direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22e, Buitengebied, Haweg ong. en Wiggersweg 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0168.TAM22E-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Losser met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het voormalige agrarische bedrijf aan de Wiggersweg 1 de agrarische functie te wijzigen naar een woonfunctie zodat planologisch een burgerwoning in de voormalige bedrijfswoning en een burgerwoning in het Rijksmonument worden toegestaan. Daarnaast word planologisch ook een nieuwe burgerwoning toegestaan in een vrijkomend agrarisch bedrijfsgebouw (kalverstal). De overige bebouwing wordt planologisch als bijgebouw vastgelegd.

Aan de Haweg (nabij Glane) is initiatiefnemer eveneens voornemens om de agrarische functie te wijzigen naar een woonfunctie. De bestaande mestzak wordt gesaneerd en ter plaatse wordt planologisch een burgerwoning toegestaan. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder toegelicht.

De gewenste ontwikkelingen passen niet binnen het bepaalde in het omgevingsplan van rechtswege. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkelingen, mits hiervoor een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege wordt gedaan met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM).

Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren voor de fysieke leefomgeving.

1.2 Plangebied

Het plangebied bestaat uit één locatie in het buitengebied van de gemeente Losser en één locatie aan de rand van de bebouwde kom van het dorp Losser. In de volgende figuur is de topografische ligging van de twee locatie weergegeven. Met rood zijn de locaties omcirkelt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0001.png"

Figuur 1. Topografische ligging planlocaties rood omcirkeld(bron: PDOK Viewer).

1.2.1 Haweg

De planlocatie van de nieuw te bouwen burgerwoning aan de Haweg is gelegen ten zuidwesten van Losser. Het betreft een bestaande locatie in het agrarisch gebied die nog in gebruik is voor de opslag van mest. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Losser, sectie Q, nummer 550.

In de volgende figuur is een foto van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0002.png"

Figuur 2. Luchtfoto huidige situatie (bron: PDOK Viewer).

1.2.2 Wiggersweg 1

De planlocatie aan de Wiggersweg 1 ligt ten zuiden van de kern van Losser. Het betreft een traditioneel Twents erf met enkele karakteristieke gebouwen. Op de locatie bevindt zich ook een rijksmonument. De locatie wordt begrensd door de Oale Weg, het Flakenpad en de Wiggersweg. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Losser, sectie I, nummer 3.806 en nummer 7.347.

In de volgende figuur is een luchtfoto van de locatie weergegeven.


afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0003.png"

Figuur 3. Luchtfoto huidige situatie (bron: PDOK Viewer).

1.3 Geldende omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Losser heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.

1.3.1 Haweg

Het voorheen geldende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Losser, zoals vastgesteld op 19 maart 2013.

Zoals te zien in onderstaande figuur is ter plaatse de functie 'Agrarisch-1' en de functie 'Waarde - Archelogie 2' toegekend. Daarnaast is de aanduiding 'specifieke vorm van Agrarisch - foliebassin' van toepassing. Tevens is de locatie gelegen in een gebied met de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone -verwevingsgebied'. Ter plaatse is agrarisch gebruik mogelijk en mag een foliebassin aanwezig zijn, overige bedrijfsbebouwing is niet toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0004.png"

Figuur 4. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

1.3.2 Wiggersweg 1

Het voorheen geldende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Zoeker Esch - de Pol" van de gemeente Losser, zoals vastgesteld op 4 februari 2014.

Zoals te zien in onderstaande figuur is ter plaatse de functie 'Agrarisch- Agrarisch bedrijf' toegekend. Daarnaast is op een van de gebouwen op de locatie de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - Rijksmonument' van toepassing. Ter plaatse is een agrarisch bedrijf toegestaan. Het huidige bouwvlak is circa 0,41 hectare groot.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0005.png"

Figuur 4. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Vanuit de voormalige bestemmingsplannen zijn ter plaatse van de agrarische functie uitsluitend agrarische (bedrijfs)activiteiten toegestaan. De voorgenomen ontwikkelingen passen daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende omgevingsplan van rechtswege. Om deze reden is het noodzakelijk het omgevingsplan van rechtswege gedeeltelijk te herzien.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op het gebied van de fysieke leefomgeving.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • 1. Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • 2. Hoofdstuk 3 gaat in op de voorbereiding en participatie van het plan. Hierbij is beschreven welke stappen zijn gezet tijdens de voorbereiding van het plan en op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden.
  • 3. Hoofdstuk 4 gaat in op beleidsmatige afweging. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van de Rijksoverheid, de provincie en de gemeente.
  • 4. Hoofdstuk 5 gaat in op de toetsing van het plan aan de mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • 5. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Geschiedenis plan

Om het platteland in de gemeente Losser vitaal te houden is het 'Uitwerkingsplan Reconstructie Losser' opgesteld (vastgesteld januari 2008). Doelen van het uitwerkingsplan zijn het versterken van onder meer de landbouwstructuur, landschappelijke structuur, waterhuishouding, recreatieve structuur, natuur en leefbaarheid.

Als onderdeel van het Uitwerkingsplan is gestart met een wettelijke verkaveling in het zuidelijk deel van Losser, in de deelgebieden Elsbeek en Overdinkel. Doelen van deze verkaveling zijn het verbeteren van de verdeling van de agrarische bedrijven en het vrijmaken van gronden voor water en natuur, voornamelijk langs de beken in het gebied.

Door uitvoering van de verkaveling zijn verspreid liggende agrarische percelen samengevoegd tot een grote aaneengesloten kavel aan de zuidoost kant van Losser.

Hiermee is tevens de mogelijkheid ontstaan om de verkaveling ten zuidwesten van Losser sterk te verbeteren en ruimte te bieden aan de realisatie van doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) langs de Dinkel. In verband met de mindere bodemkwaliteit en -gesteldheid van de toe te delen kavel heeft initiatiefnemer, door tussenkomst van de Landinrichtingscommissie verzocht hem te compenseren door aan de Drielandweg 8 de vestiging van een nieuw duurzaam melkveebedrijf mogelijk te maken. Mede om het hele landinrichtingsproject te doen slagen heeft de gemeente positief gereageerd op dit verzoek en zich in te zullen spannen om deze bedrijfsvestiging te realiseren. De gemeenteraad moet daar een besluit over nemen. De toedeling en de afspraken hierover zijn gemaakt in 2013.

Initiatiefnemer was voornemens om op de agrarische kavel aan de zuidoost kant van Losser een nieuwe een duurzaam melkveebedrijf te realiseren met een omvang van 298 melkkoeien en 200 stuks jongvee. Hiervoor zou een nieuwe ligboxenstal- en melkstal worden gebouwd. De werktuigen en het jongvee zouden in een tweede schuur/stal worden ondergebracht. Tevens zou op de locatie een nieuwe bedrijfswoning worden gerealiseerd ter vervanging van de bestaande woning aan de Drielandweg 8.

De agrarische kavel is gelegen aan de Fleuerweg/Drielandweg. De kavel zou een bouwvlak toegekend krijgen van 1,5 hectare. Het nieuwe bouwvlak zou gedeeltelijk benut worden voor het melkveebedrijf en gedeeltelijk voor de landschappelijke inpassing. De ontsluiting van het melkveebedrijf zou plaatsvinden op de half verharde Fleuerweg. De nieuwe bedrijfswoning zou daarbij ontsloten worden aan de zuidzijde, via de Drielandweg. Dit is de huidige ontsluitingsweg van de te slopen woning aan de Drielandweg 8 en zal alleen gebruikt worden als in- en uitrit ten behoeve van de nieuw te bouwen bedrijfswoning.

Om realisatie van het melkveebedrijf mogelijk te maken zou de woonbestemming van de te slopen woning Drielandweg 8 verplaatst worden naar een agrarisch perceel aan de Haweg, ter hoogte van Glane. Op dit perceel bevindt zicht op dit moment een mestzak. De mestzak zou worden gesaneerd. Vervolgens zou op de locatie een nieuwe burgerwoning met bijgebouwen worden gerealiseerd

De nieuwe agrarische kavel van het melkveebedrijf zou mede mogelijk worden gemaakt door de agrarische bedrijfsbestemming van de Wiggersweg 1 te Losser tegelijkertijd te laten vervallen. Op de locatie zijn alle agrarische activiteiten inmiddels beëindigd. Het karakteristieke Twentse erf zal vervolgens een woonbestemming krijgen. Hier onder zijn de drie betreffende locaties weergegeven.

In onderstaande figuur zijn de drie locaties weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0006.png"

Figuur 5. Ligging locaties (bron: Google Maps

Voor het verplaatsen van het melkveebedrijf was een plan MER procedure noodzakelijk. Deze procedure is opgestart in 2013 met een notitie reikwijdte en detailniveau. De plan MER met bestemmingsplanprocedure is een tijdrovende procedure. Gedurende de jaren na 2013 zijn hiervoor diverse rapporten opgesteld en hebben diverse overleggen plaatsgevonden tussen initiatiefnemer, gemeente en de MER commissie. De vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming voor de nieuwe locatie is in 2015 verleend met toepassing van extern salderen is ammoniak aangekocht voor het realiseren van het nieuwe duurzame melkveebedrijf.

In tussentijd stonden de ontwikkelingen in de melkveehouderij niet stil. Met name het aan banden leggen van het aantal melkkoeien in Nederland middels een fosfaatstelsel in 2017 zette het plan voor een nieuwe melkveebedrijf daarna definitief op losse schroeven. Bovendien werd inmiddels op een groot deel (ca. 21 ha.) van de huiskavel een zonneveld gerealiseerd waarvoor ook een vergunning is verleend..

In het voorjaar van 2019 is daarom het voorstel gedaan om het melkveebedrijf niet te realiseren en ter compensatie van de reeds gedane investeringen en het missen van de inkomsten van het melkveebedrijf twee compensatie woningen te realiseren.

Na diverse overleggen en een principeverzoek is door de gemeente aangegeven dat als compensatie voor het niet realiseren van het melkveebedrijf twee compenstiewoningen gerealiseerd mogen worden, te weten één op de locatie Haweg en één op de locatie Wiggersweg ter plaatse van de huidige kalverenschuur. Om dit mogelijk te maken worden op beide locaties de agrarische bestemming gewijzigd in een woonbestemming.

In de jaren daarna heeft overleg plaats gevonden over het restauren van het rijksomnument. In 2025 is dit plan goedgekeurd en is besloten dat ook het rijksmonument na restauratie in gebruik genomen mag worden als woning.

De situatie aan de Drielandweg 8/Fleuerweg blijft ongewijzigd en is dus ook geen onderdeel meer van dit plan.

2.2 Huidige situatie

2.2.1 Gebiedsprofiel

Het landschap van de gemeente Losser valt grofweg in te delen in drie verschillende landschapstypen: essen- en kampenlandschap, stuwwallandschap en jonge heide- en broekontginningslandschap. Deze landschapstypen zijn te onderscheiden op basis van geomorfologie, bodem, waterhuishouding en bewoningsen gebruiksgeschiedenis.

2.2.1.1 Wiggersweg 1

De planlocatie aan de Wiggersweg 1 is gelegen in het Essenlandschap. Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, voormalige heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven.

Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest - heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen matenen flierenlanden. Zo lagen ze droog en werden tegelijkertijd de werklijnen zo kort mogelijk gehouden.

De zandpaden volgen steeds de lange ‘luie’ lijnen van het landschap, Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende gronden en de dorpen in de omgeving. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet met vaak de kerktoren als markant element.

2.2.1.2 Haweg (nabij Glane)

De planlocatie aan de Haweg is gelegen in het Jonge heide- en broekontginningslandschap. De grote oppervlakte aan, voormalige, natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap. Hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal en in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw).

De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Daarnaast zijn vanaf 1750 vanuit de landgoederen en buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost. Dit heeft geresulteerd in grote en kleinere landbouwontginningslandschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden, zoals op de Sallandse Heuvelrug.

Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplexxen. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreidings’landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer terug te vinden is.

2.2.2 Wiggersweg 1

De planlocatie aan de Wiggersweg is gelegen aan de rand van de bebouwde kom en aan de zuidzijde van de kern van Losser. Het betreft een traditioneel Twents erf met enkele karakteristieke gebouwen. De bebouwing op het erf omvat een woonhuis, kalverschuur en een oude schuur die voorheen als paardenstal werd gebruikt. Deze schuur is in de huidige situatie aangemerkt als Rijksmonument, maar is voor een groot gedeelte in elkaar gezakt.

De directe omgeving van het plangebied bestaat uit een kleinschalig agrarisch landschap en voor een deel bebouwde kom en bedrijventerrein.

In onderstaande figuur is een foto van de huidige situatie ter plaatse van het agrarische erf weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0008.png"

Figuur 6. Huidige situatie ter plaatse (bron: DLV Advies).

2.2.3 Haweg (nabij Glane)

De planlocatie is gelegen in het buitengebied tussen Glane en Losser. Op de locatie bevindt zich een bestaande mestzak. Rondom de mestzak staat opgaande beplanting. Langs de Haweg grenzend aan het plangebied bevindt zich een bomenlaan met zomereiken van geringe omvang en leeftijd. Ook zijn er wallen met opgaande beplanting aangebracht. Het plangebied wordt niet verlicht.

In de onderstaande figuur is een foto van de situatie ter plaatse van de mestzak weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0009.png"
Figuur 7. Huidige situatie ter plaatse (bron: DLV Advies).

2.3 Toekomstige situatie

2.3.1 Wiggersweg 1

De initiatiefnemer is voornemens om de agrarische functie te wijzigen naar een woonfunctie. Op het traditionele Twentse erf was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. De agrarische activiteiten zijn al geruime tijd beëindigd. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast wordt in de voormalige kalverenschuur een woning gerealiseerd. Dit betreft één van de compensatiewoningen voor het niet realiseren van het melkveebedrijf aan de Fleuerweg/Drielandweg. Na aanpassing van het bestemmingsplan zijn ter plaatse drie woningen inclusief het Rijksmonument toegestaan. De overige gebouwen op het erf worden aangemerkt als bijgebouwen.

In de onderstaande figuur is een situatietekening weergeven van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0010.png"

Figuur 8. Toekomstige situatie (bron: DLV Advies).

2.3.2 Haweg (nabij Glane)

De initiatiefnemer is voornemens om de agrarische functie te wijzigen naar een woonfunctie en om ter plaatse de de bestaande mestzak te saneren. Vervolgens wordt een nieuwe burgerwoning met bijgebouw gerealiseerd. De woning zal maximaal een inhoud van 750 m³ krijgen. Dit betreft de tweede compensatiewoning voor het niet realiseren van het melkveebedrijf aan de Fleuerweg/Drielandweg.

In de onderstaande figuur is een situatietekening weergeven van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0011.png"

Figuur 9. Toekomstige situatie (bron: DLV Advies).

Uit het Akoestisch onderzoek Haweg ong. (bijlage 6) is naar voren gekomen dat de woning minimaal 15,5 meter uit de as van de Haweg gebouwd moet worden. De woonkavel is op dit moment nog niet verkocht waardoor het niet mogelijk is om de toekomstige situatie middels (bouw)tekeningen te weergeven.

Door het saneren van de bestaande mestzak zal er een aanzienlijke kwaliteitsverbetering voor de fysieke leefomgeving optreden op de locatie en de directe omgeving van de locatie. Nadere uitwerking van het perceel vindt plaats in de paragraaf Landschappelijke inpassing (paragraaf 2.4).

2.4 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

2.4.1 Wiggersweg 1

Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0012.png"

Figuur 10. Schetsontwerp Wiggersweg 1 (bron: Het Oversticht).


Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Voor het volledige landschappelijke inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

2.4.2 Haweg (nabij Glane)

Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0013.png"

Figuur 11. Schetsontwerp Haweg (bron: Het Oversticht).

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Voor het volledige landschappelijke inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.

Hoofdstuk 3 Voorbereiding en participatie

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op het TAM-omgevingsplan dat nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van het TAM-omgevingsplan.

3.1 Vooroverleg met de gemeente

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet al uitvoerig overleg met de gemeente plaatsgevonden. De gemeente Losser ziet het belang van het het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie van zowel de Wiggersweg 1 als de Haweg en de meerwaarde die dit biedt voor de verbetering van de fysieke leefomgeving. De gemeente is derhalve voornemens mee te werken aan de ontwikkeling.

Omdat het traject voor het wijzigen van de functie op de locatie al in gang is gezet voor de inwerkingtreding van de Omgevingwet is in de eerste instantie ingestoken op een partiële herziening van het destijds geldende bestemmingsplan "Buitengebied".

Gedurende de procedure voor de herziening van het destijds geldende bestemmingsplan is gebleken dat door de beoordeling van de stukken en de lange proceduretijd de termijn van het in procedure brengen van het plan onder het oude recht (de Wet ruimtelijke ordening) niet haalbaar was. Derhalve is met de gemeente in overleg getreden over de te volgen procedure onder de Omgevingswet. Omdat ter plaatse de functie en het bouwvlak gewijzigd dienen te worden kan de voorgenomen ontwikkeling formeel niet met een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) mogelijk worden gemaakt. Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.

Omdat de gemeente Losser nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld kan het omgevingsplan nog niet worden gewijzigd. Wel is sprake van een "omgevingsplan van rechtswege" dat wel kan worden gewijzigd. In zorgvuldig overleg met de gemeente kan dit met toepassing van een zogenaamde tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarbij het TAM-omgevingsplan wordt voorbereid in afstemming op de systematiek van de Omgevingswet, maar nog wordt gepubliceerd onder de voorheen gebruikte technieken vanuit de Wet ruimtelijke ordening.

Het voorliggende document betreft de toelichting van het TAM-omgevingsplan, waarin het voorgenomen initiatief op de verschillende van belang zijnde aspecten is getoetst en afgewogen om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2 Participatie

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.

Voorafgaand aan deze procedure is er een omgevingsdialoog gevoerd. Hiervoor heeft initiatiefnemer de directe omwonenden van zowel de Wiggersweg 1 als de Haweg mondeling op de hoogte gebracht van onderhavig plan. Uit de gevoerde gesprekken is het beeld gekomen dat de omwonenden geen bezwaar hebben tegen het voorliggende plan en zij zelfs de voordelen zien van de nieuwe situatie.

Hoofdstuk 4 Beleidsmatige afweging

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties.

Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving. De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal:

  • 1. Klimaatbestendige inrichting in 2050:
    Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld.
  • 2. Duurzame en circulaire economie:
    Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving.
  • 3. Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland:
    Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd.
  • 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied:
    Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken.

Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet.

Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten.

Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.

Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.

In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Toetsing:

De voorgenomen ontwikkeling aan zowel de Wiggersweg 1 en de Haweg voorzien in het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie. In totaliteit worden er drie nieuwe woningen, waarvan één in een bestaande kalverenschuur en één in het rijksmomument, gerealiseerd. Daarnaast wordt een bestaande bedrijfswoning bestemd als burgerwoning.

De ontwikkelingen zijn, gezien de omvang en de aard van het gebied waarin de locatie is gelegen, niet aan te merken als een ontwikkeling van een woningbouwlocatie of andere stedelijke voorziening.

Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Geconsolideerde Omgevingsvisie Overijssel vanaf 2017

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 bestaat uit drie delen: een deel Visie, een deel Beleid en een deel Uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel 2017, is er de Omgevingsverordening Overijssel 2017 en de Catalogus Gebiedskenmerken.

4.2.1.1 Rode draden en beleidsambities

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 is het provinciaal beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De provincie schrijft in haar visie dat er ruimte is voor initiatieven. Zij wil dat bewoners meer invloed hebben op de eigen leefomgeving. Er wordt daarom niet precies voorgeschreven wat er moet gebeuren, maar er wordt juist speelruimte gecreëerd waarbinnen lokale initiatieven tot bloei kunnen komen. Daarbij maakt samenwerking ontwikkelingen mogelijk. De provincie maakt graag ruimte aan initiatieven die bijdragen aan het realiseren van de kwaliteits- en beleidsambities. Leidende thema's zijn: duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

4.2.1.1.1 Wonen in de groene omgeving

In de Groene Omgeving is bij voorkeur op (voormalige) agrarische erven ruimte voor aanvullende woonmilieus onder voorwaarde van gebruik van de Overijsselse ladder voor duurzame Verstedelijking, ontwikkelingsperspectieven, gebiedskenmerken. Daarnaast moet de (her)ontwikkeling met maatschappelijke meerwaarde worden gerealiseerd volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

Buiten de stedelijke omgeving hebben ‘groene’ functies prioriteit, ontwikkelingen die hier niet primair thuishoren, zoals woningbouw, worden alleen toegestaan als zij een meerwaarde opleveren voor de kwaliteit zoals landschap, cultuurhistorie, water- en natuuropgaven.

In paragraaf 4.2.2.2 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

4.2.1.1.2 Duurzaamheid

Door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is. Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie (duurzame energiehuishouding), grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staan daarbij centraal. Dit uit zich onder andere in een toenemende aandacht voor gezond voedsel, dierenwelzijn en zorg voor het milieu. De provincie hanteert de volgende definitie van duurzaamheid:

"Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien."

Met het vooruitzicht op een veilige, gezonde en aantrekkelijke omgeving voor mensen, dieren en planten – voor nu én in de toekomst – is duurzaamheid voor de provincie dan ook een leidend principe bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel.

De provincie heeft vier duurzame kwaliteitsambities geformuleerd:

  • 1. Een klimaatbestendig Overijssel;
  • 2. Een duurzame energiehuishouding;
  • 3. Kringlopen sluiten, ofwel: toegroeien naar een circulaire economie;
  • 4. Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Om te zorgen dat elk initiatief, groot of klein, bijdraagt aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de leefomgeving, stuurt de provincie via de Omgevingsverordening onder andere aan op een integrale aanpak van opgaven en op toekomstbestendigheid.

4.2.1.1.3 Ruimtelijke kwaliteit

Ruimtelijke kwaliteit wordt door de provincie gedefinieerd als:

"Datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is."

Ruimtelijke kwaliteit gaat voor de provincie dus niet zozeer over 'mooi', maar vooral over 'goed': functioneel, mooi en toekomstbestendig. Ruimtelijke kwaliteit is geen luxe, maar maatschappelijke noodzaak. Ruimtelijke kwaliteit is van grote betekenis voor het vestigingsklimaat voor bedrijven, bewoners en de toeristische mogelijkheden van een gebied. En daarmee ook voor de werkgelegenheid. Met andere woorden: de inzet op ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan versterking van de sociaaleconomische positie van Overijssel.

Op provinciaal schaalniveau zijn zeven kwaliteitsambities geformuleerd die de koers bepalen van de provinciale sturing op ruimtelijke kwaliteit. De zeven ambities luiden als volgt:

  • 1. Natuur als ruggengraat;
  • 2. Een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel;
  • 3. Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen;
  • 4. Brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur;
  • 5. Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • 6. Het contrast tussen dynamisch en luwe gebieden versterken;
  • 7. Sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel.

Ruimtelijke kwaliteit wil de provincie realiseren door nieuwe initiatieven in de fysieke leefomgeving te verbinden met de bestaande kwaliteiten van Overijssel. Door deze benadering van ruimtelijke kwaliteit:

  • bevordert de provincie een weloverwogen locatiekeuze, vormgeving en inrichting van initiatieven, passend bij de identiteit van de plek;
  • beoogt de provincie dat ontwikkelingen en projecten in een tijdsperspectief worden geplaatst en ook in de verdere toekomst nog een functie kunnen vervullen;
  • wil de provincie de bestaande en hoog gewaardeerde verscheidenheid in Overijssel behouden en versterken en zo de belevingswaarde vergroten.

Om ruimtelijke kwaliteit te realiseren zijn drie zaken van belang:

  • 1. een brede gebiedsgerichte blik en aanpak;
  • 2. aandacht voor ruimtelijke kwaliteit in alle fases van het planproces;
  • 3. een creatief, ontwerpend proces.

4.2.1.1.4 Sociale kwaliteit

De rode draad sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en armoede. In de Omgevingsvisie beperkt de provincie zich tot het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. Op provinciaal niveau zijn drie kwaliteitsambities geformuleerd die de koers bepalen van de sturing op sociale kwaliteit. Deze kwaliteitsambities luiden als volgt:

  • 1. Het Overijssels 'noaberschap' koesteren;
  • 2. Stimuleren van culturele identiteit;
  • 3. Verbinden van de lokale kennis en energie met de ontwikkeling van provinciaal beleid en de uitvoering van ruimtelijke opgaven.

Sociale kwaliteit realiseert de provincie door:

  • bewoners en 'gebruikers' te betrekken bij de ontwikkeling van haar provinciaal beleid en de uitvoering van projecten;
  • ruimte te bieden aan initiatieven van 'onderop'.

4.2.1.2 Uitvoeringsmodel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:

  • 1. Generieke beleidskeuzes (behoefte);
  • 2. Ontwikkelingsperspectieven (ontwikkelingsvisie);
  • 3. Gebiedskenmerken (hoe uit te voeren).

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.

Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

In onderstaande figuur is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0014.png" .

Figuur 12. Uitvoeringsmodel Overijssel (bron: provincie Overijssel)

4.2.1.2.1 Generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

4.2.1.2.2 Ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

4.2.1.2.3 Gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

4.2.1.3 Toetsing initiatief aan uitvoeringsmodel

4.2.1.3.1 Generieke beleidskeuzes

Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van Europa, Rijk of provincie.In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn:

  • integraliteit
  • toekomstbestendigheid
  • concentratiebeleid
  • (boven)regionale afstemming
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden..

De planlocaties bevinden zich in het buitengebied dat in de omgevingsvisie wordt getypeerd als groene omgeving. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van natuur en landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. De ondergrond speelt hierbij een belangrijke rol; bijvoorbeeld bij de voedselproductie in de landbouw, de (drink)watervoorziening of als mogelijke bron of buffer voor duurzame energie.

Voor de Groene Omgeving gelden de volgende ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • een zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel;
  • voortbouwen aan de kenmerkende structuren van het agrarisch cultuurlandschap;
  • natuur als ruggengraat;
  • een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel;
  • het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken.

In het landschappelijke inrichtingsplannen (paragraaf 2.4) wordt aangegeven op welke wijze de landschappelijke kenmerken worden gerespecteerd en waar mogelijk worden versterkt. De voorgenomen ontwikkelingen dragen daarmee bij aan het verbeteren van de fysieke leefomgeving ter plaatse van beide locaties en past hiermee binnen de beleidskaders van de provincie.

4.2.1.3.2 Ontwikkelingsperspectieven

De planlocatie aan de Wiggersweg 1 is gelegen in een gebied met het ontwikkelperspectief "Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken". De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de ontwikkelingsperspectieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0015.png"

Figuur 13. Kaart ontwikkelingsperspectieven (bron: provincie Overijssel)

Toetsing:
De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

Geconcludeerd wordt dat het ter plaatse transformeren van een voormalige agrarische bedrijfserf aansluit bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Overijssel.

De planlocatie aan de Haweg (nabij Glane) is gelegen in een gebied met het ontwikkelperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van zorgvuldige inpassing in het kleinschalige landschap. Ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden.

Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de ontwikkelingsperspectieven.


afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0016.png"

Figuur 14. Kaart ontwikkelingsperspectieven (bron: provincie Overijssel)

Toetsing:
De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.

De ontwikkeling is in harmonie met andere functies in het gebied. In de directe omgeving van de locatie is overwwegend een mix van agrarisch en wonen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling op de planlocatie sluit hier goed op aan.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkelingen aansluiten bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Overijssel.

4.2.1.3.3 Gebiedskenmerken

Op basis van de gebiedskenmerken in vier lagen gelden per laag specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er is sprake van de volgende vier lagen:

  • 1. De natuurlijke laag;
  • 2. De laag van het agrarisch cultuurlandschap;
  • 3. De stedelijke laag;
  • 4. De laag van de beleving (deze laag is niet van toepassing bij voorliggend initiatief).

De natuurlijke laag: stuwwallen

De planlocaties zijn in de natuurlijke laag gelegen in een gebied dat is aangemerkt als stuwwallen. De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen.

Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwallen voor een groot deel uit tertiare (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor.

De verschillende stuwwallen in de provincie hebben zich in de loop van de tijd allemaal anders ontwikkeld. In de occupatiegeschiedenis zijn sommige stuwwallen betrekkelijk ongemoeid gelaten. Op andere kwamen grote en kleinere escomplexen tot ontwikkeling. De hoge delen werden vaak als extensieve heidevelden in gebruik genomen, later zijn grote delen ervan bebost. De inzijging is afgenomen door oppervlakkige afwatering, waterwinning en het op grote schaal bebossen met naaldhout.

De ambitie is het eigen karaker van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken.

Stuwwallen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf.

Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving en dragen deze bij aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de ‘natte voet’ van de stuwwal (kwelzone, brongebied) om deze beter zichtbaar maken.

In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de natuurlijke laag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0017.png"

Figuur 15. Kaart natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)

Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.

Voor beide locaties is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierin is vastgelegd hoe de voorgenomen ontwikkelingen bijdragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Ook wordt aangegeven hoe de ontwikkeling kan bij dragen aan de versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de ‘natte voet’ van de stuwwal om deze beter zichtbaar maken.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkelingen aansluiten bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Overijssel.

De laag van het agrarisch cultuurlandschap: essenlandschap

De tweede laag beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap.

Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop van de tijd gaan waarderen. Het heeft als ‘consumptielandschap’ voor bewoners, recreanten en toeristen nieuwe betekenis gekregen. Veel mensen hechten aan de rust, de ruimte, de mogelijkheden om te fietsen, wandelen, etcetera. En aan de kwaliteit: vooral de herkenbaarheid, de contrasten en de afwisseling van verschillende landschapstypen worden gewaardeerd. De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit en beleving van het landschap.

De kwaliteit van het agrarisch cultuurlandschap wordt in Overijssel bepaald door de variatie op twee schaalniveaus: provinciaal en regionaal. Op schaal van de provincie door de manier waarop het ‘open’ landschappelijk patroon van de laagveengebieden en kleicomplexen van Noordwest-Overijssel, de lange lijnen in het Sallandse occupatiepatroon, de intimiteit van het Twentse boerenland en de stoere maat van de grote ontginningen van Noordoost-Overijssel van elkaar verschillen. Binnen de regionale landschappen is er vaak op korte afstand sprake van verschillen.

In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de planlocatie aan de Wiggersweg 1 in de laag van het agrarisch cultuurlandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0018.png"

Figuur 16. Kaart laag van het agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel)

Toetsing:
De planlocatie aan de Wiggersweg 1 is gelegen in het Essenlandschap. In paragraaf 2.2.1.1 is de gebiedsbeschrijving van het Essenlandschap te vinden. De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De planlocatie bevindt zich aan de flank van de es waardoor geconcludeerd kan worden dat er op deze locatie ruimte is voor ontwikkeling. De ontwikkeling vindt plaats binnen de kaders van het huidige agrarisch bouwvlak zodat de openheid van de es behouden blijft en het karakteristieke erf doormiddel van beplanting en open ruimtes versterkt wordt. De locatie wordt landschappelijk ingepast met kleinschalige landschapselementen. Het landschappelijke inpassingsplan is toegelicht in paragraaf 2.4.1.

In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de planlocatie aan de Haweg in de laag van het agrarisch cultuurlandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0019.png"

Figuur 17. Kaart laag van het agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel)

De planlocatie aan de Haweg (nabij Glane) is gelegen in het Jonge heide- en broekontginningslandschap. In paragraaf 2.2.1.2 is de gebiedsbeschrijving van het Jonge heide- en broekontginningslandschap.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De locatie wordt landschappelijk ingepast met kleinschalige landschapselementen. Het landschappelijke inpassingsplan is toegelicht in paragraaf 2.4.2.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkelingen aansluiten bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Overijssel.

De stedelijke laag: verspreide bebouwing

De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden.

De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infrastructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, maar daarbij wordt de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker.

De ontstaansgeschiedenis is medebepalend voor de huidige identiteit en terug te vinden in de ruimtelijke opbouw van de kernen, maar ook in de economische en sociale dynamiek. Daarnaast hebben door de tijd heen veranderende ideeën over de ideale vormgeving van de stad invloed gehad op de ruimtelijke opbouw. Cultuurhistorisch of architectonisch waardevolle gebouwen en structuren zijn hierbij vaak bepalend voor de stedelijke identiteit en de belevingswaarde voor bewoners en bezoekers. Zo is in Overijssel een rijk palet ontstaan aan onderscheidende steden en dorpen. Elk met een eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteit.

In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de stedelijke laag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0020.png"

Figuur 18. Kaart stedelijke laag (bron: provincie Overijssel)

De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broeken heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan.

Bij de transformatie van de erven vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. Daarbij heeft de oorspronkelijke ‘eenheid in handelen’, waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaats gemaakt voor ‘diversiteit in handelen’: iedereen doet op zijn erf zijn eigen ‘ding’. De erven gaan daardoor binnen de landschappelijke eenheid steeds meer van elkaar verschillen. Nieuwe functies bepalen het aangezicht: of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding er omheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (kleine erf, dicht in de beplantingen en een paardenweide). Deze verschillen zijn zowel in het landschap - als op luchtfoto’s - heel goed te zien.

De ambitie is Levende erven! Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen. Deze robuuste erfensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra (vervangende) bebouwing een alternatief bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale / regionale sociaal-economische ontwikkeling. Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een kans om unieke, echt Overijsselse woon/werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken als identiteitsdrager van erftransformaties benut. Gebiedsgewijze aanpak van herstel erven en bebouwing volgens het ‘Streekeigen huis en erf’ concept.

De ontwikkeling van nieuwe erven draagt bij aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd.

Toetsing:

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De kenmerkende erfstructuur blijft op deze wijze behouden en de ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving.

De ontwikkelingen worden landschappelijk ingepast met kleinschalige landschapselementen. Het landschappelijke inpassingsplan voor beide locaties is toegelicht in paragraaf 2.4.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkelingen aansluiten bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Overijssel.

4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017

De Omgevingsverordening Overijssel 2017 bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Overijssel naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch worden verankerd.

Het initiatief heeft betrekking op de volgende onderwerpen: ‘Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’, ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving’ en ‘Realisatie van nieuwe woningen’. De artikelen 2.1.3, 2.1.6 en 2.2.2 uit de Omgevingsverordening Overijssel worden hierna beschreven en getoetst.

4.2.2.1 Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Artikel 2.1.3
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Toetsing:
De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De overige bebouwing wordt planologisch als bijgebouw aangewezen.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De kenmerkende erfstructuur blijft op deze wijze behouden en de ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving.

De voorgenomen ontwikkelingen sluiten daarmee aan bij de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

4.2.2.2 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Artikel 2.1.6

Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde inartikel 2.1.3. en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Toetsing:

Zoals in paragraaf 2.1 al beschreven is in dit geval sprake van een uitzonderlijke situatie die is ontstaan vanuit het landinrichtingsproject Losser-Zuid. Als gevolg van de aldaar ontstane situatie wordt ter compensatie voor het niet realiseren van een melkveebedrijf, o.a. aan de Haweg een nieuwe woning gerealiseerd. Deze woning wordt gerealiseerd op de plek van een te saneren mestzak. Op deze locatie wordt de huidige agrarische functie gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De impact van een woning is op deze plek beperkt. De locatie is reeds ontsloten op de openbare weg met een bestaand inrit. Deze inrit kan worden gehandhaafd.

Het initiatief leidt tot een kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving. Deze kwaliteitsimpuls vertaald zich onder andere in:

  • het niet realiseren van een melkveebedrijf;
  • het saneren van een solitaire bestaande mestzak;
  • functieverandering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie;
  • het versterken van de landschappelijke kwaliteit door de landschappelijke inpassing van beide locaties (zie paragraaf 2.4).

4.2.2.3 Realisatie nieuwe woningen


Artikel 2.2.2
Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.

Toetsing:
De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De overige bebouwing wordt planologisch als bijgebouw aangewezen.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De kenmerkende erfstructuur blijft op deze wijze behouden en de ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving.

De woningen worden met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen gerealiseerd en voldoen aan de kwalitatieve behoefte in de markt. Bovendien wordt er gebouwd voor lokale behoefte.

4.2.3 Conclusie

De ontwikkelingen zijn in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijke beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie gemeente Losser geeft een toekomstbeeld voor de periode tot 2040. Het centrale uitgangspunt is dat bij alle ambities en speerpunten de landschappelijke waarden en kwaliteiten centraal staan. De landschappelijke kwaliteiten vormen het fundament onder de Omgevingsvisie.

Losser heeft in de Omgevingsvisie vier overkoepelende ambities gedefinieerd:

  • 1. Een herkenbaar en gastvrij Losser
  • 2. Een leefbaar en gezond Losser
  • 3. Een toekomstgericht Losser
  • 4. Een innovatief en ondernemend Losser

Landelijk gebied

Losser wil het landelijk gebied vitaal houden. Het is een grote uitdaging om verpaupering te voorkomen en bestaande bebouwing overeind te houden. Losser biedt daarom meer ruimte voor (economische) activiteiten op voormalige bedrijfslocaties. Hoewel ze de focus leggen op bestaande bebouwing, wordt het oprichten van nieuwe bebouwing niet volledig uitgesloten. Ook op dit vlak wil de gemeente maatwerk bieden. Wel vinden ze de aspecten zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit erg belangrijk.

4.3.1.1 Gebiedskompassen

Gebiedskompas – Op het vlakke land

De planlocaties zijn onderdeel van het vlakke land. Dit deelgebied in het noordoosten en de zuidelijke helft van de gemeente kent een relatief grootschalig agrarisch gebruikslandschap. Rationele verkaveling, rechte lijnen en een landschap dat meer open is dan in de andere gebieden. In hoogte ligt dit deelgebied tussen de stuwwal en het beekdal.

De basisfunctie van dit deelgebied is grondgebonden landbouw, met name melkveehouderij. Agrariërs zijn medevormgevers van het landschap. Feit is bijvoorbeeld dat de bedrijven groeien in omvang maar dalen in aantal. Dit heeft een weerslag op het landschap.

In het noordoostelijke deel bevinden zich de natuurgebieden Punthuizen, Stroothuizen en het Beuninger Achterveld. Deze gebieden makenonderdeel uit van Natura 2000-gebied ‘Dinkelland’

De gemeente Losser heeft een ‘lange grens’ met Duitsland en is daarin uniek in Nederland. Dit deelgebied ligt in het oosten en zuiden langs de grens.

Vanwege het toekomstperspectief voor de landbouw is de gemeente terughoudend met alternatieve functies in het landelijk gebied. De gemeente ziet in dit deelgebied, en met name in het zuidelijke deel de landbouw als leidende functie.

Toetsing: 
De planlocaties zijn gelegen in het zuidelijke deel van de gemeente Losser. Zoals aangegeven is de gemeente in dit gebied terughoudend met alternatieve functies. Echter is het met toepassing van maatwerk wel mogelijk om nieuwe bebouwing op te richten. Er is daarom ook sprake van maatwerk.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De overige bebouwing op het erf worden planologische als bijgebouwen aangemerkt.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving.

4.3.1.2 Conclusie

De ontwikkelingen zijn in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Losser verwoorde ruimtelijke beleid. Verder toetsing aan de Omgevingsvisie Losser is niet nodig.

4.3.2 Welstandsnota

De Welstandsnota Losser is in 2013 in werking getreden. Op basis van een waardering van de bebouwing in haar omgeving met de daarbij behorende ambitiebepaling is het grondgebied van de gemeente Losser ingedeeld in welstandsvrij gedeeltes en twee niveaus van welstand, te weten: niveau 1 en niveau 2. In de welstandsvrije gebieden geldt geen welstandstoezicht.

In de gebieden met een welstandsniveau 1 geldt een welstandsbeleid dat erop gericht is om de basiskwaliteit van het gebied te behouden. Het welstandsbeleid in de gebieden met een welstandsniveau 2 is gericht op het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteiten.

De plangebieden worden op bassis van de welstandsnota gerekend tot het buitengebied. Ter plaatse van beide locaties geldt welstandsniveau 1. In onderstaande figuur is een uitsnede weergeven van de kaart behorend bij de welstandsnota.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0021.png"

Figuur 20. Uitsnede kaart welstand (bron: gemeente Losser).

4.3.2.1 Welstandsniveau 1

Het gaat te ver om alle in de welstandsnota geformuleerde criteria te weergeven. Daarom worden hierna enkel de voor dit plan belangrijkste criteria weergeven.

Materiaal en kleur:

  • Gelijk aan het bestaande/ oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik.

Detaillering:

  • Identiek aan de bestaande bouw.
  • Boeien maximaal 30 centimeter hoog.


Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen:

  • Plat afgedekt of kapvorm en hellingshoek gelijk aan de bestaande bouw.
  • Geen gesloten gevels aan de voorzijde.


Dakkapellen:

  • Plat afgedekt of kapvorm.
  • Voorzijde: maximaal 1,50 meter hoog en 1 meter dakvlak rondom vrijlaten.
  • Achterzijde: maximaal 1,75 meter hoog en 0,5 meter dakvlak rondom vrijlaten.


Erkers:

  • Plat afgedekt of kapvorm.
  • Binnen het gevelvlak.
  • Een lage (60 centimeter) plint is toegestaan, met daarboven uitsluitend open delen of de erker bestaat uitsluitend uit open delen (zonder plint).


Gevelwijzigingen:

  • De bestaande vorm van de gevelopening wijzigt niet.

Toetsing

Op dit moment zijn er nog geen concrete ontwerpen van de nieuwe woningen beschikbaar. Bij het ontwerp van de woningen zal rekening worden gehouden met de van toepassing zijnde welstandscriteria.

4.3.2.2 Conclusie

Bij de voorgenomen ontwikkelingen zullen de van toepassing zijnde welstandscriteria in acht worden genomen. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling op de locaties passen binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de welstandsnota van de gemeente Losser.

Hoofdstuk 5 Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving

5.1 Milieu

5.1.1 Activiteiten en milieuzonering

In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is.

In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige objecten die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader.

In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.

Het plangebied aan de Wiggersweg 1 is gelegen in een gebied dat kan worden gezien als een "gemengd gebied".

Het plangebied aan de Haweg is gelegen in een gebied dat niet kan worden gezien als een "gemengd gebied". Daarom wordt het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als "rustige woonwijk" of "rustig buitengebied".

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

Woningen zijn geen inrichtingen die mogelijk hinder aan de omgeving veroorzaken Er is daarmee geen sprake van een onevenredige hinder aan de omgeving.

Als sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw of als een bestaand gevoelig gebouw van functie verandert dan is het belangrijk dat dit nieuwe of gewijzigde gevoelige gebouw niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

Bij de ontwikkelingen op beide locaties is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Daarom is tevens gekeken naar de afstand van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen.

De planlocatie aan de Wiggersweg 1 bevindt zich aan de rand van een bestaand gezoneerd industrieterrein.Ten oosten van de locatie bevinden zich meerdere bedrijven. In het dichtstbijzijnde bedrijfspand zit een autodealer en een charging station voor elektrische auto's.

Ten aanzien van een bedrijf dat handelt in auto's en motorfietsen en reparatie- en servicebedrijven zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 10 meter.
  • Stof: 10 meter.
  • Geluid: 100 meter.
  • Gevaar: 10 meter.

De autodealer bevindt zich aan de Gronausestraat 294 en is gelegen op een afstand van circa 22,75 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak).

Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstand voor geluid voldaan. Echter is het niet de verwachting dat het bedrijf in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Bovendien betreft het een richtafstand waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Om dit aantoonbaar te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.1.4 wordt hier nader op in gegaan.

De planlocatie aan de Haweg (nabij Glane) bevindt zich in het buitengebied. Ten noordoosten van de locatie bevindt zich een rundveehouderij. Ten aanzien van het fokken en houden van rundvee zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 100 meter.
  • Stof: 30 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 0 meter.

De rundveehouderij bevindt zich aan Glanebrugdijk 12 en is gelegen op een afstand van circa 250 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Alle andere omliggende (agrarische)bedrijven zijn op een grotere afstand gelegen van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zullen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

5.1.2 Geur

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

Een woning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zullen de voorgenomen ontwikkelingen op beide locaties niet leiden tot een toename van de geurbelasting op gevoelige objecten in de omgeving.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd.

Een burgerwoning dient te worden beschouwd als een gevoelig object op het gebied van geur. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd.

De afstand van de nieuw toe te voegen burgerwoning (rijksmonument) aan de Wiggersweg 1 en de dichtstbijzijnde stal van de rundveehouderij aan de Leusinkweg 21 bedraagt circa 270 meter. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur worden geborgd.

De afstand van de nieuw toe te voegen burgerwoning aan de Haweg en de dichtstbijzijnde stal van de rundveehouderij aan de Glanebrugdijk 12 bedraagt circa 250 meter. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur worden geborgd.

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur.

5.1.3 Luchtkwaliteit

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.

Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

Beide voorgenomen ontwikkelingen betreffen geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkelingen op beide locaties niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien er sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkelingen geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 5.4) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkelingen is sprake van het toevoegen van nieuwe burgerwoningen. Een burgerwoning dient te worden beschouwd als een gevoelig object op het gebied van luchtkwaliteit. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Daarbij zijn de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden leidend.

Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³).

Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse van de locatie ongeveer 14 (fijnstof) en 9 µg/m³ (stikstofoxiden). De achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden bedragen daarmee ter plaatse (aanzienlijk) minder dan 40 µg/m³, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0022.png"

Figuur 21. Uitsnede achtergrondconcentratie fijnstof (bron: Atlas van de leefomgeving).

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0023.png"

Figuur 22. Uitsnede achtergrondconcentratie stikstof (bron: Atlas van de leefomgeving).

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.1.4 Geluid
5.1.4.1 Geluid vanuit activiteiten

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

5.1.4.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Wanneer een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie verandert dan dient te worden bekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het omgevingsplan.

De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen dient binnen de aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt.

Aan de Wiggersweg 1 wordt de nieuwe woning op voldoende afstand van de omliggende wegen gerealiseerd. Het zijn, met uitzondering van de Gronausestraat, bovendien allen wegen met een lage verkeersintensiteit. Voor de Gronausestraat geldt ter plaatse van het plangebied aan de Wiggersweg bovendien dat de maximale snelheid 50 km/uur bedraagt en de woning op ruim 100 meter uit de as van de weg ligt. De maximale gevelbelasing zal ter plaatse van deze woningen dan ook niet de maximale grenswaarde overschrijden.

Aan de Haweg is sprake van het oprichten van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Om aan te tonen dat ter plaatse van de nieuwe woning aan de standaard grenswaarden wordt voldaan is is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Hieruit blijkt dat ook de gevelbelasting op de gevels van deze woning binnen de wettelijke norm blijft. Daarbij dient de woning minimaal 15,5 meter uit de as van de Haweg gebouwd te worden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van de Haweg.

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkelingen is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties.

Wel is er sprake van industrielawaai van bedrijven die niet zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein beoordeeld (paragraaf 5.1.1). De afstand van deze bedrijven ten opzichte van de planlocatie aan de Wiggersweg 1 geven aanleiding om aan te nemen dat de betreffende bedrijven beperkt kunnen worden in de bedrijfsvoering. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In onderstaande tabel staat een overzicht van de geluidsbelastingen op de twee nieuwe woonbestemmingen weergeven. Geconcludeerd wordt dat de geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en dat het dus mogelijk is om af te wijken van de richtafstanden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 van deze onderbouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0024.png"

*Het rijksmonument is gelegen op groter afstnad dan de voormalige bedrijfswoningen kalverenstal en zal derhalve aan de normen voldoen.

Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 5.4) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.

Gezien het voorgaande is geen sprake van mogelijke belemmeringen op het aspect geluid.

5.1.5 Externe veiligheid

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over externe veiligheid. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van externe veiligheid wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico:

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, mits goed gemotiveerd, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed gemotiveerd, maatwerk toepassen.

Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.

Groepsrisico:

Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor externe veiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het voormalige Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

5.1.5.1 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet aan te merken als een risicovolle inrichting. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Daarmee zijn de risico's voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd.

Verder dient te worden onderzocht of nabij de locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende figuur is een uitsnede uit deze kaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle activiteiten nabij de locatie zijn opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0025.png"

Figuur 23. Uitsnede Risicokaart (bron: Atlas van de Leefomgeving).

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

Daarmee zijn de risico's voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd.

5.1.5.2 Groepsrisico

Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied dient een aanvullende afweging te worden gemaakt ten aanzien van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.

De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtszones is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.

Ook de aandachtsgebieden zijn geïnventariseerd en in beeld gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zoals te zien in de uitsnede van deze kaart, zoals is opgenomen in de paragraaf "Plaatsgebonden risico" (paragraaf 5.1.5.1), is de locatie niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden gelegen.

Met de voorgenomen ontwikkelingen is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van het groepsrisico.

5.1.6 Bodem

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is een belangrijk uitgangspunt het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Daarnaast is een afweging nodig van de balans tussen milieu- en gezondheidsrisico’s enerzijds en maatschappelijk gewenste activiteiten anderzijds wanneer sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit.

Gemeenten dienen hiervoor regels in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving inzake bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het gebruik van stoffen die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Een mogelijke uitzondering daarop is het eventueel lekken van olie uit de ter plaatse gestalde voertuigen. De vloeren in de bedrijfsbebouwing worden echter geheel vloeistofdicht uitgevoerd, waardoor er geen olie de bodem in kan lekken. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke bodemverontreiniging als gevolg van de uitgevoerde activiteiten.

Op de lcoatie aan de Wiggersweg 1 wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. De huidige bedrijfswoning blijft in gebruik als burgerwoning. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en er vinden dus geen bodemingrepen plaats waardoor een bodemonderzoek niet nodig wordt geacht.

Aan de Haweg (nabij Glane) bevindt zich een bestaande mestopslag. Dit betreft een vloeistofdichte voorziening. Ter plaatse wordt daarom geen bodemverontreiniging verwacht. Een bodemonderzoek wordt niet nodig geacht.

De voorgenomen ontwikkelingen hebben daarmee geen betrekking op activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen en vindt niet plaats ter plaatse van een mogelijk verontreinigde bodem Er zijn daarmee ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijke belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect bodem.

5.1.7 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Momenteel is er nog geen toereikend onderzoek beschikbaar waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Daarnaast zijn er nog geen vaste richtlijnen voor het al dan niet hanteren van zogenaamde spuitzones rondom gevoelige gebouwen, waarbinnen geen gebruik mag worden gemaakt van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Wetenschappelijk is het niet aan te geven hoe groot de afstand tussen een perceel waarop wordt gespoten en een gevoelig gebouw zou moeten zijn. Zonder aanvullende maatregelen wordt doorgaans een richtafstand van 50 meter gehanteerd. Dit wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In sommige gevallen kan, wanneer voldoende maatregelen worden getroffen of wanneer het niet aannemelijk is dat op de gronden op agrarische percelen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, een afwijkende afstand worden aangehouden. Daarnaast kunnen gemeenten specifieke richtlijnen opnemen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het omgevingsplan.

In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.


Effecten gewasbeschermingsmiddelen door ter plaatse uitgevoerde activiteiten:

Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Effecten gewasbeschermingsmiddelen door activiteiten in de omgeving:

Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Met het initiatief wordt gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Daarmee kan op de locatie sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen.

In de buurt van de locatie wordt echter geen bomenteelt en/of akkerbouw uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor de gezondheid op de locatie door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen.

5.1.8 Hoogspanningsverbindingen

De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld.

Nabij de locaties zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.

5.1.9 Voortoets MER-beoordeling

Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling aan zowel de Wiggersweg 1 en de Haweg is sprake van het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die zijn opgenomen in de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit en/of waarvoor een beoordelingsplicht geldt. De ontwikkelingen zullen daarom niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten, waarmee een verdere beoordeling niet nodig is.

Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een activiteit die aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee dan ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

5.2 Ecologie

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden valt daarmee onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen op in de eigen omgevingsvisie. Daarnaast kunnen provincies nadere regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij eveneens het Natuurnetwerk Nederland beschermd dient te worden.

5.2.1 Natura 2000-gebieden

Om de natuur te beschermen, geeft de Rijksoverheid regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd.

Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Wanneer een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.

Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn beide locaties niet gelegen in een Natura 2000.Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Dinkelland is gelegen op een afstand van circa 300 meter van de planlocatie aan de Wiggersweg 1. De planlocatie aan de Haweg (nabij Glane) is gelegen op een afstand van circa 475 meter van het betreffende Natura 2000-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0026.png"

Figuur 24. Uitsnede Natura 2000 kaart (bron: provincie Overijssel).

Op een dergelijke afstand zijn nadelige gevolgen als de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen uit te sluiten. Deze zullen in de betreffende gebieden op een dergelijke afstand immers niet merkbaar zijn. Wel kunnen mogelijk nadelige gevolgen optreden als gevolg van de depositie (neerslag) van stikstof in de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkelingen is geen sprake van een veehouderij en/of een activiteit met een emissie van ammoniak

Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.4.2), niet onevenredig toenemen. De afname van de depositie van stikstof door de beëindiging van de emissie van ammoniak zal groter zijn dan de eventuele toename van de depositie door een mogelijk toenemende emissie van stikstofoxiden vanuit de verkeersbewegingen.

Ten behoeve van het initiatief is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Uit dit onderzoek blijkt dat:

Op basis van de AERIUS-berekeningen is er sprake van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ten tijde van het feitelijke planologische en legale gebruik is er sprake van een referentiesituatie op beide locaties. Op basis van de resultaten van de AERIUS verschilberekeningen met het feitelijke planologische en legale gebruik (intern salderen) is geen sprake van een toename in depositie.

Dit leidt tot de conclusie dat er geen significante negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden zijn te verwachten.

Het volledige stikstofdepositieonderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

5.2.2 Houtopstanden

De Omgevingswet geeft regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.

In feite gelden de regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.

Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden als uitzondering vanuit het Bal.

Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.
  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld.
  • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen.
  • Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar.
  • Kweekgoed.
  • Populieren of wilgen van:
    • 1. wegbeplantingen;
    • 2. beplantingen langs waterwegen;
    • 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
  • Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.
  • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats;
    • 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid;
    • 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken;
    • 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.
  • Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.
  • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Bij de voorgenomen ontwikkelingen is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit de Omgevingswet over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

5.2.3 Soortenbescherming

In de Omgevingswet worden regels gesteld voor de bescherming van flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Door Otte Groenadvies is op een quicksan flora en fauna uitgevoer op de locaties Wiggersweg 1 en Haweg ong. De conclusies en aanbevelingen luiden als volgt:

  • Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen;
  • Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;
  • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden;

De volledige quickscan flora en fauna is als bijlage 9 opgenomen bij deze toelichting.

Op basis hiervan zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. Er is daarmee geen sprake van een activiteit met mogelijk nadelige gevolgen voor soorten flora en fauna.

5.2.4 Natuurnetwerk Nederland

Omdat de natuur vanuit de Omgevingswet deel uitmaakt van de fysieke leefomgeving en voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden een algemene zorgplicht geldt dient ook voor gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn de locaties niet in het NNN gelegen. De planlocaties aan de Wiggersweg en de Haweg bevinden zich op ruime afstand van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN significant aantasten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0027.png"

Figuur 25. Uitsnede kaart NNN (bron: Provincie Overijssel).

5.3 Cultureel erfgoed

Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid gereguleerd in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.

5.3.1 Archeologie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. Daarom zal de gemeente de vrijstelling ook met archeologisch-inhoudelijke redenen moeten onderbouwen.

Gemeenten nemen deze vrijstellingsgrenzen in het omgevingsplan op, afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Losser voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

In onderstaande figuur is een uitsnede weergeven van de archeologische waardenkaart ten behoeve van planvorming van de gemeente Losser. Met rood zijn de drie planlocaties omcirkeld.


afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0028.png"

Figuur 26. Uitsnede archeologische advieskaart (bron: gemeente Losser).

Wiggersweg 1
Dit plan voorziet in functieverandering en hergebruik van bestaande gebouwen. Er vinden geen bodemingrepen plaats waardoor archeologisch onderzoek niet nodig is. Bovendien heeft de locatie in op de archeologische advieskaart van de gemeente Losser geen archeologische waardering gekregen omdat het industriegebied betreft.

Haweg (nabij Glane)
Ter plaatse geldt een middelhoge archeologische verwachting. Dit plan voorziet in de sanering van een bestaande mestzak en realisatie van een nieuwe woning met bijgebouw. Daarbij zal de bodem niet dieper worden verstoort dan de laag die geroerd is bij de aanleg van de mestzak. Daarmee zijn geen negatieve effecten op archeologische waarden te verwachten. Archeologisch onderzoek wordt daarom niet nodig geacht.

5.3.2 Cultuurhistorie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22E-0401_0029.png"

Figuur 27. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaarten (bron: provincie Overijssel).

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden aangetast.

5.4 Verkeer en parkeren

5.4.1 Infrastructuur en parkeren

Wiggersweg 1

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Gronausestraat. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

Haweg (nabij Glane)

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Haweg. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

5.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is aan de Wiggersweg 1 wordt het agrarisch bedrijf beëindigd. Doormiddel van functieverandering krijgt het bestaande karakteristieke Twentse erf een woonbestemming. Er zal gebruik gemaakt worden van de bestaande bebouwing. Het aantal verkeersbewegingen zal niet onevenredig toenemen en gaan volledig op in het heersende verkeersbeeld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg is sprake van het realiseren van een nieuwe burgerwoning . De verkeersbewegingen van en naar deze woning gaan echter op in het normale verkeersbeeld van de Haweg. Bovendien verminderd door de sanering van de mestopslag het aantal verkeersbewegingen met landbouw- en vrachtverkeer.

Op beide locaties wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om te kunnen parkeren op eigen erf.

Gelet op het voorgaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmernig voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.5 Water

Het watersysteem is een essentieel onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.

Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moet gemeente rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Vechtstromen . Daarmee is het waterschap Vechtstromen de waterbeheerder dient de gemeente de opvattingen van het waterschap bij het opstellen van het omgevingsplan te betrekken.

5.5.1 Beleid waterschap

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

5.5.2 Voorgenomen activiteiten

5.5.2.1 Waterhuishouding Wiggersweg 1

Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Er vindt geen toename van verhard oppervlak plaats. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

5.5.2.2 Waterhuishouding Haweg (nabij Glane)

Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m². Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. De samenvatting van de digitale watertoets is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen.


Aanleghoogte van de bebouwing

Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.

5.6 Duurzaam ontwikkelen

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op duurzame wijze ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (voor het bijdragen aan de energiedoelstellingen) en klimaatadaptatie.

5.6.1 Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het van belang te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar wordt gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.

Gemeenten kunnen in de regels van het omgevingsplan vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevinswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn.

De gemeente Losser heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Losser heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

Daarmee zal de milieuhinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen, waarmee de kwaliteit van de leefomgeving in de omgeving (aanzienlijk) zal verbeteren. Dit draagt bij aan een verbeterde omgevingskwaliteit.

Daarnaast zal de emissie van broeikasgassen afnemen met de voorgenomen ontwikkeling. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling namelijk niet langer sprake zijn van het houden van dieren en/of het opslaan van mest, waarmee de emissie van broeikasgassen (koolstofdioxide en methaan) vanuit de gehouden dieren in zijn geheel zal komen te vervallen.

De nieuwe bebouwing zal worden gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie. Ten aanzien van de huidige situatie is daarmee sprake van een aanzienlijke verbetering op het gebied van duurzaamheid en energiezuinigheid.

Er is daarmee sprake van een duurzame ontwikkeling.

5.6.2 Energietransitie

Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op duurzame en schone wijze wordt opgewekt.

Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Losser heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Losser heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

De nieuwe woningen gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie en hebben daarmee een lagere energiebehoefte dan de voormalige bedrijfsgebouwen. Dit komt ten goede aan de energiedoelstellingen.

Daarnaast zullen de nieuwe woningen beter geïsoleerd zijn dan de huidige, waarmee het energieverbruik van de woning zal afnemen. Ook dit draagt bij aan de energiedoelstellingen.

Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die bijdraagt aan de doelstellingen voor energietransitie.

5.6.3 Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen maatgevende buien steeds vaker voor. Het is van belang om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.

Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Losser heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Losser heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie.

Vermindering uitstoot broeikasgassen:

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. Het agrarische bedrijf is reeds beëindigd waardoor de uitstoot van broeikasgassen de afgelopen jaren al naar beneden is gegaan. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

De nieuwe woningen zullen worden gebouwd volgens de huidige inzichten op het gebied van duurzaamheid en energie. Vanuit de huidige regelgeving dient nieuwe woningen gasloos te worden opgericht. Dit houdt in dat niet langer sprake is van het gebruik van fossiele brandstoffen voor het energieverbruik van de bedrijfswoning. Daarnaast worden de nieuwe woningen beter geïsoleerd waarmee het energieverbruik van de woning zal afnemen. Ook dit leidt tot een (aanzienlijke) afname van het aantal broeikasgassen dat in de lucht terecht komt.

Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag: i

Bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5), is geen sprake van toename van verharding op een overschrijding van de vrijstellingsgrens. Derhalve is geen compenserende waterberging nodig.

Daarnaast zijn de locatiea gelegen op zandgronden met een relatief hoge infiltratiecapaciteit. Dit betekent dat in geval van extreme neerslag inundatie van percelen rondom de locatie mogelijk is, waarbij een deel van de percelen gedurende één dag onder water kunnen staan zonder dat dit overlast veroorzaakt aan omliggende percelen.

De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag.

Overstromingen:

De locaties zijn niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarnaast is de locatie relatief hoog gelegen (35 meter) ten aanzien van het Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag. Vanuit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu is voor de locatie opgenomen dat deze deels niet zal overstromen en de kans op een overstroming op het andere deel niet hoger is dan 1 keer in de 100.000 jaar. Dat betreft geen grote kans op een overstroming.

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot onevenredige risico's voor overstromingen.

Voorkomen van hittestress:

De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. Het agrarische bedrijf is reeds beëindigd waardoor de uitstoot van broeikasgassen de afgelopen jaren al naar beneden is gegaan. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast wordt in de voormalige kalverenschuur een woning gerealiseerd. Na wijzigen van de functie zijn ter plaatse twee woningen toegestaan.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

De nieuwe woningen worden opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van isolatie en duurzaamheid. De woningen zijn daarmee beter bestendig tegen hitte. Ook zullen deze minder hitte uitstralen door blootstelling aan zonlicht.

Verder leiden de nieuwe woningen tot voldoende schaduwwerking op het erf. Daarnaast wordt ter plaatse voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe bomen en landschappelijke elementen worden aangelegd. Dit leidt tot meer schaduw op het erf, waarmee wordt bijgedragen aan minder hittestress op de locatie.

Rondom en nabij de locatie is daarnaast voldoende water aanwezig. Dit werkt verkoelend en helpt bij de voorkoming van hittestress.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress.

Rekening houden met droogte:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangelegd. Dit draagt bij aan een meer groene omgeving. Daarnaast is om en nabij het plangebied voldoende water aanwezig.

Verder vinden ter plaatse geen activiteiten met onttrekkingen van grond- en/of oppervlaktewater plaats.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee in voldoende mate rekening gehouden met droogte.

Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van klimaatadaptatie.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers.

In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Conform de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij het omgevingsplan passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal.

Veder is het van belang dat het initiatief binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is.

6.1.1 Kostenverhaal

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De door de gemeente gemaakte kosten worden door het heffen van leges volgens de vastgestelde legesverordening op de initiatiefnemer verhaald. Daarmee zijn de gemaakte kosten voor rekening van de initiatiefnemer.

Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het initiatief economisch uitvoerbaar wordt geacht.

6.1.2 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een aparte overeenkomst gesloten waarin is opgenomen dat eventuele nadeelcompensatie geheel voor rekening komt voor de initiatiefnemer. Daarnaast is de kans op nadeelcompensatie zeer gering, waarmee een aanvullende nadeelcompensatieanalyse niet noodzakelijk wordt geacht.

Hiermee is het onderdeel nadeelcompensatie in voldoende mate geborgd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Losser met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).

Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.

De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:

Voorbereiding:

Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld.

Ontwerpen:

In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd.

Besluiten:

Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.

Bekendmaking:

Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Rechtsbescherming:

In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt de voorgenomen ontwikkeling maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

6.2.1 Zienswijzen

Vanuit de Uniforme Voorbereidingsprocedure heeft het ontwerp van het voorliggende plan van 27 november 2025 tot en met 8 januari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.