direct naar inhoud van REGELS
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kranenburgweg, Berkummerdijck
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0193.TAMh22q-0004

REGELS

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie 'Kranenburgweg, Berkummerdijck' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22q) van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22q van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22q.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22q' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

    • a. De besluiten als bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld onder lid 3, voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
    • b. De regels in afdeling 22.2 van de Omgevingswet , met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22q.
    • c. De regels in dit hoofdstuk 22q zijn van toepassing op de locatie 'Berkummer Dijck', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0193.TAMh22q-0004 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22q.

2.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22q gelden aanvullend op artikel 2, lid 1, de volgende begripsbepalingen:

2.2.1 Omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Zwolle;

2.2.2 TAM omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kranenburgweg, Berkummerdijck

2.2.3 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.2.4 Adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle

de adviescommissie overeenkomstig de Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle.

2.2.5 Archeologische waarden

de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het belang voor de archeologie en de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

2.2.6 bebouwing

één of meer gebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of andere bouwwerken;

2.2.7 bedrijf aan huis

een bedrijf, dat in of bij een woning in ieder geval door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.2.8 beroep aan huis

een beroep, dat in ieder geval door de bewoner in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.2.9 eengezinshuis

een gebouw, dat één woning omvat;

2.2.10 erftoegangsweg

een straat of weg waar de doorgaande functie van het verkeer niet meer primair is en waar aandacht kan worden gegeven aan snelheidsreducerende maatregelen;

2.2.11 geluidluwe gevel

gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid, zijnde de gevel waar de standaardwaarde per bronsoort niet wordt overschreden;

2.2.12 geluidluw spuien

indien het invallend geluid op het lage spuiraam hoger is dan de standaardwaarde, wordt een akoestisch rooster toegepast met een geluidreductie (Rw;ctr) van mimimaal 5 dB. De afmeting van de opening is bepaald voor een bovengrens van de achterliggende verblijfsruimte van 10 m² voor spuiventilatie;

2.2.13 huishouden

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en een gezamenlijke huishouding voeren;

2.2.14 huishoudinkomen

uitgangspunt is het verzamelinkomen in het berekeningsjaar op basis van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), of wanneer bij betrokkene geen inkomstenbelasting wordt geheven, het belastbare loon volgens de Wet op de loonbelasting 1964;

2.2.15 ingebruikname

het moment waarop een woning voor het eerst feitelijk in gebruik wordt genomen door bewoning;

2.2.16 inwoning

twee huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meerdere voorzieningen en (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn;

2.2.17 landschapswaarden

de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur;

2.2.18 meergezinshuis

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

2.2.19 normaal onderhoud

werkzaamheden die regelmatig nodig zijn voor een goed beheer van de gronden en/of bouwwerken;

2.2.20 openbare nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, zoals gas-, water-, elektriciteits- en communicatievoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de inzameling van afval;

2.2.21 opslag

het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard;

2.2.22 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

2.2.23 ruimtelijke kwaliteit

de kwaliteit gevormd door de evenwichtige samenhang tussen (openbare) ruimte en gebouwde elementen;

2.2.24 sociale huurwoning

huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;

2.2.25 stedenbouwkundig beeld

het beeld dat wordt opgeroepen door het samengaan van gebouwde elementen, beplantingselementen en onbebouwde ruimten;

2.2.26 straatpeil
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);
  • voor bouwwerken die geen hoofdtoegang hebben, de hoogte vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
2.2.27 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, waarbij inwoning is toegestaan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen als bedoeld in 3.8;

3.3 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of, bij het ontbreken van één of meerdere gevelvlakken, de buitenwerkse maar, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, dan wel tussen het maaiveld bij het ontbreken van een begane grondvloer, de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of, bij het ontbreken van één of meer gevelvlakken, de buitenwerkse maat, en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.5 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.6 de vloeroppervlakte van een woning:

binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor wonen;

3.7 de afstand tot de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw:

van enig punt van een bouwwerk tot de naar de weg toegekeerde gevel van dat gebouw. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen blijven plinten, pilasters, dorpels, kozijnen, gevelversieringen, overstekende dakgoten en daken tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing;

3.8 ondergeschikte bouwdelen die buiten beschouwing gelaten moeten worden:
  • a. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als stoeptreden, ventilatiekanalen, schoorstenen, antennes, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, daken buiten beschouwing gelaten, mits:
    • 1. de overschrijding van aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,30 meter bedraagt;
    • 2. een erker aan een naar de weg toegekeerde gevel van een woning niet breder is dan 3/5 deel van de betreffende gevel.
  • b. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen blijven plinten, pilasters, dorpels, kozijnen, gevelversieringen, overstekende dakgoten en daken tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing.
3.9 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
    de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd:
    het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil).

Hoofdstuk 2 Algemeen

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten .

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Hoofdstuk 3 Functies

Artikel 6 Groen

6.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Groen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor erftoegangswegen;
  • b. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voet- en fietspaden;
  • c. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor parkeervoorzieningen;
  • d. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor groenvoorzieningen;
  • e. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor recreatief medegebruik;
  • g. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a. tot en met f benoemde activiteiten, zoals: speel- en sportvoorzieningen, wadi's, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusiviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, infrastructurele voorzieningen en nutsvoorzieningen.

Artikel 7 Hoofdgasleidingen

7.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Hoofdgasleidingen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. een ondergronds transport van gas door een hoge druk aardgastransportleiding;
  • b. het beheer en onderhoud van de leiding;
  • c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding.
7.2 Toepassingsbereik
  • a. In het gebied met de aanduiding 'overige zone – functie Hoofdgasleidingen' is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  • 1. het aanbrengen of verwijderen van bomen of andere beplantingen, welke diep wortelen, waaronder rietbeplanting;
  • 2. het afgraven of ophogen van gronden;
  • 3. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • 4. het diepploegen;
  • 5. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • 6. het plaatsen van onroerende objecten, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • 7. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins in de bodem drijven van voorwerpen;
  • 8. het aanbrengen van een gesloten verharding. .
  • b. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing, indien de werkzaamheden:
  • 1. het normale onderhoud betreffen;
  • 2. voorkomen op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
  • 3. mechanisch worden uitgevoerd en daarmee vallen onder de werking van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
  • 4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
7.3 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op de bescherming van de aanwezige ondergrondse aardgastransportleiding.

7.4 Beoordelingsregels

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, zoals aangegeven in artikel 7, lid 1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend, indien:

  • a. geen afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding;
  • b. de veiligheid van mens, dier en goederen niet in gevaar wordt gebracht;
  • c. geen kwetsbaar object wordt toegelaten;
  • d. vooraf advies is ingewonnen van de betrokken leidingbeheerder.
7.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van de ondergrondse aardgastransportleiding voorschriften worden verbonden.

Artikel 8 Hoofdrioolpersleidingen

8.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie hoofdrioolpersleidingen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. een ondergrondse afvalwatertransportleiding;
  • b. het beheer en onderhoud van de leiding;
  • c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding.
8.2 Toepassingsbereik
  • a. In het gebied met de aanduiding 'overige zone – functie Hoofdrioolpersleidingen' is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  • 1. het aanbrengen of verwijderen van bomen of andere beplantingen, welke diep wortelen;
  • 2. het afgraven of ophogen van gronden;
  • 3. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins in de bodem drijven van voorwerpen;
  • 4. het aanbrengen van een gesloten verharding.
  • b. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing, indien de werkzaamheden:
  • 1. het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • 2. betrekking hebben op andere werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
8.3 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op de bescherming van de aanwezige ondergrondse rioolpersleiding.

8.4 Beoordelingsregels

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, zoals aangegeven in artikel 8, lid 1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend, indien de bescherming van de rioolpersleiding, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld.

8.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van de ondergrondse afvalwatertransportleiding voorschriften worden verbonden.

Artikel 9 Verkeer - Erftoegangswegen

9.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Verkeer - Erftoegangswegen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor erftoegangswegen;
  • b. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voet- en fietspaden;
  • c. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor parkeervoorzieningen;
  • d. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor groenvoorzieningen;
  • e. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor recreatief medegebruik;
  • g. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a. tot en met f benoemde activiteiten, zoals: speel- en sportvoorzieningen, water, wadi's, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusiviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, infrastructurele voorzieningen en nutsvoorzieningen.

Artikel 10 Waterstaatswerk

10.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Waterstaatswerk' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor primaire waterkeringen, zoals dijken;
  • b. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor waterhuishouding;
  • c. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a en sub b benoemde activiteiten, zoals: civiele werken, infrasrstructurele voorzieningen, nutsvoorzieningen.

Artikel 11 Wonen - Eengezinshuizen

11.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Wonen - Eengezinshuizen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor eengezinshuizen;
  • b. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor beroep of bedrijf aan huis, met dien verstande dat de vloeroppervlakte die voor beroep of bedrijf aan huis wordt gebruikt niet groter mag zijn dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning met inbegrip van de bijbehorende bouwwerken, met een absoluut maximum van 50 m².
  • c. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a en sub b benoemde activiteiten, zoals: paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, wadi's, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusiviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, tuinen en erven.
11.2 Specifieke functieregels - maximum aantal woningen

In het gebied met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' geldt als maximum aantal woningen de daar bepaalde norm in aantallen.
11.3 Specifieke functieregels - woningcategorieën

In het gebied met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – woningcategorie' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. Van het totaal aantal toegestane woningen, zoals aangegeven onder artikel 11.2 en 12.2 moet:
  • 1. Minimaal 12 woningen onder de categorie sociale huurwoning vallen;
  • 2. Minimaal 5 woningen onder de categorie middelduur 1 vallen;
  • 3. Minimaal 7 woningen onder de categorie middelduur 2 vallen;
  • 4. Minimaal 16 woningen onder de categorie duur vallen;
  • b. Het gebruik van de onder sub a1 bedoelde woningen als sociale huurwoningen, dient in stand te blijven voor de doelgroep, gedurende een termijn van 25 jaar na ingebruikname van de sociale huurwoningen.
  • c. Het gebruik van de onder sub a2 bedoelde woningen zoals middeldure 1 , dient in stand te blijven voor de doelgroep, gedurende een termijn van 20 jaar na ingebruikname van de middeldure 1 woningen.
  • d. Het gebruik van de onder sub a3 bedoelde woningen als middelduur 2 woningen, dient in stand te blijven voor de doelgroep, gedurende een termijn van 20 jaar na ingebruikname van middeldure 2 woningen.
  • e. De doelgroep voor sociale huurwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal de hoge inkomensgrens uit het Besluit toegelaten instellingen volhuisvesting 2015.
11.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een strijdig gebruik wordt binnen de functie Wonen - Eengezinshuizen in ieder geval gerekend:

  • a. Het gebruik van vrijstaande gebouwen buiten de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bouwvlak' als zelfstandige woning;
  • b. het gebruik van bebouwing als zeer kwetsbaar gebouw;
  • c. Het verhuren of anderszins beschikbaar stellen van woonruimte aan derden ten behoeve van de uitoefening van een beroep hoe gering ook van omvang tenzij een afwijkend gebruik is toegestaan;
  • d. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • e. Het gebruik van onbebouwde gronden als opslagplaats anders dan voor opslag ten behoeve van normaal tuinonderhoud;
  • f. Het gebruik van onbebouwde gronden als stallingsplaats of standplaats van kampeermiddelen.

Artikel 12 Wonen - Meergezinshuizen

12.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Wonen - Meergezinshuizen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor meergezinshuizen mits het huisvesting van zelfredzame personen betreft;
  • b. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor multifunctionele en gemeenschappelijke ruimten behorende bij het bepaalde onder sub a;
  • c. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a en sub b benoemde activiteiten en/of de activiteiten genoemd onder sub a en b, zoals: wegen en paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, wadi's, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusieviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, tuinen en erven.
12.2 Specifieke functieregels - maximum aantal woningen

In het gebied met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' geldt als maximum aantal woningen de daar bepaalde norm in aantallen.
12.3 Specifieke functieregels - woningcategorieën

In het gebied met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – woningcategorie' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. Van het totaal aantal toegestane woningen, zoals aangegeven onder artikel 11.2 en 12.2 moet:
  • 1. Minimaal 12 woningen onder de categorie sociale huurwoning vallen;
  • 2. Minimaal 5 woningen onder de categorie middelduur 1 vallen;
  • 3. Minimaal 7 woningen onder de categorie middelduur 2 vallen;
  • 4. Minimaal 16 woningen onder de categorie duur vallen;
  • b. Het gebruik van de onder sub a1 bedoelde woningen als sociale huurwoningen, dient in stand te blijven voor de doelgroep, gedurende een termijn van 25 jaar na ingebruikname van de sociale huurwoningen
  • c. Het gebruik van de onder sub a2 bedoelde woningen zoals middeldure huur 1 , dient in stand te blijven voor de doelgroep, gedurende een termijn van 20 jaar na ingebruikname van de middeldure 1 woningen
  • d. Het gebruik van de onder sub a3 bedoelde woningen als middelduur 2 woningen, dient in stand te blijven voor de doelgroep, gedurende een termijn van 20 jaar na ingebruikname van middeldure 2 woningen.
  • e. De doelgroep voor sociale huurwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal de hoge inkomensgrens uit het Besluit toegelaten instellingen volhuisvesting 2015.
12.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een strijdig gebruik als bedoeld in artikel 10 wordt binnen de functie Wonen - Meergezinshuizen in ieder geval gerekend:

  • a. Het gebruik van vrijstaande gebouwen buiten de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bouwvlak' als zelfstandige woning;
  • b. het gebruik van bebouwing als zeer kwetsbaar gebouw;
  • c. Het verhuren of anderszins beschikbaar stellen van woonruimte aan derden ten behoeve van de uitoefening van een beroep hoe gering ook van omvang tenzij een afwijkend gebruik is toegestaan;
  • d. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • e. Het gebruik van onbebouwde gronden als opslagplaats anders dan voor opslag ten behoeve van normaal tuinonderhoud;
  • f. Het gebruik van onbebouwde gronden als stallingsplaats of standplaats van kampeermiddelen.

Hoofdstuk 4 (Algemene) regels over activiteiten

Artikel 13 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden voor alle activiteiten voor het ambtsgebied van de gemeente Zwolle die zijn geregeld in dit omgevingsplan, behalve als een regel in dit omgevingsplan iets anders bepaalt.

Artikel 14 Bouwactiviteiten

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk gelden de volgende beoordelingsregels:

14.1 Aanvullende beoordelingsregels voor gebouwen binnen bouwvlakken
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen – bouwvlak' zijn hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - maximale goothoogte' geldt als maximum goothoogte van een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken de daar bepaalde norm in meters.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - maximale bouwhoogte' geldt als maximum bouwhoogte van een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken de daar bepaalde norm in meters.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - maximale oppervlakte bijbehorende bouwwerken' geldt als maximum oppervlak aan bijbehorende bouwwerken de daar bepaalde norm in vierkante meters.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - maximale bouwhoogte bijbehorende bouwwerken' geldt als maximum bouwhoogte aan bijbehorende bouwwerken de daar bepaalde norm in meters.
14.2 Aanvullende beoordelingsregels voor gebouwen buiten bouwvlakken
  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – regels over bovengronds bouwen – bijbehorende bouwwerken 'zijn geen hoofdgebouwen toegestaan.
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – regels over bovengronds bouwen - bijbehorende bouwwerken' zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan. De maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerk bedraagt 3 meter. Het maximale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding bedraagt 100 m2.
14.3 Aanvullende beoordelingsregels overige bouwwerken
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - overige bouwwerken' zijn overige bouwwerken toegestaan.
  • b. De bouwhoogte van erf- of perceelafscheidingen mag niet meer dan 1 meter bedragen, maar de bouwhoogte van erf- of perceelafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, indien:
    • 1. op het erf of perceel al een gebouw staat, waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat;
    • 2. gebouwd wordt achter de naar de weg toegekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, niet genoemd onder sub b, mag niet meer dan 10 meter bedragen.
14.4 Afwijken van beoordelingsregels bouwactiviteiten

In afwijking van de beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in dit hoofdstuk 22q, kan een omgevingsvergunning toch worden verleend, uitsluitend voor zover het een afwijking betreft van:

  • a. het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen om toe te staan dat de bouwhoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen van bouwdelen die niet van ondergeschikte aard zijn, als, liftkokers, trappenhuizen, en lichtkappen, wordt vergroot, mits:
    • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 50 m² bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximum bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt;
  • b. de aanduidingsgrenzen, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de aanduidingsgrenzen, ten behoeve van balkons, mits de overschrijding niet meer dan 3 meter bedraagt;
  • d. afwijkingen, zoals bedoeld onder sub a, sub b en sub c, kan uitsluitend onder de voorwaarde dat deze past binnen het stedenbouwkundige beeld dat met het plan wordt beoogd en er geen onevenredige hinder ontstaat voor de omgeving.

Hoofdstuk 5 Thema's

Artikel 15 Erfgoed - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde

15.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema erfgoed - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
  • b. een omgevingsplanactiviteit uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden,

voor zover, door die activiteit(en), de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter en over een grotere oppervlakte dan 100 m² zal kunnen worden verstoord

15.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

15.3 Beoordelingsregels archeologie

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, zoals aangegeven in artikel 15, lid 1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend, indien de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld.

15.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 15, lid 1 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
  • b. het verstrekken van een rapport, als bedoeld onder sub a, is niet vereist indien dat, in het belang van de archeologische monumentenzorg, niet noodzakelijk wordt geacht door het bevoegd gezag.
15.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. De verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 16 Omgevingskwaliteit - Beeldkwaliteit bouwwerken

16.1 Toepassingsbereik
  • a. het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema omgevingskwaliteit - beeldkwaliteit bouwwerken' gelden de regels uit dit artikel bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist;
  • b. Het bepaalde in afdeling 22.2 artikel 22.7 en artikel 22.29, lid 1, onder b, is niet van toepassing in het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema omgevingskwaliteit - beeldkwaliteit bouwwerken'.
16.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het bereiken van een voldoende kwaliteit van het uiterlijk van bouwwerken.

16.3 Beoordelingsregels uiterlijk van bouwwerken
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zoals aangegeven in artikel 16 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat het uiterlijk van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van beeldkwaliteit, beoordeeld volgens de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22q deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken
  • b. De beoordelingsregel onder sub a is niet van toepassing bij een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is;
  • c. De beoordelingsregel onder sub a is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22q deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken toch moet worden verleend.
16.4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, zoals aangegeven in afdeling 22.2 artikel 22.35 onder i, zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk 22q, bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk, welke beoordeeld wordt volgens de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22q deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken

16.5 Advies

Een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk wordt voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle.

16.6 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het bereiken en in stand houden van een voldoende kwaliteit van het uiterlijk van bouwwerken.voorschriften worden verbonden.

16.7 Repressieve beeldkwaliteit

Het uiterlijk van een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van beeldkwaliteit, beoordeeld volgens de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22q deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken. Indien niet wordt voldaan aan het bepaalde onder sub a, kan het college van burgemeester en wethouders, degene die als eigenaar van een bouwwerk dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen daaraan, met een maatwerkvoorschrift verplichten tot het binnen een door hem te bepalen termijn treffen van zodanige door hem daarbij aan te geven voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan het bepaalde onder sub a.

Artikel 17 Landschap - reliëf

17.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema landschap - bescherming landschapswaarden reliëf' reliëf' gelden de regels uit dit artikel bij een omgevingsplanactiviteit uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, uitsluitend voor zover het betreft:

  • a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontgronden, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. verticale diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 0,30 meter;
  • c. het graven, vergraven of dempen, verdiepen of verbreden van watergangen, vijvers en poelen.
17.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het bereiken en in stand houden van het aanwezige reliëf.

17.3 Specifieke beoordelingsregels

In afwijking van de beoordelingsregels, zoals bedoeld in artikel 17, lid 3, kan een omgevingsvergunning toch worden verleend indien:

  • a. naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate rekening wordt gehouden met het behoud van het reliëf.
17.4 Beoordelingsregels

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, wordt de omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien:

  • a. de werkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van de maatregelen ter verwezenlijking van het inrichtingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2 Bescherming landschapswaarden reliëf bij de regels van dit plan;
  • b. de werkzaamheden betrekking hebben op het normale onderhoud.
17.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van het behoud van het reliëf.

Artikel 18 Milieu - geluid bij wegen

18.1 Toepassingsbereik

 In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - geluid bij wegen' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover het gaat om een geluidgevoelig gebouw.

18.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder op het voorkomen of beperken van geluidhinde

18.3 Beoordelingsregels uiterlijk van bouwwerken
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zoals aangegeven in artikel 18, wordt de omgevingsvergunning verleend onder de voorwaarde dat het geluid van een weg op de gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, bedoeld in de onderstaande tabel:

Geluidbronsoort   Standaardwaarden  
Provinciale wegen   50 Lden  
Gemeentewegen Waterschapswegen   53 Lden  

  • b. Als het geluid van een weg op gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen meer bedraagt dan de standaardwaarde, wordt dat: omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat:
  • 1. de betreffende woningen ieder minimaal één geluidluwe gevel hebben, en/of
  • 2. bij woningen met buitenruimte(n), minimaal één buitenruimte aan de minst geluidbelaste gevel van de woning ligt;
  • c. Het geluid van een weg op gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen mag niet meer bedragen dan de grenswaarde, bedoeld in de onderstaande tabel:

Geluidbronsoort   Grenswaarde  
Provinciale wegen   60 Lden  
Gemeentewegen Waterschapswegen   70 Lden  

  • d. Bij een omgevingsvergunning kan door het bevoegd gezag worden afgeweken van het bepaalde in sub b door een akoestisch gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel moet tenminste hetzelfde resultaat worden bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
18.4 Gezamenlijk geluid
  • a. In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - geluid bij wegen' geldt, als waarde voor het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, 64 Lden.;
  • b. De waarde voor het gezamenlijk geluid, zoals aangegeven onder sub a, geldt uitsluitend daar waar de standaardwaarde wordt overschreden;
  • c. Met een maatwerkvoorschrift kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van de waarde onder sub a.
18.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 18, lid 1, worden, aanvullend op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in afdeling 22.2 artikel 22.35, gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 18.3, en, voor zover aan de orde, het bepaalde in artikel 18.4.

18.6 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen zich in ieder geval ertoe strekken dat de toe te passen maatregelen als bedoeld in artikel 18.3 worden uitgevoerd en in stand worden gehouden.

18.7 Meet- en rekenbepaling

Op het bepalen van het geluid zijn de in de Omgevingsregeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 19 Mobiliteit - Parkeren

19.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema mobiliteit - regels over parkeren' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
  • een omgevingsplanactiviteit afwijken gebruiksactiviteit
19.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van parkeerhinder.

19.3 Beoordelingsregels parkeren

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning activiteit afwijken gebruik, zoals aangegeven in artikel 19.1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat:

  • a. is verzekerd, dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeeropgave, zoals neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (27 maart 2025). Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging;
  • b. de onder sub a bedoelde plaatsen voor het parkeren van motorvoertuigen afmetingen hebben die afgestemd zijn op de voorwaarden, zoals neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (27 maart 2025). Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging
19.4 Specifieke beoordelingsregels parkeren

Bij een omgevingsvergunning kan door het bevoegd gezag worden afgeweken van het bepaalde in artikel 19.3 sub a:

  • a. voor zover op andere wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
  • b. voor zover door een maatregel geen of minder dan de nodige parkeergelegenheid noodzakelijk is;
  • c. voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Bij de toepassing van deze afwijking wordt rekening gehouden met de afwijkingsvoorwaarden, zoals deze zijn neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (27 maart 2025). Indien deze regeling wordt gewijzigd moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

19.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 19.1 worden, aanvullend op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in afdeling 22.2 artikel 22.35, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een beschrijving van de beoogde parkeeroplossing als de aanvraag niet voorziet in parkeren op eigen terrein.
19.6 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van parkeerhinder voorschriften worden verbonden die ertoe strekken dat de toe te passen maatregelen, waarmee aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 19.3 wordt voldaan, worden uitgevoerd en in stand worden gehouden

Artikel 20 Mobiliteit - Laden en lossen

20.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema mobiliteit - regels over laden en lossen' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken;
  • b. een omgevingsplanactiviteit afwijken gebruiksactiviteit.

 

20.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van hinder ten gevolge van laden en lossen.

20.3 Beoordelingsregels

Indien de functie van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen moet, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning voor een activiteit afwijken gebruik, zoals aangegeven in artikel 20 zijn verzekerd, dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen. Daarbij moet worden voldaan worden aan het bepaalde in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (27 maart 2025). Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

20.4 Afwijken van de beoordelingsregels

Bij een omgevingsvergunning kan door het bevoegd gezag worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.3:

  • a. voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien;
  • b. voor zover door een maatregel geen of minder dan de nodige laad- of losruimte noodzakelijk is;
  • c. voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Bij de toepassing van deze afwijking wordt rekening gehouden met de afwijkingsvoorwaarden, zoals deze zijn neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (27 maart 2025). Indien deze regeling wordt gewijzigd moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

20.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van hinder ten gevolge van laden en lossen voorschriften worden verbonden die ertoe strekken dat de toe te passen maatregelen, waarmee aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 20.3, wordt voldaan, worden uitgevoerd en in stand worden gehouden.

Artikel 21 Omgevingsveiligheid

21.1 Toepassingsbereik
  • a. In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - omgevingsveiligheid - vluchtroutes' gelden de regels uit dit artikel bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
  • b. In het gebeid met de aanduiding 'overige zone – thema milieu – omgevingsveiligheid – voorschriftengebied explosiegevaar' gelden de regels uit dit artikel bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
21.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder op het waarborgen van de omgevingsveiligheid.

21.3 Beoordelingsregels
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zoals aangegeven in artikel 21.1, sub a, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat de bouwactiviteit voorziet in vluchtmogelijkheden van de rijksweg A28 en de gasleiding afgericht;
  • b. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zoals aangegeven in artikel 21.1 sub b, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat de bouwactiviteit voorziet in een toepassing van beglazing zodanig dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen;
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en/of sub b, door een gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel moet ten minste hetzelfde resultaat worden bereikt als met de voorgeschreven maatregelen wordt beoogd.
21.4 Vergunningvoorschrift

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het waarborgen van de omgevingsveiligheid voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 6 Overgangsrecht

Artikel 22 Overgangsrecht bouwen en werken

  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van artikel 22, lid 1, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, of uitgevoerd kunnen worden krachtens een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden, zijn toegestaan.
  • 4. Artikel 22 lid 1, is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
  • 5. Artikel 22 lid 3, is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, die uitgevoerd worden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar uitgevoerd worden zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 23 Overgangsrecht gebruik

  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 23 lid 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld artikel 23 lid 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Artikel 23 lid 1, is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met dit omgevingsplan voor de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 24 Titel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kranenburgweg, Berkummerdijck'.