direct naar inhoud van Hoofdstuk 7 De visiekaart
Plan: Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035
Status: vastgesteld
Plantype: rijksstructuurvisie
IMRO-idn: NL.IMRO.0000.IM11svBuisleiding-3010

Hoofdstuk 7 De visiekaart

Het hart van deze Structuurvisie is de visiekaart (zie figuur 7.1). Op de visiekaart heeft het Rijk aangegeven waar het ruimte wil vrijhouden voor de nieuwe tracés van transportbuisleidingen voor aardgas, olie(producten) en chemicaliën. Deze tracés zijn gekozen na een zorgvuldige afweging van de behoeften aan verbindingen van nationaal belang, de beschikbaarheid van ruimte, de onderzochte milieueffecten op basis van een plan-milieu-effectrapportage en de zienswijzeprocedure die gevolgd is naar aanleiding van de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen (juni-juli 2011). De visiekaart is tot stand gekomen na overleg met provincies, gemeenten en het betrokken bedrijfsleven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0000.IM11svBuisleiding-3010_0014.jpg"
Ten opzichte van het Structuurschema Buisleidingen uit 1985 is het hoofdtransport net met een aantal verbindingen uitgebreid (zie figuur 7.2). Nieuw zijn de verbindingen door Noord-Nederland tussen Groningen en Callantsoog en de verbinding door het zuiden van Noord-Brabant. Daarentegen vervalt een verbinding uit het Structuurschema van 1985 door Flevoland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0000.IM11svBuisleiding-3010_0015.jpg"
In de visiekaart zijn mede op grond van de uitkomsten van het milieueffectenonderzoek nadere keuzes gemaakt. Hieraan ligt een afweging ten grondslag van wat nodig is aan toekomstig transport en de aard van dit transport en zuinig omgaan met beschikbare ruimte. Een aantal onderzochte alternatieve verbindingen is afgevallen. Dat wil zeggen dat gemeenten die liggen aan deze afgevallen alternatieven geen ruimte hoeven vrij te houden voor toekomstige leidingen voor gevaarlijke stoffen van nationaal belang. Dat sluit uiteraard niet uit dat leidingen voor gevaarlijke stoffen van een regionaal belang of andersoortige leidingen wel in deze gemeenten gelegd kunnen worden.


De zienswijzeprocedure heeft er toe geleid dat de visiekaart uit de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen met twee indicatieve tracés is aangevuld. Zo is na overleg met overheden en bedrijfsleven een extra, kortere verbinding tussen Rotterdam en Midden-Limburg opgenomen. Bovendien is bij Bernisse en Spijkenisse een verbinding opgenomen met de Botlek in het Rotterdams havengebied om daarmee een te voorkomen dat buisleidingen van buiten het havengebied voor de Botlek in de al volle buisleidingenstrook in het havengebied gelegd moeten worden. De milieu-effecten van beide stroken zijn aanvullend onderzocht. Voor deze stroken zal nog de gelegenheid worden geboden zienswijzen in te dienen. De Structuurvisie zal later worden aangevuld met de definitieve tracés.


Naar aanleiding van de zienswijzeprocedure zijn de in de Ontwerp-Structuurvisie voorgestelde stroken op diverse plaatsen aangepast. Doorgaans betrof het een verbetering van het tracé ten opzichte van bestaande bebouwing door een beperkte verschuiving of omlegging of een versmalling van de strook. In deze gevallen is er van uitgegaan dat dit niet tot andere (milieu)effecten op de omgeving leidt. Een aantal grotere aanpassingen van de strook is in aanvullend milieu-effectrapport alsnog op hun merites bekeken. Het betreft de stroken door Moerdijk, Enschede, Overbetuwe en Horst aan de Maas. Dit geldt ook voor de aanvullende tracés tussen Laarbeek en Echt-Susteren en het tracé naar de Botlek in de gemeenten Bernisse en Spijkenisse.


In een aantal gevallen kon het definitieve tracé nog niet worden vastgesteld. Deze situaties zijn op de kaart bij de Structuurvisie Buisleidingen als indicatief aangegeven (zie figuur 7.1). Zie verder paragraaf 7.6, Indicatieve tracés.


Voorstellen van indieners van zienswijzen om verschuivingen binnen een zone van 250 meter ter weerszijden van de voorgestelde strook zijn over het algemeen niet meegenomen aangezien gemeenten de mogelijkheid krijgen naast de verplichting om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de stroken, vanwege lokale omstandigheden van deze stroken af te wijken. Voor deze optimaliseringslag zijn gemeenten, met de kennis van de lokale situatie, beter toegerust.

In de Nota van Antwoord is aangegeven hoe met de voorstellen voor verlegging van de stroken is omgegaan.


Bij de vaststelling van de leidingstroken is ook gekeken naar en rekening gehouden met eventuele samenloop (parallel) met andere infrastructuurnetwerken. Ten aanzien van weginfrastructuur is rekening gehouden met de in het Besluit algemene regels ruimtelijk ordening opgenomen vrijwaringzones langs rijkswegen. Met betrekking tot nieuwe hoogspanningsverbindingen, met name 380 kV, is de parallelligging waar mogelijk beperkt gehouden en aanwezigheid van mastvoeten in de strook vermeden.


De hoofdstructuur is bedoeld voor buisleidingen van nationaal belang voor aardgas, olie en olieproducten en andere (chemische stoffen) waaronder ook CO2. Over het algemeen zijn de verbindingen door het noorden van Nederland bedoeld voor het transport van aardgas. De verbindingen door het zuidelijke deel van Nederland (ruwweg de lijn IJmuiden-Venlo) zijn bedoeld voor aardgastransport, transport van andere stoffen (onder andere vloeistoffen) of beide. In de toelichtende tekst en op de digitale visiekaart wordt dit aangegeven. Vrijwel alle verbindingen in de hoofdstructuur kunnen ook gebruikt worden voor het transport van CO2; dit zal in de toelichtende tekst verder niet meer aan de orde komen.


De leidingstroken die op de hoofdstructuur worden aangegeven zijn alle te realiseren in de zin dat het tracé ervoor te vinden is op of nabij de aangegeven plaats. Voor zover uit onderzoek en overleg gebleken is, zijn er geen situaties waarbij er geen doorgaande verbinding mogelijk is. Voor de gehele hoofdstructuur zijn de doorgaande verbinding op een aantal plaatsen na te concretiseren in tracés voor leidingstroken. De situaties waarvoor nog geen exact tracé getekend kan worden, de indicatieve traces, worden hierna behandeld en samengevat in paragraaf 7.6.


De visiekaart geeft een aanduiding waar ruimte voor nieuwe leidingen vrijgehouden wordt. Deze zogenoemde leidingstroken zijn echter nauwkeuriger aan te geven dan op de visiekaart getoond kan worden. De geografische plaatsbepaling van de leidingstroken wordt weergegeven in digitale bestanden die te vinden zijn op www.ruimtelijkeplannen.nl. Hierop is nauwkeurig te zien waar de stroken lopen.
De stroken zijn vanuit het uitgangspunt van bundeling getekend op basis van aanwezigheid van een bestaande leiding. Bij aanwezigheid van meerdere leidingen is een bepaalde leiding (doorgaans de middelste) als uitgangspunt genomen en daarnaast een zone van 2 x 35 m gelegd. Andere leidingen in een bundel liggen over het algemeen dan ook in deze strook. Daar waar leidingen zover uit elkaar lopen dat deze niet meer binnen de ene strook komen te liggen, maar er in feite twee parallelle stroken ontstaan is een keuze gemaakt voor een strook.


Op een aantal verbindingen wordt een smallere strook aangegeven. Het gaat hier om verbindingen naar een aantal grensovergangen die van belang zijn met name voor aardgastransport. Aangezien het hier gaat om de mogelijke komst van een beperkt aantal leidingen (2 of 3) kan volstaan worden met een smallere strook (max. 45 m). Dit geldt ook voor de verbinding vanaf compressorstation Ravesteijn in het noorden van Noord-Brabant door het zuiden van de provincie naar België.


Figuur 7.2 geeft de verschillen en overeenkomsten weer tussen het Structuurschema Buisleidingen uit 1985 en de Structuurvisie Buisleidingen.


De hoofdstructuur uit het oude Structuurschema is door provincies verwerkt in de streekplannen en later in de provinciale omgevingsplannen en structuurvisies. Figuur 7.3 geeft de verwerking van het Structuurschema in de provinciale plannen anno 2008 en de overlap met leidingstroken uit de Structuurvisie Buisleidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0000.IM11svBuisleiding-3010_0016.jpg"
Niet overal wordt het principe van bundeling gevolgd. Er is van bundeling afgeweken als uit reacties van bijvoorbeeld gemeenten, van leidingexploitanten of uit eigen informatie bleek dat het leggen van de strook niet mogelijk is vanwege fysieke belemmeringen of vanwege plannen van gemeenten die zich minder goed verdragen met aanwezigheid van (nieuwe) leidingen. Voor deze situaties zijn alternatieve tracés voor de leidingstroken gezocht in overleg met betrokken partijen, doorgaans de gemeente maar ook anderen zoals Rijkswaterstaat.

Ook het milieueffectrapport van Arcadis heeft geleid tot alternatieve tracés die afwijken van het bundelingprincipe vanwege geconstateerde knelpunten met bijvoorbeeld natuurbelangen. In een aantal gevallen gaat het om situaties die ook door gemeenten of andere partijen zijn aangedragen.


Ook Gasunie heeft voorstellen gedaan om op specifieke locaties een ander tracé te vinden gezien de aanwezigheid van fysieke belemmeringen. Ook gemeenten hebben in de loop van het proces situaties gemeld waarbij de leidingstrook over aanwezige bestemmingen geprojecteerd was. Ook de zienswijzeprocedure op de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen heeft geleid tot kleine aanpassingen van het tracé door verschuiving of eventueel versmalling van de strook.


Hiervoor is aangegeven in welke situaties is afgeweken van het principe van bundeling. Dat geldt dus voor tracés voor de ruimtelijke vrijgehouden leidingstroken voor nieuwe leidingen. Feitelijk betekent dat dat er in die situaties twee bundels leidingen kunnen ontstaan, nl. de bundel van een of meer reeds aanwezige leidingen waarlangs geen ruimte vrijgehouden wordt en een mogelijk nieuwe bundel van toekomstige leidingen in de vrijgehouden leidingstrook.

De aanwezigheid van een vrijgehouden leidingstrook houdt niet in dat aanwezige leidingen naar de strook verlegd worden. Aanwezige leidingen blijven liggen waar ze liggen.


Niet in alle situaties is het mogelijk stroken van 70 meter breed te vinden. Op de hoofdverbindingen zijn vele situaties die een smallere strook vereisen. Doorgaans gaat het om een erg lokale versmalling van enkele honderden meters. Er is ook een aantal situaties waarbij de strook over een grotere afstand versmald moet worden. Bij kruisingen van bijvoorbeeld waterwegen kan het mogelijk zijn dat de strook om technische redenen lokaal verbreed moet worden.


Daar waar ruimte beperkt is, bestaat ook de mogelijkheid om door boringen toch nog leidingen in een beperkte ruimte te kunnen leggen. Of boringen noodzakelijk zijn is afhankelijk van de specifieke situatie en is verder op de visiekaart niet aangegeven. Met een boring zijn veel knelpunten op te lossen, maar niet altijd. Er gelden voorwaarden om een leiding middels een HDD (Horizontal Directional Drilling) aan te leggen. Een belangrijke voorwaarde is de mogelijkheid de leiding boven maaiveld in zijn volle lengte "uit te kunnen leggen". In bebouwde omgevingen is daar vaak niet de ruimte voor.

7.1 Hoofdverbindingen

Op de visiekaart zijn een aantal belangrijke hoofdverbindingen te onderscheiden.

7.1.1 Noord-Nederland

Import en productie van aardgas vindt voornamelijk plaats in Groningen met een mogelijke optie van aanlanding in Callantsoog. Vanuit Callantsoog vindt ook export plaats van aardgas. De verbinding tussen Groningen en Noord-Holland is vitaal voor het Europese aardgastransport vanuit Oost-Europa naar Groot-Brittannië. Gekozen is voor handhaving van het bestaande tracé door het IJsselmeer. Deze verbinding was in het Structuurschema Buisleidingen van 1985 niet opgenomen, maar was destijds in de Nota Ruimte wel toegevoegd aan de kaart met indicatieve tracés voor leidingstroken. Gezien de functie van deze verbinding, transport van met name aardgas, kunnen de effecten op milieu- en natuur beperkt blijven.

Relatie Structuurvisie buisleidingen – Buizenzone Eemsdelta
Het tracédeel op de visiekaart van de Structuurvisie Buisleidingen naar de Eemshaven valt samen met deel van één van de tracés die worden onderzocht in het kader van het project Buizenzone Eemsdelta. Het betreft hier een Buizenzone (waarvan de status nog nader bepaald moet worden) tussen de Eemshaven en het industriegebied Oosterhorn Delfzijl. Het is een initiatief van Groningen Seaports, het havenbedrijfsleven en de Provincie Groningen. Het moet er in voorzien dat er een strook grond beschikbaar is tussen de Eemshaven en Delfzijl voor kabels (ook hoogspanning en telecom) en buisleidingen (gevaarlijke stoffen maar ook water). Het betreft hier een voorziening die van regionaal belang is.
Er zijn drie tracés onderzocht: één tracé over land langs de bestaande Gasunieleidingen die ten zuidoosten van Appingedam afbuigt naar Delfzijl ('Leermens'); een alternatief over land langs de zeedijk (en voor een deel langs bestaande gasleidingen), en vervolgens tussen Appingedam en Delfzijl door ('Holwierde') en een alternatief door de Eems ('Eems-Dollard'; met twee varianten). In 2011 zijn een milieueffectrapportage en een landbouweffectrapportage opgesteld. Hierop zijn zienswijzen ingediend. Daarnaast is een maatschappelijke-kosten-batenanalyse gemaakt.
Naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen laat de provincie Groningen een vierde tracé ('N33') onderzoeken.
Besluitvorming in Provinciale Staten van Groningen kan op z'n vroegst plaatsvinden in 2013.
Bij een eventuele beslissing door Provinciale Staten voor het Leermenstracé zal met de initiatiefnemers van de Buizenzone een bundeling van beide initiatieven plaatsvinden. Indien niet wordt gekozen voor het Leermenstracé, maar voor een ander landtracé zal nagegaan worden of het efficiënt is het tracé van de nationale leidingstrook te koppelen aan het dan gekozen tracé van de Buizenzone, dan wel dat de nationale leidingstrook gehandhaafd blijft. Tot zo lang is het tracé van en naar de Eemshaven indicatief.
Op de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen zijn 19 zienswijzen ontvangen waarin een relatie ligt met het initiatief voor een Buizenzone tussen Eemshaven en Delfzijl. In de Nota van Antwoord wordt uitgebreid op deze zienswijzen ingegaan.  

Het tracé door Noord-Nederland vertoont weinig problemen met ruimte, milieu en natuur, met een enkele uitzondering. Het doorsnijdt wel Natura2000-gebieden (IJsselmeer en de duinen bij Callantsoog). Het belangrijkste fysieke knelpunt werd ondervonden bij de aanlanding vanuit het IJsselmeer bij de gemeenten Medemblik en Wieringermeer. Dit tracé kruist de IJsselmeerdijk noordelijker dan nu het geval is. Tussen Rijksweg A7 en het IJsselmeer heeft zich in de gemeente Wieringermeer een dusdanig groot kassengebied met gerelateerde agribedrijvigheid (Agriport) ontwikkeld, dat daardoor een geschikte doorgaande verbinding door dit kassencomplex met een aansluiting op het gascompressorstation van Gasunie nog niet gevonden kon worden. In dit gebied spelen ook andere ambities, zoals de ontwikkeling van een windpark. Betrokkenen zijn nog in overleg over het meest geschikte trace door dit gebied. De strook heeft hier een indicatief karakter gekregen.


Aanlandingspunten bevinden zich bij Callantsoog en Eemshaven/Emmapolder. Bij Termunterzijl en Oude Statenzijl zijn grensovergangspunten (bij Termunterzijl met de kruising van de Eems dat deel uit maakt van het Wetlandgebied Waddenzee). Deze punten en de relatie met het aanlandingspunt bij Warffum uit het Structuurschema Buisleidingen van 1985 worden in een afzonderlijke paragraaf beschreven.


7.1.2 Noord-Nederland - Rijnmond en België/Duitsland

Vanuit Groningen ligt een belangrijke verbinding naar Rijnmond en vervolgens via Zuid-Nederland naar België voor aardgastransport naar Nederlandse en buitenlandse afnemers. Tevens is de verbinding naar het zuiden van belang door Oost-Nederland voor zowel aardgastransport naar België als naar Duitsland.

Er is gekozen voor verbindingen noord-zuid door Noord-Holland en Zuid-Holland en voor een verbinding door de oostelijke provincies.


In het onderzoek zijn ook twee meer centraal gelegen verbindingen onderzocht namelijk via de Veluwezoom en via Flevoland. Het alternatief door de Flevopolders was reeds opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985, maar hier zijn nooit doorgaande transportleidingen gekomen. Het alternatieve tracé langs de Veluwezoom was opgenomen op een kaart in de Nota Ruimte van 2002.

Deze verbindingen hebben echter minder relaties met de plekken waar aardgas het land binnenkomt en verlaat en hebben daardoor minder meerwaarde dan de verbindingen door Noord-Holland/Zuid-Holland en door oostelijk Nederland die ook meer strategisch liggen ten opzichte van locaties voor ondergrondse opslag van met name aardgas. Bovendien wordt in het alternatieve tracé door de Flevoland niet voldaan aan het uitgangspunt van bundeling. Vanuit de milieueffectrapportage komen ook ernstige nadelen aan de verbindingen door Midden-Nederland naar voren. Daarom zijn deze afgevallen.


Grensovergangen naar België bevinden zich in Zuid-Limburg, Brabant en Zeeland. Langs de oostgrens en in Zuid-Limburg zijn ook grensovergangen naar Duitsland.

7.1.2.1 tracé door Noord-Holland en Zuid-Holland

Dit tracé is van belang voor transport van aardgas vanuit Groningen, vanuit Callantsoog en van en naar de gasopslag bij Bergermeer (gemeente Bergen). Het valt voor een deel samen met het de verbinding Noord-Nederland (hierboven beschreven). Het Structuurschema Buisleidingen van 1985 bevatte al wel de verbinding naar Callantsoog.


De functie van de verbinding is in ieder geval aardgastransport. Voor het transport van aardgas is van belang dat in Zuid-Holland het compressorstation bij Wijngaarden (gemeente Graafstroom) bereikbaar is. De stroken die naar dit compressorstation gaan, zijn uitsluitend bedoeld voor aardgastransportleidingen.

Voor overige stoffen gaat het met name om de bereikbaarheid van het Rotterdamse havengebied. Tussen het Noordzeekanaalgebied en Rijnmond moet ook gerekend worden met transport van mogelijk andere stoffen dan aardgas. Gezien de beperkte beschikbaarheid van ruimte voor nieuwe buisleidingen rondom Rotterdam is gekozen voor een tracé dat via Maassluis onder de Nieuwe Waterweg door het Rotterdamse havengebied in gaat.


Op de verbinding tussen Noord- en Zuid-Holland is ook het aanlandingspunt bij IJmuiden van belang. Deze wordt met het aanlandingspunt op de Maasvlakte verderop afzonderlijk beschreven.


In Zuid-Holland zijn diverse alternatieven voor specifieke verbindingen onderzocht. Het bleek nodig deze alternatieven te ontwikkelen en te onderzoeken aangezien in eerste aanleg aangegeven tracés bij nader onderzoek ongeschikt bleken vanwege de aanwezigheid van diverse fysieke belemmeringen die het leggen van nieuwe leidingen niet mogelijk maakten. Het gaat daarbij niet alleen om woningen en bedrijventerreinen, maar ook om de aanwezigheid van infrastructuur. Alle alternatieven zijn onderzocht in de milieueffectrapportage.


Om vanuit het noorden het compressorstation in Wijngaarden te kunnen bereiken is gekozen voor het tracé door de Krimpenerwaard en de Alblasserwaard langs bestaande aardgastransportleidingen. Het tracé van de leidingenstrook is (met uitzondering van enkele locaties waar vanwege ruimte gebrek bundeling niet volledig mogelijk is) gelijk aan het tracé van een nieuwe aardgastransportleiding tussen Beverwijk en Wijngaarden die wordt aangelegd door Gasunie en waarvoor het Rijk het inpassingsplan maakt en waarvoor de Rijkscoordinatieregeling van toepassing is. Daarmee wordt afgezien van een eerder voorgesteld tracé door Nesselande (gemeente Rotterdam) en Hendrik-Ido-Ambacht.


Voor de verbinding naar Maassluis en het Rotterdamse havengebied is gekozen voor een tracé dat ten noorden van Rotterdam op de grens met de gemeente Lansingerland loopt. Dit tracé maakt het mogelijk af te zien van het in eerste instantie ontwikkelde tracé op de grens van Lansingerland met Pijnacker-Nootdorp. Op dit tracé maakte samenloop van diverse vormen van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen het vinden van een geschikt strook onmogelijk.

7.1.2.2 tracé door oostelijk Nederland

Dit tracé is van belang voor transport van aardgas vanuit Groningen naar Duitsland en België. Tot aan het compressorstation Ravenstein in de gemeente Oss wordt het tracé gevolgd van bestaande aardgastransportleidingen van Gasunie. Op deze verbindingen lopen al vele van dergelijke leidingen in drie bundels van twee of drie leidingen. Deze verbinding was ook opgenomen het Structuurschema Buisleidingen van 1985.


De functie van de verbinding is voornamelijk aardgastransport. Voor deze verbinding is de aanwezigheid van compressorstations in Ommen, Angerlo en Ravenstein relevant.


De verbinding kent enkele aftakkingen naar Duitsland met grensovergangspunten bij Vlieghuis (gemeente Coevorden), Enschede, Winterswijk en Zevenaar. Deze grensoverschrijdingspunten worden verderop afzonderlijk beschreven.


Drie zaken vragen om aandacht.

  • 1. Het verloop van het tracé door Drenthe
  • 2. Het verloop van het tracé door de gemeente Enschede
  • 3. Het verloop van het tracé in de regio Arnhem-Nijmegen


Ad 1: In het Structuurschema van 1985 is in de visiekaart een verbinding opgenomen door het oosten van Drenthe met een aftakking bij Zwartemeer in de gemeente Emmen. Ten tijde van de opstelling van het Structuurschema Buisleidingen had het Rijk zelf een voorkeur voor de verbinding door Midden-Drenthe over het Drents Plateau maar heeft in het Structuurschema Buisleidingen naar aanleiding van voorkeuren van de provincie in de streekplannen en inspraakreacties de verbinding door Oost-Drenthe aangewezen als hoofdverbinding. In de praktijk zijn er langs de verbinding geen hoofdtransportleidingen gelegd. Wel liggen er in Oost- en Zuidoost-Drenthe regionale transportleidingen van Gasunie en NAM-leidingen. Sinds 1985 zijn nieuwe hoofdtransportleidingen gelegd door Midden-Drenthe, zodat daar inmiddels sprake is van drie bundels van in totaal 9 leidingen. Mede met inachtneming van de bevindingen uit de milieueffectrapoprtage kiest het Rijk voor het tracé door Midden Drenthe.


Ad 2: Op het voorstel voor de buisleidingenstrook door de gemeente Enschede zijn tussen de 35 en 40 zienswijzen ontvangen waarin bezwaren worden gemaakt tegen het voorgestelde tracé. In het gebied waarin de voorgestelde buisleidingenstrook ligt, speelt een landinrichtingsproces. De Stichting Duurzame Plattelandsontwikkeling Enschede (Stawel) heeft in haar zienswijze een voorstel gedaan voor een alternatief tracé. Dit tracé heeft ook de voorkeur van de gemeente Enschede. Het Stawel-alternatief is meegenomen in de aanvullende plan-milieu-effectrapportage en op opgenomen in de Structuurvisie Buisleidingen; het tracé doorsnijdt volgens het plan-milieu-effectrapport (planMER) enige bebouwing, maar dit is door een beperkte optimalisatie van het tracé te voorkomen. Het tracé is doorgetrokken naar het grensovergangspunt bij Glanerbrug om zo een verbinding te hebben naar de zoutcavernes bij het Duitse Epe. Dit deel van de strook was geen onderdeel van het voorstel van Stawel en de regio; het heeft nog een indicatief karakter om de regio de gelegenheid te geven met een voorstel voor een geschikter tracé te komen. Een meer rechtstreekse verbinding naar Epe is vanwege een tussengelegen Natura20000-gebied niet mogelijk. Indien in de toekomst door zoutwinning ook zoutcavernes beschikbaar komen direct over de grens ten zuiden van Enschede kan met een aftakking de grens ook zuidelijker dan bij Glanerbrug gepasseerd worden.


Ad 3: In de regio Arnhem-Nijmegen volgt het aanvankelijk voorgestelde tracé voor de leidingstrook langs bestaande aardgastransportleidingen een dicht bevolkt gebied waarin diverse ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Op diverse plaatsen bleek een doorgaande verbinding echter niet mogelijk vanwege fysieke belemmeringen, met name bedrijventerreinen bij Duiven, Westervoort en Beuningen. Daarom is in overleg met een belangrijke potentiële gebruiker van de strook, Gasunie, en betrokken overheden in het gebied een alternatief tracé voorgesteld dat over grotere afstand breekt met het bundelingsprincipe. Het gaat om een alternatief tracé door de gemeenten Beuningen en Overbetuwe en om een alternatief tracé door de gemeenten Lingewaard, Duiven en Zevenaar. Daarbij kruist het tracé twee Natura2000-gebieden langs de Rijn en de Waal (wat ook het geval was in het aanvankelijk voorgestelde tracé).

Op het laatste tracédeel kan samenloop plaatsvinden met het tracé van de verlengde A15. Deze samenloop hoeft geen problemen op te leveren voor elk van beide tracés, maar pas in een later stadium, als er duidelijk is over de alternatiefkeuze voor de A15, zullen de tracés definitief vastgesteld kunnen worden. Het zal bij het tracé van de nu nog indicatieve buisleidingenstrook gaan om een beperkte aanpassing van het tracé dat onderzocht is in het planMER.


7.1.2.3 tracé door Gelderland en Zuid-Holland

Voor langeafstandstransport van aardgas naar met name het zuiden is een verbinding opgenomen die langs een bestaande transportleiding van Gasunie door de Betuwe naar het Compressorstation in Wijngaarden (gemeente Graafstroom) loopt. In het Structuurschema Buisleidingen van 1985 was ook een verbinding door de Betuwe geschetst, maar hierbij ging het om een verbinding met het Noordzeekanaalgebied die op die wijze nooit tot stand gekomen is.


De functie van de verbinding door Gelderland en Zuid-Holland is aardgastransport. De verbinding is voor de bereikbaarheid van de Rotterdamse haven voor andere gevaarlijke stoffen niet geschikt. Tussen Wijngaarden en de Rotterdamse haven is er fysiek dusdanig weinig ruimte voor nieuwe leidingen aanwezig, dat deze verbinding selectief gebruikt moet worden, dat wil zeggen alleen voor leidingen die een relatie met het compressorstation Wijngaarden hebben. De strook is op deze verbinding ook voor een deel versmald tot 45 meter.

Bovendien loopt het tracé tussen Wijngaarden en het Rotterdamse havengebied door grondwaterbeschermingsgebieden in de gemeenten Krimpen aan de Lek en Ridderkerk. Het plan-milieu-effectrapport (planMER) stelt dat dit tracé en eventuele lokale varianten hierop zeer onwenselijk zijn. De Provinciale Milieuverordening van de provincie Zuid-Holland staat de aanwezigheid van buisleidingen van gevaarlijke stoffen niet toe, maar kan ontheffing verlenen voor aardgastransportleidingen. Het ligt daarmee voor de hand de verbinding tussen het Rotterdamse havengebied en Wijngaarden te beperken tot aardgastransportleidingen. Het tracé is daarbij zo gekozen dat de waterwingebieden niet gekruist worden en overlap met een autoweg beperkt blijft; het alternatief dat het planMER biedt, wordt dan niet gevolgd.


Er lopen bestaande leidingen langs de noordgrens van de gemeente Barendrecht langs de A15 naar het Rotterdamse havengebied. Dit tracé biedt echter geen ruimte meer voor nieuwe leidingen gezien de aanwezige bebouwing en infrastructuur. Daarom zijn in het planMER twee alternatieve tracés onderzocht tussen de gemeente Ridderkerk en de Leidingenstraat Nederland (LSNed). Een tracé loopt door het zuidelijk deel van de gemeente Barendrecht en een door de gemeente Binnenmaas. Voor beide tracés geldt dat zich lastige fysieke knelpunten voordoen. Het planMER geeft aan dat aandacht gegeven moet worden aan het groepsrisico en geeft geen voorkeur aan. De ruimtelijke belemmeringen langs het tracé door het zuiden van de gemeente Barendrecht zijn het grootst. Daarom is het tracé door de gemeente Binnenmaas opgenomen in de visiekaart. Dit tracé sluit aan op de Leidingenstraat Nederland op de plek waar ook het tracé uit Voorne-Putten aantakt. Van hieruit is zowel het oostelijk havengebied bereikbaar (via de Leidingenstraat Nederland) als de rest van het havengebied (via Voorne-Putten).

7.1.2.4 tracé door Noord-Brabant en Limburg

Vanaf het compressorstation Ravenstein gaat de hoofdverbinding vanuit Noord-Nederland door naar België via de grensovergangen in Noord-Brabant en Zeeland. Deze verbinding was niet opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985, maar wordt nu van groot belang gezien voor aardgastransportverbinding naar België. Dit hangt samen het feit dat gas dat via Hilvarenbeek naar België geëxporteerd wordt, afkomstig is van het mengstation Beekse Bergen. Dit mengstation wordt gevoed vanuit noorden (zogeheten Groningengas (G-gas) met een lagere calorische waarde) en vanuit Zelzate vanwaar een grote stroom H-gas komt met een hoge calorische waarde. Het gemengde G/H-gas gaat via het grensoverschrijdingspunt bij Hilvarenbeek naar België. Daarnaast gaat er nog G-gas door naar de grensovergang Zandvliet in de gemeente Woensdrecht. Als belangrijk druk-balanceringspunt speelt het compressorstation Alphen een rol, dat halverwege de route door het zuiden van Noord-Brabant ligt.


Deze strook is uitsluitend bedoeld voor één of twee aardgastransportleidingen en eventueel CO2-transport als de noodzaak hiervoor zich mocht aandienen; de strookbreedte is beperkt tot 45 meter.


In de Ontwerp-Structuurvisie werd gemeld dat over het tracé door Oss nog overleg plaats had met de gemeente. Dit overleg heeft er toe geleid dat een definitief tracé langs de oostkant van Vorstengrafdonk vastgesteld kon worden dat in de Structuurvisie is opgenomen.


Het tracé richting België kruist volgens het plan-milieu-effectrapport (planMER) wel twee Natura2000-gebieden (Regte Heide & Riels Laag en Brabantse Wal). Bij Regte Heide & Riels Laag zijn de gevolgen beperkt door de kruising met het gebied kort te houden door middel van een verschuiving van het tracé; het in het planMER aangedragen alternatief blijkt lastig inpasbaar. Voor nieuwe gasleidingen waarvoor dit tracé bedoeld is, kan naar verwachting met (technische) maatregelen eventuele milieuschade beperkt worden. Daarnaast is de strook versmald, omdat het hier om maximaal vier nieuwe leidingen zal gaan en de totale breedte van 70 meter hiervoor dus niet nodig is. Voor de Brabantse Wal meldt het planMER dat het gaat om een Vogelrichtlijngebied, wat betekent dat bij de aanleg van de leiding zorgvuldigheid betracht dient te worden.


Vanaf Ravenstein gaat een andere aardgasverbinding door Limburg naar Duitsland en België. De verbinding door Limburg valt voor een deel samen met de verbinding van uit Rijnmond en Zeeland naar Duitsland en Limburg. Deze verbinding was ook al opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985 (zie verder hierna bij Rijnmond-Duitsland).


Overige grensovergangen met Duitsland zijn Tegelen (gem. Venlo; zie toelichting verderop), Nieuwstad (gemeente Echt-Susteren) en Bocholtz (gemeente Simpelveld).

Grensovergangen met België bevinden zich bij Margraten, Meers en Obbicht (beide gemeente Stein), Hilvarenbeek, Ossendrecht-Zandvliet (gem. Woensdrecht), Reimerswaal en Terneuzen.


De grensoverschrijdingspunten worden verderop afzonderlijk beschreven.

7.1.3 Rijnmond - Duitsland

Deze hoofdverbinding maakt deel uit van de onderlinge verbinding van het Noordwest-Europese haven- en industriecluster. Het verbindt het Rotterdamse haven- en industriegebied met het haven- en industriegebied van Moerdijk en het verdere achterland. Deze verbinding moet beschikbaar zijn voor verschillende te transporteren stoffen, maar loopt wel door dichtbevolkt gebied. Belangrijk is de aftakking naar het chemiecomplex in Limburg. Limburg ligt ook op de verbinding tussen Antwerpen en het Ruhrgebied, die de driehoek Rijnmond - Antwerpen - Ruhrgebied compleet maakt.


De verbinding naar Duitsland en naar Limburg was ook al opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985.

7.1.3.1 tracé door Voorne-Putten

De verbinding met Duitsland (en dit geldt evenzeer voor de verbinding met België) begint in het Rotterdamse haven- en industriegebied. Dit is een langgerekt gebied van 40 km lang en enkele kilometers breed tussen de Waalhaven en de (Tweede) Maasvlakte. Door dit gebied loopt een intensieve infrastructuurbundel van water (Nieuwe Waterweg, Oude Maas, Calandtkanaal), weg (A15), spoor (Betuwelijn) en buisleidingen. Havenbedrijf en gemeente Rotterdam beheren de buisleidingenstrook die door het gebied loopt. Op de strook is aanvullend op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de gemeentelijke kabel- en Leidingverordening van toepassing. De ruimte voor leidingen is beperkt, de onderlinge afstand bedraagt soms enkele decimeters. In de strook liggen enkele leidingentunnels. De leidingen verbinden zowel bedrijven onderling als de industrie met Moerdijk, Zeeland, Limburg en het buitenland.


Het Rotterdamse havenbedrijf wil de resterende nog beschikbare ruimte in de leidingenstrook vooral bestemmen voor het onderling verbinden van bedrijven binnen het havengebied. Het Rijk erkent de noodzaak hiervan en wil dat buisleidingen voor het langeafstandstransport van gevaarlijke stoffen zo snel mogelijk het gebied kunnen verlaten. Aan de noordzijde voorziet de visiekaart in een ontsluiting (onder de Nieuwe Waterweg door, via Maassluis; zie paragraaf hiervoor). Ten zuiden van het havengebied bevestigt het Rijk de strook door Voorne-Putten die al was opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985. Deze strook begint op de Maasvlakte en sluit in de gemeente Binnenmaas aan op de Leidingenstraat Nederland tussen Pernis en de Belgische grens bij Antwerpen. Op dit gedeelte is in de gemeente Brielle een aftakking naar Europoort in het Rotterdamse havengebied voorzien. Op voorstel (zienswijze) van het Havenbedrijf Rotterdam is na overleg met de gemeenten Bernisse en Spijkenisse een tweede aftakking opgenomen op de grens van deze gemeenten om een directe verbinding mogelijk te maken met de Botlek. Daarmee wordt het Rotterdamse havengebied, dat een lengte kent van 35 km op vier plaatsen ontsloten voor buisleidingen. Voor deze extra strook zal nog een zienswijzeprocedure worden gevolgd (indicatieve strook).

7.1.3.2 tracé door Hoekse Waard en Noord-Brabant

Vanaf de gemeente Binnenmaas volgt het tracé de Leidingenstraat Nederland en kruist daarmee het Hollands Diep ten westen van het haven- en industriegebied van Moerdijk. Door deze keuze komen andere onderzochte verbindingen in de Hoekse waard te vervallen. Deze voorzagen in een kruising van het Hollands Diep ten oosten van het haven- en industriegebied. Deze oostelijke kruising sluit aan op het tracé door Noord-Brabant, maar de verbinding tussen de Leidingenstraat Nederland met het tracé door Noord-Brabant naar het oosten is in de visiekaart gerealiseerd door ten zuiden van het haven- en industriegebied een verbinding ('kortsluitroute') tot stand te brengen. Deze constructie heeft tot voordeel dat optimaal gebruik gemaakt wordt van de Leidingenstraat Nederland (LSNed), dat daarmee onnodig ruimte gebruik en nadelige effecten in de Hoekse Waard worden vermeden. Tevens biedt dit mogelijkheden voor een betere ontsluiting van het haven- en industriegebied van Moerdijk.


In overleg met betrokken bedrijfsleven en de gemeente Moerdijk is het tracé ten zuiden van het haven- en industriegebied aangepast om de ontwikkeling van een logistiek park niet te belemmeren. Het tracé loopt voor een deel parallel aan het hoogspanningstracé (bestaand en nieuw tracé 380 kV).

7.1.3.3 tracés door Limburg

De verbinding vanuit Rotterdam naar Duitsland wordt nu gevormd door twee olie- en olieproductleidingen van de Rotterdam-Rijn-Pijpleidingsmaatschappij. Deze leidingen gaan via een compressorstation ten noorden van Venlo de grens over. Dit deel van het tracé wordt gekenmerkt door een groot aantal ruimtelijke ontwikkelingen in het verleden en plannen voor de toekomst die het leggen van nieuwe leidingen onmogelijk maken. Daarom is gekozen voor een alternatief voor de grensovergang in het noorden van de gemeente Venlo en wordt het tracé gevolgd dat vanuit de gemeente Horst aan de Maas zuidwaarts gaat. In het zuiden van de gemeente Venlo gaat een aftakking hiervan bij Tegelen de grens over. Deze verbinding is bedoeld zowel voor buisleidingen voor het transport van zowel vloeistoffen als gassen. Daarmee is de verbinding van Rotterdam naar het Ruhrgebied veilig gesteld.


Voor de verbinding van Rotterdam naar Zuid-Limburg is vanuit het bedrijfsleven een aantal zienswijzen ingediend waarin wordt gevraagd om een kortere verbinding. De indieners verzochten om de wel onderzochte strook tussen Laarbeek in Noord-Brabant en Echt-Susteren in Limburg alsnog in de Structuurvisie Buisleidingen op te nemen. Deze strook was mede gezien overwegingen van ruimtelijke efficiëntie en een ruimtelijk knelpunt bij Maasgouw niet opgenomen, maar is in de Ontwerp-Structuurvisie gekozen voor de route via Venlo en het oosten van de provincie Limburg. De indieners gaven aan dat de route via Venlo 25-30 km langer is dan de afgevallen route en dat gezien de gemiddelde kosten van het leggen van een leiding van €1 mln/km de investeringskosten dusdanig hoog kunnen worden dat van de investering in een nieuwe leiding en daarmee in het chemisch cluster bij Chemelot wordt afgezien. De strook is niet geschikt en niet bedoeld voor het leggen van aardgastransportleidingen. Na overleg met het betrokken bedrijfsleven van Midden-Limburtg en met de betrokken gemeenten is in de Structuurvisie een voorlopig tracé (indicatief) opgenomen. Voor dit tracé zal nog een zienswijzeprocedure worden gevolgd, die kan leiden tot eventuele aanpassing ervan.


In Zuid-Limburg wordt door de verbinding vanuit het noorden het chemiecluster Chemelot in Sittard-Geleen ontsloten. Dit chemiecluster ligt ook op de directe verbinding tussen Antwerpen en het Ruhrgebied. Deze verbinding is van wezenlijk belang voor het functioneren van het West-Europese haven- en chemiecluster. Daarom is in de hals van Limburg op de visiekaart een Oost-Westverbinding opgenomen. Ofschoon het gaat om een korte verbinding binnen de provincie zelf, wordt deze verbinding omwille van de functie ervan (onderdeel van verbindingen binnen het Noordwest-Europese cluster) gezien als van nationaal belang.

Door Zuid-Limburg lopen ook belangrijke verbindingen vanuit het noorden met Duitsland en België voor aardgastransport.


Het tracé door Limburg doorsnijdt een aantal grondwaterbeschermingsgebieden. Gezien de omvang van dit gebied dat een groot deel van de provincie Limburg bestrijkt, is een alternatief niet mogelijk. Daar waar de strook een waterwingebied kruist (bij Susteren) is wel een alternatief mogelijk, dat is opgenomen op de visiekaart. De provincie Limburg dient toestemming te geven voor het leggen van leidingen door de grondwaterbeschermingsgebieden en zal hiertoe voorschriften in de vergunningverlening opnemen die verontreiniging door bodembedreigende stoffen uitsluiten.

Door lokale verschuivingen van het tracé door Limburg is de kruising met Natura2000-gebieden beperkt.

7.1.4 Rijnmond - Zeeland/België

Ook deze hoofdverbinding verbindt het Noordwest-Europese haven- en industriecluster. Het tracé voor deze verbinding wordt gevormd door de Leidingenstraat Nederland die loopt van Rotterdam naar de Belgische grens bij Antwerpen. De Leidingenstraat Nederland is een strook van 100 meter breed die ook gebruikt wordt voor andere ondergrondse infrastructuur. Het Rijk werkt nog aan het verwerven van het nog ontbrekende deel van het tracé in de gemeente Reimerswaal.


De verbinding naar Zeeland en vervolgens naar België loopt door Zuid-Beveland naar het Sloegebied en via de Westerschelde naar het industriegebied bij Terneuzen en naar België. Hiermee worden de haven- en industriegebieden in Zeeland en België bereikt en onderling verbonden. De verbinding komt overeen met de verbinding in de Streekplanuitwerking van de provincie Zeeland.


Het tracé door Zuid-Beveland heeft de voorkeur boven een verbinding door Zeeuws-Vlaanderen. Het tracé van deze verbinding loopt aan Zeeuws-Vlaamse kant van de Schelde langs het Verdronken Land van Saeftinghe door een voor leidingen bestemde dam. In deze zogenoemde Gasdam ligt al een aantal leidingen en kabels; ruimte voor nieuwe leidingen is beperkt. Het Verdronken Land van Saeftinghe is een kwetsbaar en waardevol natuurgebied.

Aan de andere kant van de Gasdam ligt een ander natuurgebied, het Sieperdaschor en daarnaast de Hertogin Hedwigepolder. Hier speelt de kwestie van ontpoldering. Ingeval van ontpoldering zal de Gasdam ter weerszijden in een uitgestrekt natuurgebied komen te liggen. Met het oog op een ongestoorde ontwikkeling van dit gebied ligt het verder belasten van dit gebied met nieuwe buisleidinginfrastructuur door dit deel van Zeeuws-Vlaanderen niet voor de hand.


De maatschappelijke en politieke discussie over het natuurherstel Westerschelde en in het bijzonder de ontpoldering van de Hedwigepolder heeft geleid tot het zoeken naar alternatieve oplossingen en discussie met de Europese Commissie en het Vlaams Gewest. De besluitvorming over (alternatieven voor) de ontpoldering van de Hedwigepolder zal in het najaar van 2012 door de dan gevormde regering afgerond worden. Uitgaande van een keuze van een tracé dat loopt door Zuid-Beveland kunnen de uitkomsten in mindere of meerdere mate aanleiding zijn tot heroverweging van de leidingenstrook in de Structuurvisie.


Voor de kruising van de Westerschelde, een Natura2000-gebied, tussen het Sloegebied en Terneuzen zal een leidinglegger de nodige technische voorzieningen moeten treffen. Daarbij kan mogelijk samengewerkt worden tussen partijen voor het realiseren van een gezamenlijke infrastructurele voorziening.


Zeeland Seaports en de gemeente Terneuzen werken met enkele andere partijen aan een initiatief voor het uitwisselen van (rest)stoffen tussen bedrijven in de Kanaalzone van Terneuzen. Het betreft de ontwikkeling van een buisleidingenstrook met eventuele voorzieningen (o.m. kunstwerken; multicoreleidingen). Het milieu-effectonderzoek naar deze Multi Utility Providing (MUP) betreft een drietal tracés in de gemeente Terneuzen waaronder het tracé dat in de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen is opgenomen. De gemeente Terneuzen bereidt een eigen, gemeentelijke Structuurvisie Buisleidingen voor en een wijziging van het Bestemmingsplan Buitengebied waarin een buisleidingenstrook zal worden opgenomen. Naar verwachting worden gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplan begin 2013 vastgesteld. Indien de gemeente Terneuzen kiest voor een tracé, anders dan het tracé dat in de Structuurvisie is opgenomen, zal overleg tussen Rijk en gemeente plaatsvinden om dit tracé en dat van de nationale buisleidingenstrook te bundelen. Voorwaarde is dan wel dat de tracékeuze van Terneuzen voorziet in een doorgaande verbinding door Zeeland naar België voor leidingen van nationaal belang. Om die reden kan op de visiekaart bij deze Structuurvisie Buisleidingen nog geen definitief tracé voor de nationale buisleidingenstrook door Terneuzen worden aangegeven (indicatief tracé).


De Leidingenstraat Nederland (LSNed) kruist bij Bergen op Zoom een grondwaterbeschermingsgebied. Over de vereisten die worden gesteld aan de buisleidingen heeft de Leidingenstraat Nederland in overleg met de provincie Noord-Brabant en het Waterbedrijf BrabantWater technische voorschriften geformuleerd in plaats van de afspraken met afzonderlijke leidingexploitanten. Deze voorschriften zijn strenger dan de eisen die in de industriële norm NEN 3650/51 gesteld worden. De voorschriften komen er op neer dat in het grondwaterbeschermingsgebied vloeistofleidingen zwaarder moeten worden uitgevoerd (sterker staal) en dat pompen, aggregaten e.d. geplaatst moeten worden in een lekbak.

7.2 Grensovergangen en aanlandingspunten

Buisleidingen vormen een belangrijke modaliteit voor het internationale transport van gassen en vloeistoffen. Dat betekent dat grensovergangen naar Duitsland en België en aanlandingspunten vanuit de Noordzee naar het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen een belangrijke rol spelen in de ruimtelijke hoofdstructuur voor nieuwe buisleidingen. Op de visiekaart is aangegeven bij welke grensovergangen en aanlandingspunten ruimte vrijgehouden moet worden voor toekomstig buisleidingtransport.

7.2.1 Grensovergangen

Een belangrijke overweging bij de keuze van grensovergangen is of aan Duitse en Belgische kant ook ruimtelijke mogelijkheden bestaan voor buisleidingtransport. In overleg met de overheden van beide landen is vervolgens een keuze gemaakt. In beide landen geldt geen beleid dat voorziet in het reserveren van ruimte voor nieuwe leidingstroken. Van Vlaamse en Duitse kant is in zienswijzen gereageerd op de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen. Uit deze zienswijzen blijkt dat over het algemeen de grensovergangspunten geen problemen opleveren voor een doorgaand tracé in het buurland met uitzondering van de grensovergangspunten bij Tegelen (met Duitsland) en op de Belgische grens in de gemeente Reimerswaal (verbinding met Antwerpen).Hier zal in het buurland maatwerk nodig zijn om een geschikt tracé voor een nieuwe leiding te vinden.

7.2.1.1 Grensovergangen met Duitsland

Op de visiekaart zijn de volgende grensovergangen opgenomen

Naam grensovergangspunt   Structuurschema buisleidingen 1985   Gemeente in Nederland   Bezirken in Duitsland   Stoffen  
Termuntenzijl     Delfzijl   Weser-Ems   aardgas  
Oude Statenzijl - Bunde   DI   Oldambt   Weser-Ems   aardgas en overige  
Vlieghuis-Kalle     Coevorden   Weser-Ems   aardgas  
Enschede-Epe     Enschede   Münster NRW   aardgas  
Winterswijk-Vreden   DVI   Winterswijk   Münster NRW   aardgas  
Zevenaar-Elten   DVII   Zevenaar   Düsseldorf NRW   aardgas  
Tegelen     Venlo   Düsseldorf NRW   alle stoffen  
Nieuwstad-Millen   DIII   Echt-
Susteren  
Köln NRW   alle stoffen  
Bocholz-Aken   DIV   Simpelveld   Köln NRW   aardgas  

De grensovergangen bij Oude-Statenzijl, Winterswijk, Zevenaar en Bocholz waren ook reeds opgenomen in het Structuurschema van 1985. Deze grensovergangen zijn van belang voor import en export van aardgas. De grensovergang bij Nieuwstad in Limburg was ook opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985 en is vooral functioneel voor het transport van en naar het Ruhrgebied van diverse soorten stoffen.

Daarnaast zijn er vier nieuwe grensovergangen bijgekomen:

  • De grensovergang bij Termunterzijl via de Eems met het oog op gastransport vanuit Oost-Friesland.
  • De grensovergangen bij Vlieghuis en Enschede hebben beide ten doel aardgas te kunnen transporteren van en naar gasopslagen aan de andere kant van de grens met Duitsland. Bij Vlieghuis gaat het om een gasopslag bij Kalle, bij Enschede om een gasopslag bij Epe.
  • De grensovergang bij Tegelen ten zuiden van Venlo komt in de plaats van de grensovergang ten noorden van Venlo vanwege de vele ruimtelijke beperkingen op het tracé naar Venlo toe. De grensovergang bij Venlo was wel opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985 (nummer DII). De grensovergang bij Tegelen zal gebruikt worden voor zowel aardgastransport als voor transport voor andere stoffen.


Verder is ook de grensovergang bij Zwartemeer (Zwartemeer-Twist, DV) uit het Structuurschema van 1985 vervallen. Er is geen behoefte aan nieuwe ontwikkelingen gebleken die het gebruik van dit grensovergangspunt voor nieuwe leidingen rechtvaardigen.

De zienswijzeprocedure in de Bondsrepubliek Duitsland heeft opgeleverd dat er in het algemeen bij de grensovergangspunten aan de Duitse kant van de grens voldoende ruimte is voor het leggen van nieuwe leidingen. Bij het grensovergangspunt Tegelen-Kaldenkirchen wordt van Duitse kant aangegeven dat zich hier veel grondwaterbeschermings-gebieden en waterwingebieden bevinden. Het vinden van een geschikt tracé naar het Ruhrgebied of de industriegebieden in Rijnland zal maatwerk vergen. Ook bij de grensovergang bij Zevenaar kan aan Duitse kant maatwerk vereist zijn.

7.2.1.2 Grensovergangen met België

Op de visiekaart zijn de volgende grensovergangen met België opgenomen

Naam grensovergangspunt   Structuurschema buisleidingen 1985   Gemeente in Nederland   Gemeente in Vlaanderen   Stoffen  
Sas van Gent-Zelzate   B I   Terneuzen   Zelzate   alle stoffen  
Schelde-Rijnverbinding (Zeeland)   Nabij BIII   Reimerswaal   Antwerpen   alle stoffen  
Ossendrecht-Zandvliet   B III   Woensdrecht   Antwerpen   alle stoffen  
Hilvarenbeek   nabij BV   Hilvarenbeek   Ravels   aardgas  
Obbicht-Stokkem   B VII   Stein   Dilsen-Stokkem   aardgas  
Stein/Meers     Stein   Maasmechelen   alle stoffen  
Mesch-Moelingen (nabij Mheer)   B IX   Eijsden-Margraten   Voeren   aardgas  

De grensovergangen bij Sas van Gent, Reimerswaal, Ossendrecht, Obbicht en Mesch waren reeds opgenomen in het Structuurschema van 1985. Hun belang is nog steeds aanwezig, in Sas van Gent, Ossendrecht, Obbicht en Mesch voor transport van aardgas, in Sas van Gent ook voor grensoverschrijdend verkeer van andere stoffen, evenals in Reimerswaal en Meers.

De grensovergang bij Hilvarenbeek was niet als zodanig opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van 1985 maar vervangt de grensovergang Reusel-Arendonk (BV).

De grensovergang bij Stein/Meers komt in de plaats van de nabijgelegen grensovergang Stein/Urmond.


Verder zijn ook de grensovergangen bij Nispen (Nispen-Essen, BIV) en Emmadorp (Emmadorp-Prosperdorp, BII) uit het Structuurschema van 1985 vervallen. Er is geen behoefte aan nieuwe ontwikkelingen gebleken die het gebruik van deze grensovergangspunten voor nieuwe leidingen rechtvaardigen.


De zienswijze-procedure in Vlaanderen heeft opgeleverd dat er in het algemeen bij de grensovergangspunten aan de Vlaamse kant van de grens voldoende ruimte is voor het leggen van nieuwe leidingen. Bij een aantal grensovergangspunten zal aan Vlaamse kant bij de tracering van een nieuwe leiding rekening moeten worden gehouden met aanwezige natuurgebieden. Over de grensovergangen bij Antwerpen (in bovenstaande tabel de overgangen Schelde-Rijnverbinding en Ossendrecht-Zandvliet) blijft onzekerheid of aan Antwerpse kant nog voldoende ruimte is. Het leggen van een nieuwe leiding aan Vlaamse kant zal maatwerk vergen.

7.2.1.3 Overige grensovergangen

Op enkele andere plaatsen gaan ook leidingen de grens met Duitsland en België over, onder andere leidingen die vallen onder het Defensienet. Het gaat om singuliere leidingen. Bij deze grensovergangen, die niet in het Structuurschema van 1985 waren opgenomen, zijn geen nieuwe ontwikkelingen te verwachten en zij zijn daarom niet opgenomen op de visiekaart.

7.2.2 Aanlandingspunten

De aanlandingspunten die in de visiekaart zijn opgenomen staan weergegeven in onderstaande tabel.

Naam aanlandingspunt   Structuurschema buisleidingen 1985  
   
Eemshaven/Emmapolder/Warffum   Warffum  
Callantsoog   Ja  
IJmond   Ja  
Rijnmond   Ja  

De geselecteerde aanlandingspunten komen in grote lijnen overeen met het Structuurschema Buisleidingen uit 1985.


Aan de Noordzeekust bevinden zich aanlandingspunten bij de Maasvlakte, bij IJmuiden en bij Callantsoog, die worden voortgezet. Callantsoog is van belang gezien het belang van het noordelijk deel van het Continentaal Plat en met het oog op mogelijke aanlanding van aardgas uit Noorwegen. Er liggen hier al vier leidingen, onder ander een exportleiding voor aardgas naar het Verenigd Koninkrijk (BBL-leiding). Naar verwachting is de behoefte aan aanlanding van nieuwe leidingen in IJmond en Maasvlakte minder maar uitgesloten is dit niet, zeker ook vanwege mogelijk transport van CO2 ten behoeve van ondergrondse opslag in de Noordzee.


In het Structuurschema Buisleidingen van 1985 werd een aanlandingspunt bij Warffum voorzien. In de praktijk is dit aanlandingspunt niet gebruikt. In de Emmapolder ten westen van de Eemshaven landt een aardgasleiding aan. Hier beschikt Nordgastransport over een ontvangstinstallatie voor aardgas uit de Noordzee. Daarvandaan wordt behandeld gas verder getransporteerd. Aan de Waddenkant wordt de mogelijkheden van aanlanding beperkt door de aanwezigheid van een referentiegebied Natura2000.

De Provincie Groningen heeft in het Provinciaal Omgevingsplan de Eemshaven als aanlandingspunt aangewezen. Hier moet gerekend worden met een toename van aanlandig van hoogspanningskabels. Het tracé naar de Eemshaven ligt in de vaargeul. Het betreft een gebied met hoge dynamiek die mogelijk risicoverhogend kan zijn voor buisleidingen (gevaar van bloot komen liggen; raken door ankers).

Vooralsnog wordt in dit gebied geen aanlandingspunt aangewezen maar wordt het aanlandingspunt (of eventueel meerdere) in een later stadium vastgesteld als uitkomst van nadere besluitvorming over andere activiteiten die in dit gebied plaatsvinden (o.m. milieu-effectstudie voor een hoogspanningsverbinding). In opdracht van de ministers van EL&I en I&M wordt een Milieueffectstudie verricht voor toekomstige elektriciteits- en datakabels en gaspijpleidingen vanaf de Noordzee via de Noordzeekustzone, de Waddenzee en mogelijk het Eems-Dollardverdragsgebied naar de Eemshaven (MES kabels en leidingen Waddengebied)44.


Ook op andere plaatsen aan de kust landen bestaande leidingen aan. Hier worden echter geen nieuwe leidingen verwacht en deze sluiten ook niet aan op de leidingstroken in de hoofdstructuur.


7.3 Plan-milieu-effectrapportage (planmer)

7.3.1 Proces

Ten behoeve van de Structuurvisie Buisleidingen is een plan-milieu-effectrapportage (planmer) opgesteld waarbij alternatieven voor verbindingen door Nederland zijn onderzocht en waar op de alternatieven die de voorkeur hebben is onderzocht of zich hier specifieke knelpunten voordoen met betrekking tot milieu, veiligheid, natuur, landschap45.

De keuze van de hoofdverbindingen en daarbinnen van de tracés is in belangrijke mate gebaseerd op de bevindingen uit de milieueffectrapportage die ten behoeve van de structuurvisie is opgesteld.

Daar waar het plan-milieu-effectrapport (planMER) lokaal een alternatief aandraagt is daar in de visiekaart op enkele uitzonderingen na rekening gehouden. Die uitzonderingen hebben er doorgaans mee te maken dat op de specifieke locatie de situatie misschien toch anders was dan op het abstractieniveau van het planMER gezien kon worden.

Bij het ontwerpen van de visiekaart is in het bijzonder ook rekening gehouden met Natura2000-gebieden, archeologische vindplaatsen (monumenten) en externe-veiligheidsituaties. In de milieueffectenrapportage is aangegeven waar hiervan sprake is en welke alternatieven er zijn. Daar waar er lokaal geen alternatieve tracés voor handen zijn geeft het planMER aan wat eventuele maatregelen zijn. Het planMER doet dit algemene zin, niet locatiespecifiek. Het treffen van maatregelen is pas aan de orde als er een leiding gelegd gaat worden. De maatregelen zijn een verantwoordelijkheid van de leidinglegger. Het kan gaan om maatregelen bij aanleg en beheer van een leiding dan wel om compenserende maatregelen bijvoorbeeld bij Natura2000. Dergelijke maatregelen kunnen ook toegepast worden bij kruisingen met de Ecologische Hoofdstructuur. Dit laat onverlet dat ook vergunningverleners eigen voorwaarden kunnen stellen aan de nieuwe leiding.

7.3.2 Advies Commissie MER

De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie MER) heeft op 17 november 2011 een toetsingsadvies46 uitgebracht over dit planMER, die samen met de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen in juni 2011 ter inzage heeft gelegen. De Commissie MER concludeert dat de informatie in het planMER niet op alle onderdelen toereikend is. Op strategisch niveau adviseert de commissie onder meer om nog aanvullend onderzoek te doen naar onder andere Natura 2000 gebieden en EHS-gebieden (Ecologische Hoofdstructuur) en de haalbaarheid van enkele grenspassages. Op lokaal niveau is volgens de commissie de informatie niet op alle onderdelen toereikend om de inpassing van de tracés op bestemmingsplanniveau adequaat te kunnen onderbouwen. De commissie vindt een gedetailleerde beschrijving van milieueffecten en eventuele mitigerende maatregelen daarvoor noodzakelijk.

Naar aanleiding van het advies van de Commissie MER is er aanvullend onderzoek uitgevoerd voor het planMER op het gebied van Natura 2000, EHS en grensovergangen. Daarnaast zijn andere punten van de commissie (verbeteren samenvatting planMER, informatie over de risicocontouren van leidingen met chemische stoffen) ook meegenomen. Dit onderzoek was in mei 2012 gereed.

Ten aanzien van het detailniveau van het planMER geldt dat het planMER een onderzoek op strategisch niveau betreft waarbij op grond van allerlei milieu-effecten een keuze is gemaakt voor een voorkeurstracé van leidingstroken. Dat betekent dat niet op bestemmingsplanniveau, maar op een hoofdlijnen onderzoek plaats heeft gevonden. Daar waar zich knelpunten op de onderzochte leidingstroken voordeden is ingezoomd op een hoger detailniveau ('bestemmingsplanniveau'), om na te gaan of het knelpunt opgelost kon worden en de leidingstrook alsnog een doorgaande verbinding kon vormen. Dit is echter niet voor het gehele tracé gedaan, omdat dit niet noodzakelijk was voor de onderlinge afweging en keuze tussen bepaalde stroken.


Hierna volgt een korte inhoudelijke bespreking van de adviezen van de Commissie MER en de bevindingen van het aanvullend onderzoek.


Leidingen voor chemische stoffen

De Commissie adviseert voor buisleidingen voor chemische stoffen aan te geven hoe zal worden omgegaan met beperkingen bij het transport van gevaarlijke stoffen en welke handvatten geboden kunnen worden voor het omgaan met bebouwingsdichtheden rond deze leidingen.

Het onderzoek door het RIVM naar de risicocontouren van chemicaliënleidingen wordt eind 2012 afgerond en naar de maatregelen om de risicocontouren van bestaande leidingen te verkleinen in 2013. Dan zijn de risico's van deze leidingen bekend. Als het voor bepaalde leidingen de grenswaarde van de plaatsgebonden risicocontour op meer dan vijf meter zou liggen, dan kan binnen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gebruik worden gemaakt van een uitzonderingsclausule. Maar wel geldt als voorwaarde dat deze contour binnen de leidingstrook valt, óók als het een versmalde strook betreft.

In paragraaf 8.2 is een indicatieve tabel opgenomen met typeringen van woonwijken in relatie tot het groepsrisico afhankelijk van een mix van nieuwe transportleidingen.


Relatie met windturbines

De Commissie adviseert in de vervolgfase na te gaan welke mitigerende maatregelen nodig zijn om de risico's van een windturbine nabij een buisleiding met gevaarlijke stoffen te beperken.

Naar de relatie van de aanwezigheid van een windturbine op een buisleiding voor gevaarlijke stoffen vindt nog onderzoek plaats. Het is de bedoeling dat de informatie uit dit onderzoek wordt gebruikt in het Handboek Risicozonering Windturbines.


Natura 2000

De Commissie adviseert te onderzoeken wat de gevolgen zijn van de buisleidingenstrook op een Natura2000-gebied.

Naar de relatie buisleidingenstrook en Natura2000-gebieden is aanvullend onderzoek gedaan (Passende beoordeling Structuurvisie Buisleidingen). De passende beoordeling is op hoofdlijnen uitgevoerd en betreft zowel Natura2000-gebieden waarvoor in het planMER een alternatieve route voorgesteld is als Natura2000-gebieden waarvoor een alternatieve route niet voorhanden is. Er zijn 23 gebieden onderzocht. Bij ca. een kwart van de gebieden wordt bij een omleiding van het tracé geen significante negatieve effecten verwacht. Bij een ruim de helft van de gebieden zijn significant negatieve effecten niet uit te sluiten, maar is geen omleiding van de strook realiseerbaar. Bij de overige zijn geen significant negatieve effecten te verwachten.

De passende beoordeling geeft een overzicht van mogelijke mitigerende maatregelen om effecten op Natura2000-gebieden te voorkomen. Of deze maatregelen de significant negatieve effecten geheel kunnen tegengaan hangt af van een specifieke situatie op het moment dat een leiding wordt gelegd. Als mitigerende maatregel wordt genoemd het verleggen van het tracé (dit is in de Structuurvisie waar mogelijk toegepast). Daar waar het Natura2000-gebied niet vermeden kan worden kan verlegging van het tracé binnen het gebied een oplossing zijn. Verder worden als mogelijkheden genoemd: technische maatregelen zoals het boren onder grote watergangen en uitvoeringsmaatregelen tijdens werkzaamheden. Andere maatregelen liggen in de organisatorische sfeer zoals zodanige planning en fasering van werkzaamheden waarmee de effecten beperkt blijven. Daar waar toch sprake is van aantasting van het gebied zal de leidingexploitant compenserende maatregelen moeten treffen. De passende beoordeling adviseert ook om voor leidingen door Natura2000-gebieden een plan op te stellen hoe te handelen in geval van een calamiteit (bijvoorbeeld een lekkage).

In Bijlage 4 is aangegeven hoe met de buisleidingstroken door of langs deze Natura2000-gebieden is omgesprongen.


EHS-gebieden

De Commissie MER adviseert de ligging van de EHS-gebieden (Ecologische Hoofdstructuur) weer te geven en een beschrijving van de gebieden te geven en daarbij aan te geven hoe het nee tenzij-regime is uitgewerkt en mogelijkheden van ruimtelijke omleidingen in beeld te brengen.

In het aanvullend onderzoek zijn de EHS-gebieden in beeld gebracht die door de buisleidingenstroken gekruist worden. Het gaat om ca. 160 gebieden waarvan de natuurwaarden globaal in beeld zijn gebracht. In bijna 40% van de situaties verwacht Arcadis dat de situatie oplosbaar is door een aanpassing van het tracé. In ruim 40% van de gevallen is omlegging gewenst maar waarschijnlijk niet realiseerbaar; hier is lokaal maatwerk noodzakelijk. Dit is vrijwel uitsluitend het geval in de provincies Noord-Brabant en Limburg. In de overige 20% is omlegging ook lastig te realiseren maar wordt verwacht dat bij een juiste planning en uitvoering van werkzaamheden geen permanente aantasting hoeft plaats te vinden.

Het planMER noemt een aantal mogelijke mitigerende maatregelen die kunnen worden getroffen om effecten op EHS-gebieden te verminderen. Deze maatregelen komen overeen met die voor leidingen door of langs Natura2000-gebieden.

In aanvullingen op de bevindingen uit het aanvullend plan-milieu-effectonderzoek kan nog opgemerkt worden dat voor activiteiten in EHS-gebieden spelregels zijn opgesteld. Dit beleidskader47 kent een saldobenadering waarbij projecten en handelingen in combinatie worden bezien, gericht op verbetering van de kwaliteit van het gebied. Als een saldobenadering niet mogelijk is, geldt de 'nee, tenzij'-benadering, waarbij wordt nagegaan of er sprake is van een groot openbaar belang, alternatieven voorhanden zijn en compenserende maatregelen mogelijk zijn. Dit kader, in combinatie met technische mogelijkheden om leidingen te leggen zonder een gebied te verstoren (boringen) en de mogelijkheid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) kleine wijzigingen in het tracé van de buisleidingenstrook aan te brengen, moet voldoende garantie bieden om nieuwe buisleidingen te kunnen leggen. In het kader van de decentralisatie van het natuurbeleid is afgesproken dat de herijkte ecologische hoofdstructuur op 30 juni 2013 zal zijn vastgelegd door de provincies in een verordening om zo snel mogelijk een einde te maken aan planologische schaduwwerking.


Grensoverschrijdende effecten

De Commissie adviseert te onderzoeken in hoeverre de beoogde grenspassages haalbaar zijn en de effecten in beeld te brengen.

In de Passende beoordeling Structuurvisie Buisleidingen is ook een hoofdstuk opgenomen met een verkenning van buitenlandse Natura2000-gebieden. Uit deze verkenning blijkt dat het kan gaan om 11 gebieden die mogelijk kunnen worden beïnvloed door werkzaamheden met betrekking tot buisleidingen. Mede op basis van zienswijzen ontvangen uit Vlaanderen en Duitsland is bij het merendeel der grensovergangen geen belemmering aan de andere kant van de grens te verwachten, met uitzondering van met name de grensovergangen bij Zevenaar en Tegelen. Hier zal aan Duitse kant bij het vinden van een geschikt buisleidingentracé maatwerk nodig zijn.


7.4 Doorsnijding Grondwaterbeschermingsgebieden

Bij het vinden van de juiste tracés voor nieuwe buisleidingen is onder meer er op gelet dat deze tracés grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden zoveel mogelijk ontwijken. Op een aantal plaatsen is het niet mogelijk gebleken kruising van grondwaterbeschermingsgebieden te voorkomen. Dit is met name geval het geval bij Bergen op Zoom en Huijbergen (gemeente Woensdrecht) in Noord-Brabant, Ridderkerk en Krimpen aan de IJssel in Zuid-Holland, Raalte/Deventer in Overijssel en op een aantal plaatsen in Limburg. Naar aanleiding van een zienswijze van de gemeente Wierden in de provincie Overijssel is een buisleidingenstrook alsnog om een grondwaterbeschermingsgebied gelegd. In Raalte/Deventer is naar aanleiding van de zienswijze van de gemeente Deventer en na overleg met de provincie Overijssel, gezien het gebruik van de strook door aardgastransportleidingen, ervoor gekozen de leidingstrook wel door het grondwaterbeschermingsgebied (maar niet door het waterwingebied) te laten lopen, om daarmee een externe-veiligheidsprobleem bij de kern Okkenbroek te vermijden.

Provinciale verordeningen kunnen onder voorwaarden toestemming geven aan het leggen van leidingen in dergelijke kwetsbare gebieden. Deze voorwaarden kunnen zijn alleen uitzondering te maken voor leidingen voor aardgas of het treffen van extra maatregelen om lekkage naar de bodem te voorkomen.

Bij Bergen op Zoom kruist de Leidingenstraat Nederland een grondwaterbeschermingsgebied. Naar aanleiding van de aanleg van een vloeistofleiding in de Straat is in overleg met de provincie Noord-Brabant en het waterbedrijf Brabant Water een oplossing gevonden die de Leidingenstraat Nederland in haar Algemeen Technische Voorschriften 2009 opgenomen. De Leidingenstraat Nederland werkt aan een structurele oplossing door in overleg met het waterbedrijf maatregelen voor leidingexploitanten in een overeenkomst vast te leggen.


De onderbouwing van de visiekaart is beschreven in de bijlagen 3 (proces) en 4(relatie met de milieu-effectrapportage).

7.5 Maatschappelijke kosten en baten

Naast het planMER is ook een maatschappelijke-kosten-batenanalyse (MKBA)48 uitgevoerd naar het vrijhouden van ruimte voor buisleidingen. Het vrijhouden van ruimte kan kosten met zich meebrengen voor overheden, omdat de ruimte in verstedelijkt gebied niet meer voor allerlei bebouwing gebruikt kan worden. Deze kosten zijn geraamd door de ruimtelijk plannen, zoals die in de Nieuwe Kaart van Nederland waren weergegeven, te vergelijken met de geplande tracés. Bij de knelpunten zijn de kosten geraamd.


Het vrijhouden van ruimte leidt ook tot baten. Een aantal baten is gekwantificeerd, maar er zijn ook niet kwantificeerbare baten.


Bij kwantificeerbare baten gaat het om de volgende factoren:

  • Vermeden aanlegkosten. Bij het vrijhouden van ruimte is het mogelijk om korte routes te kiezen. Het niet vrijhouden zou vaker tot omwegen leiden bij toenemende ruimtedruk. Het verschil in investeringskosten (in feite de vermeden investeringskosten) wordt beschouwd als baat van het vrijhouden van ruimte.
  • Vermeden exploitatie en onderhoudskosten. Een kortere route betekent ook lagere exploitatie en onderhoudskosten. Dit is een jaarlijks terugkerend effect.
  • Kortere proceduretijd. Het vastleggen of vrijhouden van ruimte in gemeentelijke bestemmingsplannen vermindert en verkort de procedures. Verwacht wordt dat de huidige proceduretijd van vijf jaar kan worden gehalveerd. Dit versterkt de concurrentiepositie van Nederland.
  • Vermeden procedurekosten. Ook de procedurekosten kunnen aanzienlijk worden beperkt bij vastgelegd leidingstroken. Door bundeling van buisleidingen kan deze besparing zelfs nog groter worden.

Kosten in de private sfeer zoals het vergoeden van schade aan gewassen en andere private afspraken zijn niet afzonderlijk meegenomen in de MKBA. Dergelijke kosten zijn voor een leidingexploitant onderdeel van aanleg en exploitatiekosten.


Niet of moeilijk kwantificeerbare factoren zijn:

  • Minder versnippering. Het vrijhouden van ruimte maakt het mogelijk om te sturen op bundeling van nieuwe leidingen langs bestaande tracés. Hierdoor wordt het ruimtebeslag kleiner dan wanneer geen bundeling had kunnen plaatsvinden, omdat de ruimte al voor andere functies wordt gebruikt.
  • Modal shift. Het vrijhouden van ruimte neemt een belangrijke drempel weg voor het gebruik van buisleidingen. Dit betekent dat minder vaak zal worden gegrepen naar alternatieve vervoerwijzen, met daarbij behorende extra maatschappelijke kosten. Deze baten zijn in de studie niet uitgewerkt.
  • Verbetering concurrentiepositie Nederland. Voor veel producenten van chemische producten is het vervoer per buisleiding een levensvoorwaarde. Het gaat om wereldwijd opererende bedrijven en het al dan niet kunnen aanleggen van buisleidingen weegt mee in keuzes tot vestiging of uitbreiding in Nederland. Dit een zeer belangrijke batenpost die tegelijkertijd moeilijk te monetariseren is, omdat investeringsbeslissingen van vele factoren afhankelijk zijn.
  • Hogere veiligheid: bundeling in stroken zorgt voor een grotere bekendheid van de ligging; de samenwerking door exploitanten bij het beheer van de leidingstroken draagt ook bij aan de veiligheid.

Deze baten komen ten goede aan de Nederlandse belangen en aan de leidingexploitanten.


Conclusie van het MKBA-onderzoek is dat het vrijhouden van ruimte loont. In alle alternatieven en varianten is sprake van een positieve kosten-baten verhouding. Maar met name de verbetering van de concurrentiepositie is een belangrijke factor. Het niet hebben van geschikte verbindingen voor buisleidingtransport zal nadelig zijn voor de chemie en voor het gastransport. Dat betekent dat het vrijhouden van ruimte voor leidingen zinvol is, ook bij lagere economische groei.


7.6 Indicatieve tracés

De verbindingen op de visiekaart zijn zodanig gekozen dat het aantal ruimtelijke of externe-veiligheidsknelpunten beperkt blijft. Waar lokaal wel ruimtelijke knelpunten optreden kunnen deze doorgaans opgelost worden, bijvoorbeeld door het versmallen of verleggen van de strook. Externe-veiligheidsknelpunten zijn eveneens met passende maatregelen op te lossen.


In een aantal situaties vergt het vinden van het juiste tracé echter een nadere analyse en overleg. Het betreft de volgende situaties waarvoor op de visiekaart een indicatief tracé is aangegeven:

  • Tracé van en naar de Eemshaven: in Groningen vindt besluitvorming plaats over het ontwikkelen van een regionale Buizenzone tussen Eemshaven en Delfzijl. In afwachting hiervan en uitgaande van bundeling van de Buizenzone en de nationale buisleidingenstrook kan het tracé nog wijzigen;
  • Aanlandingspunt Noord-Groningen: hier zijn de aanlandingspunten indicatief aangegeven en zal een nadere keuze gemaakt gaan worden waarbij een relatie ligt met besluitvorming over leidingtraces in de Waddenzee.
  • Tracé door de gemeente Enschede: vanuit de regio is een alternatief aangedragen dat is opgenomen in de Structuurvisie. De strook loopt in de Structuurvisie door tot het grensovergangspunt Glanerbrug. Aangezien de regio een ander grensovergangspunt had voorgesteld en een deel van de strook niet in het voorstel van de regio was opgenomen, is de regio gelegenheid gegeven met een voorstel voor een geschikter tracé richting grensovergangspunt Glanerbrug te komen.
  • Tracé door Agriport A7 (gemeente Hollands Kroon): tussen betrokken partijen vindt nog overleg plaats over het vinden van een geschikt tracé door dit gebied bestemd voor agribusiness (kassen en verwante bedrijvigheid) en ambities voor het ontwikkelen van een windpark.
  • Regio Arnhem-Nijmegen: bij Duiven en Zevenaar loopt het tracé van de buisleidingenstrook parallel aan het mogelijke tracé van de te verlengen A15. Beide tracés zullen onderling worden afgestemd. Het definitieve tracé voor de leidingenstrook wordt dus later vastgesteld.
  • Tracé door de gemeente Terneuzen: de gemeente bereidt besluitvorming voor over het tracé van een buisleidingenstrook in Terneuzen, mede met het oog op de ontwikkeling van een lokale buisleidingenstrook (Multi Utility Provinding). In afwachting hiervan en uitgaande van bundeling van de lokale en nationale buisleidingenstrook kan het tracé van laatstgenoemde nog wijzigen.
  • Grensoverschrijdingspunten met Vlaanderen bij Antwerpen: er vindt afstemming plaats met planvorming in Vlaanderen en het vinden van geschikte tracés aan Vlaamse zijde.
  • Buisleidingenstrook Laarbeek-Echt-Susteren: naar aanleiding van ontvangen zienswijzen en na overleg met betrokken partijen is met het oog op een kortere verbinding tussen het Rotterdamse havengebied en het chemiegebied in Midden-Limburg deze buisleidingenstrook opgenomen. Het tracé van deze strook heeft een voorlopig karakter aangezien de nog te volgen zienswijzeprocedure kan leiden tot aanpassingen van het tracé van de strook.
  • Buisleidingenstrook Bernisse/Spijkenisse: naar aanleiding van een ontvangen zienswijze en na overleg met betrokken gemeenten is deze buisleidingenstrook opgenomen om het Botlekgebied te ontsluiten. Ook het tracé van deze strook heeft een voorlopig karakter aangezien de nog te volgen zienswijzeprocedure kan leiden tot aanpassingen van het tracé van de strook.


Nader onderzoek en daar waar aan de orde, zienswijzeprocedures kunnen eventueel leiden tot een andere tracékeuze. Het kan ook zijn dat volstaan kan worden met het aanbrengen van extra beschermende maatregelen bij nieuw aan te leggen leidingen, waardoor de risico's worden verkleind. Ook kan worden gekozen om leidingen te leggen in een infrastructurele voorziening, zoals een leidingengoot of -tunnel. Extra kosten komen ten laste van leidingexploitanten die gebruik maken van het tracé.

Per situatie zal gezocht worden naar een oplossing die een doorgaande verbinding mogelijk maakt, maar tevens haalbaar en betaalbaar is. Uitgangspunt bij al deze situaties is dat partijen de overtuiging hebben dat er een geschikte oplossing gevonden kan worden en een doorgaande verbinding mogelijk is.


De Kamer zal over de uitkomsten van het overleg en onderzoek worden geïnformeerd.


De in de Ontwerp-Structuurvisie Buisleidingen aangegeven situaties met een indicatief tracé in de gemeenten Oss en Moerdijk hebben inmiddels geleid tot een vastgesteld tracé (zie voorafgaande paragrafen). Ook voor deze situaties geldt dat gemeenten de mogelijkheid hebben de tracés te optimaliseren binnen een zoekgebied van 250 m ter weerszijden van de strook.


7.7 Relatie met beleid uit Structuurschema Buisleidingen 1985

De visiekaart die in deze Structuurvisie is opgenomen komt in belangrijke mate overeen met de visiekaart van het Structuurschema Buisleidingen uit 1985. De belangrijkste overeenkomsten zitten in de hoofdverbindingen tussen Rijnmond en het Noordzeekanaalgebied, tussen Rijnmond en Duitsland door Noord-Brabant en tussen Rijnmond en Zeeland en België. Ook de verbinding door het oosten van het land naar Noord-Nederland was reeds opgenomen in het Structuurschema, zij het dat het Rijk nu kiest voor een tracé door Centraal-Drenthe in plaats van voor een tracé door het oosten van Drenthe.

Toegevoegd op de nieuwe visiekaart zijn verbindingen voor met name aardgas door Noord- en West-Nederland. Ook kennen de hoofdverbindingen naar het noorden een ander verloop in Midden-Nederland. In Noord-Brabant is ten opzichte van het Structuurschema een verbinding opgenomen door het zuiden van de provincie ten behoeve van aardgastransport naar België.

Voor de verbinding naar Zuid-Limburg was in het Structuurschema een verbinding door het oosten van Noord-Brabant opgenomen, In de Ontwerp-Structuurvisie was deze verbinding verlegd naar een tracé door het noorden van Limburg. Naar aanleiding van ontvangen zienswijzen is de verbinding door het oosten van Brabant (Laarbeek - Echt-Susteren) opgenomen. Het tracé van deze strook heeft een voorlopig karakter aangezien de nog te volgen zienswijzeprocedure kan leiden tot aanpassingen van het tracé van de strook.


Een aantal verbindingen uit het Structuurschema Buisleidingen zijn niet meer opgenomen in deze Structuurvisie. Het gaat met name om de verbinding van Groningen naar West-Nederland door de Flevopolders, de verbinding vanuit Noord-Holland via Utrecht naar Gelderland en de verbinding door Zeeuws-Vlaanderen.


Hierboven is reeds aangegeven welke grensovergangspunten en aanlandingspunten zijn gewijzigd ten opzichte van het Structuurschema Buisleidingen.

7.8 Draagvlak

In de voorbereiding van deze Structuurvisie is het draagvlak voor buisleidingen getoetst onder burgers en maatschappelijke organisaties.

7.8.1 Burgers

Uit onderzoek onder burgers49 blijkt dat de buisleiding een relatief onbekende vervoersmodaliteit is. Desondanks heeft de burger wel het idee dat het een relatief veilige en schone vorm van transport is. Hij geeft dan ook de voorkeur aan buisleidingtransport boven het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. De burger gaat ervan uit dat overheid en bedrijfsleven het buisleidingtransport goed en veilig hebben geregeld. Er is ook weinig bezwaar tegen het uitbreiden van het transport door buisleidingen.


De uitkomsten van het onderzoek verschillen nauwelijks voor burgers die wel of die niet in de nabijheid van een buisleiding wonen. Burgers willen wel op de hoogte gehouden worden van de komst van nieuwe buisleidingen. Hiervoor zien zij de gemeente als het aangewezen loket.

7.8.2 Maatschappelijke organisaties

Gemeenten, provincies en het bedrijfsleven zijn nadrukkelijk betrokken bij de totstandkoming van deze Structuurvisie. Daarnaast is ook overleg geweest met andere organisaties die belang hebben bij buisleidingtransport en het gebruik van ruimte daarvoor. Er is contact geweest met organisaties van milieu, natuur en landschap, LTO en organisaties van grondbezitters. Ook vergunningverleners zijn in het proces betrokken, m.n. waterwinbedrijven, Rijkswaterstaat, Prorail en waterschappen. Over het algemeen kan gesteld worden dat de doelen van het beleid gedeeld worden maar dat er nog wel vragen zijn bij de gevolgen hiervan (ruimtelijke reservering van tracés voor leidingstroken).

Met name LTO en de Federatie Particulier Grondbezit (FPG) hebben aandacht gevraagd voor de positie van de grondeigenaar ten opzichte van een leidinglegger. Zij zien deze positie achteruit gaan door de Structuurvisie Buisleidingen en de daarin opgenomen hoofdstructuur van buisleidingenstroken. Deze organisaties willen dat in de opvolger van de Belemmeringenwet privaatrecht versterking van de positie van de grondbezitter wordt vastgelegd.

Het Kabinet is van mening dat organisaties van grondeigenaren en de leidingsector goed in staat zijn zelf onderling, privaatrechtelijk afspraken te maken over de wijze waarop het leggen van een nieuwe leiding tot stand komt, hoe zakelijk-rechtovereenkomsten tot stand komen en hoe eventuele schade vergoed wordt. Daarbij hoort dat de grondeigenaar tijdig wordt geïnformeerd. In de praktijk werkt het vaak al zo. Overleg over privaatrechtelijke afspraken vindt ook plaats tussen LTO, FPG en TenneT over hoogspanningsinfrastructuur.