direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Nes - Pean 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Context

Pean is een van oudsher bekende zeilschool, bootverhuurder, verhuurder van ligplaatsen en accommodaties voor groepen in Friesland. Door de zeilschool wordt vooral aan jeugd zeilles gegeven met open zeilboten in de waterrijke omgeving. De zeilschool is ontstaan vanuit een stelpboerderij en uitgebreid met moderne groepsaccommodaties, werkplaats en beperkte logiesruimte voor personeel.

Het bedrijf ligt op een locatie in het buitengebied van Nes aan de Grêft waar deze in de Wide Ie uitkomt. Het is over de weg vanuit Akkrum/Nes ontsloten via de Sodumerdyk/Pean.

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0001.jpg"

Figuur 1. Ligging van het bedrijf aan de Grêft, op de hoek van de Peanster Ie

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0002.png"

Figuur 2. Topografische situatie zeilschool Pean

Het bedrijf voert de zeilschool met name in de zomerperiode. Buiten deze periode worden de zeilschoolaccommodaties verhuurd aan groepen als groepsaccommodaties.

Het noordelijk deel van het terrein was tot in het recente verleden in gebruik als kampeerterrein voor een zestal stacaravans. Ook was er ruimte voor nog 15 andere kampeermiddelen, maar daarvan werd in de praktijk slechts beperkt gebruik gemaakt. Sinds 2019 heeft het bedrijf het kamperen in stacaravans beëindigd. In 2020 en 2021 zijn op het (voormalig) kampeerterrein 12 recreatiewoningen gerealiseerd. Daarmee is een einde gekomen aan het kamperen in stacaravans.

Ten slotte beschikt het bedrijf over een aantal ligplaatsen die deels worden gebruikt voor de eigen vloot van les- en verhuurschepen en deels worden verhuurd aan derden.

Ten behoeve van de zeilcursisten, de in de groepsaccommodaties en recreatiewoningen verblijvende toeristen en de huurders van boten beschikt het bedrijf over horecavoorzieningen.

1.2 Doel van het plan

Het plan heeft - naast het voorzien in een algemene planologische beheerregeling - twee doelen:

Juridisch kader bieden voor de gerealiseerde recreatiewoningen

Ten behoeve van het kunnen realiseren van de 12 recreatiewoningen is op 6 juni 2018 een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met regels RO (artikel 2.1 lid 1c Wabo jo artikel 2.12. lid 1 sub a onder 3 Wabo) verleend. Er is geen omgevingsvergunning voor het bouwen aangevraagd. De initiatiefnemers hebben gebruik gemaakt van een wettelijke regeling die het mogelijk maakt om recreatief nachtverblijf vergunningvrij te bouwen. De recreatiewoningen zijn in afwijking van de vergunning groter gebouwd, waardoor op dat punt niet langer werd voldaan aan de verleende omgevingsvergunning en ook niet aan de wettelijke regeling om vergunningvrij te bouwen. Bovendien wijkt de plaats van sommige chalets af van de verleende vergunning.

Op verzoek van de initiatiefnemers heeft de gemeente op 14 juli 2021 een nieuwe omgevingsvergunning verleend voor handelen in strijd met regels RO, waarin de situering in overeenstemming is gebracht met de inmiddels gerealiseerde recreatiewoningen. Deze vergunning is nog niet onherroepelijk, omdat er nog een beroepszaak loopt bij de Raad van State.

Wanneer dit bestemmingsplan is vastgesteld, zullen de initiatiefnemers een omgevingsvergunning voor het bouwen aanvragen om daarmee te kunnen voldoen aan het vergunningsvereiste voor het bouwen van de inmiddels gerealiseerde 12 recreatiewoningen.

De gemeente acht het wenselijk om een definitief planologisch kader te scheppen, waarmee de thans illegale bebouwing op het noordelijk deel van het terrein wordt gelegaliseerd.

Wens om een nieuwe bedrijfswoning te realiseren

De wens bestaat om de huidige bedrijfswoning die zich nu in het voormalige woongedeelte van de boerderij bevindt, op een locatie in de zuidoosthoek van het terrein te bouwen. Daardoor ontstaat meer privacy voor de beheerder. Wanneer een nieuwe bedrijfswoning wordt gerealiseerd, zal de bedrijfswoning in de boerderij komen te vervallen.

De huidige planologische regeling in het geldend bestemmingsplan sluit onvoldoende aan bij de gewenste ontwikkelingen. Doel van dit plan is om de noodzakelijke ontwikkelruimte te creëren.

1.3 Plangebied

Het plangebied bestaat uit het terrein van het recreatiebedrijf Pean en de ontsluitingsweg naar de Sodumerdyk/Pean. Het plangebied heeft betrekking tot de kadastrale percelen AKM02E6, AKM02E4 en AMK02E7. Daarmee is het plangebied groter dan de recreatieve bestemming zoals die in het bestemmingsplan Buitengebied 2008 was opgenomen. Een belangrijk verschil is dat de ontsluitingsweg vanaf de weg Pean naar het bedrijf bij de recreatieve bestemming is gevoegd. Hierdoor is de ontsluiting ten behoeve van het bedrijf planologisch verzekerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0003.jpg"

Figuur 3. Begrenzing plangebied

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgedeeld in zes hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een planbeschrijving. Hoofdstuk drie geeft een beschrijving van het huidige beleid dat op het plangebied van toepassing is. In hoofdstuk vier wordt verslag gedaan van het onderzoek naar de randvoorwaarden en belemmeringen die vanuit verschillende planologische en milieukundige toetsingskaders gelden. Hoofdstuk vijf bestaat uit een juridische toelichting op het bestemmingsplan en hoofdstuk zes gaat in op zowel de maatschappelijke als de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande planologische situatie

Geldend bestemmingsplan

De gemeente Heerenveen voert voor het plangebied haar ruimtelijk beleid op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008' van de voormalige gemeente Boarnsterhim. Het bedrijf ligt binnen de bestemming 'Recreatie- en horecabedrijven'. Op onderstaand fragment van de plankaart is de begrenzing van de bestemming weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0004.png"

Figuur 4. Fragment uit het geldend bestemmingsplan Buitengebied 2008

  • Binnen het bestemmingsvlak is het zuidelijk deel van het bestemmingsvlak aangeduid als ‘zeilschool’. Binnen deze aanduiding zijn het voeren van een zeilschool, de verhuur van groepsaccommodaties, de verhuur van boten en daaraan ondergeschikte horeca toegestaan.
  • Het noordelijk deel is aangeduid als ‘kampeerterrein’. Binnen deze aanduiding zijn ten hoogste 15 kampeermiddelen en zes stacaravans toegestaan.
  • Op grond van de bestemmingsvoorschriften zijn bij het bedrijf een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen toegestaan. De oppervlakte van de legaal gerealiseerde bebouwing mag binnen de planperiode met maximaal 10% worden vergroot.

Verleende omgevingsvergunningen

Op 6 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders het bedrijf voor het noordelijk deel van de bestemming dat is aangeduid met 'kampeerterrein' via een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met regels RO (artikel 2.1 lid 1c Wabo jo artikel 2.12. lid 1 sub a onder 3 Wabo) toestemming verleend om binnen dat gebied 12 recreatiewoningen te realiseren. Deze 12 recreatiewoningen zijn inmiddels gerealiseerd. Eén en ander betekent dat de functie 'kampeerterrein' feitelijk niet meer kan worden uitgeoefend omdat daarvoor de ruimte ontbreekt.

Op 14 juli 2021 heeft het college voor hetzelfde gebied opnieuw een soortgelijke omgevingsvergunning verleend. Feitelijk is hier sprake van een legalisatievergunning, omdat een aantal van de 12 recreatiewoningen niet helemaal zijn geplaatst op de locaties zoals die uit de inrichtingsschets bij de vergunning van 2018 konden worden afgeleid. Met de nieuwe vergunning zijn de feitelijke plaatsen van de recreatiewoningen correct vergund. Op onderstaand fragment is de definitieve en thans vergunde situatie van de 12 recreatiewoningen weergegeven.

Tegen het verlenen van deze vergunning is beroep ingesteld. Dit beroep loopt nog ten tijde van de voorbereiding van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0005.png"

Figuur 5. Locaties van de 12 recreatiewoningen

2.2 Nieuwe situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0006.jpg" In de nieuwe situatie is het plangebied voorzien van de bestemming 'Recreatie - verblijfsrecreatie', zoals hierboven op een afbeelding van de planverbeelding is te zien. De bestemmingsregeling is gericht op:

  • 1. het beheer van de bestaande situatie voor het noordelijk deel van het terrein waar de 12 recreatiewoningen feitelijk zijn gerealiseerd. In dit plan zijn deze recreatiewoningen en de bijbehorende terrassen ingekaderd door een juridische regeling die de huidige situatie bestendigt. Eventuele aanpassingen van de recreatiewoningen buiten hun huidige contouren zijn binnen dit bestemmingsplan niet mogelijk. Wanneer daaraan behoefte blijkt, zal een eigenstandige planologische procedure moeten worden doorlopen;
  • 2. het beheer van het zuidelijk deel van het terrein, waar de overige activiteiten plaatsvinden zoals de zeilschool en de verhuur van groepsaccommodaties. Het plan voorziet in een regeling waarbij de bestaande situatie is bestemd. Binnen het op de planverbeelding aangegeven bouwvlak wordt via dit plan ruimte geboden voor het zo nodig aanpassen van de bestaande bedrijfsgebouwen;
  • 3. het kunnen realiseren van een nieuwe bedrijfswoning. Er is behoefte aan het realiseren van meer privacy voor de beheerder van het bedrijf. De combinatie van groepsaccommodatie en bedrijfswoning in één gebouw is niet langer wenselijk. Wanneer een nieuwe bedrijfswoning wordt gerealiseerd, verdwijnt de (bedrijfs)woonfunctie uit de boerderij. Het gebouw behoudt dan zijn verblijfsrecreatieve functie;
  • 4. het toevoegen van het erftoegangspad vanaf de verharde openbare weg naar de zeilschool. Nu maakt dit pad deel uit van de agrarische bestemming. Deze bestemming staat strikt genomen de ontsluiting van een zeilschool niet toe.

Om de instandhouding van het landschappelijk beeld te behouden is via de regels en de verbeelding geregeld dat:

  • 1. het iconisch beeld van de boerderij aan de Grêft in stand wordt gehouden. In de stedenbouwkundige opzet van het erf moet de boerderij als dominant hoofdgebouw in beeld blijven, waaraan de overige bebouwing in stedenbouwkundig opzicht ondergeschikt is;
  • 2. een zone van opgaande en afschermende beplanting bestaande uit een inlands sortiment rond het erf moet worden gehandhaafd en worden versterkt op basis van het bij de regels van dit plan bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan;
  • 3. een eventuele nieuwe bedrijfswoning ruimtelijk ondergeschikt wordt ingepast op het erf - de boerderij blijft het belangrijkste gebouw op het erf.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voorliggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan.

Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.

De NOVI komt voort uit de Omgevingswet die naar verwachting in 2024 in werking treedt. De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven.

Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied


De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.


De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst. De NOVI zelf vormt geen direct toetsingskader voor bestemmingsplannen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, dit dient te worden opgenomen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, vastgesteld 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan, nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een motiveringseis. In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat bij ruimtelijke projecten voorzien moet worden in duurzame verstedelijking. In geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en wanneer deze plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.


Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Er is in de wetgeving geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. In een overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking uiteengezet (overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking, gepubliceerd op 28 juni 2017).


Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de Ladder voor duurzame verstedelijking alleen geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit de overzichtsuitspraak wordt duidelijk dat een bestemmingsplan dat voorziet in minder dan 11 woningen niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals deze op basis van het Bro is gedefinieerd. Het planvoornemen voorziet mede in de herbouw van de bedrijfswoning. De grens van 11 woningen wordt daardoor niet overschreden.

Naar aanleiding daarvan kan geconcludeerd worden dat voorliggend bestemmingsplan niet binnen de kaders van de ladder van duurzame verstedelijking ten behoeve van een stedelijke ontwikkeling valt. Nu er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hoeft de Laddertoets niet te worden doorlopen. In het kader van de uitvoerbaarheid van het plan, moet er wel worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 4 gaat hier nader op in.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Fryslân - De romte diele

Op 21 oktober 2020 is de Omgevingsvisie Fryslân vastgesteld. In deze visie wordt het beleid beschreven dat laat zien hoe de provincie dit voor ogen ziet als de Omgevingswet in werking treedt. De Omgevingsvisie Fryslân treedt op 1 januari 2024 in werking op hetzelfde moment waarop de Omgevingswet in werking treedt.

De provincie heeft vier doelstellingen die ze als speerpunt wil hanteren: een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Dat zijn de ambities van de provincie voor de Friese leefomgeving. Met de leefomgeving wordt volgens de provincie bedoeld: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Fryslân is van alle mensen die er werken, wonen of te gast zijn.

In de Omgevingsvisie staat een set inhoudelijke principes die richting geven aan keuzes, plannen en projecten voor de fysieke leefomgeving. De uitkomst wordt door de principes niet vooraf vastgelegd, maar ze geven wel aan wat belangrijk is bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving om ambities en doelen toekomstbestendig te realiseren. Deze principes kunnen volgens de provincie tot verschillende oplossingen in verschillende situaties leiden.

Het planvoornemen beoogt de vaststelling van de huidige situatie en biedt tegelijkertijd beperkte ruimte voor nieuwe ontwikkelingen, zoals een nieuwe bedrijfswoning, betere huisvesting voor personeel en een verbetering van de bedrijfsvoering. Dit sluit aan op het inhoudelijke principe 'Zuinig en meervoudig ruimtegebruik'. Dit principe gaat enerzijds in op de noodzaak van het doelmatig en slim benutten van de Friese ruimte en anderzijds op het tegengaan van de verspilling van ruimte. Bij de locatiekeuze, inrichting en onderbouwing van plannen spelen onder meer de volgende aspecten:

  • de maatschappelijke behoefte aan nieuwe functies, waarbij demografische ontwikkelingen en regionale afstemming van belang zijn;
  • het (intensiever) benutten van wat er al is, zoals bestaande bebouwing en infrastructuur;
  • hergebruik van karakteristieke gebouwen en locaties (Oud voor Goud);
  • de mogelijkheden om functies te combineren (‘meervoudig ruimtegebruik’);
  • de mogelijkheden van tijdelijk ruimtegebruik, met als vertrekpunt dat alles te hergebruiken is (circulariteit in ruimtegebruik).
3.2.2 (Geconsolideerde) Verordening Romte Fryslân 2014

Op 25 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân door de Provinciale staten vastgesteld. Deze verordening betreft een aanpassing van de op 15 juni vastgestelde verordening en is op 16 augustus in werking getreden. Nadat de Omgevingswet op 1 januari 2024 van kracht is geworden, is ook de reeds opgestelde Omgevingsverordening Fryslân van kracht geworden. Daarin wordt in grote lijnen het beleid van de Verordening Romte voortgezet. Op grond van het van toepassing zijnde overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft de Wro van toepassing. Dit omdat het ontwerp van dit bestemmingsplan voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. De Verordening Romte 2014 blijft ook van toepassing op dit plan.

In de thans nog geldende verordening is het provinciaal ruimtelijk beleid vertaald naar regels die bij het opstellen van bestemmingsplannen in acht moeten worden genomen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen het landelijk en stedelijk gebied. Op grond van de provinciale begrenzing ligt het plangebied in het landelijk gebied.

Recreatiewoningen

Op basis van artikel 5.1.3 van de verordening is met de in het verleden verleende omgevingsvergunningen de mogelijkheid gerealiseerd om standplaatsen voor kampeermiddelen die voorheen aanwezig waren, te vervangen door recreatiewoningen. In de huidige situatie zijn 12 recreatiewoningen aanwezig die de voorheen aanwezige standplaatsen van stacaravans en kampeermiddelen, die op het noordelijk deel van het bedrijfserf mochten staan, hebben vervangen. Dit past binnen de Verordening Romte Fryslân 2014.

Mogelijkheid nieuwe bedrijfswoning

Op grond van artikel 1.5.1 kan - in afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid van de verordening - een nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan. Dit in het geval van verplaatsing of vervanging van een aldaar bestaande woning, indien:

  • per saldo het aantal woningen in het landelijk gebied gelijk blijft of afneemt, en
  • in geval van vervanging de bestaande woning wordt gesloopt, en in geval van verplaatsing de locatie van de woning aan de woonbestemming wordt onttrokken, en
  • het oppervlak van de nieuwe woning inclusief de bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300 m², of de maat die het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel hanteert voor bestaande burgerwoningen, dan wel niet meer dan het oppervlak van de bestaande woning inclusief de bestaande bijgebouwen indien dit oppervlak meer bedraagt dan 300 m², en
  • de nieuwe woning qua omvang en uitstraling wordt ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

Dit plan maakt het mogelijk om de huidige bedrijfswoning fysiek los te maken van de boerderij door op een nieuwe locatie binnen het plangebied een nieuwe bedrijfswoning te bouwen. De huidige bedrijfswoning binnen de boerderij komt daarmee te vervallen. Het aantal bedrijfswoningen blijft daardoor per saldo gelijk. Ook zal de oppervlakte van de nieuwe woning met bijgebouwen niet meer dan 300 m2 bedragen. De maatvoering van de woning zal worden afgestemd op de maatvoering die in het omliggend gebied als gebruikelijk wordt toegepast. Daarmee zal de woning passen binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken.

Conclusie

Op basis van het voorgaande is het planvoornemen conform de principes van de Verordening Romte Fryslân 2014.

3.2.3 Vaarwegenverordening Fryslân 2014

De Gedeputeerde Staten van Fryslân hebben op 13 juni 2014 de Vaarwegenverordening Fryslân opgesteld. Het doel van deze verordening is tweeledig:

  • regels stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen;
  • aanvullende regels stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.

Op basis van artikel 3.1 van de Vaarwegenverordening draagt de vaarwegbeheerder zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de in de verordening vastgestelde normen.

Met het oog op een veilig nautisch verkeer is in de verordening bepaald dat langs het vaarwater dat in beheer is bij provincie Fryslân (waaronder de Greft die aansluit op het plangebied) binnen een zone van 10 m zonder ontheffing van de provincie niet mag worden bebouwd.

De beoogde ontwikkelingen 'op de wal' hebben geen invloed op de vaarweg langs het plangebied. De bestaande bebouwingssituatie blijft zoals deze is. Mocht er aanleiding bestaan om de boerderij ter herbouwen, dan zal een deel van de boerderij binnen de hierboven bedoelde zone worden gerealiseerd op de zelfde plaats als de bestaande boerderij. Mogelijk zal de boerderij op iets grotere afstand van het water worden gebouwd, waardoor de boerderij in mindere mate binnen de zone dan wel geheel buiten deze zone zal worden gebouwd. Dit past binnen de Vaarwegenverordening Fryslân 2014. Een nieuwe ontheffing is hiervoor niet noodzakelijk.

De Vaarwegenverordening is door de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet opgegaan in de Provinciale Omgevingsverordening. Op grond van het van toepassing zijnde overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft de Wro van toepassing, nu het ontwerp van dit bestemmingsplan voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd en blijft de Vaarwegenverordening van toepassing op dit plan.

3.2.4 Provinciale milieuverordening Fryslân

In de provinciale milieuverordening Fryslân is bepaald dat een gebied dat vrijwel aansluit bij het plangebied is aangewezen als Stiltegebied. Op grond van de verordening mogen binnen het gebied bepaalde lawaai veroorzakende activiteiten niet plaatsvinden. De aanwijzing tot stiltegebied heeft geen gevolgen voor het gebied buiten het aangewezen gebied (geen externe werking), waardoor er ook geen gevolgen zijn voor het gebruik van het plangebied.

De Provinciale milieuverordening is door de op 1 januari 2024 inwerking getreden Omgevingswet opgegaan in de Provinciale Omgevingsverordening. Op grond van het van toepassing zijnde overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft de Wro van toepassing, nu het ontwerp van dit bestemmingsplan voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd en blijft de Provinciale milieuverordening van toepassing op dit plan.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Heerenveen 2040

De samenleving en leefomgeving veranderen snel. De gemeente Heerenveen vindt het daarom belangrijk om een gezamenlijk richtpunt te hebben en te bepalen wat hun ambities zijn. De Omgevingsvisie Heerenveen 2040 bevat integraal beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving. in de visie staan ambities, kernopgaven en de uitgangspunten van het beleid voor de fysieke leefomgeving. In het kort kan de kern van de visie als volgt worden gekarakteriseerd: "In 2040 is Heerenveen een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente waar het prettig wonen, werken en recreëren is. We hebben ons onderscheidende profiel als (top)sportgemeente verder versterkt en verbreed. We koesteren de landschappelijke kwaliteit en diversiteit, de uitstekende bereikbaarheid en de (regionale) voorzieningen als reden om hier te wonen en te werken. En we zijn in 2040 een flink eind op weg om de gemeente samen met inwoners en bedrijven klimaatbestendig en klimaatneutraal te maken."

De gemeente Heerenveen onderscheidt een viertal kernopgaven tot 2030:

  • 1. Werken aan Heerenveen als (boven)regionaal centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen;
  • 2. Bouwen aan toekomstbestendige woningen;
  • 3. Zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen;
  • 4. Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied

De verschillende kernkwaliteiten, (kern)opgaven en ambities zijn vertaalt naar deelgebieden in de gemeente. Het plangebied valt binnen het deelgebied 'buitengebied'. Binnen het buitengebied is nog een verdeling gemaakt. Het plangebied valt binnen het deelgebied 'Beekdal van de Boorne en de Dracht'.

Recreatiewoningen

In de Omgevingsvisie is aangegeven dat kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In het deelgebied waar het plangebied deel van uitmaakt denkt de gemeente daarbij onder andere aan innovatieve verblijfsrecreatieconcepten. Om het aanbod te blijven vernieuwen en divers te houden, wil de gemeente ruimte bieden voor nieuwe, duurzame en innovatieve concepten. Daarbij wordt gedacht aan vormen van toerisme en recreatie die passend zijn naar aard en schaal en gebaseerd zijn op de beleving en de kwaliteiten van een gebied (bijvoorbeeld bos, openheid of landschap), zonder afbreuk te doen aan deze kwaliteiten.

In de huidige situatie zijn er twaalf recreatiewoningen reeds aanwezig in het plangebied. Met de twee omgevingsvergunningen die in het verleden zijn verleend voor het realiseren van deze recreatiewoningen, is met een landschappelijke inpassing aangetoond dat deze recreatiewoningen gebaseerd zijn op de beleving en kwaliteiten van de omgeving. Dit onderdeel van het planvoornemen past daarom binnen de Omgevingsvisie Heerenveen 2040.

Gastaccommodaties

Eén van de ambities is gericht op het stimuleren van kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen. De gemeente denkt daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, rustpunten, bed & breakfast, water(sport)recreatie, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten. Het planvoornemen is grotendeels gericht op het beheer van de bestaande accommodaties. Dit past binnen de uitgangspunten die de Omgevingsvisie Heerenveen 2040 hanteert.

Verbetering bedrijfssituatie

Voor het buitengebied hanteert de gemeente het volgende uitgangspunt: bij schaalvergroting tot twee hectare is een landschappelijk inpassingsplan vereist.

Met het plan blijft het mogelijk - net als in het geldend bestemmingsplan - om de bestaande bedrijfsgebouwen aan te passen. Het nieuwe plan maakt het middels de flexibiliteitsregeling mogelijk om een nieuwe bedrijfswoning te bouwen. Dit betreft een kleinschalige uitbreiding van het recreatiebedrijf die ruim onder het uitgangspunt van de twee hectare valt. Er hoeft hierdoor geen landschappelijk inpassingsplan te worden opgesteld. Voor de landschappelijke inpassing is bij dit plan echter wel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Tevens past de beoogde verbetering van de bedrijfssituatie binnen de uitgangspunten die de Omgevingsvisie Heerenveen 2040 stelt.

Bedrijfswoning

Dit plan maakt het mogelijk om de huidige bedrijfswoning fysiek los te maken van de boerderij door op een andere locatie binnen het plangebied een nieuwe bedrijfswoning te realiseren. In dat geval vervalt de woonfunctie die in de bestaande situatie in de boerderij zit. Het aantal woningen in het plangebied blijft daardoor per saldo gelijk. Op basis hiervan past het planvoornemen binnen de principes van de Omgevingsvisie.

3.3.2 Leidraad vitale verblijfsaccommodaties

Vanuit het oogpunt dat meer van hetzelfde weinig bijdraagt aan de kwaliteit van het toeristisch-recreatief product van gemeente Heerenveen, heeft de gemeente in 2022 de Leidraad vitale verblijfsaccommodaties opgesteld. Daarin geeft de gemeente de criteria aan de hand waarvan zij eventuele nieuwe logiesaccommodaties zal beoordelen. De leidraad is erop gericht om een grotere diversiteit van accommodaties binnen de gemeente te hebben, waarvan de kwaliteit zo goed is dat deze gedurende het gehele jaar gebruikt kan worden. De leidraad vormt de beoordelingsbasis voor het toevoegen van accommodaties binnen het recreatiebedrijf Pean. Voor Pean geldt dat de accommodaties al gerealiseerd waren voor de inwerkingtreding van de Leidraad.

3.3.3 Bestemmingsplan Partiële herziening Harmonisatie Buitengebied

De gemeenteraad heeft op 27 juni 2024 het bestemmingsplan Partiële herziening Harmonisatie Buitengebied vastgesteld. Daarin zijn verschillende bouwmaten uit de diverse bestemmingsplannen op elkaar afgestemd die voor het buitengebied van gemeente Heerenveen golden. Daarbij gaat het onder meer om de bouwmaten voor bedrijfswoningen. De inhoud van dit plan is afgestemd op de partiële herziening.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Bodem

De Wet bodembeheer verplicht initiatiefnemers zich ervan te overtuigen dat het gebruik van een locatie past bij de kwaliteit van de bodem. In dat verband is het noodzakelijk om bij bouwactiviteiten een bodemkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Voor het planologisch spoor is het voldoende om een beeld van de bodemkwaliteit te kunnen geven, meestal zonder dat feitelijk veldonderzoek plaatsvindt wanneer het historisch gebruik daarvoor geen aanleiding geeft.

In dat verband is het Bodemloket geraadpleegd (6). Daarin zijn alle bij de beheerder van de website bekende bodem- en saneringsonderzoeken en door het bevoegd gezag (inclusief Provincie Fryslân) aangemelde onderzoeken verwerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0007.png"

Figuur 6. uitsnede bodemloket.nl

Uit het fragment afkomstig uit het Bodemloket blijkt dat er op delen van het plangebied in het verleden bodemonderzoek is uitgevoerd, maar dat dat niet heeft geleid tot een noodzaak tot verder onderzoek of sanering. Van het terreindeel waar in de huidige situatie twaalf recreatiewoningen aanwezig zijn, is de bodemkwaliteit voldoende onderzocht.

Bodemonderzoek

Dit plan voorziet in een mogelijkheid om een nieuwe bedrijfswoning te realiseren. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de bodem van de beoogde locatie niet geschikt zou zijn voor wonen in een bedrijfswoning. Om hierover duidelijkheid te krijgen is de locatie door middel van een milieukundig bodemonderzoek beoordeeld. Dat onderzoek is tevens ter plaatse van een eerder gedempte sloot uitgevoerd om de kwaliteit van de bodem daarvan te beoordelen. Uit het onderzoek (zie bijlage 1) blijkt het volgende:

  • tijdens de veldwerkzaamheden zijn plaatselijk zwakke bijmengingen met baksteen en/of slib waargenomen in de boven- en ondergrond. Ter hoogte van de geplande nieuwbouw is een verhardingslaag bestaande uit asfalt- en/of puingranulaat waargenomen;
  • in de onderzochte watergang is een sliblaag waargenomen waarvan de dikte varieert tussen de 10 en 25 centimeter. In de sliblaag en de vaste waterbodem zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen;
  • uit de analyseresultaten komt naar voren dat in de mengmonsters van de boven- en ondergrond ter hoogte van de gedempte watergang licht verhoogde gehalten aan molybdeen zijn aangetoond. In het mengmonster van de diepere ondergrond ter hoogte van de gedempte watergang en de mengmonsters van de boven- en ondergrond ter hoogte van de geplande nieuwbouw zijn de onderzochte parameters niet aangetoond in gehalten die de achtergrondwaarde overschrijden;
  • indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit volgt dat het mengmonster van de klei ondergrond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ''Wonen'' op basis van het gemeten gehalte aan molybdeen. De overige mengmonsters van de boven- en (diepere) ondergrond voldoen indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse ''Altijd toepasbaar'';
  • in het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium (van nature verhoogd) en/of xylenen gemeten. De overige onderzochte parameters zijn niet aangetoond in concentraties die de streefwaarde overschrijden;
  • in het onderzochte mengmonster van het puingranulaat ter hoogte van de geplande nieuwebouw is geen asbest aangetoond;
  • uit de analyseresultaten van het mengmonster van de aanwezige sliblaag is een licht verhoogd gehalte aan molybdeen aangetoond. De sliblaag is altijd toepasbaar op de landbodem en in oppervlaktewater. Uit de analyseresultaten volgt dat de sliblaag verspreidbaar is op aangrenzende percelen.

Op grond van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een (water)bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek en/of sanerende maatregelen.

Ter bepaling van de veiligheidsklasse zijn de gemeten waarden tevens getoetst aan de CROW400. Uit deze toetsing blijkt dat er bij graafwerkzaamheden ter hoogte van de onderzochte terreindelen en waterbodem, naast de basishygiëne, geen veiligheidsklasse van toepassing is.

Bij de nog aan te vragen omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning zal (nogmaals) via een bodemonderzoek moeten worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de functie wonen.

Conclusie

Het planvoornemen kan voor het aspect bodem uitvoerbaar worden geacht.

4.2 Water

Wettelijk kader

Op grond van de Bro (artikel 3.1.6) dient een waterparagraaf te worden opgenomen in de toelichting van ruimtelijke plannen. Hierin wordt beschreven op welke manier rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishoudkundige situatie. Het is een schriftelijke weergave van de zogenoemde watertoets. De watertoets heeft als doel om de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en evenwichtig in beschouwing te nemen bij alle waterhuishoudkundig relevante besluiten en ruimtelijke plannen. Het voorliggend plangebied valt binnen het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.

Toetsingskader op basis van de Keur van Wetterskip Fryslân

Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels.

Verder bepaalt de Keur dat de kade langs de Grêft als regionale kering in stand moet blijven en dat die zonder toestemming van Wetterskip Fryslân niets mag worden gewijzigd dat de waterkerende functie in gevaar kan brengen.

Toetsing

Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om een nieuwe bedrijfswoning te realiseren. Daarvoor is een bouwvlak in de verbeelding opgenomen. In de regels is bepaald dat de bedrijfswoning een oppervlakte van ten hoogste 150 m2 mag hebben. Verder biedt het plan de mogelijkheid om 'bij recht' de bedrijfsgebouwen te vergroten met in totaal ten hoogste 150 m2. Op grond van de compensatieregels van het Wetterskip zou deze extra oppervlakte bebouwing van ten hoogste 300 m2 moeten worden gecompenseerd in de vorm van oppervlaktewater. Op grond van de Keur is er geen noodzaak om het verlies aan infiltrerend vermogen van de bodem te compenseren.

Vanwege de vrij drassige situatie op de zuidzijde van het erf zal desalniettemin nabij de daar aangeplante erfbeplanting een greppel worden gerealiseerd. Hoewel op grond van de Keur van het Wetterskip niet verplicht, draagt deze greppel wel bij aan de compensatie van het verlies aan infiltratievermogen van de bodem.

Het plan bepaalt via een daarvoor opgenomen bestemming dat de regionale waterkering in stand moet blijven; er mag niet in worden gegraven, opgehoogd of verhard noch mag er - zonder toestemming van het Wetterskip - worden gebouwd.

Individuele Behandeling Afvalwater
Voor de behandeling van afvalwater is een nieuwe IBA geplaatst. Hemelwater zal op de reguliere wijze worden afgevoerd.

Wateradvies

Wetterskip Fryslân heeft in haar wateradvies (zie bijlage 3) aangegeven dat zij kan instemmen met het plan en ook vaststelt dat er geen sprake is van een noodzaak tot compensatie. Het Wetterskip geeft verder het advies om rekening te houden met een oppervlaktewaterpeil van NAP - 0,06 m ter plaatse van de locatie voor het realiseren van de nieuwe bedrijfswoning (NB. Wetterskip schrijft -00,6 m, maar in een telefoongesprek is deze typefout opgemerkt en verzocht om deze in de toelichting te corrigeren).

Conclusie

Omdat de compensatieverplichting in het landelijk gebied geldt vanaf 1500 m2, is er geen aanleiding voor watercompensatie. Omdat in het plan regels zijn opgenomen ten behoeve van de instandhouding van de regionale waterkering is voldaan aan de vereisten in de Keur van Wetterskip Fryslân. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet beperkt door het oppervlaktewaterbelang.

4.3 Bedrijfshinder

In het kader van dit bestemmingsplan is beoordeeld of de activiteiten van het bedrijf niet hinderlijk zijn voor de omgeving én andersom is er gekeken naar de beperkingen die de omgeving zou kunnen opleveren voor de activiteiten binnen het plangebied. Daarbij is zowel een beoordeling van de bedrijfshinder uitgevoerd op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering als op basis van een op het bedrijf gericht geluidsonderzoek. In deze paragraaf zijn beide benaderingswijzen uitgewerkt, waarna aan het eind een conclusie is getrokken.

4.3.1 Beoordeling op basis van 'Bedrijven en milieuzonering'

Toetsingskader

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is het waarborgen van voldoende afstand noodzakelijk tussen hinderveroorzakende functies zoals bedrijven en voorzieningen, en hindergevoelige functies zoals woningen. Bij de beoordeling van de ruimtelijk-functionele afstemming hiervan kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten in gebieden met functiescheiding (omgevingstype 1: rustige woonwijk, dan wel rustig buitengebied). De grootst aangegeven afstand is bepalend.

Als aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan, is voor het aspect bedrijfshinder in de regel sprake van een goede ruimtelijke ordening. De genoemde maten zijn evenwel richtinggevend en met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. De richtafstanden zijn overigens niet alleen gekoppeld aan de milieucategorie van een te beoordelen bedrijf/voorziening maar ook aan de karakterisering van de omgeving. Zo kan in geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging in plaats van functiescheiding, worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Hiertoe kan de minimale richtafstand met één afstandsstap worden verkleind.


Het geldend bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die in de verschillende op de verbeelding aangegeven bestemmingen zijn toegelaten. Een studie hiernaar vormt een goede toetsing van het aspect bedrijven- en milieuhinder.

Toetsing

Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van het dorp Nes. In de directe omgeving zijn voornamelijk woon- en agrarische functies aanwezig, met name in de vorm van (woon)boerderijen. Verder zijn er enkele recreatiewoningen aanwezig. De geringe variatie in het aantal functies ten opzichte van elkaar maakt dat de omgeving van het plangebied aangemerkt kan worden als 'rustig buitengebied'.

Externe werking

Bij externe werking gaat het met name om de vraag of het planvoornemen leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Het geheel van het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een nieuwe milieubelastende functie. Het bedrijf behoudt haar functie als recreatiebedrijf, waarbij dit bestemmingsplan onder meer een nieuwe bedrijfswoning en de realisatie van een geringe oppervlakte van extra bedrijfsruimte mogelijk maakt. Verder voorziet het bestemmingsplan in de legalisatie van verschillende in de loop van de tijd gerealiseerde bouwwerken. Het plan zorgt niet voor belemmering voor bedrijven uit de omgeving. Daarnaast zorgt zowel de mogelijkheid om een nieuwe bedrijfswoning te bouwen op een andere plek in het plangebied niet voor een nieuwe milieubelastende functie. Er is hierdoor geen sprake van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Ook leidt de realisatie van het plan niet tot hinder voor bedrijven uit de omgeving.

Interne werking

Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval wordt het mogelijk gemaakt om één milieugevoelige functie (de bedrijfswoning) te verplaatsen. In de direct omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die invloed hebben op het plangebied. Hierdoor ondervindt de beoogde woonfunctie geen hinder van bestaande functies in de omgeving.

4.3.2 Beoordeling aan de hand van geluidsonderzoeken

Specifieke geluidsituatie bij feesten

Met het oog op het beoordelen van de specifieke geluidsituatie in het geval van feesten die beperkt op het bedrijf worden gehouden door gasten van de groepsaccommodaties, is besloten om een geluidsonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek - uitgevoerd door de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing FUMO - is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.

Het doel van dit onderzoek was om voor het bedrijf te bepalen:

  • wat het maximale muziekgeluidniveau binnen in de twee groepsaccommodaties mag zijn zonder dat geluidgevoelige functies in de omgeving daarvan last hebben;
  • of de combinatie van hard muziekgeluid in de groepsaccommodaties én versterkte spraak nabij het water tot hinder voor geluidgevoelige functies zou leiden.

Het onderzoek is worst-case uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van een geluidsmodel dat specifiek is opgebouwd voor de bedrijfssituatie.

Toetsingskader

Conform het huidige tijdelijke deel van rechtswege van het Omgevingsplan van de gemeente Heerenveen artikel 22.63.1 mag het langtijdgemiddeld geluidniveau van de activiteiten van Pean ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen maximaal 50 dB(A) in de dag-, 45 dB(A) in de avond- en 40 dB(A) in de nachtperiode zijn. Wanneer ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen muziekgeluid herkenbaar is moet een correctie van 10 dB toegepast worden. Aangezien in deze situatie niet met zekerheid gezegd kan worden of muziekgeluid herkenbaar zal zijn, is voor de veiligheid rekening gehouden met de herkenbaarheid van het geluid als muziekgeluid. In de praktijk betekent dit dat Pean moet voldoen aan 40 dB(A) in de dag-, 35 dB(A) in de avond- en 30 dB(A) in de nachtperiode.

Om rekening te houden met een goede ruimtelijke inpassing zou een lagere geluiduitstraling wenselijk kunnen zijn vanwege het landelijk karakter van de omgeving. Een passende normering daarbij is 40 dB(A) in de dag-, 35 dB(A) in de avond- en 30 dB(A) in de nachtperiode. Dit komt overeen met het toetsingskader, inclusief muziektoeslag in het Omgevingsplan. Indien aan deze waarden wordt voldaan is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Toetsing

Uit de berekeningen blijkt dat de woning op het adres Birstum 10 de maatgevende reguliere woning is en dat er een geluidniveau optreedt van 27 dB(A). Ter plaatse van de maatgevende recreatiewoning Pean 9 bedraagt de geluidbelasting eveneens 27 dB(A). Dit zijn de immissieniveaus zonder toepassing van muziektoeslag. Beide locaties ondervinden een geluidniveau lager dan 30 dB(A) in de nachtperiode.

Of muziek ter plaatse van de beoordelingspunten waarneembaar is, is mede afhankelijk van het omgevingsgeluid. Gezien de omgeving, gelegen aan de rand van Peanster Ee en Wijde Ee, zal het omgevingsgeluid, door aanwezige wind, al snel meer bedragen dan de berekende 27 dB(A). Het toepassen van de muziektoeslag is als worst-case aan te merken. Op basis van ervaring kan worden gesteld dat bij niveaus onder 30 dB(A) de herkenbaarheid van muziek vaak niet meer aan de orde is.

Met de berekende geluidniveaus aan de buitenzijde van de gevels van 27 dB(A), is ook het regulier toelaatbare binnenniveau van 25 dB(A) zeer zeker gewaarborgd.

Stemgeluid en indirecte hinder (autoverkeer)

Aanvullend op het onderzoek van FUMO heeft Antea ook de effecten van stemgeluid en indirecte hinder van (vertrekkend) autoverkeer inzichtelijk gemaakt. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting.

Toetsingskader
Vanwege de mogelijkheid dat het geluid ter plaatse van de omgeving een muziekkarakter heeft, geldt een strengere geluidnorm dan gebruikelijk (artikel 2.18, lid 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en toeslag voor muziekgeluid). De geluidnormen uit het Activiteitenbesluit en conform de gebiedstyperingen in het kader van de Wro zijn voor de dagperiode (07:00-19:00 uur) 50 dB(A), de avondperiode (19:00 – 23:00 uur) 45 dB(A) en de nachtperiode (23:00-07:00 uur) 40 dB(A). Vanwege de toe te passen toeslag voor muziekgeluid zal het toetsingskader 10 dB strenger worden.


Onversterkt menselijk stemgeluid wordt in het kader van het Activiteitenbesluit niet beoordeeld, maar zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld in combinatie met muziek.

Toetsing
De FUMO heeft vastgesteld dat de geluidbelasting tijdens de maatgevende nachtperiode ten hoogste 27 dB(A) bedraagt op de toetspunten van Pean 9, Pean 3 en Birstum 10 als gevolg van muziekuitstraling. Om te voorkomen dat de toetswaarde van 30 dB(A) (= 40 dB(A) -10 dB(A)) voor de nachtperiode worden overschreden, mag de geluidbelasting door terrasgeluid niet meer dan 27 dB(A) bedragen op deze locaties.


Uit de rekenresultaten blijkt dat geluidbijdrage van terrasgeluid ten hoogste 23 dB(A) op Pean 9, 22dB(A) op Pean 3 en 22 dB(A) op Birstum 10 bedraagt. Dit zou betekenen dat de totale geluidbijdrage van muziekgeluid en terrasgeluid ca. 28 dB(A) zal bedragen, waarmee de toetswaarde van 30 dB(A) voor de nachtperiode niet wordt overschreden.


De indirecte geluidhinder door verkeer resulteert in een geluidsbijdrage van maximaal 37 dB(A) tijdens de nachtperiode bij het gebouw Pean 3. Dit ligt onder de voorkeursgrenswaarde van 40 dB(A). In het rekenmodel is als uitgangspunt gekozen dat alle voertuigen langs Pean 3 rijden. Dit scenario is als worstcasebenadering genomen, aangezien auto's ook in de andere richting kunnen rijden en het verkeer zo verdeeld zou kunnen worden. Andere gebouwen in de omgeving bevinden zich op vergelijkbare afstand tot de weg als Pean 3 en zullen daardoor geen significant hogere geluiddruk ervaren door indirecte hinder, met name niet tot een hoogte van 40 dB(A).

Aanvullend

Festiviteiten en vergelijkbare activiteiten duren in het weekend in zijn algemeenheid nooit langer dan 01.00 en doordeweeks nooit langer dan 00.00 uur. De Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) van Heerenveen kent voor de horeca in het buitengebied geen sluitingstijden. Voor de rechtszekerheid richting omwonenden zijn daarom sluitingstijden bepaald. De sluitingstijden van de horeca op vrijdag- en zaterdagnacht zijn bepaald op 02.00 en doordeweeks op 01.00 uur.

4.3.3 Conclusie

Uit de beoordeling aan de hand van de VNG-uitgifte Bedrijven en milieuzonering en de door FUMO en Antea uitgevoerde geluidsonderzoeken blijkt dat er geen sprake is van een onaanvaardbare (geluids)overlast van het bedrijf op de omgeving als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. versterkte muziek uitsluitend binnen de gebouwen voor groepsaccommodatie (Jister en Berch) mag worden toegepast en dat in dat geval ramen en deuren gesloten moeten blijven;
  • b. Het geluid op de gevels van Pean 3, Pean 7, Pean 9 en Birstum 10 niet meer mag bedragen dan 40 dB(A) in de dag-, 35 dB(A) in de avond-, en 30 dB(A) in de nachtperiode;
  • c. De horeca doordeweeks om uiterlijk 00.00 uur sluit en in het weekend om uiterlijk 02.00 uur sluit.

Daarmee kan worden geconcludeerd dat de bedrijfshinderaspecten geen beperking vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4 Ecologie

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Toetsingskader
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. In deze wet is zowel de bescherming van de flora- en faunasoorten vastgelegd, evenals de bescherming van specifieke natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). De Wnb heeft onder andere de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen, waarin voorheen respectievelijk de soortenbescherming en de gebiedsbescherming was geregeld. Naast de Wnb zijn ook de provinciale structuurvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS, Ecologisch Hoofdstructuur) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig.

De Wnb is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet vormt voor dit plan geen toetsingskader.

Onderzoek

Actualiteit van het onderzoek

Met het oog op het in beeld brengen van de natuurwaarden die bij eventuele activiteiten op basis van dit bestemmingsplan in strijd met wet en regelgeving verloren kunnen gaan, heeft BügelHajema Adviseurs onderzoek uitgevoerd (zie ook bijlage 6 en bijlage 8), waarbij zowel op de soortenbescherming als de gebiedsbescherming is ingegaan.

Met het oog op het verlopen van de termijn van twee jaar, waarbinnen dergelijk onderzoek haar geldigheid behoudt, heeft BügelHajema Adviseurs nagegaan of de conclusies uit het eerder uitgevoerde onderzoeken nog steeds correct zijn. Dat heeft geleid tot twee oplegnotities waarin de actualiteit van het eerder opgestelde natuurwaardenrapport is beoordeeld. Deze oplegnotities zijn als bijlage 7 en 9 bij deze toelichting opgenomen.

Bovendien is het stikstofonderzoek geactualiseerd . Dit is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen.

Uit het uitgevoerd onderzoek blijkt dat de conclusies, zoals die eerder in het ontwerpbestemmingsplan zijn opgenomen, beperkt zijn gewijzigd.

Reikwijdte van het natuurwaardenonderzoek

Het natuurwaardenderzoek is gericht geweest op het beoordelen van de gevolgen voor de op basis van wet- en regelgeving beschermde natuurwaarden als gevolg van:

  • de bouw van een nieuwe bedrijfswoning;
  • het planologisch beheer van het plangebied;
  • de bouw van de 12 recreatiewoningen.

De 12 recreatiewoningen zijn inmiddels gerealiseerd en worden ten behoeve van de verblijfsrecreatie gebruikt. In dit bestemmingsplan is op verschillende plaatsen voor de zorgvuldigheid aangenomen dat de bouw van deze recreatiewoningen als nieuwe ontwikkeling moet worden beschouwd. Dit omdat de omgevingsvergunning voor de realisatie van de recreatiewoningen wel in werking is getreden, maar nog niet onherroepelijk is. In het kader van het natuurwaardenonderzoek dat in de oplegnotitie (bijlage 9) is gerapporteerd, is van deze inmiddels bestaande situatie uitgegaan. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met regels RO (14 juli 2021) is de beoordeling van de ecologische aanvaardbaarheid van de 12 recreatiewoningen reeds onderbouwd. In de genoemde oplegnotitie is met name gekeken naar het beheer van het gebied met de 12 recreatiewoningen, zoals dat nu bestaat.

Soortenbescherming

Bedrijfswoning:

Uit het natuurwaardenonderzoek (bijlage 6 en 7 ) blijkt dat wanneer de bedrijfswoning op de daarvoor in het plan aangewezen locatie wordt gerealiseerd, deze locatie en de directe omgeving mogelijk minder geschikt wordt als foerageergebied voor de te verwachten vogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen. De beoogde locatie van het nieuwe woonhuis is maar een klein onderdeel van het foerageergebied. Op de overige delen van het terrein is voldoende alternatief en hoogwaardig foerageergebied voor de te verwachten soorten aanwezig. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate hoogwaardig foerageergebied voorhanden.

Een negatief effect door verlies van foerageergebied op vogels met jaarrond beschermde nesten of vleermuizen treedt niet op.

Beheer van het gehele plangebied:

  • De watergang Grêft ten westen van het terrein is mogelijk onderdeel van een vliegroute van vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen door verstoring van de vliegroute door lichtuitstraling kunnen worden voorkomen door enkele aanvullende maatregelen. Dit betreft ten eerste geen bouwwerkzaamheden verrichten in de schemering of in de nacht. Verstoring van de vliegroute kan worden voorkomen door zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen verlichting in te zetten die tijdens de periode tussen zonsondergang en zonsopgang directe lichtuitstraling op de watergang veroorzaakt. Dit is geborgd in de regels van dit plan.
  • Wanneer gevels of daken van de uit baksteen en dakpannen opgetrokken bedrijfsgebouwen geheel of gedeeltelijk zouden worden aangepast, gaan mogelijk jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen, nesten van boerenzwaluw of huiszwaluw verloren. Als deze werkzaamheden plaatsvinden is daarom voorafgaand nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen nodig en naar de aanwezigheid van boerenzwaluw, huiszwaluw. Op basis van het nader onderzoek moet vervolgens worden bepaald of een ontheffing nodig is.
  • Indien er sprake is van het verwijderen van beplanting (zoals door kappen) of slopen van gebouwen, dan moet nader onderzoek naar de aanwezigheid bunzing, hermelijn en wezel plaatsvinden. Op basis van het nader onderzoek moet vervolgens worden bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is.
  • Het vernietigen of verstoren van in gebruik zijnde nesten van (algemene) vogelsoorten is bij wet verboden. Dit kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De meeste vogels broeden tussen half maart en half juli.
  • Als gevolg van de mogelijke ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht.
  • Voor de overige soorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd. Negatieve effecten op overige broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.
  • Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.
  • Voor andere beschermde soorten of rodelijstsoorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden de algemene zorgplichten in acht wordt genomen. Dit kan door ten minste één week voorafgaand aan grondwerkzaamheden het gras kort te maaien. Op die manier hebben amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten voldoende tijd zich te verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden: Het plangebied ligt op relatief grote afstand (3,1 km) van het Natura 2000-gebied 'Alde Feanen'. Hierdoor zijn in potentie alleen effecten mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen, water en agrarisch gebied.

Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.

Als gevolg van bouwactiviteiten en gewijzigd gebruik van het plangebied kan sprake zijn van een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebied (zoals de Alde Feanen) van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Deze mogelijke depositie is onderzocht (zie bijlage 10). Dit stikstofdepositie-onderzoek is gericht geweest op het volgende:

  • Het plan biedt de mogelijkheid voor het realiseren van een bedrijfswoning.
  • Het plan maakt ook aanpassingen aan de bedrijfsgebouwen en het daarmee te wijzigen gebruik mogelijk.
  • Eerder is een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met regels RO (14 juli 2021) verleend waarin de bouw van 12 recreatiewoningen werd mogelijk gemaakt. Omdat niet geheel zeker is of deze vergunning in stand blijft, is gemeend om de bouw van deze recreatiewoningen als nieuwe ontwikkeling te beoordelen.
  • Als gevolg van de bouw van de 12 recreatiewoningen is er sprake van een gewijzigd gebruik.

Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie als gevolg van de uitvoering van dit plan.

Weidevogelkansgebied: Het plangebied ligt binnen een weidevogelkansgebied. Nieuwe planologische ontwikkelingen die verstorend werken op de rust en openheid van het gebied zijn daarom niet toegestaan.

De locaties voor de nieuwe bedrijfswoning en de 12 recreatiewoningen liggen achter een aantal bomenrijen. Hierdoor wordt het terrein in de huidige situatie al afgeschermd van het weidevogelleefgebied. Daarnaast is de verstoringsafstand van opgaande begroeiing 200 m. Door het toevoegen van een woning en 12 recreatiewoningen (ook met een verstoringsafstand van 200 m) binnen de huidige bomenrijen zal geen sprake zijn van een toenemend verstorend effect op het weidevogelkansgebied.

NNN-gebied: Het plangebied ligt nabij, maar net buiten NNN-water en NNN-overig gebied. In Fryslân kent het NNN beperkte externe werking. Met de uitvoering van de plannen gaat geen NNN verloren, waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten. De bouw van een nieuwe bedrijfswoning en 12 recreatiewoningen leiden niet tot een extra verstorend (extern) effect op NNN-gebied.

Beschermde houtopstanden: De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 1.000 m2 en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom. In het kader van de bouw van 12 recreatiewoningen zijn meerdere bomen verwijderd. Hiervoor is door het bevoegd gezag een vergunning verleend, waarin de compensatieverplichting van het verlies aan bomen is opgenomen. Aan deze compensatieverplichting is inmiddels inhoud gegeven door op het eigen terrein de herplant te realiseren.

Conclusie

Op grond van het uitgevoerd onderzoek blijkt dat het plan niet wordt beperkt door op grond van wet- en regelgeving beschermde natuurwaarden.

Wanneer aanpassingen plaatsvinden aan de uit baksteen en dakpannen opgetrokken bedrijfsgebouwen waarbij (delen van) buitenmuren of daken worden aangepakt, dan is aanvullend onderzoek naar huismus en vleermuissoorten noodzakelijk. Zo nodig zal dan een ontheffing of vergunning van de Wet natuurbescherming van het bevoegde gezag moeten worden verkregen en zal aan de daarin opgenomen voorwaarden moeten worden voldaan. Gezien de verwachte soorten mag in dat geval een ontheffing of vergunning verleenbaar worden geacht.

Op grond van het bovenstaande leidt het aspect ecologie niet tot een beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5 Erfgoed

4.5.1 Archeologie

De potentieel archeologische waarde van een gebied is in Fryslân vastgelegd op de provinciale FAMKE. Op de FAMKE zijn voor het provinciaal grondgebied bekende en te verwachten archeologische waarden aangegeven. Ook worden hierbij onderzoeksperiodes aangegeven: de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen.

Toetsing

  • Voor de periode steentijd-bronstijd adviseert de Provincie Fryslân om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De beoogde ontwikkeling valt onder de oppervlakte van 5.000 m2 die de FAMKE hanteert. Karterend onderzoek ten behoeve van de periode steentijd-bronstijd kan daarom worden uitgesloten.
  • Voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen beveelt de Provincie Fryslân aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. In deze gebieden kunnen zich namelijk archeologische resten bevinden uit de periode IJzertijd-Middeleeuwen.

Het plan maakt een nieuwe bedrijfswoning van ten hoogste 150 m2 mogelijk. Als gevolg daarvan kan een oppervlakte van minder dan 5000 m2 respectievelijk 500 m2 worden gebouwd. Er is dan ook geen aanleiding voor archeologisch onderzoek, noch voor verdere archeologische bescherming. Provincie Fryslân heeft in haar reactie op de verwerking van de door haar ingediende zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan aangegeven in te kunnen stemmen met deze onderbouwing.

Wel is er aanleiding om een beschermende dubbelbestemming op het erf te leggen, op basis waarvan de archeologische bescherming intact blijft. Daarom is in de regels bepaald dat wanneer een of meerdere bouwplannen voor locaties die niet eerder zijn bebouwd afzonderlijk of in cumulatie de oppervlakte van 500 m2 overtreffen, alsnog archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de uitvoerbaarheid van het plan niet wordt beperkt door het verlies aan logische waarden.

4.5.2 Cultuurhistorie

Voor het aspect cultuurhistorie is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geraadpleegd om de aanwezigheid van belangwekkende cultuurhistorische elementen en objecten aan te kunnen tonen. Uit de uitsnede van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân op Figuur 7 blijkt dat het plangebied voor een groot deel onderdeel uitmaakt van een boerderijplaats. Ook is te zien dat de erftoegangsweg die door het plangebied loopt, onderdeel uitmaakt van een inventarisatie van de Provinciale Planologische Dienst uit 1979.

afbeelding "i_NL.IMRO.0074.Pean1Nes-VG01_0008.png"

Figuur 7. uitsnede CHK2

Het planvoornemen heeft geen invloed op de bestaande ontsluiting; deze blijft dezelfde als nu. Daarnaast is in dit bestemmingsplan een mogelijkheid opgenomen om de bestaande boerderij op te knappen, te verbouwen, opnieuw in te richten of te vervangen voor een nieuwe boerderij. Het is in ieder van deze gevallen nadrukkelijk de bedoeling om het iconische beeld van de stelp aan het water van de Grêft met de huidige bouwmaten te behouden. De karakteristieke uitstraling van de boerderijplaats zal hierdoor niet verloren gaan.

Conclusie

Het planvoornemen kan voor wat het aspect cultuurhistorie betreft, uitvoerbaar worden geacht.

4.6 Externe veiligheid

De overheid heeft in voorgaande jaren veiligheidsnormen vastgesteld die moeten worden genomen en waarmee op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat afwegingen ten aanzien van risico's op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moet worden gemaakt en niet impliciet blijven plaatsvinden.

Onderzoek

In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is er een zogeheten risicokaart gecreëerd. Op deze kaart is onder meer informatie met betrekking tot risico's van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of er bij het planvoornemen sprake is van risico's ten behoeve van externe veiligheid, is de risicokaart geraadpleegd. Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat zich nabij het projectgebied geen risicobronnen, zoals gastransportleidingen, LPG-opslagtanks e.d. of gevaarcontouren rond dergelijke objecten bevinden, die tot een gevaar kunnen leiden waardoor het project niet uitvoerbaar zou zijn. Bovendien zorgt het plan niet voor de totstandkoming van een risicobron. Tevens maakt het planvoornemen geen transport van gevaarlijke stoffen die tot risico's kunnen leiden mogelijk.

Conclusie

Het planvoornemen is wat het aspect externe veiligheid betreft uitvoerbaar.

4.7 Verkeer en parkeren

Effecten op het wegverkeer
Het verkeer van en naar het plangebied vindt vooral per personenauto en soms per touringcar plaats. Per auto kan het bedrijf worden bereikt vanaf Akkrum-Nes en vanaf De Veenhoop-Aldeboarn via de ontsluitingsweg 'Pean'. In deze paragraaf is een beeld geschetst van het extra verkeer op de ontsluitingsweg dat ontstaat in de nieuwe situatie (dus na vaststelling van dit bestemmingsplan). Op basis daarvan kan een oordeel worden gegeven over de vraag of er sprake is van een extra belasting van de ontsluitingsweg die als onevenredig moet worden beoordeeld. Om tot een goed beeld te komen is eerst ingegaan op de vraag wat als bestaand moet worden beschouwd en wat op basis van dit plan de nieuwe situatie kan worden beoordeeld.

Bestaande fysieke situatie ten opzichte van de nieuwe situatie

In de bestaande situatie (op basis van het bestemmingsplan Buitengebied 2008 dat eerder door de raad van de voormalige gemeente Boarnsterhim is vastgesteld) was sprake van een zeilschool annex groepsaccommodatie (in de huidige situatie geschikt voor in totaal 118 gasten) met bedrijfswoning en botenverhuur met kampeerterrein voor zes stacaravans (die eigendom waren van particulieren en niet verder werden verhuurd) en 15 kampeerplaatsen. De stacaravans en kampeerplaatsen mochten jaarrond worden gebruikt.

In de nieuwe situatie zijn de zes stacaravans en de 15 kampeerplaatsen verdwenen. Daarvoor in de plaats zijn twee stacaravans in gebruik genomen als verblijfsaccommodatie voor de zeilinstructeurs en zijn 12 recreatiewoningen gerealiseerd die ook jaarrond mogen worden gebruikt.

Op basis van een door de gemeente Heerenveen verleende omgevingsvergunning zijn inmiddels 12 recreatiewoningen gerealiseerd. Hoewel de 12 recreatiewoningen inmiddels zijn gebouwd en als bestaand kunnen worden beoordeeld, is de procedure voor het verlenen van de daarvoor noodzakelijke omgevingsvergunning nog niet afgerond; het besluit ligt in het kader van een ingesteld hoger beroep voor bij de ABRvS. Bij de beoordeling van het verkeer (en het parkeren) is er van uitgaan dat de 12 recreatiewoningen nog niet zijn gerealiseerd.

Verschil tussen de nieuwe verkeerssituatie ten opzichte van de bestaande verkeerssituatie

Bij de beoordeling van de wijziging van het kamperen in zes stacaravans en het gebruik van 15 kampeerplaatsen naar 12 recreatiewoningen is het verkeer als volgt beoordeeld:

  • De verkeersgeneratie van een stacaravan en van een recreatiewoning zullen niet wezenlijk van elkaar verschillen. De capaciteit aan bedden in de recreatiewoningen is afgestemd op gezinnen. Het verschil zit in de kwaliteit van het onderkomen, niet zozeer in het gebruik.
  • Kampeerplaatsen en recreatiewoningen zullen onderling qua verkeersgeneratie niet belangrijk van elkaar verschillen. Ook hier geldt dat een kampeerplaats op dezelfde manier wordt gebruikt als een recreatiewoning en zit het verschil in de kwaliteit van het onderkomen.
  • Omdat het niet ongebruikelijk is dat recreatiewoningen door vriendengroepen worden gebruikt, kan er worst case rekening worden gehouden dat vriendengroepen gebruik maken van twee auto's. Daarmee verschilt het van het gebruik van de stacaravans en de kampeerplaatsen, omdat het gebruik daarvan door vriendengroepen wat minder gebruikelijk is. Eén auto per stacaravan of kampeerplaats is hier een veilige aanname.

Op basis van het bovenstaande kan de conclusie worden getrokken dat het gebruik van de 12 recreatiewoningen in de nieuwe situatie worst case tot 24 auto's leidt, terwijl het gebruik van de zes stacaravans en de 15 kampeerplaatsen worst case tot 6 + 15 = 21 auto's leidt. De toename bedraagt drie auto's en de bijbehorende autoritten. In deze berekening is ervan uitgegaan dat het aantal ritten van auto's van gebruikers van een kampeerplaats of van een recreatiewoning gelijk zal zijn. Feitelijk gaat het dus om de extra ritten van drie extra auto's. Uitgaande van twee uitstapjes per dag zou dit tot 12 extra autoritten per dag kunnen leiden.

Het hergebruik van twee stacaravans als onderkomen voor het personeel leidt niet tot extra verkeer. Dit personeel werd ook in de oude situatie op de zeilschool ingezet en ondergebracht en zouden in dat geval ook tot evenveel verkeer leiden.

De verhuur van de recreatiewoningen leidt tot extra personeelsverkeer:

  • De 12 recreatiewoningen moeten worden schoongemaakt. Een schoonmaker is gemiddeld 2 uur met de schoonmaak van een recreatiewoning bezig. Wanneer iedere recreatiewoning maximaal twee dagen aaneen wordt gebruikt, alle recreatiewoningen jaarrond 100% worden gebruikt, iedere schoonmaker steeds een halve dag werkt, ieder schoonmaker met een auto reist, dan leidt dat worst case tot gemiddeld drie extra schoonmakers per dag die samen zes extra ritten per dag genereren.
  • De receptie wordt in de nieuwe situatie iedere dag bemenst, terwijl in de oude situatie geen sprake was van een receptie. Dit leidt worst case tot twee extra ritten per dag.

Conclusies

Op grond van het voorgaande kan worden geconstateerd dat het plan worst case leidt tot een toename van het verkeer van in totaal (12 + 6 + 2) = 20 ritten per etmaal op de openbare ontsluitingsweg naar het bedrijf. Het betreft hier een bestaande situatie waarbij ervan uit kan worden gegaan dat de toename van het aantal ritten niet tegelijkertijd zal plaats vinden. De verwachting kan worden uitgesproken dat er verkeerstechnisch geen belemmeringen zullen ontstaan.


Parkeren
De parkeerbehoefte is gebaseerd op de Partiële herziening bestemmingsplan parkeren. Dit bestemmingsplan heeft als uitgangspunt dat alle parkeren plaatsvindt op eigen terrein. In dit bestemmingsplan is dezelfde regeling opgenomen als in de partiële herziening. Voor de locatie zou moeten worden aangehaakt bij de normering die hoort bij de ligging 'buitengebied'. Er zijn evenwel geen specifieke parkeernormen opgenomen voor de recreatieactiviteiten van een bedrijf zoals in dit plan, noch kent het CROW hiervoor specifieke kengetallen. Daarom zijn deze zoveel mogelijk gebaseerd op het worst-case-gebruik van het bedrijf.

Wanneer alle accommodaties van het bedrijf in vol bedrijf zijn, dan ziet de parkeerbehoefte er in de nieuwe situatie worst case als volgt uit:

De groepsaccommodaties

  • In de groepsaccommodaties is logiesruimte voor maximaal 118 personen. In de berekening van de verkeersgeneratie blijkt dat de weken waarin de zeilschoolactiviteiten worden uitgevoerd, het meeste verkeer op te leveren. Worst case gaat het dan om in totaal 118 auto's voor het brengen van zeilschoolcursisten en 118 auto's voor het halen van zeilschoolcursisten op één dag. Omdat tussen halen en brengen feitelijk ruimte moet zitten voor het schoonmaken van de logiesruimten, zit hier altijd enige tijd tussen. Het is dus niet noodzakelijk om parkeerruimte te maken voor de 'halers' én de 'brengers' omdat die niet tegelijkertijd op het bedrijf aanwezig zullen zijn. De praktijk leert dat kinderen gespreid in de tijd worden gehaald en gebracht, waardoor parkeerplaatsen meerdere keren per dag gebruikt kunnen worden. Voorzichtigheidshalve is worst case uitgegaan van het tegelijkertijd parkeren van alle halers én het tegelijk parkeren van alle brengers. Daarmee kan de parkeerbehoefte worst case worden bepaald op 118 parkeerplaatsen.
  • Er komen ook andere gebruikssituaties voor, maar die leiden niet tot een hogere parkeerbehoefte:
    • 1. Buiten het zeilschoolseizoen worden de groepsaccommodaties gebruikt door groepen, veelal bestaande uit schoolleerlingen en vriendengroepen. Bij het gebruik door scholen wordt gereisd per touringcar. Hiervoor is geen parkeerruimte noodzakelijk; de één of twee touringcars kunnen tijdelijk op het erf parkeren op de plaats waar anders auto's parkeren. Er is dus geen behoefte aan extra parkeerruimte voor touringcars. Bovendien vertrekken de touringcars nadat de gasten zijn gehaald of gebracht.
    • 2. Wanneer de groepsaccommodaties door gasten worden gebruikt die individueel reizen, dan is de maximale parkeerbehoefte worst case 118 parkeerplaatsen.
    • 3. De groepsaccommodaties worden buiten het zeilschoolseizoen ook wel door kleinere groepen gebruikt. Deze groepen komen vaak per auto, waarbij samen wordt gereisd. Wanneer wordt uitgegaan van volledige bezetting van de 118 logiesplaatsen en een bezetting van gemiddeld 3 personen per auto, bestaat de parkeerbehoefte uit 40 parkeerplaatsen.
    • 4. Wanneer een deel van de groepsaccommodaties wordt gebruikt door een groep die met een touringcar wordt gehaald/gebracht, terwijl de rest van de gasten als groepjes per auto reizen, dan is de ruimte die samenhangt met de parkeerbehoefte voor auto's, kleiner. Een touringcar kan van de overige ruimte gebruik maken.

Daarmee wordt duidelijk dat parkeerbehoefte in verband met het gebruik van de groepsaccommodaties tot maximaal 118 parkeerplaatsen leidt.

De 12 recreatiewoningen

De 12 recreatiewoningen leiden tot een parkeerbehoefte van 24 plaatsen (uitgaande van gemiddeld twee auto's per recreatiewoning).

Personeel en bewoners bedrijfswoning

Het personeel reist vooral per fiets en deels per auto. Worst case is rekening gehouden met 10 parkeerplaatsen; zes is in de praktijk ruim voldoende. Voor de bewoners van de bedrijfswoning wordt rekening gehouden met twee auto's en dus ook twee parkeerplaatsen.

Totale parkeerbehoefte

De grootste parkeerbehoefte bestaat dus op een wisseldag tijdens het zeilschoolseizoen waarbij de recreatiewoningen en de groepsaccommodaties voluit worden gebruikt en alle personeel aanwezig is:

118 + 24 + 10 + 2 = 154 parkeerplaatsen.

Beschikbare capaciteit

In de huidige situatie heeft het bedrijf twee grote parkeerterreinen ingericht voor parkeren, is er ruimte op het terrein van het bedrijf langs het pad naar de parkeerplaats voor parkeren. In totaal is er voor 80 personenauto's ruimte ingericht als parkeerplaats.

Het bedrijf beschikt daarnaast aan de zuidzijde van het plangebied op eigen grond over een overloopterrein waar ten minste 80 auto's kunnen worden geparkeerd.

Conclusie

Er is binnen het plangebied (en daarmee op eigen grond) ruim voldoende parkeerruimte beschikbaar om worst case in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Daarmee voldoet het plan aan het gemeentelijk beleidskader.

Conclusie verkeer en parkeren

Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de verkeerssituatie. Tevens kan aan de parkeerbehoefte worden voldaan. Het planvoornemen is wat de aspecten verkeer en parkeren betreft uitvoerbaar.

4.8 Luchtkwaliteit

Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de geldende grenswaarden. Een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 NO2 of PM10) wordt als nibm beschouwd. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 2434 auto's (bij 100% autoverkeer), dan wel 106 vrachtwagens (bij 100% vrachtverkeer) per dag leidt (grenswaarden 2024). Kenniscentrum InfoMil vermeldt op zijn website dat als de luchtkwaliteit aan de PM10-normen voldoet, dit ook geldt voor de PM2,5-normen. Op grond hiervan is toetsing aan de grenswaarden voor PM2,5 niet nodig, als aan de PM10 normen wordt voldaan.

Onderzoek

Op basis van het verkeersonderzoek uit paragraaf 4.7 blijkt dat de hoeveelheid verkeer in de nieuwe situatie met 20 ritten toeneemt ten opzichte van de oude situatie. Wijzigingen in de luchtkwaliteit zijn dan ook uitgesloten. Het planvoornemen kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd.

Conclusie

Het plan kan voor wat het aspect luchtkwaliteit betreft, als uitvoerbaar worden beschouwd.

4.9 M.e.r.-beoordeling

Wettelijk kader

Voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen moet op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen kunnen zijn van de planontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen een MER moet worden opgesteld. Afhankelijk van de aard en omvang van het project zijn er drie mogelijkheden:

  • 1. Bij een kaderstellend plan dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. en boven de daarin genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-plicht. In dat geval dient een MER opgesteld te worden.
  • 2. Wanneer er geen m.e.r.-plicht geldt, kan er wel een m.e.r.-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en waarvan kenmerken van dat plan boven de daarin opgenomen drempelwaarde uitkomen. In dat geval moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.
  • 3. Als de uitkomst van beide voorgaande punten is dat er geen aanleiding voor een uitgebreide m.e.r.-procedure in het kader van de m.e.r.-plicht noch dat een m.e.r.-beoordelingsprocedure hoeft te worden doorlopen, dan moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan in de toelichting van het bestemmingsplan worden opgenomen.

Toetsing

Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om naast de bestaande activiteiten een nieuwe bedrijfswoning te bouwen en legaliseert 12 recreatiewoningen en diverse andere bouwwerken. In dit plan is ervan uitgegaan dat de realisatie van de 12 recreatiewoningen als nieuwe ontwikkelingen moeten worden beoordeeld. Dit omdat de afgegeven omgevingsvergunning voor de 12 recreatiewoningen nog niet onherroepelijk is.

Uit de onderdelen C en de D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. blijkt dat er geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht noch dat er sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op grond hiervan zal een vormvrije m.e.r.-beoordeling moeten plaatsvinden.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In dit hoofdstuk 4 is in de voorgaande paragrafen een overzicht gegeven van de mogelijke milieueffecten van dit bestemmingsplan. Daaruit blijkt dat er voor geen enkel milieuaspect belangrijke gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Op grond daarvan kan worden besloten om geen uitgebreide m.e.r.-procedure te doorlopen. Het bevoegd gezag neemt hierover een afzonderlijk besluit.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving van het plan

5.1 Het digitale bestemmingsplan

In aansluiting op de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), op 1 juli 2008, en de RO-standaarden, op 1 juli 2013, is bij het opstellen van het bestemmingsplan de genoemde wet- en regelgeving toegepast. De RO-standaarden bestaan uit: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI 2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP 2012).


Inhoud bestemmingsplan

Op grond van artikel 3.1.3 en artikel 3.1.6 van het Bro bestaat een bestemmingsplan uit:

  • 1. bestemmingen die bij of krachtens de Wro kunnen worden voorgeschreven;
  • 2. regels die bij of krachtens de Wro kunnen worden voorgeschreven;
  • 3. een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven;
  • 4. wanneer nodig uitwerkings- en wijzigingsregels en afwijken bij een omgevingsvergunning.


Daarbij is een bestemmingsplan voorzien van een toelichting. Hierin is de gemaakte keuze van de bestemmingen uiteengezet en zijn de resultaten van de voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken opgenomen. Ook de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro zijn in de toelichting opgenomen alsook de manier waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken is in deze toelichting uiteengezet. Daarbij zijn in de toelichting ook de inzichten in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan opgenomen.


Additionele voorzieningen

In het plan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, paden, parkeervoorzieningen, bermen en voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de bestemming begrepen, zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld.


Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. De invoering van de Wabo en het Bor heeft gevolgen voor het ruimtelijk omgevingsrecht zoals dat gold op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met de inwerkingtreding van de Wabo is de Wro deels vervallen en opgegaan in de Wabo. In de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning geïntroduceerd en geregeld.

5.2 Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Op grond van de wet wordt het (voor)ontwerpbestemmingsplan voor advies aan de vaste overlegpartners voorgelegd (provincie, wetterskip, brandweer e.d.).

Terinzageleggingsfase

Na de aankondiging in ten minste één plaatselijk dag-, nieuws- of huis aan huisblad en op de internetpagina van de gemeente wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.


Vaststellingsfase

Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, vast. Bij de vaststelling betrekt de gemeenteraad de ontvangen zienswijzen.

Beroepsfase

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten of de Inspectie Leefomgeving en Transport een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk zes weken na vaststelling. Uiterlijk zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie Leefomgeving en Transport, wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk twee weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk twee weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

5.3 Bestemmingen

In het plan zijn drie bestemmingen opgenomen:

  • 1. Recreatie - Verblijfsrecreatie (enkelbestemming)
  • 2. Waterstaat - Waterkering (dubbelbestemming)
  • 3. Waarde - Archeologie (dubbelbestemming)

Bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie

In deze bestemmig is het bedrijfsmatig gebruik en de bouwmogelijkheden binnen het plangebied geregeld. De belangrijkste kenmerken zijn de volgende:

  • 1. Het plangebied mag worden gebruikt voor 'bedrijfsmatig geëxploiteerde verblijfsrecreatie' (hoofdfunctie). In de begrippenlijst (artikel 1 van het plan) houdt dit het volgende in: bedrijfsmatig exploitatie van een terrein met gebouwen ten behoeve van recreatief verblijf waaronder wordt verstaan het uitbaten van een zeilschool en verhuur van boten, recreatiewoningen en groepsaccommodaties.
  • 2. 'Ondergeschikte horeca' is toegestaan. Dit betekent dat horeca niet als zelfstandige functie binnen de bestemming mag worden uitgeoefend, maar dat deze functie uitsluitend ten dienste staat van de hoofdfunctie. Uitgiftepunten en terrassen ten behoeve van deze ondergeschikte horeca zijn ruimtelijk beperkt tot een gebied nabij de bedrijfsgebouwen. Feesten e.d. zijn alleen toegestaan wanneer sprake is van gasten die ook gebruik maken van de nachtverblijfsmogelijkheden van het bedrijf. Dit is bijvoorbeeld het geval als er na een zeilweek door de kinderen een bonte avond wordt gehouden of een groep accomodaties afhuurt en daaraan gekoppeld een feest organiseert. Versterkte muziek mag alleen binnen bedrijfsgebouwen worden afgespeeld met gesloten ramen en deuren. Verder moet worden voldaan aan de geluidsnormen zoals opgenomen in de regels én zijn er sluitingstijden opgenomen.
  • 3. Alle bedrijfsgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd dat is aangeduid met 'bedrijfsgebouwen'. Het bouwvlak biedt enige ruimte voor aanpassing van de bestaande situatie.
  • d. Binnen het plangebied mag 1 bedrijfswoning aanwezig zijn/worden gebouwd. Dat mag de bestaande bedrijfswoning zijn, maar er mag ook een nieuwe bedrijfswoning worden gebouwd. In het laatste geval mag de 'oude' bedrijfswoning niet langer als bedrijfswoning worden gebruikt. Voor de nieuwe bedrijfswoning is een bouwvlak op de planverbeelding ingetekend, dat is aangeduid met 'bedrijfswoning'.
  • e. De voormalige boerderij moet qua vorm en uitstraling in stand blijven.
  • f. Voor alle 12 recreatiewoningen inclusief de aangebouwde terrassen is geregeld dat deze uitsluitend op de bestaande plaats zijn toegestaan met de bestaande oppervlakte, goot- en bouwhoogte. De recreatiewoningen mogen zo nodig worden vernieuwd, maar mogen niet worden verplaatst of vergroot.
  • g. Rond het erf is een groenzone aangegeven die in de bestaande situatie al is voorzien van opgaande en afschermende beplanting. Dit groen moet in overeenstemming met de landschappelijke inpassing worden gebracht en in stand worden gehouden, zoals die als bijlage bij de regels is gevoegd. Wanneer een nieuwe bedrijfswoning wordt gerealiseerd in het voor de nieuwe bedrijfswoning bedoelde bouwvlak, eist de gemeente een inrichtingsplan waaruit blijkt hoe aan de voorwaarden voor een goede landschappelijke inpassing is of wordt voldaan. In de regels is vastgelegd dat de overeengekomen inpassing moet worden gerealiseerd en in stand gehouden.

Waterstaat - Waterkering

Deze dubbelbestemming regelt aanvullend op de enkelbestemming dat de aanwezige (regionale) waterkering in stand moet blijven en dat daarop niet mag worden gebouwd. Er geldt een uitzondering voor een bestaande container.

Waarde - Archeologie

Deze dubbelbestemming regelt aanvullend op de enkelbestemming dat wanneer buiten de bestaande bebouwing nieuwe gebouwen of bouwwerken worden gerealiseerd met een (gezamenlijke) oppervlakte van meer dan 500 m2, eerst archeologisch onderzoek moet worden verricht om er zeker van te zijn dat bij de bouw geen archeologische waarden verloren gaan. Dit betekent dat er zonder onderzoek tot 500 m2 extra bebouwing mag worden gerealiseerd. Dit geldt ook voor eventuele werkzaamheden in de grond.

 

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen. De gemeente en de initiatiefnemer sluiten een overeenkomst waarin dit is geregeld.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Onderzoeks- en plankosten

De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Daarvoor zal tussen de gemeente en de initiatiefnemer een overeenkomst worden gesloten. Dit geldt eveneens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding.

Planschade

Door het opstellen van dit bestemmingsplan voor de betreffende gronden is de kans aanwezig dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade ondervinden aan de hand van de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven).

Conclusie

Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, wordt gedragen door de initiatiefnemer. Op basis van deze overweging mag het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch als uitvoerbaar worden geacht. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan is voor advies en overleg voorgelegd aan de overlegpartners ex artikel 3.1.1 Bro. Alleen de provincie Fryslân heeft een inhoudelijke reactie gegeven op het bestemmingsplan. De opmerkingen van de provincie zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.


Daarnaast bestond voor een ieder de mogelijkheid een inspraakreactie te geven op het concept bestemmingsplan. De verschillende inspraakreacties zijn beantwoord in een reactienota. De inspraakreacties hebben op verschillende detailpunten aanleiding gegeven het ontwerpbestemmingsplan aan te passen.


Het ontwerpbestemmingsplan is voor een periode van zes weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. De zienswijzen zijn beantwoord in een zienswijzennota en zijn door de raad bij de vaststelling betrokken. De nota van zienswijzen is als Bijlage 11 bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen

Naar aanleiding van de zienswijzen is het ontwerpbestemmingsplan op een aantal punten aangepast. De belangrijkste aanpassingen zijn de volgende:

  • De gezamenlijke oppervlakte van de reeds aanwezige bedrijfsgebouwen is ingepast en komt uit op bepaald op 1.478 m2, zijnde de gezamenlijke oppervlakte van de bestaande bebouwing. De afwijkingsmogelijkheden om de bedrijfsbebouwing met 150 m2 binnen het bouwvlak voor de bedrijfsbebouwing en met 100 m2 voor bedrijfsbebouwing buiten dat bouwvlak uit te breiden, zijn uit het plan verwijderd. Wel is de afwijkingsmogelijkheid gehandhaafd om alle maten die in het plan staan met maximaal 10% te kunnen vergroten. Met deze wijziging is beoogd om de ontwikkelmogelijkheid van het bedrijf tot de huidige omvang te beperken. De flexibiliteitsregeling van 10% voorziet erin dat kleine aanpassingen - na omgevingsvergunning - kunnen worden gerealiseerd.
  • De mogelijkheid om te kamperen binnen het bedrijf is geheel beëindigd. Binnen het bedrijf zijn nog wel twee stacaravans aanwezig. Deze stacaravans zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak voor de bedrijfsgebouwen en mogen ook uitsluitend als bedrijfsgebouw worden gebruikt.
  • In het ontwerpbestemmingsplan was al bepaald dat de enkele jaren geleden gerealiseerde 12 recreatiewoningen qua omvang worden beperkt tot de bestaande maatvoering. Dit was al geborgd via de 12 op de ontwerpplanverbeelding ingetekende bouwvlakjes, waarvoor was bepaald dat de recreatiewoningen uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd mochten worden. De recreatiewoningen zijn nu ook aan de buitenzijde opgemeten (oppervlakte, bouwhoogte en goothoogte). Daarmee is vastgesteld wat de maximale maatvoering van de nieuwe recreatiewoningen mag zijn. Deze bouwmaten zijn als bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan toegevoegd.
  • De afwijkingsmogelijkheid om de bestaande bedrijfsgebouwen (die nu ten behoeve van de zeilschool en de groepsaccommodaties worden gebruikt) om te kunnen vormen tot recreatieappartementen, is verwijderd. Die behoefte is nu niet opportuun.
  • De instandhouding van de groene beplantingsstrook rond het bedrijf is belangrijk. De plaats van de groenstrook is via de planverbeelding in combinatie met een landschapsplan bepaald. Dat is niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. In de regels van het bestemmingsplan is nu aanvullend aan de ontwerpregeling bepaald dat niet alleen de bestaande situatie in stand gehouden moet worden, maar dat de groenstrook moet zijn ingericht in overeenstemming met het landschappelijk inpassingsplan. Dat is als bijlage bij de regels toegevoegd. Het inpassingsplan geeft aan waar bomen en struiken (in de vorm van een zgn. boomlaag en struiklaag) noodzakelijk zijn en wat het minimale beplantingsschema is (in de zin van maximale afstanden tussen bomen onderling en struiken onderling). Doel van de regeling is dat de beplantingsstrook de activiteiten van het bedrijf zoveel mogelijk landschappelijk inpast. Omdat is bepaald dat een inlands sortiment gebruikt moet worden, zal die afscherming tijdens de herfst- en winterperiode beperkt zijn vanwege het ontbreken van blad. Via gericht beheer moet de groenstrook ervoor zorgen dat de afscherming in stand blijft. Dat kan dus betekenen dat door noodzakelijke snoeiwerkzaamheden de afscherming tijdelijk minder optimaal is. Het bedrijf is gehouden om de snoeiwerkzaamheden zodanig uit te voeren dat de afschermende werking zo goed mogelijk in stand blijft.
  • Er is onderscheid gemaakt in toegelaten horeca-activiteiten van het bedrijf.
    • 1. Horeca maakt deel uit van de bedrijfsactiviteiten en is als ondergeschikte activiteit toegestaan. In de begripsbepaling is uiteengezet wat wel en niet tot deze ondergeschikte activiteiten kan worden gerekend. Om te bepalen dat het bedrijf niet als zalencentrum voor feesten en partijen kan worden gebruikt, is vastgelegd dat ondergeschikte horeca-activiteiten gekoppeld moeten zijn aan de verblijfsrecreatiebestemming. Aan de horeca-activiteiten zijn voorwaarden gesteld in de vorm van geluidsnormen, dat ramen en deuren bij versterkte muziek gesloten moeten blijven en er sluitingstijden zijn opgenomen.
    • 2. Met het oog op het beperken van de uitstraling van de horeca naar de omgeving is bepaald dat die uitsluitend binnen nader aangeduid gebied binnen het zuidelijk deel van het plangebied zijn toegestaan.

Ook de toelichting is op onderdelen aangevuld. Er is met name in par. 4.3 aandacht besteed aan een onderzoek naar de geluidsbelasting van het bedrijf op de omgeving. Dat onderzoek is uitgevoerd door de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing, (FUMO)de overheidsorganisatie die provincie Fryslân en de Friese gemeenten bijstaat met onderzoek en advies op het gebied van milieu en omgeving. Het onderzoek had tot doel om na te gaan of het bedrijf zich in redelijkheid aan de milieunormen kan houden die vanuit de sectorwetgeving (Wet milieubeheer) en overheidsbeleid op het punt van geluid zijn gesteld. De aanleiding werd gevormd door klachten geuit in zienswijzen over lawaai tijdens de avond- en de nachtperiode.

Uit par. 4.3 en het in de bijlage bij deze toelichting opgenomen onderzoeksrapport blijkt dat het bedrijf aan de normen kan voldoen mits bij versterkte muziek ramen en deuren gesloten blijven én er wordt voldaan aan maximale geluidsniveau's op de gevels van Pean 7, Pean 9 en Birstum 10.. Op grond van de wet en het overheidsbeleid van provincie en gemeente is geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

De voorzieningen van het bedrijf moeten ervoor zorgen dat aan de voorwaarden voldaan kan worden: ramen en deuren gesloten houden tijdens het ten gehore brengen van versterkte muziek en er moet worden voldaan aan de geluidsnormen op de gevels van Pean 9 en Birstum 10. Buiten de bedrijfsgebouwen is versterkte muziek niet toegestaan. Daarnaast zijn er in de regels sluitingstijden opgenomen.

Het bedrijf is geen zalencentrum waar horeca de hoofdfunctie is. Gebruik als zelfstandig zalencentrum, restaurant of café is daarmee beperkt. Horeca is bedoeld voor de bezoekers van de recreatiewoningen en de groepsaccommodatie (al dan niet tijdens de zeilschoolweken).

Hoewel de huisregels van het bedrijf geen bestuursrechtelijk instrument zijn, zijn deze er mede op gericht om hinderlijk geluid niet alleen voor de omgeving maar ook voor de andere gasten op het terrein zoveel mogelijk te beperken. De bewoner van de bedrijfswoning ziet hierop toe.

Er zijn ook zienswijzen ontvangen die niet hebben geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan. Het gaat daarbij onder meer over zienswijzen die buiten het ruimtelijk kader liggen en dus niet via het bestemmingsplan zijn te reguleren.

Door de gemeente is de afgelopen tijd actief gehandhaafd op klachten en meldingen die uit de omgeving zijn gekomen. Daarbij zijn ook klachten behandeld die buiten het ruimtelijk kader liggen.