| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kranenburgweg, Berkummerdijck |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0193.TAMh22q-0004 |
De locatie Kranenburgweg ter plaatse van het voormalig restaurant 'De Toerist' wordt herontwikkeld. De bebouwing van het voormalig restaurant is inmiddels gesloopt en initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse woningbouw te realiseren.
Het project ziet dan ook toe op de realisatie van (maximaal) 40 woningen, waarvan 28 grondgebonden woningen en 12 (kleine) appartementen. Het geldende omgevingsplan van rechtswege biedt geen mogelijkheid dit project te realiseren. Zo laat het omgevingsplan ter plekke alleen horecavoorzieningen toe. Om dit project mogelijk te maken wordt het omgevingsplan gewijzigd.
Aan deze wijziging omgevingsplan is een traject van planvorming en participatie voorafgegaan. Op 18 juli 2024 is het Ruimtelijk ontwikkel plan Berkummer Dijck door de raad vastgesteld, welke basis vormt voor deze wijziging.
Afbeelding 1: luchtfoto plangebied (globaal)
Voorliggend document geeft een motivering van de benodigde wijziging van het omgevingsplan. Het geeft een onderbouwing van het besluit. Het motiveert dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 van deze motivering beschrijft de huidige staat van het wijzigingsgebied en de omgeving. Ingegaan wordt op de feitelijke situatie en de bestaande planologische rechten. Hoofdstuk 3 geeft het beoogde eindbeeld van de nieuwe inrichting van het wijzigingsgebied. Een integrale onderbouwing op hoofdlijnen van de ruimtelijke aanvaardbaarheid en inpassing in de bestaande omgeving. Hoofdstuk 4 geeft aan hoe die nieuwe inrichting zich verhoudt tot de gevoerde participatie. In feite vormt dit hoofdstuk het participatieverslag. Hoofdstuk 5 doet hetzelfde, maar dan tot het relevante generieke omgevingsbeleid van rijk, provincie en de gemeente.
De hoofdstukken 6 tot en met 9 gaan dieper in op de diverse, bij dit besluit relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving. Aan de hand van specifieke normen en kaders wordt per onderdeel een nadere onderbouwing gegeven. Ingegaan wordt op de nieuwe functies, de omgevingskwaliteit, veiligheid en gezondheid en natuur. De motivering wordt afgesloten met een hoofdstuk over de uitvoerbaarheid en een hoofdstuk over juridische zaken, waarin onder meer de te wijzigen planregels worden toegelicht.
Om tot een aanvaardbaar plan te kunnen komen is inzicht nodig in de staat van de fysieke leefomgeving ter plaatse van het projectgebied en de omgeving. Naast de feitelijke situatie betreft dit ook de aanwezige (planologische) rechten. Dit hoofdstuk beschrijft die bestaande situatie en rechten. Ingegaan wordt onder andere op de ruimtelijke karakteristiek en identiteit, de waarden binnen het gebied en de aanwezige functies.
Berkummer Dijck is gelegen aan de noordrand van Berkum en grenst aan de dijk langs de Vecht. In het verleden stond hier restaurant 'De Toerist'. In 1995 heeft Van der Valk, de huidige grondeigenaar, het restaurant overgenomen. Van der Valk heeft het restaurant geëxploiteerd tot het moment van verhuizing naar de nieuwbouw aan de Nieuwleusenerdijk, langs de A28. Hierna heeft zich tijdelijk een poppen- en kinderwagenmuseum gevestigd in het pand en is het in 2018 gesloopt, met oog op toekomstige woningbouw. Op dit moment is de planlocatie braakliggend.
Het betreft een locatie in de stadsrand van Zwolle met een dorpse karakter en sterke groen-blauwstructuur. In onderstaande afbeelding is het plangebied in relatie tot de directe omgeving weergegeven. Zoals in de inleiding is benoemd is de aanwezige bebouwing gesloopt en ligt het plangebied braak.
Afbeelding 2: Ligging plangebied
Het omliggende stedenbouw (en beeldkwaliteit) is niet uniform, waaruit dan ook geen heldere lijn herkend kan worden. De bebouwing is door de jaren heen ontstaan uit kleine (particuliere) initiatieven en kent geen heldere ontstaansgeschiedenis. Achter de locatie bevindt zich woonwijk Berkum, grotendeels gebouwd in de jaren '90. Hier is veelal een lichte baksteen toegepast met donkere dakpannen.
In de directe omgeving zijn diverse voorzieningen aanwezig in de vorm van detailhandel (zowel voor dagelijkse als niet-dagelijkse artikelen), sportvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen.
Het plangebied bevindt zich op circa 15 minuten fietsafstand van het centrum en gelegen op een afstand van circa 5 minuten rijden vanaf de snelweg. Aan de zuid- en oostzijde van de locatie bevindt zich een watergang waardoor er geen directe verbinding is met de aanliggende woonbuurt van Berkum.
De noordzijde van het plangebied ligt aan de Kranenburgerweg welke onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur van de gemeente Zwolle. In de hoofdgroenstructuur aan de noordzijde staan een aantal gemeentelijke bijzondere bomen, en de oostzijde van de locatie grenst aan de nevengroenstructuur. Deze worden aangegeven op de Groene Kaart (zie afbeelding 3). De locatie ligt in één van de groene vingers van hoofdgroenstructuur van Zwolle (een belangrijke structuur voor de stad) en bestaat op deze plek uit een aantal volwassen eiken. De nevengroenstructuur bestaat uit gazon, enkele eiken en inheems bosplantsoen, waaronder een hazelaar.
De zuidzijde van de locatie wordt gemarkeerd door een uitgegroeide houtwal met inheemse soorten als hazelaar, meidoorn, sleedoorn en kardinaalsmuts, maar ook deels aan de oostzijde gecultiveerde heesters. Enerzijds is deze houtwal een groene omzoming van de locatie en het beeld vanuit Berkum en anderzijds geleidt deze het schouwpad van het Waterschap langs de watergang die tevens veelvuldig als wandelroute wordt gebruikt.
Afbeelding 3: uitsnede de Groene Kaart
Voor het plangebied is omgevingsplan Zwolle van toepassing die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Dat omgevingsplan bestaat uit de 'bruidsschat' (meerdere vanuit landelijke wetgeving overgegane regels, vooral over bouwen en milieu), enkele lokale verordeningen en alle geldende bestemmingsplannen.
Voor de locatie is het (voormalig) bestemming Berkum van toepassing waarin de locatie is voorzien van de bestemming Horecadoeleinden. Op deze gronden mogen gebouwen gerealiseerd worden ten behoeve van een horecabedrijf met inbegrip van een zaalaccommodatie. Ook inpandige bedrijfswoningen zijn toegestaan.
De gebouwen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden conform de maatvoeringen op de verbeelding (die toezien op een maximale goot- en bouwhoogte van 8 meter). In afbeelding 4 is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.
Afbeelding 4: Uitsnede kaart Omgevingsplan Zwolle (deelgebied Berkum)
Met dit wijzigingsbesluit wordt het mogelijk gemaakt de woningbouwontwikkeling Berkummer Dijck te realiseren. Wijzigen van het omgevingsplan is mogelijk met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als resultaat wordt zo'n evenwichtige toedeling verwacht, gericht op het in samenhang bereiken van de gestelde doelen in en vanuit de Omgevingswet. Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.Rekening moet worden gehouden met de samenhang van de relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen. Met aandacht voor de noodzaak van de functie, de geschiktheid van de plek en de (nadelige) gevolgen van de toedeling voor belanghebbenden (waaronder bestaande rechten). Een zorgvuldig afgewogen balans tussen beschermen en ontwikkelen. Gericht op het bereiken van ruimtelijk kwaliteit, met een afgewogen verhouding tussen de gebruikswaarde (het functioneren), de belevingswaarde (de uiterlijke verschijning) en toekomstwaarde (de houdbaarheid in de tijd).
Dit hoofdstuk beschrijft het resultaat van de integrale afweging die is gemaakt en onderbouwd deze. Het geeft in essentie weer dat met het beoogde eindbeeld een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt.
In de planopzet voor de Berkummer Dijck komen de kwaliteiten van de plek en de kaders vanuit beleid en participatie samen. Initiatiefnemer heeft met behulp van haar 'Het Goede Doen' ambitieroos (zie afbeelding 5), de huidige kwaliteiten van de plek én de ambities voor deze ontwikkeling een score gegeven. Daarnaast is een uitgebreide ambitiewebsessie georganiseerd op basis van de ambitiewebthema's van de gemeente Zwolle. Belangrijke en kansrijke waarden vanuit gemeentelijk standpunt zijn aan de ambitieroos toegevoegd. De belangrijkste thema's voor ontwikkellocatie zijn aangemerkt als Klimaatadaptatie, Gezond gedrag stimuleren en Sociaal verbonden zijn.
Afbeelding 5 Ambitieroos Het Goede Doen
Vanuit de belangrijkste waarden voor de opgave is het overkoepelende ontwikkelconcept vormgegeven voor Berkummer Dijck. Het wordt een luwe natuurlijke woonomgeving, een op zich staand buurtje aan de Zwolse entreeroute. Met in de kern een mens- en natuurinclusief gebied. Het hart van het plan draagt bij aan ontmoeting tussen buren en zorgt voor verbinding met Berkum. Zo hebben de privé buitenruimtes grenzend aan dit binnengebied een zichtrelatie met de collectieve groene buitenruimte door mee-ontworpen halfopen erfafscheidingen.
In beeldtaal zorgen de volumes en overgangen naar het landschap dat de buurt als een geheel te lezen is. Een accent ligt op de plek waar de voormalige bebouwing, 'herberg' de Toerist, stond. Hier staat het appartementengebouw als markante post fier aan de route.
Het beoogde programma bestaat uit 40 woningen. 12 kleine appartementen en 28 grondgebonden woningen. Op basis van een eerste opzet van het programma hebben diverse gesprekken plaatsgevonden met een corporatie die zowel het goedkope als het middelduur-1 programma wil afnemen, alsook met een makelaar die adviseert over het koopprogramma
Afbeelding 6: Impressie invulling plangebied
De conceptgedachte komt tot uiting in de verkavelingsopzet en het landschapsontwerp. De conceptgedachte vormt de leidraad van het plan. Zowel stedenbouwkundig en landschappelijk als in beeldkwaliteit is deze doorgevoerd.
Met de beoogde invulling van de locatie met woningbouw raakt Berkum met wonen uitgevuld tot over de watergang langs de verderop gelegen dijk. Daarmee is de ontwikkeling straks, vanaf de dijk langs de Vecht en de uitvalsweg gezien, onderdeel van het aangezicht van Berkum en op de route de eerste bebouwing van de bebouwde kom.
De betekenis van de locatie als 'ontvangstplek aan de invalsroute' vraagt aandacht. Daar waar de Kranenburgweg vanuit het noorden vanaf de dijk afdaalt richting Zwolle wordt het zicht begeleid door een stevige bomenstructuur en ingekaderd (waardoor de planlocatie op grotere afstand beperkt zichtbaar is). Daar waar een eerste doorkijk zicht verschaft op de locatie is een steviger volume met markante hoek beoogd. Dit is de eerste bebouwing bij binnenkomst van Zwolle. De vroegere herbergen fungeerden door de jaren heen ook als belangrijke markering aan de dijk. Zowel richting de brug over de Vecht als ook uit de andere richting als de entree van Zwolle. Door op deze plek een markant volume te positioneren, ontstaat opnieuw een herkenningspunt. De gebouwtypologie zoekt hierbij de nuance tussen enerzijds de aangezette hoek en anderzijds het dorpse karakter van Berkum. De plek is een stadsentree, maar wel in een dorpse omgeving.
De woningen worden uitgevoerd als conceptwoning, vanwege haalbaarheid en (bouw)snelheid. De massa's zijn daarmee minder flexibel en worden niet voorzien van bijzondere stedenbouwkundige accenten. De markante post op de hoek bestaat uit 12 kleine appartementen (ca. 45-50 m2 GBO), drie lagen met een flauw hellende kap. Met daaraan aan twee zijden verbonden een rij woningen, van twee lagen met een kap.
Het plan krijgt richting de dijk en het landschap een uitnodigende en vriendelijke overgang. De plek waar in het verleden het parkeerterrein voor het restaurant was gesitueerd, krijgt een zacht karakter. Dit oostelijke deel van het plangebied grenst aan de dijk langs de Vecht, met uitzicht op de nevengroenstructuur. De volumes voegen zich in de openheid van het landschap doordat dit deel een lossere korrel heeft. Massa's zijn dusdanig geplaatst dat deze geluidsoverlast van wegverkeer beperken. Door in dit landschappelijk deel aan de noordkant korte rijen te maken, ontstaat een geluidsluwe buitenruimte in het tussengelegen gebied. De ruimte vormt een groene kamer voor het woonbuurtje, de woningen kijken uit op een wadi. De ruimte vormt de centrale plek waar ontmoeten en spelen samenkomen met de klimaatambities: wateropvang, sponsering, een groene en biodiverse buurt. Deze groene, collectieve buitenruimte biedt veel kansen om de gestelde ambities waar te maken. Zowel op het gebied van sociale verbondenheid als klimaatadaptatie en biodiversiteit.
Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de bestaande woonwijk. Echter ligt de locatie hoger en is deze hiervan gescheiden door de watergang en een rand van begroeiing. Aan deze zijde worden tweekappers gepositioneerd met een zo laag mogelijk vloerpeil, waardoor meer lucht en ruimte ontstaat richting de omgeving en de overgang vloeiender is. Aan het talud naast de watergang worden hagen variërend in hoogte toegepast. Achtertuinen krijgen deels een lage haag, rondom het parkeren wordt een hogere haag toegepast.
Het westelijke en oostelijke plandeel presenteren zich als één buurt maar onderscheiden zich in beeldkwaliteit van elkaar. Zo hebben de steenachtige materialen met een aardetint in het hele plan de boventoon. En sluiten woningen en erfafscheidingen in kleur aan op de landschappelijke omgeving. Alle grondgebonden woningen hebben een kap met donkere dakpannen. Het hoekvolume heeft een flauwe kap, reageren op het beeld van de grondgebonden woningen.
Het westelijke grotere volume accentueert de entree van het gebied. De hoek van het gebouw staat prominent aan de route op de zichtlijn van de Zwolse entreeroute. Het bouwblok wordt als geheel behandeld, met een duidelijke wand naar de Kranenburgweg. Behoudens het hoekaccent van drie bouwlagen, is er weinig variatie in de rooilijn en bouwhoogte. Zijtuinen of doorgangen aan de voorzijde zijn onderdeel van de gevelwand. Het kleur- en materiaalgebruik is eenduidig en de vormtaal en detaillering is uniform. De gevels in het gehele plangebied hebben een samenhangende uitstraling. In de basis uit baksteen opgebouwd, aangevuld met hout als verzachtend materiaal. Het blokje van 5 corporatiewoningen wordt geheel in hout uitgevoerd
In het oostelijke deel gaan landschap en bebouwing hand in hand. Dit deelgebied heeft een kleinere korrelgrootte met meer 'lucht' en groen tussen de bebouwing. Woonrijen zijn kort of worden visueel opgeknipt. Bijvoorbeeld middels een gevelspongen, wisseling in kleurgebruik en wisseling inkap of dak beëindiging. De overgang tussen bebouwing en landschap is zachter en er worden natuurlijke tinten en materialen toegepast in combinatie met (gevel) groen.
De combinatie van baksteen in aardetinten met hout als tweede gevelmateriaal en hout voor de overgangselementen zorgt voor een zacht en samenhangend geheel aan de oostzijde van het plan. Dwarskappen geven op gezette plekken een deelaccent en verkleinen de korrelgrootte. Zodat dit landschappelijke deel van het plan in beeldtaal ondergeschikt te maken aan het meer aan de weg staande markante hoekvolume. De woningen in het oostelijke deel hebben geen duidelijke en afgebakende voor- of achtertuin. Privé-terras of tuin en mandelige buitenruimte gaan vloeiend in elkaar over middels zorgvuldig ontworpen overgangen die de bewoners wel van voldoende privacy voorzien. Bijvoorbeeld door middel van lage begroeiing en pergola's. De route door dit deelgebied is gericht op langzaam verkeer en maximaal groen. Deze is enkel voor enkele bewoners per auto te gebruiken. Overig gemotoriseerd verkeer blijft buiten deze groene zone tussen de woningen, zodat het gaat functioneren als verlengstuk van de privébuitenruimte, en functioneert als collectieve ruimte.
Afbeelding 7: Situering collectieve groene ruimte
Vanuit de drie belangrijkste ambities voor Berkummer Dijck is ervoor gekozen het plan zo groen mogelijk in te richten.
Voor het ontwerp van het landschap is zorgvuldig gekeken naar het inpassen van de volumes in de twee identiteiten. In hoofdlijnen is het markante karakter van het westelijke deel meer aangezet door hier omheen een voetpad te situeren, waar aan de noordkant de fietser te gast is. Aan de zuidkant komt dit voetpad met en aantal traptreden uit op het schouwpad in openbaar gebied. Met korte toegangspaadjes naar de entrees bij dit meer stevige volume, ontstaat de mogelijkheid voor een klein geveltuintje, waar bewoners kunnen ontmoeten. Het auto parkeren wordt zoveel mogelijk uit het zicht opgelost, in het mandelige parkeerterrein achter de woonvolumes in het westelijke plandeel.
Het oostelijke plangebied is zachter ingericht met meer ruimte voor groen, zowel aan de kant van de Kranenburgweg in de vorm van voortuintjes als in het groene binnengebied bij de wadi. Ter plaatse loopt ook de langzaamverkeersroute waar bomen, struiken en elementen voor natuurlijke spelaanleiding in worden aangebracht. Dit maakt deze groenzone tot een fijne plek om te verblijven en elkaar te ontmoeten. De wandel- en fietsroute door de groene zone is een comfortabele, zachte loper die aan de oost- en zuidzijde uitkomt bij de watergang in haar groene omgeving.
Groen in alle lagen loopt als een rode draad door het plan. Bomen en struiken in de volle grond, maar ook de groene daken op bergingen en het gevelgroen doen hieraan mee. In beschermingszone A van de waterkering is het niet toegestaan bomen aan te planten, die hoger worden dan vijf meter. De beplanting die we in de planuitwerking kiezen wordt afgestemd op de schaal van de architectuur, de oriëntatie, windrichting en aansluiting op de te integreren voorzieningen voor de fauna. Dit draagt bij aan biodiversiteit in het gebied.
Naast de voordelen van groen voor biodiversiteit, zorgt het er als adaptatiemaatregel ook voor om hitte tegen te gaan. Het draagt bij aan het vasthouden en vertraagd afvoeren van neerslag.
In het landschappelijke binnengebied ontstaat een plek waar diverse functies bij elkaar komen.
Vanwege de eerder benoemde ambities wordt het gebruik van fiets- en wandelroutes gestimuleerd en is het plangebied autoluw ontworpen. Hierbij is gebruik gemaakt van de STOMP-methode. De toegangsweg voor gemotoriseerd verkeer in het gebied, loopt over in een langzaamverkeersroute waar uitsluitend de bewoners van de zes tweekappers gebruik maken. Dit pad wordt uitgevoerd als gedeeld ruimtegebruik voor voetgangers, fietsers en spelende kinderen. Het pad is 2,5 meter breed en door toevoeging van zones met grasklinkers dusdanig ontworpen dat zij voldoende ruimte hebben om uit te draaien. Auto's kunnen elkaar niet rijdend passeren, maar auto's kunnen ter plaatse wel wachten om andere gebruikers van het pad te laten passeren. Bij het inrijden van het pad wordt met verkeersaanduidingen kenbaar gemaakt dat je de zone betreedt waar auto's geen toegang hebben c.q. uitsluitend gebruikt mag worden ten behoeve van bestemmingsverkeer. In het plan wordt daarnaast een opstelplaats gerealiseerd waar bezorgdiensten kortdurig kunnen parkeren.
De groene zone tussen de langzaam verkeersroute en de achtertuinen van de rijwoningen wordt ingericht als verdiepte zone die wordt ontworpen als groen ingerichte wadi. De rijwoningen krijgen hierdoor een kleine privé achtertuin, grenzend aan deze lager gelegen grotere groenzone waardoor zij het groene karakter maximaal kunnen beleven en toch privacy ervaren direct achter hun gevel.
De wadi heeft naast haar functie als groene oase de belangrijke functie om hemelwater te bergen en vertraagd af te voeren. Naast waterberging in de wadi, worden onder de parkeerplaatsen - uitgevoerd in halfverharding - infiltratiekratten aangebracht voor het bergen van hemelwater.
In en om de wadi in de groene zone brengen we stapstenen en boomstammetjes aan, als natuurlijke spel aanleidingen. Spelen is hier expliciet een nevenfunctie van deze zone, omdat de langzaamverkeersroute via het brugje wordt aangesloten op de bestaande speelplekken in de wijk
De fietsenberging in de achtertuin van de rijwoningen en de zijtuin van de tweekappers, wordt ontworpen met een afdak voor het opstellen van 3 containers. Op deze manier zijn zowel de container als de fiets goed bereikbaar en toch uit het zicht.
Participatie bij het planvormingstraject geeft in een vroegtijdig stadium meer inzicht in de belangen en wensen van betrokken partijen en meer gelegenheid om deze in dat traject mee te wegen.
Door de aanvrager is participatie gevoerd en een participatiejournaal ingediend (zie bijlage 1). Dit hoofdstuk beschrijft het proces wat met belanghebbenden is doorlopen. En gaat in op de inhoudelijke punten die bij de participatie naar voren zijn gebracht en legt uit wat met deze punten is gedaan.
Initiatiefnemer heeft in samenspraak met de gemeente Zwolle op diverse wijzen en diverse momenten invulling aan het participatie proces gegeven. Zo hebben op 1 juni 2023, 14 mei 2024 en op 10 juni 2025 inloopavonden plaatsgevonden waarbij geïnteresseerden geïnformeerd zijn over het voornemen.
De nadruk op de bijeenkomst in 2023 lag op de doorstart van de ontwikkeling. Op basis van de opgehaalde input is verder gewerkt aan de startnotitie voor de ontwikkellocatie, behorende bij de samenwerkingsovereenkomst tussen gemeente Zwolle en Dura Vermeer. Op het moment dat de startnotitie in het college werd behandeld (december 2023) is weer een update naar omwonenden verstuurd over de belangrijkste items uit de startnotitie en een doorkijk naar het maken van het ruimtelijk ontwikkelplan (ROP).
De bijeenkomst in 2024 was dan ook bedoeld om aanwezigen te informeren over de voortgang van het ROP, de omwonenden mee te nemen in de uitwerking van de verschillende kaders en onder andere gesprekken aan te gaan over de uitwerking van het landschapsplan en de beoogde planning.
Ook de bijeenkomst in 2025 is druk bezocht. Alle aanwezigen waren zeer positief en met name geïnteresseerd naar de planning en uiteindelijke oplevering van de woningen
De algemene indruk van de bijeenkomst was dat er positief gereageerd werd op de ontwerpen. Omwonenden herkenden de eerder aangegeven aandachtspunten in de tekeningen en hadden begrip voor de gemaakte keuzes. De gestelde vragen gingen vooral over de bouwhoogtes, hoogteverschillen t.o.v. omliggend terrein, de groene omzoming i.v.m. inkijk en het pad langs de watergang. Daarnaast werden aandachtspunten over geluid en fijnstof nogmaals gedeeld. Ook gingen de vragen over het opschonen/verwijderen begroeiing. Men wilde weten waarom dit al zo vroeg gebeurt en wat komt er voor terugkomt. Belangrijkste reden is dat vanwege het gebrek aan onderhoud (een deel van) de begroeiing niet behouden kan blijven, waardoor dit wordt opgeschoond en wordt teruggeplant.
Naast de reacties die met betrekking tot deze onderwerpen op de avond zelf zijn opgehaald, is aan aanwezigen ook de gelegenheid geboden om een vragenformulier in te vullen. Daar hebben vier bezoekers gebruik van gemaakt.
Naar aanleiding van deze gesprekken en de ontvangen reacties zijn in hoofdlijnen de volgende wijzigingen in het plan doorgevoerd:
Ter plaatste van de aangrenzende bestaande tuinen (zuidwestelijke hoek) is het parkeren gesitueerd met als doel hier zo min mogelijk massa te creëren. Het parkeren krijgt een groene uitstraling.
Vooroverleg
De gemeente wordt geacht bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet rekening te houden met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af. Ook zijn overige bestuursorganen, in het kader van participatie, benoemd als partij om betrokken te worden bij de voorbereiding van een omgevingsplan.
Op 18 januari 2024 is voor de beoogde ontwikkeling een omgevingstafel georganiseerd. Daar hebben Waterschap WDOD, GGD IJselland, Omgevingsdienst IJsselland, Veiligheidsregio IJsselland en provincie Overijssel aan deelgenomen.
Het ontwerp van het voornemen is aangepast op basis van deze reacties. Het waterschap heeft daarbij aangegeven de conceptwijziging ter beoordeling te willen ontvangen.
Het voorontwerp van deze wijziging omgevingsplan is vervolgens op 17 juli 2025 voorgelegd aan de vooroverlegpartners met het verzoek voor 13 augustus 2025 advies uit te brengen.
Provincie Overijssel heeft op 21 juli laten weten geen inhoudelijke opmerkingen te hebben. Het plan past binnen de kaders van de provinciale verordening en draagt bij aan de woningbehoefte van Zwolle. Volledigheidshalve wordt als aanvulling nog wel wat context meegestuurd betreft de redenatie rondom stikstof als het gaat om intern en extern salderen.
Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van (intern of extern) salderen en derhalve niet relevant voor de beoogde ontwikkeling.
Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft middels een reactie op 12 augustus laten weten uitgebreid betrokken te zijn bij de planvorming. Een onderdeel ontbreekt in de stukken, namelijk de uitgangspuntennotitie die het waterschap bij de start van het plan heeft opgesteld. Wanneer de uitgangspunten toegevoegd kan het waterschap akkoord gaan met het plan.
De uitgangspuntennotitie is naar aanleiding van deze reactie toegevoegd aan de motivering van het wijzigingsbesluit.
De veiligheidsregio heeft middels een reactie laten weten dat het omgevingsplan voldoende regelingen omvat om de veiligheid te waarborgen. De veiligheidsregio geeft dan ook complimenten over de wijze waarop de paragraaf inzake Externe Veiligheid is opgesteld. Indien de ontwikkeling gerealiseerd wordt zoals die in de paragraaf beschreven is, wordt dat als voldoende beschouwd.
Aanvullend heeft de veiligheidsregio twee opmerkingen. De eerste opmerking ziet toe op het toepassen van zoveel mogelijk brandvertragende en/of brandwerende materialen in de gevels en daken. De tweede opmerking ziet toe op het bieden van voldoende bluswater. Op dat onderdeel wordt geadviseerd om de aanwezige open water goed bereikbaar te houden.
Beide opmerkingen hebben de nodige aandacht in de planvorming gekregen. Op basis van de landelijk geldende voorwaarden wordt aandacht besteedt aan toepassing van brandvertragende materialen. Wat betreft het bereikbaar houden van aanwezige open water, is dit in het ontwerp al aan de orde. Aanvullende aanpassingen in het ontwerp worden niet nodig geacht
Op 31 juli heeft de GGD aangegeven dat de eerdere opmerkingen (ten tijde van de omgevingstafel) verwerkt zijn in het omgevingsplan en benadrukt de positieve aspecten daarvan. Als aanvulling op de eerdere opmerkingen heeft de GGD de volgende reactie gegeven:
Geluid
Reactie gemeente inzake geluid:
De (gevels van de) woningen dienen ten aller tijde te voldoen aan de eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (hierna BBL). Daardoor worden gevels voorzien van geluidsisolatie. In de omgevingsvergunning zullen deze eisen worden opgenomen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de aanwezige en toekomstige gevelbelasting.
Groen kan inderdaad bijdragen aan de reductie van geluid. In dit plan is echter voornamelijk gezocht naar reductie van geluidbelasting door middel van de stedenbouwkundige opzet van het plan. Dit zorgt ervoor dat woningen een geluidluwe gevel hebben.
Geluidproducerende voorzieningen, zoals warmtepompen en airco's, dienen qua geluidsproductie ook te voldoen aan de wettelijke eisen uit het BBL. Ook stelt de wet eisen aan de situering van deze voorzieningen ten opzichte van buren.
Binnenmilieu (in woningen)
Reactie gemeente inzake binnenmilieu:
In het ontwerp is rekening gehouden met last vanwege langdurige hitte. Dit door in de buitenruimte bomen en heesters op te nemen voor groen op hoogte. Door verdamping zorgen deze voor verkoeling in de buurt. Daarvan zijn twee bomen aangemerkt als toekomstbomen. De ruimte die de bomen ondergronds en bovengronds krijgen is zodanig dat de bomen minstens 80 jaar oud kunnen worden en de buurt van schaduw kunnen voorzien. Daarnaast heeft de buurt in hoofdgroenstructuur een grote groep volwassen bomen die voor verkoeling zorgen. Het advies om naar mogelijkheden voor natuurlijke ventilatiemogelijkheden binnen de eisen van geluidsisolatie uit het BBL nemen wij ter harte. De woningen dienen daarbij te voldoen aan de grenswaarden uit de BBL. Daarbij is het uitgangspunt dat de woning moet voldoen aan de T0-juli eis. T0-juli is de eis om te grote opwarming van woningen in de zomer te voorkomen.
Groen en Blauw
Reactie gemeente inzake Groen en Blauw:
De norm van een ledigingstijd van 24-48 is een algemene norm die ook door Stichting Rioned gehanteerd wordt voor het ontwerp van wadi's. Er is een infiltratieonderzoek uitgevoerd en daaruit blijkt dat de bodem in het plangebied geschikt is voor infiltratie. Om de leegloop de bevorderen wordt nog een drain onder de wadi toegepast. Wadi's en spelen worden vaker gecombineerd. Bij een flauw talud kunnen kinderen er gemakkelijk uit klimmen. Wij passen taluds van 1:2 en 1:3 toe.
Het wijzigingsbesluit zoals nu voorligt is vormgegeven aan de hand van de gestelde beleidsdoelen in en vanuit de Omgevingswet. Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van het relevante generieke omgevingsbeleid van rijk, provincie en gemeente en een toetsing van het wijzigingsbesluit aan die kaders. Een verdieping van relevant sectoraal beleid en regelgeving komt aan de orde in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering op het wijzigingsbesluit.
Omgevingswet (regel)
De Omgevingswet geeft de maatschappelijke doelen van de wet. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Besluit kwaliteit leefomgeving (regel)
Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels voor het omgevingsplan, voortkomend uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met zo'n instructieregel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. De op specifieke onderwerpen gerichte instructieregels komen in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering aan bod.
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk tot 2050 op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Verschillende ministeries werken aan de uitwerking van diverse beleidsthema's in de vorm van Nationale Programma's.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Voor Oost-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Regio Zwolle onderdeel van uit maakt. In de Omgevingsagenda agenderen Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Het doel is het versnellen van besluitvorming omtrent samenhangende ruimtelijke keuzes en de uitvoering van maatregelen, zodat plannen toekomstbestendig, met ruimtelijke kwaliteit, en in samenhang gerealiseerd kunnen worden.
Regio Zwolle is aangewezen als NOVI-gebied. Belangrijk vraagstuk voor de regio is hoe de opgave voor wonen en werken te combineren met de klimaatopgave en het watersysteem in deze regio. Tot 2040 moeten er 49.000 woningen en 20.000 arbeidsplaatsen in de regio Zwolle worden gerealiseerd. De grootste uitdaging voor de regio zit in het "klimaatadaptief verstedelijken". Door haar ligging in de delta van de IJssel én Vecht is de regio extra kwetsbaar voor klimaatverandering en waterveiligheid.
Er is een actualisatie van de NOVI in voorbereiding. Met de programma's Mooi Nederland en NOVEX wordt ingezet op aanscherping en versnelling van de NOVI. Het streven is de aangescherpte NOVI als nieuwe Nota Ruimte in 2024 vast te stellen als nationaal ruimtelijk beleid.
Toetsing en conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummerdijck mogelijk gemaakt. Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
De beoogde woningbouwuitbreiding is in overeenstemming met de Nationale omgevingsvisie. Middels transformatie op een binnenstedelijke locatie plaats waarbij de bebouwing van het voormalig hotel zijn gesloopt, wordt ruimte geboden voor woningbouw.
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel. Onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur komen aan bod. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en sindsdien een aantal keer geactualiseerd.
De visie bestaat uit drie delen. Deel 1 geeft de opgaven en kansen waar de provincie voor staat. Deze zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's, waaronder woonomgeving, mobiliteit, natuur en veiligheid en gezondheid. Deel 3 bevat een nadere uitwerking van de centrale beleidsambities.
De centrale beleidsambities voor de negen beleidsthema's worden benaderd vanuit de oververkoepelende 'rode draden' duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit, waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Dit zijn de leidende principes bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten Daarmee wordt een weloverwogen locatiekeuze en vormgeving en inrichting van initiatieven bevorderd, passend bij de identiteit van de plek.
Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal, en het verbinden van lokale kennis met de uitvoering van ruimtelijke opgaven.
Deel 2 van de omgevingsvisie geeft het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de omgevingsvisie geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Deze beleidskeuzes geven invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Andere generieke beleidskeuzes betreffen onder andere de reserveringen voor waterveiligheid en begrenzing van Nationale Landschappen en Natura 2000-gebieden. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent door vertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Toetsing aan de Omgevingsvisie Overijssel
Generieke beleidskeuze
Met het beoogde programma wordt op een binnenstedelijke locatie bijgedragen aan de invulling van een grote woningbehoefte aan betaalbare woningen. Het plangebied ligt niet binnen een in de visie en/of verordening aangewezen reserveringsgebied of natuurgebied. Het plan draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit van de omgeving.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Deze wijziging betreft het ontwikkelingsperspectief 'Woon en werklocaties binnen de stedelijke netwerken' en voor het oostelijke gedeelte 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.
Rond de binnensteden liggen de diverse woon- en werklocaties, elk met hun eigen woon-, werk- of mixmilieu. Herstructurering en transformatie moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur of water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld door in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening te houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid
Omdat het hier gaat om een herstructurering van een locatie binnen bestaand stedelijk gebied is dit plan in overeenstemming met dit ontwikkelingsperspectief.
Gebiedskenmerken
Wat betreft de gebiedskenmerken is het voor het plangebied het volgende van toepassing:
Het wijzigingsgebied is aangemerkt als 'woonwijken 1955-nu'. De omgevingsvisie geeft herstructurering van naoorlogse wijken als ambitie voor vitale steden. De wijken van na de oorlog behouden hierbij hun eigen karakter. De omgevingsvisie geeft als richting mee dat als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, nieuwe bebouwing zich voegt in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel, maar als onderdeel daarvan wel herkenbaar is. Voor het oostelijke gedeelte is vanuit de stedelijke laag ook 'Verspreide bebouwing' van toepassing. Ontwikkelingen op erven, dienen bij te dragen aan het behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen.
Vanuit het kenmerk Informele trage netwerk wordt ingezet op aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Nieuwe mogelijkheden voor lange afstands-, wandel- en fietsroutes worden benut.
De natuurlijke laag van het plangebied wordt aangemerkt als 'dekzandvlakte en ruggen' waarbij de van beleving is aangemerkt als Stads en dorpsranden.
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Voor het plangebied dient ingezet te worden. Voor het plangebied is het daarbij van belang dat dekzandvlakten en ruggen een beschermende bestemmingsregeling krijgen, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. Ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij herinrichting. De strekkingsrichting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen is daarbij het uitgangspunt
De stads- en dorpsrandgebieden vormen de overgang tussen de Stedelijke en de Groene Omgeving, en zijn daarmee zowel entree van de stad als verbinding naar het buitengebied. Het vormgeven als entree van zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving is een belangrijk kwaliteitsdoel. Veel stads- en dorpsrandgebieden in Overijssel liggen tegen aantrekkelijke natuurcomplexen of landgoederen aan. Als er naast de inmiddels geplande woon- en werklocaties nog behoefte ontstaat, kunnen nieuwe woon- en werkmilieus worden ingezet om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de stads- en dorpsrandgebieden te verhogen en de landschappelijke structuur in deze gebieden te versterken. In de stads- en dorpsrandgebieden liggen ook kansen om beleidsambities op het gebied van natuur, water, en energie te realiseren én om de functie als 'uitloop'-gebied voor de stad te versterken door verdichting van het routenetwerk voor langzaam verkeer.
De beoogde woningbouwuitbreiding Berkummer Dijck is in overeenstemming met de gebiedskenmerken. De transformatie past naar aard, maat en karakter binnen de omgeving. De aanwezige bebouwing in het gebied is gesloopt. Het gebied wordt dan ook getransformeerd tot een woongebied met 40 woningen. Het wordt een luwe natuurlijke woonomgeving, een op zich staand buurtje aan de Zwolse entreeroute.
Omgevingsverordening Overijssel (regel)
Het beleid uit de Omgevingsvisie heeft doorwerking gekregen in de Omgevingsverordening Overijssel 2024 (vastgesteld1 januari 2024). De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De nieuwe Omgevingsverordening 2024 voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. De verordening treedt in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt (1 januari 2024).
Bij het stellen van regels die zich richten op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is volgens de geest van de Omgevingswet in principe afgezien van rechtstreeks werkende regels. In Hoofdstuk 4 van de verordening zijn de instructies voor omgevingsplannen opgenomen. De op specifieke onderwerpen gerichte instructieregels komen in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering aan bod.
Conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in provinciaal beleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
De gemeente Zwolle zet in op een ontwikkeling van stad en buitengebied waarin leefbaarheid, klimaat, duurzaamheid en economie hoog in het vaandel staan. De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen beschrijft de koers voor de leefomgeving van de gemeente. Het geeft, samen met de gebiedsvisies, de opgaven en ambities voor de toekomst.
Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen
De op 13 september 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen is een integrale visie waarin een beeld wordt gekenschetst van een kwalitatief hoogwaardige, inclusieve en toekomstbestendige ontwikkeling van de gemeente Zwolle.
De "drager" van de gemeente is het menselijk kapitaal. Centraal hierbij staat de ambitie: Zwolle versterkt en benut het menselijk kapitaal van de stad.
De kwaliteiten op het gebied van landschap, cultuurhistorie en biodiversiteit van de bestaande stad en haar natuurlijke omgeving is een ijzersterk, bestaand "fundament" om op verder te groeien. Centraal staat de ambitie: Zwolle behoudt en versterkt haar ruimtelijke, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten.
De drager en het fundament vormen de structurele verbindingen in het 'Huis van Zwolle' te midden van de andere kernopgaven:
De opgaven voor Zwolle zijn groot, omvangrijk, veelzijdig. We gaan in dit decennium aan de slag met onze stad, met ons buitengebied. We voegen woningen toe en parken. We verbeteren de leefbaarheid en bereikbaarheid voor de Zwollenaar en alle bezoekers van onze gemeente. Ons buitengebied is voor ons van grote waarde, voor landbouw, landschap, natuur en recreatie.
Het werken aan onze stad en ons buitengebied kan niet zonder spelregels. De ruimte om te leven is de belangrijkste waarde. Ruimte om te leven voor mens, plant en dier. Leefbaarheid of kwaliteit van leven staat voorop en is leidend bij iedere ontwikkeling: een gezonde balans tussen welzijn en welvaart. Voor de inrichting van de stad en van het buitengebied zijn de volgende spelregels en principes van toepassing als sturingsfilosofie:
We onderscheiden bij het werken aan onze stad zones. Karakteristieke 'schillen', of ook wel strategische ontwikkelzones, met daarbinnen gebieden die onze stad (deels) transformeren naar een andere functie:
De nieuwe woningen in onze stad creëren we met name in een aantal grotere stedelijke ontwikkelingen. Het gaat om de Spoorzone, de Zwartewaterzone, Zwartewaterallee en Oosterenk. Het worden gemengde stedelijke gebieden waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Telkens afhankelijk van de kwaliteit van het gebied en de behoeften uit de omgeving en voor de stad. De gebieden hebben gemeen dat ze liggen aan de stadsring. Ze vormen als het ware een ruit over een deel van de stad; de StadsRuit dus. Waarbij de ring veel meer wordt dan een verkeersader. Op termijn zien we een stadsboulevard die telkens aansluit bij de specifieke omgeving, lokaal en regionaal. We verbinden via de StadsRuit verschillende delen van de stad met het centrumgebied. De Zwartewaterallee wordt ter hoogte van Holtenbroek en Aa-Landen een stadsallee waaraan gewoond en gewerkt wordt, met de school en winkels om de hoek. Een verblijfsgebied met stedelijke allure.
Bij ieder initiatief in de fysieke leefomgeving, groot of klein, staan de doelen uit de Omgevingsvisie centraal. Wat betekent dit. De gebiedsdoelen en ambities en de opgaven in thematische raamwerken zijn leidend. De initiatieven dragen bij aan het bereiken van doelen en lossen opgaven op.
De gebiedsprofielen geven richting aan de toekomstige ontwikkeling van de verschillende gebieden in Zwolle. In de gebiedsprofielen worden de benoemde algemene opgaven, ambities en principes op stedelijk niveau vertaald naar een strategie voor concrete gebieden. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de bestaande kwaliteiten en waarden van het gebied, de huidige fysieke inrichting en specifieke opgaven die spelen in een gebied. De profielen beschrijven een samenhangend toekomstbeeld voor de gebieden.
Met raamwerken zijn de belangrijkste fysieke structuren van Zwolle vastgelegd. Om het goed ondernemen en prettig wonen in Zwolle te borgen werken we aan het behouden, beschermen en ook ontwikkelen van de Zwolse omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van Zwolle gaat hand in het met het behouden en versterken van die raamwerken en dus de fysieke hoofdstructuur van Zwolle.
Toetsing aan de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen
Het wijzigingsgebied maakt volgens de visiekaart deel uit van 'Woongebied' en van de Strategische ontwikkelzone Stadsrand. In de stadsrand wordt ingezet op functies zoals mobiliteit, cultuurhistorie en woningbouw. We betrekken daarin de omgeving en verkennen daarin het draagvlak voor verschillende mogelijkheden voor toekomstig gebruik en bijpassende inrichting.
Het kenmerk Woongebied vanuit de visiekaart ziet toe op de Zwolse woningbouwambitie. Het is namelijk wenselijk om tot 2030 jaarlijks 1000 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad. Dit om het huidige woningtekort aan te pakken. We bouwen in de prijsverhouding 30-40-30. Dat wil zeggen 30% van het woonprogramma bestaat uit goedkope woningen, 40% is middelduur en 30% duur.
Zwolle moet een aantrekkelijke en inclusieve stad blijven waar voor iedereen een plek is om fijn te wonen. Dat vraagt om vernieuwing van de woonopgave, ruimte voor creativiteit en innovatie in bouwtechnologie in relatie tot thema's als duurzaamheid, circulariteit, gezondheid, betaalbaarheid en inclusiviteit.
De omgevingsvisie geeft ook gebiedsprofielen. Volgens de visie maakt het plangebied deel uit van het Suburbaan gebied bestaand. Ingezet wordt onder andere op het toevoegen van aanvullend (sub)urbane woonmilieus in aansluiting op de behoefte en in aanvulling op de bestaande (sub)urbane woonmilieus.
De omgevingsvisie geeft verder een raamwerk, welke de belangrijkste fysieke structuren van Zwolle vastlegt. Dit raamwerk richt zich onder meer op het behouden, beschermen en ook ontwikkelen van de Zwolse omgevingskwaliteiten. Het perceel ligt onder andere binnen de raamwerken gezondheid (geluidscontour A28, geluidscontour ring), ondergrond (boringsvrije zone tot max 90m) en energie (n.t.b. warmtenet of hybride).
Geluid speelt een belangrijke rol rondom de infrastructuur, waarbij met name de A28 een belangrijke rol speelt. Ook het verkeer op de ring van Zwolle is een belangrijk aandachtspunt voor de leefgebieden rondom deze infrastructuur. In het invloedgebied van de belangrijkste infrastructuur zal bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden worden met geluid om de leefbaarheid in de gebieden en de gezondheid van bewoners te waarborgen.
Ten behoeve van de grondwaterbescherming en om het diepere grondwater onder de stad te beschermen, heeft de gemeente Zwolle daarnaast een maximale boordiepte voor gesloten bodemenergiesystemen ingesteld.
Conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in het generieke gemeentelijk beleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
Ruimtelijk Ontwikkelplan
Na een oriëntatie- en verkenningsfase doorlopen (2022/2023) is een startnotitie opgesteld (15-11-2023) die vervolgens op 22 januari 2024 is vastgesteld door de gemeenteraad. Na ook de haalbaarheid te hebben onderzocht, is gestart met het vormgeven van het project. Dit met als doel om de startnotitie verder uit te werken tot een ruimtelijk ontwikkelplan inclusief een uitgewerkte business case om de financiële haalbaarheid te toetsen. Dit ruimtelijk ontwikkelplan legt de uitkomsten van het doorlopen planvormingstraject voor ontwikkellocatie 'Berkummer Dijck' vast. Het ruimtelijk ontwikkelplan geeft een haalbaar masterplan voor een leefbaar gebied, met ruimtelijke invulling van functies en eisen aan doelgroep, programma, openbare ruimte, mobiliteit en duurzaamheid. Ook wordt in het ROP nader aangegeven welke uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerp-opgaven aangehouden zijn bij de planvorming. Het beoogde eindbeeld en het participatieproces wat daarmee gepaard is gegaan wordt in het ROP ook inzichtelijk gemaakt. Op basis van het eindbeeld zijn ook de effecten op de omgeving in beeld gebracht en wordt in het ROP ingegaan op overige aspecten zoals eventuele grondtransacties en kostenverhaal.
Daarnaast geeft het richting aan de uitwerking van het omgevingsplan en het bouwplan.
Conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Met deze wijziging wordt, met in acht neming van het bijbehorend ruimtelijk ontwikkelplan, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen.
Hoofdstuk 3 van deze motivering geeft een beschrijving en integrale onderbouwing van het wijzigingsbesluit op hoofdlijnen. Hoofdstuk 4 beschrijft hoe rekening is gehouden met hetgeen wat bij de participatie naar voren is gebracht. En hoofdstuk 5 toetst het wijzigingsbesluit aan de relevante generieke beleidskaders over de fysieke leefomgeving.
In vervolg hierop geven de hoofdstukken 6 tot en met 9 een verdieping op voor dit wijzigingsbesluit relevante specifieke onderwerpen binnen de fysieke leefomgeving. Voor veel van die onderdelen bestaan eigen, specifieke wettelijke instructies, normen en beleidskaders. Dit vraagt een nadere beoordeling en/of onderbouwing van het wijzigingsbesluit op die specifieke instructies, normen en kaders, waar nodig met onderzoek. Hierbij is, voor zover aan de orde, onderzocht wat de effecten zijn van het project op de omgeving.
Deze verdieping kan aanleiding geven in het geldende omgevingsplan regels aan te passen en/of toe te voegen. Waar dat het geval is wordt dit aangegeven.
Hoofdstuk 6 richt zich op de functies binnen het wijzigingsgebied.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij wonen gaat het om instructieregels over duurzame verstedelijking en gebruik van bouwwerken.
Paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl geeft aan dat voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Paragraaf 5.1.7a van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de Omgevingswet kosten moeten worden verhaald, regels kan bevatten over de te realiseren categorieën woningen, voor zover het gaat om onder andere sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en geliberaliseerde woningen voor middenhuur.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij wonen gaat het om instructieregels over de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking en woningbouw.
Afdeling 4.2 van de verordening geeft instructieregels gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Het omgevingsplan kan woningbouw toelaten als voorzien wordt in een bovenregionale behoefte. Woningbouw in de Groene Omgeving (buitengebied) kan alleen onder voorwaarden, onder andere als aannemelijk is gemaakt dat in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied. Woningbouw kan alleen mogelijk worden gemaakt als aannemelijk is dat deze toekomstbestendig is.
Paragraaf 4.5.1 geeft instructieregels over woningbouw. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Afwijken kan onder de in de verordening genoemde voorwaarden.
Gemeente
De Woonvisie Ruimte voor Wonen 2017 is vastgesteld door de raad op 8 mei 2017 en geldt als onderlegger voor de Omgevingsvisie. Inzet is dat Zwolle een aantrekkelijke en inclusieve stad blijft waar voor iedereen een plek is om fijn te wonen. Dat vraagt om vernieuwing van de woonopgave, ruimte voor creativiteit en innovatie in bouwtechnologie in relatie tot thema's als duurzaamheid, circulariteit, gezondheid, betaalbaarheid en inclusiviteit.
Uitgangspunt bij elke woonontwikkeling is dat we stedelijke woonkwaliteit toevoegen door ons te ontwikkelen als een sterke groeistad, een vernieuwende woonstad, een solidaire leefstad en een duurzame deltastad. In de ontwikkeling van de woningen streven we naar onderscheidende, stedelijke woonmilieus, en nieuwe vormen van stedelijk (samen) wonen in een mengvorm met andere stedelijke activiteiten zoals uitgaan, spelen, werken, ontmoeten en bewegen. De mens en de biodiversiteit staan centraal.
Tot 2030 willen we 10.000 woningen toevoegen aan onze gemeente. Dat doen we om het huidige woningtekort aan te pakken, waarbij we zien dat de vraag blijft toenemen. Een woningtekort dat velen merken, jong en oud. Studenten, schoolverlaters, starters op de arbeidsmarkt, allemaal groepen die moeilijk aan een woning komen. Dat geldt ook voor de groeiende groep ouderen die langer zelfstandig blijven wonen, en daar wel de passende voorzieningen bij willen. In ons woonbeleid zetten we sterker in op een doelgroepen benadering. We zetten ons in om met name jongeren en kenniswerkers te behouden voor onze stad.
Ruim 60% van de nieuwe woningen wordt gerealiseerd in de bestaande stad met verschillende stedelijke woonmilieus en stedelijke woonvormen. We volgen hiermee ook de landelijke trend dat mensen vaker in of nabij de binnenstad willen wonen. Met meer focus op binnenstedelijk wonen wordt ook een steviger basis gelegd voor stedelijke voorzieningen. Het biedt kansen voor een stedelijke dynamiek gericht op bijvoorbeeld studenten en jong-werkenden en de aanpak van vereenzaming in alle geledingen van de Zwolse samenleving. Ook voor grondgebonden woningen met een tuin blijven we ruimte bieden. Grofweg 40% van de woningen wordt gerealiseerd in de groenstedelijke woonmilieus van Zwolle wat bestaat uit een groot aandeel grondgebonden woningen. Grotendeels komen deze woningen terecht in de gebiedsontwikkelingen Stadshagen en Harculo maar ook kleinschalig op diverse plekken in de bestaande stad en in de kernen bij Wijthmen en Windesheim. Ook bieden we ruimte aan de verandering van bestaande agrarische erven naar wonen.
Op 14 oktober 2019 heeft de raad de Ontwikkelstrategie Wonen 2019-2024 vastgesteld als aanscherping- en uitvoeringsprogramma van de Woonvisie 2017. Daarin is de woningbouwproductie ambitie opgehoogd naar in totaal 10.000 woningen tot 2030. Met gemiddeld 1000 woningen per jaar tot 2030 willen we het woningtekort op alle fronten aanpakken met onderscheidende woonmilieus en een gevarieerd woonaanbod voor iedere inkomenscategorie. Hier gaan we adaptief, flexibel en schaalbaar mee om; “de toekomst is niet voorspelbaar, wel voorstelbaar”.
We bouwen in de prijsverhouding 30-40-30. Dat wil zeggen 30% van het woonprogramma bestaat uit goedkope woningen, 40% is middelduur en 30% duur volgens de 'prijsgrenzen woningbouw Zwolle' dat jaarlijks geïndexeerd wordt.
Minimaal 50% van het woonprogramma is betaalbaar conform het coalitieakkoord Samen voor een waarde(n)volle toekomst' (mei 2022). Dat wil zeggen dat 30% goedkoop opgeleverd moet worden, ten minste twee derde daarvan moet bestaan uit sociale huur. Dit betekent dat in ieder geval 20% van het totaal sociale huur zal moeten zijn. Naast 30% goedkoop is er 20% middelduur 1 vereist voor het halen van de betaalbaarheidseis. De helft hiervan, 10% van het totale programma, dient te bestaan uit middeldure huur 1 conform de verordening middenhuurwoningen. De sociale huurwoningen worden gerealiseerd volgens de uitgangspunten sociale huurwoningen die vastgesteld zijn door het college op 13 december 2022. Indien de middeldure woningen worden verhuurd, worden ze gerealiseerd volgens de uitgangspunten in de verordening middeldure huur. Naast 20% sociale huur en 20% middeldure woningen resteert 10% in het goedkope programma. Dit kan worden ingezet voor huur, koop en/of overige eigendomsvormen zoals wooncoöperaties, mits het maar in het goedkope segment wordt gerealiseerd. In totaal is daarmee 50% van het woningbouwprogramma betaalbaar en conform het coalitieakkoord. 10% van het woonprogramma is bestemd voor maatschappelijke doelgroepen en wonen met zorg.
Ten aanzien van de implementatie van deze uitgangspunten is het volgende afgesproken:
'De maatregelen in deze Betaalbaarheidsagenda zijn direct na besluitvorming van kracht voor de woningbouwontwikkelingen waar nog geen afspraken zijn vastgelegd. Bij lopende woningbouwontwikkelingen waar al een visie voor is vastgesteld en/of overeenkomsten voor zijn gesloten spannen we ons in om met de betrokken partners overeen te komen de maatregelen alsnog van toepassing te verklaren. Het jaar 2022 is een overgangsperiode voor de implementatie van de Betaalbaarheidsagenda op lopende processen'.
De Ontwikkelstrategie is ook een werkwijze hoe we samen onze stad in balans laten groeien en stedelijke woonkwaliteit toevoegen. We werken gebiedsgericht, data gedreven en samen met onze partners op de woningmarkt. Daarvoor zijn samenwerkingsafspraken gemaakt. Onder andere door te werken volgens de Zwolse methode van gebiedsontwikkeling, de basisregels voor een inclusieve stad, en het Zwols pakket van maatregelen. Eind 2021 is aanvullend hierop de Betaalbaarheidsagenda 2022 gevormd waarin we naast beschikbaarheid van betaalbare woningen inzetten op blijvend betaalbare woningen. Dit doen we onder andere door vergroting van het betaalbaar huuraanbod in combinatie met een verordening middeldure huur. De Verordening middenhuurwoningen Zwolle 2022 (regel) is op 13 juni 2022 door de raad vastgesteld. Ook zetten we in op flexwoningen om extra betaalbaar aanbod toe te voegen.
Aanvullend gelden nog de volgende specifieke beleidsregels:
Ruimtelijk Ontwikkelplan
In het kader van het ROP zijn voor het onderwerp Wonen diverse verkavelings- en haalbaarheidsstudies uitgevoerd. Op basis daarvan zijn drie haalbare scenario's uitgewerkt en zijn daarover gesprekken gevoerd met omwonenden. Dit heeft geresulteerd in een woonprogramma dat bestaat uit een mix van grondgebonden woningen en kleine appartementen. Met het plan in Berkummer Dijck wordt voorzien in een gedifferentieerd woningaanbod, van het sociale t/m het dure segment. Door nauw samen te werken met partijen zoals de woningcorporatie, is het mogelijk om ook in de betaalbare sector voor toekomstige bewoners een passende woning te realiseren. Het beoogde woonprogramma kent een kleine afwijking ten opzichte van het vastgestelde woonbeleid, te weten 4 koop tussenwoningen die € 40.000 duurder zijn dan de grens voor middelduur 2. Dit vanwege de aanwezige beperkingen en de kostenverhogende maatregelen die nodig zijn voor onder andere geluidsaspecten.
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 40 woningen. Dit betreffen 28 grondgebonden woningen en 12 appartementen.
De appartementen worden afgenomen door een woningcorporatie en beschikbaar gesteld voor sociale huur. Daarop aanvullend worden 5 grondgebonden woningen in het middeldure segment 1 gerealiseerd. Het totaal aan betaalbare woningen bedraagt daarmee 17 wooneenheden (wat toeziet op circa 42,5% van het totale woningbouwprogramma). Ook worden 7 woningen in het middeldure segment 2 gerealiseerd en worden in totaal 16 dure woningen gerealiseerd. Waarvan 4 dure koopwoningen aan de onderkant van de dure prijsgrens.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor wonen.
Er is vanuit het onderwerp wonen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft:
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij verkeer / openbare ruimte gaat het om instructieregels over langzaam verkeerroutes.
Paragraaf 5.1.7 van het Bkl geeft aan dat, voor zover het omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die aangewezen landelijke fiets- en wandelroutes kunnen doorsnijden, het belang van de instandhouding van deze routes bij het omgevingsplan worden betrokken.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij verkeer / openbare ruimte gaat het om instructieregels over mobiliteit.
Paragraaf 4.10.1 van de verordening geeft voor omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken instructieregels over mobiliteit. Gericht op de bundeling van verkeersstromen op de hoofdinfrastructuur waar het belang van een goede en veilige doorstroming voorop wordt gezet. En het behoud van de kwaliteit van de leefomgeving in de overige gebieden, waaraan het mobiliteitsbelang ondergeschikt geacht wordt.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. In aanvulling op hoofdstuk 5 van deze motivering is wat betreft dit onderwerp nog het volgende relevant.
Gemeente
Omgevingsvisie
Door de verdere groei van de Zwolle is het een opgave om op een zorgvuldige wijze om te gaan met de beschikbare buitenruimte. Mobiliteit en bereikbaarheid is een belangrijke drager voor leefbaarheid. "Mens en natuur centraal stellen, voldoende woningen, ruimte om te spelen, bewegen en ontmoeten.”. Meervoudig ruimtegebruik en denken in drie dimensies is het vertrekpunt. Dat betekent enerzijds de hoogte opzoeken. Daarnaast zetten we in op beter passende vormen van mobiliteit en bereikbaarheid met minder ruimtebeslag. We gaan meer aandacht besteden aan de fietser en de voetganger en minder voorrang geven aan de automobilist.
De STOP-methode is in Zwolle leidend bij al onze ontwerpopgaven voor infrastructuur bij de inrichting van de buitenruimte. En we hanteren bij alle ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving de ladder duurzame mobiliteit als uitgangspunt om de juiste keuzes op het gebied van mobiliteit te maken. We beginnen daarbij altijd met de ruimtelijke ordening als middel om ervoor te zorgen dat er bij een nieuw woningbouwproject of andere fysieke ontwikkeling gestreefd wordt naar zo weinig mogelijke groei van het autobezit en gebruik.
De komende decennia verschuift de wijze waarop we ons verplaatsen naar allerlei nieuwe vormen. Daarbij maken we slim gebruik van huidige en nieuwe technologie, data en nieuwe verbondenheid tussen allerlei aanbieders van vervoer. Daarmee geven we nieuwe impuls aan de leefbaarheid in onze stad. Dit betekent dat we dergelijke plekken willen creëren, samen met ondernemers en vervoerders, in de vorm van mobiliteit Hubs. We gaan onderzoeken of we dergelijke mobiliteit Hubs kunnen creëren, onder andere op het knooppunt van de Rembrandtlaan en de Zwartewaterallee.
Om te waarborgen dat beide leidende principes ook daadwerkelijk worden toegepast leggen we bij alle toekomstige fysieke gebiedsontwikkelingen in de stad altijd verplicht een Mobiliteits Programma van Eisen (MPvE) op. Hiermee wordt gewaarborgd dat duurzame mobiliteit integraal bij de gebiedsontwikkeling wordt meegenomen. Het STOMP-principe en de Ladder vormen daarbij het uitgangspunt.
Mobiliteitsbeleid
Het op dit moment vigerende Zwolse mobiliteitsbeleid vloeit voort uit het rijks - en provinciaal beleid en is verwoord in de Mobiliteitsvisie. De Mobiliteitsvisie is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 december 2019. In de mobiliteitsvisie komt naar voren dat de verdere groei van de mobiliteit niet zondermeer opgevangen wordt door de mobiliteitsvraag te faciliteren met nieuwe infrastructuur. En dat de ambitie is voornamelijk te investeren in een bereikbaar en toegankelijk Zwolle, waarbij mobiliteit gaat bijdragen aan andere Zwolse doelstellingen. Van economische groei tot de woningbouwopgave; van klimaat neutrale gemeente tot gezonde en vitale wijken.
De ambitie is dat we ervoor zorgen dat Zwolle ook in de toekomst goed bereikbaar is door fietsen, lopen en reizen met het openbaar vervoer te stimuleren én door het autogebruik beter te spreiden. Alleen met al deze maatregelen kunnen we de knelpunten in het Zwolse verkeer voldoende wegnemen om de verwachte groei van verkeersdeelnemers op te vangen en Zwolle bereikbaar, veilig en leefbaar te houden.
Zwolle heeft een gunstige positie qua ontwikkeling. In de na te streven doelen op het gebied van duurzaamheid, milieu, bereikbaarheid, economische groei, leefbaarheid en dergelijke is het daarom noodzakelijk om prioriteiten te stellen. Zwolle wil de kwaliteiten als bereikbare en gezonde stad vasthouden door, naast de noodzakelijke uitbreiding van de infrastructuur, de samenleving te mobiliseren om de groeiende vraag naar mobiliteit om te buigen in een duurzame richting.
De STOP-methode is in Zwolle leidend bij al onze ontwerpopgaven voor infrastructuur bij de inrichting van de buitenruimte. We gaan eerst uit van Stappen (wandelaars), en vervolgens kijken we naar Trappen (fietsers) dan het OV en tot slot de Personenauto's.
De Regeling Parkeernormen (27 maart 2025) is het toetsingskader voor parkeren in het geval van vastgoedontwikkelingen, wijziging omgevingsplan en aanvragen van een omgevingsvergunning in de gemeente Zwolle. Het beleid van de Gemeente Zwolle is dat de parkeeropgave van een bouwplan of een ontwikkeling primair op eigen terrein van het bouwplan of ontwikkeling gerealiseerd moet worden. Wat de parkeeropgave is, wordt bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers CROW. De aan te leggen parkeerplaatsen dienen ook te voldoen aan de eisen uit de Regeling Parkeernormen over maatvoering en bruikbaarheid.
Het plangebied wordt aan de noorzijde op de Kranenburgweg ontsloten. Voor langzaam verkeer is tevens aan de oostzijde een ontsluiting aanwezig die het plangebied via de woonwijk aan de zuidzijde verbindt met de kern met de voorzieningen en aan de oostzijde met de Maatgravendijk richting het buitengebied.
De ontsluiting op de Kranenburgweg kruist de drukke regionale doorfietsroute Zwolle-Dalfsen. In combinatie met de verkeersintensiteiten en snelheid op de Kranenburgweg en het wegbeeld, is de verkeersveiligheid hier een belangrijk aandachtspunt.
Op basis van verkeerskundig onderzoek komt naar voren dat de huidige aansluiting onvoldoende veiligheid biedt om het nieuwe woongebied te ontsluiten. Vooral de linksaflaande beweging het plangebied in en uit zorgt voor problemen omdat met name in de spits weinig hiaten zijn en dit leidt tot risicovol gedrag ook gelet op de kruisende fietsroute.
Bij de planvorming zijn afspraken gemaakt om de verkeersveiligheid te verbeteren door de ontsluiting aan te passen.
Ontsluiting
Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten voor verkeer. Gemotoriseerd verkeer wordt via de bestaande uitrit naar de Kranenburgweg geleid. Hierbij worden zowel het Kerkepad als de Maatgravendijk doorkruist. Gezien de ligging van de aansluiting en de aanwezigheid van belangrijke fietsroutes/recreatieve verbindingen is een veilige aansluiting van groot belang. Tevens is de nabijheid van de komgrens en de relatief hoge naderingssnelheid op de Kranenburgweg, vooral vanuit oostelijke richting een aandachtspunt. Om deze redenen is onderzocht in hoeverre de huidige in- en uitrit veilig genoeg is voor toekomstig gebruik in de situatie van wonen.
De Kranenburgweg heeft de uitstraling van een gebiedsontsluitingsweg en is in het verleden ook dusdanig ontworpen. Het geheel is echter verouderd, waardoor de huidige herkenbaarheid als gebiedsontsluitingsweg niet helder is.
Bij de planvorming van de beoogde ontwikkeling is ook afgesproken om de verkeerveiligheid in het gebied te verbeteren. In afstemming zijn diverse uitgangspunten meegegeven die in het ontwerp zijn meegenomen of waarmee het ontwerp rekening houdt.
Het verhogen van het fietspad in combinatie met het creëren van ruimte voor etappegewijs oversteken maakt dat zowel de zuidelijke rijbaan van de Kranenburgweg als ook het fietspad verlegd moeten worden. Dit maakt de bocht vanaf de inrit naar de Maatgravendijk complexer en daarmee gevaarlijk. Wanneer een vuilnisauto de Kranenburgweg op wil draaien, ontstaat een dode hoek met fietsers vanaf de snelfietsroute. Een uitbuiging en plateau in de snelfietsroute zorgt daarnaast voor een verstoring van deze route. Ons uitgangspunt is daarom om een veilige oplossing te ontwerpen en daarbij het fietspad niet te verleggen. Voorstel is om de zuidelijke rijbaan van de Kranenburgweg, 2 meter uit te buigen en de middengeleiders te verbreden. Daartussen ontstaat dan opstelruimte voor één auto. Daarop aanvullend worden verkeerstekens aangebracht om ook op deze wijze de nodige ruimte te borgen.
Verkeersstromen in het plangebied
In hoofdlijnen heeft Berkummer Dijck een autoluw karakter. Het plangebied is vanaf de Kranenburgweg voor autoverkeer toegankelijk, waarbij auto's direct naar parkeerplekken worden geleid. De straten voor autoverkeer zijn alleen functioneel om van en naar de parkeerplekken te komen. Groot verkeer zoals een vuilniswagen wordt buiten het gebied gehouden en voor bezorgdiensten is een speciale opstelplek ontworpen vanwaar de voordeuren bereikt kunnen worden.
Parkeren
Op basis van de gemeentelijke parkeernormen geldt voor het voornemen een parkeerbehoefte van 59,25 parkeerplaatsen. Op basis van aanwezigheidspercentages is vervolgens de parkeerbehoefte berekend op 53,3 parkeerplaatsen.
Binnen het plangebied worden slechts 6 parkeerplekken direct bij de woning mogelijk gemaakt, waarbij 4 van deze plekken een breedte hebben van 4,5meter. Deze tellen als 1,7 (bewoners)parkeerplekken. De meeste parkeerplekken worden gemaakt in het parkeerhof achter de rijwoningen, te weten 40 plekken, en op toekomstig openbaar gebied grenzend aan de Maatgravendijk (7 parkeerplaatsen). Dit zijn parkeerplekken die geschikt zijn voor dubbelgebruik en toegankelijk zijn voor zowel bewoners als bezoekers.
In totaal wordt in het plangebied (conform de meetbepalingen vanuit de CROW) voorzien in 55,8 parkeerplaatsen.
Parkeerplaatsen in het gebied
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor verkeer/openbare buitenruimte.
Er is vanuit het onderwerp verkeer/openbare ruimte aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft:
Rijk
De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels op te nemen over het uiterlijk van bouwwerken (art. 4.19 Ow). Als de gemeenteraad in het omgevingsplan regels opneemt over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, stelt de raad beleidsregels vast voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij stedenbouw en beeldkwaliteit gaat het om instructieregels over ruimtelijke kwaliteit.
Afdeling 4.3 van de verordening geeft instructieregels over het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. Omgevingsplannen dienen een onderbouwing te geven vanuit die benadering, waaruit blijkt dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. In aanvulling op hoofdstuk 5 van deze motivering is wat betreft dit onderwerp nog het volgende relevant.
Gemeente
Omgevingsvisie
Doordat we 10.000 nieuwe woningen willen bouwen voor 2030 in de bestaande stad spreken we van verdichting: op hetzelfde totale oppervlak komen meer woningen. En dus ook meer mensen, meer auto's, fietsen en meer behoefte aan groen en buitenruimte. We worden een stad met een steeds intensiever gebruik. Meer woningen betekent dat er ook meer hogere gebouwen bij komen. Dat vraagt een zorgvuldige aanpak passend bij het huidige Zwolse stadsilhouet. Dat is de basis voor onze visie op hoogbouw in onze gemeente.
We streven met de omgevingsvisie meerdere doelen na, waarbij hoogbouw een middel is om deze doelen te helpen bereiken. Zo draagt hoogbouw op belangrijke knooppunten voor openbaar vervoer bij aan een stedelijke dynamiek en sfeer. Een sterke verbinding met het openbaar vervoer maakt de afhankelijkheid van de auto kleiner. Het creëert de noodzakelijke ruimte voor een kwalitatief hoogwaardige buitenruimte, met onder meer groen. En we hoeven minder te bouwen aan de randen van de stad of in het landschap. Hoogbouw is ook goed geschikt voor de gewenste nieuwe vormen in de combinatie van wonen, werken en bijvoorbeeld zorg gerelateerde voorzieningen. Verder brengt het investeringen bij elkaar, wat mogelijkheden biedt in een gebied ook andere doelen te bereiken als voor klimaatadaptatie, energievoorziening, mobiliteit en natuur inclusief bouwen. En hogere gebouwen hebben een belangrijke functie om specifieke plekken in de stad te duiden, zoals het station, winkelcentra, een gebied met ontspanning en vertier of de entree van een wijk. Het geeft van verre al aan: hier is wat te doen. We noemen dat het leesbaar maken van de stad.
Onder hoogbouw verstaan we gebouwen hoger dan de gemiddelde kroonhoogte van de bomen. Ongeveer 25 meter of te wel ongeveer 8 bouwlagen. Vanaf deze hoogte is het belangrijk om effecten op de omgeving in beeld te brengen. Bij gebouwen tussen 45 en 70 meter spreek je echt van hoogbouw. Deze bepalen mede het aanzicht van de stad en geven een beeld van de stedelijkheid en de allure van een specifiek gebied. En is goed passend voor de maat en schaal van Zwolle. Belangrijk is dat de Peperbus een centrale plek kan en blijft spelen in ons stadsilhouet. Ook als oriëntatiepunt voor iedereen als het letterlijke middelpunt van Zwolle.
De omgevingsvisie geeft een aantal ontwikkelzones in de stad aan. De visie op hoogbouw haakt aan op deze zones.
Het plangebied is conform de visie gelegen in het StadsRand. De StadsRand markeert de overgang van landschap naar stad. Het uitgangspunt is dat stedelijke ontwikkeling hier maximaal 25 meter mag zijn; de hoogte van een volwassen boom. Zo ontstaat een geleidelijke opbouw in de stad. In de architectuur wordt relatie gezocht met de aanwezige landschappelijke context. Anders dan bij de andere 2 zones kan hier de architectuur ook horizontaal van aard zijn. Het moeten vloeiende, zachte lijnen zijn en door het toevoegen van beplanting moet de verbinding worden gemaakt met het landschap. Daarmee sluiten we uit dat op de overgang harde stenige 'muren' ontstaan. De inpassing van stad en land met het landschap en omliggend gebied staat voorop. De kwaliteit van de stadsrand behouden we.
Hoogbouw moet kwaliteit toevoegen aan onze stad. In de visies en plannen die gemaakt worden voor gebieden is daarom altijd onderzoek nodig naar de effecten van hoogbouw. Het toont aan hoe een plan zich verhoudt tot de gestelde uitgangspunten. Daarnaast geeft het inzicht in de gevolgen voor schaduwwerking, windval, sociale veiligheid, het landschap en het omliggende gebied (o.a. cultuurhistorische waarden). Dit betekent dat voor nieuwe gebouwen hoger dan 25 meter een hoogbouweffectrapportage verplicht is, als onderdeel van de ruimtelijke planvorming. Het rapport maakt onderdeel uit van de besluitvorming door college en gemeenteraad, zodat een integrale beoordeling mogelijk is.
Beleid stedenbouw en beeldkwaliteit
Op 13 februari 2024 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota 2023, versie november 2023 vastgesteld. Doel van de welstandsnota is het bieden van een toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. De nota geeft gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. De welstandsnota beperkt zich daarbij niet tot alleen gebouwen en andere bouwwerken, maar is ook een toetsingskader voor onder andere reclame-uitingen en woonschepen.
Voor de gemeente biedt de nota een toetsingskader voor ingediende bouwinitiatieven, voor de burger biedt de welstandsnota vooraf het kader en de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van nieuwe bouwinitiatieven. Met de welstandsnota en de beleidskeuzen die daarin zijn opgenomen, is er een belangrijk instrument voor het gemeentebestuur om te sturen op aspecten van welstand voor de stad, het breedst uit te drukken in het begrip ruimtelijke kwaliteit. Voor de burger biedt de nota vooraf inzicht in de criteria die worden gehanteerd bij de toetsing op welstand.
Op grond van het omgevingsplan van rechtswege (onderdeel bruidsschat) wordt een omgevingsvergunningaanvraag die betrekking heeft op een bouwactiviteit alleen verleend als deze niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota 2023, versie november 2023.
Ruimtelijk Ontwikkelplan
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt in het ROP een uitgebreide toelichting gegeven als het gaat om stedenbouw en beeldkwaliteit. Vanuit de belangrijkste waarden voor de opgave is het overkoepelende ontwikkelconcept vormgegeven voor Berkummer Dijck. Het wordt een luwe natuurlijke woonomgeving, een op zich staand buurtje aan de Zwolse entreeroute.
Ondanks de dynamiek van de directe omgeving, is het van belang om ene luwe en natuurlijke woonomgeving te creëren. Met in de kern een mens- en natuurinclusief gebied. Het hart van het plan draagt bij aan ontmoeting tussen buren en zorgt voor verbinding met Berkum. Zo hebben de privé buitenruimtes grenzend aan dit binnengebied een zichtrelatie met de collectieve groene buitenruimte door mee-ontworpen halfopen erfafscheidingen. Deze conceptgedachte komt tot uiting in de verkavelingsopzet en het landschapsontwerp. De conceptgedachte vormt de leidraad van het plan. Zowel stedenbouwkundig en landschappelijk als in beeldkwaliteit is deze doorgevoerd.
Gebouwd Raamwerk en Beeldkwaliteit
Beeldkwaliteit
Het plangebied is conform de welstandnota gelegen in het gebied 'Berkum'(8). Berkum is een agrarische nederzetting, waarbij de boerderijen verspreid langs verscheidene essen liggen (essenzwermdorp). Naast de oude boerderijen zijn de oude lijnen met individuele bebouwing herkenbaar aanwezig. De noordelijke rand wordt begrensd door de A28 en de Kranenburgweg, waar diverse kleinschalige bedrijven zijn gevestigd.
Het ontwerp binnen het plangebied sluit qua bebouwingsopzet en beeldkwaliteit in hoofdlijn aan op de beoogde dorpse uitstraling in het gebied Berkum zoals beschreven in de Welstandsnota. Echter, gezien de specifieke betekenis van de plek en de ontwikkeling geeft het ontwerp een eigen nuancering aan de beeldkwaliteit op de locatie, en vormt daarmee een specificering ten opzichte van de beschreven criteria voor het gebied Berkum in de welstandsnota.
De specifieke regels voor het uiterlijk van bouwwerken is opgenomen in Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor stedenbouw en beeldkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp stedenbouw en beeldkwaliteit aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft
Gemeente
Omgevingsvisie (landschap en natuur)
De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. De visie wijst onder andere natuurgebieden en landschappen aan als waardevol en zeer waardevol. Kenmerkend voor de stad Zwolle is ook de aanwezigheid van een hoofdgroenstructuur, waar bijvoorbeeld de 'groene longen' van Zwolle onderdeel van uitmaken. Die hoofdgroenstructuur is voor Zwolle zeer waardevol. De stedelijke hoofdgroenstructuur bestaat uit een samenstel van groenelementen die tezamen een betekenis hebben voor de stad als geheel. De hoofdgroenstructuur dient meerdere functies: het draagt ruimtelijk of functioneel bij aan een min of meer aaneengesloten netwerk. Het is op stedelijk niveau in belangrijke mate structuur– en identiteit bepalend, het behoort op stedelijk niveau tot de belangrijkste recreatieve gebruiksruimtes, het begeleidt recreatieve routes, het heeft een belangrijke betekenis voor de stedelijke ecologische structuur en het draagt in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van de stad. De koers is dat de hoofdgroenstructuur in de toekomst behouden blijft, of aangevuld, waar nodig, vanwege het belang voor de gemeente als geheel. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd met het toevoegen van nieuwe bebouwing binnen de hoofdgroenstructuur. Naast een stedelijke hoofdgroenstructuur kent Zwolle ook een nevengroenstructuur. Visie is dat de nevengroenstructuur in de toekomst in essentie behouden moet worden, vanwege het belang voor een aantrekkelijke en leefbare wijk.
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit landschap en natuurwaarden zijn dat:
Omgevingsvisie (Groen)
Voldoende ruimte voor groen is een ambitie uit het coalitieakkoord en de omgevingsvisie 'Ons Zwolle voor morgen 2030'. Zwolle groeit in economie, aantal woningen en aantal inwoners. Het uitgangspunt daarbij is dat Zwolle een leefbare en vitale stad blijft. Groen en recreatie hebben daarin een belangrijke functie, onder andere voor gezondheid van inwoners, ruimte voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. Bij groei van de stad neemt de druk op de groene functies toe. Het groen in en om de stad moet daarom meegroeien. Het op 10 februari 2025 vastgestelde Groen- en recreatiebeleid bevat tien ambities, die de mogelijkheid geven om de identiteit als groene stad te behouden en te versterken. In de tien ambities zijn concrete richtlijnen benoemd. Ambities zijn:
Eén van de geformuleerde topambities uit de Zwolse omgevingsvisie is het behoud en beschermen van biodiversiteit binnen de stad. Om meer duiding te geven aan de natuurwaarden binnen Zwolle is in samenspraak met natuurorganisaties een natuurwaardenkaart uitgewerkt die men online kan raadplegen. De natuurwaardenkaart deelt de gemeente Zwolle op in 33 deelgebieden. Per deelgebied is een factsheet opgesteld met een beschrijving van kenmerkende soorten en specifieke natuurkwaliteiten. Daarnaast zijn kansen beschreven om de natuurwaarden in een deelgebied te vergroten.
Om de biodiversiteit te behouden en te versterken wordt voor ruimtelijke projecten natuurinclusief bouwen en ontwerpen verplicht gesteld. Dit werkt aan de hand van een puntensysteem met een maatregelencatalogus. Deze zijn als bijlage aan het groen- en recreatieplan toegevoegd.
Als kans voor Berkum benoemt het plan onder andere:
Groen- en recreatiebeleid
De voor de beoogde ontwikkeling relevante beleid op dit onderwerp is vastgelegd in het Groen- en Recreatiebeleid (vastgesteld op 10 februari 2025). Daarin worden de groene ambities benoemd en ander ingegaan op de knelpunten. Hierbij wordt gekeken naar welke maatregelen en invulling nodig zijn als het gaat om bomen, natuur en recreatie. Deze nadere uitwerkingen staan niet op zich, maar worden altijd in samenhang met elkaar en andere disciplines beschouwd.
Vanuit het Groen- en recreatiebeleid wordt ook een groenleidraad meegegeven. Voor een gezonde stad en het behoud van het groene karakter van Zwolle, is het nodig dat er voldoende groen is en blijft (in verhouding tot het aantal woningen). Om dit te bereiken hanteert Zwolle een leidraad van 75 m2 openbaar groen (met onder andere parken en plantsoenen) per nieuwe woning in het stedelijk gebied. Dit nieuwe groen wordt deels lokaal en deels stadsbreed aangelegd. Stadsbreed wordt de hoofdgroenstructuur versterkt en uitgebreid. Lokaal zoeken we op straat en buurtniveau naar vergroening om elke inwoner schaduw en groene routes te kunnen bieden dicht bij huis. Deze lokale invulling is vertaald in het 2-22-200 principe. Dat betekent 2 toekomstbomen per straat, die uit kunnen groeien tot volwassen bomen die een mensenleven meegaan en schaduw en beschutting bieden, 22% bladoppervlak voor schaduw verdeeld over de hele stad en op maximaal 200 meter van elke woning een parkje of plantsoen met bomen en/of struiken, schaduw en zitplekken. Idealiter wordt dit gecombineerd met ontmoeting, spelen en of beweegmogelijkheden
Bomenverordening 2021 gemeente Zwolle
De Bomenverordening 2021 geeft regels over het vellen van bomen. Voor het vellen van een boom binnen de op de Groene Kaart weergegeven hoofdgroenstructuur is in aangegeven gevallen een (kap)omgevingsvergunning nodig (o.a. met een stamomtrek groter dan 30 cm). De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. Bijzondere houtopstand heeft de hoogste waardering, bomen in de hoofdgroenstructuur hebben een hoge waardering, nevengroenstructuur kent een basiswaardering. Het beschermen van de natuur, het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering, het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, de beeldbepalende waarde van houtopstand, de cultuurhistorische waarde van houtopstand en het houden van een kwalitatief goed bomenbestand wordt bij de afweging betrokken. Bij de vergunning wordt in beginsel een verplantingsplicht, een herbeplantingsplicht en/of een financiële compensatie opgelegd.
De noordzijde van het plangebied ligt aan de Kranenburgerweg welke onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur van de gemeente Zwolle. In de hoofdgroenstructuur aan de noordzijde staan een aantal gemeentelijke bijzondere bomen, en de oostzijde van de locatie grenst aan de nevengroenstructuur. Deze worden aangegeven op de Groene Kaart (zie afbeelding 3). De locatie ligt in één van de groene vingers van hoofdgroenstructuur van Zwolle (een belangrijke structuur voor de stad) en bestaat op deze plek uit een aantal volwassen eiken. De nevengroenstructuur bestaat uit gazon, enkele eiken en inheems bosplantsoen, waaronder een hazelaar.
De zuidzijde van de locatie wordt gemarkeerd door een uitgegroeide houtwal met inheemse soorten als hazelaar, meidoorn, sleedoorn en kardinaalsmuts, maar ook deels aan de oostzijde gecultiveerde heesters. Enerzijds is deze houtwal een groene omzoming van de locatie en het beeld vanuit Berkum en anderzijds geleidt deze het schouwpad van het Waterschap langs de watergang die tevens veelvuldig als wandelroute wordt gebruikt.
Ruimtelijk Ontwikkelplan
Ook wat betreft de landschappelijke aspecten van de voorgenomen ontwikkeling wordt in het ROP een toelichting gegeven. Vanuit de drie belangrijkste ambities voor Berkummer Dijck, te weten klimaatadaptief, gezond gedrag stimuleren en sociale verbondenheid, is ervoor gekozen het plan zo groen mogelijk in te richten.
Het volgende onderzoek is uitgevoerd:
Groen is een belangrijk thema bij de ontwikkeling van Berkummer Dijck. Niet alleen vanwege de bestaande groenkwaliteiten waar het plan op aansluit, maar met name ook om voor de toekomst een gezonde leefomgeving te maken en om de locatie zich aan te kunnen laten passen op het (veranderende) klimaat. Wat betreft landschap wordt aansluiting gezocht met het omliggend gebied. Zo worden de overgangen naar de naastgelegen kavels voorzien van groene afscheidingen in de vorm van struiken en/of hagen. Daar waar mogelijk worden het huidige plantsoen behouden mits dit inheemse soorten van het juiste formaat zijn. Op basis van input vanuit de omgeving is het plangebied verlaagd en blijft de groene uitstraling behouden.
Het oostelijke plangebied is zachter ingericht met ruimte voor groen en een wadi, het groene hart. Dit binnenterrein is het domein van de voetganger. De auto en de fietser zijn te gast. Het (auto) parkeren wordt zoveel mogelijk uit het zicht opgelost, in het mandelige parkeerterrein achter de woonvolumes in het westelijke plandeel.
Groen in alle lagen, van kruinlaag, tot bodembedekkers en gevelgroen, loopt als een rode draad door het plan. Bomen en struiken in de volle grond, maar ook de groene daken op bergingen en het gevelgroen doen hieraan mee. In beschermingszone A van de waterkering is het niet toegestaan bomen aan te planten, die hoger worden dan vijf meter. Deze gelaagdheid en de keuze voor inheemse beplanting dragen, in aanvulling op de natuurinclusieve maatregelen op gebouwniveau, bij aan biodiversiteit in het gebied. Naast de voordelen van groen voor biodiversiteit, zorgt het er als adaptatiemaatregel ook voor om hitte tegen te gaan. Het draagt bij aan het vasthouden en vertraagd afvoeren van neerslag.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor landschap en wat betreft de kader voor Groen
Er is vanuit het onderwerp Landschap en Groen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft:
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij cultuurhistorie gaat het om instructieregels gericht op het behoud van cultureel erfgoed.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. Tevens moet rekening gehouden worden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij cultuurhistorie gaat het om instructieregels over het cultureel erfgoed.
Artikel 4.12 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. In aanvulling op hoofdstuk 5 van deze motivering is wat betreft dit onderwerp nog het volgende relevant.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige cultuurhistorische waarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Het Zwolse erfgoed met haar waardevolle gebouwen, structuren, landschappen en archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar historisch waardevolle objecten, complexen, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren en archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit cultuurhistorie zijn dat:
Beleid cultuurhistorie
Het Zwolse beleid zoals verwoord in de vastgestelde beleidsnota voor het Zwols monumenten- en archeologiebeleid (Dynamiek van Oud & Nieuw, 2000) is gericht op de instandhouding van historisch waardevolle objecten, complexen, openbare ruimte en stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.
Om op een goede wijze rekening te houden met het cultureel erfgoed zijn de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente geïnventariseerd, beschreven en gekwalificeerd. Op basis hiervan is in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen voor cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren. Deze maken dus deel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Er is vanuit het onderwerp cultuurhistorie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor cultuurhistorie.
Er is vanuit het onderwerp cultuurhistorie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij archeologie gaat het om instructieregels gericht op het behoud van cultureel erfgoed.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over onder andere de eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie
of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere
activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Uitgangspunt is dat, als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, het omgevingsplan bepaalt dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij archeologie gaat het om instructieregels over het cultureel erfgoed.
Artikel 4.12 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder archeologische vindplaatsen.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige cultuurhistorische waarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Het Zwolse erfgoed met haar archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit archeologie is dat:
Beleid archeologie
Het Zwolse beleid zoals verwoord in de vastgestelde beleidsnota voor het Zwols monumenten- en archeologiebeleid (Dynamiek van Oud & Nieuw, 2000) is gericht op de instandhouding van historisch waardevolle objecten, complexen, openbare ruimte en stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.
Op 18 augustus 2008 heeft de raad archeologiebeleid vastgesteld. Centraal thema is dat de archeologische waarden waar nodig worden beschermd, zonder dat er meer maatschappelijke lasten in het leven worden geroepen dan noodzakelijk zijn. Het archeologiebeleid Zwolle bevat onder andere de Archeologische Waarderingskaart Zwolle en de Lokale Onderzoeksagenda Archeologie Zwolle (archeologische onderzoeksthema's).
Op basis hiervan is in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen. Deze maakt dus deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. De beschermende regels richten zich op activiteiten in gebieden met een archeologische waarde van 50%, 90% en 100%, welke kunnen leiden tot het verstoren van de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter en over een grotere oppervlakte dan 100 m². Belangrijke uitzondering is de historische binnenstad van Zwolle die onder het beschermd stadsgezicht binnen de veste valt. Hier geldt een oppervlaktegrens van 30 m2 en dieptegrens van 0.5 meter beneden het maaiveld. Bij ontgravingen in de binnenstad Zwolle geldt voor elke ontgraving een meldingsplicht.
Het volgende onderzoek is uitgevoerd:
Conform het gemeentelijk beleid is het plangebied aangemerkt als een zone met een archeologische waarde (50%). Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek benodigd is bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm –mv.
Uit het onderzoek is gebleken dat met de voorgenomen ontwikkeling er geen archeologische waarde verstoord zullen worden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert het onderzoeksbureau dan ook om het plangebied vrij te geven voor de huidige ontwikkeling maar de archeologische verwachting te handhaven. Dit heeft betrekking op grondwerkzaamheden die dieper gaan dan 1m -mv.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor archeologie.
Er is vanuit het onderwerp archeologie aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het opnemen van een regeling wat toeziet op een bescherming van ingrepen vanaf 1 m diep.
De fysieke leefomgeving heeft alles in zich om een positieve bijdrage te leveren aan gezondheid. Om dat te bewerkstellingen is in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen gekozen voor een brede benadering die uitgaat van beschermen, bevorderen en faciliteren van een betere gezondheid van bewoners en bezoekers van Zwolle. Er zijn meerdere aspecten die de gezondheid van mensen bepalen. In Zwolle vinden we het belangrijk dat die aspecten van betekenis zijn voor de ontwikkeling van Zwolle: 'Zwolle gezond'.
Gezondheid heeft raakvlakken met meerdere thema's, zoals klimaatadaptatie, biodiversiteit en milieu. We stellen 'Zwolle gezond' centraal als leidend principe voor een toekomstbestendig Zwolle. Hiervandaan zoeken we continu naar win-win situaties. We zetten Zwolle gezond in als handvat voor afwegingen in de fysieke leefomgeving.
Daarbij beschouwt Zwolle milieu als een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Milieu is een thema dat van oudsher centraal geregeld is en waarbij in de laatste decennia ook de Europese Unie een grotere rol is gaan spelen. Naast het werken binnen de nationale en Europese kaders op het gebied van milieu krijgen gemeenten ook meer eigen afwegingsruimte om te handelen. Elk gebied is anders, maatwerk en flexibiliteit is daarom nodig. Vanuit dit oogpunt hanteert de gemeente Zwolle onder andere de volgende uitgangspunten:
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij klimaat, energie en circulariteit gaat het om regels over energie en afval.
Afdeling 4.11 van de verordening geeft instructieregels over energie en afval. Het betreft regels gericht op een kwaliteitsimpuls bij zonnevelden, uitsluitingsgebieden voor windturbines, installaties voor onconventioneel gas (schaliegas, steenkoolgas) en opslag van radioactief afval
Gemeente
Omgevingsvisie
Klimaatadaptie
Kernopgave uit de omgevingsvisie is dat Zwolle in 2050 klimaatbestendig is ingericht en daarmee veilig voor overstromingen en aangepast aan extreem weer. Door het veranderende klimaat is dat een ambitie die impact heeft op de fysieke leefomgeving om ook in de toekomst veilig en beschermt tegen het water te kunnen wonen, ondernemen en recreëren in Zwolle. We benutten en versterken de samenhang in het watersysteem dat bestaat uit verschillende onderdelen.
Ten eerste het hoofdwatersysteem met de hoofdwater-keringen en het regionale watersysteem. Ten tweede de groen- blauwe structuur in de bestaande stad met daarin ruimte voor sponswerking en het tegengaan van hittestress. Onderling zijn de verschillende onderdelen met elkaar verbonden en vormen ze een fysieke onderlegger voor de omgevingsvisie om te komen tot een klimaatbestendig en adaptief Zwolle.
De klimaatadaptatie maatregelen die onderdeel zijn van het streefbeeld groenblauwe structuur hebben als doel om schade te reduceren en meerwaarde te leveren aan een aantrekkelijk en robuust Zwolle nu en in de toekomst. Met klimaatadaptatie maken we voor de uitvoer van maatregelen koppelingen met andere opgaven waar Zwolle voor staat, zoals het vergroten van biodiversiteit, versterken van de omgevingskwaliteit en het verbeteren van de gezondheid van Zwolse inwoners.
Energieneutraal
Energietransitie betekent de overgang van stroom en warmte uit fossiele brandstoffen, zoals gas, kernenergie en steenkolen, naar volledig groene energie, zoals energie uit zon, wind, biomassa, de diepe ondergrond en water. De ontwikkeling naar een duurzame energievoorziening. Deze ontwikkeling kent twee sporen. Het eerste is het verminderen van het energieverbruik. Het tweede de opwekking van duurzame energie (wind, zon, aardwarmte, waterkracht). Uitgangspunt is dat bij nieuwbouwontwikkelingen en herontwikkelingen deze minimaal energie neutraal zijn en bij voorkeur 'Nul op de Meter' op gebiedsniveau.
Het landelijke klimaatakkoord is de komende jaren de leidraad voor de energietransitie. Hierin wordt richting gegeven hoe klimaatdoelen te gaan realiseren. Dit vanuit 5 verschillende invalshoeken: Industrie, Landbouw, Elektriciteit, Gebouwde omgeving en Mobiliteit. De energietransitie en de wens van de gemeente Zwolle om in 2040 energieneutraal (Zwolse coalitieakkoord 2022-2026) te zijn heeft impact op Zwolle als geheel en de omliggende regio. De voornaamste raakvlakken richten zich op de duurzame opwek van elektriciteit en warmte, de gebouwde omgeving en mobiliteit. De omgevingsvisie wijst onder andere kansrijke gebieden aan voor zonneparken en windmolens.
Circulariteit
Circulariteit betreft de circulaire economie, welke een essentieel onderdeel vormt van de duurzame ontwikkeling van de stad Zwolle. De circulaire economie is een economie waarin de waarde van grondstoffen zoveel mogelijk behouden blijft. Ook is het niet vanzelfsprekend meer dat producten worden aangeschaft en afgedankt, maar bijvoorbeeld worden gedeeld, gehuurd of geleased.
Nederland wil in 2050 een circulaire economie zijn; een economie zonder afval, waarbij alles draait op herbruikbare grondstoffen. We maken de transitie van onze huidige take-make-waste, lineaire economie naar een circulaire. Voor onze eigen bedrijfsvoering en projecten waar we als opdrachtgever betrokken zijn, geldt dat we een voorbeeldfunctie willen vervullen. We willen de stad en de regio inspireren hoe de transitie naar een circulaire economie te maken.
De ambities op het gebied van circulaire gebiedsontwikkeling worden in de omgevingsvisie al deels vertaald naar de ambities op het gebied van mobiliteit, energie, klimaat, water, natuur inclusief bouwen en nieuwe stedelijkheid. Algemeen uitgangspunt voor een circulaire gebiedsontwikkeling zijn vier principes:
Circulair bouwen gaat om beschermen van grondstoffen, het beschermen van het milieu en het behouden van functionaliteit. Daarvoor zetten we de eerste stappen naar een Zwolse aanpak.
Zwolle stelt een Zwolse standaard op voor het circulair bouwen van nieuwbouw, renovatie en de aanleg en beheer van de buitenruimte. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij landelijke keurmerken en regelgeving.
KEC toets
De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen geeft aan dat bij nieuwe initiatieven altijd een KEC-toets wordt opgesteld. KEC staat voor klimaatadaptatie, energietransitie en circulariteit. We vinden het belangrijk dat bij elke ontwikkeling in de fysieke leefomgeving deze drie thema's integraal afgewogen worden.
Ruimtelijke Ontwikkelplan
In het ruimtelijk Ontwikkelplan wordt uitgebreid ingegaan op de onderwerpen klimaat, energie en circulariteit. Het gebied Berkum heeft de status als proeftuin gekregen binnen het programma Proeftuin Aardgasvrije Wijken.
De betrokken partijen, waaronder de corporaties, inwoners en gemeente aan een aardgasvrij Berkum. In oktober 2023 heeft de bewonersraadpleging plaatsgevonden waarna is gekozen voor een hybride oplossing als toekomstig wijkenergiesysteem. Er zijn enkele energiesystemen mogelijk voor het projectgebied. Dit is afhankelijk van de warmtevraag en van het isolatieniveau van de gebouwen. Bij nieuwbouwwoningen past een hoge isolatiegraad en een lage-temperatuur warmtesysteem. Het toepassen van individuele warmtepompen als energiesysteem is in deze situatie voor de hand liggend. Het toevoegen van het voorgenomen woningaantal leidt tot een stijging van de elektriciteitsvraag in het gebied. Niet alleen door de toevoeging van de woningen en het huishoudelijk gebruik, maar ook door de all-electric warmtesystemen en eventuele PV-panelen Daarnaast moet er rekening gehouden worden met de laadinfrastructuur. Wellicht moeten extra trafo's bijgeplaatst worden en mogelijk een uitbreiding/ extra MS-T Station. De initiatiefnemer zal moeten onderzoeken welke maatregelen/ingrepen er nodig zijn op het elektriciteitsnet en ervoor zorgen dat er afstemming plaatsvindt met de betrokken nutspartijen.
Uitgangspunt is dat alle koopwoningen energieneutraal worden. De voorkeur gaat uit naar een individueel energiesysteem voor verwarming en warm tapwater. Voor de 12 sociale huur appartementen, wordt nog onderzocht of een collectief systeem efficiënter is.
Wat betreft klimaatadaptatie heeft is het begin van de planvorming al rekening gehouden met de opgave inzake de waterhuishouding. Het groene karakter van de beoogde ontwikkeling versterkt de huidige, bestaande groenstructuren en draagt bij om hittestress tegen te gaan. De komende periode wordt het landschapsontwerp verder uitgewerkt. Daarnaast proberen we toekomstige bewoners in het vervolgtraject te motiveren om hun privé tuinen groen aan te leggen en hen bewust te maken van klimaat adaptieve 'quick-wins' zoals een regenton.
Wat betreft materialen en losmaakbaarheid wordt de komende periode verder uitgezocht en onderbouwd hoe invulling kan worden gegeven aan de gemeentelijke streefdoelen op het gebied van circulariteit. Dit heeft in eerste instantie geen prioriteit, maar er zijn al wel vergevorderde gesprekken met de woningcorporatie over het bouwsysteem van de grondgebonden woningen die zij willen afnemen. De gesprekken gaan over het toepassen van biobased houtbouwconcept Aer.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor klimaat, energie en circulariteit.
Er is vanuit het onderwerp klimaat, energie en circulariteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij water gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de waterbelangen.
Paragraaf 5.1.3 , artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het rivierbed van de grote rivieren, moeten bij het toelaten van activiteiten een aantal waarborgen worden opgenomen, gericht op het beschermen van de waterbelangen.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij water gaat het om instructieregels over het water- en bodemsysteem, grondwaterbeschermingsgebieden en watergebiedsreserveringen.
Afdeling 4.4 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. In die onderbouwing moet bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk worden gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Afdeling 4.8 van de verordening geeft instructieregels over omgevingsplannen, waarin onder andere ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan, in ter bescherming van het grondwater aangewezen gebieden, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie. Het kan gaan om waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, intrekgebieden en boringsvrije zones.
Afdeling 4.9 van de verordening geeft instructieregels over aangewezen watergebiedsreserveringen waarin onder andere ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan. Gericht op het beperken van negatieve gevolgen van overstromingen en wateroverlast in gebieden die een verhoogd risico lopen om onder water te lopen. Het kan gaan om primaire watergebieden, waterbergingsgebeden, overstromingsrisicogebieden, en overstroombaar gebied.
Waterschap
Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Kadernotitie Stedelijk Water, beleid inrichting beheer en onderhoud op maat en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21.In 2021 is de Kadernotitie Stedelijk Water vastgesteld. Deze notitie beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken heeft het waterschap in 2015 het beheer en onderhoud van deze wateren overgenomen van de gemeente Zwolle. Op watergangen en keringen van Waterschap Drents Overijsselse Delta is de waterschapsverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta van toepassing. In de waterschapsverordening zijn regels gesteld wat wel en niet mag bij o.a. watergangen, waterkeringen, kernzones en bijvoorbeeld lozingen.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft als aandachtspunt het belang van het in stand houden van in de omgeving aanwezige waterstaatkundige functies. Paragraaf 8.1 van deze motivering geeft het kader voor water vanuit het perspectief van klimaat.
Beleid water
Gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van afvalwater, grondwater en hemelwater vastgelegd in het Gemeentelijke Riolerings Programma 2022-2026. Hier staan ook ontwerprichtlijnen in beschreven waaraan voldaan moet worden.
De door de raad vastgestelde Hemelwaterverordening 2022 geeft, met het oog op het beperken van wateroverlast en het verminderen van droogteschade, regels over het afvoeren en opvangen van hemelwater bij het bouwen van een bouwwerk en bij het aanleggen of vervangen van verhard oppervlak. Deze verordening maakt deel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Ruimtelijk Ontwikkelplan
Het thema water speelt een belangrijke rol op de ontwikkellocatie Berkummer Dijck. Met name door de ligging aan de (waterkering rondom de) Vecht en de omzoming door de A-watergangen van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, maar ook door de bij nieuwbouw geldende hoge bergingseis voor hemelwater. Om die reden is, naast de contacten met de gemeente, vroegtijdig contact gezocht met het waterschap om samen op te trekken in deze ontwikkeling, met als doel om elkaars belangen en de kaders vroegtijdig in beeld te krijgen.
De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd:
Het plangebied ligt in het beheergebied van waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD). Vanwege de ligging aan de (waterkering rondom de) Vecht en de omzoming door de A-watergangen van het WDOD (zie navolgende afbeelding) maar ook door de bij nieuwbouw geldende bergingseis voor hemelwater, is vroegtijdig contact gezocht met het waterschap.
Waterstructuren plangebied
Huidig maaiveld
Vanuit navolgende afbeelding zijn de actuele maaiveldhoogtes van het plangebied op te merken. Binnen het plangebied is het maaiveldverloop onder te verdelen in twee delen, namelijk deel A: westelijk deel waar het hotel heeft gestaan en Deel B: oostelijk deel waar de parkeerplaats zich bevond.
Deel A: de westzijde van het plangebied kenmerkt zich door een lokaal duidelijk lager liggend maaiveld ten opzichte van de rest van het gebied. Het maaiveld op de locatie van het voormalige pand heeft een hoogte van circa +1,2 m NAP, terwijl het direct omliggende maaiveld een hoogte heeft van circa +2,9 m NAP.
Deel B: in het oostelijk deel van het plangebied is een duidelijk maaiveldverloop zichtbaar, waarbij het maaiveld in het midden lager ligt dan aan de randen. De hoogteverschillen zijn kleiner dan in deel A. De laagste delen liggen op een niveau van circa +2,0 m NAP en lopen geleidelijk richting de randen van het gebied op naar hoogtes van circa +2,7 m NAP. Langs de noordrand van het gebied loopt het maaiveld op om aan te sluiten op de Maatgravendijk (+3,1 à +3,6 m NAP).
Maaiveldhoogtes plangebied
Bodem
Uit het doorlatendheidsonderzoek volgt dat de bodem voornamelijk uit matig grof tot fijn zand bestaat met humeuze, siltige en grindige bijmenging. Ook is puin aangetroffen. De doorlatendheid is groter dan 1,5 m/dag wat betekent dat de doorlatendheid hier goed (geschikt voor infiltratie van neerslag). Eén locatie laat met 0,5 m/dag een afwijkende doorlatendheid zien Hier zijn laagjes klei en brokken roest aangetroffen, wat mogelijk een nadelige invloed op de doorlatendheid heeft. Geadviseerd wordt om lokaal, daar waar dunne kleilaagjes worden aangetroffen, de grond goed te doorploegen en/of op te mengen met zandgrond (grondverbetering) om zo de doorlatendheid te verbeteren.
Grondwater
Tauw en Proviel zijn in hun rapportage uitgegaan van een representatieve hoogste grondwaterstand (RHG) van +0,21 m NAP. De toekomstige peilen voldoen aan de ontwaterings
Waterkering
De bestaande waterkering voldoet niet meer aan de normering. In het kader van het programma Veilige Vecht is afstemming gezocht met de projectleider van het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Op de plek waar de waterkering de ontwikkellocatie raakt, is een maatwerkoplossing nodig. Met name vanwege de Kranenburgweg die met een brug over de Vecht loopt en het talud langs de snelweg A28. Concreet is nu niet de verwachting dat de ruimte binnen de plangrenzen van de ontwikkellocatie (binnen beschermingszone A, in het profiel van vrije ruimte) gebruikt hoeft te worden voor de toekomstige dijkversterking. In de ontwikkeling van Berkummer Dijck hoeft hier geen rekening mee gehouden te worden.
In het verkavelingsplan is rekening gehouden met bebouwing in beschermingszone B, waarbij niet dieper afgegraven wordt dan 1 meter onder het maaiveld. Voor infrastructurele ingrepen, waaronder de bergingskratten voor hemelwater, moet nog aanpassingen plaatsvinden. Indien hiermee werkzaamheden gepaard gaan die dieper zijn dan 1 meter onder maaiveld, dient hiervoor bij het waterschap een vergunning aangevraagd te worden.
In beschermingszone A worden wegen en parkeerplekken aangelegd, die óp het maaiveld worden gerealiseerd zodat hier geen ingrepen in de bodem benodigd zijn. Tevens is het in deze zone niet toegestaan bomen te planten.
Waterkering in het plangebied (uitsnede legger waterschap)
Oppervlaktewater
Naast de oversteek voor de benodigde tweede vluchtroute vanuit het plangebied, blijven de open watergang en het bijbehorende schouwpad door de ontwikkeling onaangetast. Aan de oostzijde wordt een oversteek over de watergang ontworpen, voor fietsers en wandelaars vanuit het plangebied naar het bestaande fietspad tussen de woonwijk en de Maatgravendijk. Om deze watergang te kunnen overbruggen wordt in het ontwerp van deze overgang gebruik gemaakt van de regels vanuit het Waterschap, zodat de watergang ten alle tijden beschikbaar blijft voor onderhoud.
Op de legger van het waterschap van staat aan de westzijde van het plangebied een watergang. De theorie en praktijk komen niet met elkaar overeen. De watergang langs het Kerkepad functioneert als zaksloot. De hemelwaterafvoer van de schuur op het naastgelegen perceel is aangesloten op de bestaande duiker De watergang wordt van de legger van het waterschap gehaald.
Riolering
Wat betreft het rioleringsplan worden hemelwater en vuilwater afgevoerd via een gescheiden systeem. Vuilwater wordt onder vrij verval aangesloten op de bestaande put in de noordwestelijke hoek van het plangebied. Hemelwater wordt via het hemelwaterriool naar de verschillende bergingsvoorzieningen geleid. Dit is uitgewerkt in het rioleringsplan/rioleringstekening in bijlage 4
Daarnaast ligt er onder het schouwpad aan de zuidzijde van het plangebied een rioolpersleiding die het afvalwater van de wijken Berkum en Dieze-Oost transporteert naar de rioolwaterzuivering op Hessenpoort. De toekomstige bebouwing staat op minimaal 5 meter van de persleiding en de onderhoudsstrook blijft vrij van bomen en obstakels.
Waterberging
Voor de ontwikkellocatie is een weging van het waterbelang uitgevoerd door Tauw (Bijlage 5). Op basis van vigerende regelgeving en uitgangspunten voor de ontwikkeling (bijlage 6 ) is een structuurschets gemaakt voor de waterhuishouding. Om te bepalen of de ontworpen infiltratievoorzieningen kunnen functioneren, is een onderzoek uitgevoerd naar de doorlatendheid van de bodem. Hieruit is naar voren gekomen dat de bodem op deze locaties, op basis van K-waarden, geschikt is voor infiltratie van hemelwater.
De totale bergingsopgave is berekend op basis van de hoeveelheid verhard oppervlak en de maatgevende bergingseis van 80 mm. Dit komt op een statische bergingsopgave op 383 m3. Dit heeft een doorwerking in het ontwerp gekregen door :
Dit komt al op een totale berging van 363 m3. Dat wil zeggen dat in de verdere uitwerking van het ontwerp nog 20 m3 hemelwaterberging moet plaatsvinden. Dat kan in het wegprofiel maar er is ook ruimte om de infiltratiekratten onder het parkeerterrein uit te breiden. De voorzieningen voor berging bevinden zich grotendeels in het mandelige terrein. Voor berging van hemelwater dat valt op toekomstig openbaar gebied wordt onderzocht of een infiltratieriool aangele gd kan worden (met een aansluiting op de (te vernieuwen) duiker op de westelijke perceelgrens, wanneer deze in eigendom naar gemeente Zwolle over gaat). Dit zorgt voor een gescheiden systeem. In de vervolgfase wordt e.e.a. uitgewerkt in het waterhuishoudkundig plan.
Riolering
Wat betreft het rioleringsplan worden hemelwater en vuilwater afgevoerd via een gescheiden systeem. Vuilwater wordt onder vrij verval naar de bestaande pomp in de noordwestelijke hoek van het plangebied geleid. Hemelwater wordt via het hemelwaterriool naar de verschillende bergingsvoorzieningen geleid.
Om het watersysteem goed te laten functioneren is het noodzakelijk om het maaiveldniveau aan te passen aan het watersysteem, omdat het niet wenselijk is om huidige grondwater- en oppervlaktewaterpeilen aan te passen aan het maaiveld. Hiervoor is een advies gemaakt met peilhoogtes, waarvan de principes zijn uitgewerkt in het landschapsontwerp. Dit wordt in de volgende fase, ook in relatie tot woningpeilen, verder doordacht en uitgewerkt. Het hemelwater stroomt via het hemelwaterriool en kolken naar de infiltratiekratten. De kratten worden uitgevoerd met een noodoverlaat naar oppervlaktewater. De meest logische plek voor deze aansluiting is de (te vernieuwen) duiker aan de westkant van het plangebied.
Toekomstige peilen/maaiveldhoogtes
De toekomstige peilen zijn afgestemd op de waterkering, dekking van de riolering om vuilwater onder vrij vervaal aan te kunnen sluiten om het gemeentelijke rioolstelsel en de wens voor een geleidelijke overgang aan de zuidkant van het gebied. De grondwaterstand ligt voldoende diep om aan de gewenste ontwateringseisen te voldoen (zie rapportage Tauw in bijlage 5) In het rioleringsplan/tekening in bijlage 4 zijn de nieuwe maaiveldhoogtes en peilen weergegeven. De vloerpeilen van de woningen liggen 0,15 m boven wegpeil.
Waterberging
Voor de ontwikkellocatie is een weging van het waterbelang uitgevoerd door Tauw en aangevuld met een addendum door Proviel. (bijlagen 7 en 8). Op basis van vigerende regelgeving en uitgangspunten voor de ontwikkeling is eerst een structuurschets gemaakt voor de waterhuishouding. Dit is verder uitgewerkt in een rioleringsplan.
De totale bergingsopgave is berekend op basis van de hoeveelheid verhard oppervlak en de maatgevende bergingseis van 80 mm (eis waterschap Drents Overijsselse Delta). Dit komt op de volgende statische bergingsopgave:
Dit heeft een doorwerking in het ontwerp gekregen door:
De infiltratiekkratten worden uitgevoerd met een noodoverlaat naar de A-watergang, via de bestaande duiker, In het geval van extreme buien kan het hemelwater oppervlakkig naar de A-watergang stromen. Ook van het toekomstig openbaar terrein kan het hemelwater in extreme situaties oppervlakkig naar de A-watergang (oostzijde plangebied).
Afstroming vanaf de Kranenburgweg/Maatgravendijk in extreme situaties
De Kranenburgweg en Maatgravendijk zijn hoger gelegen dan het plangebied. In het addendum is een analyse gemaakt wat er gebeurt met het afstromende water vanaf de Kranenburgweg en Maatgravendijk bij extreme neerslag. De Algemene Hoogtekaart laat zien dat de Maatgravendijk door zijn hogere ligging zorgt voor het afvangen van een groot deel van de Kranenburgweg. Het deel van de Kranenburgweg ten westen van de Maatgravendijk stroomt via het talud af naar de zaksloot bij Kranenburgweg 10A
Water dat bij extreme neerslag alsnog het plangebied instroomt wordt opgevangen door het hemelwatersysteem en kan via de bovenstroomse noodoverlaten worden afgevoerd naar de A-watergang. Conclusie is dit er geen inundatie van woningen plaats vindt.
Overstromingsrisico
In onderstaande figuur is het kaartbeeld weergegeven bij een gemiddelde overstromingskans (T=100). Hierbij is te zien dat bij uitreden vanuit het oppervlaktewater het water in het plangebied een diepte heeft van 1,5 meter. Bij een overstroming / dijkdoorbraak (kleine kans; T=1000) treedt een waterhoogte van 2 tot 5 meter op.
Overstromingsdiepte (middelgrote overstromingskans; bron: Klimaateffectatlas)
Via de website Mijn Waterrisicoprofiel is voor het adres Kranenburgweg 10 het risicoprofiel afgeleid. Hieruit volgt dat een overstroming met een waterhoogte van 1,16 meter optreedt bij een kans van 1:12.500. Dit sluit aan bij het veiligheidsniveau van dijkring 53 van het waterschap.
Mijn Waterrisicoprofiel (Kranenburgweg 10 te Zwolle)
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor water.
Er is vanuit het onderwerp water aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij bodemkwaliteit gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij bodemkwaliteit gaat het om instructieregels over het water- en bodemsysteem en bodembescherming..
Afdeling 4.4 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. In die onderbouwing moet bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk worden gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Paragraaf 4.12 van de verordening geeft instructieregels over bodembescherming. Gericht op een zorgvuldige aanpak van bodemverontreinigingen die risico's opleveren voor de mens en leefomgeving; en van bodemverontreiniging in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones. Het geeft onder andere instructieregels voor gemeenten over activiteiten met mogelijke risico's voor de kwaliteit van het grondwater en in het bijzonder voor de kwaliteit van het grondwater in of nabij waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones.
Gemeente
Omgevingsvisie
Vaak door historisch gebruik en bedrijfsactiviteiten is op verschillende plekken in Zwolle de bodem verontreinigd geraakt. Daarom hebben we de afgelopen jaren veel van deze verontreinigingen aangepakt door ze te saneren en/ of gebiedsgericht te beheren. Hierdoor zijn eventuele risico's voor mens en dier weggenomen. Nieuwe bodemverontreiniging willen we voorkomen, en als dit toch gebeurt dan moet deze verontreiniging zoveel mogelijk worden beperkt dan wel ongedaan worden gemaakt door de vervuiler. Daarnaast stimuleren we het hergebruik van grond die vrijkomt binnen de stad en geschikt is om elders toe te passen.
Bodembeleid
Op 9 december 2008 heeft de gemeente Zwolle een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente. De volgende functies worden onderscheiden: wonen, industrie, water, landbouw/natuur, buitendijksgebied, AW2000 ('schone grond') en hoofdwegen. Het Bodembeleidsplan (2017) kent in overeenstemming met het gemeentelijk milieubeleid een gebiedsgerichte benadering. Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan mag de Bodemkwaliteitskaart (2021) als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het ontwikkelen van een locatie. Een onderzoek is dan niet nodig.
Het volgende onderzoek is uitgevoerd:
Vanwege de voorgenomen omgevingsplan wijziging van horeca naar wonen, is het van belang dat de bodem geen verontreinigingen bevat. De bodem moet geschikt zijn voor het beoogd gebruik als woonwijk. Om die reden is in 2018 al verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is onlangs, in het kader van de omgevingswet, geüpdatet waarbij gelijktijdig de asbest verdachte locatie uit 2018 nader is onderzocht middels nader bodemonderzoek. Ook heeft onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratie van de bodem.
Op basis van onderzoeksresultaten wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. De interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt niet overschreden. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” en/of het Omgevingsplan van de gemeente van toepassing.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor bodemkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp bodemkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij ondergrond gaat het over winlocaties grondstoffen.
Paragraaf 4.11.1 van de verordening geeft instructieregels over winlocaties grondstoffen, gericht op het duurzaam benutten van de ondergrond als bron van grondstoffen waaronder oppervlaktedelfstoffen.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft aan dat Zwolle In de komende jaren in de (ondiepe) ondergrond te maken krijgt met een aantal grote ontwikkelingen en opgaven, zoals de klimaatopgave, de energietransitie en de verstedelijkingsopgave.
Met de ondergrond willen we de verdere duurzame ontwikkeling van Zwolle mogelijk maken en de opgaves ondersteunen. De bijdrage van de ondergrond aan duurzame ontwikkeling richt zich op: een gezonde leefomgeving, de energietransitie, klimaatadaptatie en de netwerklaag. De netwerklaag is de ondiepe ondergrond met de kabels en leidingen.
Beleid ondergrond
In juni 2007 heeft de gemeenteraad van Zwolle ingestemd met de Visie op de Ondergrond en besloten de volgende vijf basisprincipes vast te stellen en te gaan toepassen in projecten:
Deze vijf basisprincipes vormen ook het vertrekpunt voor de beleidsmatige invulling voor het omgaan met de ondergrond. Het Bodembeleidsplan levert een bijdrage aan de implementatie van de vijf basisprincipes door:
Als kader voor de ondergrond is uitgegaan van de KLIC gegevens. Op basis daarvan is het gesprek aangegaan met de nuts coördinator van GRONDG. Uit explosieven onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van het project HWBP is de projectlocatie meegenomen. Daaruit komt naar voren dat de locatie geen NGE-risicogebied is (bron: WDO Delta).In de bodem van de ontwikkellocatie bevinden zich nog diverse kabels vanuit de vorige functie van het terrein als parkeerterrein. Op de klicmelding is dat terug te vinden. Het blijkt dat dit gaat om diverse elektriciteitskabels die nog in gebruik zijn en diverse kabels die buiten gebruik zijn en niet hergebruikt kunnen worden in de toekomstige plannen. In verband met de nog aanwezige kabels en leidingen in het terrein en vanwege de benodigde (ondergrondse) infra aanpassingen die nodig zijn voor de nieuwe functie woonwijk, heeft afstemming plaatsgevonden met de nuts-coördinator (GRONDG). De diverse eigenaren van de kabels en leidingen in en om de ontwikkellocatie hebben aangegeven hoe zij tegen de beoogde plannen aan kijken en wat aandachtspunten zijn. Aan de noordzijde van het plangebied loopt, langs de Kranenburgweg, een hoge druk gasleiding van de Gasunie. Deze bevindt zich niet in gebieden waarin gegraven wordt voor woningbouw. Voor eventueel noodzakelijke aanpassingen aan de inrit/Kranenburgweg wordt hier extra aandacht voor gevraagd. De lagedruk gasleiding die langs het Kerkepad loopt, eindigt op het perceel van de ontwikkellocatie. Gasunie geeft aan dat deze leiding zonder problemen 20 meter ingekort kan worden. De partijen voor de toekomstige infra (Vitens voor water, een telecompartij voor data en Enexis voor elektra) zijn geïnformeerd over de voorgenomen plannen zodat tijdig met hen geschakeld kan worden zodra het definitief ontwerp van de buitenruimte gereed is. De voorgenomen nieuwbouw vraagt veel van het elektriciteitsnet. Alle woningen worden all-electric gebouwd, de meeste woningen zullen worden uitgevoerd met PV-panelen en er zullen oplaadvoorzieningen voor fietsen en auto's worden voorbereid/gerealiseerd. In het kader van netcongestie is tijdig aan Enexis gevraagd of de capaciteit hiervoor voldoende is. Een snelle scan zegt ja. Er ligt een distributiekabel voor middenspanning (MS) op het terrein, die verlegd moet worden in het toekomstige voetpad. Daarnaast bevindt zich aan de andere kant van de Kranenburgweg een verdeelstation waar mogelijk ook voedingen uit kunnen komen. Mochten deze beide opties niet lukken, dan moet Enexis mogelijk gaan herstructureren. Dan zal het elektriciteitsnet in de aanliggende wijk anders ingedeeld gaan worden, waarna de voeding uit deze wijk komt. Op dit moment zijn er nog verschillende opties mogelijk. Voor Vitens zijn de benodigde aanpassingen klein. Hun relatief oude waterleiding ligt in de noordwestzijde van het gebied, en heeft voldoende capaciteit. Wellicht moet de leiding in de toekomst 120 m vernieuwd worden naar de rotonde, maar dat is afhankelijk van andere graafwerkzaamheden. Hierover worden de gesprekken in de vervolgfase verder opgepakt.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor ondergrond.
Er is vanuit het onderwerp ondergrond geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Gemeente
Omgevingsvisie
Zwolle beschouwt in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen milieu als een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Milieuruimte is niet fysiek zichtbaar maar van groot belang om de bewoners, werkers en bezoekers van Zwolle te beschermen tegen de nadelige effecten van een groeiende en verdere verstedelijking van de stad van bijvoorbeeld de nadelige effecten op de gezondheid van werklocaties, infrastructuur en energiewinning. Aan de andere kant hebben bijvoorbeeld werklocaties maar ook energiewinning voldoende milieuruimte nodig om optimaal te kunnen functioneren en zich te kunnen ontwikkelen. Het betekent overigens niet dat ontwikkelingen of gebruik door kwetsbare functies binnen de zones uitgesloten worden, er dient wel rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de milieuruimte (en de bijbehorende belangen).
In de nabijheid van de ontwikkellocatie ligt een autogaragebedrijf. De straal van dit bedrijf tot aan de ontwikkellocatie is onderzocht op de geldende milieuzone ten opzichte van de functie woonwijk. Hiervoor gebruiken we de VNG-publicatie voor bedrijf categorie 2, zoals deze van toepassing was onder de oude wetgeving. Op dit moment is hiervoor nog geen nieuw beleid bekend onder de Omgevingswet. Voor dit bedrijf moet worden uitgegaan van een hindercirkel van ca 30 meter bij een rustige woonwijk. Aan die richtafstand wordt voldaan. Nader onderzoek is niet benodigd.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor milieuzonering.
Er is vanuit het onderwerp milieuzonering geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij geluid gaat het om instructieregels over geluid door:
gericht op de bescherming van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.2 Bkl geeft instructieregels bij het in een omgevingsplan toelaten van:
Geacht wordt in een omgevingsplan rekening te houden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geluidgevoelig gebouw en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, andere waarden bevatten dan de standaardwaarden. Dit mag niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden.
Een omgevingsplan bepaalt dat in het Bkl benoemde activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken niet worden verricht. Een omgevingsplan bepaalt verder dat de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten niet van toepassing zijn op onversterkt menselijk stemgeluid (tenzij muziekgeluid of daarmee vermengd) en hulpdienstvoertuigen. Het Bkl bevat een aantal mogelijkheden tot flexibiliteit, waarmee onder bepaalde omstandigheden en criteria in het omgevingsplan afgeweken kan worden van de standaardwaarde.
Paragraaf 5.1.4.2a Bkl betreft geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Deze is van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan en dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van:
Er zijn meerdere subparagrafen:
Bij omgevingsplan kunnen omgevingswaarden worden vastgesteld. Bij omgevingsplan worden in ieder geval als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vastgesteld rondom industrieterreinen waar in het Bkl bepaalde activiteiten kunnen worden verricht die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De begrenzing van een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, wordt vastgelegd in het omgevingsplan. En een omgevingsplan bevat regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen en spoorwegen op bestaande en toegelaten geluidsgevoelige gebouwen. Daarbij wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door de (spoor)weg op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging (zoals gedefinieerd in art. 5.78 j Bkl) van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg toelaat, voorziet erin dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de respectievelijke standaardwaarden. Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen kan een omgevingsplan meer geluid dan de grenswaarden toelaten.
Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierbij dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld te worden. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat voorziet erin dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Hieraan wordt voldaan door toepassing te geven aan de standaardwaarden. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, kan onder voorwaarden erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde, mits niet hoger dan de bepaalde grenswaarde. In bepaalde omstandigheden kan een omgevingsplan erin voorzien dat de grenswaarde wordt overschreden (o.a. bij vervangende nieuwbouw, functiewijziging, zwaarwegende belangen).
Een omgevingsplan dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een (spoor)weg voorziet erin dat het geluid door die (spoor)weg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit. Onder voorwaarden kan zo'n omgevingsplan erin voorzien dat het geluid met meer dan 1,5 dB toeneemt, mits niet hoger dan de bepaalde grenswaarde. Zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen kunnen aanleiding zijn meer geluid dan de grenswaarde toe te laten.
In een omgevingsplan, dat een wijziging in de geluidoverdracht in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg en industrieterrein toelaat welke gevolgen heeft voor die geluidoverdracht, wordt voor geluidgevoelige gebouwen die als gevolg van die wijziging een significante toename van geluid ondervinden bepaald of geluidbeperkende of -werende maatregelen worden getroffen.
Gemeente
Omgevingsvisie
Er zijn functies die geluidshinder veroorzaken, zoals bedrijvigheid en verkeer, en functies die gevoelig zijn voor geluid, zoals wonen, onderwijs en zorg. De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen stelt dat de voortdurende balans tussen het behouden van geluidsruimte voor geluidshinder veroorzakende functies enerzijds en het waarborgen van de leefbaarheid in gebieden met geluidsgevoelige functies anderzijds in de toekomst een belangrijke afweging blijft om bij plan- en beleidsvorming mee te nemen.
Rondom de belangrijkste werkgebieden van Zwolle liggen geluidzones. Deze geluidzones hebben als doel de bewoners te beschermen tegen het geluid van de bedrijven. De bedrijven hebben deze geluidruimte nodig om te werken en geen overlast te veroorzaken naar omwonenden. Deze geluidzones behouden we en worden gerespecteerd bij ruimtelijke ontwikkelingen omdat ze van belang zijn voor de economische ontwikkeling en een gezond leefklimaat.
Geluid speelt een belangrijke rol rondom de infrastructuur, waarbij met name de A28 een belangrijke rol speelt. Ook het verkeer op de ring van Zwolle is een belangrijk aandachtspunt voor de leefgebieden rondom deze infrastructuur. In het invloedgebied van de belangrijkste infrastructuur zal bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden worden met geluid om de leefbaarheid in de gebieden en de gezondheid van bewoners te waarborgen.
Beleid Geluid
In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (9 februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden per gebiedstype genoemd.
Het volgende onderzoek is uitgevoerd:
Voor de beoogde ontwikkeling is geluid een van de belangrijkste milieuaspecten. Dit betreft geluid afkomstig van de Kranenburgweg als de A28. Om de geluidbelasting van de Kranenburgweg en de A28 te achterhalen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
In het onderzoek is getoetst aan de standaardwaarde en de grenswaarden. Voor de Rijksweg A28 bedraagt de standaardwaarde 50 Lden en voor de Kranenburgweg 53 Lden. De grenswaarde voor de A28 ligt op 60 Lden en voor de Kranenburgweg op 70 Lden. Daarnaast is het gezamenlijk geluid en het gecumuleerde geluid berekend.
Berekende waarden
De berekende waarden voor de Kranenburgweg en de A28 ligger hoger de standaardwaarde. De hoogste waarde voor de Kranenburgweg bedraagt 63 dB. De woningen in het noorden van het plangebied, tegen de Kranenburgweg aan, hebben aan de noordzijde een waarde tussen de 60 en 63 dB. De woningen in het zuiden van het plangebied hebben een geluidbelasting onder de standaardwaarde.
De hoogste waarden voor de A28 bedraagt maximaal 60 dB. Dit voldoet aan de grenswaarde, maar niet aan de standaardwaarde. Niet-geluidgevoelige gevels zijn bij de woningen niet nodig. De waarden voor de woningen aan de noordzijde bedragen tussen de 55 en 60 dB. De woningen in het zuiden van het gebied bevinden zich tussen de 48 en 58 dB.
Het gezamenlijk en gecumuleerd geluid bedraagt maximaal 64 dB.
Afweging van maatregelen
De berekende waarden komen boven de standaardwaarden uit. Bij het toestaan van woningen boven de standaardwaarde moeten maatregelen worden afgenomen om de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk te beperken. In de afweging van de maatregelen spelen financiële doelmatigheid, stedenbouw, landschap en verkeer een rol.
Langs de A28 zijn al geluidsschermen aanwezig. Het ophogen van deze geluidsschermen is voor deze 40 woningen niet financieel doelmatig. Het asfalt op de A28 bestaat reeds al uit (geluidreducerend) asfalt. Ook het vervangen daarvan loopt tegen financiële bewaren aan. Tevens is het vervangen van het asfalt een taak van de wegbeheerder.
Het plaatsen van een geluidsscherm tussen de Kranenburgweg en de woningen loopt tegen landschappelijke en stedenbouwkundige bezwaren. Het geluidsscherm zou het geluid van de Kranenburgweg wel tegenhouden, maar vanwege de hoge ligging van de A28, zal het niet het geluid van de A28 terughouden. Het geluid van de A28 zal dan over het scherm gaan.
Het ontwerp van het plangebied is in samenwerking met verschillende disciplines en belangen tot stand gekomen. Geluid is daarbij één van de belangen. Hoogbouw zou zorgen voor een geluidluwe zijde en een rustige kant, maar dan zouden de woningen vanwege het geluid van de A28 een niet-geluidgevoelige gevel krijgen. Door de woningen niet hoger dan drie bouwlagen uit te voeren, is dit voorkomen. De woningen staan evenwijdig aan de geluidsbronnen, waardoor de woningen zoveel mogelijk een geluidluwe zijde hebben. De woningen, die haaks op de bronnen staan, kunnen vanwege parkeren, milieuzonering (garage) en benodigde programma niet anders gesitueerd worden.
Niet alle woningen hebben een geluidluwe zijde. Hiervoor is de waarde van 50 dB gehanteerd, omdat de standaardwaarde voor de A28 deze waarde heeft en dit de maatgevende bron is. Voor de woningen, die geen geluidluwe zijde hebben, nemen we een maatregel om zodoende een geluidluwe zijde te creëren. Het gaat specifiek om de slaapkamers, zodat mensen 's nachts geluidsluw te kunnen ventileren. De maatregel bestaat uit het toepassen van een zogenaamd 'Harbour Fenster'. Dit is een voorzetraam, die gekanteld en gekiept kan worden. Voor de concrete uitwerking van de maatregel wordt verwezen naar figuur 6 in het akoestisch onderzoek. Door toepassing van deze maatregel valt de geluidbelasting op het draaiende deel onder de standaardwaarde van 50 dB, waardoor geluidsluw geventileerd kan worden. Zodoende wordt via een maatregel een geluidsluwe zijde gecreëerd.
Zowel de standaardwaarde voor de rijksweg als voor de gemeenteweg worden overschreden. Dan moet we het cumulatief geluid beoordelen. Dit zijn de waarden van de rijksweg en de gemeenteweg samen. De cumulatie van het geluid is aanvaardbaar, vanwege de te nemen maatregel waardoor ervoor gezorgd is dat de woningen een geluidluw zijde hebben. Dit belang is meegenomen. Voor geluid is gezocht, in samenhang met andere belangen, naar het beste ontwerp.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor geluid.
Er is vanuit het onderwerp geluid aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij luchtkwaliteit gaat het om instructieregels gericht op de kwaliteit van de buitenlucht.
Paragraaf 5.1.4 Bkl geeft onder andere aandachtsgebieden aan waarbinnen omgevingswaarden over stikstofdioxide en fijnstof in acht moeten worden genomen. Onder meer bij het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl. Dit is in ieder geval zo bij het toelaten van onder andere gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.
Naast de externe werking van nieuwe initiatieven op de luchtkwaliteit in de omgeving is ook de interne werking van de luchtkwaliteit in de omgeving op nieuwe initiatieven van belang. Relevant bij deze interne werking zijn de in paragraaf 2.2.1 Bkl opgenomen omgevingswaarden.
Gemeente
Omgevingsvisie
Zwolle wil aldus de Omgevingsvisie, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit.
De gemeente Zwolle valt niet onder een aandachtsgebied. De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in de zin van de Omgevingswet. Uit een toets aan de achtergrondwaarden concentraties op de grootschalige concentratiekaart Nederland kan worden gezien dat in km2- vak van planlocatie inclusief de bijdrage van verkeer A28 de concentraties fijnstof (PM10 en PM 2,5) en stikstofoxiden (NO2) voldoen aan de wettelijke omgevingswaarden, die in het Bkl zijn opgenomen. De (niet-wettelijke) WHO-advieswaarden worden wel in beperkte mate overschreden.
De GGD adviseert om hierover in beleid of bijvoorbeeld het omgevingsplan een ambitie vast te leggen en te borgen dat de luchtkwaliteit ter plekke van deze locatie gaat verbeteren. Zorg er daarnaast voor dat luchttoevoervoorzieningen (ventilatieroosters, aanzuiging van balansventilatie) aan de meest aangename zijde lucht aanzuigen. Voor het binnenklimaat in de woningen wordt gezocht naar een gedegen ventilatiesysteem, met toevoer aan de meest geschikte kant van de woning. Voor de buitenruimte worden luchtzuiverende maatregelen gezocht in type beplanting, mee te nemen in het landschapsontwerp.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor luchtkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp luchtkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij trillingen gaat het om instructieregels gericht op het beschermen tegen negatieve effecten door trillingen.
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig.
Geacht wordt in een omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten en herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten. Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden kan het omgevingsplan een hogere grenswaarde bevatten, mits de grenswaarden niet worden overschreden. Lagere waarden zijn ook mogelijk. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan ook meer trilling worden toegestaan dan de grenswaarden.
Gemeente
Omgevingsvisie
Trillingen treden op als gevolg van met name spoorvervoer. Deze kunnen in sommige gevallen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en –schade te voorkomen houden we rekening met dit aspect bij ontwikkelingen binnen 200 meter van het spoor.
Er zijn in de nabije omgeving van de ontwikkellocatie geen trillingsuitstotende activiteiten. Om die reden speelt het thema trillingen bij deze ontwikkeling geen rol.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor trillingen.
Er is vanuit het onderwerp trillingen geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij geur gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten.
Een omgevingsplan dat regels bevat op grond van subparagraaf 5.1.4.6.2, 5.1.4.6.3 of 5.1.4.6.4 van het Bkl, wijst een of meer bebouwingscontouren geur aan. Zo'n omgevingsplan wijst een bebouwingscontour geur aan rond stedelijk gebied. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen kan binnen de bebouwingscontour worden opgenomen.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen geeft aan dat het thema geur met name in het landelijk gebied speelt en een aandachtspunt is bij de verdere functiemenging van dit gebied en de verweving tussen stad en land. We zoeken naar de juiste balans tussen bedrijven met geurhinder en bescherming van geurgevoelige functies anderzijds.
Zoals te lezen in paragraaf 8.5 geeft het type bedrijf dat het dichtst bij de locatie ligt, het autobedrijf, geen geurhinder. In de nabijheid van de nieuw te ontwikkelen woningen aan de Kranenburgweg 10 is wel één type bedrijf gelegen waarbij geurhinder wel een rol speelt, te weten één veehouderij zonder dieren met een emissiefactor (melkvee). Voor deze veehouderij wordt voor geur voldaan aan de wettelijke afstand van in dit geval 100 meter. De veehouderijen met dieren met een emissiefactor zijn op zeer grote afstand gelegen. De geurbelasting op de woningen in het plangebied door veehouderijen en overige bedrijven voldoet aan de gestelde normen, vanwege het ontbreken van relevante geurbronnen in de directe omgeving van het plangebied.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor geur
Er is vanuit het onderwerp geur geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij externe veiligheid gaat het om instructieregels gericht op het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening.
Paragraaf 5.1.2 Bkl geeft instructieregels als met een omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden toegestaan. Dit in verband met externe veiligheidsrisico van toegelaten activiteiten in de omgeving, zoals:
De regels hierover zijn ook van toepassing bij op het op een locatie toelaten van bepaalde milieubelastende activiteiten in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan.
In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar (bij zeer kwetsbaar en kwetsbaar) danwel moet er rekening mee gehouden worden (bij beperkt kwetsbaar). Daar wordt in ieder geval aan voldaan door inachtneming van de afstanden voor de activiteiten zoals opgenomen in de bijlagen van het Bkl. In bepaalde omstandigheden kan in een omgevingsplan hiervan worden afgeweken.
Brandvoorschriftengebieden en explosievoorschriftengebieden zijn de locaties die in een omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied, respectievelijk een explosieaandachtsgebied is toegelaten. In een omgevingsplan worden brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden aangewezen als brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgezien.
In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied in het Bkl bepaalde regels opneemt wordt daar in ieder geval aan voldaan.
Een risicogebied externe veiligheid is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen, als binnen het gebied bepaalde activiteiten als bedoeld in bijlage VII van het Bkl worden toegelaten. In een omgevingsplan wordt op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000. Daar wordt in ieder geval aan voldaan door inachtneming van de afstanden voor de activiteiten zoals opgenomen in de bijlagen van het Bkl. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een risicogebied externe veiligheid worden alleen onder voorwaarden beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen toegelaten. Zeer kwetsbare gebouwen zijn niet toegestaan.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een belemmeringengebied buisleiding laat het omgevingsplan geen (zeer) kwetsbare gebouwen toe en moet worden gewaarborgd dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad bij het toelaten van bepaalde andere bouwwerken en activiteiten.
In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties bepaalde afstanden in acht genomen. Een omgevingsplan laat binnen een explosieaandachtsgebied vuurwerk geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties toe. Onder voorwaarden kan een omgevingsplan dit alsnog toestaan.
In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties bepaalde afstanden in acht genomen. Een omgevingsplan laat binnen een civiel explosieaandachtsgebied bepaalde gebouwen, locaties en activiteiten niet toe, tenzij de aangegeven uitzonderingen zich voordoen of de genoemde criteria in acht worden genomen. Voor militaire explosieaandachtsgebieden zijn soortgelijke regels van toepassing.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen.
Paragraaf 4.10 van de verordening geeft instructieregels, voor omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken, over externe veiligheid. Gericht op het beperken van negatieve effecten op de woon-, werk- en leefomgeving bij calamiteiten bij transport over wegen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. En gericht op het kunnen blijven functioneren van essentiële functies en gebouwen in het geval van een crisis, ramp of andere calamiteit.
Gemeente
Omgevingsvisie
Externe veiligheid betreft de risico's als gevolg van het vervoer, de opslag en het werken met gevaarlijke stoffen. In Zwolle zijn met name de hoofdtransportassen door de stad van belang. Het gaat om de A28 en het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Bij de ontwikkeling rondom de genoemde assen, bedrijven en activiteiten houden we rekening met de risico's door de functies die daar worden toegestaan door middel van onder andere de afstand en de mogelijkheden voor ontvluchting en bestrijding. De gemeente Zwolle garandeert daarbij de basis-veiligheid voor haar inwoners. Onder basisveiligheid in het kader van externe veiligheid wordt verstaan:
Beleid externe veiligheid
Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico.
Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones, de gebieden binnen de invloedzones van routes gevaarlijke stoffen, is binnen het beleidskader een specifieke afwegingsmethodiek geformuleerd.
Het volgende onderzoek is uitgevoerd:
Binnen het plangebied zijn woningen beoogd. Deze gebouwen vallen volgens het Bkl onder kwetsbare gebouwen. Het plangebied ligt in de nabijheid van twee relevante bronnen. Dit zijn de A28 en een gasleiding. De plaatsgebonden risicocontouren van 10^-6 van beide bronnen liggen niet op het plangebied.
Voor de A28 geldt dat het brandaandachtsgebied niet op het plangebied ligt. Het explosie- en het gifwolksaandachtsgebied liggen wel op het plangebied. Het brandaandachtsgebied van de gasleiding bevindt zich op het plangebied. Andere aandachtsgebieden van de gasleiding zijn niet van toepassing. Samengevat valt het plangebied binnen de volgende aandachtsgebieden:
Explosiegebied A28
Bij een explosie op de A28 is het van belang dat de woningen niet dusdanig beschadigd worden dat er gevaar ontstaat voor de bewoners, bijvoorbeeld door rondvliegende scherven van glas. Om dit te voorkomen komen in de gevels, grenzend aan de Kranenburgweg, splinter werend glas in kozijnen die een explosie kunnen weerstaan. Van belang is ook dat mensen vanaf de explosie op de A28 veilig kunnen vluchten. Daarom komen in het zuiden en oosten van het plangebied vluchtroutes De bewoners kunnen dan veilig vluchten naar het onderliggende woongebied. De evacuatietijd bij een explosie is zodoende zo kort mogelijk.
Toxisch gas
Bij de ontsnapping van toxisch gas in de omgeving is het van belang dat de woning een veilige plek biedt. Vluchten heeft bij een gifwolk geen zin. De bewoners moeten binnen blijven en schuilen. Om die reden wordt het ventilatiesysteem van iedere woning uitgevoerd als afsluitbaar systeem. Indien een gifwolk binnen het plangebied aanwezig is, dan kan dit systeem gesloten worden. Dit is via het Bbl geregeld. Daarvoor hoeft in het omgevingsplan geen regel te komen.
Fakkelbrand gasleiding
In het rapport is een berekening externe veiligheid opgenomen om de hoogte van het groepsrisico in beeld te brengen. Deze is onder de Omgevingswet niet meer verplicht, maar kan wel nog steeds gebruikt worden voor een indicatie van de hoogte van het groepsrisico. In de berekening is uitgegaan van een toevoeging van 40 woningen. Het groepsrisico komt daarbij ver beneden de oriëntatiewaarde uit. Dat wil zeggen dat de toevoeging van een aantal woningen conform de huidige plannen niet noemenswaardig zal bijdragen aan de toename van het groepsrisico.
De gasleiding ligt op een korte afstand van de woningen. Maatregelen aan de woningen leiden tot vergaande bouwmaatregelen waarvan de vraag is of dit doelmatig is. Voor de woningen worden geen aanvullende eisen opgenomen. Om het risico te beheersen, is het van belang dat mensen bij een mogelijke fakkelbrand veilig kunnen vluchten. Hiervoor komen aan de zuid- en oostkant van het plangebied vluchtroutes.
Maatregelen
De veiligheidsregio heeft op basis van de te verwachten personendichtheid en verblijfstijd binnen het aandachtsgebied een advies uitgebracht aan Gemeente Zwolle, waarbij tevens is gekeken naar zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid.
Bereikbaarheid hulpdiensten
Wat betreft de toegankelijkheid voor hulpdiensten, is iedere voordeur vanaf de Kranenburgweg te bereiken. De risicobronnen vanuit externe veiligheid bevinden zich aan de noordzijde van het plangebied. Indien daarmee iets gebeurt, gaan hulpdiensten daarvoor naar de incidentlocatie en niet naar de wijk. Vanuit externe veiligheid is er om die reden geen, voor (zware) hulpdiensten toegankelijke, tweede ontsluiting van de wijk nodig. Dat wil zeggen dat de vluchtroute voor langzaam verkeer (voetgangers, fietsers, etc) volstaat.
Communicatie
In het kader van externe veiligheid is communicatie over de risico's en beheersmaatregelen van groot belang. Niet alleen in de uitvoeringsfase, maar zeker ook in de aankoopfase en de gebruiksfase van het nieuwe woongebied. De risico's en maatregelen in de uitvoeringsfase worden opgenomen in het BLVC plan, zodat dit voor uitvoerende partijen helder is. Tevens worden de bewoners door middel van een informatiekaart in de meterkast van de woningen geïnformeerd over de risico's en de vluchtroutes.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor externe veiligheid.
Er is vanuit het onderwerp externe veiligheid aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij de inrichting van de buitenruimte gaat het om instructieregels over de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
Paragraaf 5.1.8 stelt dat, als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening gehouden wordt met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Gemeente
Omgevingsvisie
De buitenruimte van Zwolle maakt deel uit van het in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen opgenomen raamwerk. De buitenruimte heeft meerdere functies: we verblijven in de buitenruimte, we bewegen en sporten in de buitenruimte en bovenal is de buitenruimte de plek om elkaar te ontmoeten. We vinden het heel belangrijk dat de buitenruimte voor een ieder toegankelijk is. De toegankelijkheid past bij het gebruik van het gebied. Toegankelijkheid nemen we als randvoorwaarde mee bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving. Zo krijgt een inclusief Zwolle echt vorm.
Door het verder verstedelijken gaat de buitenruimte intensiever gebruikt worden. Verstedelijken doen we in Zwolle op een zorgvuldige manier. Daarom stellen we bij de ontwikkeling van transformatiegebieden en herinrichtingsprojecten stadaard een aantal vragen om invulling te geven aan een goed ontwerp van de buitenruimte. Dit op basis van drie elementen die bepalend zijn voor een goed functioneren van die buitenruimte: bescherming, comfort en plezier. Het bieden van bescherming is een randvoorwaarde. Het gaat dan bijvoorbeeld om verkeersveiligheid, sociale veiligheid en bescherming tegen luchtverontreiniging. Zonder deze bescherming ga je niet naar buiten, tenzij het niet anders kan. Daarna is het bieden van comfort belangrijk. Comfort nodigt uit naar buiten te gaan; er is goede bestrating, ook voor rolstoel of wandelwagen. Het fiets- en voetpad is comfortabel en je hoeft niet steeds te stoppen bij verkeerslichten. En er is een bankje om te zitten, kijken, luisteren of gesprekken te voeren. De laatste is dat de buitenruimte kwaliteiten heeft die plezier en buitengeluk geven. Tijdens het fietsen kom je langs plekken en gebouwen waar je van geniet, met een menselijke maat, met veel groen en een fijn klimaat (temperatuur / zon / schaduw / luwte).
Wat betreft de inrichting van de buitenruimte wordt voldaan aan de APvE van gemeente Zwolle, zoals deze wordt aangehecht aan de anterieure overeenkomst. De verkeersdynamiek, het water en het wonen aan de rand van de bebouwde kom maken dat het borgen van de sociale en fysieke gezondheid en veiligheid van bewoners aandacht vraagt.
Het plan voor de inrichting van de buitenruimte bevordert de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking. Het ontwerp is en wordt gebaseerd op de drie elementen die bepalend zijn voor een goed functioneren van die buitenruimte: bescherming, comfort en plezier. Met het plan wordt een sociaal veilige buitenruimte gecreëerd dat uitnodigt voor verblijf.
Groen en blauw is duidelijk aanwezig in de omgeving. Dit kan veel positieve effecten hebben voor de gezondheid en het welbevinden van bewoners. Groen werkt stres verlagend en heeft een positief effect op de mentale gezondheid. Ook nodigt groen uit tot meer bewegen en elkaar ontmoeten. Door in het groene hart van het plan met natuurlijke elementen (boomstammen en stapstenen in de wadi) te zorgen voor spelaanleiding worden ook kinderen gemotiveerd tot spelen in en met natuur. Bij het aanleggen van groen rondom wordt tevens rekening gehouden met een goede biodiversiteit en het vermijden van sterk allergene soorten (hooikoorts) om zo plagen (m.n. de eikenprocessierups en teken) en hooikoortsklachten te verminderen.
De straten in het plangebied worden ontworpen op het beoogde gebruik, de gebruiksintensiteit en het type (voorkeurs)gebruiker. Een groot deel van de parkeerplaatsen is, dicht bij de centrale inrit, te bereiken (via de gebouwpoort). Daar waar dit de voetgangersroute doorkruist is voldoende zicht. Door deze centrale parkeervoorziening, een beperkt aantal andere parkeerplaatsen in het plan én het ontmoedigen van inrijden van het overige plangebied (middels met de landschapsinrichting mee-ontworpen elementen en borden) worden overige zones autoluw.
Enkel bewoners met een eigen parkeerplek (na)bij de woning zullen door dit gebied rijden. In het profiel van straten in het plangebied heeft de fietser en voetganger dan ook een duidelijke en dominante plek. Daar waar routes tevens bestemd zijn voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer, is middels een andere kleur en type bestrating een duidelijke zone geduid voor de voetganger. Dit maakt dat elkaar passerend autoverkeer afgeremd wordt en op elkaar moet wachten wanneer het (voet)pad in gebruik is. In het plan zijn hiervoor auto opstelzones aangeduid. Deze zijn ook geduid als opstelplek voor bezorgdiensten voor laden en lossen. Het profiel van voetpaden is voldoende voor het gebruik van hulpdiensten, zodat deze nabij iedere woning kunnen komen.
De mandelige groenzone is door bebouwing grotendeels afgeschermd van verkeersgeluid. Eén van de functies van de mandelige groenzone is een speelplek voor jonge kinderen. Wanneer het geregend heeft kan hier gedurende een periode water blijven staan dat natuurlijk infiltreert in de bodem. De diepte van deze wateropvang, ofwel wadi, is 30cm. Vanwege deze ondiepe uitvoering is het risico op verdrinking van jonge kinderen klein, maar raden we aanwonenden aan om hun kinderen hier niet te laten spelen na een hevige regenbui. Overig water wordt opgavangen op het parkeerterrein achter het westelijke volume. Hier infiltreert het water sneller door de ondergrondse kratten. De watergang rondom de planlocatie wordt van het plan gescheiden door begroeiing, een helling en het schouwpad.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor inrichting buitenruimte.
Er is vanuit het onderwerp inrichting buitenruimte geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Een plan-milieueffectrapport is een milieueffectrapport (MER) bij een vast te stellen plan. De procedure die hierbij hoort, heet de plan-milieueffectrapportage (m.e.r.). In een aantal situaties is het verplicht een plan-mer-beoordeling te doen.
Er gelden twee eisen voor de plan-mer-plicht.
De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan (art. 16.34, eerste lid Ow). Een (wijziging van het) omgevingsplan is zo'n plan.
De tweede eis is:
Op deze tweede eis geldt echter een uitzondering. Artikel 3, lid 3 smb-richtlijn biedt de mogelijkheid van een plan-mer-beoordeling. Het plan moet dan wel aan voorwaarden voldoen, namelijk kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn, en er ook geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, is een plan-mer niet verplicht.(
Deze uitzondering gaat niet op als het omgevingsplan:
Bij een plan-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het plan aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Een plan-mer-beoordeling kan aan de orde zijn in twee situaties:
Het bevoegd gezag voor een omgevingsplan beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (art. 16.36 lid 5 Ow). Het bevoegd gezag raadpleegt daarvoor. En het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieu effecten, met de bijbehorende motivering op in het ontwerp van het plan (art. 11.1 Ob)
Het volgende onderzoek is uitgevoerd:
De als bijlage 12 bij deze motivering gevoegde 'Definitief Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Zwolle, Kranenburgweg' van januari 2025 betreft de plan mer-beoordeling voor deze wijziging omgevingsplan. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten.
Voor dit project is een plan-mer-beoordeling nodig. Uit de mer-beoordeling blijkt dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten en er geen plan-mer nodig is.
Er is vanuit het onderwerp milieueffectrapportage geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Gemeente
Omgevingsvisie
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van de aanwezige cultuurhistorie, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarden. Biodiversiteit maakt deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle. Biodiversiteit heeft raakvlakken met diverse thema's uit de visie. Zo draagt het behouden en versterken van biodiversiteit bij aan vitale, solidaire, gezonde en duurzame stadsdelen en een goed ontwikkelde groen- en waterstructuur.
Bij het ontwerp, de aanleg en beheer van de voorgenomen ontwikkeling is aandacht geweest voor het creëren van gunstige voorwaarden voor flora en fauna. Naast dat in de planuitwerking naar de bebouwing wordt gekeken, wordt ook aandacht besteed aan de (privé) buitenruimtes en de overgangen daarvan naar het landschap, het mandelige gebied en de straten. Het ontwerp brengt daarmee gezondheid voor mens en dier de wijk in.
Op de locatie komen verschillende wadi's waar regenwater tijdelijk wordt opgevangen. De groene wadi's zijn een mooie plek om het voedselgebied voor vogels te vergroten door dood hout in de vorm van boomstammen te plaatsen, waardoor insecten worden aangetrokken.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor natuur inclusief en biodiversiteit.
Er is vanuit het onderwerp natuur inclusief en biodiversiteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Gebiedsbescherming
Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden. Dit met het oog op de natuurbescherming. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming is gelet op artikel 11.6 Bal verplicht:
Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.6 lid 2 Bal.
Artikel 16.53c Omgevingswet bepaalt dat voor een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van Natura-2000 gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.
Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening voor de Natura 2000-activiteit plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
Soortenbescherming
Afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Dit met het oog op onder andere de natuurbescherming. Degene die activiteiten aangaande flora en fauna verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbescherming is gelet op artikel 11.27 Bal verplicht:
Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.27 lid 2 Bal.
Voor een flora- en fauna-activiteit kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beoordelingsregels voor het verlenen van zo'n vergunning staan in paragraaf 8.6.2 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij natuurwaarden en ecologie gaat het om instructieregels over Nationale Landschappen, het Natuurnetwerk Nederland en daarbuiten gelegen bos-en natuurgebieden.
Afdeling 4.7 van de verordening geeft instructieregels gericht op behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. En gericht op duurzaam ontwikkelen en in stand houden van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Overijssel -het Natuurnetwerk Nederland- met bestaande en potentiële natuurwaarden die van (inter)nationaal belang zijn en het daarmee veiligstellen van ecosystemen en de flora- en faunasoorten die daarvan onderdeel uitmaken.
Paragraaf 4.7.3 van de verordening geeft instructieregels voor bos en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omgevingsplannen die betrekking hebben op deze gebieden moeten blijven voorzien in regels die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden, waarbij in ieder geval het kappen van houtopstanden niet is toegestaan. Alleen onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen.
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit natuurwaarden zijn dat:
De omgevingsvisie bevat een natuurwaardenkaart, welke onder andere de (zeer) waardevolle gebieden aanwijst.
De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd:
Gebiedsbescherming
Het plangebied grenst direct aan Natura2000-gebieden. Hierbij is het van belang om de stikstofeffecten te berekenen die vanwege de voorgenomen ontwikkeling op dat gebied neerslaat. Tijdens de bouw kan verstoring van natuur, indien nodig, geminimaliseerd worden door een (geluids)scherm te plaatsen en niet met kunstmatig licht te werken. Andere effecten op de Natura 2000-gebieden en/of het Natuurnetwerk Nederland zijn uit te sluiten.
Soortenbescherming
In 2018 heeft een quickscan plaatsgevonden die vervolgens in 2024 is aangevuld. Daaruit is gebleken dat in het plangebied de aanwezigheid van marterachtigen niet uitgesloten kunnen worden. Ook zijn sporen van hazen aangetroffen en meldingen geweest vanwege de aanwezigheid van diverse andere soorten.
Uit aanvullend onderzoek is gebleken dat het leefgebied van bruine blauwtjes wordt aangetast met het planvoornemen. Met de specifieke zorgplicht dient er onder de Omgevingswet rekening te worden gehouden met rode lijst soorten. Voor deze soorten geldt geen vergunningplicht. Ook verdwijnt naar alle waarschijnlijkheid een vaste rust/-voortplaningsplaats van de egel doordat groene zomen en hoge begroeiing als braamstruiken worden verwijderd. In totaal gaat naar verwachting circa 1 hectare leefgebied van de egel verloren. Hetzelfde is van toepassing op het leefgebied van de bunzing. Deze soort is in het projectgebied waargenomen.
Een Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit voor de egel is voor de uitvoering van de werkzaamheden vereist. Hiervoor is dan ook een activiteitenplan opgesteld t.b.v. de aanvraag van een Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit waarin tevens compenserende en mitigerende maatregelen worden omschreven.
Stikstof
Het plangebied ligt nabij het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een grotere afstand. De stikstofdepositie als gevolg van het plan en de mogelijke gevolgen hiervan op omliggende Natura 2000-gebieden zijn in beeld gebracht. Om dit inzichtelijk te maken, is een AERIUS-berekening met de meest recente versie van AERIUS uitgevoerd. Uit de berekening volgt voor de aanlegfase een maximale depositie van 0,08 mol N/ha/jaar op het habitattype H6510B, op vier andere habitattypen is er een toename van 0,02 of 0,01 mol N/ha/jaar. Dit zijn tijdelijke deposities. Wanneer de bouw van de woningen klaar is, zullen deze deposities niet meer plaatsvinden. Voor de gebruiksfase is een depositie van 0,02 mol N/ha/jaar op het habitattype H6510B berekend. Op andere habitattypen vindt in de gebruiksfase geen depositie plaats. De depositie in de gebruiksfase is permanent.
Omdat in beide fases een depositietoename plaatsvindt, zijn op voorhand significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied niet uitgesloten. Om die reden is een ecologische beoordeling van de stikstofdepositie uitgevoerd. In de ecologische beoordeling is onderzocht of de toename aan stikstofdepositie voor significante negatieve effecten zorgt. Uit het onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie niet leidt tot een aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden zijn voor het plan dan ook uitgesloten.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor natuurwaarden en ecologie.
Er is vanuit het onderwerp natuurwaarden en ecologie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Economische uitvoerbaarheid
Met deze planmotivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit").
Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
In artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”.
Met dit omgevingsplan wordt een aangewezen bouwactiviteit mogelijk gemaakt waarvoor kostenverhaal verplicht is.
Er is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin alle verplicht te verhalen kosten worden verhaald. Daarin staan onder andere afspraken over het verhaal van ambtelijke kosten (plankosten), de door gemeente te doorlopen ruimtelijke procedure voor het wijzigen van het Omgevingsplan en de bijdrage die initiatiefnemer doet voor aanpassingen in het openbaar gebied. Ook worden hierin uitgangspunten opgenomen over het moment van grondoverdracht tussen Van der Valk en initiatiefnemer, met het oog op borging van de realisatie van de ontwikkelplannen.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het project Berkummer Dijck mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.
Er is vanuit het onderwerp financieel-economische uitvoerbaarheid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Het omgevingsplan geeft regels gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het tijdelijke omgevingsplan van Zwolle bestaat uit alle (voormalige) bestemmingsplannen, de 'bruidsschat' en enkele lokale verordeningen (Hemelwaterverordening 2023 Zwolle, Geurverordening Wijthmen - deelgebied Het Buyten van Zwolle en hoofdstuk 4 van de Erfgoedverordening Zwolle 2024). Rijk en provincie geven instructieregels over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, die bij een wijziging van het omgevingsplan een directe betekenis hebben. Deze instructieregels staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Daarnaast bestaat ook nog andere wetgeving, met regels over de fysieke leefomgeving. Deze regels kunnen indirect betekenis hebben bij een wijziging van het omgevingsplan. Als op voorhand aannemelijk is dat door deze regels een nieuwe functie binnen een redelijke termijn niet kan worden gerealiseerd, dan komt de uitvoerbaarheid van de wijziging mogelijk in het geding. Reden dan ook om de wijziging van het omgevingsplan hierop te beoordelen.
Het betreft een groot aantal regels. Het merendeel hiervan zal de voorliggende wijziging niet direct raken. De onderwerpen en activiteiten in deze regels hebben geen betekenis bij dit project, hebben geen invloed op de evenwichtige toedeling bij dit project danwel volstaan voor het bereiken van die evenwichtige toedeling. Op voorhand is voldoende aannemelijk dat deze de realisatie niet in de weg staan. Het betreft onder andere regels uit:
Voor een aantal regels is er aanleiding voor een verdiepende toets. Zo'n aanleiding bestaat als op voorhand helder is dat de betreffende regelgeving de wijziging direct raakt. Bijvoorbeeld als een wijziging ziet op woningbouw op een plek waar waardevolle bomen staan is er een directe relatie tot de gemeentelijke bomenverordening, welke de uitvoerbaarheid van de woningbouw in de weg kan staan. Of als een flora en fauna activiteit aan de orde is. Die beoordeling vindt plaats bij het betreffende onderwerp in de hoofdstukken 6 tot en met 9.
Planregels moeten toetsbaar en handhaafbaar zijn. Toetsing aan de regels kan preventief. Een bepaalde activiteit wordt dan in het omgevingsplan alleen toegestaan als deze vooraf aan het college van burgemeester en wethouders wordt voorgelegd. Met een vergunningenstelsel kan in het omgevingsplan het college de bevoegdheid gegeven worden om af te wijken van het plan. Dit onder bepaalde in het plan opgenomen beoordelingsregels. Naast een toetsing vooraf kan ook repressief getoetst worden, dus achteraf. Dit is aan de orde als feitelijk in overtreding met de planregels wordt gehandeld. Zo nodig kan handhavend worden opgetreden.
Redenen voor preventief toetsen in de vorm van een vergunningplicht kan onder andere zijn:
Een concrete, objectieve normstelling bij een planregel zou reden kunnen zijn voor uitsluitend een toetsing achteraf.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van het definitieve Zwolse omgevingsplan is bestaande kaders beleidsarm over te zetten. Op basis daarvan worden de vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege overgenomen in het definitieve plan.
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden een aantal gebruiksactiviteiten toegestaan binnen het wijzigingsgebied. Deze activiteiten zijn geobjectiveerd met onder andere definities, aanduidingen en normen.
Waar mogelijk is aangesloten op al aanwezige vergunningenstelsels, zoals voor bouwen. Deze wijziging omgevingsplan geeft op het wijzigingsgebied toegespitste nadere, objecief begrensde beoordelingsregels. De regels betreffen onder andere thema's als beeldkwaliteit, landschap, water, geluid, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en ecologie.
Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk 'omgevingsplan van rechtswege'. Zo ook de voor het voorliggende projectgebied relevante bestemmingsplannen (opsomming, incl parapluherzieningen). Het omgevingsplan bestaat verder uit de Bruidsschat en een aantal gemeentelijke verordeningen De Bruidsschat betreft een aantal regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn verhuisd naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten.
Er is in algemene zin vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen directe aanleiding bij dit project de regels in het omgevingsplan van rechtswege uit het deel van de Bruidsschat en de lokale verordeningen te herzien. De onderwerpen en activiteiten in deze regels hebben geen betekenis bij dit project, hebben geen invloed op de evenwichtige toedeling bij dit project danwel volstaan voor het bereiken van die evenwichtige toedeling. En op voorhand is voldoende aannemelijk dat deze de realisatie niet in de weg staat.
Voor een beperkt aantal regels is er aanleiding geweest voor een verdiepende toets. Zo'n aanleiding bestaat als op voorhand helder is dat de betreffende regel de wijziging direct raakt. Het resultaat hiervan, inclusief de gevolgen voor de planregels, staat beschreven bij het betreffende onderwerp in de hoofdstukken 6 tot en met 9 en in de onderstaande paragrafen.
Wijziging omgevingsplan van rechtswege
Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan betreft planregels met een motivering. De voorliggende motivering geeft een onderbouwing van het besluit. Het motiveert dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
De planregels gaan deel uitmaken van het omgevingsplan. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Verder wordt, als onderdeel van de regels, door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd.
Deze wijziging van het omgevingsplan past de TAM-IMRO methode toe. Daarmee wordt via de IMRO-standaard het omgevingsplan gewijzigd. Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD methode te gebruiken (artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties).
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling 'Berkummer Dijck' op de locatie 'Kranenburgweg' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22p) van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.
Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk '22q' van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22q' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22q' gelezen worden.
Planregels
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit wijzigingsbesluit gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
Werkingsgebied
Deze wijziging omgevingsplan betreft uitsluitend de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kranenburgweg, Berkummerdijck', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestandNL.IMRO.0193.TAMh22q- 0004 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.
Procedure
De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit 'omgevingsplan van rechtswege' te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. De van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
De procedure is in te delen in 3 procedurestappen:
De gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel een milieueffectrapport op. De gemeente geeft in het digitale gemeenteblad kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 3:12, Awb). In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken. Dit heet participatie (artikelen 16.29, Ow, en 10.2, lid 1, Ob.).
De gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente plaatst het ontwerpbesluit integraal in het digitale gemeenteblad (artikel 10.3c, Ob) en legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11, Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen.
Als er tijdens de termijn van 6 weken geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn gekomen, dan: doet de gemeente hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het elektronische gemeenteblad, en neemt de gemeente het besluit binnen 4 weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken (artikel 3:18, lid 4, Awb)
De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De planregels zijn ondergebracht in hoofdstuk 22q van het omgevingsplan.
Als eerste bevat de regels een pré-ambule. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de Bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van dit plan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22q van het omgevingsplan.
Dit deel van de planregels geeft het toepassingsbereik, de begripsbepalingen en meet- en rekenbepalingen voor deze wijziging van het omgevingsplan.
Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt de 'bestemmingsplanregels' uit het (tijdelijke) omgevingsplan van rechtswege. Artikel 1 verklaart deze 'bestemmingsplanregeling' niet van toepassing. Dit artikel duidt ook exact het gebied waar hoofdstuk 22q op van toepassing is.
Hoofdstuk 22q maakt deel uit van het Omgevingsplan Zwolle, wat inhoudt dat ook de regels uit hoofdstuk 22 (Bruidsschat) van toepassing zijn (tenzij specifiek is bepaald dat de regel alleen geldt voor het tijdelijke deel, te herkennen met de zinsnede 'in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet'). Dit artikel maakt duidelijk dat de regels in hoofdstuk 22q voorrang hebben ten opzichte van de regels in afdeling 22.2 en 22.3. De regeling in afdeling 22.2 paragraaf 22.7.7.3. over vergunningvrij bouwen is hiervan uitgezonderd. Deze blijft onverkort gelden.
Hoofdstuk 1 van de Bruidsschat verklaart de begripsbepalingen zoals opgenomen in de bijlagen van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling van toepassing op hoofdstuk 22. Hoofdstuk 22 bevat zelf ook een bijlage met begrippen.
Met artikel 2 worden al deze begrippen ook van toepassing verklaard op hoofdstuk 22q. Als aanvulling daarop geeft dit artikel meerdere begripsbepalingen, die in hoofdzaak de begrippen uit het bestemmingsplandeel van het tijdelijke omgevingsplan vervangen
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft, als aanvulling op de bepalingen uit hoofdstuk 22, meet- en rekenbepalingen, die in hoofdzaak de bepalingen uit het bestemmingsplandeel van het tijdelijke omgevingsplan vervangen.
Dit deel van de planregels geeft een aantal regels die een algemene werking hebben voor het gehele gebied waar deze wijziging van het omgevingsplan op ziet.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden functies en activiteiten toegedeeld. Het gaat bijvoorbeeld om de functie Wonen. Vastgelegd wordt welk gebruik per functie wordt toegestaan. Met dit algemene gebruiksverbod wordt geborgd dat gronden en bouwwerken niet anders gebruikt worden dan toegestaan.
Dit artikel vervangt de anti-dubbeltelregel, zoals opgenomen in het bestemmingsplannendeel van het tijdelijke omgevingsplan. Doel van de regel is te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een perceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld
Dit deel van de planregels geeft, vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, per locatie de passend geachte functie(s). De onderbouwing en inhoudelijke uitgangspunten voor deze regels staan in hoofdstuk 3 tot en met 9 van deze motivering. Per functie zijn de toegestane gebruiksactiviteiten bepaald.
Voor de buitenruimte, langs de grenzen van het plangebied en het groene hart, is de functie Groen opgenomen. Het toegestane gebruik beperkt zich tot groenvoorzieningen en daaraan verwant gebruik, zoals bijvoorbeeld recreatief medegebruik, toegangswegen, voetpaden en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Ter verduidelijking is een niet-limitatieve opsomming gegeven welke voorzieningen ten dienste van de activiteiten zijn toegestaan. Voorbeelden hiervan zijn wadi's, geluidwerende voorzieningen en trafo's.
Artikel 9 Verkeer - Erftoegangswegen
De toegangswegen in het wijzigingsgebied worden aangeduid als 'overige zone - functie Verkeer - Erftoegangswegen'. Ter plaatse zijn dan ook erftoegangswegen toegestaan. Daarop aanvullend kunnen de gronden worden gebruikt voor de realisatie van voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en recreatief mede gebruik. Ook parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn toegestaan.
De bestaande waterkering (dijk) binnen het wijzigingsgebied met aanliggende gronden wordt aangeduid als 'overige zone - functie Waterstaatswerk'. Met deze functie wordt het huidige gebruik gecontinueerd.
Doel van waterkeringen is het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen en wateroverlast. Deze waterstaatsbelangen vereisen bescherming. De taak hiervoor ligt primair bij het waterschap. Het waterschap heeft deze bescherming geborgd met de waterschapsverordening. De waterschapsverordening stelt vanuit diverse watergerelateerde doelen en belangen eisen aan bepaalde activiteiten. Met daaraan gekoppeld vergunningplichten. Het gaat dan om een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Overigens bevatten ook het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving eisen vanuit watergerelateerde doelen en belangen. Gelet hierop is er geen aanleiding in het omgevingsplan verdere eisen hierover op te nemen.
De gronden met de functie 'overige zone - functie Waterstaatswerk' kennen deels ook een andere functies. Het omgevingsplan laat ter plekke dus ook andere activiteiten toe, waarvan het aannemelijk is dat deze het functioneren van de dijk niet belemmeren.
Dit alles betreft omgevingsplanactiviteiten. Activiteiten vanuit een eigen omgevingsplan-gerelateerd doel. Met, zo nodig, een eigen vergunningenstelsel. Dit betekent dat bij een bepaalde activiteit zowel vanuit het omgevingsplan als de waterschapsverordening eisen kunnen worden gesteld en mogelijk een omgevingsvergunningplicht geldt. Het gaat dan om respectievelijk een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Als dit aan de orde is kan zo'n activiteit pas uitgevoerd worden als beide vergunningen verleend zijn.
Artikel 11 Wonen - Eengezinshuizen en Artikel 12 Wonen - Meergezinshuizen
De beoogde woningen in het plangebied zijn voorzien van de functie Wonen – eengezinswoning en (voor het appartementengebouw) Wonen – Meergezinshuizen'.
Het plan maakt in totaal 28 grondgebonden (c.q. eengezinswoningen) mogelijk. Ook wordt een meergezinshuis mogelijk gemaakt wat inhoudt dat wonen ins toegestaan in woningen welke deel uitmaken van het appartementengebouw.
Binnen de betreffende gronden en bebouwing ter plaatse van deze functies zijn gebruik in de vorm van voorzieningen behorende bij danwel ondergeschikt aan de in dit artikel bepaalde gebruiksactiviteiten toegestaan. Ook een beroep of bedrijf aan huis is onder voorwaarden toegestaan.
Middels werkingsgebieden worden de maatvoeringen gekoppeld aan delen van het plangebied. Er gelden specifieke regels als het gaat om woningcategorieën.
Hoofdstuk 4 (Algemene) regels over activiteiten
Dit deel van de planregels geeft algemene regels over activiteiten anders dan gebruiksactiviteiten. Bij deze wijziging omgevingsplan gaat het om bouwactiviteiten en activiteiten gericht op het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. In beginsel bevatten deze artikelen de grondslag voor een omgevingsvergunningenstelsel. Wat inhoudt dat als eerste een verbod wordt gesteld op het uitvoeren van de activiteit zonder dat een omgevingsvergunning is verleend. Gevolgd door de algemene regels (criteria) waaraan een aanvraag wordt beoordeeld.
Waar vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitsluitend specifieke, op een bepaald onderwerp gerichte beoordelingsregels volstaan, zijn deze ondergebracht bij het betreffende thema in het volgende hoofdstuk 5
Artikel 22.26 van hoofdstuk 22 geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.29 geeft de beoordelingsregels waaraan een (binnenplanse) aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken moeten worden getoetst. Lid 1 sub a geeft aan dat de activiteit niet in strijd mag zijn met de in het omgevingsplan gestelde bouwregels.
Artikel 14 geeft (aanvullende) beoordelingsregels op dit onderdeel. Het bevat regels voor bouwen binnen bouwvlakken, buiten bouwvlakken en overige bouwwerken. Elk met een eigen werkingsgebied.
Binnen het werkingsgebied aangeduid als 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bouwvlak' zijn hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan. Binnen de werkingsgebieden zijn normen opgenomen welke de maximale bouwhoogte in meters geeft. Deze gebieden liggen ter plekke van de beoogde nieuwbouw.
Binnen het werkingsgebied 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bijbehorende bouwwerken' zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan. Deze gebieden liggen ter plaatse van de beoogde buitenruimte. Het totale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken en de hoogte zijn gemaximaliseerd.
Binnen het werkingsgebied 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - overige bouwwerken' zijn overige bouwwerken, zoals bijvoorbeeld erfafscheidingen en pergola's, toegestaan. Deze zijn in beginsel over het gehele complex toegestaan.
Dit deel van de planregels geeft, vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, regels die zich specifiek richten op het beschermen en/of versterken van bepaalde thema's. Het zijn thema's over bepaalde elementen van de fysieke leefomgeving, met een eigen specifiek oogmerk. De onderbouwing en inhoudelijke uitgangspunten voor deze regels staan in hoofdstuk 3 tot en met 9 van deze motivering.
Ieder artikel in dit hoofdstuk kent een eigen thema. De opbouw van de artikelen is gelijk. Als eerste wordt met het toepassingsbereik aangegeven waar en bij welke activiteiten het artikel geldt. Vervolgens wordt het oogmerk van het artikel gegeven. Wat is het inhoudelijke doel. De kern van het artikel betreft de beoordelingsregels. Als een aanvraag omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied van het artikel ligt en een daarin aangewezen activiteit betreft, dan moet de aanvraag mede getoetst worden aan de beoordelingsregels in dat artikel. Vaak vereisen deze beoordelingsregels specifieke acties en/of maatregelen. Daar waar nodig worden per artikel nog op uitvoering gerichte regels gesteld, bijvoorbeeld over de aanvraagvereisten, vergunningvoorschriften en meet- en rekenbepalingen.
Artikel 15 Erfgoed - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde
Gebieden met een archeologische (verwachtingswaarde) krijgen een werkingsgebied aangeduid met 'overige zone - thema erfgoed - gebieden met een archeologische verwachtingswaarde'. Oogmerk van de regel is het behouden van het cultureel erfgoed. Bij een activiteit bouwen of uitvoeren van werken of werkzaamheden in dit werkingsgebied wordt, bij (mogelijke) verstoringen in de bodem met een grotere diepte dan 0,5 meter en een grotere oppervlakte dan 100 m², een omgevingsvergunning alleen verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit lid 3. Deze richten zich op het, waar nodig, overleggen van een archeologisch onderzoek. Voor onderhavige ontwikkeling is archeologich onderzoek uitgevoerd waaruit is gebleken dat tot een diepte van 1,0 meter, er geen archeologische waarden zijn te verwachten.
Artikel 16 Omgevingskwaliteit - Beeldkwaliteit bouwwerken
Voor gebieden met een werkingsgebied aangeduid met 'omgevingskwaliteit - beeldkwaliteit bouwwerken' geeft dit artikel regels met als oogmerk een voldoende kwaliteit van het uiterlijk van bouwwerken in het plangebied. Bij een activiteit bouwen in deze werkingsgebieden wordt een omgevingsvergunning alleen verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit lid 3. Het uiterlijk van bouwwerken mag niet in strijd zijn met redelijke eisen van beeldkwaliteit. Dit moet getoetst worden volgens de in bijlage 2 van de planregels opgenomen criteria.
Dit artikel regelt verder dat een aanvraag of ontwerpbesluit omgevingsvergunning bouwen voor advies moet worden voorgelegd aan de gemeentelijke Adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle.
De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het behoud van het aanwezige reliëf ter plaatse van het talud.
Het Toepassingsbereik is aan de orde voor de gronden die op de verbeelding zijn aangeduid met 'overige zone - thema natuur en landschap - bescherming landschapswaarden reliëf'.
Artikel 18 Milieu - geluid bij wegen
Voor gebieden met een werkingsgebied aangeduid met 'overige zone - thema geluid - geluid bij wegen' geeft dit artikel regels met als oogmerk het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder het voorkomen of beperken van geluidhinder. Het werkingsgebied betreft alleen de locaties waar (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen toegestaan worden. Bij een activiteit bouwen in dit werkingsgebied wordt een omgevingsvergunning alleen verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit lid 3.
De beoordelingsregels stellen het volgende. Het geluid van een weg op de gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen mag niet meer bedragen dan de standaardwaarde, zoals aangegeven in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Als het geluid meer bedraagt dan de standaardwaarde kan de omgevingsvergunning worden verleend mits de betreffende woningen ieder minimaal één geluidluwe gevel hebben. En bij woningen met buitenruimte(n), minimaal één buitenruimte aan de minst geluidbelaste gevel van de woning ligt. Deze regel geeft geen verplichting tot het realiseren van een buitenruimte.
Het geluid van een weg op gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen mag niet meer bedragen dan de grenswaarde, zoals aangegeven in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De precieze maatregelen die voor bovenstaande getroffen moeten worden, kunnen ingevuld worden bij de omgevingsvergunning.
Dit artikel geeft verder onder andere op het thema gerichte aanvraagvereisten, een bevoegdheid tot het stellen van vergunningvoorschriften en meet- en rekenbepalingen. Ook geeft dit artikel uitvoering aan de in artikel 5.78ad Besluit kwaliteit leefomgeving gestelde verplichting tot het vastleggen in het omgevingsplan van de waarde voor het gezamenlijke geluid. Met daaraan gekoppeld een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften, in die zin dat er een andere, lagere waarde kan worden bepaald.
Artikel 19 Mobiliteit - Parkeren
In dit artikel wordt geregeld dat bij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of afwijken gebruiksactiviteit wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen.
Het werkingsgebied van dit artikel betreft het gehele wijzigingsgebied van het omgevingsplan. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeeropgave, zoals neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle”, zoals vastgesteld op 27 maart 2025. Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, indien anderszins in voldoende ruimte kan worden voorzien. Tenslotte kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken, als voldoen aan het bepaalde door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
Artikel 20 Mobiliteit - Laden en lossen
Artikel 20 regelt dat bij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of afwijken gebruiksactiviteit wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen op eigen terrein. Het werkingsgebied van dit artikel betreft het gehele wijzigingsgebied van het omgevingsplan. Daarbij moet worden voldaan worden aan het bepaalde in de “Regeling Parkeernormen Zwolle”, zoals vastgesteld op 27 maart 2025. Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, indien anderszins in voldoende ruimte kan worden voorzien. Ook kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken, als voldoen aan het bepaalde door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
Artikel 21 Omgevingsveiligheid
Voor gebieden met een werkingsgebied aangeduid met 'overige zone - thema milieu - externe veiligheid - voorschriftengebied explosiegevaar' en 'overige zone - thema milieu - omgevingsveiligheid - vluchtroutes' geeft dit artikel regels met als oogmerk het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder het waarborgen van de omgevingsveiligheid.
Het werkingsgebied 'overige zone - thema milieu - externe veiligheid - voorschriftengebied explosiegevaar' betreft alleen de locatie van de bestaande, te handhaven gebouwen, welke gelet op hun functie zeer kwetsbare gebouwen betreft. Dit voor zover gelegen binnen het aandachtsgebied. Het Besluit kwaliteit Leefomgeving verplicht in zo'n situatie de locatie in het omgevingsplan aan te wijzen als voorschriftengebied. In dit geval een explosievoorschriftengebied. Gevolg hiervan is dat, bij volledige nieuwbouw, de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt.
Het werkingsgebied 'overige zone - thema milieu - omgevingsveiligheid - vluchtroutes' betreft alleen de locatie waar de nieuwbouw voorzien is. In de planregels is het gebruik zodanig begrensd, dat het geen zeer kwetsbare gebouwen betreft. Ook is geregeld dat alleen huisvesting van zelfredzame personen is toegestaan. Met de aanwijzing van het werkingsgebied geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen de beoordelingsregel dat de bouwactiviteit voorziet in vluchtmogelijkheden van de rijksweg A28 af. De precieze maatregelen die hiervoor getroffen moeten worden, kunnen bepaald worden bij de omgevingsvergunning.
Dit deel van de planregels geeft het overgangsrecht.
Artikel 22 Overgangsrecht bouwen en werken
Het overgangsrecht gebruik is gebaseerd op het overgangsrecht, zoals opgenomen in het bestemmingsplandeel van het omgevingsplan van rechtswege.
Dit artikel duidt de planregels als 'Regels van het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kranenburgweg, Berkummerdijck''