| Plan: | TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0160.0000TAM0031-VG01 |
Aan de Langewijk 148 t/m 148a en Oude Zuidwolderstraat ong. in Dedemsvaart is een voormalig uitvaartcentrum met bedrijfswoning aanwezig. De initiatiefnemer heeft deze locatie gekocht en is van plan deze te herontwikkelen. Hierbij is het de bedoeling om het uitvaartcentrum te slopen en daarna vijf rijwoningen te bouwen. De voormalige dienstwoning blijft behouden en wordt omgezet naar een reguliere woning.
Op grond van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk. Dit komt doordat binnen de huidige maatschappelijke functie geen reguliere woningen toegestaan zijn. Voor het mogelijk maken van deze ontwikkeling is derhalve een omgevingsplanwijziging noodzakelijk. Voorliggend plan voorziet in de benodigde omgevingsplanwijziging.
Ligging
Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Avereest, sectie H en perceelnummer 2934. In figuur 1.1 is de globale ligging (rode ster) van het plangebied ten opzichte van Dedemsvaart opgenomen.
Figuur 1.1: globale ligging plangebied (bron: PDOK)
Begrenzing
In figuur 1.2 is een luchtfoto opgenomen, waarop de begrenzing van het plangebied in het blauw wordt weergegeven. Aan de noord- en oostzijde wordt het plangebied begrensd door bestaande woningen. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Langewijk en aan de westzijde door de Oude Zuidwolderstraat.
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Kadastrale kaart)
Huidige planologische situatie
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Op te merken is dat er diverse tijdelijke onderdelen van toepassing zijn op het plangebied. Voor wat betreft de planologische mogelijkheden binnen het plangebied dienen de tijdelijke onderdelen 'Bestemmingsplan Dedemsvaart' en 'Bestemmingsplan Dedemsvaart (herziening)' te worden geraadpleegd. Daarnaast is het tijdelijke onderdeel 'Facetherziening parkeren Hardenberg' relevant voor het plangebied, aangezien hierin parkeerregelgeving opgenomen is.
In figuur 1.3 is de geldende plankaart opgenomen, waarop het plangebied globaal aangegeven is met een paarse druppel. De functie 'Maatschappelijk' is op het plangebied van toepassing. Daarnaast geldt de functieaanduiding 'uitvaartcentrum'. Hiermee zijn de gronden binnen het plangebied hoofdzakelijk bedoeld voor religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, recreatie, gezondheidszorg, bejaardenzorg dienstverlening, alsook ondergeschikte horeca, het wonen in bestaande dienstwoningen en tevens voor een uitvaartcentrum.
Strijdigheid
Binnen de huidige functie zijn er geen reguliere woningen toegestaan. Hierdoor zijn zowel de bouw als gebruik van de beoogde woningen in strijd met het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Ook het regulier bewonen van de bestaande bedrijfswoning is niet toegestaan en is in strijd met het omgevingsplan.
Door middel van het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt een passende set juridische regels voor het plangebied opgesteld, om de beoogde woningen mogelijk te maken. TAM staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. In afwachting van het volledig functioneren van de landelijke website en de gemeentelijke omgevingsplansoftware kunnen plannen op basis van de oude software op www.ruimtelijkeplannen.nl worden gezet. Juridisch maakt het plan deel uit van het omgevingsplan.
Figuur 1.3: uitsnede geldende plankaart (bron: Omgevingsloket, Regels op de kaart)
Het onderhavige TAM-IMRO omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart' bestaat, naast deze motivering, uit de volgende stukken.
Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de bescherming van de gezondheid en het milieu. Hoofdstuk 5 gaat in op de waterbelangen waarna hoofdstuk 6 ingaat op het waarborgen van de veiligheid, waaronder externe veiligheid. Hoofdstuk 7 gaat in op de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De bescherming van de natuur komt in hoofdstuk 8 aan bod. Hoofdstuk 9 gaat in op het behoud van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen. In hoofdstuk 10 wordt de milieueffectrapportage behandeld. Hoofdstuk 11 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 12 de algemene conclusie getrokken waarin wordt beoordeeld of het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de huidige situatie van het plangebied is er nog bebouwing aanwezig behorende bij een voormalig uitvaartcentrum. Dit uitvaartcentrum was van de Coöperatie Dela, die meerdere vestigingen heeft in Nederland. Bij de bedrijfswoning is een tuin met beplanting aanwezig. Verder is op enkele struiken na het plangebied geheel verhard met bestrating en bebouwing.
De ontsluiting van het verkeer van en naar het plangebied vindt hoofdzakelijk plaats op de Langewijk. Dit is een weg waar er 50 km/u op gereden mag worden. Deze weg is verbonden met de Oude Zuidwolderstraat en het plangebied. De Oude Zuidwolderstraat is een doodlopende weg en heeft een snelheidsregime van 30 km/u. De onderlinge afstand tussen het plangebied en de locatie waar de N377 opgereden kan worden, bedraagt circa 280 meter. Deze weg is in verbinding met andere kernen binnen de gemeente en kan via de Langewijk eenvoudig en snel worden bereikt.
In de nabije omgeving van het plangebied zijn meerdere voorzieningen aanwezig, zoals een supermarkt, snackbar, diverse winkels en kantoren. Ook zijn er meerdere woningen aanwezig. Eind 2023 is aan de overzijde van de Oude Zuidwolderstraat (zie westzijde van het plangebied) een woningbouwplan planologisch mogelijk gemaakt, in plaats van het voormalige bouwcentrum. Het plan is echter nog niet uitgevoerd.
In figuur 2.2 wordt het plangebied weergegeven door middel van een vogelvlucht foto. In figuur 2.3 wordt een zijaanzicht op het plangebied weergegeven vanaf de Langewijk.
Figuur 2.2: vogelvlucht foto plangebied (bron: Cyclomedia)
Figuur 2.3: zijaanzicht op het plangebied vanaf de Langewijk (bron: Cyclomedia)
In de toekomstige situatie van het plangebied wordt het uitvaartcentrum gesloopt en de parkeerplaatsen verwijderd. Aangezien het uitvaartcentrum wordt gesloopt, is een bedrijfswoning niet meer nodig. De bestaande bedrijfswoning wordt daarom omgezet naar een reguliere woning. Gezien deze passende vervolgfunctie wordt leegstand en verval van het pand voorkomen. Bovendien wordt gezorgd voor doorstroom, aangezien de woning bewoond kan worden door derden.
Nadat het uitvaartcentrum gesloopt is en de parkeerplaatsen verwijderd zijn, zullen er vijf rijwoningen worden gerealiseerd met bijbehorende parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. De woningen zullen worden aangesloten op het bestaande stedenbouwkundige structuur en vormt daarmee een mooie aanvulling op het woningbouwplan tegenover het plangebied.
De beoogde woningen krijgen een gebruiksoppervlak van circa 80 m² per woning. Op de verdieping komen twee ruime slaapkamers, een badkamer en een vrij indeelbare zolder. Hiermee zijn de woningen zeer geschikt voor zowel starters als jonge gezinnen.
De prijzen van de woningen liggen nog niet vast, dit hangt af van prijs- en marktontwikkelingen. Echter is het de bedoeling dat de woningen voor starters en jonge gezinnen een aantrekkelijke en een betaalbare prijs krijgen. Door o.a. de woningen standaard op te leveren met een keuken en sanitair kan hieraan worden bijgedragen.
Verder worden de woningen minimaal ontwikkeld conform de BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Dit betekent dat de woningen aan de meest actuele duurzaamheidsnormen zullen voldoen, waaronder gasloos. Omdat de woningen gasloos gebouwd zullen worden, zullen voor het opwekken van energie voor het opwarmen van de woningen en het verwarmen van tapwater in de woningen er zonnepanelen en een warmtepomp geplaatst worden.
Verder krijgen de nieuwe woningen een maximale bouwhoogte van circa 9,2 meter en een maximale goothoogte van circa 4 meter. Naast de woningen wordt een parkeerterrein met zeven parkeerplaatsen aangelegd. Dit parkeerterrein zal net als in de huidige situatie via de Oude Zuidwolderstraat bereikbaar zijn. De parkeerplaatsen worden aangelegd door middel van grasbetontegels. Hiermee kan het hemelwater beter worden geïnfiltreerd. In figuur 2.4 is een situatietekening opgenomen, waarop de toekomstige inrichting van het plangebied wordt weergegeven. In figuur 2.5 is een impressie opgenomen van de beoogde woningen.
Figuur 2.4: situatietekening plangebied (bron: Bouwbureau Twente)
Figuur 2.5: impressie beoogde woningen (bron: Building Design Architectuur)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels bevat:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zie stap 11f van hoofdstuk 3.
In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.
Toetsing aan de NOVI
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een maatschappelijke functie, waarbij vijf rijwoningen gerealiseerd worden in plaats van het uitvaartcentrum. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de navolgende paragrafen wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het provinciale- en gemeentelijke beleid. Daarin wordt aangetoond dat het plan past binnen het provinciale- en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Concreet voorziet het plan in zowel woningen voor starters als voor jonge gezinnen. De woningen zijn ook geschikt voor senioren die een grote woning hebben en kleiner willen wonen. Daarmee worden meerdere doelgroepen gediend en past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Toetsing aan de Instructieregels Rijk (AMvB's)
In de hoofdstukken 4 tot en met 10 wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee wordt aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Leidende thema's voor de Omgevingsvisie zijn:
Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Omgevingswet om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel).
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Generieke beleidskeuzes
Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn artikel 4.4 (Principe van concentratie), artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit), artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) en artikel 4.14 (Woonafspraken) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan.
Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Toets
Het plangebied ligt binnen bestaand bebouwd gebied. Door het plangebied te ontwikkelen wordt geen extra beslag gelegd op de Groene Omgeving. Aan artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel wordt voldaan.
Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Toets
De voorgenomen herontwikkeling maakt het mogelijk om vijf nieuwe woningen te realiseren ter plaatse van het voormalige uitvaartcentrum, waarbij het parkeren op eigen terrein wordt opgelost. Deze woningen sluiten qua volume aan op het woningbouwplan aan de overzijde van het plangebied, dat eind 2023 mogelijk is gemaakt. De bestaande bedrijfswoning aan de Langewijk blijft behouden en wordt omgezet naar een reguliere woning. Hierdoor krijgt het pand een passende functie voor de toekomst en kan het worden bewoond door derden, waarmee leegstand en eventueel verval worden voorkomen. Dit is wenselijk voor het gebied, aangezien het pand geldt als één van de 'dragers' van de identiteit langs de Langewijk.
Om te waarborgen dat het pand ook na de realisatie van de nieuwe woningen een belangrijke positie behoudt in het straatbeeld, zal de voorgevelrooilijn van de nieuwe woningen iets terugliggen ten opzichte van dit pand. Doordat het toevoegen van nieuwbouw nieuwe kwaliteiten voor het gebied met zich meebrengt, rekening wordt gehouden met de bestaande kwaliteiten van het gebied en wordt aangesloten op de bestaande stedenbouwkundige structuur, wordt verwacht dat de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van het gebied door dit plan wordt versterkt.
Gelet op het vorenstaande wordt aan artikel 4.8 uit de Omgevingsverordening Overijssel voldaan.
Artikel 4.14 Woonafspraken
Lid 1
Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
Lid 2
Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.
Toets
Op basis van de 'Actualisatie Woondeal West-Overijssel 2025 t/m eind 2030', waar de gemeente Hardenberg één van de ondergetekenden is, blijkt dat over de periode 2022 tot en met eind 2030 minimaal 28.200 nieuwe woningen gerealiseerd moeten worden. Voorliggend plan maakt vijf nieuwe woningen mogelijk en de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Hiermee komen er zes woningen beschikbaar op de woningmarkt en wordt er een steentje bijgedragen aan het verwezenlijken van de wens om eind 2030 minimaal 28.200 woningen gerealiseerd te hebben.
Gelet op het vorenstaande wordt aan artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel voldaan.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving, omdat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied ligt. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven. Het plangebied is hierop aangegeven met een rode markering. Hieruit blijkt dat voor het plangebied het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' geldt.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toets
De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en met de nieuwe woningen kan er voorzien worden in de lokale behoefte aan betaalbare woningen. Door een passende vervolg functie te geven aan een uitvaartcentrum dat de activiteiten staakt en alles aan een andere partij overgedragen heeft, wordt leegstand voorkomen en blijft het gebied daardoor zowel leefbaar als aantrekkelijk, zonder dat dit ten koste gaat van andere functies in de omgeving. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie door de nieuwe parkeerplaatsen met grasbetontegels aan te leggen, waardoor het hemelwater beter geïnfiltreerd kan worden. Daarnaast kan er een bijdrage geleverd worden aan de energietransitie, aangezien in de woningen voor het opwekken van energie installaties zullen worden geplaatst. De overtollige energie wordt teruggeleverd aan de energiemaatschappij die deze kan doorverkopen aan derden.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavig plan niet in strijd is met de ambities van het geldende ontwikkelingsperspectief.
Gebiedskenmerken
De 'Natuurlijke laag', de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' en 'de laag van beleving' hebben geen specifieke kenmerken voor het plangebied en blijven daarom verder buiten beschouwing. Hierdoor wordt enkel ingegaan op de stedelijke laag.
Stedelijke laag
In figuur 3.3 is een uitsnede opgenomen van de stedelijke laag. Het plangebied is met een rode markering aangegeven. De stedelijke laag kent aan het plangebied het kenmerk 'Woonwijken 1955 - nu' toe. Daarnaast kent de stedelijke laag aan het plangebied het kenmerk 'Informele trage netwerk' toe. Dit is in figuur 3.4 weergegeven.
Figuur 3.3: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Figuur 3.4: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. Als ontwikkelingen plaats vinden binnen de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien. Als ontwikkelingen plaats vinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen (b.v. bedrijventerreinen, woonwijken), dan dragen deze ontwikkelingen bij aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Nieuwe mogelijkheden voor lange afstands-, wandel- en fietsroutes worden benut.
Toets
De nieuwe woningen sluiten aan op het woningbouwplan tegenover het plangebied en passen qua aard, maat en karakter in dit gebied. De herontwikkeling vindt plaats binnen het plangebied en heeft geen effect op de verkeersstromen. Verder is binnen het plangebied of in de omgeving geen sprake van een groenstructuur die door deze ontwikkeling kan worden geschaad. Gelet hierop wordt er geen afbreuk gedaan aan de kenmerken en ambities voor de stedelijke laag.
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. Deze omgevingsvisie is samengesteld met participatie van vele stakeholders uit allerlei sectoren.
Hardenberg staat voor grote uitdagingen. Een groeiende bevolking en economie zijn voor een grensregio niet vanzelfsprekend. Integendeel. Dit vraagt om blijvende inspanningen en investeringen. De gemeente kan niet doorbouwen zoals het groot is geworden. Het gebruik van het platteland verandert. Dat vraagt om ontwikkeling van bebouwing die samengaat met ruimtelijke kwaliteit, landschap en natuur. Stad en land vullen elkaar steeds meer aan en houden elkaar in balans. Samen vertellen zij het verhaal van de functieverandering van het Hardenbergse platteland. Of-of-denken maakt plaats voor en-en-denken. De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken door stedelijke elementen aan te brengen. Tegelijkertijd blijft de gemeente werken aan het binnenstedelijk woon- en leefklimaat met vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart.
De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende:
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval zijn met name de thema's 'Hardenberg voor elkaar' en Hardenberg duurzaam' relevant, aangezien voorliggend plan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en bij kan dragen aan de ambities van de gemeente ten aanzien van energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie.
Hardenberg voor elkaar
Dit thema is onder te verdelen in vier delen:
Gezien de voorgenomen ontwikkeling is hierbij met name het aspect 'Aantrekkelijk wonen' van belang. De gemeente heeft daarbij de volgende ambities:
Hardenberg duurzaam
Dit thema is onder te verdelen in vier delen:
In dit thema heeft de gemeente de volgende ambities:
Met het voorliggende plan wordt een uitvaartcentrum zonder vervolgfunctie gesaneerd en vervangen door de realisatie van vijf rijwoningen. Deze woningen sluiten qua volume aan op het woningbouwplan aan de overzijde van het plangebied, dat eind 2023 mogelijk is gemaakt.De bestaande bedrijfswoning aan de Langewijk blijft behouden en wordt omgezet naar een reguliere woning, aangezien deze niet langer nodig is ten behoeve van het uitvaartcentrum. Hiermee wordt bewoning door derden mogelijk gemaakt. Dit voorkomt leegstand en vaak het gevolg hiervan, verval van het pand. Het plan draagt dus zowel bij aan het behoud van de leefbaarheid van de kern als het voorkomen van de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Dit is wenselijk voor het gebied, aangezien het pand geldt als één van de 'dragers' van de identiteit langs de Langewijk. Door het toevoegen van vijf nieuwbouw woning waarbij de bestaande ruimtelijke kwaliteit gerespecteerd wordt, wordt er zowel voorzien in de behoefte aan extra woningen als de ruimtelijke kwaliteit verder versterkt. Geconcludeerd wordt dat het plan daarom passend is binnen de thema ‘Hardenberg voor Elkaar’ en het onderdeel 'Aantrekkelijk Wonen'.
Verder worden de woningen gasloos gebouwd en er zullen zonnepanelen worden geplaatst op de woningen om te voorzien in de energiebehoefte voor het huishouden. Hierbij wordt er minimaal voldaan aan de BENG eisen, maar de bewoners kunnen ervoor kiezen om de woningen volledig energieneutraal te maken door extra zonnepanelen te plaatsen. Hierdoor ontstaat vaak een overschot aan energie, die kan worden teruggeleverd aan een energiemaatschappij. Hiermee is het plan passend binnen de thema 'Hardenberg duurzaam' en de onderdelen 'Samen bouwen aan een duurzame toekomst' en 'Energietransitie'.
Vanuit de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' zijn er dan ook geen belemmeringen voor voorliggend plan.
Op 21 december 2022 is de regionale woondeal West Overijssel getekend. De woondeal gaat over meerdere onderdelen, maar in het kort samengevat in ieder geval over de doelstellingen van deze regio West-Overijssel om de komende jaren tot de bouw van voldoende passende woningen te komen, waarmee het woningtekort in deze regio kan worden opgelost. De opgave/ambitie van de gemeente Hardenberg sluit kwantitatief aan bij de opgave vanuit de woondeal. De autonome opgave binnen West Overijssel is 28.200 woningen t/m 2030. De gemeenten zetten in op een opgave/ambitie van 40.000 woningen.
De gemeente Hardenberg gaat haar woon(zorg)beleid actualiseren. In lijn met het wetsvoorstel Versterking Regie Volkshuisvesting gaat de woonzorgvisie in op het woningbouwprogramma, betaalbaarheid, verduurzaming en leefbaarheid. Maar ook op de huisvesting van aandachtsgroepen en de zorg- en ondersteuningsbehoefte van deze groepen. Om gefundeerde keuzes te kunnen maken is actueel inzicht nodig in de woningbehoefte op zowel korte als langere termijn. De gemeente heeft daarom samen met Vechtdal Wonen in het najaar van 2024 een woningmarktonderzoek laten uitvoeren naar de woningbehoefte en opgave ten aanzien van aandachtsgroepen. Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de woningbehoefte en de woonzorgvraag van verschillende doelgroepen.
Belangrijkste conclusies met betrekking tot woningbehoefte zijn als volgt:
Op basis van de gemeentelijke prognose is een doorrekening gemaakt van de verwachte ontwikkeling in de verschillende kernen. Voor Dedemsvaart gaat het om een woningbouwbehoefte tussen 2024 en 2040 in totaal om +770 woningen.
Voorliggend plan voorziet in de behoefte aan meer woningen in Dedemsvaart. De woningen krijgen een gebruiksoppervlak van circa 80 m² per woning. Op de verdieping komen twee ruime slaapkamers, een badkamer en een vrij indeelbare zolder. Hiermee zijn de woningen zeer geschikt voor zowel starters als jonge gezinnen. De prijzen van de woningen liggen nog niet vast, dit hangt af van prijs- en marktontwikkelingen. De bedoeling is dat de woningen voor betaalbaar zijn voor beide doelgroepen.
Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning, waardoor derden de woning kunnen bewonen. Hiermee wordt een passende vervolgfunctie gegeven aan een pand dat niet meer ten behoeve van een bedrijfsvoering noodzakelijk is. Dit voorkomt leegstand en dat het pand daardoor in verval raakt. Tevens wordt de doorstroming op de woningmarkt bevorderd, aangezien door de omzetting de woning deze door derden bewoond kan worden.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan niet in strijd is met het woonbeleid van de gemeente Hardenberg.
Er moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In de 'Parkeernormennota Hardenberg' is bepaald hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Dit is afhankelijk van de locatie en soort ontwikkeling. Er wordt uitgegaan van gemiddelden. Verder wordt er binnen de gemeente Hardenberg uitgegaan van de verstedelijkingsgraad 'weinig stedelijk' en wordt de kern Dedemsvaart aangemerkt als 'centrum'. Het aantal verkeersbewegingen wordt bepaald door gebruik te maken van de kencijfers uit het CROW. Ook hier wordt uitgegaan van 'weinig stedelijk' en 'centrum'.
De toevoeging van vijf nieuwe rijwoningen leidt op basis van de kencijfers uit het CROW tot een toename van 36 verkeersbewegingen in het gebied. Echter komt er ook een uitvaartcentrum te vervallen en daarmee ook de bijbehorende verkeersbewegingen. Het precieze aantal verkeersbewegingen kan niet bepaald worden a.d.h.v. de cijfers van het CROW. Geacht wordt dat een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen eenvoudig en veilig via de huidige ontsluiting afgewikkeld kan worden.
Voor rijwoningen geldt op grond van de gemeentelijke parkeernormennota een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning, waarin het aandeel bezoekersparkeren meegenomen is. Dit aandeel bedraagt 0,2. Voor vijf rijwoningen komt dit neer op zeven parkeerplaatsen voor de bewoners van de woningen en één parkeerplaats voor bezoekers.
Gelet op het feit dat er vlakbij een groot parkeerterrein van de Lidl is gelegen en er langs de Langewijk langsparkeerstroken zijn, wordt geacht dat het bezoekersparkeren niet op eigen terrein opgelost hoef te worden.
Aangezien op eigen terrein zeven parkeerplaatsen voor de bewoners van de vijf rijwoningen gerealiseerd worden in de vorm van een parkeerkoffer en de bestaande inrit van de om te zetten bedrijfswoning behouden blijft waar voldoende ruimte voor parkeren is voor de bewoners van deze woning, wordt geacht dat er in voorliggend plan rekening gehouden wordt met voldoende parkeerplaatsen.
Gelet op het vorenstaande wordt er voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Hardenberg.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:
In voorliggend geval zijn de aspecten geur en trillingen niet van belang, aangezien sprake is van een ontwikkeling die plaatsvindt binnen de stedelijke kern en in de nabijheid geen spoorwegen aanwezig zijn.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluidsgevoelige gebouwen
In artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Onderstaande tabel laat de standaardwaarden en grenswaarden zien (tabel 5.78t / 5.78u Besluit kwaliteit leefomgeving).
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde | Grenswaarde |
| Provinciale wegen Rijkswegen |
50 Lden | 65 Lden |
| Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 Lden | 70 Lden |
| Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
55 Lden | 70 Lden |
| Industrieterreinen | 50 Lden 40 Lnight |
60 Lden 50 Lnight |
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Besluit kwaliteit leefomgeving). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.
Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluid door activiteiten
In het Besluit kwaliteit leefomgeving onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een TAM-IMRO op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. In artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaardbaarheid eis kan worden voldaan. In afdeling 8.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai
Wegverkeerslawaai
Door Munsterhuis Geluidsadvies is op 16 juni 2025 een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai verricht. Het onderzoek is als Bijlage 1 opgenomen bij deze motivering. Uit dit onderzoek blijkt het volgende:
De conclusie van het onderzoek is dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van meerdere woningen overschreden wordt en dat hierdoor niet voldaan wordt aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Door middel van het vastleggen van een hogere grenswaarde van 51 dB en het treffen van extra geluidwerende voorzieningen, kan mogelijk voldaan worden aan het maximaal toelaatbare binnenniveau. Om dit aan te tonen is een gevelweringsonderzoek noodzakelijk.
Spoorweglawaai
In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen. Lawaai als gevolg van spoorwegen is derhalve niet aanwezig, waardoor nadere toetsing aan spoorweglawaai niet noodzakelijk is.
Industrielawaai
In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Lawaai als gevolg van een gezoneerd industrieterrein is niet aanwezig, waardoor nadere toetsing aan industrielawaai niet noodzakelijk is.
Solitaire bedrijvigheid
Met de uitvoering van dit project worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Er is in de nabije omgeving echter geen bedrijvigheid met activiteiten die kunnen leiden tot geluidhinder. Functies die aanwezig zijn, betreffen een kantoor en winkels. Deze hebben geen activiteiten die voor het plangebied tot geluidhinder kunnen leiden. Dit betekent dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast is er geen sprake van een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande bedrijven.
Vanuit het aspect 'Geluid' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan, mits een hogere waarde wordt vastgelegd en voldaan wordt aan het maximaal toelaatbare binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de bijbehorende planregels.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend plan rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Besluit kwaliteit leefomgeving). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Besluit kwaliteit leefomgeving) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Besluit kwaliteit leefomgeving, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Met dit plan worden onder andere nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is sprake van zowel het realiseren van een bodemgevoelige gebouwen als het ontwikkelen van een bodemgevoelige locatie. Om te bepalen of de bodem binnen het plangebied vanuit milieukundig oogpunt geschikt is voor het beoogde gebruik, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten en conclusies toegelicht. Voor de gedetailleerde inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar het verkennend bodemonderzoek in Bijlage 2 bij deze motivering.
Uit onderzoek blijkt dat in de grond geen sprake is van overschrijdingen van de interventiewaarde bodemkwaliteit. Daarnaast is er indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit (2022), de laag veen in de ondergrond voldoet (traject: 0,65 - 0,95 m -mv.) aan de klasse Industrie. De overige grond voldoet indicatief aan de klassen Landbouw/natuur dan wel Wonen.
Verder overschrijden de PFAS-gehalten in de grond de toepassingswaarden uit het Tijdelijk Handelingskader PFAS niet en vallen deze binnen de bodemfunctieklasse “Landbouw/natuur”. De grond mag op basis van de gehalten aan PFAS niet worden toegepast binnen grondwaterbeschermingsgebieden.
Bovendien overschrijden de gemeten concentraties van de onderzochte componenten in het grondwater de signaleringsparameters uit het Besluit kwaliteit leefomgeving niet.
Geconcludeerd wordt dat de resultaten van het verkennend bodemonderzoek geen aanleiding geven tot nader onderzoek onder de bestaande bebouwing.
Vanuit het aspect 'Bodem' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Het plangebied ligt aan de Langewijk. Dit is een enkele ontsluitingsweg. In artikel 5.54 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn standaardgevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Bij een enkele ontsluitingsweg is dat pas bij de realisatie van 1.500 woningen. Gelet op de voorgenomen ontwikkeling waarbij per saldo vijf extra woningen gerealiseerd worden, in relatie tot het bepaalde in artikel 5.54 Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt geconcludeerd dat voorliggend plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Derhalve is aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect 'luchtkwaliteit' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
In paragraaf 5.1.4.6.1 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 Besluit kwaliteit leefomgeving staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven, die rekening moeten houden met de nieuwe woningen, welke geurgevoelig zijn. Omgekeerd worden er ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven beperkt door de komst van de nieuwe woningen. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen bedrijven, die door uitvoering van bedrijfsactiviteiten tot geurhinder kunnen leiden bij de nieuwe woningen. Aanvullend onderzoek naar geur wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
Vanuit het aspect 'geur' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de instructieregels over het omgevingsaspect 'Trillingen' opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillingsgevoelige ruimte van een trillingsgevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillingsgevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit).
In het tweede lid van artikel 5.79 zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. Echter zal met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties gemotiveerd moeten worden dat de ter plaatse van trillingsgevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling moet bekeken worden of aanvullende eisen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld door het opnemen van beperkingszone.
Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Met het voorliggende plan wordt de bouw van vijf nieuwe rijwoningen mogelijk gemaakt op de locatie van een voormalig uitvaartcentrum. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Het slopen van de bestaande bebouwing en het realiseren van nieuwbouw zijn tijdelijke activiteiten waarbij trillingen in de omgeving kunnen optreden. Vanwege het tijdelijke karakter van deze werkzaamheden worden de te verwachten trillingen als beperkt van aard en verwaarloosbaar beschouwd.
Het gebruik van de nieuwe woningen betreft reguliere woonfuncties en levert op zichzelf geen trillingsbronnen op.
De nieuwe woningen worden echter wel aangemerkt als trillingsgevoelige gebouwen. Daarom is beoordeeld of in de directe omgeving sprake is van bronnen die tot hinderlijke of schadelijke trillingen kunnen leiden.
In het plangebied en de directe omgeving is geen spoorweginfrastructuur aanwezig, waarmee trillingen als gevolg van treinverkeer uitgesloten kunnen worden. Evenmin zijn er bedrijven in de omgeving die activiteiten uitvoeren die tot structurele trillingen kunnen leiden.
De enige relevante potentiële trillingsbron betreft de provinciale weg N377, gelegen op circa 225 meter afstand van het plangebied. Tussen de N377 en het plangebied bevindt zich bovendien bestaande bebouwing die mogelijk een dempende werking heeft op eventuele trillingsoverdracht. Op basis van deze afstand en de tussenliggende bebouwingsstructuur, wordt gesteld dat trillingshinder als gevolg van het wegverkeer op de N377 binnen het plangebied niet te verwachten is. Gelet hierop wordt aanvullend trillingsonderzoek niet noodzakelijk geacht.
Vanuit het aspect 'trillingen' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.
De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving.
De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen.
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Op 26 mei 2025 is er een watertoets uitgevoerd op de website 'hetwateradvies.nl'. De resultaten zijn opgenomen als Bijlage 3 bij deze motivering. Door de beantwoording van de vragen is gebleken dat de korte procedure kan worden toegepast. Deze procedure houdt in dat er zelfstandig een waterparagraaf wordt opgesteld, waarin wordt toegelicht hoe op een goede manier wordt omgegaan met de relevante wateraspecten. Deze moeten worden voorgelegd aan het waterschap.
Standaardwaterparagraaf
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s:
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de
waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat er daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Het waterschap voert zijn beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk
bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen ze in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin taken klimaatneutraal uitgevoerd worden.
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de
natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel van het waterschap is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, wordt de (digitale) watertoets gebruikt.
Relevante wateraspecten Wateroverlast
Wateroverlast
Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak niet toe. De te slopen oppervlakte aan bebouwing bedraagt circa 290 m² en de oppervlakte aan nieuwe bebouwing bedraagt circa 226 m². Er is sprake van een afname van de bebouwde oppervlakte. Het bestaande parkeerterrein wordt verwijderd, maar deze wordt ongeveer net zo groot weer aangelegd.
Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat er een regenbui T=100+10% wordt opgevangen of geborgd, zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd kan worden afgevoerd.
Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in éénlaagse infiltratiekratten die in het gezamenlijke parkeerterrein worden aangebracht. Het water wordt met een verzamelleiding hierheen gevoerd en met een overstortleiding kan er worden aangesloten op het gemeentelijk hemelwaterriool. Het vuilwater kan rechtstreeks op het gemeentelijk droogweerafvoerriool worden aangesloten. Iedere woning krijgt hierbij een eigen aansluiting.
Natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes worden niet bebouwd. Het plangebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Wateroverlast in dit gebied is vooralsnog niet bekend, maar kan worden voorkomen door de woningen hoger te bouwen dan het straatniveau.
Waterkwaliteit
Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.
Riolering en Afvalwaterketen
Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van dit plan verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse geïnfiltreerd worden. Zoals reeds beschreven wordt afvalwater rechtstreeks op de gemeentelijke rioolstelsel aangesloten. Iedere woning krijgt hierbij een eigen aansluiting.
Voor onderhoud aan het rioolpersleidingenstelsel is bereikbaarheid noodzakelijk. De bestaande bereikbaarheid blijft gehandhaafd. Een extra zone waarin het gebied bereikbaar wordt gemaakt, is derhalve niet nodig. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.
Grondwaterbeheer
De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door ophoging van het maaiveld.
Recreatie
In het plangebied zijn geen aan het water gekoppelde recreatieve functies opgenomen. Voor zover van dergelijke actieve recreatieve functies een vergunning van het waterschap nodig is, zal deze worden aangevraagd.
In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waterobjecten aanwezig. De cultuurhistorische waarde wordt door de planontwikkeling niet aangetast.
Het waterschap Vechtstromen heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen voorliggend plan, omdat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering zijn. Vanuit het aspect 'water' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving. In bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving gaan over het toestaan van verschillende soorten gebouwen en locaties, afhankelijk van hun kwetsbaarheid. Dit betreft zowel beperkt kwetsbare, kwetsbare als zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit is relevant in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een specifieke locatie wordt uitgevoerd, zoals aangegeven in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een activiteit die buiten het geldende omgevingsplan valt.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Besluit kwaliteit leefomgeving. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Besluit kwaliteit leefomgeving). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Besluit kwaliteit leefomgeving).
Aandachtsgebieden
Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Besluit kwaliteit leefomgeving). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Besluit kwaliteit leefomgeving van belang:
Omgevingsverordening Provincie Overijssel
In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is een basisnet van wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren aangewezen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze wet is opgenomen dat Provinciale Staten, ten behoeve van het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen, een netwerk aanvullend op het landelijk basisnet kunnen aanwijzen van wegen in beheer bij de provincie of een waterschap, dat niet behoort tot het basisnet.
De Provincie Overijssel heeft een aantal wegen aangewezen en gepubliceerd in de Omgevingsverordening. Onderscheid wordt gemaakt in twee typen veiligheidszones:
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd dat opgenomen is als Bijlage 4 bij deze motivering.
Toetsing Omgevingswet
Hieruit blijkt onder andere dat het plangebied op circa 188 meter van de Coevorderweg (N377) gelegen is. De Coevorderweg betreft geen basisnetroute. Vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er daarom geen aandachtsgebieden. Andere risicobronnen in de omgeving van het plangebied waarvan de aandachtsgebieden tot het plangebied reiken zijn niet aanwezig.
Toetsing Omgevingsverordening Provincie Overijssel
Naast het Besluit kwaliteit leefomgeving is de Omgevingsverordening van de Provincie Overijssel van toepassing op de Coevorderweg. In paragraaf 3.9.7 van de Omgevingsverordening worden twee effectgebieden onderscheiden.
In de toekomstige situatie is er sprake van vijf nieuwe woningen. Dit zijn kwetsbare gebouwen conform het Bkl.
Het onderdeel Externe veiligheid uit de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel is in hoofdstuk 4 van het onderzoek opgenomen als Bijlage 4 per artikel besproken. De conclusies zijn als volgt:
Advies veiligheidsregio
In verband met de warmtestraling die kan optreden bij het scenario BLEVE van een LPG-tankwagen adviseert de veiligheidsregio IJsselland om de buitenkant van de vijf te realiseren woningen zoveel mogelijk brandvertragend uit te laten voeren [9]. Dat kan door een gevelconstructie toe te passen die voldoet aan brandklasse A2 volgens NEN-EN 13501-1. De dakbedekking voldoet hieraan als deze 30 minuten brandwerend is en vliegvuurbestendig volgens NEN 6063. Aanvullend wordt geadviseerd om in ieder geval geen rieten kap toe te passen en steenachtig materiaal te gebruiken voor de gevel.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan vanuit externe veiligheid, mits het advies van de veiligheidsregio wordt doorgevoerd in het plan.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek
moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen
zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van
archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en
landschap.
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Cultureel erfgoed
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving). Deze gaan over:
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt.
Archeologie
Uit de 'Archeologisch Beleidskaart Hardenberg' van de gemeente Hardenberg blijkt dat het plangebied gelegen is in een gebied met de archeologische verwachtingswaarde 'Archeologie 3'. Hierbij geldt dat een archeologisch onderzoek vereist is bij plangebieden groter dan 275 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. In figuur 7.1 is een uitsnede opgenomen van de betreffende kaart, waarop het plangebied globaal rood omcirkeld is.
Figuur 7.1: Archeologisch Beleidskaart Hardenberg (bron: gemeente Hardenberg)
De te slopen oppervlakte aan bebouwing bedraagt circa 290 m², terwijl de nieuwe bebouwing circa 226 m² zal beslaan. Met de nieuwbouw wordt de drempelwaarde van de archeologische verwachtingswaarde, waarin het plangebied is gelegen, niet overschreden.
Bij de sloop van het uitvaartcentrum kan mogelijk een fundering worden verwijderd die dieper ligt dan 40 cm. Dit betreft echter een bestaande situatie. Aangenomen wordt dat de bodem ter plaatse reeds verstoord is tot een diepte van ongeveer één meter, gelet op de gangbare aanlegdiepte van funderingen voor vorstvrije kabels en leidingen.
Daarnaast worden gronden verhard ten behoeve van een inrit en parkeerplaatsen. Voor de aanleg hiervan hoeft doorgaans niet dieper dan 40 cm te worden afgegraven, aangezien klinkers of tegels meestal een dikte van circa 10 cm hebben. Bovendien is in de bestaande situatie al sprake van een inrit en parkeervoorzieningen, wat erop duidt dat de bodem reeds verstoord kan zijn.
Gelet op het bovenstaande wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Erfgoed
Volgens openbare bronnen zijn in de gemeente Hardenberg 91 rijksmonumenten aanwezig, waarvan 14 rijksmonumenten in Dedemsvaart. Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig. Het dichtstbijzijnde rijksmonument betreft een gashouder aan de Oude Zuidwolderstraat ong. (ten oosten van nr. 5). De onderlinge afstand tussen dit monument en het plangebied bedraagt circa 80 meter. Negatieve effecten voor dit monument als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is gezien de onderlinge afstand niet te verwachten. In of rondom het plangebied zijn er geen provinciale monumenten volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel.
De cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel laat ook zien of er een gemeentelijk monument aanwezig is op haar grondgebied. In of rondom het plangebied zijn er geen gemeentelijke monumenten aanwezig.
Verder wordt opgemerkt dat de gemeente Hardenberg op 18 december 2018 de Erfgoedverordening Hardenberg 2018 heeft vastgesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat burgemeester en wethouders stads- of dorpsgezichten kunnen aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Wanneer een stads- of dorpsgezicht is aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht, dan wordt dit onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Na het raadplegen van het gemeentelijk erfgoedregister register blijkt dat voor het plangebied geen beschermd stads- of dorpsgezicht geldt. Hoewel de bestaande bedrijfswoning aan de Langewijk 148 niet opgenomen is in het erfgoedregister, wordt deze woning wel gezien als één van de 'dragers' van de identiteit in dit gebied langs de Langewijk. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt hier geen afbreuk aan gedaan. De nieuwe woningen worden immers enigszins met een terugliggende rooilijn ten opzichte van dit pand gerealiseerd. Hierdoor blijft het pand nog steeds belangrijk in het aanzicht en wordt het straatbeeld vanaf de Langewijk nagenoeg niet veranderd.
Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat in voorliggend plan voldoende rekening is gehouden met bestaand erfgoed in Hardenberg.
Vanuit het aspect 'Cultureel ergoed' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Voorliggend plan maakt ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden vijf extra woningen mogelijk. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien bij woningbouwontwikkelingen hiervan pas vanaf 12 woningen sprake is (ABRvS: 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Derhalve kan een nadere toetsing aan de Ladder achterwege blijven.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor voorliggend plan niet van belang.
Voor de stads- en dorpskernen geldt de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit'. Deze nota is vastgesteld op 29 november 2011. Volgens deze nota ligt het plangebied in welstandsniveau 1.
Uit een eerste beoordeling door de rayonarchitect van de gemeente Hardenberg blijkt dat onderhavig plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verdere toetsing aan de welstandsnota van de gemeente vindt plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Plannen die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een plan een Omgevingsvergunning noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
Stikstofdepositie
Het voorgenomen plan voorziet in de sloop van het uitvaartcentrum, de realisatie van vijf rijwoningen en de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals
werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat
geldt alleen voor een van de volgende gevallen:
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Besluit activiteiten leefomgeving). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
NNN
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is
gesitueerd op circa 650 meter ten noordwesten van het plangebied. In figuur 8.1 is de onderlinge afstand tussen het plangebied (oranje druppel) en het dichtstbijzijnde NNN-gebied (groen gebied) weergegeven.
Figuur 8.1: ligging plangebied ten opzichte van dichtstbijzijnd NNN-gebied (bron: Atlas van Overijssel)
Gezien het feit dat NNN geen externe werking kent in Nederland, is een nadere beoordeling niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen nadelige effecten heeft voor NNN en dat een omgevingsvergunning van de provincie niet noodzakelijk is.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. Dit gebied is gesitueerd op circa 7,3 kilometer ten zuiden van het plangebied. In figuur 8.2 is de onderliggende afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied weergegeven.
Figuur 8.2: ligging plangebied (rode ster) ten opzichte van dichtstbijzijnd Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator)
Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied zijn externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet te verwachten. Gezien de aard van de ingreep doet de planontwikkeling naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een nader onderzoek zoals een Natura 2000-voortoets is niet noodzakelijk.
Gezien de voorgenomen werkzaamheden wordt er geen verhoogde stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden verwacht. Desondanks is er een stikstofberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd en als Bijlage 6 opgenomen bij deze motivering. Uit de resultaten van de AERIUS-berekening blijkt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen hogere toename dan 0,00 mol/ha/jaar geconstateerd is. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet vereist.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen nadelige effecten heeft voor Natura 2000-gebieden en dat een omgevingsvergunning van de provincie niet noodzakelijk is.
Soortenbescherming
In de onderstaande tabel zijn de binnen het plangebied aangetroffen soorten, waarvoor aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Ook zijn in onderstaande tabel de soorten opgenomen, waarvoor op basis van het zorgplicht bepaalde vervolgstappen noodzakelijk zijn. Zie figuur 8.3.
Figuur 8.3: tabel met aangetroffen soorten binnen het plangebied en vervolgstappen (bron: Quickscan FF, Bijlage 5)
Ten aanzien van de algemene zoogdieren, ongewervelden en amfibieën, vissen dienen de volgende algemene richtlijnen te worden opgevolgd in het veld:
Aanvullend onderzoek vleermuis en steenmarter
Naar aanleiding van de resultaten uit het quickscan flora & fauna onderzoek is er aanvullend onderzoek gedaan naar vleermuizen en steenmarter. Dit onderzoek is als bijlage Bijlage 7 opgenomen bij deze motivering. Hieruit blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen of steenmarters zijn in het onderzoeksgebied.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan niet leidt tot negatieve effecten op beschermde soorten. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient nog wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht.
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied).
Door realisatie van voorliggend plan is er geen sprake van een beperkende werking op de omliggende infrastructuur en infrastructurele voorzieningen.
Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving.
In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt een Klic-melding gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw worden beïnvloed. Tevens heeft de bestaande woning geen beperkende werking op omliggende (spoor)wegen.
Met voorliggend plan is er geen sprake van een beperkende werking op de omliggende infrastructuur en infrastructurele voorzieningen.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
Bij de project-mer-beoordeling (dus niet bij de mer-plicht) is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.
Voorliggend plan heeft betrekking op de sloop van het huidige uitvaartcentrum en de realisatie van vijf rijwoningen, daarnaast op de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een logische aansluiting kan echter wel worden gemaakt bij nummer J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Omgevingswet). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is, kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Omgevingsbesluit. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie.
Zoals reeds beschreven wordt in voorliggend plan de sloop van het huidige uitvaartcentrum en de realisatie van vijf rijwoningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De te slopen oppervlakte bedraagt circa 290 m² en de bebouwingsoppervlakte van de nieuwe woningen bedraagt circa 226 m². Er is hiermee sprake van een afname van de bebouwde oppervlakte. Daarbij is een woonfunctie niet milieubelastend voor de omgeving en uit de voorgaande paragrafen blijkt dat aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voldaan wordt.
Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, is gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding van) de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).
Aangezien de bebouwde oppervlakte in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie afneemt en de impact op de omgeving beperkt is, wordt op basis van de bovenstaande uitspraak van de Raad van State geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11, van Bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Omgevingswet).
Kostenverhaal
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Uit artikel 13.11 Omgevingswet volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. De gemeente sluit een anterieure overeenkomst af met de initiatiefnemer.
Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige
besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerksvoorschrift.
Afspraken voor nadeelcompensatie worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst.
De initiatiefnemer heeft een particpatietraject doorlopen. Het participatielogboek is als Bijlage 8 bij deze motivering opgenomen. In verband met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is het participatielogboek geanonimiseerd.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke omgevingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Volgens de 'Uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' is er bij plannen, tot en met elf woningen met bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen, en in lijn met de regionale
Woonagenda’s Twente en West-Overijssel 2021-2025 in kernen met een inwoneraantal van meer dan 1000 inwoners, geen vooroverleg nodig met de provincie.
Het waterschap Vechtstromen heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen voorliggend plan, omdat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering zijn.
Deze wijziging van het omgevingsplan is op 16 oktober 2025 voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegd. De laatste dag van de inzagetermijn was 26 november 2025. Tijdens de inzagetermijn zijn er geen zienswijzen binnengekomen.
Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen:
Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.