| Plan: | Korenbloemstraat 2-12 |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | omgevingsvergunning |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0203.4076-0001 |
Op 20 december 2023 is een aanvraag om omgevingsvergunning (met omgevingsloketnummer 2023W2757) ingediend voor het realiseren van 36 woningen op het perceel aan Korenbloemstraat 2-12 in Barneveld. De aangevraagde activiteit is bouwen (inclusief strijdig gebruik).
De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Barneveld, sectie G, nummers 4126, 4127, 5484, en 7849.
Op de onderstaande afbeelding is met een rode cirkel de globale ligging van het projectgebied aangeduid.
afbeelding globale ligging locatie
De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen door middel van het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
Het projectgebied ligt aan Korenbloemstraat 2-12 in de kern Barneveld. Het projectgebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door de Korenbloemstraat. Aan de zuidzijde vormt een rij woningen aan de Violenstraat de grens van het projectgebied. De grens aan de westzijde wordt gevormd door Oldenbarnevelderweg. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het projectgebied weer.
afbeelding begrenzing projectgebied
Het projectgebied ligt in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat.
Op dit moment geldt binnen dit omgevingsplan het bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest". Op grond hiervan gelden de functies 'Centrum', 'Verkeer', 'Wonen' en 'Tuin'. Bij 'Centrum' geldt de functieaanduiding 'horeca uitgesloten'. Ook geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en 'specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde' . Binnen de bestemming 'Centrum' is een bouwvlak en maatvoering van 'maximum bebouwingspercentage 100%', 'maximum bouwhoogte 10 m' en 'maximum goothoogte 9 m' opgenomen.
afbeelding bestemmingsplan
Het verzoek past niet binnen het bestemmingsplan aangezien woningen niet zijn toegestaan op de begane grond aan de zijde van de voorgevel van het gebouw. Daarnaast wordt een deel van de appartementen buiten het bouwvlak en op de bestemming 'Verkeer' gebouwd. Verder is het plan qua maatvoering eveneens niet passend binnen de regels.
Tevens geldt voor het perceel het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". Het perceel heeft hierin de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3'. Hiermee is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' uit het bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest" komen te vervallen.
In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken. Daarom is een projectafwijkingsbesluit noodzakelijk.
Voor het bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest" is een stedenbouwkundige visie (zie bijlage 1 Stedenbouwkundige visie (2016)) en bijbehorende kaart (zie bijlage 2 Stedenbouwkundige visiekaart (2016)) opgesteld. Deze zijn gericht op de toekomst. De visie geeft inzicht in bijzondere aandachtspunten in het plangebied en geeft de aanzet voor oplossingsrichtingen en randvoorwaarden voor verbeteringen en nieuwe ontwikkelingen. Aan de visie ligt een stedenbouwkundige analyse ten grondslag volgens de methode van Kevin Lynch.
Op de Stedenbouwkundige visiekaart heeft het gebied de aanduiding Woongebied. Ook is opgenomen Gemengde doeleinden: kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige detailhandel, wonen. Hiervoor is geen specifieke visievorming opgenomen.
De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de Korenbloemstraat 2-12 te Barneveld de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats een appartementengebouw te realiseren met 36 appartementen.
afbeelding bestaande situatie
Huidige situatie
De huidige bebouwing wordt gevormd door een woonblok in een jaren-60 uitbreidingswijk. Het binnenterrein van dit woonblok is deels verhard en deels groen ingericht. Op het verharde deel wordt geparkeerd. Tevens grenzen de achterzijden van de woningen en de bergingen aan dit binnenterrein. Het onverharde deel bestaat hoofdzakelijk uit gras gecombineerd met struiken en hoge bomen.
Het plangebied staat op zichzelf en heeft weinig verbinding met de omgeving. Er zijn 4 entrees in de huidige situatie waarvan 1 hoofdontsluiting voor auto's en 3 smalle doorgangen voor voetgangers. Het binnenterrein ligt laag en bevat geen reliëf. Het heeft overwegend een functioneel karakter.
De huidige bebouwing bestaat uit winkelruimte met daarboven twee verdiepingen met woningen.
De functie op de begane grond als supermarkt is feitelijk al komen te vervallen. Eveneens wonen er geen huurders meer in de woningen.
Nieuwe situatie
De huidige bebouwing zal in zijn geheel gesloopt worden. Een deel van de ontwikkeling aan de noordzijde vindt plaats op grondgebied dat in eigendom is van de gemeente Barneveld. Het parkeren wordt deels opgelost op eigen terrein. Verder wordt het parkeren opgelost ten noorden van de het projectgebied op grond die overgedragen wordt van de gemeente Barneveld naar de initiatiefnemers. Ten slotte wordt een deel van het parkeren opgelost op het binnenterrein ten zuiden van het projectgebied. Het binnenterrein zal daarvoor opnieuw worden ingericht.
Het gebouw bestaat uit twee in opbouw oplopende bouwmassa's met op het hoogste punt 5 respectievelijk 4 bouwlagen. De bouwmassa's zijn door middel van galerijen met elkaar verbonden.
afbeelding inrichtingsplan nieuwe situatie
Stedenbouw
Het project behelst een complex dat bestaat uit een deels vijf- en deels vierlaags woongebouw binnen de kern Barneveld. Het project betreft een herontwikkeling van een na-oorlogs woongebouw met voorzieningen in de plint. Binnen de kern Barneveld worden inbreidingslocaties ten behoeve van betaalbare woningen optimaal benut, waarbij woongebouwen tot zes lagen op basis van zorgvuldige ruimtelijke inpassing goed voorstelbaar zijn. Het nieuwe woongebouw wordt sterker vrijliggend gepositioneerd ten opzichte van het bestaande complex, waardoor het een herkenbaar hoogteaccent vormt binnen de na-oorlogse woonwijk de Lors.
Het woongebouw vormt een accent op de hoek van de Oldenbarnevelderweg en de Korenbloemstraat en is prominent zichtbaar vanaf de Kallenbroekerweg. Het woongebouw heeft geen symmetrische opzet, maar een gelaagde gevelopbouw die anticipeert op deze stedenbouwkundige context. Het woongebouw bestaat uit vier woonlagen binnen een robuust volume en een terugliggende vijfde woonlaag. Door de lichte, houten materialisatie en de speelse kapvorm is deze vijfde woonlaag zorgvuldig ingepast op deze vrijliggende en prominente hoek binnen de wijk. Het contrast in materialisatie en de strategische aanplant van bomen op deze hoek versterken dit hoekaccent.
De bestaande situatie kenmerkt zich door een diep magazijn en versnipperd groen, wat met name de achterkant een desolate indruk geeft. In de nieuwe situatie meandert een groene openbare ruimte langs en tussen de woongebouwen door en vormt de inrichting een éénheid met de openbare ruimte in het bouwblok tussen Violenstraat en Korenbloemstraat. Door ook hier een woonvolume te situeren wordt het binnengebied daarnaast sterker onderdeel van de openbare ruimte. Op basis hiervan wordt de inrichting van dit binnengebied landschappelijk versterkt en worden er verblijfselementen ingepast. Het perceel van het woongebouw wordt omzoomd door lage hagen langs de openbare ruimte om openheid en zicht door het plangebied en het binnenterrein, en daarmee de sociale veiligheid, te bevorderen. Ter plaatse van de grens met particuliere percelen worden hoge hagen toegepast om de privacy vanaf de openbare ruimte voor deze woningen te handhaven.
Economische zaken
Vanuit gemeentelijk economisch perspectief zijn er geen bezwaren tegen het verdwijnen van de supermarkt op deze locatie.
Wonen
De vraag naar appartementen is groot. Vooral ook op plekken in en nabij het centrum. Er komt een groot aantal (grotendeels betaalbare) woningen bij.
afbeelding tabel prijsklassenindeling
SK Laag: grens 260.000 euro
SK Hoog: grens: 320.000 euro
Middelduur betaalbaar: 390.000 euro
Middelduur tot NHG grens: tot 435.000 euro.
Dorpsbouwmeester
De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand. De dorpsbouwmeester heeft op 27 augustus 2024 akkoord gegeven.
Overig
Er is een standplaats aan de voorzijde van de supermarkt aangewezen. Deze standplaats is niet meer in gebruik. De vergunninghouder maakt inmiddels gebruik van een andere plaats.
De locatie van en het aantal (ondergrondse) containers is afgestemd tussen initiatiefnemer en de gemeente. Er staat nu al een glascontainer en die kan ter zijner tijd worden vervangen door twee containers voor rest en papier.
Het inrichtingsplan is beoordeeld door team Beheer aangezien de gemeente eigenaar is van deze grond. Het achterterrein ziet er logisch uit en zorgt voor een mooie vergroening. Het is een goed idee om daar een klein trapveldje te maken op het gras. De picknickset is akkoord. Langs het trapveldje komt kruidenrijk gras. Hiermee wordt overzicht rondom het veldje behouden.
De parkeervakken op het achterterrein worden aangelegd als halfverharding in vorm van grasbetonstenen of TTE®.
Aan de voorzijde wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van fietsen van bezoekers.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het projectgebied of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:
De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, cultureel erfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.17).
Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten.
Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd (zie kamerstukken 33.135).
De Chw omvat twee categorieën maatregelen:
In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is:
Doorwerking in projectgebied
In dit geval is de Crisis- en herstelwet van toepassing, want er is sprake van een bouwplan van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied.
Algemeen
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd.
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.
Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan:
Doorwerking in projectgebied
De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Alle nieuwbouw moet aardgasloos worden aangelegd en zoveel mogelijk circulair worden gebouwd. Hieraan wordt voldaan.
Voorliggend project past binnen de ambitie van de provincie om een duurzaam en divers woon- en leefklimaat te realiseren, met een aanbod aan woningtypen passend bij de diversiteit aan woningvraag.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.
De Omgevingsverordening is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening.
In de Omgevingsverordening is het projectgebied opgenomen op de kaarten:
Eerst wat betreft glastuinbouw. De aanvraag voorziet niet in glastuinbouw.
Dan wat betreft water en milieu: het projectgebied maakt deel uit van 'intrekgebieden'. Een intrekgebied is een beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen duizend jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn. In Omgevingsverordening is bepaald dat het verboden is in een intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie. In voorliggende aanvraag is dit niet aan de orde.
Klimaatadaptatie
In artikel 2.65b van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
In het plan zijn de volgende voorzieningen in het kader van klimaatadaptatie opgenomen: Met het plan wordt nieuw groen toegevoegd aan de projectlocatie waar het plangebied in de huidige situatie geheel verhard is. Hiermee verbetert de waterhuishoudkundige situatie van de locatie en wordt hittestress tegengegaan.
Wonen
In de verordening is een instructieregel opgenomen over de doorwerking regionale woonagenda. Op grond van het bepaalde in artikel 2.2 van de Omgevingsverordening maakt een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door gedeputeerde staten vastgestelde woonagenda. Onderhavige aanvraag past hierbinnen. In hoofdstuk 3 onder het kopje Wonen en paragraaf 4.6.7 is dit nader uiteengezet.
Doorwerking in projectgebied
De regels inzake Glastuinbouw en Water en Milieu vormen geen belemmering voor het onderhavige plan. Ook wordt voldaan aan de instructieregels. De aanvraag is in overeenstemming met de verordening.
Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie.
Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie.
Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen.
In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio.
Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd.
In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken.
Doorwerking in projectgebied
De bevindingen en resultaten zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.17).
In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn:
Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden:
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.17.
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:
Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.
Doorwerking in projectgebied
De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.17).
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.
Waterveiligheid
Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.
Watersysteem
Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.
Wonen en zuiveren
Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie
Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.
Energietransitie
Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.
Doorwerking in projectgebied
De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.17).
De gemeenteraad heeft op 22 november 2011 de "Structuurvisie Kernen Barneveld 2022" vastgesteld. De structuurvisie legt de gemeentelijke visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het eigen grondgebied vast. Het projectafwijkingsbesluit zal hierbinnen moeten passen. De structuurvisie bevat een uitvoeringsprogramma. Hierin laat de gemeente zien hoe het voorgenomen beleid gerealiseerd zal worden. In de structuurvisie is een groot aantal ruimtelijke projecten opgenomen, waarvoor investeringen in de openbare ruimte noodzakelijk zijn. Ook is er een groot aantal lopende en potentiële bouwmogelijkheden.
Uit de kaart behorende bij de structuurvisie blijkt dat de planlocatie (globaal aangegeven met een rode cirkel) in een gebied met de aanduiding bestaand bebouwd gebied ligt.
afbeelding Structuurvisie Kernen Barneveld 2022
Het plan betreft een inbreidingslocatie.
Onder inbreiding wordt verstaan:
De gemeente zal de komende jaren blijven werken aan inbreidingslocaties. Dit is een voortzetting van het huidige beleid. Bij inbreiding gaat aandacht uit naar het realiseren van woningen voor ouderen.
Het bouwen op inbreidingslocaties is van belang voor een kwalitatieve ontwikkeling van de kernen. Door de groeiende bevolking kan woningbouw een motor zijn achter lastige herstructureringen. In de tweede plaats liggen meerdere inbreidingslocaties gunstig ten opzichte van voorzieningen, waarmee door woningbouw een belangrijke doelgroep kan worden bediend. Tenslotte kan de herinvulling van inbreidingslocaties bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van de dorpse structuur.
Extra groei wordt vooral geconcentreerd in de as Barneveld – Voorthuizen.
Doorwerking projectgebied
Volgens de Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 werkt de gemeente aan inbreidingslocaties. Daarvan is hier sprake. Het uitgangspunt is dat de (extra) groei bovenop de autonome bevolkingsaanwas in het bundelingsgebied (Barneveld - Harselaar - Voorthuizen) opgevangen moet worden. De ingekomen aanvraag is in overeenstemming met deze structuurvisie.
In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken.
De raad heeft de Omgevingsvisie op 16 juli 2025 vastgesteld en op 29 augustus 2025 is de Omgevingsvisie in werking getreden.
De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen van voor de fysieke leefomgeving van Barneveld zijn.
De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente.
In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd.
1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld
Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu.
2. Prettig leven in vitale dorpen
Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom.
3. Ruimte voor ondernemerschap
Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra.
4. Waardevol landelijk gebied
Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook voor de agrarische sector met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot.
5. Bereikbaar nu en in de toekomst
Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken).
Vijf gebieden en negen dorpen
De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040.
Het plangebied ligt in het deelgebied 4 Verstedelijkt gebied.
Deelgebied Verstedelijkt gebied
Midden in de vallei liggen de twee grootste kernen van de gemeente, Voorthuizen en Barneveld, die onderdeel zijn van het verstedelijkt gebied, een gebied dat dichter bebouwd is. Voorthuizen en Barneveld zijn van oudsher goed ontsloten en zijn in de loop van de jaren de sterkst gegroeide kernen. Tussen de beide kernen bevindt zich het bedrijventerrein Harselaar, dat zich vanaf de jaren '70 ontwikkelde langs de A1.
Het verstedelijkt gebied kenmerkt zich door haar dynamische aard met een grote verscheidenheid aan functies en karakter. De gemeente streeft naar behoud en versterking van deze dynamiek, waarbij we zoeken naar een optimale samenhang tussen verstedelijkt gebied en de landelijke omgeving. De groeiambities van de gemeente vinden voor het overgrote deel plaats in het verstedelijkt gebied, met kansen voor zowel inbreiden als uitbreiden. De groeiambitie bestaat uit woningen en uit ruimte voor al dan niet regionale bedrijvigheid. Groei moet samengaan met gezondheid en toekomstbestendigheid, een gezonde groene groei. Om dit te bereiken geven we prioriteit aan groene gezonde randvoorwaarden in de openbare ruimte. Naast het aantal woningen neemt het aanbod aan voorzieningen toe in het verstedelijkt gebied. De groeiambitie biedt perspectief voor nieuwe voorzieningen met een functie voor de hele gemeente. In lijn met groei streeft de gemeente naar een optimale infrastructuur om het verstedelijkt gebied verkeersveilig te houden en de doorstroming te verbeteren waar nodig, bijvoorbeeld met de aanleg van een oostelijke rondweg.
Wonen
Barneveld kent een grote woningbouwopgave voor 2040. We gaan zuinig om met de beschikbare ruimte in onze kernen, door hoger te bouwen. In grote kernen vinden we vijf of zes lagen acceptabel.
Doorwerking in plangebied
Inbreiding met woningen in een gebouw van vijf lagen in de kern Barneveld past binnen de ambities genoemd in de Omgevingsvisie.
In alle dorpen in Barneveld zetten verenigingen plaatselijk belang zich actief in voor de leefbaarheid en toekomst van de dorpen en buurtschappen. Verschillende dorpen hebben in dit kader hun visie op de toekomst vastgelegd in een dorpsplan of –visie of zijn daar mee bezig. De dorpsplannen bevatten zowel een visie op de toekomst als een overzicht van concrete ideeën en wensen om de leefbaarheid van het dorp te versterken en zijn in samenspraak met veel inwoners en de gemeente tot stand gekomen. Vanuit de visie op burgerkracht ('Zelf-samen-gemeente') en netwerksamenleving is in de Strategische Visie 2030 (september 2016) ten aanzien van de dorpsplannen een voorstel opgenomen om een andere werkwijze te gaan volgen die de plannen een sterkere positie geeft. Op die manier kan recht worden gedaan aan de geleverde inspanningen en de lokaal gemaakte keuzes. Dorpsplannen hebben - waar mogelijk - een positie bij de ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid. Dit geldt in ieder geval voor de recente dorpsplannen (die opgesteld zijn na 2016) die in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen zijn. Deze dorpsplannen bevatten een goede weergave van de ideeën en behoeften die er leven in de kernen. De gemeente houdt daarom bij ruimtelijke plannen en –initiatieven rekening met de inhoud van het dorpsplan en kan – indien nodig – hierover in overleg gaan met Plaatselijk Belang.
Doorwerking projectgebied
Er geldt geen dorpsplan voor Barneveld.
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen.
Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd.
Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
Warmtepompen
Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen).
Sinds 1 april 2021 worden geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren.
Elke appartement krijgt een inpandige luchtwarmtepomp. Dit veroorzaakt geen geluidsoverlast.
Zonnepanelen
Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen komen op het dak.
Materialen
In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden.
De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen – gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur.
Laadpalen
Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen.
Er wordt niet voorzien in laadpalen.
Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein
Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.
Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het projectgebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.
Er gaat verharding weg aan de achterzijde van de gebouw en ook de voetprint van het gebouw wordt kleiner.
Klimaat
Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15).
Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.
De doelstelling van het Groenstructuurplan Barneveld (2011) is het beschrijven van de lange termijn visie ten aanzien van de inrichting van het openbaar groen van de gemeente Barneveld om de groenstructuren in en de herkenbaarheid van de kernen te behouden, ontwikkelen en versterken. Om de gewenste groenstructuur te realiseren worden in het groenstructuurplan een aantal verbetervoorstellen gedaan.
afbeelding gewenste structuur Barneveld Noord
Doorwerking in projectgebied
Het Groenstructuurplan geeft voor het voorliggende gebied (indicatief aangegeven met een rode pijl) geen specifieke voorwaarden en vormt geen belemmering voor de aanvraag.
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd:
In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen.
Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering.
Doorwerking in projectgebied
De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.17).
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het projectgebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik.
Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei.
Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het projectgebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.
In dit geval is er sprake van een verdachte locatie. Er is een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3 Bodemonderzoek). Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is correct uitgevoerd en geeft een globaal beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters zijn aangetoond. Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan barium. Op het maaiveld van de onderzoekslocatie en in de opgeboorde grond is zintuiglijk geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen.
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of -sanering en zijn voldoende voor de voorgenomen bestemmings-/functiewijziging van de locatie. Ondanks dat het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de locatie dient te voldoen aan de algemene rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.
Conclusie
De omgevingsvergunning kan worden verleend.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van een projectafwijkingsbesluit rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten:
Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het projectgebied een hoge archeologische verwachting geldt.
afbeelding uitsnede beleidskaart; in blauw projectgebied
De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm
Transect B.V.heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4 Archeologisch onderzoek).
Ondanks het feit dat aangegeven is dat op de locatie van de huidige bebouwing vanwege de verstoorde bodem geen onderzoek hoeft plaats te vinden, zijn alle vijf boringen inpandig uitgevoerd. Buiten de huidige bebouwing is niet geboord. Desondanks kan wel een uitspraak worden gedaan over de specifieke archeologische verwachting op deze locatie.
Naar verwachting is het oorspronkelijke bouwlanddek vanwege de bouw van de huidige bebouwing niet meer aanwezig. Uit onderzoeken in de omgeving van het projectgebied blijkt dat de ondergrond vrijwel overal tot in de top van de C-horizont verstoord is. De kans op het aantreffen van archeologische resten uit de periodes Neolithicum-Late Middeleeuwen is daarom middelhoog. Vindplaatsen uit de periodes Laat-Paleolithicum-Mesolithicum zullen niet meer aanwezig zijn, aangezien deze resten voornamelijk oppervlakkig van aard zijn. Resten uit de Nieuwe Tijd worden op basis van historische kaarten niet verwacht. Het projectgebied is in gebruik geweest als bouwland, totdat de bebouwing gerealiseerd is.
Aan de hand van de boringen blijkt dat het projectgebied niet op een dekzandrug, maar in een dekzandvlakte gelegen is. De bodem bestaat uit verspoeld dekzand. De middelhoge archeologische verwachting op resten uit de periodes Neolithicum-Late Middeleeuwen is naar laag bijgesteld.
Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Het bevoegd gezag (de gemeente Barneveld) stemt, gelet op het door de regioarcheoloog uitgebrachte advies, in met deze conclusie.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.
Conclusie
Er worden geen voorwaarden gesteld voor de omgang met archeologie bij de vergunningverlening (waaronder de omgevingsvergunning voor het bouwen en voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden).
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het projectgebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden.
Het bestaande woon/winkel pand aan de rand van de wijk is niet specifiek het voorbeeld van de wederopbouwstijl, in deze wijk de typerende stijl. Een hedendaagse uitstraling op deze locatie doet geen afbreuk aan wijk.
Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten.
In en rond het projectgebied zijn geen monumenten aanwezig.
Conclusie
De historusche stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor de vergunning.
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een bebouwd of sterk veranderd gebied (waarde 0). Het betreft lage cultuurhistorische waarden waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden binnen de huidige planaanvragen.
Conclusie
De cultuurlandschappelijke waarden vormen geen belemmering voor de vergunning.
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet.
Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”.
De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden.
Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd.
Stikstof
Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie hiervoor onderstaande afbeelding).
afbeelding kaart 5 Themakaart Natuur- en landschapsbeleid van de Omgevingsvisie
Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (zie bijlage 5 Voortoets stikstofberekening). Conclusie van het rapport/de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor het plan.
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten.
Om te beoordelen of de beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn, is een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 6 Quickscan flora en fauna).
Er wordt geen effect op beschermde soorten en gebieden verwacht. De zorgplicht is wel altijd van toepassing. Zie ook maatregelen in de QSFF ten aanzien van zorgplicht, broedvogels en verlichting in verband met vleermuizen.
Algemene zorgplicht
Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is.
Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.
Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Een herplantplicht is derhalve niet aan de orde.
Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van dit plan niet in de weg staat.
Het projectgebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden.
In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact.
Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Het projectgebied ligt niet in het GNN of de GO.
afbeelding uitsnede kaart 3 Natuur - kaart 1 Omgevingsverordening
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de aanvraag.
Doel
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het projectgebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het projectgebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord.
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Plasbrandaandachtsgebied (PAG)
Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Beleidsvisie externe veiligheid
In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Beoordeling risicobronnen
Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit project.
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen.
De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist.
De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009".
Er is akoestisch onderzoek verricht (zie bijlage 7 Akoestisch onderzoek). Hieruit blijkt dat de geluidbelasting door de Oldenbarnevelderweg ten hoogste 54 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Er zijn hogere waarden nodig voor geluidbelasting voor deze weg. In lijn met deze conclusies is een gevelwering onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat de binnenwaarde van 33 dB kan worden geborgd (zie bijlage 8 Gevelweringonderzoek). Met de materialisatie genoemd in het rapport voldoet de gevelwering aan de gestelde eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarmee is het rapport akkoord.
Conclusie
Gelijktijdig met de procedure voor het afwijken van het bestemmingsplan loopt de procedure voor hogere grenswaarden. Het aspect geluid vormt geen belemmering.
Bij de voorbereiding van een projectafwijkingsbesluit toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het projectgebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt.
Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het projectgebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Er liggen geen veehouderij of agrarische gronden in de omgeving die van invloed zijn of belemmerd worden door dit plan.
Conclusie
Vanuit agrarisch zijn er geen belemmeringen.
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).
Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan.
1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?
2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling?
4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?
5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?
1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?
Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.
Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het projectgebied de bouw van 36 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen.
2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte.
Het projectgebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Het huidige bestemmingsplan maakt woningbouw mogelijk. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' hoeft niet verder te worden doorlopen.
Conclusie
In deze situatie is de ladder van duurzame ontwikkeling geen belemmering voor het project.
Binnen of in de directe nabijheid van het projectgebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit projectafwijkingsbesluit bescherming behoeven.
Binnen het plangebied ligt een waterleiding. Om de nieuwe bebouwing mogelijk te maken, is het noodzakelijk de waterleiding te verleggen. Dit wordt door de gemeente geregeld.
Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
Conclusie
Er wordt rekening gehouden met leiding in het plangebied. Daarmee vormt het aspect leidingen en laagvliegroutes geen belemmering voor het plan.
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De ontwikkelingen in het projectgebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht.
Verder zijn de achtergrondconcentraties van de parameter stoffen voor luchtkwaliteit hier ruim onder de grenswaarde gelegen. Een overschrijding van de norm zal daarom niet optreden. Er is dus sprake van een voldoende woon- en leefklimaat op gebied van luchtkwaliteit.
Conclusie
Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van het voorliggende plan.
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een omgevingsvergunning die met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo mogelijk gemaakt kan worden, kan slechts een besluit-m.e.r.-plicht gelden, en geen plan-m.e.r.-plicht.
Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan:
Besluit milieueffectrapportage
De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
In het Besluit milieueffectrapportage is één activiteit opgenomen die van toepassing kan zijn voor het voorgenomen bouwplan, namelijk onderdeel D 11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 36 woningen. De ontwikkeling blijft heel ver onder de drempelwaarden als benoemd in kolom 2. Voor activiteiten onder de drempelwaarden geldt in principe een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.
Besluit m.e.r.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
Er is daarom een aanmeldnotitie opgesteld en aangeleverd (zie bijlage 9 Aanmeldnotitie m.e.r.) .
Op 31 oktober 2024 is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is (zie bijlage 10 mer-beoordelingsbesluit).
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming
Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig.
Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.
Provinciale milieuverordening
Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek.
Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.
In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspecten van belang. Op de Brummelkamperweg is Veco metaalbewerking BV gevestigd, met bestemming 'Bedrijf-2'. Dit kleinschalige metaalbewerkingsbedrijf zit er al vele jaren. Afstand tot de gewenste ontwikkeling bedraagt omstreeks 85 m. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 m. Hieraan wordt voldaan. Verder zijn we in de directe omgeving een industriële bedrijven die van invloed (kunnen) zijn op de gewenste ontwikkeling.
Veiligheidszone - Activiteitenbesluit
Binnen de grenzen van het projectafwijkingsbesluit is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven.
Liander heeft op 7 maart 2025 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit projectafwijkingsbesluit geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.
Conclusie
Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat.
Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd. Op grond van dat artikel is het verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%, óók als het perceel niet is gelegen aan een watergang. Vanaf de inwerkingtreding kan en dient bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen hiermee rekening te worden gehouden. Een driftreductie van 75% is immers relevant voor de in beginsel aan te houden afstand tot gevoelige objecten. Over het algemeen wordt aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 m die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit.
Conclusie
Het projectgebied ligt niet in de omgeving van gronden waarop gewassen worden geteeld.
Voor het gebied rondom het nieuwe woongebouw is een inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 11 Inrichtingsplan). Dit inrichtingsplan geeft duidelijk weer wat men voor ogen heeft en hoe men het gebied wil (her)inrichten.
Bij deze inbreiding wordt er meer woonkwaliteit gegeven aan de locatie. Dit door de positionering van de nieuwe gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte.
Doordat er twee nieuwe hoofdmassa worden aangebracht die zich richten naar de openbare weg, ontstaat er een soort binnentuin die zowel toegankelijk is voor de bewoners als de huidige omliggende bewoners. De binnentuin wordt groen inricht met groene hoge accenten, in de vorm van bomen, ter verkoeling en aankleding van zowel de tuin als de gebouwen.
Het achterterrein maakt nu door de vele verharding en weinig diversiteit aan groen een saaie en onaangename indruk. Doordat het achterterrein meer divers en groen wordt ingericht, krijgt het meer sfeer en biedt de plek ook meer mogelijkheden om te verblijven/ recreëren. De bestaande bomen zijn zorgvuldig ingepast en worden aangevuld met nieuwe bomen, struiken en kruidachtige beplanting. Ook worden de bestaande parkeervakken gerangschikt door aanplant van nieuwe plantvakken en bomen. Dit samen geeft de huidige locatie en haar directe omgeving een groene- en verblijfskwaliteitsimpuls.
Met het opnemen van voorwaarden in de vergunning wordt de realisatie en instandhouding van de inpassing en uitstraling geborgd.
Conclusie
Het plan wordt op een goede manier ingepast. Hierdoor geeft het aspect 'natuur en landschap' geen belemmeringen voor de ontwikkeling van dit plan.
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (hierna: OO) uit de Tweede Wereldoorlog. Hieronder is een kaartuitsnede opgenomen met globaal met blauwe cirkel aangegeven waar de planlocatie ligt.
afbeelding uitsnede OO-belastingskaart
Beoordeling
Oostelijk van het projectgebied is een oranje vlak te zien. Hier is nog een aanvullend vooronderzoek uitgevoerd in opdracht van de Gasunie. De conclusie van dit aanvullend onderzoek is dat het gebied niet als verdacht wordt gezien.
Conclusie
De planlocatie valt niet binnen verdacht gebied van OO. Er is geen aanvullend onderzoek naar OO uit de Tweede Wereldoorlog nodig.
In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De basis voor de ruimtelijke afweging van trillingen is er de Handreiking nieuwbouw en spoorlijnen. Bij het vaststellen van een ruimtelijke onderbouwing komen in de volgende gevallen de regels van deze handreiking aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe trilling gevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs spoorwegen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde spoorwegen.
De richtlijn heeft betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen object komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de fundering het object bereiken (dus via vaste materie). Overigens komt het nogal eens voor dat wat door bewoners als trilling wordt ervaren in werkelijkheid laagfrequent geluid is (dit wordt overgedragen via de lucht). Hiervoor gelden deze richtlijnen niet.
Op basis van het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen is de spoorlijn als hoofdspoorweg aangewezen. Binnen een zone met een afstand van 100 meter van het spoor moet volgens de handreiking beoordeeld worden of er sprake kan zijn van trillinghinder en of er aanleiding is dit nader te onderzoeken.
Beoordeling
Het voldoende aannemelijk dat de locatie geen last zal krijgen van trillingen door het spoor. Binnen het studiegebied zijn er voor zover bekend geen trillingsbronnen aanwezig en worden met dit plan ook niet gerealiseerd. Onderzoek naar trillingen is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld.
Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Opkomsttijd
In de Wet veiligheidsregio’s worden eisen gesteld aan de opkomsttijden van de brandweer. Deze zijn als norm vastgelegd in het bijbehorende Besluit. De opkomsttijd is de totale tijd die verstrijkt vanaf het moment dat de brandweer gealarmeerd wordt tot het moment dat de brandweer bij het betreffende adres arriveert. De maximale opkomsttijd is gerelateerd aan de gebruiksfunctie.
De opkomstnorm voor een woonfunctie is maximaal 8 minuten. De werkelijke opkomsttijd voor Korenbloemstraat 2-12 Barneveld voldoet.
De werkelijke opkomsttijd van de brandweer valt in dit geval binnen de norm zoals die in het Besluit veiligheidsregio’s is vastgelegd. Daarom zijn er geen aanvullende voorwaarden noodzakelijk.
Bluswatervoorziening
Voor een adequate brandbestrijding dient de brandweer tijdig over voldoende bluswater te kunnen beschikken. Ook hiervoor zijn voorwaarden gesteld.
Primair
Voor dit plan betekent dat, dat het brandweervoertuig tot de verste voordeur (hoofdtoegang) tot maximaal 40 meter moet kunnen naderen (opstelplaats).
Vervolgens dient de brandweer binnen een afstand van maximaal 40 meter vanaf de opstelplaats over een primaire bluswatervoorziening (brandkraan) met een capaciteit van minimaal 30 m3 per uur te kunnen beschikken.
In dit plan bevindt de dichtstbijzijnde primaire bluswatervoorziening, in de vorm van een ondergrondse brandkraan met een capaciteit van 30 m3 per uur, zich op een afstand van minder dan 40 meter.
De primaire bluswatervoorziening voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. Om die reden zijn er geen aanvullende voorwaarden nodig.
Externe Veiligheid
In het kader van Externe Veiligheid hebben wij getoetst of het plan op zich zelf een risicobron vormt voor de omgeving of dat er in de omgeving risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plan. Dit blijkt niet het geval. Ten aanzien van Externe Veiligheid zijn dan ook geen nadere voorwaarden van toepassing.
Situatie
Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.
Conclusie
Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor deze aanvraag.
Gezondheid
De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt.
Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.
De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer).
Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.
De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen.
Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.
Conclusie
Het projectgebied bevindt zich in de invloedssfeer van geitenhouderijen aan de Kallenbroekerweg 133, Kraaikamperweg 3 en Peutweg 1 in Barneveld. De afstand bedraagt:
De nieuwe woningen komen dus niet in het hoogste risicogebied (500 meter). Wel ligt het projectgebied in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het projectgebied.
Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd. In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van de appartementen mogelijk te maken nu de geitenhouderijen zich bevinden op een grotere afstand dan 500 meter.
Parkeren
Op basis van het programma bedraagt de parkeerbehoefte 53 parkeerplaatsen. Door het toepassen van aanwezigheidspercentages op het bewonersdeel (90%) en bezoekersdeel (80%) op het maatgevende moment (bij wonen betreft dit de werkdagavond) wordt de parkeereis 46 parkeerplaatsen.
afbeelding parkeerbalans
Het plan voorziet in 12 parkeerplaatsen aan de voorzijde van het pand wat resulteert in een restcapaciteit van 34 parkeerplaatsen die een plek aan de achterzijde (binnenterrein) moeten krijgen. In het ontwerp voor het binnenterrein zijn 29 parkeerplaatsen aanwezig. Daarom is voor het verzoek is een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 12 Parkeeronderzoek).
Geconcludeerd wordt in het onderzoek dat de toekomstige parkeercapaciteit, waarbij op het binnenterrein 29 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, ruim voldoende is. De extra parkeervraag als gevolg van het nieuwe woongebouw (34 parkeerplaatsen) kan dan deels in de buurt en deels op het binnenterrein opgevangen worden.
In het gebouw zijn bergingen voor de bewoners opgenomen. Bezoekers kunnen hun fiets parkeren aan de voorzijde van het bouwplan.
Ontsluiting en verkeersveiligheid
De parkeerplaatsen aan de voorzijde zijn bereikbaar, net zoals de huidige situatie.
De parkeerplaatsen achterzijde zijn bereikbaar via de Violenstraat. De nieuwe aansluiting op Violenstraat sluit aan bij het nieuwe gebruik.
Conclusie
Er zijn voor wat betreft verkeer geen belemmeringen voor deze aanvraag.
Het plan betreft de sloop van het oude appartementencomplex, de nieuwbouw van een nieuw appartementencomplex en de herinrichting van het parkeerterrein achter het appartementencomplex.
Voor de bouw van het complex moet hemelwaterberging op eigen terrein komen met een minimale capaciteit van 30mm per vierkante meter verharding. De voetpaden vloeien af naar het omliggend groen en worden dan ook niet meegenomen in de bergingsberekening (zie bijlage 13 Memo waterberging).De overstort van het waterbergingssysteem moet voldoen aan de volgende eisen. De overstort wordt bovengronds gerealiseerd op eigen perceel en mag uitstromen naar openbaar gebied op een plek waar het niet tot hinder leidt op andere percelen.
De vuilwaterriolering moet worden aangesloten op de gemeentelijke riolering aan de voorzijde van het pand. Hiervoor dient vanwege de toename aan aanbod een aanvraag voor gedaan te worden op de gemeente website 'aanvragen rioolaansluiting'.
Vanuit het oogpunt duurzaamheid, milieu en waterkwaliteit worden bij voorkeur geen uitlogende materialen in de daken en waterafvoer gebruikt.
Conclusie
Er zijn voorwaarden die worden verbonden aan de omgevingsvergunning.
Voor het bouwen van appartementen is een omgevingsvergunning nodig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wabo voor de activiteiten 'bouwen' en 'planologisch strijdig gebruik'. Het toetsingskader is te vinden in de artikelen 2.10 en 2.12 Wabo.
Hoofdlijn van de Wabo is dat het besluiten op aanvragen om omgevingsvergunning een bevoegdheid is van het college van burgemeester en wethouders. Zo kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen door middel van het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo indien er sprake is van planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo).
Verklaring van geen bedenkingen - gemeenteraad
Burgemeester en wethouders mogen een omgevingsvergunning - nu de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan - pas verlenen nadat de gemeenteraad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben (artikel 6.5, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor)).
In artikel 6.5, derde lid van het Bor is geregeld dat de gemeenteraad categorieën van gevallen kan aanwijzen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. Op 8 november 2017 heeft de gemeenteraad een lijst met categorieën vastgesteld waarvoor - onder de bij die lijst opgenomen voorwaarden - geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist. Het onderhavige plan valt binnen de op de lijst opgenomen categorie "Wonen" onder Projecten in stedelijk gebied. Aangegeven is dat het daarbij gaat om (bouw)projecten voor woonfuncties, mits niet gesitueerd op een bedrijventerrein. Onder stedelijk gebied vallen die gebieden die op de kaarten behorende bij het besluit "vaststellen grenzen bebouwde kom (definitieve besluitvorming)"- waarbij de bebouwde komgrenzen in het kader van de Wegenverkeerswet door de raad op 27 september 2017 zijn vastgesteld - gelegen binnen de bebouwde komgrens, mits er sprake is van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het plan voldoet aan de algemene voorwaarden. Ingevolge het raadsbesluit van 8 november 2017 is daarom geen verklaring van geen bedenkingen nodig van de gemeenteraad voor het onderhavige plan.
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het onderhavige plan de bouw van woningen mogelijk maakt, is dit aan de orde.
Bij besluit van 25 januari 2011 heeft de raad de bevoegdheid tot het al dan niet vaststellen van een exploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid van de Wro met betrekking tot een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten behoeve van dit plan is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In de overeenkomst zijn onder meer afspraken vastgelegd waaruit volgt dat de realisatie volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer geschiedt. Verder zijn afspraken gemaakt over eventuele tegemoetkoming in planschade. Ook zijn afspraken gemaakt over de betaling van een exploitatiebijdrage door de initiatiefnemer, waardoor het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
Doordat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd zal zijn, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels verder niet noodzakelijk is, behoeft in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden.
De procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning is door de wetgever geregeld. De procedure die vooraf gaat aan het nemen van een besluit op de ingediende aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure nu er sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of onder c, van de Wabo. Dit betekent onder meer dat er eerst een ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd voordat er een definitief besluit wordt genomen.
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld.
Het beleid onderscheidt drie sporen:
Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder:
1. Meeweten | informeren
2. Meedenken | raadplegen
3. Meewerken | adviseren
4. Meebepalen | co-creatie
Het betreft hier een plan van Spoor 1, waarvoor de participatiebepalingen pas vanaf het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet gaan gelden. De aanvraag omgevingsvergunning is ingediend vóór dat het participatiebeleid van toepassing werd.
De initiatiefnemer heeft buurtbewoners per brief uitgenodigd voor een inloopavond op 3 oktober 2024. Op deze avond werd informatie over de plannen en planning gedeeld. Het verslag en de uitnodiging zijn bijgevoegd als bijlage 14 Participatieverslag.
De ontwerpomgevingsvergunning heeft ter inzage gelegen, zie hierna onder het kopje 'Zienswijzen'. Dit komt overeen met trede 2 (meedenken/raadplegen) uit de participatieladder.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit (met relevante stukken) ligt van 7 november tot en met 18 december 2025 ter inzage. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen.
Tijdens deze zes weken zijn x reacties ingediend. Deze reacties hebben wel/niet geleid tot aanpassing van het plan.