Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Rijkevoort Buitengebied, Papenvoortsedijk 4a, vormverandering bouwvlak
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenvdk4a-VA01

PREAMBULE

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het realiseren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Papenvoortsedijk 4a in het buitengebied van Rijkevoort en vormt juridisch het nieuwe hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22f gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22f gelezen worden.
 

1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik en voorrangsbepalingen

1.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Papenvoortsedijk 4a in het buitengebied van Rijkevoort (TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Buitengebied Rijkevoort, Papenvoortsedijk 4a, vormverandering bouwvlak), waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenvdk4a-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

1.2 Voorrangsbepaling

  1. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in de bestemmingsplannen:
    • Buitengebied 2018 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand
      NL.IMRO.0756.BP18BmrBuiten-VG01;
    • Veegplan Buitengebied 2018 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0756.VP20BmrBuiten-VG01;
    • Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Land van Cuijk 2023 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.BPParkeernormen23-VA01;
      die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
  2. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels van het omgevingsplan opgenomen in:
    1. hoofdstuk 22, afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan (vergunningvrije activiteiten), en
    2. hoofdstuk 22, afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten, voor zover de regels bedoeld in sub a en b in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

3.1 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Rijkevoort Buitengebied, Papenvoortsedijk 4a, vormverandering bouwvlak met identificatienummer NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenvdk4a-VA01, in deze regeling eveneens als ‘dit hoofdstuk’ of ‘Hoofdstuk 22f’ aangehaald;

3.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk;

3.3 Verbeelding

De digitale weergave van het TAM-omgevingsplan als vervat in het GML- bestand NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenvdk4a-VA01.  

3.4 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden regels worden gesteld.

3.5 Aan huis gebonden beroep

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, waaronder tevens de beroepen van schoonheidsspecialiste, manicure en pedicure en uitgezonderd prostitutie, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend en een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

3.6 Agrarisch bedrijf

Bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf.

3.7 Agrrarisch grondgebruik

Gebruik van de grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of middels het houden van dieren.

3.8 Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.

3.9 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.10 Bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw dan wel op of bij een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk moet worden geacht.

3.11 Bedrijfsgebouw

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

3.12 Beperkingen veehouderij

Gebied waar de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen beperkt zijn.

3.13 Bestaand

Bouwwerken die aanwezig zijn op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan of gebouwd zijn c.q. kunnen worden overeenkomstig de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wet gegeven voorschriften, tenzij in de regels in plaats van het tijdstip van terinzagelegging een datum genoemd wordt.

3.14 Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd en op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

3.15 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

3.16 Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond, zijnde de eerste bouwlaag en met uitzondering van kelder, souterrain, zolder en vliering.

3.17 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.18 Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

3.19 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.20 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen of ander materiaal die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

3.21 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, met uitzondering van internetverkoop, aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor gebruik ter plaatse.

3.22 Dierenverblijf

Gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.

3.23 Erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

3.24 Erf- terreinafscheiding

Afscheiding, inclusief poort, van een erf en/of gedeelte van een erf (terrein).

3.25 Extensief recreatief medegebruik

Het mede benutten van de gronden voor wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, skaten, ballonvaren, paramotorvliegen, etc.

3.26 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.27 Hokdierhouderij

Veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij.

3.28 Hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen of gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken.

3.29 Huishouden

Een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzaam huishouden voeren of willen voeren.

3.30 Intensieve veehouderij

Een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen.

3.31 Mestbewerking

De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest.

3.32 Omheining

Afscheiding van hout, draad of gaas.

3.33 Omschakeling

Geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm.

3.34 Ondergeschikte (productiegebonden) detailhandel

Detailhandel welke aan de hoofdactiviteit productie en/of installatie gerelateerd is, dan wel deze hoofdactiviteit ondersteunt. De detailhandel is voorts ondergeschikt in termen van benutte bedrijfsruimte.

3.35 Paardenrijbak

Een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout of boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining.

3.36 Peil

  1. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  3. voor stacaravans/chalets ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – peil’: tussen de hoogte van de aan de voorgevel gelegen openbare weg en één meter daarboven, waarbij feitelijk gemeten wordt van de afgewerkte begane grondvloer die tussen voornoemde punten ligt;
  4. voor bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – peil: de bovenzijde van de fundering.
 

3.37 Perceel

Aaneengesloten, bij elkaar behorende en in het gebruik een eenheid vormende gronden.

3.38 Perceelsgrens

Een lijn die een perceel van een ander perceel, ander terrein of van de openbare weg scheidt.

3.39 Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

3.40 Recreatie

Vrijetijdsbesteding zoals verblijfsrecreatie, dagrecreatie, agrotoerisme en extensief recreatief medegebruik.

3.41 Statische opslag

Binnen opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf.

3.42 Veehouderij

Agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.

3.43 Verkoopoppervlakte

De totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank (= netto-vloeroppervlakte).

3.44 Voorgevel

Elke naar de weg of openbaar toegankelijk gebied toegekeerde gevel van een (hoofd)gebouw.

3.45 Waterhuishoudkundige voorzieningen

Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan infiltratievoorzieningen (zoals infiltratiekratten, wadi's, infiltratiegreppels, doorlatende bestrating en infiltratie- en transportriolen), dijken, dammen, grondwallen, duikers, stuwen, gemalen, inlaten etc.

3.46 Weg

Alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten.

3.47 Woning

Een (gedeelte van een) gebouw, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit TAM-omgevingsplan in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt.
      

4.1 Afstand

Tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen waar deze afstand het kortst is, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals goten.

4.2 Dakhelling

Langs het dakvlak gemeten ten opzichte van het horizontale vlak.

4.3 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.4 Hoogte

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.5 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.6 Lengte- en breedte van een bouwwerk

Tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren.

4.7 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.8 Verticale bouwdiepte van een bouwwerk

Vanaf het bouwkundige peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch.

7.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. agrarisch grondgebruik;
  2. één veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', waarbij geldt dat uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' ook een intensieve veehouderij is toegestaan;
  3. ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’, een bedrijfswoning;
  4. statische opslag tot maximaal 1.000 m² en bovendien niet meer dan 50% van de aanwezige bedrijfsgebouwen;
  5. kleinschalig (maximaal 15 plaatsen) kamperen;
  6. ondergeschikte detailhandel in eigen en/of streekgebonden agrarische producten;
  7. aan huis gebonden beroepen;
  8. tuinen, erven en terreinen, mits binnen bouwvlak;
  9. groen voorzieningen;
  10. extensief recreatief medegebruik;
  11. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen.
 

7.3 Beoordelingsregels bouwwerken

7.3.1 Gebouwen
De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:
  1. gebouwen worden uitsluitend binnen het bouwvlak en op minimaal 5 meter afstand van de perceelsgrenzen gebouwd;
  2. de goothoogte en hoogte bedragen respectievelijk niet meer dan 5,5 en 10 meter;
  3. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 750 m³;
  4. voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen gelden tevens de volgende bepalingen:
    1. voor veehouderijen buiten de aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ mag de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven die:
      1. op het tijdstip van vaststelling van het TAM- omgevingsplan legaal aanwezig zijn of in uitvoering zijn; dan wel
      2. gebouwd mogen worden krachtens een vóór de vaststelling van het TAM- omgevingsplan verleende omgevingsvergunning.
7.3.2 Bij de bedrijfswoning behorende bouwwerken
De volgende beoordelingsregels gelden voor bij de bedrijfswoning behorende bouwwerken:
  1. de bijbehorende bouwwerken worden binnen het bouwvlak en minimaal 1 meter achter de voorgevel c.q. de denkbeeldige lijn evenwijdig aan de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt, dat vóór de naar de weg toegekeerde zijde (voorgevel) van de bedrijfswoning een erker mag worden gebouwd, met dien verstande dat:
    1. de afstand tot de aan de wegzijde gelegen perceels­grens minimaal 3,5 meter bedraagt;
    2. de goothoogte maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag bedraagt;
    3. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de voorgevel van de woning;
    4. de diepte maximaal 1,5 meter bedraagt, gemeten vanaf de voorgevel van de woning;
  3. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt per woning maximaal 95 m²;
  4. de goothoogte en hoogte bedragen respectievelijk niet meer dan 3 meter en 5,5 meter.
7.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. de bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. de hoogte bedraagt maximaal 3 meter, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, schoorstenen en silo's;
  3. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van de woning maximaal 1 en voor het overige maximaal 2 meter;
  4. de hoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter;
  5. de hoogte van schoorstenen en silo's bedraagt maximaal 15 meter;
  6. in afwijking van het gestelde onder a. mogen buiten het bouwvlak maximaal 1,5 meter hoge omheiningen worden geplaatst.
 
7.3.4 Paardenrijbakken
De volgende beoordelingsregels gelden voor paardenrijbakken:
  1. Paardenrijbakken zijn maximaal 1.200 m² groot, worden alleen binnen of aansluitend aan het bouwvlak opgericht op minimaal 25 meter afstand van woningen van derden en worden niet verlicht. Indien een bestaande paardenrijbak groter is dan 1.200 m², dan is de bestaande oppervlakte de maximale grootte.

7.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het bouwen op een kleinere afstand tot de perceelsgrenzen;
  2. het bouwen van hogere bouwwerken;
  3. het bouwen van hogere schoorstenen en silo's;
  4. het bouwen van hogere omheiningen buiten het bouwvlak.

7.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

  1. de omgevingsvergunning genoemd onder artikel 7 lid 4 sub 1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
    1. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter.
  2. de omgevingsvergunning genoemd onder artikel 7 lid 4 sub 2 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
    1. de goothoogte en hoogte bedragen respectievelijk niet meer dan 7,5 en 10 meter indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  3. de omgevingsvergunning genoemd onder artikel 7 lid 4 sub 3 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
    1. de hoogte bedraagt maximaal 20 meter indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  4. de omgevingsvergunning genoemd artikel 7 lid 4 sub 4 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
    1. de hoogte van omheiningen buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 3 meter indien dit noodzakelijk is om dieren binnen de omheining te houden.

7.6 Specifieke functieregels

7.6.1 Aanwijzing verbod
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. gronden en bouwwerken behorend tot een agrarisch bedrijf zodanig te gebruiken dat daardoor sprake is van een toename van stikstofdepositie (mol/ha/jaar).
  2. dieren mogen binnen gebouwen - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.
  3. een gebruikswijziging van gebouwen die niet in gebruik zijn als dierenverblijf, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf.
  4. omschakeling van een veehouderij, niet zijnde een hokdierhouderij, naar een hokdierhouderij.
  5. gronden en/of gebouwen te gebruiken voor het opslaan van mest, storten of bergen van mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik.
  6. mestbewerking anders dan van ter plaatse geproduceerde mest.
  7. het op of in de bodem lozen, als daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
7.6.2 Aan huis gebonden beroep
Bij een woning zijn aan huis gebonden beroepen toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, mits:
de woning blijft voldoen aan het bepaalde in het Bouwbesluit;
  1. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 50% van de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel tot een maximum van 60 m²;
  2. er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende beroep;
  3. eventueel extra benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd;
  4. het beroep wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van het pand.
 
7.6.3 Ondergeschikte detailhandel
Ondergeschikte detailhandel in eigen en/of streekgebonden agrarische producten is toegestaan, mits:
  1. de agrarische hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar blijft;
  2. de verkoopoppervlakte voor detailhandel niet meer dan 200 m² gaat bedragen;
  3. de detailhandel geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
7.6.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruiken en/of het laten gebruiken van de gronden en bebouwing ter plaatse van de functie Agrarisch, zoals nader bepaald in artikel 7 lid 2 , is uitsluitend toegestaan:
  1. als op deze gronden een landschappelijk inpassing wordt gerealiseerd, deze duurzaam wordt onderhouden en in stand wordt gehouden, zoals opgenomen in bijlagen bij de regels bijlage 1 Landschappelijke inpassing;
  2. de inpassing van de gronden zoals bedoeld onder a. moet uiterlijk gerealiseerd zijn 18 maanden na het onherroepelijk worden van dit omgevingsplan;
  3. het bevoegd gezag kan in afwijking van het gestelde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het aanpassen van onderdelen van de landschappelijke inpassing als:
    1. er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot een aangepaste landschappelijke inpassing; 
    2. de gewijzigde landschappelijke inpassing tenminste een gelijkwaardige landschappelijke kwaliteit waarborgt, zoals opgenomen in bijlagen bij de regels bijlage 1  Landschappelijke inpassing, en
    3. de gemeentelijke deskundige, op het gebied van landschap, een positief advies heeft gegeven op het nieuwe landschappelijke inpassingsplan.
7.6.5 Voorwaardelijke verplichting waterberging
Het oprichten van nieuwe bouwwerken en verhardingen binnen een als Agrarisch aangewezen locaties, is uitsluitend toegestaan als mits voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden conform de uitgangspunten van hydrologisch neutraal bouwen.

3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene regels voor bouwactiviteiten

9.1 Parkeerregels

9.1.1 Algemene parkeerregels
Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.
9.1.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen
Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
9.1.3 Specifieke parkeerregels bij gebruiksaanwijzigngen
Indien het geheel of gedeeltelijk veranderen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte worden voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
9.1.4 Specifieke gebruiksregels
Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

9.2 Ondergronds bouwen

 a. Op plaatsen waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
b. De verticale diepte mag bij ondergrondse bouwen niet meer bedragen dan één bouwlaag;
c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
9.2.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken
Een omgevingsvergunning is vereist voor de volgende activiteiten:
  1. Ondergronds bouwen.
9.2.2 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in subsubparagraaf 9.2.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. op plaatsen waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
  2. de verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan één bouwlaag;
  3. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
 

Artikel 10 Algemene regels voor functies en activiteiten

 

10.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Onder strijdig gebruik van dit TAM- omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  2. permanente bewoning van recreatieverblijven.
 

10.2 Lozing van verontreinigd grondwater op of in de bodem

10.2.1
Met het oog op de bescherming van het bodem- en watersysteem stelt dit TAM-omgevingsplan voorwaarden aan het op of in de bodem lozen van afvalwater dat afkomstig is van:
  1. een bodemsanering of grondwatersanering;
  2. onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en
  3. graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
10.2.2
Bij de activiteiten uit lid 1 geldt in ieder geval dat:
  1. de emissiegrenswaarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing zijn; en
  2. ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in het eerste lid, en ten minste vier weken voor een eventuele wijziging van de activiteit, aan het gemeentebestuur gegevens en bescheiden worden verstrekt over:
    1. de aard en omvang van de lozing; en
    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
10.2.3
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als:
  1. het grondverzet ten hoogste 25 m3 bedraagt; en
  2. het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering niet langer dan 48 uur duurt.

Artikel 11 Algemene regels voor gebiedsaanduidingen

11.1 Overige zone - landschapselement

Binnen de gebiedsaanduiding ´overige zone - landschapselement´ zijn de gronden, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het groen, de landschapselementen en de bijbehorende groeiplaats.
11.1.1 Verbod
Binnen een gebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'overige zone - landschapselement' mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd mits:
  1. dit hekwerken zijn waarbij de bouwhoogte niet meer dan 2 meter bedraagt;
  2. dit behoort tot ter plaatse normaal onderhoud, beheer of gebruik overeenkomstig de bestemming;
  3. dit reeds in uitvoering zijn of krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  4. dit binnen een agrarisch bouwvlak plaats vindt.
11.1.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren:
  1. het uitvoeren van ingrepen in de bodem, dieper dan 50 centimeter;
  2. het vellen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
  3. het verwijderen van onverharde of verharde wegen of paden;
  4. het aanleggen en/of verharden of veranderen van wegen of paden of het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 50 m².
 
11.1.3 Uitzonderingen
Het verlenen van de omgevingsvergunning is alleen toelaatbaar, onder voorwaarde dat door de werken geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, of door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, het groen, de landschapselementen en de bijbehorend groeiplaats niet onevenredig kunnen worden aangetast.

11.2 Overige zone - zoekgebied behoud en herstel watersystemen

Binnen de gebiedsaanduiding overige zone – zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen’ zijn de gronden bestemd voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen.
11.2.1 Verbod
Binnen een gebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Overige zone - zoekgebied behoud en herstel watersystemen' mogen:
  1. de gronden niet worden bebouwd;
  2. geen oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m² worden aangebracht;
  3. de gronden niet worden opgehoogd.

4 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht

 

12.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  3. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  4. Het bepaalde onder 1 en 2 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.

12.2 Overgangsrecht functioneel gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld artikel 12.2.a, te veranderen of te laten veranderen in een ander strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in artikel 12.2.a, , na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Artikel 12.2.a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.