direct naar inhoud van Artikel 21 Natuur
Plan: Dokkum Bûten de Bolwurken
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0058.081005-VA01

Artikel 21 Natuur

 

21. 1.    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    de instandhouding van een eendenkooi met de daarbijbehorende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden;

b.    gebouwen ten behoeve van het onderhoud en beheer;

met de daarbijbehorende:

c.    bouwwerken geen gebouwen zijnde.

21. 2.    Bouwregels

21. 2. 1. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a.    de bouwhoogte van een gebouw mag ten hoogste 3,00 m bedragen;

b.    de oppervlakte van een gebouw mag ten hoogste 20 m² bedragen.

21. 2. 2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd;

b.    de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,00 m bedragen.

21. 3.    Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van de bescherming van de functie van de eendenkooi.

21. 4.    Aanlegvergunningen

21. 4. 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a.    werken en werkzaamheden ten behoeve van het in cultuur brengen van niet-cultuurgronden;

b.    het graven, verdiepen, uitbaggeren, dempen of verbreden van sloten en andere waterpartijen;

c.    het aanbrengen van oevervoorzieningen.

21. 4. 2. Het bepaalde in artikel 21 lid 21.4.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.

21. 4. 3. De in artikel 21 lid 21.4.1. bedoelde vergunning wordt uitsluitend verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden van de gronden.