direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Grote Esweg 4 Diffelen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het buitengebied van de gemeente Hardenberg in Diffelen ligt de Grote Esweg 4. Hier bevindt zich een agrarisch bedrijfsperceel. Op het perceel staan een verouderde bedrijfswoning en twee bedrijfsgebouwen. Ter plaatse is zorgstal Balans gevestigd. Deze biedt dagbesteding aan mensen met een zorgvraag in zowel individueel als groepsverband, daarnaast wordt ambulante begeleiding aangeboden. Deze zorgstal heeft een ruimte in een (opgeknapt) bijgebouw. In een aangebouwd deel van dit bijgebouw worden hobbymatig paarden gehouden, die tevens onderdeel zijn van de activiteiten van de zorgstal. Binnen het plangebied bevinden zich paardenbakken. De initiatiefnemer van het plan is bewoner van de woning en tevens hoofdgebruiker van de zorgstal.

De agrarische bedrijfsfunctie is niet meer aanwezig, waardoor de zorgstal in feite niet meer als nevenfunctie fungeert bij een agrarisch bedrijf. Daarom is een woonfunctie wenselijk. Initiatiefnemer is daarnaast voornemens om de woning te herbouwen aangezien deze verouderd is. Daarbij is het wenselijk om de woning meer richting het westen te positioneren.

Bovenstaande ontwikkelingen zijn niet in overeenstemming met de geldende regels van het omgevingsplan. Op basis van de huidige regels kan de zorgstal niet als nevenactiviteit fungeren bij de agrarische functie, omdat er geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Daarom is het wenselijk om de agrarische functie om te zetten naar een woonfunctie. De zorgfunctie kan dan voortbestaan als nevenactiviteit bij de woonfunctie en er kan een nieuwe, reguliere woning worden gebouwd. Ook bestaat de wens om de bestaande paardenbakken te legaliseren.

Om het voornemen mogelijk te maken, dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Voorliggende motivering voorziet in een passend juridisch-planologisch kader en toont aan dat de ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied bestaat uit een gedeelte van het kadastrale perceel met de aanduiding HDB01-AE-376. Het plangebied ligt aan de Grote Esweg 4 in het buitengebied van de gemeente Hardenberg nabij buurtschap Diffelen. Hierna is de ligging van het plangebied ten opzichte van buurtschap Diffelen en de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Diffelen en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl)  

1.3 Het omgevingsplan

Het omgevingsplan gemeente Hardenberg bestaat uit een tijdelijk deel en een niet-tijdelijk deel. De bestemmingsplannen vallen onder het tijdelijke deel. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de onderdelen van het omgevingsplan die in dit geval relevant zijn.

Naam   Vaststellingsdatum  
Omgevingsplan gemeente Hardenberg   1 januari 2024  
Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg   2 december 2014  
Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, herziening regels   26 september 2016  
Bestemmingsplan Facetherziening parkeren Hardenberg   17 juli 2018  

In het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg' heeft het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Essen- en hoevenlandschap' met een bouwvlak. Ook geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van dit bestemmingsplan. Het plangebied is aangegeven met de rode lijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Uitsnede van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (Bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)  

Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Essen en hoevenlandschap' zijn met name bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf (uitgezonderd glastuinbouw). En de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het landschap. Gebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. En er zijn uitsluitend bedrijfswoningen als woningen toegestaan.

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden. Er moet een archeologisch rapport worden overlegd, wanneer de grond wordt geroerd over een oppervlakte groter dan van 500 m2 en met een diepte van 50 cm of meer. In dit rapport moet aangetoond worden dat de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld.

Strijdigheid 

Er is geen sprake meer van een agrarisch bedrijf. Het regulier wonen in de bedrijfswoningen is niet toegestaan binnen de huidige agrarische bestemming. De zorgstal kan daarnaast niet als nevenactiviteit dienen van de agrarische bedrijfsactiviteiten, aangezien er geen sprake meer is van agrarische bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zijn de paardenbakken strijdig.

Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient de functie gewijzigd te worden naar een woonfunctie.

1.4 De bij het besluit horende stukken

Het plan ''TAM-omgevingsplan Grote Esweg 4 Diffelen” bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen);
  • deze motivering (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Wijziging van de fysieke leefomgeving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hardenberg, nabij het buurtschap Diffelen. In de directe omgeving liggen woonerven, recreatiefuncties en agrarische percelen in een kleinschalig landschap van agrarische gronden en natuurgronden.

Het erf zelf betreft een voormalig agrarisch erf. De boerderijwoning is verouderd en voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. Achter de boerderij staan een tweetal aaneengebouwde schuren, die in gebruik zijn voor de zorgstal en voor het hobbymatig houden van paarden. De bewoner van de woning is eigenaar van de zorgboerderij en is dus hoofdgebruiker en altijd aanwezig op de zorgboerderij. De cliënten van de zorgboerderij worden één op één begeleid (maximaal 4 cliënten), daarom is er op de zorgboerderij ook personeel aanwezig. De cliënten van de zorgboerderij zijn zelfredzaam.

Naast en achter de schuren liggen drie paardenbakken. Het erf is verder in gebruik als tuin en deels verhard. In de noordoostelijke hoek van het plangebied bevindt zich momenteel buitenopslag. Dit zal worden verwijderd. Ten zuiden van de schuren bevindt zich een mestopslag. In het zuidoosten van het plangebied bevindt zich een moestuin. Het erf wordt ontsloten op de Grote Esweg door middel van twee uitritten.

In afbeelding 2.1 en 2.2 is op luchtfoto's de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto met plangebied rood omlijnd (Bron: PDOK Viewer)
 
afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.2: Luchtfoto plangebied (Bron: de Erfontwikkelaar)  

2.2 Gewenste situatie

De gewenste situatie bestaat uit het omzetten van de agrarische functie naar een woonfunctie. Tevens bestaat de wens om de bestaande woning te herbouwen. De huidige bedrijfswoning is namelijk sterk verouderd. De nieuw te bouwen woning zal meer richting het westen worden gepositioneerd. Door het omzetten van de agrarische functie naar een woonfunctie, kan de zorgfunctie plaatsvinden als nevenfunctie bij de woonfunctie. Dit wordt verder uitgewerkt in paragraaf 3.3.3.2. Ook wordt er een nieuw bijgebouw gerealiseerd en een bestaand bijgebouw wordt gesloopt. Daarnaast bestaat de wens om de bestaande paardenbakken te legaliseren. Binnen de zorgboerderij worden paarden gehouden, omdat de cliënten van de zorgboerderij met paarden werken. De paarden zijn hobbymatig, ze voldoen aan de aantallen die hobbymatig gehouden mogen worden.

In onderstaande afbeelding 2.2 is de gewenste situatie weergegeven. In afbeelding 2.3 is een tekening van de paardenbak opgenomen. Deze doorsnede is bij alle paardenbakken gelijk. De omheining van de paardenbakken is van hout. De hoogte van de omheining is 1 meter. Het geheel wordt landschappelijk ingepast. Dit is weergegeven in afbeelding 2.4. Het volledige landschapsplan is opgenomen in Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0005.png"  
Afbeelding 2.2: Gewenste situatie (Bron: Eric de Jong Bouwkundig teken- en adviesbureau)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0006.png"  
Afbeelding 2.3: Paardenbak (Bron: Eric de Jong Bouwkundig teken- en adviesbureau)  
afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0007.png"  
Afbeelding 2.4: Landschappelijk inpassingsplan (Bron: De Erfontwikkelaar)  

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;

In de NOVI is aangegeven dat het vormgeven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.

3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid

De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleine lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er is daarmee geen sprake van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Iedere provincie in Nederland stelt een omgevingsvisie op: een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de provinciale visie op de ruimte. Daarin worden uitspraken gedaan over ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. In de Omgevingsverordening staan de regels die ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het provinciale beleid.

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

Voor de gemeente Hardenberg is de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing. De Omgevingsvisie Overijssel bestaat uit drie delen: een deel Visie, een deel Beleid en een deel Uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel is er de Omgevingsverordening Overijssel en de Catalogus Gebiedskenmerken.

De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Dit is het vertrekpunt voor alle projecten en initiatieven in de provincie Overijssel. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de visie wordt het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' gebruikt. In het uitvoeringsmodel staan de stappen 'of' (generieke beleidskeuzes), 'waar' (ontwikkelingsperspectieven) en 'hoe' (gebiedskenmerken) centraal.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten is de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat het beleid van de Omgevingsvisie geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.

 

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, en natuurontwikkeling, wordt aan de hand van deze drie stappen bepaald of een initiatief binnen de visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0008.png"  
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. Ten eerste wordt bepaald of het voornemen past binnen de Omgevingsvisie. Aan de hand van de ontwikkelingsperspectieven wordt bepaald waar de ontwikkeling past. Ten slotte wordt bepaald hoe de ontwikkeling in de visie past, aan de hand van de gebiedskenmerken.

Of- generieke beleidskeuzes

De beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie zijn doorvertaald in regels van de Omgevingsverordening. Voor dit plan zijn onderstaande artikelen uit de verordening van belang.

Artikel 4.4: Principe van concentratie

Artikel 4.4 bepaalt dat een omgevingsplan de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen alleen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

In voorliggend geval wordt een bedrijfswoning naar een reguliere woning omgezet. Daarmee is alleen vanuit planologisch oogpunt sprake van het toevoegen van een woning. De woning wordt in de huidige situatie al bewoond. Er is daarmee sprake van een directe lokale behoefte. Er wordt voldaan aan artikel 4.4.

Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Artikel 4.5 bepaalt dat nieuwe ontwikkelingen alleen extra ruimtebeslag op de groene omgeving mogen leggen, wanneer binnen bestaand bebouwd gebied geen ruimte beschikbaar is.

Door de ontwikkeling neemt de hoeveelheid bebouwing in het buitengebied niet toe. Er is slechts sprake van een functiewijziging. De bestaande woning wordt gesloopt en herbouwd. De bestaande paardenbak wordt gelegaliseerd. Deze ligt op het erf van initiatiefnemer. Daarmee is er geen sprake van een extra ruimtebeslag op de groene omgeving.

Waar- ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

Het karakter van het gebied is een mix van meerdere functies. Het gebied is dan ook niet alleen geschikt voor agrarische functies, maar ook voor woningen. Dit komt door het veranderende platteland, waarbij er sprake is van schaalvergroting en agrarische bedrijven die stoppen. Het omzetten van de agrarische functie naar een woonfunctie is dan ook passend binnen het ontwikkelingsperspectief.

Hoe- gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn.

Op basis van gebiedskenmerken in de vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt het voornemen getoetst aan de vier lagen.

De 'Natuurlijke laag'

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Het plangebied ligt binnen de laag 'dekzandvlakte en ruggen'. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem.

De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de functiewijziging van bestaande bebouwing en er worden geen nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd. De her te bouwen woning wordt binnen het bouwvlak gerealiseerd. Wel wordt de bestaande paardenbak gelegaliseerd. Deze ligt op het erf en is voorzien van een houten omheining. Daarnaast is er geen verlichting aanwezig bij de paardenbak. Het voornemen is daarom passend binnen de natuurlijke laag.

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden gebracht. Door de eeuwen heen is een patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid.

Op de locatie is het gebiedstype 'essenlandschap' van toepassing. Dit landschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven).

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling uitgaat van de functiewijziging van bestaande bebouwing en er geen nieuwe bouwmogelijkheden worden gecreëerd, is het voornemen passend binnen de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Wel wordt de bestaande paardenbak gelegaliseerd. De paardenbak ligt op het erf, heeft een houten omheining en geen verlichting. Daarmee is geen sprake van negatieve effecten op de laag van het agrarisch cultuurlandschap.

De 'Laag van beleving'

In de 'laag van de beleving' komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving.

Op de locatie is het gebiedskenmerk 'donkerte' van toepassing. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. In de donkere gebieden wordt kunstlicht minimaal toegepast.

Het voornemen gaat uit van de functiewijziging van bestaande bebouwing, waarbij de bestaande bedrijfswoning herbouwd wordt. Hierbij is geen sprake van toename in kunstlicht. De bestaande paardenbak wordt gelegaliseerd. Bij de paardenbak wordt geen verlichting gebruikt. Het voornemen is daarmee passend binnen de laag van beleving.

De 'Stedelijke laag'

De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden.

Het plangebied ligt binnen de gebiedstypes 'informele trage netwerk' en 'verspreide bebouwing'.

Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt.

Voor 'verspreide bebouwing' geldt dat als ontwikkelingen plaats vinden op erven, deze bijdragen aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen en er een duidelijk onderscheid blijft tussen voorkant- achterkant van het erf.

De woning wordt herbouwd binnen het bouwvlak, waardoor de structuur van het erf niet verandert. De paardenbak is qua schaal passend bij het erf. Het voornemen doet daarmee geen afbreuk aan de kwaliteiten van het gebiedstype 'verspreide bebouwing'. Wat betreft het 'informele trage' netwerk kan geconcludeerd worden dat zich binnen het plangebied geen kenmerken van dit gebiedstype bevinden. Het voornemen is passend binnen de stedelijke laag.

3.2.4 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

De ontwikkeling is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Landstad Hardenberg
3.3.1.1 Algemeen

Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'.

3.3.1.2 Thema's

De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende:

  • 1. Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied;
  • 2. Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen;
  • 3. Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid;
  • 4. Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie.

Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg in balans' relevant, aangezien deze gaat over het landelijk gebied.

Hardenberg in Balans

Ten aanzien van dit thema heeft de gemeente zes ambities opgesteld, dit betreffen de volgende:

  • 1. De gemeente houdt het landelijk gebied vitaal;
  • 2. De gemeente behoud en versterkt natuur en landschap, economie en samenleving:
  • 3. De gemeente maakt ruimte voor klimaatadaptatie en de energietransitie met aandacht voor de kwaliteit, het gebruik en de waarden in het landelijk gebied;
  • 4. De gemeente benaderd ontwikkelopgaven en vraagstukken gebiedsgericht;
  • 5. De gemeente stimuleert nieuwe samenwerkingsvormen en strategische partnerschappen tussen ondernemers, onderzoek, onderwijs en overheden;
  • 6. De gemeente zorgt voor passend hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing.

3.3.1.3 Opgaven per gebied

De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden.

In dit geval ligt het gebied in het 'Essen- en Hoevenlandschap' van de LIK Rheeze - Diffelen en omgeving'. Dit is een kleinschalig landschap met verspreid liggende bebouwing, houtwallen en solitaire bomen.

3.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'

Het voornemen is passend binnen de omgevingsvisie Landstad Hardenberg en is niet in strijd met de zes ambities binnen het thema 'Hardenberg in balans'. De functiewijziging is passend binnen het landelijk gebied en met name de omgeving, die zich kenmerkt door agrarische functies en enkele woonfuncties. Ook de paardenbak is hierin passend. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.

3.3.2 Visienota Buitengebied Hardenberg
3.3.2.1 Algemeen

De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het buitengebied van de gemeente geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied.

De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zijn:

  • Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies;
  • Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland;
  • Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit.

De hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald:

  • 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's);
  • 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied;
  • 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken;
  • 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen.

3.3.2.2 Thematische benadering - visie voor wonen

De woonfunctie is in het buitengebied nadrukkelijk aanwezig. Het wonen in het landelijk gebied wordt niet (meer) gezien als een ongewenste functie, maar als een waardevol bestanddeel van het totale woningaanbod in de gemeente, omdat de gemeente streeft naar het in standhouden van een gevarieerd aanbod aan woonmilieus. Een toename van de woonfunctie in het buitengebied wordt dan ook niet meer per definitie uitgesloten. Daarbij gaat de gemeente uit van optimale benutting van de bestaande bebouwing en ruimte voor nieuwbouw. Wel is het, vooral als gevolg van landelijke regelgeving, nog steeds zo dat de ontwikkeling van de landbouw wordt belemmerd door de aanwezigheid van burgerwoningen. In de gebieden die worden aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied zal daarom zeer terughoudend moeten worden omgesprongen met een toename van de woonfunctie, ook als het gaat om het hergebruik van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen.

3.3.2.3 Gebiedsgerichte benadering

In onderstaande tabel is aangegeven in welk gebied het plangebied ligt, welk landschapstype van toepassing is en de ontwikkelingsrichting van het betreffende gebied.

Locatie   Gebied   Landschapstype   Ontwikkelingsrichting  
Diffelen, Grote Esweg 4   Vechtdal   Essen- en kampenlandschap   Ecologische zone (water, biodiversiteit, landbouw en recreatie)  

3.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg

Het plangebied ligt in een gebied waar woonfuncties, bedrijvigheid en boerenbedrijven voorkomen. De functiewijziging is dan ook passend binnen de omgeving van het plangebied. In deze motivering wordt ook aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering met zich meebrengt voor omliggende functies en dat het milieubelang zorgvuldig is afgewogen. Met het initiatief wordt aangesloten bij het perspectief om op duurzame en efficiënte wijze ruimte te scheppen voor de verschillende functies.

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit wijzigingsbesluit in overeenstemming is met de 'Visienota Buitengebied gemeente Hardenberg'.

3.3.3 Toetsing aan het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan)
3.3.3.1 Artikel 6.6.4 Wijzigingsbevoegdheid wonen

In het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan) is binnen de agrarische functie een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de agrarische functie onder voorwaarden gewijzigd kan worden in een woonfunctie. Deze wijzigingsbevoegdheid kan gebruikt worden als beleidskader. Het gaat om de volgende voorwaarden uit artikel 6.6.3. Toetsing aan de voorwaarden vindt plaats in cursief.

  • a. het bouwvlak wordt verwijderd;

Het agrarische bouwvlak wordt met dit TAM-omgevingsplan verwijderd.

  • b. bestaande niet-agrarische nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1, bestaande niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.5.1 en bestaande kleinschalige kampeerterreinen als bedoeld in 6.5.2 zijn toelaatbaar; kleinschalige kampeerterreinen dienen in principe te worden aangeduid als minicamping;

De zorgboerderij die zich momenteel in het plangebied bevindt, zal ook in de gewenste situatie blijven bestaan.

  • c. alle bestaande gebouwen binnen het voormalig bouwvlak, met het bijbehorende erf, worden begrepen in één bestemmingsvlak met de bestemming Wonen - Essen- en hoevenlandschap;

Het huidige erf met alle bebouwing, inclusief paardenbakken, komt te liggen binnen de woonfunctie.

  • d. de overige gronden binnen het voormalig bouwvlak houden de betreffende agrarische bestemming;

Niet van toepassing.

  • e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden aangetast;

De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden aangetast. In hoofdstuk 4 en verder van deze motivering wordt dit nader onderbouwd.

  • f. de wijziging moet vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn;

De wijziging is vanuit milieuoogpunt uitvoerbaar. In hoofdstuk 4 en verder van deze motivering wordt dit nader onderbouwd.

  • g. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal bedrijfswoningen;

In de huidige situatie is sprake van één bedrijfswoning. In de gewenste situatie zal sprake zijn van één woning.

3.3.3.2 Artikel 42.5.1 Kleinschalige bedrijfsactiviteit

In het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan) is binnen de woonfunctie opgenomen dat ondergeschikt aan deze woonfunctie een zorgboerderij onder voorwaarden is toegestaan. Dit is een afwijkingsbevoegdheid die gebruikt kan worden als beleidskader. Het gaat om de volgende voorwaarden uit artikel 42.5.1. Toetsing aan de voorwaarden vindt plaats in cursief.

  • a. maximaal 30% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de gebouwen mag worden gebruikt voor de onder a genoemde activiteiten;

De gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ten behoeve van de zorgboerderij is minder dan 30%.

  • b. in afwijking van het bepaalde onder b kan een groter percentage van het gezamenlijke vloeroppervlak van de gebouwen worden gebruikt voor de onder a genoemde activiteiten, mits passend binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;

Niet van toepassing.

  • c. degene die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die de bedrijfsactiviteit uitoefent;

De bewoner van de woning is eigenaar van de zorgboerderij en is dus hoofdgebruiker en altijd aanwezig op de zorgboerderij. De cliënten van de zorgboerderij worden één op één begeleid (maximaal 4 cliënten), daarom is er op de zorgboerderij ook personeel aanwezig. Dit is inherent aan de zorgfunctie, omdat dit zorgt voor een passende bedrijfsvoering bij de doelgroep. Omdat bewoner de eigenaar is wordt aan de voorwaarde onder c voldaan.

  • d. er mag geen opslag van goederen in de openlucht plaatsvinden;

Er is geen sprake van opslag van goederen in de buitenlucht. Momenteel is hier wel sprake van, echter zal de buitenopslag worden verwijderd in de gewenste situatie.

  • e. er mag geen detailhandel plaatsvinden, behoudens een beperkte verkoop in het klein in direct verband met de (bedrijfs)activiteit;

Er is geen sprake van detailhandel.

  • f. het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden;

Het parkeren vindt op eigen erf plaats. Hier is voldoende ruimte voor op de bestaande erfverharding.

  • g. in vergelijking met de bij recht toegestane functies mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden;

Er is geen sprake van een verkeersbelasting op de omgeving. Zie paragraaf 3.3.4 voor een nadere uitwerking.

  • h. de (bedrijfs)activiteiten moeten vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn;

De bedrijfsactiviteiten zijn vanuit milieuoogpunt uitvoerbaar. In hoofdstuk 4 en verder van deze motivering wordt dit nader onderbouwd.

  • i. het gebruik dient qua aard en schaal te passen bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties.

Het gebruik past qua aard en schaal in de omgeving. De omgeving van het plangebied is een gebied waar woonfuncties, bedrijvigheid en boerenbedrijven voorkomen. De zorgboerderij waarbij hobbymatig agrarische activiteiten plaatsvinden is hierin passend qua aard. Gelet op de omliggende percelen is het voornemen wat betreft schaal vergelijkbaar en daarom ook passend qua schaal. In de huidige situatie is er een bord van de zorgstal bevestigd aan het hek. Ook deze is qua omvang en kleurgebruik passend binnen de omgeving.

3.3.3.3 Artikel 59.4 Paardenbakken buiten het bouwvlak

In het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan) is in artikel 59.4 opgenomen dat onder voorwaarden paardenbakken buiten het bouwvlak gerealiseerd mogen worden. Deze afwijkingsbevoegdheid kan gebruikt worden als beleidskader. Het gaat om de volgende voorwaarden. Toetsing aan de voorwaarden vindt plaats in cursief.

  • a. situering binnen het bouw- of bestemmingsvlak is niet mogelijk of niet doelmatig;

De paardenbakken passen niet binnen het huidige bouwvlak. Ze liggen hier gedeeltelijk in. Daarom is situering buiten het bouwvlak gewenst.

  • b. de meest nabij gelegen grens van de paardenbak moet binnen 25 meter van het bouw- of bestemmingsvlak liggen;

De paardenbakken liggen gedeeltelijk in het huidige bouwvlak. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

  • c. de bouwhoogte van de omheining mag niet meer bedragen dan 1,5 m;

In de bouwregels is opgenomen dat de maximale bouwhoogte van de omheining 1,5 meter mag bedragen.

  • d. het bedrijfsmatig houden van paarden is uitsluitend mogelijk voorzover de paardenbak onderdeel uitmaakt van een agrarisch bedrijf;

Het voornemen gaat uit van het hobbymatig houden van paarden. Dit lid is dus niet van toepassing.

  • e. de situering van de paardenbak mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen.

De paardenbakken worden gebruikt voor het hobbymatig houden van paarden. Er worden slechts vier paarden gehouden. Daarnaast zijn de paardenbakken niet verlicht. Er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen.

3.3.4 Parkeernormennota Hardenberg
3.3.4.1 Algemeen

Er moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In de 'Parkeernormennota Hardenberg' is bepaald hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Dit is afhankelijk van de locatie en soort ontwikkeling. Het aantal verkeersbewegingen wordt bepaald door gebruik te maken van de kencijfers uit het CROW. Er wordt uitgegaan van gemiddelden.

3.3.4.2 Verkeersgeneratie

Voorliggend initiatief gaat uit van de functiewijziging van een agrarisch perceel naar een woonperceel. De bestaande woning wordt herbouwd binnen het bouwvlak. De zorgfunctie zal als nevenactiviteit bij de woonfunctie voortbestaan. De feitelijke verkeersgeneratie zal als gevolg van het voornemen niet wijzigen. Planologisch gezien vervalt de verkeersgeneratie als gevolg van het agrarische bedrijf dat hier momenteel nog is toegestaan.

3.3.4.3 Parkeren

Voor parkeren geldt hetzelfde als voor de verkeersgeneratie. Er is sprake van een functiewijziging, de feitelijke situatie voor parkeren wijzigt niet. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om te parkeren ten behoeve van de woning en de zorgfunctie.

3.3.4.4 Conclusie

Het voornemen is in overeenstemming met het parkeerbeleid van de gemeente Hardenberg.

3.3.5 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Bescherming van gezondheid en milieu

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

4.1 Geluid

4.1.1 Wettelijk kader

Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl).

4.1.2 Situatie plangebied

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.2.1 Wegen

Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De geluidaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend gelden de volgende afstanden:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het plangebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van de gemeentelijke weg Grote Esweg. Daarnaast ligt het plangebied ook binnen het geluidsaandachtsgebied van de Rijksweg N36. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 bij deze motivering. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten.

Het geluid door de gemeenteweg bedraagt hoogstens 45 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl.

De geluidbelasting als gevolg van de Rijksweg N36 bedraagt hoogstens 59 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB uit het Bkl. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 60 dB uit het Bkl.

Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 59 dB. De hogere grenswaarde is vastgelegd in de bouwregels. Er is een gevelwering van minimaal 59-33 = 26 dB benodigd om ter plaatse van de woning aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Uit de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning blijkt dat sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woning een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Deze aanvraag vindt gecoördineerd plaats.

Ter plaatse van de woning is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning.

4.1.2.2 Spoorwegen

Op circa 2,5 kilometer afstand ligt een spoorlijn. Het plangebied ligt buiten het geluidaandachtsgebied van de spoorlijn. Geluidhinder is niet te verwachten.

4.1.2.3 Industrieterreinen

Er zijn rondom het plangebied geen industrieterreinen aanwezig met een geluidsaandachtsgebied, waardoor van geluidshinder afkomstig van industrieterreinen geen sprake zal zijn.

4.1.2.4 Individuele bedrijven

In de nabijheid ligt een aantal bedrijven die geluid produceren. Ten oosten van het plangebied ligt een perceel met een recreatieve functie. Hier bevindt zich een groepsaccommodatie. Deze functie is niet opgenomen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor deze functie wordt aansluiting gezocht bij de functie 'kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken). Hiervoor geldt voor geluid een richtafstand van 50 meter. Deze minimale afstand is opgenomen in de bouwregels. De nieuw te bouwen woning ligt op circa 60 meter van de recreatieve functie, waardoor ruimschoot wordt voldaan aan de richtafstand. Bovendien is er sprake van een bestaande woning die wordt herbouwd binnen het bouwvlak.

Andere bedrijven liggen op verdere afstand van het plangebied. Hierdoor is er naar verwachting geen sprake van geluidshinder door individuele bedrijven.

4.1.3 Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Wettelijk kader

Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem.

4.2.2 Situatie plangebied

Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik, is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 van deze motivering. Er is een verkennend bodemonderzoek volgens de normen NEN5740 en NEN5707 (asbest in de bodem) uitgevoerd. Het vooronderzoek is conform NEN5725 uitgevoerd.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740

In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn geen verhogingen aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"

Tijdens de maaiveldinspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.

Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In het mengmonster MM2 en MM4 is analytisch geen asbest aangetoond. De mengmonsters MM1 en MM3 zijn licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Conclusie

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

De boven- en ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform het Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden.

Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd.

Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het Digitaal Stelsel Omgevingswet.

4.2.3 Conclusie

De bodem is van voldoende kwaliteit voor de uitvoering van dit voornemen.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Wettelijk kader

Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn:

  • een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
  • de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • de aanleg van een auto(snel)weg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.3.2 Situatie plangebied

Voorliggend initiatief gaat uit van de functiewijziging van een agrarisch perceel naar een woonperceel, waarbij de huidige woning herbouwd wordt en het toevoegen van een zorgfunctie. In de vorige paragraaf zijn voorbeelden gegeven van projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De omvang van dit plan is veel kleiner dan deze voorbeelden. Dit plan draagt dus niet bij aan de luchtverontreiniging. Ook is er geen sprake van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.

Ten aanzien van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied wordt opgemerkt dat hier sprake is van een bestaande woning die wordt herbouwd binnen het bestaande bouwvlak. Deze is momenteel planologisch reeds toegestaan. In de nabije omgeving van het plangebied is geen sprake van intensieve veehouderijen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich op ruim 150 meter afstand van het plangebied. Ten aanzien van fijnstof van intensieve veehouderijen is er in het plangebied dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten.

4.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.4 Geur

4.4.1 Wettelijk kader

De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg.

Geurnormen voor het houden van dieren bestaan voor sommige diersoorten uit afstanden en voor sommige diersoorten uit geurwaarden. Deze normen staan in het Omgevingsplan (paragraaf 22.3.6). De geurnormen beogen mede een omgekeerde werking te hebben. De normen dienen niet alleen als toetsingskader voor milieuvergunningen, maar geven ook aan welke geurbelasting de gemeente aanvaardbaar vindt op het platteland.

4.4.2 Situatie plangebied

Met dit TAM-omgevingsplan wordt de agrarische functie omgezet naar een woonfunctie. De bestaande bedrijfswoning krijgt hiermee een reguliere woonfunctie. Er is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het toevoegen van een nieuw geurgevoelig gebouw, aangezien de bedrijfswoning in de huidige situatie ook reeds een geurgevoelig gebouw is. De huidige woning wordt herbouwd binnen het bestaande bouwvlak. Omgekeerd gezien worden de agrarische bedrijven niet belemmerd door dit plan.

4.4.3 Conclusie

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5 Trillingen

4.5.1 Wettelijk kader

Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl.

4.5.2 Situatie plangebied

In de omgeving van het plangebied liggen geen functies die voor trillingshinder kunnen zorgen, zoals spoorlijnen. Het aspect trillingshinder vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6 Licht

4.6.1 Wettelijk kader

Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte.

Kunstlicht kan leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. De provincie heeft voor sommige gebieden 'donkerte' als waarde bepaald.

4.6.2 Situatie plangebied

De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de functiewijziging van een agrarisch perceel naar een reguliere woonfunctie en het toevoegen van een zorgfunctie. Binnen het plangebied bevindt zich tevens een paardenbak. Het plangebied is door de provincie aangemerkt als een gebied waar de waarde 'donkerte' van toepassing is. De bestaande woning wordt gesloopt en herbouwd. Per saldo is er geen sprake van het toevoegen van bebouwing. Er is daarmee ook geen sprake van een toename van het gebruik van kunstlicht. Daarnaast is de paardenbak niet voorzien van verlichting.

4.6.3 Conclusie

Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Bescherming van de waterbelangen

5.1 Algemeen

Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving.

De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen.

Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2 Het wateradvies

Voor dit plan is gebruikt gemaakt van de digitale watertoets. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Vechtstromen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'geen belang procedure'. In Bijlage 4 is het resultaat van de watertoets opgenomen. Overleg met het waterschap is niet nodig. Met dit TAM-omgevingsplan wordt slechts de functiewijziging van het plangebied mogelijk gemaakt. Dit heeft geen invloed op de waterhuishouding.

5.3 Conclusie

Het initiatief is niet in strijd met de waterbelangen.

Hoofdstuk 6 Waarborgen van de veiligheid

6.1 Wettelijk kader

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook gekeken worden naar de gevolgen van rampen. Daarvoor zijn in het Bkl risicobronnen aangewezen. Het gaat om:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Deze risicobronnen hebben aandachtsgebieden. Ze zijn digitaal te raadplegen in het Register Externe Veiligheid. Binnen een aandachtsgebied worden bij voorkeur geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd. En ook geen beperkt kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen. Soms kan dat toch, bijvoorbeeld als er extra maatregelen worden getroffen die worden vastgelegd in voorschriftengebieden. Denk bijvoorbeeld aan extra bouweisen.

6.2 Situatie plangebied

De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is aangegeven met de rode ster.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0009.png"  
Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: atlasleefomgeving.nl)  

Op de kaart is te zien dat het plangebied binnen het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied van de N36. Op basis van artikel 5.15 van het Bkl dient binnen deze aandachtsgebieden rekening te worden gehouden met het effect van een ontwikkeling op het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Indien een ontwikkeling is toegelaten door het omgevingsplan, wordt voldoende rekening gehouden met het groepsrisico als wordt gewaarborgd dat:

  • 1. het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is, of;
  • 2. maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties.

Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen.

  • Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied.
  • Aanvullende risicocommunicatie.
  • Beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron.
  • Vlucht- en schuilmogelijkheden.
  • Omgevingsmaatregelen.

Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied

De voorgenomen ontwikkeling betreft de functiewijziging van een agrarisch perceel naar een woonfunctie en het toevoegen van een zorgfunctie. De huidige woning is in vervallen staat en wordt herbouwd binnen het huidige bouwvlak. De gewenste locatie voor de nieuwe woning ligt circa 10 meter dichterbij de risicobron dan de huidige woning. Hiervoor is gekozen, omdat aan de andere zijde van de bestaande woning de paardenbak ligt. Ook moet er voldoende afstand gehouden worden tot het recreatiebedrijf aan de oostzijde van het plangebied. Door de woning aan de westzijde te positioneren, kan er afstand gecreëerd worden tot de paardenbakken en het erf van de buren en kan er beter een privé-erf gerealiseerd worden.

Aanvullende risicocommunicatie

Om de zelfredzaamheid van de nieuwe bewoners van de woningen te verhogen, kunnen deze bewust worden gemaakt over de risico's van het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. Wanneer er BHV aanwezig is, dienen zij hiervan ook op de hoogte te zijn.

Beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron

Als gevolg van het voornemen verandert de personendichtheid in het plangebied niet. Voorheen was het hebben van de zorgboerderij mogelijk en werd dit ook uitgevoerd als ondergeschikte functie bij het agrarische bedrijf. Dezelfde zorgboerderij (met hetzelfde aantal werknemers en cliënten) wordt door dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt en uitgevoerd als ondergeschikte functie aan de woonfunctie. De personendichtheid veranderd daarmee niet.

Vlucht- en schuilmogelijkheden

Vluchtmogelijkheden van de risicobron af betekent in dit geval dat er vluchtmogelijkheden in de oostelijke richting aanwezig moeten zijn. In dit geval kunnen de bewoners via deze zijde van de risicobron weg vluchten. Er zijn geen obstakels of belemmeringen die deze vluchtmogelijkheid verhinderen. Bovendien zijn de cliënten van de zorgboerderij zelfredzaam. Zij kunnen dus op eigen gelegenheid van de risicobron wegvluchten.

Omgevingsmaatregelen

Artikel 5.2 uit het Bkl schrijft voor dat, om de gevolgen van ongevallen te beperken, in ieder geval rekening dient te worden gehouden met:

  • 1. het voorkomen, beperken en bestrijden van die branden, rampen en crises;
  • 2. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en
  • 3. de geneeskundige hulpverlening aan personen.

Het bestuur van de veiligheidsregio kan hierover advies te geven (art. 10 Wet veiligheidsregio's).

Uiteindelijk moet de gemeente besluiten of aanvullende maatregelen nodig zijn om mensen binnen het aandachtsgebied te beschermen tegen een ongewoon voorval. In voorliggend geval zal de nieuwe woning worden voorzien van afsluitbare mechanische ventilatie. Zo kunnen de bewoners bij een incident waarbij een giftige stof vrijkomt veilig binnen schuilen. Ook het gebouw waarbinnen de zorgfunctie zich bevindt zal worden voorzien van afsluitbare mechanische ventilatie. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit TAM-omgevingsplan.

Voorschriftengebied

Het plangebied ligt binnen het aandachtsgebied van de N36. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

De toekomstige ontwikkeling wordt aangemerkt als 'kwetsbare gebouwen'. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk.

Conclusie

Wanneer rekening wordt gehouden met bovenstaande maatregelen, vormt de ligging van het plangebied in het aandachtsgebied geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovendien is sprake van de herbouw van een bestaande woning en verandert de personendichtheid als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet.

6.3 Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

7.1 Cultureel erfgoed

7.1.1 Wettelijk kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over:

  • beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • in stand houden van archeologische monumenten.

De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt.

7.1.2 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

7.1.2.1 Situatie plangebied

Er bevinden zich binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden.

7.1.2.2 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan.

7.1.3 Archeologie

In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

7.1.3.1 Situatie plangebied

De archeologische verwachting is verwerkt in het bestemmingsplan Buitengebied, dat onderdeel is van het omgevingsplan. Er geldt de bestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Dit houdt in dat een archeologisch onderzoek nodig is wanneer de bodemverstorende activiteiten groter dan 500 m2 zijn en een diepte van 50 cm of meer hebben.

Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 500 m2. Een archeologisch onderzoek is niet benodigd. Wel moet bij de graafwerkzaamheden rekening worden gehouden met eventuele archeologische vondsten.

7.1.3.2 Conclusie

Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.

7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

7.2.1 Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist.

Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de volgende begrippen:

  • 'bestaand stedelijk gebied' is 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
  • Een 'stedelijke ontwikkeling' is de 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

7.2.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Aangezien er pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij de realisatie van 12 woningen en meer (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921), is in voorliggend geval geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is deze ontwikkeling niet Ladderplichtig.

7.3 Landschappelijke waarden

7.3.1 Wettelijk kader

Voor de bescherming van het landschap geldt het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet staat dat 'landschappen' een onderdeel zijn van het fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. De gemeente Hardenberg heeft dit gedaan middels de Landschap Identiteits Kaarten.

7.3.2 LIK (Landschap Identiteit Kaart)

De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken.

Het gebied ligt in de 'LIK Rheeze - Diffelen en omgeving'. Het plangebied ligt in het Essen- en hoevenlandschap. Dit is in onderstaande afbeelding weergegeven. Het plangebied is hierin met de rode ster aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0010.png"  
Afbeelding 7.1: Uitsnede LIK - Rheeze - Diffelen en omgeving (Bron: Gemeente Hardenberg)  

De gemeente wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Deze landschapstypen zijn op een overzichtskaart opgenomen (zie ook afbeelding 7.1). Vervolgens is voor het gebied een overzicht gemaakt met de waardevolle en storende kenmerken. Er is ook een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven.

7.3.3 Toetsing aan het LIK

De gebruiksregels voor het wonen in landelijk gebied worden van toepassing verklaard op het perceel. Binnen het afwegingskader voor toekomstige vergunningaanvragen is het behoud van de kenmerken van het landelijk gebied een beoordelingsregel. Daarnaast ligt de paardenbak vlakbij het erf en is deze voorzien van een houten omheining. Daarnaast is er geen verlichting aanwezig bij de paardenbakken. Planologisch houdt deze wijziging dan ook voldoende rekening met de bescherming van de landschappelijke kwaliteiten.

7.4 Ruimtelijke kwaliteit en welstand

Het is wenselijk dat bouwplannen voor gebouwen van goede kwaliteit zijn. En dat ze passen in het bebouwingsbeeld. Er zijn twee welstandsnota's, een voor de stads- en dorpskernen en een voor het buitengebied. Voor het buitengebied is dat de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Daarom is deze van toepassing.

7.4.1 Welstandsnota Buitengebied

Voor Hardenberg zijn drie gebieden te onderscheiden op basis van de gebiedskarakteristieken. In onderstaande afbeelding zijn de grootste verschillen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0029-VG01_0011.png"  
Afbeelding 7.2: Uitsnede welstandsgebieden (Bron: Gemeente Hardenberg)  

De gemeente onderscheidt per gebied drie niveaus van welstand.

  • Niveau 0 (laag): geen eisen op het gebied van welstand.
  • Niveau 1 (midden): specifieke ambitie voor de beeldkwaliteit. Gericht op het behoud van belangrijkste gebiedskenmerken van architectonische of landschappelijke aard.
  • Niveau 2 (hoog): hoge ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit. Bij gebieden en/of locaties met een hoge architectonische en landschappelijke waarde.

7.4.2 Toetsing aan de Welstandsnota

Het gebied ligt in het Essen- en hoevenlandschap. En heeft niveau 1 voor de welstand. Voorliggend TAM-omgevingsplan gaat uit van de functiewijziging van agrarisch naar wonen. Dit TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk. Wel bestaat het voornemen om de huidige woning te slopen en te herbouwen. Bij de vergunningaanvraag hiervoor zal de nieuw te bouwen woning getoetst worden aan de Welstandsnota.

Hoofdstuk 8 Natuurbescherming

8.1 Algemeen

De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.

8.2 Gebiedsbescherming

8.2.1 Natura 2000-gebieden
8.2.1.1 Wettelijk kader

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig.

8.2.1.2 Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. Dit ligt op ongeveer 950 meter van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder wordt tevens gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden.

De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de functiewijziging van een agrarisch perceel naar een woonperceel. Daarnaast wordt ook de huidige woning gesloopt en herbouwd. Dit is een kleinschalige ontwikkeling. Bovendien verdwijnt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling een agrarisch bedrijfsperceel. Daarom kan worden verwacht dat het voornemen niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied.

8.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)
8.2.2.1 Wettelijk kader

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking.

8.2.2.2 Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 60 meter afstand van het plangebied. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling in het NNN. Het plan gaat niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

8.2.3 Conclusie

Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.

8.3 Soortenbescherming

8.3.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is.

8.3.2 Situatie plangebied

Binnen het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5 bij deze motivering. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.

Door het slopen van de gebouwen en het verwijderen van de struik tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest opzettelijk verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is, voor de in het plangebied voorkomende vogelsoorten niet beschermd, aantasting leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling.

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het opzettelijk beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten opzettelijk beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

8.3.3 Conclusie

Rekening houdend met de bovenstaande punten leidt het plan niet tot negatieve effecten op beschermde soorten.

8.4 Conclusie natuurbescherming

Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen

9.1 Beperkingengebieden

9.1.1 Algemeen

Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied).

9.1.2 Situatie plangebied

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Grote Esweg. Deze weg heeft geen beperkingsgebied. Ten westen van het plangebied ligt de N36. Het plangebied ligt niet in het beperkingengebied van deze weg.

9.1.3 Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een beperkingsgebied.

9.2 Kabels en leidingen

9.2.1 Algemeen

Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving.

9.2.2 Situatie plangebied

In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast gaat voorliggend TAM-omgevingsplan slechts uit van de functiewijziging van bestaande bebouwing, waardoor het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt. Bij de vergunningaanvraag voor de sloop en herbouw van de bestaande woning zal bovendien een Klic-melding worden gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw van de woningen worden beïnvloed.

9.2.3 Conclusie

Het plangebied heeft in deze fase geen nadelige gevolgen op de kabels en leidingen.

Hoofdstuk 10 Milieueffectrapportage

10.1 Wettelijk kader

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Aan de hand van bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.

10.2 Situatie plangebied

Dit plan gaat uit van de functiewijziging van bestaande bebouwing. Er wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Gelet op de kenmerken van dit project en de plaats van het project zal dit geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengen. Uit hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 9 van deze toelichting is dit ook gebleken.

10.3 Conclusie

Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

Hoofdstuk 11 Uitvoerbaarheid

11.1 Economische uitvoerbaarheid

Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur.

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11.2.1 Participatie

Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In voorliggend geval zijn de directe omwonenden ingelicht over de plannen. Het participatieverslag is opgenomen in Bijlage 6.

11.2.2 Afstemming met andere bestuursorganen

De provincie Overijssel heeft gereageerd op het plan en geeft aan dat ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit een erfinrichtingsplan kan worden toegevoegd. Daarom is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering een landschappelijk inpassingsplan opgenomen.

Naast de reactie van de provincie zijn geen andere reacties gegeven op het plan.

11.2.3 Zienswijzen

Deze wijziging van het omgevingsplan is voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Hoofdstuk 12 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen:

  • waarborgen van veiligheid;
  • beschermen van waterbelangen;
  • beschermen van gezondheid en milieu;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten voldoende rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.