Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Hoofdstuk 22w Buitengebied Rijkevoort, Papenvoortsesteeg 6, lichte bedrijvigheid
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenv6-VA01

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het realiseren van statische opslag en kleinschalige bedrijvigheid op de locatie Papenvoortsesteeg 6, in het buitengebied van Rijkevoort en vormt juridisch het nieuwe hoofdstuk 22w van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22w van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22w gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22w gelezen worden.

1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Toepassingsbereik en voorrangsbepaling

1.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Papenvoortsesteeg 6 in het buitengebied van Rijkevoort (Hoofdstuk 22w Buitengebied Rijkevoort, Papenvoortsesteeg 6, lichte bedrijvigheid), waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenv6-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

1.2 Voorrangsbepaling

  1. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in de bestemmingsplannen:
    • Buitengebied Sint Anthonis 2013 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPbuitengebied-VA02;
    • Buitengebied, Veegplan 1 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPveegplan1-VA01;
    • Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPBuiteng2016-VA01;
    • Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Land van Cuijk 2023 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.BPParkeernormen23-VA01;
      die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
  2. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels van het omgevingsplan opgenomen in:
    1. hoofdstuk 22, afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan (vergunningvrije activiteiten);
    2. hoofdstuk 22, afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten, voor zover de regels bedoeld in sub a en b in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk, en;
    3. hoofdstuk 22, paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

 Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

3.1 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Buitengebied Rijkevoort, Papenvoortsesteeg 6, lichte bedrijvigheid met identificatienummer NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenv6-VA01, in deze regeling eveneens als ‘dit hoofdstuk’ of ‘Hoofdstuk 22w’ aangehaald;

3.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk;

3.3 Verbeelding

De digitale weergave van het TAM-omgevingsplan als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.TAMBuRkvPapenv6-VA01;

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit TAM-omgevingsplan in m, m² of m³ zijn uitgedrukt voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.8.

4.1 de bepaling van het peil

  • op droge grond is het peil: de hoogte van de bovenkant van de begane grondvloer van het hoofdgebouw gelegen binnen maximaal 0,50 m van de hoogte van de weg waarop het bouwperceel ontsloten wordt, dan wel de hoogte van de bovenkant van de begane grondvloer van het bestaande hoofdgebouw;
  • op of in het water is het peil: het gemiddeld jaarlijks waterpeil ter plaatse van het bouwperceel;

4.2 de hoogte van de weg

de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;

4.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee te vergelijken constructiedeel;

4.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

4.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

4.6 de inhoud van een bouwwerk

tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

4.7 de afstand tot de bouwperceelsgrens

vanaf de bouwperceelgrens tot aan het gevelvlak van een bouwwerk;

4.8 ondergeschikte bouwdelen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt en de hoogte niet meer dan 3 m bedraagt;

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit Hoofdstuk 22w Buitengebied Rijkevoort, Papenvoortsesteeg 6, lichte bedrijvigheid. 

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten;

2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Agrarisch met waarden

 

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch met waarden.

7.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan: 
  1. agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
  2. agrarisch hobbymatig grondgebruik;
  3. behoud, ontwikkeling en versterking van:
    1. de aanwezige landschappelijke waarden;
    2. bestaande natuurwaarden, al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik;
  4. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen en bosschages;
  5. nutsvoorzieningen;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder:
  1. extensief dagrecreatief medegebruik;
  2. groenvoorzieningen;
  3. paden, verkeers- en ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en in- en uitritten;
  4. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.3 Beoordelingsregels bouwwerken

7.3.1 Gebouwen
De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:
  1. er zijn geen gebouwen toegestaan.
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouwen zijnde:
  1. erf- en perceelsafscheidingen met een open constructie, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
  2. een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, met dien verstande dat:
    1. de inhoud van de voederberging of voederruif maximaal 3 m3 bedraagt;
    2. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

7.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

7.4.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken ten behoeve van een hoogzit
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het bouwen van een hoogzit voor de uitoefening van de jacht of natuurstudie;
7.4.2 Aanwijzing afwijkende bouwwerken ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het realiseren van tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen;
  2. het realiseren van tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen;

7.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

 
7.5.1 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken ten behoeve van een hoogzit
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in subsubparagraaf 7.4.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 meter;
  2. de oppervlakte bedraagt maximaal 5 m²;
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de milieusituatie;
    3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  4. er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  5. in voldoende mate moet worden onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura 2000-gebieden en/of stiltegebieden;
  6. vergunning voor de in dit lid genoemde activiteiten uitsluitend wordt verleend mits verzekerd is dat de ontwikkeling gepaard gaat met inpassing van de activiteiten, een en ander op basis van een goedgekeurd landschapsplan, waarbij aanleg, beheer en instandhouding juridisch geborgd zijn;
  7. de onder f bedoelde inpassing mede kan betreffen:
    1. de landschappelijke inpassing van bebouwing en verharding;
    2. aanleg van gebiedseigen landschapselementen in of nabij de projectlocatie;
    3. het slopen van bebouwing;
    4. het vergroten van architectonische kwaliteit van bouwwerken.
7.5.2 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in subsubparagraaf 7.4.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de bouwhoogte van tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 3 meter;
  2. bij tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen de voorzieningen worden verwijderd nadat de teelt waarvoor deze worden aangelegd is beëindigd;
  3. aangetoond moet worden dat binnen de als Agrarisch met waarden aangewezen locaties geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van de voorzieningen;
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;

7.6 Specifieke functieregels

7.6.1 Aanwijzing verbod
binnen de als Agrarisch met waarden aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. kamperen;
  2. detailhandel;
  3. paardenbakken;
  4. waterbassin voor een agrarisch bedrijf;
  5. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens en materialen;
  6. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  7. evenementen;
  8. tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen, behoudens en gedurende de teeltperiode waarvoor deze nodig zijn en met dien verstande dat deze uitsluitend zijn toegestaan indien de voorzieningen na afloop van de teeltperiode waarvoor deze worden gebruikt, worden opgeruimd/verwijderd;
  9. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  10. (buiten)opslag, waaronder de opslag van mest(stoffen), behalve als dit tijdelijk noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik;
  11. het plaatsen van zonnecollectoren en -panelen;
  12. het realiseren van voerplaten.

7.7 Aanwijzing afwijkend gebruik

7.7.1 Aanwijzing afwijkend gebruik ten behoeve van een paardrijbak
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. de inrichting en het gebruik van gronden als paardrijbak voor hobbymatig gebruik.

7.8 Beoordelingsregels afwijkend gebruik

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in subsubparagraaf 7.7.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit functie) gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de noodzaak voor realisering van de rijbak wordt aangetoond;
  2. de paardrijbak uitsluitend mag worden gerealiseerd direct aansluitend aan locaties met de volgende functies: 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Niet grondgebonden', 'Agrarisch - Paardenhouderij', 'Bedrijf',  'Bedrijf - Agrarisch verwant bedrijf' of 'Wonen';
  3. aangetoond moet worden dat binnen de aangrenzende functie(s)als bedoeld onder b geen reële mogelijkheden zijn voor het gehele of gedeeltelijk realiseren van een paardrijbak;
  4. de oppervlakte maximaal 1.200 m2 bedraagt;
  5. de afstand tot woningen van derden minimaal 50 meter bedraagt;
  6. de afstand tot de as van de weg minimaal 15 meter bedraagt;
  7. tredmolens e.d. niet zijn toegestaan.
  8. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de milieusituatie;
    3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  9. er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  10. in voldoende mate moet worden onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura 2000-gebieden en/of stiltegebieden;
  11. vergunning voor de in dit lid genoemde activiteiten uitsluitend wordt verleend mits verzekerd is dat de ontwikkeling gepaard gaat met inpassing van de activiteiten, een en ander op basis van een goedgekeurd landschapsplan, waarbij aanleg, beheer en instandhouding juridisch geborgd zijn;
  12. de onder d bedoelde inpassing mede kan betreffen:
    1. de landschappelijke inpassing van bebouwing en verharding;
    2. aanleg van gebiedseigen landschapselementen in of nabij de projectlocatie;
    3. het slopen van bebouwing;
    4. het vergroten van de architectonische kwaliteit van bouwwerken.

7.9 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.9.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, tenzij dit noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  4. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur;
  5. het vellen en/of rooien van houtgewas, met name hoogstamboomgaarden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging;
  6. het bebossen van gronden;
  7. het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen.
7.9.2 Uitzonderingen
De in subsubparagraaf 7.9.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
  1. van geringe omvang danwel die het normale onderhoud en beheer betreffen;
  2. welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  3. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
7.9.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  2. de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

Artikel 8 Bedrijf

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Bedrijf.

8.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. één verzamelbedrijf waar verhuur aan derden plaatsvindt voor opslag en kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan maximaal vier bedrijven in de categorie 1 of 2, zoals vermeld in de kolom 'Bedrijf' in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  2. wonen in een bedrijfswoning;
met daaraan ondergeschikt:
  1. verkoop van zelf vervaardigde of ter plaatse bewerkte producten, overeenkomstig het bepaalde in subsubparagraaf 8.4.2;
  2. bestaande legale aan huis verbonden beroepen en bedrijven in de bedrijfswoning en/of in daarbij behorende bijbehorende bouwwerken;
  3. groenvoorzieningen;
  4. tuinen, erven en terreinen;
  5. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  6. boven- en/ of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.

8.3 Beoordelingsregels bouwwerken

 
8.3.1 Algemeen
Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. gebouwen;
  2. een bedrijfswoning;
  3. bijbehorende bouwwerken;
  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.3.2 Bouwen binnen bouwvlak
De volgende beoordelingsregels gelden voor het bouwen binnen de locatie 'Bedrijf':
  1. gebouwen, de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen de als Bedrijf aangewezen locaties worden gerealiseerd;
  2. bouwwerken, geen gebouw zijnde zoals waterbassins, verhardingen en parkeervoorzieningen mogen
    binnen de als Bedrijf aangewezen locaties worden gerealiseerd.
8.3.3 Bedrijfsgebouwen
De volgende beoordelingsregels gelden voor bedrijfsgebouwen:
  1. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal de bestaande hoogte;
  2. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' aangeduide bebouwde oppervlakte;
  3. de voorgevel van de bedrijfsgebouwen dient te worden gebouwd op minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
  4. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter, dan wel minimaal de bestaande afstand.
8.3.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bijgebouwen
De volgende beoordelingsregels gelden voor bedrijfswoningen en bijbehorende bijgebouwen:
  1. binnen de als Bedrijf aangewezen locaties is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat uitsluitend legale bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan;
  2. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de bestaande voorgevelrooilijn;
  3. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 750 m3;
  4. de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 6 meter;
  5. de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 9 meter;
  6. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m2, met dien verstande dat:
    1. bij de woning aangebouwde bijbehorende bouwwerken binnen de maximum inhoudsmaat van 750 m3 niet worden meegerekend bij het bepalen van het maximale oppervlak van 100 m2;
    2. de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' aangeduide bebouwde oppervlakte niet mag worden overschreden;
  7. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter;
  8. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 5,5 meter;
  9. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  10. bijbehorende bouwwerken worden op een afstand van minimaal 3 meter achter de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd;
  11. de afstand tussen de woning en daarbij behorende vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 20 meter.
8.3.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6 meter, met uitzondering van:
    1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt;
    2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
  2. omheiningen rond een paardrijbak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte maximaal 1,70 meter bedraagt;
    2. de omheiningen qua kleur en materiaalgebruik passen in de omgeving;
  3. lichtmasten rond een paardrijbak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt;
    2. de afstand van lichtmasten tot woningen van derden minimaal 75 meter dient te bedragen;
    3. de afstand van lichtmasten tot wegen minimaal 15 meter dient te bedragen;
    4. er maximaal 4 lichtpunten worden geplaatst;
    5. de lichtmasten zodanig worden geplaatst dat deze afschijnen van woningen van derden en van de openbare weg
  4. zonnecollectoren en -panelen zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    1. de zonnecollectoren en/of -panelen worden geplaatst binnen het bestemmingsvlak op de grond;
    2. de zonnecollectoren en/of -panelen worden geplaatst op een afstand van 3 meter achter de voorgevelrooilijn;
    3. de zonnecollectoren en/of -panelen ten dienste staan van de (bedrijfs)woning;
    4. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    5. de totale oppervlakte van de locatie 'Bedrijf' dat gebruikt wordt voor de plaatsing van zonnecollectoren en/of panelen maximaal 250 m2 bedraagt;
    6. de zonnecollectoren en/of -panelen landschappelijk worden ingepast.

8.4 Specifieke gebruiksregels

8.4.1 Aanwijzing verbod
binnen de als Bedrijf aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. detailhandel;
  2. een aan huis verbonden beroep of bedrijf;
  3. horeca;
  4. geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen;
  5. bedrijven van categorie 3 en 4;
  6. kamerverhuur;
  7. inwoning/mantelzorg;
  8. woningsplitsing;
  9. verblijfsrecreatie;
  10. evenementen;
  11. seksinrichtingen;
  12. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde;
  13. het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning;
  14. opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak;
  15. buitenopslag;
  16. het splitsen van een functie-/bouwvlak en/of het vestigen van meerdere bedrijven in hetzelfde functie-/bouwvlak;
8.4.2 Aanvullende activiteiten: Verkoop van zelf vervaardigde of bewerkte producten
Verkoop van zelf vervaardigde of bewerkte producten als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan tot maximaal 50 m² verkoopvloeroppervlakte.
8.4.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden en bebouwing ter plaatse van de functie Bedrijf is uitsluitend toegestaan:
  1. als op deze gronden een landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, deze duurzaam wordt onderhouden en in stand wordt gehouden, zoals opgenomen in bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan;
  2. de inpassing van de gronden zoals bedoeld onder a. moet uiterlijk gerealiseerd zijn 12 maanden na het onherroepelijk worden van dit omgevingsplan;
  3. het bevoegd gezag kan in afwijking van het gestelde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het aanpassen van onderdelen van de landschappelijke inpassing als:
    1. er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot een aangepaste landschappelijke inpassing;
    2. de gewijzigde landschappelijke inpassing tenminste een gelijkwaardige landschappelijke kwaliteit waarborgt, zoals opgenomen in bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan, en
    3. de gemeentelijke deskundige, op het gebied van landschap, een positief advies heeft gegeven op het nieuwe landschappelijke inpassingsplan.
8.4.4 Voorwaardelijke verplichting sloop
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken wordt uitsluitend verleend indien de te slopen gebouwen, zoals aangeduid in bijlage 3 (Sloopkaart), zijn gesloopt.

Artikel 9 Natuur

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Natuur.

9.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. de instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en/of abiotische waarden;
  2. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke waarde en/of ecologische waarde;
  3. waterlopen, waterpoelen en waterpartijen;
  4. instandhouding van bos met daaraan ondergeschikt de bosbouwkundige waarde;
  5. extensief dagrecreatief medegebruik;
  6. groenvoorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. bestaande paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  9. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.3 Beoordelingsregels bouwwerken

9.3.1 Gebouwen
De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:
  1. er zijn geen gebouwen toegestaan, behoudens bestaande gebouwen ten behoeve van het beheer en onderhoud van het natuurgebied.
9.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. op de voor 'Natuur' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
    1. ondergeschikte bouwwerken, zoals afrasteringen en eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen zoals wegwijzers, informatieborden en zitbanken;
    2. waterstaatkundige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming, noodzakelijk voor het beheer en onderhoud van waterlopen;
    3. nutsvoorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
    4. kleinschalige voorzieningen ten behoeve van beheer of extensief recreatief medegebruik, waarvan de bouwhoogte maximaal 5 meter en de oppervlakte maximaal 30 m² mag bedragen;
    5. een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, mits:
      1. de inhoud van de voederberging of voederruif maximaal 3 m³ bedraagt;
      2. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
met dien verstande dat als gevolg van het te verwachten gebruik van de genoemde bouwwerken de bestaande natuurwaarden niet onevenredig worden geschaad.
  1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 4' is één stiltemonument met bijbehorende bankjes toegestaan, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte maximaal 2,50 meter bedraagt;
    2. de oppervlakte maximaal 130 m² bedraagt.

9.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

9.4.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken ten behoeve van een hoogzit
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het bouwen van een hoogzit voor de uitoefening van de jacht of natuurstudie;

9.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

9.5.1 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken ten behoeve van een hoogzit
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in subsubparagraaf 9.3.1 en subsubparagraaf 9.3.2 gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 meter;
  2. de oppervlakte bedraagt maximaal 5 m²;
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de milieusituatie;
    3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  4. er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  5. in voldoende mate moet worden onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura 2000-gebieden en/of stiltegebieden;
  6. vergunning voor de in dit lid genoemde activiteiten uitsluitend wordt verleend mits verzekerd is dat de ontwikkeling gepaard gaat met inpassing van de activiteiten, een en ander op basis van een goedgekeurd landschapsplan, waarbij aanleg, beheer en instandhouding juridisch geborgd zijn;
  7. de onder f bedoelde inpassing mede kan betreffen:
    1. de landschappelijke inpassing van bebouwing en verharding;
    2. aanleg van gebiedseigen landschapselementen in of nabij de projectlocatie;
 

9.6 Specifieke gebruiksregels

9.6.1 Aanwijzing verbod
binnen de als 'Natuur' aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. detailhandel;
  2. horeca;
  3. kamperen;
  4. staanplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  5. sport- en wedstrijdterrein, buitenmanege of lig- en speelweide;
  6. het beproeven van voertuigen, de beoefening van de motorsport, het houden van wedstrijden met motorvoertuigen;
  7. het racen of crossen met motorvoertuigen;
  8. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  9. militaire oefeningen met uitzondering van marsoefeningen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen;
  10. het plaatsen van mestzakken of daarmee vergelijkbare voorzieningen;
  11. opslag van goederen en materialen, behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  12. opslag van brandgevaarlijke en giftige stoffen;
  13. het winnen van bosstrooisel en mos;
  14. terrein voor het aanbrengen en het hebben van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, behoudens het bepaalde in artikel 7 van de Grondwet;
  15. het scheuren van grasland;
  16. paardenbakken;
  17. permanente of tijdelijke bewoning van gebouwen, inclusief aan het wonen gerelateerde activiteiten en direct daarmee verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte, sanitair, kook- en wasgelegenheid;
  18. schietbaan, ten behoeve van schietsport;
  19. hondensportvereniging / hondendressuurcentrum;
  20. seksinrichting.

9.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.7.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, tenzij dit noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  4. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur;
  5. het vellen en/of rooien van houtgewas, met name hoogstamboomgaarden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging;
  6. het bemalen of draineren van gronden en het winnen van water of het anderszins verlagen van de grondwaterstand;
  7. het aanbrengen en/of aanleggen van oeverbeschoeiingen en het graven en/of aanleggen van waterlopen;
  8. het bebossen van gronden;
  9. het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen.
9.7.2 Uitzonderingen
De in subsubparagraaf 9.7.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
  1. Het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  2. Reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
9.7.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  2. de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet onevenredig (kunnen) worden verkleind
9.7.4 Advies
Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de, op dat terrein, meest aangewezen instantie.

3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene regels voor bouwactiviteiten

11.1 Parkeerregels

11.1.1 Algemene parkeeregels
Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.
11.1.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen
Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de 'Nota Parkeernormen 2023 gemeente Land van Cuijk'. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
11.1.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen
Indien het geheel of gedeeltelijk veranderen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte worden voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
11.1.4 Specifieke gebruiksregels
Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

11.2 Ondergronds bouwen

  1. Op plaatsen waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
  2. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan één bouwlaag;
  3. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
11.2.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. Ondergronds bouwen.
11.2.2 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in subsubparagraaf 11.2.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.
  2. Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m².
  3. In aanvulling op het bepaalde sub a en b is bij (bedrijfs)woningen maximaal 1 zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    1. het zwembad dient te worden gebouwd:
      1. binnen een bestemmingsvlak waarbinnen een (bedrijfs)woning is gelegen;
      2. achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrens;
      3. op een afstand van maximaal 20 meter vanaf de woning;
    2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijbehorende bouwwerken in de afzonderlijke artikelen in acht wordt genomen;
    3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
    4. de oppervlakte van het zwembad bedraagt maximaal 30 m²;
  4. De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 5 meter onder peil.

Artikel 12 Algemene regels voor gebruiksactiviteiten

12.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Onder strijdig gebruik van dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  2. het gebruik van een bedrijfswoning, dienstwoning, woning en/of wooneenheid anders dan voor één huishouden;
  3. het gebruik van een bijgebouw of bijbehorende bouwwerk ten behoeve van wonen in een onzelfstandige woonruimte;
  4. het gebruik van gronden ten behoeve van paardenbakken;
  5. het gebruik van gronden en gebouwen voor speelautomatenhal, bingohal, discotheek of dancing;
  6. permanente bewoning van voorzieningen ten behoeve van verblijfsrecreatie en kleinschalig kamperen;
  7. mestvergisting;
  8. het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak voor de opslag van mest, zoals mestzakken en foliebassins.
  9. het op of in de bodem lozen, als daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.

12.2 Lozing van verontreinigd grondwater op of in de bodem

12.2.1
Met het oog op de bescherming van het bodem- en watersysteem stelt dit TAM-omgevingsplan voorwaarden aan het op of in de bodem lozen van afvalwater dat afkomstig is van:
  1. een bodemsanering of grondwatersanering;
  2. onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en
  3. graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
12.2.2
Bij de activiteiten uit lid 1 geldt in ieder geval dat:
  1. de emissiegrenswaarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing zijn; en
  2. ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in het eerste lid, en ten minste vier weken voor een eventuele wijziging van de activiteit, aan het gemeentebestuur gegevens en bescheiden worden verstrekt over:
    1. de aard en omvang van de lozing; en
    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
12.2.3
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als:
  1. het grondverzet ten hoogste 25 m3 bedraagt; en
  2. het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering niet langer dan 48 uur duurt.

12.3 Beoordelingsregels beroep- en bedrijf-aan-huis

In de functies waarin een woning is toegestaan of na een omgevingsvergunning mogelijk kan worden gemaakt, is ondergeschikt aan deze functies de uitoefening van een beroep-aan-huis of een bedrijf-aan-huis toegestaan als medegebruik, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. Het betreft een dienstverlenend of ambachtelijk beroep of bedrijf met een ruimtelijke uitwerking en uitstraling in overeenstemming met de functie wonen, zoals administratieve, juridische, (para-)medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerptechnische of daarmee vergelijkbare beroepen en bedrijven;
  2. Het medegebruik blijft van ondergeschikte betekenis en de woonfunctie blijft in ruimtelijke en visuele zin primair;
  3. Het betreft geen beroep of bedrijf waarvoor een omgevingsvergunning milieu verleend moet worden of een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet milieubeheer;
  4. Er is geen sprake van detailhandel, waaronder in ieder geval begrepen de verkoop over de toonbank en het ophalen van goederen na elektronische betaling;
  5. Het beroep of bedrijf heeft geen structurele verkeersbewegingen tot gevolg, veroorzaakt door bezoekers en laden en lossen;
  6. De benodigde parkeervoorzieningen voor de (bedrijfs)woning en het beroep of bedrijf worden op eigen terrein gerealiseerd;
  7. Het medegebruik blijft beperkt tot de bewoners van de woning;
  8. Het medegebruik blijft beperkt tot maximaal 35% van de bruto-vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m²;
  9. De reclame-uitingen zijn onverlicht, hebben een maximale oppervlakte van 0,2 m² en een maximale bouwhoogte van 1,2 m.

12.4 Beoordelingsregels paardrijbakken

In de functies waarin een (bedrijfs)woning is toegestaan of na een omgevingsvergunning mogelijk kan worden gemaakt, is ondergeschikt aan de functie paardrijbak als medegebruik, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. de paardrijbak behoort bij de binnen dezelfde bestemmingsvlak gelegen (bedrijfs)woning;
  2. de oppervlakte maximaal 1.200 m2 bedraagt;
  3. de afstand tot woningen van derden minimaal 50 meter bedraagt;
  4. de afstand tot de as van de weg minimaal 15 meter bedraagt;
  5. de paardrijbak landschappelijk (groen/houtsingels) dient te worden ingepast met gebiedseigen beplanting;
  6. tredmolens e.d. niet zijn toegestaan;
  7. aanwezige waarden in het gebied niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 Overige zone - agrarisch gebied

13.1.1 Aanduidingsomschrijving
  1. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - agrarisch gebied' wordt bij een ontwikkelingsgericht omgevingsplan een onderscheid gemaakt tussen:
    1. een gebied waar de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd en
    2. een gebied waar de ontwikkeling van een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd, rekening houdend met in ieder geval de landbouwontwikkelingsgebieden, de vestigingsgebieden voor glastuinbouw en de gebieden waar teeltondersteunende kassen zijn toegestaan;

13.2 Overige zone - gemengd landelijk gebied

een gebied waar de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd, en
een gebied waar de ontwikkeling van een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd, rekening houdend met in ieder geval de landbouwontwikkelingsgebieden, de vestigingsgebieden voor glastuinbouw en de gebieden waar teeltondersteunende kassen zijn toegestaan.
 
13.2.1 Aanduidingsomschrijving
  1. een gebied waar de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd, en
  2. een gebied waar de ontwikkeling van een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd, rekening houdend met in ieder geval de landbouwontwikkelingsgebieden, de vestigingsgebieden voor glastuinbouw en de gebieden waar teeltondersteunende kassen zijn toegestaan.

13.3 Overige zone - landschapselement

13.3.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschapselement' zijn de gronden tevens aangewezen voor instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke waarden, alsmede voor extensieve dagrecreatie.
13.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschapselement' mag niet worden gebouwd.
13.3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
    1. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
    2. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
    3. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
    4. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
    5. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
    6. het dempen van sloten of greppels;
    7. het planten van bomen en/of struiken;
    8. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen);
    9. het aanbrengen van tijdelijke lage tunnels en een ondergrond voor containervelden;
    10. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
    11. het ophogen van gronden.
  2. Uitzondering.
    Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden:
    1. welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
    2. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
  3. Afwegingskader.
    1. De vergunning als bedoeld onder a. wordt verleend als is gebleken dat door het werk of de werkzaamheden dit gebied niet minder geschikt wordt voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke waarden en van bestaande landschapselementen;
    2. De vergunning als bedoeld onder a wordt slechts verleend indien:
      1. de regels uit de desbetreffende bestemming in acht worden genomen;
      2. advies is verkregen van de (water)beheerder van de betreffende gronden;
      3. verzekerd is dat door het werk en/of de werkzaamheden het gebied niet minder geschikt wordt voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke waarden en van bestaande landschapselementen;
      4. de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
      5. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
      6. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

13.4 Overige zone - reservering waterberging

13.4.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering waterberging' zijn de gronden tevens aangewezen zijn voor behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

13.5 Overige zone - zoekgebied behoud en herstel watersystemen

13.5.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekgebied behoud en herstel watersystemen' geldt dat de gronden tevens aangewezen zijn voor verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.
13.5.2 Beoordelingsregels bouwwerken
In afwijking van (mogelijk) toegelaten gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde, in een of meerdere andere bestemmingen als opgenomen in deze regels, mag bebouwing slechts worden opgericht indien wordt voorkomen dat dit gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud, beheer en herstel van watersystemen.
13.5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Verbod.
    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanbrengen van niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²;
    2. het ophogen van gronden.
  2. Uitzondering.
    Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
    1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
    2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
  3. Afwegingskader.
    Een vergunning als bedoeld onder a. wordt slechts verleend indien:
    1. de regels uit de desbetreffende bestemming in acht worden genomen;
    2. advies is verkregen van de waterbeheerder van de betreffende gronden;
    3. verzekerd is dat door het werk en/of de werkzaamheden het gebied niet minder geschikt wordt voor behoud, beheer en herstel van watersystemen;
    4. de volgende bepalingen in acht worden genomen:
      1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
      2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

13.6 overige zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone

13.6.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone' geldt dat de gronden tevens aangewezen zijn voor een (zoekgebied voor een) ecologische verbindingszone.
13.6.2 Beoordelingsregels bouwwerken
In afwijking van (mogelijk) toegelaten gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde, in een of meerdere andere functies als opgenomen in deze regels, mag bebouwing slechts worden opgericht indien wordt voorkomen dat dit gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.
13.6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Verbod.
    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden;
    2. het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²;
  2. Uitzondering
    Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
    1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
    2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
  3. Afwegingskader.
    Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. wordt slechts verleend indien:
    1. de regels uit de desbetreffende bestemming in acht worden genomen;
    2. advies is verkregen van de beheerder van de betreffende gronden;
    3. verzekerd is dat door het werk en/of de werkzaamheden het gebied niet minder geschikt wordt voor verwezenlijking, behoud en beheer van een ecologische verbindingszone;
    4. de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
    5. de volgende bepalingen in acht worden genomen:
      1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
      2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

4 Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22w]' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22w]', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  2. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22w]', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepaling.

14.2 Overgangsrecht functioneel gebruik

  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 11.1 sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende tijdelijke omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.