direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Aanleiding en doel

1.1 Aanleiding

Dit plan is tot stand gekomen omdat er op het agrarische perceel aan de Nijenhaerweg 16 in Beuningen geen veehouderij meer aanwezig is. De initiatiefnemer is voornemens om door middel van de Rood-voor-Rood regeling 2 compensatiewoningen op het perceel te realiseren. Daarnaast wordt met het voorliggende plan de bestaande bedrijfswoning op het perceel omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een reguliere woning. Om gebruik te kunnen maken van de Rood-voor-Rood regeling dient de landschapontsierende bebouwing op het agrarische perceel gesloopt te worden. In totaal wordt er 1.801 m² aan landschapontsierende bebouwing gesloopt, bestaande uit 3 schuren (1.060 m², 223 m² en 396 m²) op het perceel aan de Nijenhaerweg 16 en een silo (122 m²) op het perceel ten noorden van de Nijenhaerweg 16, nabij de Paandersdijk 6. Voor de overige 150 m² aan sloopmeters wordt gebruik gemaakt van een sloopvoucher, afkomstig van de Hanhofweg 19 in De Lutte.

De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan van de gemeente Losser. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken moet er een wijziging van het omgevingsplan plaatsvinden. Het voorliggende TAM-omgevingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

1.2.1 Ligging

Het plangebied is gelegen aan de Nijenhaerweg 16 in Beuningen. Het betreft een locatie in het buitengebied van de gemeente Losser. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk agrarische gronden en verspreide woonfuncties aanwezig. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Losser, sectie A, perceelnummers 3271 (deels), 3274 en 3747 (deels). Daarnaast wordt er op het kadastrale perceel bekend als gemeente Losser, sectie A, perceelnummer 3066 een silo gesloopt om aan het aantal benodigde sloopmeters te kunnen voldoen. Dit perceel heeft een relatie met het perceel aan de Nijenhaerweg 16 in Beuningen, waardoor ook dit perceel onderdeel is van voorliggend plan.

Figuur 1.1 toont de globale ligging van de twee percelen die onderdeel zijn van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0001.png" Figuur 1.1: globale ligging plangebied, rood omkaderd (bron: kadastralekaart.com)

1.2.2 Begrenzing

De begrenzing van het plangebied aan de Nijenhaerweg 16 wordt in figuur 1.2 globaal weergegeven met een rode omkadering. Het plangebied wordt aan alle zijden begrensd door agrarische gronden. Daarnaast wordt de westzijde begrensd door het woonerf aan de Voortmansweg 8.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0002.png"

Figuur 1.2: globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: kadastralekaart.com)

Figuur 1.3 toont de begrenzing van het plangebied ten noorden van de Nijenhaerweg 16, naast de Paandersdijk 6. Dit gedeelte van het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door het woonerf aan de Paandersdijk 6, aan de zuidzijde door agrarische gronden en de oostzijde door de Nijenhaerweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0003.png"

Figuur 1.3: globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: kadastralekaart.com)

1.3 Geldend Omgevingsplan

De gronden van het plangebied zijn gelegen binnen de grenzen van het 'Omgevingsplan gemeente Losser', met als onderliggende plannen 'Buitengebied' en 'Partiële herziening Buitengebied, verzamelplan 2022'. Het plangebied is voorzien van de functies 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Agrarisch - 2'. Daarnaast zijn de volgende functie(s) en aanduidingen van toepassing.

  • 'Waarde - Archeologie 2';
  • 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied';
  • 'essen'.

Figuur 1.4 toont een uitsnede van de plankaart van het 'Omgevingsplan gemeente Losser' met het plangebied rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0004.png"

Figuur 1.4: uitsnede verbeelding geldend Omgevingsplan (bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)

De gronden met de functie 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zijn in hoofdzaak bedoeld voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat per bestemmingsvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan. Per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf worden gebouwd. De gronden met de functie 'Agrarisch - 2' zijn bedoeld voor agrarische cultuurgrond. De gronden ter hoogte van de aanduiding 'Essen' dienen de karakteristieke openheid, bodemkwaliteit en reliëf van essen en steilranden met bijbehorende beplanting te worden hersteld, behouden en ontwikkeld.

Het realiseren van twee compensatiewoningen en het regulier bewonen van de bestaande bedrijfswoning en de karakteristieke schuur is op basis van het geldende omgevingsplan niet toegestaan. Door middel van de Rood-voor-Rood-regeling, waarbij 1.950 m² aan landschapontsierende agrarische bebouwing gesloopt dient te worden, mogen twee compensatiewoningen gerealiseerd worden. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te kunnen maken moet het omgevingsplan gewijzigd worden. Het voorliggende TAM-omgevingsplan voorziet hierin.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige TAM-IMRO omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen' bestaat naast deze motivering uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie: NL.IMRO.0168.TAM22H-)
  • Bijlagen bij de motivering;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

Deze onderbouwing kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding, ligging en begrenzing van het plangebied omschreven. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader en de toetsing hieraan. In hoofdstuk 4 worden alle omgevingsaspecten behandeld die invloed hebben op de fysieke leefomgeving alsmede de daarbij behorende onderzoeken. Hoofdstuk 5 laat zien of het plan economisch en maatschappelijk uitvoerbaar is. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de planregels.

Hoofdstuk 2 Beoogde ontwikkeling

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch bedrijfsperceel waar de veehouderij inmiddels is gestopt. De bebouwing op het perceel bestaat uit een bedrijfswoning met karakteristiek schuur, ligboxenstal, werktuigenloods en werkplaats. Op het westelijke gedeelte van het plangebied is een kuilvoerplaats aanwezig. Daarnaast waren er nog twee kuilvoerplaatsen aanwezig in het noordelijke gedeelte van het plangebied. Deze twee kuilvoerplaatsen zijn reeds opgeruimd.

Het perceel is ontsloten aan de Nijenhaerweg met een eigen oprit. De gronden tussen de bebouwing bestaat voornamelijk uit verharding. De bebouwing en verharding is aan de zijde van de Nijenhaerweg afgeschermd met groen.

Figuur 2.1 toont een situatietekening van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0005.png"

Figuur 2.1: situatietekening bestaande situatie (bron: Loman Architecten BNA)

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens om gebruik te maken van de Rood-voor-Rood-regeling om twee compensatiewoningen met bijgebouwen mogelijk te kunnen maken op het perceel aan de Nijenhaerweg 16 te Beuningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een reguliere woning.

Op het perceel aan de Nijenhaerweg 16 wordt de landschapsontsierende agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt, bestaande uit de ligboxenstal, werktuigenloods en werkplaats. Daarnaast wordt een silo op het perceel ten noorden van de Nijenhaerweg 16, nabij de Paandersdijk 6 gesloopt.

Te slopen bebouwing   Oppervlakte  
Ligboxenstal   1.060 m²  
Werktuigenloods   223 m²  
Werkplaats   396 m²  
Silo   122 m²  
Totaal   1.801 m²  

In totaal wordt er 1.801 m² aan landschapontsierende bebouwing gesloopt. Figuur 2.2 toont de te slopen landschapontsiereende bebouwing op het perceel aan de Nijenhaerweg 16. In figuur 2.3 wordt de te slopen silo op het perceel ten noorden van de Nijenhaerweg 16, nabij de Paandersdijk 6 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0006.png"

Figuur 2.2: te slopen landschapontsierende bebouwing, perceel Nijenhaersweg 16 (bron: Gemeente Losser)

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0007.png"

Figuur 2.3: te slopen silo, perceel ten noorden van Nijenhaersweg 16, nabij Paandersdijk 6 (bron: Gemeente Losser)

Voor de overige 150 m² aan sloopmeters wordt gebruik gemaakt van een sloopvoucher, afkomstig van de Hanhofweg 19 in De Lutte. In totaal is er sprake van 1.951 m² aan sloopmeters.

Indeling woonerf

De bestaande bedrijfswoning met de karakteristieke schuur blijven behouden en worden omgezet naar reguliere woningen. Hierdoor ontstaan twee reguliere woningen. De twee compensatiewoningen worden ten zuiden hiervan gerealiseerd. In de nieuwe situatie zijn daarmee 4 reguliere woningen aanwezig op het erf. Elke woning heeft een eigen bijgebouw.

Op het woonerf wordt al het ware een 'lus' mat daarbinnen groen gerealiseerd, waarmee de woningen te bereiken zijn. Het parkeren vindt plaats op het eigen terrein.

Door het toevoegen van verschillende soorten groen en een subtiele afscheiding door middel van hagen tussen de woonpercelen, zijn de woonpercelen gescheiden, maar blijft er sprake van één woonerf.

Woning in karakteristieke schuur

Door 'Het Oversticht' is beoordeeld of de schuur aan de bestaande bedrijfswoning genoeg potentie heeft om als karakteristiek pand aangewezen te worden. Het advies van Het Oversticht is als volgt:

De onderzochte schuur is de vervanger van een oudere boerderij die op deze plek heeft gestaan. De boerderij is in 1959 reeds verbouwd tot een schuur, tegelijk met de nieuwbouw van een woning (de huidige woning). Vrij kort daarna is de boerderij gesloopt en vervangen door een volwaardige "moderne" schuur zoals je die veel zag in de jaren 60 van de vorige eeuw. In 1973 was uitbreiding van de schuur nodig en is waarschijnlijk de hele basis nogmaals opnieuw opgetrokken. De huidige schuur is daar het resultaat van.

  • De schuur is dus inmiddels ruim 50 jaar oud en is een goed voorbeeld van een voor die tijd moderne schuur.
  • Het casco is na die tijd niet meer veranderd. Dat wil zeggen de uiterlijke verschijningsvorm is gaaf en uit de bouwtijd.
  • Bovendien zijn er reeds veel agrarische gebouwen uit deze periode gesloopt.
  • De kapconstructie is geheel intact aanwezig.

De gemeente Losser heeft recent een nieuwe beleidsregel vastgesteld, dat ziet op het wonen in karakteristieke en monumentale gebouwen. De beleidsregel wordt nader getoetst in paragraaf 3.4.4.

Voor het toestaan van het bewonen van de karakteristieke schuur worden daarnaast de volgende voorwaarden gesteld.

Bij het toekomstige transformatieplan tot een woning, moeten de onderdelen van de schuur die de status rechtvaardigen, gerespecteerd worden. Dat wil zeggen behoud van het volume en de verschijningsvorm. De typische schuur indeling met staldeuren en betonnen ramen dient herkenbaar te blijven. De gesloten kap met de oranje pan en de sporenhouten constructie dient gehandhaafd te blijven. Beperk het bijplaatsen van dakramen en zorg dat deze niet aan de straatzijde gesitueerd worden, of in ieder geval zo min mogelijk. Respecteer de sobere uitstraling van de schuur. Geen snijvoegen, witte gevels en bonte windveren toepassen. Eenvoud siert deze schuur.

Het advies van Het Oversticht is als Bijlage 1 toegevoegd.

Landschappelijke inpassing

Het landschappelijk inpassingsplan van het perceel is te vinden in Bijlage 2 en de bijbehorende rapportage is te vinden in Bijlage 3.

Het erf ligt in het essenlandschap. Een kenmerk van dit landschapstype is dat de gebouwen speels rondom een centraal erf moeten worden geplaatst. Dat is op dit erf gedaan door een rol te geven aan de bestaande bomen op het erf, namelijk het middelpunt van het erf. De toegangsweg loopt rond over het erf waarbij de twee compensatiewoningen worden geschakeld aan deze toegangsweg.

De oriëntatie van de nieuwe woningen is gericht op het omliggende landschap. De zuidelijke groene omzoming wordt verschoven naar de erfgrenssituatie van de initiatiefnemer. De huidige zuidelijke houtopstand/singel bestaat uit voornamelijk inlandse eiken die op één boom na geen toekomstwaarde hebben omdat de singel de afgelopen jaren niet op de juiste wijze is onderhouden. De inlandse eik die behouden blijft, wordt weer opgenomen in een groene omzooming van het erf. De groene omzoming wordt vormgegeven door de aanplant van inheems plantmateriaal. Er ontstaat een duurzame groene omzoming welke ervoor zorgt dat de nieuwe woningen en bijgebouwen groen worden ingepast op het Twentse erf.

De toegepaste beplanting is een welkome aanvulling voor de biodiversiteit en past op deze plek in het landschap. Het hemelwater van het erf wordt opgevangen in de poel alvorens het water kan infiltreren in de bodem óf via een overstort in de omliggende agrarische percelen kan infiltreren. Schuttingen en hoge opgaande exoten moeten in het buitengebied voorkomen worden. Rondom de woning is een tuin voorzien. Hier is ruimte voor de meer cultuurlijke beplanting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0008.png"

Figuur 2.4: Landschappelijke inpassing nieuwe situatie (bron: Borgerink Groendesign)

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toets

Het plan heeft geen directe raakvlakken met de Nationale belangen zoals opgenomen in de NOVI. Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio's) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. Met de realisatie van de twee compensatiewoningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning en de karakteristieke schuur naar een reguliere woning wordt een bijdrage geleverd aan de woonbehoefte.

Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende plan een positieve bijdrage levert aan de ambities zoals benoemd in de NOVI.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Toets

Het voorliggende plan maakt twee nieuwe compensatiewoningen mogelijk en de bestaande bedrijfswoning en de karakteristieke schuur worden omgezet naar reguliere woningen. Feitelijk gezien worden er daarmee drie extra woningen toegevoegd. Op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) wordt de realisatie van 11 woningen niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien er slechts 3 woningen worden toegevoegd, is er in onderhavig geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De voorliggende motivering toont aan dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel

Provinciale Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De omgevingsvisie is, onder de Omgevingswet, een verplicht instrument voor het Rijk, provincies en gemeenten.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

Provinciale Omgevingsverordening

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0009.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes.

Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Deze zijn gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Afdeling 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:

Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)

  • 1. Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
    • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
    • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
    • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • 2. Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat:
    • a. (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en
    • b. mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.
  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvoor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden.

Planspecifiek

Het voorliggende plan maakt een ontwikkeling in de Groene Omgeving mogelijk. Het gaat hier om een rood-voor-rood plan, waarbij de landschapontsierende agrarische bebouwing wordt gesloopt en hiervoor in de plaats twee compensatiewoningen worden gebouwd. Daarnaast worden de bestaande bedrijfswoning en de karakteristieke schuur omgezet naar reguliere woningen.

De ontwikkeling vindt plaats binnen het huidige agrarische bouwperceel. De oppervlakte aan bebouwing neemt af ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast om kwaliteiten van de Groene Omgeving te behouden en versterken. Het landschappelijk inpassingsplan is als Bijlage 2 toegevoegd. Gesteld kan worden dat er voldoende rekening gehouden wordt met de ligging in de Groene Omgeving en er sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Het plan voldoet aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.7 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Planspecifiek

De landschapontsierende agrarische bebouwing op het perceel wordt gesloopt en hiervoor in de plaats worden in het kader van de Rood-voor-Rood regeling twee compensatiewoningen gerealiseerd. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast (zie Bijlage 2), waarbij rekening is gehouden met de karakteristieken en waarden van de omgeving. Daarmee is er sprake van een ontwikkeling met het oog op de ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan artikel 4.7 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.8 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)

  • 1. omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
    • a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;
    • b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en
    • c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Planspecifiek

In deze paragraaf wordt ingegaan op het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. er wordt getoetst aan het ter plaatse van toepassing zijnde ontwikkelingsperspectief en de verschillende relevante kaartlagen met gebiedskenmerken. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de ruimtelijke kwaliteit. Door de ontwikkeling goed landschappelijk in te passen en de landschapontsierende agrarische bebouwing te slopen vindt er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaats. Het plan voldoet aan artikel 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval is met name het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. van belang. In figuur 3.2 is een uitsnede van de kaart van dit ontwikkelingsperspectief behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0010.png"

Figuur 3.2: uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied ter hoogte van de Nijenhaerweg 16 in Beuningen is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor verschillende sectoren worden in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbonden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.

Toets

Op het perceel aan de Nijenhaerweg 16 is de veehouderij gestopt. Om die reden is een nieuwe invulling van het plangebied gewenst. Het plan voorziet in het slopen van de landschapontsierende agrarisch bebouwing. Hiervoor in de plaats worden twee compensatiewoningen gerealiseerd. De bestaande bedrijfswoning en de karakteristieke schuur worden omgezet naar een reguliere woningen. Wonen is een passende functie binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Door middel van een goede landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van de natuurlijke en landschappelijke waarden.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Aangezien de planlocatie in het buitengebied van de gemeente Losser ligt, zijn in dit geval met name de natuurlijke laag en laag van het agrarisch cultuurlandschap van belang.

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het plangebied het kenmerk 'Stuwwallen', zie figuur 3.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0011.png"

Figuur 3.3: natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken.

Toets

Rond het plangebied zijn hoogteverschillen aanwezig. Zo ligt het plangebied op één van de hogere punten in de omgeving. Met de inpassing van het plan is rekening gehouden met het landschap. Zo zijn er vanaf de percelen zichtlijnen over het landschap en wordt er een aanzienlijke hoeveelheid groen aangeplant met passende plant- en boomsoorten. Gesteld kan worden dat er voldoende rekening gehouden wordt met de gebiedskenmerken van de natuurlijke laag.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap geeft aan het plangebied het kenmerk 'Oude hoevenlandschap', zie figuur 3.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0012.png"

Figuur 3.4: laag van agrarisch cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven.

Toets

De rood-voor-rood ontwikkeling maakt de sloop van de landschapontsierende agrarische bebouwing mogelijk. Hiervoor in de plaats worden twee vrijstaande compensatiewoningen gerealiseerd. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en de karakteristieke schuur getransformeerd tot een nieuwe woning. De oppervlakte aan bebouwing neemt af en er wordt een aanzienlijke hoeveelheid groen aangeplant. Met de landschappelijke inpassing van het plan is rekening gehouden met zichtlijnen over het landschap en het versterken van de groenstructuren van het oude hoevenlandschap.

Laag van beleving

De laag van beleving geeft aan het plangebied het kenmerk 'Donkerte', zie figuur 3.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0013.png"

Figuur 3.5: laag van beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken,de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk.

Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. de ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder worden.

Toets

Het plangebied ligt in het buitengebied, waar het relatief donker is. In de huidige situatie is er (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Door het gebruik van de huidige bebouwing en het perceel is er sprake van verlichting. In de nieuwe situatie zullen er in totaal 4 woningen aanwezig zijn op het perceel. In de nieuwe situatie zal er net als in de huidige situatie sprake zijn van verlichting. Er zal geen extra verlichting langs de ontsluiting aangebracht worden. Gesteld kan worden dat de 'donkerte' zoveel als mogelijk gekoesterd blijft. Daarmee past het voorliggende plan binnen de ambities van de 'Laag van beleving'.

3.3 Waterschapbeleid

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Algemeen

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2027 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watervisie 2050

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.

De drie belangrijkste opgaves zijn:

  • de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
  • de waterkwaliteit die onder druk staat:
  • de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.

Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.

Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:

  • Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
  • Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
  • Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.

Weging van het waterbelang in voorliggend plan

Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • Grondwater;
  • Oppervlaktewater;
  • Regenwater en;
  • Afvalwater.

Toets

Op 14 augustus 2025 is de digitale watertoets (zie Bijlage 4) uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl, hieruit is gebleken dat in voorliggend geval sprake is van de korte procedure. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn en geen bezwaar heeft tegen dit plan.

Wateroverlast

Met voorliggend plan neemt de oppervlakte aan verharding af ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie is er op het perceel ca. 4.400 m² aan verharding aanwezig. In de nieuwe situatie bedraagt de oppervlakte aan verharding ca. 1.175 m², bestaande uit ca. 875 m² aan bebouwing (woningen en bijgebouwen) en ca. 300 m² aan overige verharding (ontsluiting en parkeren). Daarmee neemt de oppervlakte aan verharding met ca. 3.225 m² af.

Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in een wadi (ca. 150 m²) die in het noordoostelijke gedeelte van het plangebied wordt gerealiseerd. Het hemelwater van de bestaande woning en de te behouden karakteristieke woning wordt naar deze wadi geleid. Het hemelwater van de twee compensatiewoningen gaat via het oppervlak naar de sloot langs de Nijenhaerweg en richting de Voortmansweg. Daarnaast is er rond de woningen en het plangebied voldoende ruimte voor het hemelwater om in de bodem te infiltreren.

Waterkwalteit

Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Om de kwaliteit van het water te waarborgen, worden de volgende maatregelen getroffen: een Wadi en wordt er gebruik gemaakt van open klinker verharding en/of grind.

Riolering en Afvalwaterketen

Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Gezien het maaiveld verloop is het niet mogelijk om de meest zuidwestelijke woning onder vrijverval aan te sluiten op de bestaande pompput. Voor onderhavig plan zal de bestaande gemeentelijke riolering aangepast moeten worden. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden in een wadi, bestaande sloten en de bodem.

Grondwaterbeheer

De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Het hemelwater wordt opgevangen met een wadi, afgevoerd naar omliggende sloten en geinfiltreerd in de bodem. Door infiltratie wordt het grondwater op peil gehouden.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Losser

De gemeente Losser heeft de Omgevingsvisie Losser 2040 vastgesteld. In de Omgevingsvisie schets de gemeente Losser een toekomstbeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0014.png"

Figuur 3.6: schematische weergave Omgevingsvisie Losser (gemeente Losser)

In de Omgevingsvisie Losser zijn vier overkoepelende ambities geformuleerd:

  • 1. Een herkenbaar en gastvrij Losser.
  • 2. Een leefbaar en gezond losser.
  • 3. Een toekomstgericht Losser.
  • 4. Een innovatief en ondernemend Losser.

In de Omgevingsvisie wordt aangegeven dat het landelijk gebied transformeert naar een gebied waar landbouw, bedrijvigheid, wonen, recreatie, natuur, landschap en water een goede plek hebben gevonden.

Daarnaast worden in de Omgevingsvisie Losser gebiedsgerichte keuzes geformuleerd aan de hand van de zogenaamde 'Gebiedskompassen'.

Voor onderhavig plan is het gebiedskompas 'Aan de flank van de stuwwal' van belang.

Toets

Relevant voor de voorgenomen ontwikkeling is met name de ambitie 'een leefbaar en gezond Losser'. De gemeente wil verder werken aan een gemeente waar het voor jong en oud prettig wonen. Het realiseren van passende woningen is van belang. Het realiseren van woningen stimuleert de doorstroming op de woningmarkt. Vanwege de verhuisbewegingen kunnen bijvoorbeeld goedkopere woningen vrijkomen voor jongeren of starters.

Het plangebied ligt binnen het gebiedskompas 'Aan de flank van de stuwwal'. Op de flank van de stuwwal vormen de bosgebieden op de glooiingen van de stuwwal samen met de essen en kampen en de landgoederen een afwisselend, parkachtig landschap. De hoogteverschillen zijn spectaculair en zorgen voor prachtige uitzichten. Dit maakt het landschap waardevol en aantrekkelijk. Er zijn binnen dit gebiedskompas verschillende waarden aanwezig, zoals de karakteristieke hoogteverschillen, aaneengesloten bosgebieden en open weidegebieden. Het beoogde rood-voor-rood plan is landschappelijk ingepast (zie Bijlage 2). Hierbij is rekening gehouden met de waarden en karakteristieken van de omgeving.

3.4.2 Woonvisie 2021-2030 en Actualisatie woningopgave 2024-2034

Op 6 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Losser de Woonvisie 2021 - 2031 gemeente Losser vastgesteld en is het beleid op het gebied van wonen voor de komende tien jaar vastgelegd. Met het woonbeleid wil de gemeente Losser voorzien in voldoende, geschikte huisvesting van haar inwoners jong en oud. Daarnaast heeft de gemeente Losser op 12 november 2024 tevens de Actualisatie Woningopgave 2024-20234 vastgesteld.

In de 'Actualisatie Woonopgave' zijn de woningbouwopgave tot 2034 en de groeiambitie in beeld gebracht. Door de toevoeging van 560 woningen aan de woningopgave in de woonvisie heeft de gemeente Losser een nieuwe opgave van 1225 woningen tussen 2021 en 2034 en wordt invulling gegeven aan de groeiambitie. Dit draagt bij aan de regionale woningbouwopgave en hiermee kunnen onder meer de sleutelprojecten in gemeente Losser verder ontwikkeld worden. Daarbij is er ook aandacht voor de toevoeging van betaalbare woningen. In het volkshuisvestingsprogramma wordt het tweede deel van de groeiambitie van 275 woningen verder uitgewerkt.

In haar woningbouwprogramma houd de gemeente rekening met woningbouw op andere locaties waarvoor al een principebesluit aanwezig is, rood-voor-rood in het buitengebied, de invulling van opgave sociale huur uit de huidige woonvisie, wonen en zorg, woning- en kavelsplitsing en eventuele herontwikkelingen in de kernen die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit sluit ook aan op het uitgangspunt in de woonvisie en Regionale Woonagenda Twente om 'wonen' als vliegwiel in te zetten.

Toets

Het voorliggende plan maakt in het kader van de Rood-voor-Rood regeling twee nieuwe (vrijstaande) compensatiewoningen mogelijk. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte. Tevens levert het plan een bijdrage aan de doorstroming op de woningmarkt. De woningen kunnen er bijvoorbeeld voor zorgen dat (jonge) gezinnen verhuizen en er een goedkopere woning vrijkomt.

3.4.3 Beleidsnotitie Buitengebied met ruimtelijke kwaliteit

Door verschillende trends en ontwikkelingen verandert het buitengebied. Bij een deel van de agrarische bedrijven is sprake van schaalvergroting, specialisatie of verbreding. Anderzijds neemt het aantal agrarische bedrijven af door bedrijfsbeëindiging. Deze afname is niet nieuw. Het type bebouwing en de omvang (relatief grote stallen met gebrek aan architectonische kwaliteit en asbesthoudende daken) van de vrijkomende gebouwen is wel anders dan voorheen. Op basis van het op dit moment meest recente onderzoek zal tot 2030 ongeveer 98.000 m² aan bebouwing vrijkomen in de gemeente Losser. Leegstand van deze bebouwing leidt tot zeer onwenselijke gevolgen voor het buitengebied. Denk hierbij aan verwaarlozing van erven/bebouwing en verloedering van het landschap, afname van de sociaal-economische vitaliteit van het buitengebied, risico's voor de volksgezondheid en veiligheid en het risico op mogelijke ongewenste vormen van hergebruik.

De voorkeur gaat uit naar het slopen van vrijkomende bebouwing in plaats van herbestemmen. Het huidige beleid speelt hier onvoldoende op in. In deze beleidsnotitie wil de gemeente Losser het voor eigenaren van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen eenvoudiger maken om bebouwing te slopen, door ontwikkelbehoefte te verbinden met de sloopopgave. Ruimtelijke kwaliteit, flexibiliteit en maatwerk staan centraal in het beleid.

Toets

In onderhavig geval wordt er gebruik gemaakt van de Rood-voor-Rood regeling die is opgenomen in artikel 2.4 van de beleidsnotitie.

Sloop

  • a. Voor de eerste 850 m² te slopen landschapontsierende bebouwing wordt 1 compensatiewoning van 750 m³ en een bijgebouw van 100 m² toegekend, bij elke extra 1100 m² te slopen landschapontsierende bebouwing wordt elke volgende compensatiewoning van 750 m³ en bijgebouw van 100 m² toegekend.
  • b. Het moet gaan om legale (vergunde) landschapontsierende voormalige agrarische bedrijfsgebouwen die zijn gelegen in het buitengebied van de gemeente Losser;
  • c. Het mag niet gaan om monumentale, karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
  • d. Overige voorzieningen (sleufsilo’s, mestbassins, kelders) tellen niet mee en kunnen niet worden ingezet in deze regeling.
  • e. Alle aanwezige landschapsontsierende bebouwing, inclusief erfverhardingen, mestplaten en sleufsilo’s moeten worden gesloopt, met uitzondering van:
    • 1. de voormalige bedrijfswoning en de bij recht toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning;
    • 2. karakteristieke, monumentale en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
    • 3. uitzonderingssituaties, waarbij aantoonbaar sprake moeten zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;
  • f. Inzet van sloopmeters door toepassing van sloopregistratiesysteem is toegestaan, waarbij onverkort de beleidsregels van sloopregistratie gelden;
  • g. Er mogen meerdere slooplocaties worden gecombineerd, met dien verstande dat de minimaal te slopen oppervlakte op één locatie 50 m² betreft;
  • h. De volledige sloopoppervlakte is afkomstig uit de gemeente Losser;
  • i. Eerdere verplichtingen tot sloop of erfinrichting kunnen niet in de regeling worden toegepast.

In het plangebied wordt in totaal 1.801 m2 aan legale vergunde en landschapsontsierende voormalige agrarische bebouwing gesloopt. Aan de Hanhofweg 19 in De Lutte wordt een deel van de aldaar verkregen sloopvoucher, meer specifiek 150 m2, aangekocht. In totaal bedraagt daarmee de sloopoppervlakte 1.951 m2. Met deze sloopoppervlakte ontstaat het recht om twee compensatiewoningen. Naast de sloop van de ontsierende bebouwing worden of zijn de overige voorzieningen (al) gesloopt/ verwijderd. Enkel de erfverharding die nodig is voor het nieuwe woonerf blijft behouden. Daarnaast blijft ook de karakteristieke stal behouden en wordt hier een woonfunctie aan toegekend (zie paragraaf 3.4.4)

Geconcludeerd kan worden dat er voldaan wordt aan alle voorwaarden zoals benoemd in artikel 2.4 (sloop) van de beleidsnotitie.

Bouwlocatie

  • a. De compensatiekavel is maximaal 1.000 m² groot en wordt in beginsel op de slooplocatie of één van de slooplocaties gerealiseerd;
  • b. Slechts in uitzonderlijke situaties wordt afgeweken van het bepaalde onder a. Wanneer de slooplocatie(s) niet geschikt is/zijn als bouwlocatie vanuit het oogpunt van milieu-, ruimtelijke ordening- en/of overige wet- en regelgeving, kan de woning elders teruggebouwd worden. In dat geval dient de terugbouwlocatie aan te sluiten op bestaande bebouwing. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het bouwen in kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing (mits gelegen binnen de provinciale ‘stedelijke laag’) of een bestaand erfensemble/erfstructuur;
  • c. De compensatiewoning moet passend zijn binnen de op dat moment geldende gemeentelijke Woonvisie;
  • d. De compensatiewoning mag geen onevenredige aantasting van agrarische en/of andere belangen in de omgeving veroorzaken, zoals belemmering van de bedrijfsmatige activiteiten van een bedrijf in de omgeving;
  • e. De ontwikkeling op de bouwlocatie dient vergezeld te gaan van een erfinrichtingsplan;
  • f. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie.

De compensatiekavels worden op de slooplocatie gerealiseerd, met een landschappelijk ingepaste kavel. Het daadwerkelijke woonerf zal naar verwachting niet groter zijn dan 1.000 m².

In paragraaf 3.4.2 heeft er een toetsing aan de Woonvisie van de gemeente Losser plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de twee compensatiewoningen passend zijn binnen de gemeentelijke woonvisie.

Voor de compensatiewoningen geldt dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van agrarische en andere belangen in de omgeving. Voor een nadere toetsing wordt verwezen naar de behandelde milieuaspecten in Hoofdstuk 4.

Er is voor het voorliggende plan een erfinrichtingsplan/landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie Bijlage 2. Door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan, is het realiseren van het erfinrichtingsplan/landschappelijk inpassingsplan geborgd.

Voor wat betreft de bouwmogelijkheden is zoveel als mogelijk aangesloten op het geldende plan 'Buitengebied' en de herziening daarvan.

Geconcludeerd kan worden dat er voldaan wordt aan alle voorwaarden zoals benoemd in artikel 2.4 (bouwlocatie) van de beleidsnotitie.

3.4.4 Beleidsregels woning- en kavelsplising en wonen in karakteristieke en monumentale gebouwen gemeente Losser

Er is sprake van krapte op de woningmarkt in heel Nederland. Ook in de gemeente Losser is er een grote vraag naar (betaalbare) woningen. Enerzijds probeert de gemeente Losser door het toevoegen van nieuwbouwwoningen het aanbod aan (betaalbare) woningen te vergroten. Anderzijds zijn er mogelijkheden om de bestaande woningvoorraad beter te benutten. Het instrument woning- en kavelsplitsing kan hier een bijdrage in leveren.

Daarnaast kent de gemeente Losser in het buitengebied een groot aantal karakteristieke en monumentale gebouwen. Dit zijn gebouwen die van waarde zijn en een bepaalde betekenis hebben voor het gebied. Door hier woonfuncties aan toe te kennen wordt bijgedragen aan het behoud van deze karakteristieke en monumentale gebouwen. Daarnaast kan op deze wijze een bijdrage worden geleverd aan de woonopgave.

Toets

Op het perceel aan de Nijenhaerweg 16 in Beuningen is achter de bestaande bedrijfswoning een bijgebouw/schuur aanwezig. Dit bijgebouw/deze schuur is door 'Het Oversticht' gewaardeerd als karakteristieke bebouwing. Voor het behoud van de bestaande hoofdvorm, goot- en bouwhoogte en inhoud is in voorliggend plan de aanduiding 'karakteristiek' toegekend en zijn regels aan gekoppeld. Om te wonen in het bijgebouw/deze schuur moet voldaan worden aan '2.4 Woningsplitsing van karakteristieke of monumentale hoofdgebouwen in het buitengebied' van de richtlijnen. De richtlijn is als volgt:

Voor het realiseren van een woning in een karakteristieke schuur in het buitengebied gelden de volgende richtlijnen:

  • 1. Het realiseren van een woning in een karakteristieke schuur is alleen toegestaan bij schuren die in de inventarisatie 'karakteristieke erven en panden in de gemeente Losser', zoals opgenomen in bijlage 2, als karakteristiek zijn aangemerkt. Voor schuren die niet in deze inventarisatie zijn opgenomen, bepaalt Het Oversticht namens de gemeente Losser of een gebouw wel of niet karakteristiek is. Ook gemeentelijke- en rijksmonumentale schuren in het buitengebied komen in aanmerking voor woningsplitsing;

De schuur is door Het Oversticht gewaardeerd als karakteristiek. Het advies van Het Oversticht is opgenomen in Bijlage 1.

  • 2. De karakteristieke of monumentale schuur moet onderdeel uitmaken van een bestaand erf. Veldschuren of schuren die onderdeel uitmaken van een bedrijfslocatie komen niet in aanmerking voor deze regeling;

Het perceel aan de Nijenhaerweg 16 te Beuningen wordt door middel van de Rood voor Rood regeling getransformeerd tot een erf met twee vrijstaande compensatiewoningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De karakteristieke schuur maakt net als de nieuwe compensatiewoningen onderdeel uit van het erf.

  • 3. Er zijn maximaal 2 extra woningen toegestaan per erf in een karakteristieke of monumentale schuur. Eventueel kan maatwerk worden toegepast en kunnen meer dan 2 extra woningen per erf worden toegestaan, bijvoorbeeld in de nabijheid van kernen;

Er wordt één extra woning mogelijk gemaakt in de karakteristieke schuur.

  • 4. Nieuwe woningen krijgen een minimale bruto-vloeroppervlakte van 50 m2;

De karakteristieke schuur heeft een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 50 m².

  • 5. Elke nieuwe woning mag maximaal 50 m2 aan bijbehorende bouwwerken bouwen. Indien er al meer dan 250 m2 aan bijbehorende bouwwerken op het erf aanwezig is, is de bestaande oppervlakte in eerst instantie het uitgangspunt. Het toevoegen van extra oppervlakte bijbehorende bouwwerken is mogelijk op basis van de Schuur voor Schuur regeling;

Voor de woning in de karakteristieke schuur wordt een bijgebouw van 48 m² (6x8m) gerealiseerd. De overige nieuw bijgebouwen op het perceel maken onderdeel uit van de rood voor rood ontwikkeling.

  • 6. De karakteristieke of monumentale waarden van de schuur moeten behouden blijven;

In de regels van dit plan zijn regels opgenomen om de karakteristieke waarden van de schuur te behouden. Zo wordt er voor de schuur een aanduiding 'karakteristiek' op de verbeelding opgenomen. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen of delen daarvan te slopen ter plaatse van deze aanduiding. Daarnaast zijn specifieke regels opgenomen voor het behoud van de hoofdvorm, goot- en bouwhoogte en inhoud van het gebouw.

  • 7. Er moet sprake blijven van één gezamenlijk erf (één-erfgedachte);

Het erf aan de Nijenhaerweg 16 in Beuningen wordt ingericht als één erf.

  • 8. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf. De gemeente beoordeelt per aanvraag de gewenste benodigde parkeergelegenheid;

Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. In paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de parkeerbehoefte.

  • 9. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitrit. Wanneer een extra in- en uitrit voor de nieuwe woning wenselijk is kan maatwerk worden toegepast;

Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitrit aansluitend op de Nijenhaerweg.

  • 10. Er wordt voldaan aan de gemeentelijke voorwaarden wat betreft (het aanbieden van) vuil- en regenwater;

De woning in de karakteristieke schuur wordt aangesloten op de bestaande riolering. Het regenwater wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem. Daarnaast wordt er ten behoeve van extra waterberging een wadi aangelegd.

  • 11. Het toevoegen van extra woningen veroorzaakt geen onevenredige negatieve gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en ter plaatse van de nieuwe woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;

In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onevenredige negatieve gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden. Tevens is er ter plaatse van de nieuwe woning in de karakteristieke schuur sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

  • 12. De toevoeging van extra woningen past kwantitatief en kwalitatief binnen het beleid van de gemeentelijke woonvisie met daarbij behorend woningbouwprogramma;

In paragraaf 3.4.2 is het plan getoetst aan de gemeentelijke woonvisie. Hieruit blijkt dat de nieuwe woning past binnen het woonbeleid van de gemeente Losser.

  • 13. Bestaande groenelementen en houtopstanden blijven behouden of worden, bij gebrek aan alternatief, in ruim voldoende mate gecompenseerd;

Het erf wordt als geheel landschappelijk ingepast. Er worden verschillende nieuwe groenelementen aangeplant. Voor de inrichting van het plangebied wordt verwezen naar Bijlage 2.

  • 14. Inpassing op het erf en in het landschap dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden. Dit dient aangetoond te worden aan de hand van een inrichtingsplan.

Het gehele erf wordt landschappelijk ingepast, zoals opgenomen in Bijlage 2. Daarmee is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het erf.

Geconcludeerd kan worden dat de beoogde bewoning van de karakteristieke schuur past binnen de richtlijnen van de 'Beleidsregels woning- en kavelsplitsing en wonen in karakteristieke en monumentale gebouwen gemeente Losser'.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 m.e.r.-beoordeling

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen:

  • Eerst wordt bekeken of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1.
  • Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat.
  • Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden gedaan:
    • 1. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-plicht.
    • 2. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-mer-beoordelingsplicht.

Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een
  • milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.

Toets

In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Het voorliggende plan maakt twee nieuwe compensatiewoningen, het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning en het transformeren van de karakteristieke schuur tot een woning in het buitengebied mogelijk. De aard en omvang is kleinschalig en de vormgeving en opzet van het nieuwe woonerf is passend in het buitengebied. Er wordt met onderhavig plan meer bebouwing gesloopt dan terug gebouwd. Daarnaast neemt de oppervlakte aan verharding af en verdwijnt er een milieubelastende functie (agrarisch bedrijf) van het perceel.

Conclusie

Op basis van het vorenstaande kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'm.e.r.-beoordeling' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.2 Milieubelastende activiteiten

In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.

Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis.

Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden.

Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Activiteiten en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds het werkingsgebied van de functie die de milieubelastende activiteiten toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het omgevingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0015.png"

Figuur 4.1: richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering

Toets

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Losser. In de direct omgeving zijn enkele woningen aanwezig. Verder bestaat de omgeving voornamelijk uit agrarische gronden. De omgeving van het plangebied kan dan ook aangemerkt worden als 'rustig buitengebied'.

Bij het realiseren van een functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voorliggende plan maakt een woonfunctie (woningen) mogelijk. In het kader van milieuzonering betreft een woonfunctie geen milieubelastende activiteit. Omliggende gevoelige functies worden niet belemmerd.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie die bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheid van omliggende bedrijven aantast.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante bedrijven aanwezig die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling van het plangebied. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft een agrarisch bedrijf op een afstand van ca. 370 m ten noordoosten van het plangebied. Op dit perceel is sprake van een melkveehouderij die valt onder de categorie 'fokken en houden van rundvee', milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast gelden voor het aspect 'Geur' andere afstanden. Het aspect 'Geur' wordt in paragraaf 4.6 behandeld.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Milieubelastende activiteiten' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Toets

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige verkennend bodemonderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5.

Op basis van het onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.

De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

Conclusie

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bodem' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Toets

Het voorliggende plan maakt in het kader van de Rood-voor-Rood regeling twee nieuwe compensatiewoningen mogelijk. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. Om die reden is aan de hand van de geluidskaart wegverkeerslawaai van Atlas Leefomgeving bekeken wat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied betreft. Figuur 4.3 toont een uitsnede van deze geluidskaart met het plangebied aangeduid met de blauwe druppel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0016.png"

Figuur 4.3: uitsnede geluidskaart wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving)

Uit het raadplegen van de geluidskaart wegverkeerslawaai blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied minder dan 45 dB bedraagt. Daarmee worden de standaardwaarden, zoals opgenomen in tabel 5.78T/5.78U van het Bkl niet overschreden. Onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk.

In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg of geluidgezoneerd industrieterrein aanwezig. Onderzoek naar spoorweglawaai en industrielawaai zijn niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Geluid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Trilling

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit).

Toets

Met dit plan worden woningen mogelijk gemaakt. Wonen is een trillinggevoelige functie. Binnen het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die trillingen kunnen veroorzaken. Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied geen relevante functies aanwezig die trillingen veroorzaken in daarmee invloed kunnen hebben op de nieuwe woonfunctie.

Conclusie

Gelet op het vorengaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'trilling' geen belemmeringen veroorzaakt voor de boogde ontwikkeling.

4.6 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
  • Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
  • Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat).

Toets

De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsfunctie bevindt zich aan de Nijenhaerweg 15 op een afstand van ca. 370 m ten noordoosten van het plangebied. De ontwikkeling binnen het plangebied moet worden beoordeeld als uitbreiding van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Op grond hiervan moet de afstand vanuit het dierenverblijf van de melkveehouderij tot aan een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom minimaal 50 meter zijn. Deze afstand wordt ruimschoots gehaald. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook aanvaardbaar geacht.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Toets

Zoals bovenstaand benoemd, zijn er in het Bkl standaardgevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Eén van de voorbeelden is 1.500 woningen met een enkele ontsluitingsweg.

Het voorliggende plan maakt slechts twee nieuwe compensatiewoningen mogelijk. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Gelet op de standaardgevallen, kan gesteld worden dat het voorliggende plan niet in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtverontreiniging. Onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Toets

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens in een risicokaart te visualiseren. Figuur 4.4 toont een uitsnede van de risicokaart met het plangebied in het zwart omcirkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22H-0401_0017.png"

Figuur 4.4: uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)

De dichtstbijzijnde risicobron betreft een buisleiding van DPO. Deze buisleiding is voorzien van een brandaandachtsgebied. Echter ligt het brandaandachtsgebied op ca. 550 m afstand van het plangebied. Daarnaast zijn er ten noorden en westen van het plangebied mestvergistingen aanwezig. Deze liggen op een afstand van respectievelijk ca. 700 m en 900 m van het plangebied en daarmee op ruim voldoende afstand. Onderzoek naar omgevingsveiligheid is niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Natuurwaarden

Gebiedsbescherming

Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Dit volgt expliciet uit artikel 1.2 lid 2 onder h van de Omgevingswet. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen van de met een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijke gemaakte ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelen van beschermde natuurgebieden die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Toets

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 6. Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.

Gebiedsbescherming

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.

Beschermde soorten

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied.

Als gevolg van het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Door het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord in de bosschage. Van de meeste in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden.

Voor steenuil geldt dat het bezette nest, jaarrond beschermd is en deze alleen met een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verstoord, beschadigd en vernield mag worden. Door het slopen van de stal wordt mogelijk een bezet nest beschadigd/vernield en wordt leefgebied van steenuil aangetast. Voor het verstoren, beschadigen en vernielen van een steenuil nest en het aantasten van het leefgebied van steenuil dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden.

Voor wat betreft de steenuil is contact opgenomen met de provincie Overijssel. De provincie heeft aangegeven dat er sprake is van een incidenteel verblijf. Er is geen nest van de steenuil aangetroffen, waardoor geen omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd hoeft te worden.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.

Stikstofdepositie

Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied is een AERIUS-berekening uitgevoerd, zie Bijlage 7. De berekening is uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Hieruit zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.

Aanlegfase

De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 17,8 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,5 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Gebruiksfase

De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 5,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,2 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat als gevolg van het voorgenomen plan aan de Nijenhaerweg 16 in Beuningen zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van een nadelige depositie van stikstof en ammoniak. Het aspect 'stikstofdepositie' vormt daarmee geen belemmeringen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'natuurwaarden' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Cultureel erfgoed

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).

Toets

Archeologie

In het omgevingsplan gemeente Losser, onderdeel 'Buitengebied' is voor het noordelijke gedeelte van het plangebied de archeologische functie 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Voor gronden met deze functie geldt dat bij het realiseren van bouwwerken of het uitvoeren van werkzaamheden in de grond met een oppervlakte van meer dan 2.000 m² en dieper dan 0,3 m een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.

Met het voorliggende plan vinden er binnen de functie 'Waarde - Archeologie 2' geen werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.000 m² en dieper dan 0,3 m plaats. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

De functie 'Waarde - Archeologie 2' wordt is in voorliggend TAM-omgevingsplan overgenomen.

Cultuurhistorie

Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook is er in de directe omgeving geen monumentale bebouwing aanwezig waar het voorliggende plan invloed op kan hebben.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'archeologie en cultuurhistorie' geen belemmeringen veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Mobiliteit en parkeren

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte en verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers 2024' (uitgave 744).

Verkeer

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie aan de hand van de CROW-kencijfers wordt voor de stedelijkheidsgraad uitgegaan van 'niet stedelijk' en 'buitengebied'. Er worden met het voorliggende plan twee nieuwe vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Voor de compensatiewoningen kan uitgegaan worden van de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Voor de om te zetten bedrijfswoning en de te transformeren schuur kan aangesloten worden op de categorie 'Koop, huis, twee-onder-één-kap'.

De maximale verkeersgeneratie per vrijstaande woning bedraagt 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de twee vrijstaande compensatiewoningen komt de verkeersgeneratie daarmee uit op 17,2 verkeersbewegingen per etmaal.

De maximale verkeersgeneratie per twee-onder-één-kapwoning bedraagt 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de om te zetten bedrijfswoning en de te transformeren schuur komt de verkeersgeneratie daarmee uit op 16,4 verkeersbewegingen per etmaal.

In totaal bedraagt de verkeersgeneratie afgerond 34 verkeersbewegingen per etmaal (berekening: 17,2+16,4).

Het plangebied blijft net als in de huidige situatie ontsloten aan de Nijenhaerweg. Het relatief lage aantal verkeersbewegingen kan gemakkelijk opgevangen worden met de bestaande infrastructuur.

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als onder het kopje 'verkeer'. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt volgens de CROW-uitgave 'Parkeercijfers 2024' een gemiddelde parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning. Voor de twee vrijstaande compensatiewoningen komt dit neer op 4,2 parkeerplaatsen. Voor een twee onder-één-kapwoning geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Voor de om te zetten bedrijfswoning en de te transformeren schuur komt dit neer op 3,8 parkeerplaatsen.

In totaal bedraagt de parkeerbehoefte voor de woningen 8 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de verkeersbewegingen behorende bij het agrarisch bedrijf zijn vervallen. Er zullen geen zware verkeersbewegingen van trekkers, vrachtwagens voor aan- en afvoer melk, etc. plaatsvinden.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'mobiliteit en verkeer' geen belemmeringen veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
  • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Toets

Met dit plan worden twee nieuwe vrijstaande compensatiewoningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Uit de analyses blijkt dat het plan voldoet aan de geldende (milieu)normen en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De realisatie van nieuwe woningen kan een bijdrage leveren aan de gezondheid. Immers, goed en veilig wonen is belangrijk voor een gezond leven. De nieuwe woningen voldoen aan de meest recente technische eisen (o.a. gelet op luchtkwaliteit, duurzaamheid etc.). Daarmee wordt goede en geschikte huisvesting gerealiseerd wat een positief effect heeft op de gezondheid.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'gezondheid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.

De gemeentelijke kosten worden verhaald via de legesverordening.

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.

Vooroverleg

Provincie Overijssel

Het plan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie. De provincie Overijssel heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het plan.

Waterschap Vechtstromen

Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de 'weging van het waterbelang'. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn en geen bezwaar heeft tegen dit plan.

Participatie

Het voorliggende plan is voorgelegd aan de buren. De reacties van de buren waren positief en er zijn vanuit de buurt dan ook geen bezwaren.

Zienswijzen

Voorliggend plan heeft met ingang van 11 december 2025 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Hoofdstuk 6 Toelichting planregels

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Met het plan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen’ twee compensatiewoningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Losser is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

6.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Neijenhaerweg 16 te Beuningen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0168.TAM22H- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

6.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

6.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

  • Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft de wijze van meten weer.
  • Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
6.2.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

6.2.4 Algemene regels voor activiteiten

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelbepalingen;
  • Algemene gebruiksactiviteiten: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies.
  • Algemene afwijkingsregels;
  • Overige regels voor activiteiten.
6.2.5 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

Toelichting op de regels

'Agrarisch'

De gronden binnen de functie 'Agrarisch' mogen hoofdzakelijk worden gebruikt als agrarische cultuurgrond, met daaraan ondergeschikt het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden. Het bouwen van gebouwen en overkappingen is binnen deze functie niet toegestaan, met uitzondering van veldschuren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. De veldschuren ter plaatse van deze aanduiding mogen ten hoogste de bestaande oppervlakte, goot- en bouwhoogte en inhoud hebben.

'Wonen'

De gronden met de functie 'Wonen' zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen gebouwd worden. Per bouwvlak is één woning toegestaan. De maximale inhoud van de woning bedraagt 750 m³ exclusief kelder. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 4,5 m en 10 m. Verder is er per woning maximaal 100 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan.

De aanduiding 'karakteristiek' is opgenomen ter plaatse van de karakteristieke schuur waar een woning in gerealiseerd wordt. Voor de woning met de aanduiding 'karakteristiek' geldt dat de uitwendige hoofdvorm van het bestaande gebouw, de bestaande goot- en bouwhoogte en dakvorm gehandhaafd dienen te worden. De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken voor de woning met de aanduiding 'karakteristiek' bedraagt maximaal 50 m².

Voor de sloop van de bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ook voor het realiseren van het landschappelijke inpassingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

'Waarde - Archeologie 2'

De gronden met de functie 'Waarde - Archeologie 2' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de gebieden met een hoge verwachtingswaarde.

Bij activiteiten met een oppervlakte groter of gelijk aan 2.000 m² en een diepte van 0,3 m dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt.