan 'Parkeren'
| Functie | Parkeernorm | Aantal | Totaal |
| Bedrijf arbeidsextensief | 1,05 per 100m2 | 200m2 | 2,10 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 2,2 per woning | 2 woningen | 4,4 |
| Koop, huis, vrijstaand | 2,4 per woning | 1 woning | 2,4 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 2 per woning | 3 woningen | 6 |
| Kleine eenpersoonswoning (tiny house) | 0,4 per woning | 3 woningen | 1,2 |
| Camping (kampeerterrein) | 1,2 per standplaats | 10 standplaatsen | 12 |
| Bungalowpark (huisjescomplex) | 2,1 per bungalow | 4 trekkershutten + 1 bed&breakfast | 10,5 |
| Totaal aantal parkeerplaatsen (afgerond) | 30 | ||
In voorliggend plan wordt er uitgegaan van het oplossen van de parkeerbehoefte op eigen terrein. Er is op het terrein en rondom de te ontwikkelen woningen voldoende ruimte voor de parkeerplaatsen. In het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1 is weergegeven waar deze parkeerplaatsen gerealiseerd worden.
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over:
De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.
Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Op basis van onderstaande uitspraken blijkt dat er voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
Voor bedrijven is 'in beginsel' sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de toevoeging van een gebouw van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724).
Er worden 8 nieuwe woningen (totaal 2500m3) gerealiseerd, en het melkveebedrijf wordt omgezet naar een akkerbouwbedrijf (agroforesty/klimaatboerderij). Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven. Het plangebied ligt deels in deelgebied 15:Landbouw in landgoederenzone, deels in deelgebied 20: Landbouw op enkeerd en deels in deelgebied 17: Landgoederen N2000 en GNN. Hieronder staan de landschapskenmerken.
Landbouw in de landgoederenzone
Hoewel typische landschapselementen beduidend minder aanwezig zijn dan in de huidige landgoederenzone, zijn er toch diverse belangrijke elementen te vinden in het gebied. Oude houtwallen, bomenlanen en hier en daar een boomgaard kleden het verder vrij open gebied aan. Poelen liggen verspreid door het gebied en enkele beken stromen tussen de landbouwpercelen door richting de IJssel. Bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit boerderijen, waarbij de inrichting van de boerenerven varieert van volledig ingericht op een bedrijfsfunctie, met geen of weinig ruimte voor groen, tot groene parels tussen de open landbouwgronden.
Landbouw op enkeerd
Tussen de uiterwaarden en de landgoederenzone ligt een intensief gebruikt landbouwgebied. Het gebied is relatief vlak door de rivierafzettingen van de IJssel. In tegenstelling tot de uiterwaarden is de kleilaag in dit gebied echter relatief dun en is de ondergrond zandig. Verspreid door het gebied zijn door verstuiving ook enkele lage dekzandruggen ontstaan. Deze plekken in het landschap waren net hoog en droog genoeg om bewoning en landbouw mogelijk te maken. Om de landbouw mogelijk te maken moest er veel (plaggen)mest worden opgebracht. Zo zijn de enkeerdgronden ontstaan, een bruine voedselrijke bodem op hoger gelegen gronden.
Landgoederen N2000 en GNN
Gelegen op de overgangszone tussen de stuwwal van de Veluwe en de rivierklei in de IJsselvallei vind je de Hiemberg en de landgoederen Voorstonden en Leusveld. De landhuizen die hier in de 17e eeuw op de dekzandruggen werden gebouwd worden omringd door de karakteristieke parkbossen, bestaande uit oude eiken-beukenbossen, oude lanen en verschillende vijvers. Verder bestaan deze landgoederen uit een afwisseling tussen bossen, extensief begraasde graslanden en akkers.
Toetsing van het initiatief
Aansluitend op het bestaande landschap is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt voor de nieuwe situatie. Een groot deel van de huidige bestaande bomen en beplanting blijft behouden. Door de combinatie van landschapsversterking en agro-ecologische bedrijfsvoering wordt er een divers landschap ontwikkeld met veel overgangen. In Bijlage 1 wordt er verder getoetst aan de veertien verbeterpunten die bij de drie deelgebieden horen. Van de veertien verbeterpunten draagt het landgoed aan 12 punten bij.
Ontsluiting van het erf
Het erf heeft een toegangsweg die ontsluit op de Haarweg. Deze weg blijft behouden en wordt eveneens de ontsluiting voor de nieuwe woningen.
Nieuwe gebouwen
Het nieuwbouw gedeelte van voorliggend project bestaat uit het realiseren van een drie schuurwoningen en een tweetal gebouwtjes voor de camping op het achtererf. Daarnaast komen er drie standplaatsen voor tiny houses. In het erf- en landschapsplan zijn de nieuwe gebouwen gesitueerd. Een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan wordt weergeven in afbeelding 3.1. Het volledige landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd aan de bijlagen bij de motivering als Bijlage 1
Afbeelding 3.1 Landschapselementen landgoed (bron: Prohabitus)
De percelen zijn gelegen op de overgang van de oeverwal naar het ontginningslandschap. Kenmerkend voor dit gebied was de kleine kavelstructuur omzoomd met singel en/of hagen. De landerijen bestonden uti grasland, akkers en bos. Aan de zuidkant van het plangebied grenzen de percelen aan landgoed Voorstonden. Een onverhard pad liep van de Haarweg naar de oude molen op het landgoed. Op de kaart van 1870 is dit nog goed terug te zien, zie afbeelding 3.2.
Afbeelding 3.2 Plangebied in 1870 (bron: topotijdreis.nl, bewerkt opdrachtgever)
Een groot deel van de percelen bestond tot 1930 uit bos. Het bos is rond de tijd van de bouw van de boerderij ontgonnen en en in gebruik genomen als akkerbouwgrond. Wat opvalt is het feit dat de hogere gronden met bos als laatste ontgonnen zijn. Ook valt de rationele padenstructuur op in de zuidwestkant van de percelen. Zie afbeelding 3.3 voor het plangebied in 1930.
Afbeelding 3.3 Plangebied in 1930 (bron: topotijdreis.nl, bewerkt opdrachtgever)
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Voorliggend initiatief betreft een plan waarbij er een nieuw landgoed gecreëerd wordt, Er komt een combinatie van functies, er wordt natuur toegevoegd en er komt een einde aan een melkveehouderij. Dit komt samen in de prioriteit 'toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied'. De combinatie van functies op het landgoed zorgen ervoor dat er zorgvuldig gebruik wordt gemaakt van de ruimte. Er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen herziening van het omgevingsplan.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).
Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Toetsing
In voorliggend plan wordt ingegaan op de bovengenoemde instructieregels in de volgende hoofdstukken/paragrafen:
Geconcludeerd kan worden dat in de volgende paragrafen van deze motivering aangesloten wordt bij de uitgangspunten van het Bkl.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het Rijksbeleid. Vanuit relevante beleidsdocumenten en regelgeving werken geen randvoorwaarden of uitgangspunten rechtstreeks door op het voorgenomen plan.
De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen.
In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
Met de realisatie van voorliggend initiatief wordt een duurzaam vervolg gegeven aan de gronden van een voormalige melkveehouderij. Door de bedrijfsgebouwen te slopen in het kader van LBV, het erf te herstructureren en een nieuw landgoed te ontwikkelen met oog voor het landschap en de cultuurhistorische waarden wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan het perceel, en daarmee tevens het omliggende landschap. Het initiatief vindt hiermee aansluiting bij de provinciale omgevingsvisie op het gebied van het behoud van historische en landschappelijke waarden.
Het voornemen vindt aansluiting bij de uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland.
De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing: 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied', 'nationale landschappen' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'. Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'Nationaal landschap', 'Gelderse streek IJsselvallei' relevant. Het gaat om artikel 5.33, 5.38.
|
Artikel 5.33 - Beschermen landschap algemeen: Nationale landschappen Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. |
|
Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei. |
Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland.
Zoals eerder beschreven vindt er als gevolg van dit plan een substantiële bijdrage aan de omliggende landschappelijke waarden plaats. Zo wordt het bestaande oppervlakte aan bos uitgebreid met 7 hectare. Bestaande bomen blijven behouden. De gronden worden op een ecologische manier begraasd. Door de ontwikkeling van het landgoed, een voedselbos en een camping zorgen voor ruimte voor klimaatadaptatie en het verder aanleggen van ecologische verbindingszones. Het verbeteren van de recreatieve toegankelijkheid is een van de ontwikkeldoelen van de IJsselvallei. Daarnaast wordt een verdere bijdrage geleverd aan de natuurwaarden en het versterken van de biodiversiteit door het nieuw te vormen erf aanvullende beplanting toe te voegen die gebiedseigen is en past bij de structuur van het landschap, zie Bijlage 1 .
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening.
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen.
De omgeving van Brummen bestaat uit een veelzijdig landschap dat voorzien van veel groen, natuur en landgoederen. Een voorbeeld zijn de Natura 2000-gebieden en ecologische verbindingszones. De gemeente hecht veel waarde aan deze kernkwaliteiten en wil deze dan ook behouden en versterken. Er wordt ruimte gegeven aan initiatieven die bijdragen aan de plattelandsstructuur, landschappelijke- en natuurwaarden.
Gemeente Brummen zet in op flexibel bouwen, een gevarieerder woningaanbod en meer levensloopbestendige woningen. Nieuwe woningen worden gebouwd met oog op het toekomstige gebruik, zodat mensen voor een langere duur in dezelfde omgeving kunnen blijven wonen. De gemeente staat open voor woonvormen waarbij meerdere generaties bij elkaar wonen, zoals grootouders en kinderen.
De 'voetafdruk' van de gemeente Brummen is de afgelopen eeuwen toegenomen door onder meer het gebruik van grondstoffen en de uitstoot van CO2. Brummen stuurt aan op het verkleinen van deze voetafdruk. Een van de methoden is door alle verbruikte energie duurzaam op te wekken binnen de gemeentegrenzen. De gemeente zet onder meer in op nieuwe technieken van energieopwekking en energie neutraal bouwen. De tweede manier is door meer ruimte in te richten voor opvang en berging van hemelwater. Tuinen krijgen een groener karakter en regenwater wordt hierop afgekoppeld, zodat water kan infiltreren in de grond en niet afgevoerd wordt naar het riool. Als laatst stuurt de gemeente aan op een vergroting van de biodiversiteit, die in Nederland de afgelopen tientallen jaren flink is afgenomen. De gemeente handhaaft en onderhoud bestaand groen en stimuleert aanleg van inheemse (planten)soorten, zoals hagen, bloemrijke bermen en houtwallen. Daarbij is een natuurlijkere inrichting ook gewenst.
Het plangebied betreft een voormalig agrarisch erf. Met voorliggend plan worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en wordt er een nieuw landgoed gerealiseerd waarbij er een innovatief akkerbouwbedrijf aanwezig blijft. Bij het nieuwe landgoed wordt er voor woongelegenheid in totaal 2500m3 aan woonfunctie toegevoegd, waarbij dit grotendeels bedoeld is voor huishoudens met binding met het landgoed. De natuurlijke inrichting en de uitbreiding van het bosareaal binnen het plangebied versterkt de biodiversiteit en daarmee de plaatselijke natuurwaarden. Het uitgangspunt is dat het hemelwater wordt geïnfiltreerd op het eigen terrein. Het voornemen vindt hiermee aansluiting bij de uitgangspunten van de Toekomstvisie Brummen 2030.
De Nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat handvatten voor verbouwingen en beschrijft hoe om te gaan met verbouwingen aan huizen, bedrijven, landgoederen en monumenten. Ook worden suggesties gegeven over duurzaamheid en worden oplossingsrichtingen gegeven voor de herindeling van boerenerven. Het beleidsdocument is een vervolg op de Welstandsnota.
Het plangebied behoort in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit tot het welstandsgebied 'Landelijk gebied'. De kenmerken van het landelijk gebied van Brummen bestaan uit een afwisselend landschap. De Veluwse stuwwal in het westen van de gemeente (met daarop bossen) loopt over in een dekzandlandschap (met bossen, hagen, houtwallen, akkers, weilanden en waterlopen) naar het rivierenlandschap aan de IJssel. In het deklandschap zijn de rechte lange wegen met daaraan verspreidde boerderijen en bebouwingsclusters typerend. Op de oeverwallen nabij de IJssel volgt het landschap de kronkelige contouren van de rivier. Hier is meer bebouwing aanwezig.
De boerenerven in de gemeente zijn divers opgebouwd. Historische erven bestaan voornamelijk uit een fors hoofdgebouw met woning en schuur in één pand. In samenhang met bijgebouwen en beplanting vormt dit een erf ensemble met een traditionele voor- en achtererf opbouw. De gemeente streeft het karakter van de erven te behouden. Centraal staat de samenhang en continuïteit tussen de bebouwing en het omliggende gebied.
De boerderij zal binnen het plangebied behouden blijven, de huidige splitsing wordt gelegaliseerd. De stallen worden in het kader van de LBV+ regeling gesloopt en kunnen niet behouden blijven. Op de locatie van de oude stal zal een schuurwoningen met drie wooneenheden worden gerealiseerd. Het ontwerp van deze schuurwoningen staat nog niet vast. Bij de bouwaanvraag zal het ontwerp van de schuurwoningen opnieuw getoetst worden aan de Nota Ruimtelijke kwaliteit.
De gemeente Brummen heeft in 2008 het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 vastgesteld. Het plan geeft sturing aan de ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het toetst aan de wenselijkheid van de ontwikkeling, maar is geen juridisch bindend document. In het Landschapsbeleidsplan is uitgegaan van zes deelgebieden met ieders hun eigen kenmerken. Het plangebied is onderdeel van het deelgebied 'Landgoederen'. Initiatieven binnen dit deelgebied dragen bij aan de doelen. De doelen voor dit deelgebied zijn:
De herontwikkeling van het plangebied maakt het mogelijk de landschapswaarden, die voor een groot deel bestonden uit bos en weilanden, te herstellen. Met het aanplanten van nieuw bos en de realisatie van boomweiden wordt een bijdrage aan geleverd het herstellen van de landschapselementen van het oude, kleinschalige, landschap. De uitvoering van de maatregelen opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan zijn opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels behorende bij dit TAM-omgevingsplan.
In de Routekaart Wonen staat hoe de gemeente Brummen in de komende jaren de woningbouw willen aansturen en versnellen. De Routekaart Wonen bevat ook het Toetsingskader Woningbouw.
Met de routekaart zet de gemeente vijf concrete acties in gang:
Uitgangspunten (vanuit de Omgevingsvisie):
Waar we echt op sturen:
Waar dagen we initiatiefnemers op uit (meerwaarde):
Het initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van de Routekaart Wonen van de gemeente Brummen. Door de sloop van landschapsontsierende bebouwing wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd, wat aansluit bij de beleidsdoelstellingen voor het buitengebied. Door de ontwikkeling van het landgoed en de innnovatieve vormen van akkerbouw die hierbij behoren is er behoefte aan meerdere akkerbouwers die op kleinschalige wijze akkerbouw bedrijven. Deze akkerbouwers moeten een plek op het landgoed hebben om te wonen. De te realiseren woningen en tiny houses zijn voor deze doelgroep bedoeld. Binnen de voorwaarden waarbinnen een landgoed gerealiseerd mag worden is het gebruikelijke dat er een woning van allure met drie ruime woningen wordt gerealiseerd. Die woningen trekken voor nu de verkeerde doelgroep mensen aan. De insteek van het landgoed is beter passend binnen de route kaart wonen en zorgt voor beter betaalbare huizen. Door de zorgvuldige landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit verder verbeterd. Dit is in lijn met de doelstellingen van de Routekaart Wonen, waarin innovatieve en duurzame woonvormen worden gestimuleerd, mits deze bijdragen aan de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit. Bovendien wordt met dit initiatief voorzien in de vraag naar landschappelijk wonen, wat aansluit bij de behoefte aan diverse woonvormen in het buitengebied. Er kan worden geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid voor wonen in het buitengebied.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied.
Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Aan de hand van de externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de externe veiligheidskaart met daarop de locatie van het projectgebied door middel van een rode ster weergegeven.
| Afbeelding 5.1 Uitsnede kaart externe veiligheidskaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) |
Het plangebied ligt op circa 1,7 kilometer van een buisleiding. Hiermee valt het plangebied ruim buiten het brandaandachtsgebied en de personen-risicocontour. Een verantwoording van het personenrisico en groepsrisico is niet nodig.
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving.
Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema 'Robuust beekdal' van belang. Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken.
Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn.
Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de weging van het waterbelang. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de weging van het waterbelang is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Voor voorliggend plan is er geen gebruik gemaakt van de watertoets, omdat de planvorming al in grote mate is afgestemd met het Waterschap Vallei en Veluwe. De voorliggende paragraaf wordt voorgelegd aan het Waterschap.
Watercompensatie: Voor het waterschap leidt een toename van verharding alleen tot een watercompensatieopgave (noodzaak tot waterberging) als er een toename is van 1500 m2 of meer. Het verhard oppervlakte neemt af en al het hemelwater wordt binnen het plangebied vastgehouden.
Vasthouden - bergen - afvoeren: Een belangrijk principe is dat alle hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
Grondwaterneutraal bouwen: Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Schoon houden - scheiden - schoon maken: Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan hiermee verder helpen.
Toetsing van het initiatief aan de wateraspecten
Door de sloop van de agrarische opstallen is er een afname in de hoeveelheid verharding. Er is binnen het plangebied voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Er worden binnen het plangebied verschillende aanpassingen gedaan in de watergangen. Hieronder worden deze genoemd, de nummers verwijzen naar de nummers op de kaart, zie afbeelding 5.1. Door middel van deze aanpassingen wordt er voldoende ruimte in het plangebied gecreëerd om water vast te houden en is de afvoer gegarandeerd.
Grondwater
Binnen het projectgebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Bij het bouwplan wordt rekening gehouden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op grondwateroverlast minimaal is.
Hemelwater
In het plangebied worden op verschillende plaatsen waterbergingen en retentie gecreëerd, zie hieronder. Het hemelwater wordt vastgehouden binnen het plangebied.
Oppervlaktewater
Er zijn A-watergangen en C-watergangen aanwezig in het plangebied. Hier worden verschillende aanpassingen in gedaan, zie hieronder. Voor het aanpassen van het watersysteem is een watervergunning nodig. Hierbij wordt er onder andere getoetst of er voldoende ruimte is om de watergang te onderhouden. Hiervoor is een obstakelvrije strook van minimaal 5 meter nodig voor het onderhoudsmateriaal. Hiervoor worden de benodigde vergunningen aangevraagd.
Aanpassingen waterelementen plangebied
5.1 Zuivering grijswater middels helofytenfilter in combinatie met creëren retentie in C-watergang.
Verbreden en verdiepen van de c-watergang voor wateropslag. Aanleg helofytenfilter om licht gebruikswater van camping en hemelwater erf (?) te zuiveren (hierover is initiatiefnemer nog in gesprek met het waterschap) en opgevangen in de retentie. Onderzocht wordt of (tijdelijk) houden van vis hierin mogelijk is. Plaatsing kleine stuw bovenstrooms bij bosje Natuurmonumenten en benedenstrooms van nieuwe retentie vijver.
5.2 Aanleg nieuw rabatensysteem met Populier, hazelaar en zwartebes in combinatie met water vasthouden
Vasthouden water uit c-watergang in de rabatten in het voorjaar. Middels kleine stuw water afvoeren in Haarsloot.
5.3 Water berging in Haarsloot als “ Water-batterij”
Deels afdammen Haarsloot met regelbare stuw benedenstrooms en pomp bovenstrooms. Vergraven noordelijk talud voor berging en natuurvriendelijkere oeverstrook. Onderzocht wordt of (tijdelijk) houden van vis hierin mogelijk is en/of in combinatie met opwek zonne-energie. De Haarsloot wordt voorzien van een duurzame voorziening om water te bergen, ecologie te verbeteren en vissen te kweken. De afvoer blijft gewaarborgd.
5.4 Aanleg natuurvriendelijke oever in combinatie met (agroforestry)bufferstrook
Aanleg natuurvriendelijke oeverlangs oostzijde Hazeveenloop en/of Haarsloot t.b.v. waterretentie en biodiversiteit. Op het tracé van de Hazeveenloop wordt een 50 m brede bufferstrook aangelegd met voedselproducerende gewassen (o.a. bomen en struiken)
5.5 Agroforestrysysteem-strokenteelt
(geen directe aanpassing watergang)
Afbeelding 6.1 Aanpassingen water in het plangebied (bron: opdrachtgever)
Vanuit het aspect water is er sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid en klimaatadaptatie' behandeld.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met het voornemen worden 8 nieuwe woningen mogelijk gemaakt, naast de al bestaande boerderij. Bij deze ontwikkeling is daarom sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige ruimten. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidsgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
In het gemeentelijk omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden vanuit het Bkl voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
Voorliggend plangebied ligt niet in de nabijheid van geluidsaandachtgebieden. De weg is voornamelijk bedoeld voor bestemmingsverkeer. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de Haarweg. Het plangebied is met een rode ster weergegeven.
|
| Afbeelding 7.1: Ligging plangebied ten opzichte van de Weg over 't Hontsveld (Bron: Atlas van de leefomgeving) |
In het Bkl worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw. Uitgangspunt is dat aan de standaardwaarde voor geluid moet worden voldaan (artikel 5.78t lid 1 Bkl). Voor gemeentelijke wegen is de standaardwaarde 53 dB. Zoals in afbeelding 7.1 te zien is heeft de Haarweg geen geluidsuitstraling. Voor de woningen geldt dan ook dat het geluid op de buitengevel naar verwachting minder is dan 45 dB. De Atlas Leefomgeving verwacht een maximale geluidsbelasting van 34 dB. Gesteld wordt dat hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden voor geluid uit het Bkl. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig.
Het plangebied ligt op ongeveer 2,4 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Hiermee wordt ruim voldaan aan de afstandsnormen uit het Bkl. Onderzoek naar railverkeerslawaai is niet nodig.
Daarnaast ligt het plangebied niet in de nabijheid van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig.
Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' (mei 2019). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast.
In voorliggend geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst.
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
Het plangebied ligt in het buitengebied en ligt niet nabij een drukke weg. Er wordt in dit geval dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven.
| Milieucategorie | Richtafstanden 'rustige woonwijk' | Richtafstanden 'gemengd gebied' |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Situatie plangebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave Bedrijven' en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
Hierbij spelen twee vragen een rol:
Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
Een woning wordt niet gezien als een geluidsbelastende activiteit. Een camping wordt wel gezien als een geluidsbelastende activiteit. Deze heeft een richtafstand van 50 meter. Bestaande omliggende woningen liggen op meer dan 50 meter afstand. Voor de losse kavel voor de verkoop wordt een akoestisch onderzoek voor het akkerbouwbedrijf en de camping uitgevoerd.
Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
Wat betreft de interne werking zijn in de omgeving van het plangebied enkele agrarische bedrijfsfuncties aanwezig, maar ligt er geen agrarisch bouwvlak op een afstand van minder dan 200 meter. In de omgeving van het plangebied komen verder geen milieubelastende functies voor.
Vanuit de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai, evenals geluidhinder van individuele bedrijven is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De nieuwe woonfunctie zorgt niet voor aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied en omliggende milieugevoelige functies. Daarnaast leiden de woningen in het plangebied niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies (een en ander nog afhankelijk van akoestisch onderzoek nieuwe woonkavel).
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang:
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Sigma heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige bodemonderzoek is aan deze motivering toegevoegd in Bijlage 3. Hieronder is de conclusie opgenomen.
In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het mengmonster BM2 is een matige verhoging lood aangetroffen. Naar aanleiding van deze matige verhoging zijn de separate deelmonsters van BM2 geanalyseerd op lood. In de separaat geanalyseerde deelmonsters is een verhoging ten opzichte van de interventiewaarde aangetroffen ter plaatse boring 27. In de overige deelmonsters zijn geen verhogingen of verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. De verhoogde concentratie lood ter plaatse van boring 27 geeft formeel aanleiding tot nader onderzoek. In de grondwatermonsters zijn lichte verhogingen aangetoond.
In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond of de gewogen asbestgehalten zijn (ruim) lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Het gewogen asbestgehalte in het mengmonster van DZ1 is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Formeel geeft de druppelzone aanleiding tot nader onderzoek. Aangezien de bron van de verontreiniging bekend is en omliggend terrein landbouwgrond betreft wordt een nader onderzoek niet zinvol geacht. De sterk verontreinigde druppelzone mag voor sanering niet worden geroerd als gevolg van sloop- en grondwerkzaamheden.
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van:
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak ligt op circa 360 meter afstand. Er bevinden zich in de directe omgeving geen veehouderijen of andere geurbronnen. De richtafstand van geur is 100 meter in het buitengebied. Er wordt ruim aan voldaan. Ook de nieuwe losse woonkavel ligt op meer dan 100 meter afstand van het bouwvlak van het landgoed.
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Het plangebied ligt op ongeveer 2,4 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Van trillingshinder is dan ook geen sprake.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
Wat betreft de voorgenomen ontwikkeling wordt vermeld dat deze bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van de bewoners van het plangebied. Door de sloop van de schuren zal de hoeveelheid verharding in het plangebied afnemen, waardoor er meer ruimte ontstaat voor groen. Er wordt meer bos aangeplant. Groenvoorzieningen en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. Dit is een positieve ontwikkeling in het kader van bescherming van de gezondheid. Daarnaast wordt het te ontwikkelen landgoed ook deels open gesteld voor recreatief medegebruik, wat positief is voor bewoners rondom het plangebied. Op basis hiervan wordt benadrukt dat de beoogde ontwikkeling een positief effect zal hebben op de gezondheid van zowel de bewoners als de omwonenden.
Gewasbeschermingsmiddelen
Ten slotte is er in het gehele landgoed / plangebied een zone gewasbeschermingsmiddelen opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vergunningplichtig maakt. Door deze zone kunnen gewasbeschermingsmiddelen enkel worden toegepast wanneer uit onderzoek blijkt dat het gebruik van deze middelen in overeenstemming is met een gezond woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonfuncties binnen het plangebied.
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart.
Naast het gegeven dat het plangebied een verbetering vormt voor de biodiversiteit door de te leveren inspanningen die zijn opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan, worden de nieuwe gebouwen binnen het plangebied gebouwd volgens de laatste duurzaamheidsnormen. Tevens zal het regenwater dat op de verharding valt geïnfiltreerd worden binnen het plangebied. Ook het afvalwater zal worden hergebruikt.
Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied grenst aan het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen'. In dit Natura 2000-gebied zijn hexagonen aanwezig met een hersteldoel. Het dichtstbijzijnde hexagon met een hersteldoelen ligt op circa 2,8 kilometer afstand van het plangebied. Mogelijke directe effecten op het Natura 2000-gebied bestaan uit stikstofdepositie. Door BJZ.nu is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de verwachte depositie op dit Natura 2000-gebied te berekenen. Het volledige rapport is toegevoegd aan deze motivering in Bijlage 2.
AERIUS-berekening
Uit het stikstofonderzoek blijkt dat in de aanlegfase en de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Door de voorgenomen ontwikkeling komt de emissie in de huidige situatie grotendeels te vervallen. Per saldo is sprake van een afname van emissie van maximaal 61,89 mol/ha/jr. in de aanlegfase en 46,88 mol/ha/jr. in de gebruiksfase. Hierbij wordt voldaan aan de vereiste emissiereductie van 85%. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit kan daarom verleend worden.
De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
GNN-gebieden
Het plangebied bevindt zich direct naast en in het GNN-gebied. Ter plaatse van het GNN-gebied wordt bos en boomweide gerealiseerd. Dit versterkt de aanwezige natuurwaarden. Naast het GNN-gebied worden schuurwoningen, camping en tiny houses gerealiseerd. Gezien het feit dat een GNN gebied geen externe werking kent, heeft voorliggende ontwikkeling dan ook geen invloed op het GNN en kan worden geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Om de invloed van voorliggend plan op de soortenbescherming te onderzoeken is door Ecofect een Quickscan ecologie uitgevoerd. Er is recent een separaat natuurwaardenonderzoek voor het boerenerf uitgevoerd, dus het boerenerf valt buiten de scope van dit natuurwaardenonderzoek. Het volledige onderzoek is bij deze motivering toegevoegd als Bijlage 4.
De Quickscan concludeert dat wat betreft flora, vleermuizen, overige soorten en vogels geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Wel wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene broedvogels uit te voeren (15 maart-15 juli). Wanneer potentierijke structuren en vluchtpijp rond de Haarsloot en Hazenveenloop niet behouden kunnen blijven is nader onderzoek kleine marterachtigen en de das noodzakelijk. Deze landschapselementen blijven in de toekomstige situatie behouden en worden versterkt.
Het plan voorziet niet in het verwijderen of kappen van houtopstanden.
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Archeologie' van kracht. Dit bestemmingsplan geeft aan dat ter plaatse van het plangebied meerdere dubbelbestemmingen gelden: 'Waarde - Archeologie laag', 'Waarde - Archeologie hoog' en 'Waarden - Archeologie waardevol'. Voor wat betreft de zone waarde – archeologie waardevol is archeologisch onderzoek aan de orde bij ingrepen dieper dan 40 cm -mv of het ophogen van gronden met meer dan 50 cm. Voor wat betreft delen met een hoge verwachting (waarde – archeologie hoog) is archeologisch onderzoek aan de orde bij ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm -mv of het ophogen van gronden met meer dan 50 cm. Voor wat betreft delen met een lage verwachting (Waarde Archeologie Laag) is onderzoek aan de orde bij ingrepen groter dan 2500 m2 en dieper dan 40 cm -mv of het ophogen van gronden met meer dan 50 cm. De omvang van de geplande verstoringen overschrijdt de vrijstellingsgrenzen zoals die in het vigerende Omgevingsplan zijn aangegeven. Laagland Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 5. Hieronder wordt de conclusie herhaald.
Met name de aanleg van de waterretentiegebieden en de sloot zal voor enige bodemverstoring zorgen, afhankelijk van de breedte en diepte. Daarnaast kan boomaanplant voor verstoring zorgen (fysieke aanplant, ontwikkeling wortelstelsel en latere verwijdering, maar ook in de vorm van een veranderende waterhuishouding en chemische samenstelling van de bodem, waardoor grondsporen kunnen verdwijnen). Dit geldt met name voor locaties waar de afgelopen eeuwen geen bos aanwezig was. Afhankelijk van de omvang van de geplande ingrepen wordt vervolgonderzoek geadviseerd op de ingekleurde, groengearceerde en/of gestippelde zones, zie afbeelding 9.1. In eerste instantie bestaat dit vervolgonderzoek uit een aantal verkennende boringen.
Afbeelding 9.1 Verwachtingskaart Haarweg 12 Tonden (bron: Laagland Archeologie)
Verkennend booronderzoek heeft tot doel het archeologische verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Met dit booronderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht. Aangezien de daadwerkelijke bodemopbouw in het plangebied niet precies bekend is, vormt een verkennend booronderzoek de aangewezen onderzoeksmethode. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen kansrijke delen worden geselecteerd voor eventueel vervolgonderzoek, terwijl delen met geen of weinig kansrijke delen van vervolgonderzoek kunnen worden uitgesloten.
De dubbelbestemmingen archeologie zijn opgenomen op de plankaart om te borgen dat het archeologisch booronderzoek uitgevoerd wordt.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Er zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in of nabij het plangebied. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden kent.
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, indien vervolgonderzoek uitgevoerd is en hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Voorliggende wijziging op het omgevingsplan voorziet in de sloop van voormalig agrarische bebouwing en in de nieuwbouw van meerdere woningen om een agroforesty te kunnen starten, waarbij het geheel landschappelijk ingepast wordt. Gelet op de aard en omvang van het voornemen wordt de conclusie getrokken dat hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieugevolgen als gevolg van het voornemen zijn in voorgaande hoofdstukken beschreven. Er zijn geen negatieve gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van vaststelling van voorliggende wijziging op het omgevingsplan.
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
In dit geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemers komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
Er hebben meerdere momenten van participatie plaatsgevonden. Er wordt een verslag van de participatie bijgevoegd in Bijlage 6.
Waterschap Vallei en Veluwe: Het waterschap heeft gereageerd op het voornemen met een positieve houding ten opzichte van de ontwikkeling. Zij maakt zelf ook onderdeel uit van het voornemen.
De wijziging van het omgevingsplan ligt voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.
Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
Dit TAM-omgevingsplan beoogt de planologisch-juridische borging van het omzetten van een agrarische functie (melkveehouderij) naar een nieuw landgoed, waarbij er meerdere woningen en een kleinschalige camping gerealiseerd worden, een agroforesty ontwikkeld wordt en nieuw bos wordt aangeplant op de percelen van en rondom Haarweg 12 in Tonden. Het plan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22o) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22o van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22o.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22o.’ gelezen worden.
Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt:
Artikel 1 (Toepassingsbereik)
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” en de overige gebiedsaanwijzingen uit het plaatselijk planologisch regime. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.
Bovenstaande functie is een nieuwe functie. Er wordt een nieuw landgoed ontwikkeld. Binnen het landgoed zijn meerdere activiteiten toegestaan die een binding hebben met het landgoed. Dit zijn: agroforesty met notenteelt (innovatieve akkerbouw), een camping met bijbehorende functies, bed & breakfast, meerdere woningen, bos en natuur. Er wordt binnen deze functie gewerkt met functie aanduidingen om zo het landgoed als één geheel bij elkaar te houden. Er wordt recreatief medegebruik van de gronden toegestaan.
De regels uit Artikel 6 sluiten aan op de regels voor de bestemming 'Wonen' uit het huidig planologisch regime in het buitengebied van de gemeente Brummen.
Overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het wordt verplicht gemaakt om de landschappelijke inpassing uit te voeren.