| Plan: | TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22s, Binnenweg 3 NST Noord-Sleen |
|---|---|
| Status: | geconsolideerde versie |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0109.009OP00008-0003 |
Initiatiefnemers zijn eigenaar van het perceel O-942, Binnenweg 3 NST te Noord-Sleen. Het perceel met een oppervlakte van 1.335 m2 heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden – Landschap'. Op het perceel staat een oude schuur die wordt gebruikt voor opslagdoeleinden.
Initiatiefnemers hebben in februari 2024 bij de gemeente een conceptverzoek ingediend voor de bouw van een vrijstaande schuurwoning op de plaats van de oude schuur met daarachter het losstaande bijgebouw.
Door middel van de brief van september 2024 laat de gemeente weten dat de bouw van de schuurwoning met bijgebouw een gewenste ruimtelijke ontwikkeling is en de gemeente bereid is om daaraan medewerking te verlenen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het (tijdelijk) omgevingsplan noodzakelijk. Dat zal worden gedaan door middel van een TAM-omgevingsplan.
Dit TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22s, Binnenweg 3 NST Noord-Sleen’ heeft als doel de voorziene situatie vast te leggen in een adequaat en actueel ruimtelijk- en juridisch kader en dient aantoonbaar te maken dat het plan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dat betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen.
Het plangebied van het TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22s Binnenweg 3 NST Noord-Sleen‘ ligt binnen de begrenzing van het (tijdelijk) omgevingsplan gemeente Coevorden en als onderdeel daarvan het nog geldende bestemmingsplan ‘Veegplan bestemmingsplan Kernen’. Het plangebied ligt aan de Binnenweg 3 NST in Noord-Sleen. Afbeelding 1 is de weergave van de bestaande situatie op het perceel.
Afbeelding 1: luchtfoto huidige situatie Binnenweg 3 NST Noord-Sleen
Het TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22s Binnenweg 3 NST Noord-Sleen, van de gemeente Coevorden, waarmee de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' wordt gewijzigd in 'Wonen' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplanp en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.
Het plangebied ligt in het geldend omgevingsplan van de gemeente Coevorden, tijdelijk deel van de gemeente Coevorden. In dit omgevingsplan is momenteel alleen nog maar een artikel 1.1 met begripsbepalingen opgenomen, een hoofdstuk 2 met een verbod op de bouw van een hypersale datacentrum en een hoofdstuk 22 (de Bruidsschat met Rijksregels).
Als tijdelijk onderdeel van dit omgevingsplan geldt het planologisch kader nog vanuit het bestemmingsplan ‘Veegplan bestemmingsplan Kernen’ zoals deze is vastgesteld op 16 juni 2024. Het plangebied heeft hierin de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden - Landschap’.
Afbeelding 2: uitsnede verbeelding Veegplan bestemmingsplan Kernen (plangebied aangegeven met speld)
Het plangebied heeft verder de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 4 en Waarde – Cultuurhistorie, de aanduidingen 'bouwvlak', 'laagvliegroute' en 'molenbiotoop'.
Het plan is in strijd met het omgevingsplan Coevorden omdat de huidige bestemmingsomschrijving (artikel 6.1) het Wonen op het perceel niet toelaat.
Met het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt de bestemming / functie van het plangebied gewijzigd in Wonen, waardoor de gewenste nieuwbouw van de woning met vrijstaand bijgebouw planologisch / juridisch mogelijk wordt gemaakt.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een omschrijving gegeven van de huidige situatie en de voorgenomen planontwikkeling. In hoofdstuk 3 komen de verschillende relevante beleidsstukken voorbij die van toepassing zijn op het plan en die daarbij zijn uitgewerkt van rijksniveau naar provinciaal niveau tot op gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 geeft de invloed weer van het plan tot de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat de juridische vormgeving van het plan centraal. Hoofdstuk 6 gaat in op de financieel economische uitvoerbaarheid waarna in hoofdstuk 7 tenslotte nog wordt ingegaan op de voorbereiding en participatie rondom de planvorming.
Historie
Het perceel aan de Binnenweg 3 NST was oorspronkelijk onderdeel van en in gebruik bij het melkveebedrijf van de familie van initiatiefnemers, gevestigd aan de Markeweg 15 in Noord-Sleen. Het melkveebedrijf is verplaatst naar het buitengebied. Het perceel aan de Binnenweg 3 NST is echter familie-eigendom gebleven en de schuur wordt gebruikt voor opslagdoeleinden.
Het uitplaatsen van een veehouderij uit de kern naar het buitengebied werd/wordt door de gemeente gestimuleerd.
Gesteld kan worden dat de wijziging van de agrarische bestemming van het perceel van initiatiefnemer naar Wonen het laatste onderdeel is van de transitie van het melkveebedrijf richting een functie die in de kern beter passend is, namelijk wonen.
De planlocatie
De planlocatie aan de Binnenweg ligt in het karakteristieke dorpsgezicht van Noord-Sleen. Dat gebied is cultuurhistorisch zeer waardevol en maakt onderdeel uit van de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie. Het beleid is gericht op het behoud en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. De specifieke opzet van het esdorp (open en groene karakter) dient behouden te blijven. Kenmerkend aan de kern van Noord-Sleen is verder het open en groene karakter.
Het plangebied betreft het kadastrale perceel O-942 met een oppervlakte van 1.335 m2. Binnen het plangebied is een schuur aanwezig is met een afmeting van 8,10 meter bij 10,10 meter (81,81 m2). In deze schuur vindt enige opslag plaats. De ontsluiting van de schuur op de weg vindt plaats door middel van stelconplaten. Rondom de schuur is het perceel ingezaaid met gras. Het bedrijfsmatig agrarisch gebruik van het perceel is al langere tijd geleden beëindigd.
In afbeelding 3 is het kadastrale perceel met de schuur weergegeven.
Afbeelding 3: luchtfoto van het plangebied in de huidige situatie
Schuurwoning
Initiatiefnemers gaan de oude schuur slopen en vervangen door een moderne schuurwoning in de stijl van de huidige schuur. Met inbreng vanuit de Omgevingstafel is het uitgangspunt dat het open karakter van de kavel wordt gehandhaafd. Dit wordt bereikt door de woning op dezelfde plek te bouwen als de schuur. Hiermee wordt de zichtlijn tussen de woningen aan de Binnenweg 3 en 7 niet aangetast.
De woning wordt uitgevoerd als een schuurwoning bestaande uit 1 laag met kap, met een gootlijn van 3,72 meter en bouwhoogte maximaal 7,70 meter. Met deze maatvoering is de nieuwe woning ondergeschikt aan de naastgelegen woningen op de nummers 3 en nummer 7.
Door de maximale hoogte van de woning is de woonoppervlakte op de eerste verdieping beperkt. Om voldoende ruimte voor slaapkamers op de eerste verdieping te kunnen realiseren is een woning van 8 meter bij 12 meter wenselijk. In het ontwerp van de woning is met deze maatvoeringen rekening gehouden.
Overeenkomstig met de bestaande schuur zal de nieuwe woning hoofdzakelijk worden opgetrokken in zwart houten gevelplanken.
In afbeelding 4 is de positionering van de woning weergegeven. De rode lijn in de afbeelding geeft de contour weer van de te slopen schuur. Bouwtekeningen van de woning zijn separaat bijgevoegd.
Afbeelding 4: situatietekening woning en vrijstaand bijgebouw
Bijgebouw
Er wordt een vrijstaand bijgebouw bij de woning gerealiseerd. De plek van het bijgebouw in de zuidwesthoek van het perceel is afgestemd met de Omgevingstafel. De oriëntatie van het bijgebouw is, ten opzichte van het ontwerpplan, aangepast. Het bijgebouw stond eerst parallel aan de zuidelijke erfgrens. Het gebouw is een kwartslag gedraaid en staat nu parallel aan de westelijke erfgrens. De reden van deze aanpassing zijn de aanwezige bomen op het perceel. Door de schuur parallel aan de westelijke erfgrens te bouwen wordt bewerkstelligd dat de impact van het gebouw op de bomen, waaronder de Witte paardenkastanje, beperkt is.
Vanaf de weg staat het bijgebouw in de zuidwestzijde van het perceel voor een groot uit het zicht. Op deze plaats heeft het bijgebouw amper inbreuk op de doorkijk in de tuinen vanuit omliggende buren, waardoor het open karakter maximaal behouden blijft. Bovendien vormt het bijgebouw in deze hoek van het perceel een cluster met de aanwezige bijgebouwen van naastgelegen buren. Op deze manier ontstaat er eenheid, rust en blijft de openheid gegarandeerd. Bovendien sluit het bijgebouw op deze plek ook aan bij het oorspronkelijk erf van het veehouderijbedrijf aan de Markeweg 15.
Het bijgebouw sluit qua stijl aan bij de woning, waarbij gekozen is voor een ingetogen stijl. Het bijgebouw heeft een oppervlakte van circa 80 m2 meter met een bouwhoogte van circa 6 meter. Het vrijstaande bijgebouw wordt op 1 meter uit de erfgrenzen gebouwd.
Tuinplan
Door Buro voor Groene Ruimtes is ten behoeve van een zorgvuldige inpassing van de woning met bijgebouw op het perceel een tuinplan uitgewerkt. In afbeelding 5 is de visualisatie van het tuinplan weergegeven. Het tuinplan op schaal is bijgevoegd als Bijlage 1 bij deze motivering.
De woning met bijgebouw wordt ingepast door de aanplant van enkele solitaire bomen en de aanleg van een aantal 'bosjes'. Langs de perceelsgrenzen vindt de groene inpassing plaats door de aanplant van heggen. Om het uitzicht van de buren aan de noordzijde niet de belemmeren wordt de heg hier laag gehouden. Er worden streekeigen bomen- en plantensoorten gebruikt.
Afbeelding 5: tuinplan (bron: Buro voor Groene Ruimtes)
Ter bescherming van de reeds aanwezige bomen op het perceel worden de volgende maatregelen getroffen:
In de planregels (artikel 7.5.2) is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de uitvoering van het tuinplan juridisch is geborgd.
Bij het opstellen het TAM-omgevingsplan dient de gemeente rekening te houden met het door hogere overheden vastgestelde beleid. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op relevante onderdelen van het rijksbeleid, het provinciaal beleid zoals verwoord in de Provinciale Structuurvisie en de Verordening en het gemeentelijk beleid.
De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten:
Toetsing planvoornemen
Met onderhavig TAM-omgevingsplan zijn geen nationale belangen in het geding. Onderhavig plan heeft geen betrekking op één van dertien nationale belangen uit de NOVI. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling, zijnde de bouw van slechts één burgerwoning op een perceel in het dorp Noord-Sleen.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).
Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.
In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk.
Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden:
Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering.
Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van:
Toetsing planvoornemen
In het Bkl staan in hoofdstuk 5 instructieregels die bij het opstellen van een omgevingsplan moeten worden nagekomen. Het grootste deel bestaat uit instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet. In hoofdstuk 4 van dit Omgevingsplan zijn de verschillende instructieregels getoetst en kan alles overziend geconcludeerd dat het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:
Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, is het mogelijk dat er maatwerkregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld om cumulatie van de gevolgen van effecten van Bal-activiteiten te beperken. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels of waarmee een nadere invulling of concretisering wordt gegeven van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan. Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.
De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.
Toetsing planvoornemen
In het Bal en Bbl zijn mogelijkheden opgenomen om (maatwerk)regels te stellen die opgenomen kunnen worden in het Omgevingsplan. Dergelijke regels zijn voor dit plan niet nodig en daarom niet opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. Ook zijn voor dit plan geen maatwerkvoorschriften bekend die van invloed zijn op het TAM-omgevingsplan.
Daarnaast zijn de (bouw)regels in het Bbl onverkort van toepassing op te nieuw te bouwen bouwwerken en vormt het Bbl een beoordelingsregel voor de (technische) bouwactiviteit (afdeling 8.3 Bkl).
De Omgevingsvisie Drenthe 2022 (geactualiseerd d.d. 28 september 2022) is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe. Met deze visie zet de provincie in op "het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar concrete indicatoren gemaakt, namelijk voor landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Aanvullend geeft de provincie aan dat 'zuinig ruimtegebruik' en het bewaken van een goede 'milieu- en leefomgevingskwaliteit' van provinciaal belang zijn.
Toetsing planvoornemen
Ruimtelijke ontwikkelingen
De provincie wil ontwikkelingen stimuleren die een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze kwaliteit zit voor de provincie in het zorgvuldig gebruikmaken van de ruimte, het behouden en waar mogelijk versterken van de kernkwaliteiten en het waarborgen van de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving.
Hieronder volgen de relevante delen uit de Omgevingsvisie die relevant zijn voor het voorliggende ruimtelijk initiatief op het gebied van het ‘Wonen’.
Wonen
Omgevingsbeeld
De woningnood in Nederland wordt ook gevoeld in Drenthe. De verschillen in bevolkingsontwikkeling tussen de stedelijke gebieden en het landelijk gebied worden groter, ondanks de stagnatie op de woningmarkt vanwege forse prijsstijgingen. Op basis van de huidige prognoses blijft de bevolking van Assen stabiel en profiteert de noordzijde van Drenthe van de groei van Groningen. De zuidelijke as laat in de prognoses een sterk verloop zien, van groei in de gemeente Meppel tot het doorzetten van de krimp die in de gemeente Emmen in 2014 is ingezet. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkst is, maar deze laat zich vooralsnog niet vertalen in huishoudenskrimp. Lokaal laten, ook in Oost-Drenthe, sterke dorpen nog steeds bescheiden groeicijfers zien. Dit komt omdat huishoudens steeds kleiner worden, waardoor de krimp opgevangen wordt door de vraag naar woningen. Daarnaast is de inkomende migratie uit het buitenland hoger dan verwacht. Een steeds kleiner aanbod van woningen en de effecten van corona lijken de verwachte ontwikkeling te vertragen. Vraag en aanbod passen niet altijd goed meer bij elkaar, wat leidt tot een vraag naar nieuwe woningen. Dit terwijl een deel van de bestaande woningvoorraad in kwaliteit afneemt en huishoudens niet kunnen doorstromen naar passende woningen.
De autonome woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2030 te maken met een daling van het aantal huishoudens, maar hier tegenover staat dat vanuit Groningen en Zwolle sprake is van een regionaal overkokende woningvraag die landt in de Drentse gemeenten. Per saldo betekent dit een woningbehoefte van ca. 10.000 tot 20.000 extra woningen tot en met 2030.
Met het planvoornemen wordt een nieuwe woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Dit zorgt voor een (kleine) doorstroming omdat de huidige koopwoning van initiatiefnemers, ook gelegen in Sleen, vrijkomt.
Ambitie
De leefbaarheid in dorpen en wijken is belangrijk, met basisvoorzieningen die voldoende op peil blijven, goede bereikbaarheid, culturele initiatieven en een betaalbaar en aantrekkelijk woningaanbod. Wonen is voor onze inwoners belangrijk. De gemeente wil toekomstbestendige woningen voor jong én oud. Toekomstbestendig betekent duurzaam, betaalbaar en passend bij de woonwens.
De afgelopen jaren is regionaal via samenwerking veel werk verzet zodat er een brede kennisbasis bestaat over de opgaven voor de woningvoorraad in de regio’s Groningen / Assen, Zuidwest-Drenthe/ Zwolle en Zuidoost-Drenthe.
De Drentse Woonagenda is actiegericht. Er moeten meer en andere huizen worden gebouwd en bestaande woningen moet worden aangepast. Mensen willen langer thuis blijven wonen als ze ouder worden. Zijn er voldoende geschikte woningen voor jongeren? Hoe worden de huizen energiezuinig of zelfs energieneutraal gemaakt? De provincie biedt gemeenten, corporaties, marktpartijen en initiatiefnemers een helpende hand en treden daarbij zowel vraag-volgend als agenderend op.
Specifieke aandacht gaat uit naar marktsegmenten voor specifieke doelgroepen, zoals flexwonen (voor spoedzoekers als arbeidsmigranten en mensen uit een scheiding of instelling), huishoudens met een te kleine beurs voor verduurzaming en verouderde bouwblokken uit de jaren ’60-’80. Knelpunten voor een continue bouwstroom worden eveneens aangepakt.
De provincie vindt het van belang dat, waar mogelijk, de woonopgave wordt benut voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de stads- en dorpsranden. Uitgangspunt voor het wonen in Drenthe is dat er rekening wordt gehouden met de ruimtelijke kwaliteit in het gebied.
Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van een nieuwe woning in het dorp Noord-Sleen. De nieuwe woning sluit volledig aan op de woonwensen van het jonge gezin. Initiatiefnemer zal een bijdrage leveren aan de leefbaarheid van het dorp.
Uitvoering
De ambities voor de woningmarkt zijn nader uitgewerkt in de Drentse Woonagenda. Daarnaast heeft de provincie subsidieregelingen om de bouw van meer woningen, wooninitiatieven en herstructurering van de woningvoorraad te stimuleren.
De provincie biedt ruimte voor woningbouw ter vervanging van landschap ontsierende(voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen met de ruimte-voor- ruimteregeling. Het beleid hiervoor is vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening. Bij eventuele aantasting van de kernkwaliteiten streven we naar compensatie. In overleg met gemeenten en andere partners geeft de provincie hier verder invulling aan.
In de ruimtelijk-economische structuur van Drenthe zijn de functies wonen, werken en voorzieningen geconcentreerd in steden en dorpen, dit noemen wij stedelijke gebieden.
De nieuwe woning wordt in het stedelijk gebied (Noord-Sleen) gebouwd. Er zijn geen kernkwaliteiten in het geding.
Zorgvuldig ruimtegebruik
De provincie wil zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte in Drenthe. Grootschalige bouwplannen en uitbreidingen in het landelijk gebied, los van bestaande bebouwingslocaties, zijn niet vanzelfsprekend. De provincie vindt dat gemeenten bij nieuwbouwplannen een werkwijze moeten hanteren die leidt tot zorgvuldig ruimtegebruik en verwijst naar de Ladder voor Duurzame verstedelijking.
In dit specifieke geval wordt het mogelijk gemaakt om op de plek van een agrarische schuur in het dorp Noord-Sleen een regulieren woning met bijgebouw te realiseren. Feitelijk is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Het planvoornemen voldoet aan de Omgevingsvisie van de provincie.
In de Provinciale omgevingsverordening Drenthe (gewijzigde versie d.d. 20 februari 2025) is het beleid uit de Omgevingsvisie Drenthe 2022 vertaald naar juridische regels. In artikel 3.16 staat het volgende genoemd aangaande woningbouw.
Artikel 3.16 Woningbouw
Toetsing planvoornemen
Het plangebied ligt binnen de grenzen van het 'Bestaand stedelijk gebied'. Toetsing aan de voorwaarden van artikel 3.16 van de Omgevingsverordening is daarom niet aan de orde.
Het planvoornemen betreft een binnenstedelijke ontwikkeling die als zodanig niet ruimtevragend is. Overigens is er in dergelijke gevallen per definitie sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
Uit raadpleging van de provinciale kaarten volgt dat er geen kernkwaliteiten in het geding zijn.
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de regels van de Omgevingsverordening Drenthe.
Op 17 oktober 2023 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie gemeente Coevorden vastgesteld.
De Omgevingsvisie is een visie op de leefomgeving van de gemeente Coevorden. De Omgevingsvisie geeft het toekomstbeeld van en voor de gemeente en geeft aan waar de gemeente kansen ziet en met welke opgaven de gemeente aan de slag wil. Het toekomstbeeld kijkt ver vooruit, de kansen en opgaven zijn de eerste stappen om het gewenste toekomstbeeld te realiseren. Daarbij maakt de gemeente verschil tussen gebieden.
Noord-Sleen bevindt zich in het deelgebied 'Gebiedskompas - Centrum van de boermarken'.
Afbeelding 6: deelgebied 'Gebiedskompas - Centrum van de boermarken'
Dit gebied heeft een rijke bewoningsgeschiedenis en ademt historie: kijk maar naar de hunebedden en grafheuvels. Rietgedekte boerderijen, brinken, bossen en beekdalen wisselen elkaar af en zorgen voor een authentieke, typisch zanddrentse sfeer. Meerdere dorpen hebben een rijksbeschermd dorpsgezicht en vele boerderijen en molens zijn rijksmonumenten. Het is één van de parel in De Hondsrug UNESCO Global Geopark. De samenhang van esdorpen, essen en beekdalen geeft dit gebied de landschappelijke allure van een Nationaal landschap in klein formaat. Een mix van functies vindt er een plek: natuur en landbouw, recreatie en wonen.
De historie is ook terug te zien in de tradities en evenementen, met ‘het Zuidenveld’ als jaarlijks terugkerend hoogtepunt. Zuidenveld is één van de zes Drentse dingspelen uit vroeger tijden, dat zich uitstrekt over de huidige gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen. En zijn de dorpen in het Coevordense Zuidenveld aan de beurt, dan feesten en organiseren de buurdorpen mee!
Het behoud van de waarden van dit historische cultuurlandschap en haar eigenheid staat voorop bij de ontwikkeling van dit gebied. De gemeente is trots op dit landschappelijk historische hart van de gemeente. Maar de authenticiteit en kleinschaligheid maken het gebied ook kwetsbaar. Daarom kiest de gemeente hier niet voor grootschalige veranderingen en oplossingen. Er wordt gewerkt langs de weg van geleidelijkheid, samen met de dorpen en ondernemers in het gebied, die erg bij hun leefomgeving betrokken zijn.
Nieuwe ontwikkelingen voegen zich in dit gebied in bestaande structuren en ondersteunen de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Dit uitgangspunt geldt in het bijzonder voor de beschermde dorpsgezichten, waar behoud voorop staat. Ook bij dorpsharten die niet gemarkeerd zijn als beschermd dorpsgezicht, is zorgvuldigheid geboden. We willen immers de historische sfeer en charme behouden. Door zorgvuldige afwegingen en een goede inpassing van nieuwe initiatieven blijven het historische straatbeeld en het landschapsbeeld zoveel mogelijk intact en herkenbaar.
Voor kleinschalige initiatieven, zoals transformatie van agrarisch naar wonen, splitsing van huishoudens, wonen met zorg (in grote kernen) en andere oplossingen binnen de bestaande bebouwing is ruimte als dit binnen de bestaande kaders past.
Toetsing planvoornemen
Het planvoornemen is een kleinschalige transformatie van agrarisch naar wonen. De ontwikkeling vindt op een zorgvuldige wijze plaats, waarbij rekening is gehouden met de randvoorwaarden vanuit de Omgevingstafel. Dit komt vooral tot uiting in de verschijningsvorm van de woning als schuurwoning met een sober bijgebouw. Ook de plek van de woning met bijgeouw op het perceel en de landschappelijke aankleding door middel van de aanplant van bomen, heggen en overig groen draagt hieraan bij.
Het planvoonemen tast de historische sfeer en charme van het dorp niet aan en laat het historische straatbeeld zoveel mogelijk intact en herkenbaar. Het is een passende afhechting van de historie, waarbij het perceel onderdeel uitmaakte van het agrarisch bedrijf aan de Markeweg 15.
Op 7 december 2021 stemde de gemeenteraad van Coevorden in met de Woonvisie ‘Bouwen aan de toekomst’ voor de komende jaren. Een visie met een andere koers dan de voorgaande. Er is ruimte voor goede plannen en ruimte om te bouwen. Belangrijke aandachtspunten zijn leefbaarheid, betaalbaarheid, duurzaamheid, wonen en zorg en verschillende doelgroepen.
Een woningmarkt die past bij de toekomst; dat is wat de gemeente Coevorden wil. De rol van de gemeente is het stellen van kaders en het bewaken van het algemeen belang. Ook het stimuleren van ontwikkelingen en het goed contact houden met partijen die huizen bouwen en corporaties die huizen verhuren is belangrijk. Inwoners die plannen hebben die passen bij de ambities uit de woonvisie worden geholpen bij het realiseren van hun plannen.
Bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven gaat inbreiding voor uitbreiding: dus bouwen zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied / binnen de kernen.
Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van één nieuwe woning in Noord-Sleen. Er is sprake van inbreiding.
Het ruimtelijk initiatief is zorgvuldig door de gemeente afgewogen, waarbij randvoorwaarden zijn gesteld om de ontwikkeling mogelijk te maken. Initiatiefnemer heeft deze randvoorwaarden gevolgd bij het uitwerken van het ontwerp van de woning met bijgebouw en de inrichting van het woonperceel. In die zin sluit het plan aan bij de Woonvisie van de gemeente.
Dat er sprake is van een gewenste ontwikkeling kan ook worden ontleend aan het gegeven dat op het perceel in 2020 nog een woonbestemming rustte. Met het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt deze bestemming / functie weer aan het perceel (terug) gegeven.
De conclusie van de in dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Noord-Sleen, Binnenweg 3 NST beschreven beleidsuitgangspunten is dat het rijksbeleid niet direct doorwerkt voor het plan. Hierdoor is het TAM-omgevingsplan niet in strijd met het rijksbeleid. Het rijksbeleid werkt indirect door via het provinciaal beleid. Het provinciaal beleid vormt op zijn beurt weer de input voor het gemeentelijk beleid. Voor het voorliggende TAM-omgevingsplan kan eveneens geconcludeerd worden dat het plan passend is in het provinciale beleid. Wat betreft het beleid kan gesteld worden dat de gewenste ontwikkeling op deze locatie passend is.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen functies en activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
In dit geval is er sprake van een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de omgeving.
Gezien de aard en omvang van deze ontwikkeling, de ligging, de inpasbaarheid en aansluiting op de omliggende bebouwing, is in voorliggend geval geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is geen mer-beoordelingsplicht.
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is van toepassing bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Uit jurisprudentie blijkt dat de bouw van 11 woningen in een dorpskern niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien (uitspraak ABRvS 16 september 2015;ECLI:NL:RVS:2015:2921). Dit aangezien er wordt gebouwd binnen de bebouwde kom, er sprake is van verdichting en er wordt gebouwd in of aansluitend aan bestaand bebouwd gebied.
In voorliggend geval is er sprake van de realisatie van een vrijstaande woning in het dorp Noord-Sleen. Aangezien er sprake is van dezelfde uitgangspunten als hierboven beschreven en er minder woningen mogelijk worden gemaakt dan de genoemde 11 woningen, is er met het voorliggend initiatief geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan dan ook achterwege blijven.
Het plan voldoet aan de instructieregels uit artikel 5.129g Bkl voor wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De standaard- en grenswaarden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toegelaten geluidsbron zijn conform afdeling 3.5 Bkl vastgesteld op de normen zoals weergegeven in tabel 4.1.
Tabel 4.1: standaard en grenswaarden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toegelaten geluidsbron
Wegverkeerslawaai
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe geluidsgevoelig gebouw aan de omgeving toegevoegd. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw (zie tabel 4.1). Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort.
In de omgeving van het plangebied zijn geen provinciale- of rijkswegen gesitueerd. Ook komen er geen 50 km/u-gezoneerde gemeentewegen voor. De Binnenweg is een erftoegangsweg waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/u. De verkeersintensiteit op de weg is laag. De weg wordt hoofdzakelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer en is geen sluiproute. De verkeersintensiteit wordt geschat op 250 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betekent dat de weg geen geluidsaandachtsgebied heeft en aangenomen kan worden dat voldaan wordt aan de standaardwaarde van 53 dB Lden.
De kaart 'Geluid van wegverkeer' van de Atlas Leefomgeving bevestigd dat de geluidbelasting ter plaatse van bouwlocatie aan de Binnenweg laag is (40 dB). Zie de onderstaande uitsnede van de kaart ´Geluid van wegverkeer'. Een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig.
Afbeelding 7: kaart Geluid wegverkeer (bron: Atlas Leefomgeving)
Railverkeerslawaai en industrielawaai
In de nabijheid van de planlocatie is geen spoorweg of een geluidgezoneerd bedrijventerrein gelegen. Daaruit blijkt dat de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Omdat voldaan wordt aan de voorwaarden uit het Bkl, wordt de geluidbelasting op de woning aanvaardbaar geacht. Wat betreft het aspect wegverkeersgeluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen.
De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren:
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Het plan voorziet in de nieuwbouw van één woning. Daarmee valt deze ontwikkeling binnen de regeling 'niet in betekende mate' bijdragend (NIBM). Dit betekent dat er geen verslechtering van de luchtkwaliteit aan de orde is.
De regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 geeft aan dat er bij onder andere een woning sprake is van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico's uit te sluiten is gekeken naar de lokale luchtkwaliteit.
De Atlas Leefomgeving maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen nabij het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging.
De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2023 6,75 µg/m³ voor NO2, 12,6 µg/m³ voor PM10 en 6,4 µg/ m3 PM2,5. Omdat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszones van 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg. Daarnaast worden er in het plan geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het "Besluit gevoelige bestemmingen. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Milieuzonering Nieuwe Stijl'.
Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten.
De beoogde woning binnen het plangebied dient aangemerkt te worden als geurgevoelige object in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen.
Het dichtstbijzijnde bedrijf met een geuremissie is het agrarisch bedrijf (paardenfokkerij) aan de Tuinweg 2 in Noord-Sleen. De afstand tussen het perceel van initiatiefnemers en het bouwvlak van dit bedrijf is circa 298 meter.
Paarden zijn dieren zonder geuremissiefactor. Voor het houden van dieren zonder geuremissiefactor geldt een vaste afstand tot de dichtstbijzijnde woningen. Deze afstand is binnen de bebouwde kom 100 meter en buiten de bebouwde kom 50 meter (art. 22.101 Omgevingsplan). Het voorliggende plan, dat een geurgevoelig gebouw mogelijk maakt, ligt binnen de bebouwde kom en op een grotere afstand van de paardenfokkerij dan 100 meter. Dit betekent dat het plan geen belemmerende werking heeft op de milieubelastende activiteiten van dit bedrijf. Daarnaast is geur vanuit de paardenfokkerij op het plangebied aanvaardvaar.
Op adres Binnenweg 8 bevindt zich een akkerbouwbedrijf, hier worden in de huidige vergunde/gemelde situatie geen dieren gehouden. De huidige agrarische bestemming op adres Binnenweg 8 staat wel het houden van landbouwhuisdieren toe. De afstand tussen het plangebied en Binnenweg 8 is vergelijkbaar met de afstand tussen reeds bestaande woonbestemmingen en Binnenweg 8. De locatie aan de Binnenweg 8 met agrarische bestemming wordt hierdoor niet belemmerd in de bedrijfsvoering/uitbreidingsmogelijkheden door het voorgenomen plan, aangezien bestaande woonbestemmingen al maatgevend zijn.
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Voor de locatie is een milieukundig vooronderzoek uitgevoerd door Sigma Geo- en milieutechniek. Het volledige rapport (projectnummer 25-M11569, d.d. 7 februari 2025) is als Bijlage 2 aan deze motivering toegevoegd.
Op basis van de resultaten van het milieukundig vooronderzoek kan worden bepaald of een locatie als milieuhygiënisch verdacht of onverdacht beschouwd dient te worden. Aan de hand van het milieukundig vooronderzoek kan worden bepaald of vervolgonderzoek, in de vorm van een verkennend bodemonderzoek conform NEN-5740, noodzakelijk en/of zinvol wordt geacht.
Resultaten bodemonderzoek
Asbest
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is t.p.v. de onderzochte terreindeken een inspectie van het maaiveld uitgevoerd. Op basis van de visuele locatie-inspectie is op het geïnspecteerde deel van het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
Het opgeboorde monstermateriaal (grond) is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Bovengrond (0.0-0.5 m-mv)
De bovengrondmengmonsters MM1, MM2 en MM3 bevatten geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur.
Ondergrond (0.55-2.0 m-mv)
De ondergrondmengmonsters MM4 en MM5 bevatten geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur.
Druppelzone onder asbestverdachte dak zonder dakgoot (toplaag (0.0-0.1 m-mv)
De toplaagmengmonsters dak D1 en dak D2 t.p.v. de druppelzone onder het asbestverdachte dak zonder dakgoot bevatten geen verhoogd gehalte PCB’s t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur.
In het geanalyseerde toplaagmengmonster druppelzone D1 (zeeffractie < 20 mm) van de inspectiegaten D1 t/m D4 (laag 0.0-ca.0.1 m-mv) uit de toplaag is een gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten van 17 mg/kg d.s.
Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de toplaag (0.0-0.1 m-mv) t.p.v. de inspectiegaten D1 t/m D4 bedraagt 17 mg /kg d.s. en is daarmee verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens maar kleiner dan het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) voor asbest.
In het geanalyseerde toplaagmengmonster druppelzone D2 (zeeffractie < 20 mm) van de inspectiegaten D5 t/m D8 (laag 0.0-ca.0.1 m-mv) uit de toplaag is een gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten van 13 mg/kg d.s.
Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de toplaag (0.0-0.1 m-mv) t.p.v. de inspectiegaten D5 t/m D8 bedraagt 13 mg /kg d.s. en is daarmee verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens maar kleiner dan het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) voor asbest.
Omdat de asbestverontreiniging is veroorzaakt tussen 1 januari 1993 en 1 januari 2024 is sprake van een verontreiniging waar artikel 13 van de Wbb (zorgplicht) op van toepassing is. De verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan dienen dan zoveel mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Initiatiefnemer zal de asbestverontreiniging, na goedkeuring van het plan van aanpak door het bevoegd gezag, laten saneren.
Grondwater (peilbuis 3.3-4.3 m-mv)
Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de streefwaarde en/of detectiewaarde.
In de bovengrond en ondergrond zijn geen van de onderzochte stoffen verhoogd gemeten t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten t.o.v de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering.
De gemeten gehalten aan asbest in de bodem (fractie <20 mm + fractie >20 mm) is kleiner dan het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) voor asbest. Echter omdat de zorgplicht van toepassing is, zal initiatiefnemer de asbestverontreiniging van de druppelzones laten saneren.
Op grond van het verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem, met uitzondering van de asbestverontreiniging, geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie. Nadat de asbestverontreiniging is gesaneerd, is er vauit het aspect bodem sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten:
Aandachtsgebieden
Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart Nederland weergegeven. Hierop is te zien dat in de direct omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen.
Afbeelding 8: risicokaart (plangebied bij blauwe cirkel)
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De paarse lijn ten noorden het plangebied geeft de ligging van de buisleiding aan. Deze buisleiding ligt op een afstand van circa 800 meter van het plangebied. Het plangebied ligt (ver) buiten de veiligheidscontour van deze buisleiding.
Ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 1,4 kilometer, is een opslagplaats van de NAM aanwezig. De risicocontour van deze opslaglocatie ligt ruim buiten de begrenzing van het plangebied.
In en om de nabijheid van het plangebied zijn verder geen risicovolle transportroutes gelegen en/of windmolens waarvan het invloedsgebied reikt tot over het plangebied.
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand.
De systematiek uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn - ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege - wordt deze systematiek nog toegepast. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'veegplan bestemmingsplan Kernen', waardoor deze systematiek kan worden toegepast.
Onder milieuzonering wordt verstaan: het bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in acht nemen van voldoende afstand, een richtafstand, tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals wonen).
Om de richtafstanden te bepalen wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' onderscheid gemaakt tussen gebiedstypen. Het plangebied bevindt zich gelet op de functionele structuur van de omgeving in een 'rustige woonwijk'. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen.
Tabel 4.2: richtafstanden Bedrijven en milieuzonering
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het TAM-omgevingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype.
Er zijn twee omgevingstypen gedefinieerd, te weten de omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied. Bij het gemengd gebied wordt een kleinere richtafstand aangehouden.
Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.
Hinderveroorzakende functies in het plangebied
Binnen het plangebied worden geen nieuwe hinder-veroorzakende functies gerealiseerd. Dit aspect behoeft daarom geen nadere beschouwing
Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied
Er dient te worden onderzocht of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinder-veroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Het gaat hierbij om hinder voor de nieuw te bouwen woning.
Ten oosten is een agrarische bedrijfslocatie aanwezig aan de Binnenweg 8. Een agrarisch bedrijf zonder dieren (zoals akkerbouw) valt in milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk. De afstand van het bouwvlak van dit bedrijf tot aan de gevel van de nieuwe woning is circa 32 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan.
Aan de Markeweg 9 in Noord-Sleen is een fietsenwinkel gevestigd. Een fietsenwinkel, waar ook repparatie- en service wordt verleend, valt ook onder milieucategorie 2. Het bestemmingsvlak van de fietsenwinkel ligt op circa 76 meter van de gevel van de nieuwe woning. Ook hier wordt aan de richtafstand van 30 meter voldaan.
De bedrijven in de omgeving liggen buiten de genoemde richtafstanden zodat geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Vanwege voldoende ruimtelijke scheiding kan bovendien worden gesteld dat de bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering.
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In deze paragraaf wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
Het beleid van het waterschap Vechtstromen staat beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In het Waterbeheerprogramma staat met welke ambities en maatregelen het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende en schoon water oppakken. Het waterschap speelt onder andere in op klimaatverandering en Europese normen voor schoon en gezond water.
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets.
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
Watertoetsproces
Het waterschap is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. De korte procedure houdt in dat er sprake is van een ontwikkeling met een geringe invloed op de waterhuishouding waarbij geen waterbelangen in het geding zijn. In uitzonderlijke gevallen kan blijken na controle, dat er toch een waterbelang ligt. Het waterschap heeft een aantal adviezen gegeven waar het planvoornemen rekening mee kan houden. Dit advies is opgenomen in Bijlage 3 van deze motivering.
Het waterschap heeft door middel van de mail van 1 april 2025 laten weten geen bezwaar tegen het planvoornemen te hebben.
Er zijn geen waterstaatkundige aspecten in het geding. Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.
Flora- en fauna-activiteiten
Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: 'Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.
Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Gebiedsbescherming
Indien een projectgebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.
Natura 2000
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.
Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
Het plangebied is op 14 januari 2025 door een medewerker van Natuurbank Overijssel onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Het complete rapport van de quickscan (projectnummer 7208 versie 1.0, d.d. 20 februari 2025) is als Bijlage 4 aan deze motivering toegevoegd.
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op minimaal 880 meter van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding is de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 9: Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe locatiemarker aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomgeving.nl)
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Het plangebied ligt op minimaal 11,26 kilometer afstand van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Mantingerzand. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 10: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl)
Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.
Stikstof
Een woningbouwplan kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de sloop- en bouwfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen). Het gebruik van de woning (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een toename van de verkeersbewegingen door bewoners en bezoekers van de nieuwe woning.
Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals woningbouwplannen, geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie te verwachten, aangezien er vanaf nu gasloos gebouwd moet worden. Effecten van stikstof vanwege wegverkeer hebben een beperkt bereik. Dergelijke bronnen zijn namelijk dicht bij de grond geplaatst, waardoor de stikstof snel neerslaat.
Sloop- en bouwfase
De schuur aan de Binnenweg 3 NST wordt gesloopt en op deze plaats wordt een nieuwe woning met bijgebouw teruggebouwd.
Voor de sloop- en de bouwfase is in kaart gebracht welk bouwmaterieel en transportbewegingen noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De toelichting van de uitgangspunten van de AERIUSberekeing is opgenomen als Bijlage 5.
Gebruiksfase
In de gebruiksfase komt NOX vrij door verkeersbewegingen van de bewoner van de nieuwe woning. In de huidige situatie is er ook sprake van verkeersbewegingen omdat de schuur wordt gebruikt voor de opslag van materialen en goederen. De woning zal gasloos worden gebouwd, zodat bij de verwarming van de woning geen NOX vrijkomt.
Het extra verkeer als gevolg van de bewoning is berekend op basis van de landelijke CROW-richtlijnen. Op basis van de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is het kencijfer verkeersbewegingen per woning per etmaal voor een vrijstaande koopwoning 8,6 verkeersbewegingen per etmaal.
Onder verkeersgeneratie wordt verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. In de uitgevoerd AERIUSberekening is worst case uitgegaan van 9 verkeersbewegingen per woning per dag met licht verkeer.
Met het programma AERIUS calculator 2024 is de berekening gemaakt om de mogelijke stikstofdepositie tijdens de sloop-, bouw- en gebruiksfase te bepalen. De uitkomst is dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op de relevante Natura 2000 gebieden. Er zijn daarom geen nadelige gevolgen te verwachten op relevante Natura 2000 gebieden. De AERIUS berekening is toegevoegd als Bijlage 6 bij de motivering.
Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging t.o.v. Natura2000-gebied is het aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet zal leiden tot een negatief effect op Natura2000-gebied. Dat geldt ook voor het NNN gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren. Uit de stikstofberekening blijkt dat het planvoornemen geen significant negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.
Initiatiefnemer zal de sloop- en bouwwerkzaamheden indien mogelijk uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels. Als dat niet lukt, dan zal voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelscan worden uitgevoerd.
Ten aanzien van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën zal initiatiefnemer zorgvuldig werken en eventueel aanwezig exemplaren wegvangen voordat met de werkzaamheden wordt begonnen.
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeente brede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werking) gebieden ligt, dan wordt hieraan getoetst.
Cultuurhistorie
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
Archeologie
Door De Steekproef is een archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase uitgevoerd. De complete rapport van De Steekproef (rapport 2025-02/16, d.d. 19 maart 2025) is als Bijlage 7 toegevoegd aan deze motivering.
Het plangebied bevindt zich binnen de begrenzing van een AMK-terrein(14498) op de Hondsrug, aan de rand van een glaciale stuwwal. In de omgeving van het plangebied zijn resten bekend uit de periode bronstijd – middeleeuwen. De eerste vermelding van het dorp Noord-Sleen stamt uit de 14e eeuw. Op basis van historisch kaartmateriaal is het plangebied bebouwd in de 20e eeuw.
Voorafgaand aan het veldwerk is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor alle perioden. Het gebied is altijd goed bewoonbaar geweest.
Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen gezet. Vanaf het maaiveld bestaat de bodem uit een bouwvoor, een verstoord pakket en de C-horizont bestaande uit dekzand, gevolgd door keileem. Het plangebied is verstoord tot in de C-horizont. Er zijn geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen.
Selectieadvies (KNA 4.2: VS07)
De regioarcheoloog onderschrijft de conclusies en het advies op basis van het rapport van De Steekproef. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er in het plangebied een hoge verwachting is voor archeologische waarden uit alle perioden. Uit het verkennende veldonderzoek blijkt dat de bodem echter tot diep in de C-horizont verstoord is. Hierdoor is de verwachting voor intacte archeologische waarden in het plangebied laag. De regioarcheoloog adviseert daarom het plangebied wat betreft de archeologie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het selectieadvies is als Bijlage 8 toegevoegd.
Cultuurhistorie
Het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. De opbouw, het behoud en het herstel en waar mogelijk versterking van de algemene landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn beschermd.
De schuur op het perceel heeft geen cultuurhistorische waarde.
Voor Noord-Sleen is van belang dat het dorp deel uitmaakt van de Rolderrug en dat historische opbouw en de koppeling aan het landschap van belang is.
Het planvoornemen heeft geen effect op de historische opbouw van het landschap. De ontwikkeling vindt namelijk plaats in het dorp.
Ten zuiden van het plangebied is een molen met een molenbeschermingszone aanwezig. Het betreft hier de molen Albertdina uit 1906. Deze molen heeft een molenbeschermingszone, waarbinnen beperkingen liggen voor het bouwen van nieuwe gebouwen. De nieuwe woning wordt op een afstand van circa 250 meter uit deze molen gebouwd. Conform de formule zou bij een afstand van 250 meter een maximale bouwhoogte zijn toegestaan van 7,3 meter.
De molenstichting is betrokken geweest bij Omgevingstafel van 11 oktober 2023. In een schriftelijk advies heeft de molenstichting aangegeven dat het bouwplan, of er nu sprake is van een woning met een bouwhoogte van 7 meter of 7,7 meter, geen probleem oplevert voor de windvang van de molen Albertdina. Dit vanwege de aanwezige bebouwing tussen de Binnenweg en de molen.
Het ontwerp dat destijds is beoordeeld wijkt met name wat betreft het bijgebouw af van het ontwerp dat nu voorligt. Het bijgebouw is lager dan 7,3 meter waardoor deze sowieso geen negatief effect heeft op de wingvang van de molen.
Zowel het aspect cultuurhistorie als het aspect archeologie staan de uitvoering van het plan niet in de weg.
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Daarnaast wordt ingegaan op de bereikbaarheid van het plangebied voor openbaar vervoer, gemotoriseerd verkeer en de toegankelijk van de openbare ruimte.
Verkeer
De realisatie van één vrijstaande woning zal op deze locatie een verkeersgeneratie van 8,2 (afgerond 8) verkeersbewegingen met zich meebrengen. Een dergelijke kleine toevoeging van een aantal verkeersbewegingen zal in de praktijk niet of nauwelijks waarneembaar zijn. De woning zal worden ontsloten op de Binnenweg en is daarmee goed bereikbaar en toegankelijk. De Binnenweg is van ruim voldoende capaciteit om dit veilig en eenvoudig te kunnen verwerken.
Parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Uitgangspunt bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te bepalen worden de actuele parkeercijfers van het CROW als parkeernorm toegepast. Voor het gebruik van deze publicatie gelden de volgende uitgangspunten:
Op basis van bovenstaande uitgangspunten geldt voor de realisatie van één vrijstaande woning een parkeerbehoefte van 2,3 parkeerplaatsen (afgerond 2). De woning zal worden voorzien van een ruime oprijlaan waar deze parkeerbehoefte eenvoudig kan worden opgevangen.
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen
Op rijksniveau is duurzaamheid vooral geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In het Bbl zijn in afdeling 4.4. regels voor duurzaamheid opgenomen. Deze (bouw)regels in het Bbl onverkort van toepassing op te nieuw te bouwen bouwwerken. Het Bbl een beoordelingsregel voor de (technische) bouwactiviteit (afdeling 8.3 Bkl).
De nieuwe woning zal conform de regels van het Bbl worden gebouwd en duurzaam worden uitgevoerd (gasloos).
Het planvoornemen zal in overeenstemming met de regels voor duurzaamheid worden gebouwd.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
Het perceel aan de Binnenweg 3 NST heeft een agrarische bestemming en kan op grond daarvan bedrijfsmatig voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Conform de bestemmingsomschrijving is de grond onder andere bestemd voor de bedrijfsmatige bewerking en/of beweiding van cultuurgrond, dus inclusief het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen e.d.
In de nieuwe situatie wordt de agrarische bestemming van het hele perceel omgezet in een woonfunctie. Binnen de woonfunctie zijn geen milieubelastende activiteiten toegestaan die mogelijk schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid. Het planvoornemen heeft derhalve een gunstig effect op (het bevorderen van) een gezonde fysieke leefomgeving.
Uit dit hoofdstuk blijkt verder dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een geschikte locatie om in een gezonde leefomgeving te verblijven.
Het aspect 'gezonde fysieke leefomgeving' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
In het plangebied zijn geen relevante kabels en straalpaden aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden.
Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, is er met uitvoering van voorliggend plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen.
In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening 'regels op de kaart'.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2024. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Binnenweg 3 NST te Noord-Sleen waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GMLbestand NL.IMRO.0109.009OP0008-0003, zoals vastgelegd op 'regels op de kaart'. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM omgevingsplan gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Algemene begripsbepalingen
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen.
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
In dit artikel zijn begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 3 Toepassingsbereik
In het eerste lid is bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-omgevingsplan.
Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten
Wonen
De functie van het plangebied is “Wonen”. Deze functie maakt het Wonen mogelijk en richt zich daarbij op grondgebonden woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-gebonden beroep en/ of bedrijf.
Bij de woningen horende functies worden ook mogelijk gemaakt in dit TAM-omgevingsplan. Daarbij gaat het onder meer om parkeren, tuinen en erven.
De woning moet binnen het bouwvlak worden gebouwd, om het gewenste ruimtelijk beeld te kunnen realiseren. Daarnaast zijn bijbehorende en overige bouwwerken toegestaan. De afmeting van de woningen is in de regels opgenomen.
De bestemming kent regels voor het (met een omgevingsvergunning) afwijken van de bouwregels. Onder andere voor het bouwen buiten het bouwvlak en afwijken van de maximaal toegestane hoogtes.
Waarde-Archeologie 4
In deze dubbelbestemming zijn regels gesteld waaraan voldaan moet worden indien de grond geroerd zal worden.
Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 9 Algemene regels voor bouwactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 10 Algemene regels voor functies en activiteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat een activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en dat er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden als er geen regels voor die activiteit zijn opgenomen in het omgevingsplan. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
Artikel 11 Overige regels
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen. Tevens bevat dit artikel een verwijzing aar de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van de Bruidsschat.
Hoofdstuk 4 Overgangsregels
Artikel 12 Overgangsrecht
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.
Artikel 13 Titel
In dit artikel wordt aangegeven onder welke titel het omgevingsplan wordt vastgelegd.
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
De gemeente zal een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer sluiten. Hierin worden afspraken gemaakt over de uitvoering, kosten en nadeelcompensatie. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. De ontwikkeling heeft voor de gemeente verder geen negatieve financiële gevolgen.
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
In Maart 2024 heeft de gemeente schriftelijk aangegeven onder voorwaarden mee te willen gaan in het initiatief. Daarmee kan aangenomen worden dat deze vanuit de gemeente in voldoende mate is verkend.
Dit plan is ter behandeling geweest in de intake- en omgevingstafel zoals die sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt toegepast in de gemeente Coevorden. In september 2024 heft de gemeente vervolgens schriftelijk aangegeven onder voorwaarden mee te willen gaan in het initiatief.
De omwonenden zijn geïnformeerd over de plannen. De wijze waarop initiatiefnemer de omwonenden bij het plan heeft betrokken is beschreven in het participatieverslag (zie Bijlage 9). Naar aanleiding van de participatie is het plan op onderdelen aangepast.
De omwonenden zijn over het algemeen positief over het planvoornemen. De bewoners van de Binnenweg 3 zien liever dat het perceel aan de Binnenweg 3 NST onbewoond blijft.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 17 december 2025 tot en met vrijdag 28 januari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens de periode dat het ontwerp omgevingsplan ter inzage heeft gelegen is er één schriftelijke zienswijze ingediend. Rekening houdend met postverzending en postverwerking is de zienswijzen tijdig ingediend en derhalve ontvankelijk conform art. 3:16 jo. 6:9 Algemene wet bestuursrecht.
Naar aanleiding van de ingediende zienswijze worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:
Voor nadere informatie over de zienswijzen en de beantwoording hiervan wordt verwezen naar de 'Notitie beantwoording zienswijze TAM Omgevingsplan 'Binnenweg 3 NST' te Noord-Sleen, welke is opgenomen als Bijlage 10 bij deze toelichting. De Bomen Effect Analyse is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting. Het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad d.d. 23 juni 2026 is bijgevoegd als bijlage 12.