Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het realiseren van een agrarisch technisch hulpbedrijf op de locatie Grote Baan 5, in het buitengebied van Landhorst NB en vormt juridisch het nieuwe hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22b gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22b gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik en voorrangsbepaling
1.1 Toepassingsbereik
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Grote Baan 5 in het buitengebied van Landhorst NB (TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Buitengebied Landhorst, Grote Baan 5, vestiging agrarisch technisch hulpbedrijf), waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.TAMBuLhGroteBaan5-VA01 zoals vastgelegd op
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
1.2 Voorrangsbepaling
De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in de bestemmingsplannen:
- Buitengebied Sint Anthonis 2013 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPbuitengebied-VA02;
- Buitengebied, Veegplan 1 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPveegplan1-VA01;
- Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPBuiteng2016-VA01;
- Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Land van Cuijk 2023 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.BPParkeernormen23-VA01;
die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels van het omgevingsplan opgenomen in:
- hoofdstuk 22, afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan (vergunningvrije activiteiten), en
- hoofdstuk 22, afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten, voor zover de regels bedoeld in sub a en b in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
- hoofdstuk 22, paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
3.1 TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Buitengebied Landhorst, Grote Baan 5, vestiging agrarisch technisch hulpbedrijf met identificatienummer NL.IMRO.1982.TAMBuLhGroteBaan5-VA01, in deze regeling eveneens als ‘dit hoofdstuk’ of ‘Hoofdstuk 22b’ aangehaald;
3.2 Omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk;
3.3 Verbeelding
De digitale weergave van het TAM-omgevingsplan als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.TAMBuLhGroteBaan5-VA01;
3.4 agrarisch transportbedrijf:
een bedrijf dat goederen vervoert voor andere agrarische bedrijven, agrarisch technisch hulpbedrijven of agrarisch verwante bedrijven.
3.5 fouragehandel:
een groothandel in veevoer en stro.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit TAM-omgevingsplan in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Buitengebied Landhorst, Grote Baan 5, vestiging agrarisch technisch hulpbedrijf.
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten;
2 Functies en activiteiten
Artikel 7 Agrarisch met waarden
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als
Agrarisch met waarden
7.2 Functieomschrijving
De volgende functie(s) em gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
- agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
- agrarisch hobbymatig grondgebruik;
- behoud, ontwikkeling en versterking van:
- de aanwezige landschappelijke waarden;
- bestaande natuurwaarden, al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik;
- erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen en bosschages;
- nutsvoorzieningen;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder:
- extensief dagrecreatief medegebruik;
- groenvoorzieningen;
- paden, verkeers- en ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en in- en uitritten;
- boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.3 Beoordelingsregels bouwwerken
7.3.1 Gebouwen
De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:
- Er zijn geen gebouwen toegestaan.
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouwen zijnde:
- erf- en perceelsafscheidingen met een open constructie, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
- een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, met dien verstande dat:
- de inhoud van de voederberging of voederruif maximaal 3 m3 bedraagt;
- de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.
7.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken
7.4.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken ten behoeve van een hoogzit
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
- het bouwen van een hoogzit voor de uitoefening van de jacht of natuurstudie;
7.4.2 Aanwijzing afwijkende bouwwerken ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
- het realiseren van tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen;
- het realiseren van tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen;
7.4.3 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken
7.4.3.1 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken ten behoeve van een hoogzit
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in
subsubparagraaf 7.4.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 meter;
- de oppervlakte bedraagt maximaal 5 m2;
- geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de verkeersveiligheid;
- de milieusituatie;
- de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
- de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- in voldoende mate moet worden onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura 2000-gebieden en/of stiltegebieden;
- vergunning voor de in dit lid genoemde activiteiten uitsluitend wordt verleend mits verzekerd is dat de ontwikkeling gepaard gaat met inpassing van de activiteiten, een en ander op basis van een goedgekeurd landschapsplan, waarbij aanleg, beheer en instandhouding juridisch geborgd zijn;
- de onder f bedoelde inpassing mede kan betreffen:
- de landschappelijke inpassing van bebouwing en verharding;
- aanleg van gebiedseigen landschapselementen in of nabij de projectlocatie;
- het slopen van bebouwing;
- het vergroten van architectonische kwaliteit van bouwwerken.
7.4.3.2 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in
subsubparagraaf 7.4.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte van tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 3 meter;
- bij tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen de voorzieningen worden verwijderd nadat de teelt waarvoor deze worden aangelegd is beëindigd;
- aangetoond moet worden dat binnen het agrarisch bestemmingsvlak geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van de voorzieningen;
- geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
7.5 Specifieke functieregels
7.5.1 Aanwijzing verbod
- kamperen;
- detailhandel;
- paardenbakken, anders dan bedoeld in subsubparagraaf 7.3.2;
- waterbassin voor een agrarisch bedrijf;
- het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens en materialen;
- het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
- evenementen;
- tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen, behoudens en gedurende de teeltperiode waarvoor deze nodig zijn en met dien verstande dat deze uitsluitend zijn toegestaan indien de voorzieningen na afloop van de teeltperiode waarvoor deze worden gebruikt, worden opgeruimd/verwijderd;
- permanente teeltondersteunende voorzieningen;
- (buiten)opslag, waaronder de opslag van mest(stoffen), behalve als dit tijdelijk noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik;
- het plaatsen van zonnecollectoren en -panelen;
- het realiseren van voerplaten.
7.6 Afwijken van de gebruiksregels
7.6.1 Aanwijzing afwijkend gebruik ten behoeve van een paardrijbak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren
- de inrichting en het gebruik van gronden als paardrijbak voor hobbymatig gebruik.
7.6.2 Beoordelingsregels afwijkend gebruik
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in
subsubparagraaf 7.6.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit functie) gelden de volgende beoordelingsregels:
- de noodzaak voor realisering van de rijbak wordt aangetoond;
- de paardrijbak uitsluitend mag worden gerealiseerd direct aansluitend aan een bestemmingsvlak volgens de bestemmingen: 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Niet grondgebonden', 'Agrarisch - Paardenhouderij', 'Bedrijf', 'Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf', 'Bedrijf - Agrarisch verwant bedrijf' of 'Wonen';
- aangetoond moet worden dat binnen het aangrenzende bestemmingsvlak als bedoeld onder b geen reële mogelijkheden zijn voor het gehele of gedeeltelijk realiseren van een paardrijbak;
- de oppervlakte maximaal 1.200 m2 bedraagt;
- de afstand tot woningen van derden minimaal 50 meter bedraagt;
- de afstand tot de as van de weg minimaal 15 meter bedraagt;
- tredmolens e.d. niet zijn toegestaan.
- geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de verkeersveiligheid;
- de milieusituatie;
- de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
- de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- in voldoende mate moet worden onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura 2000-gebieden en/of stiltegebieden;
- vergunning voor de in dit lid genoemde activiteiten uitsluitend wordt verleend mits verzekerd is dat de ontwikkeling gepaard gaat met inpassing van de activiteiten, een en ander op basis van een goedgekeurd landschapsplan, waarbij aanleg, beheer en instandhouding juridisch geborgd zijn;
- de onder d bedoelde inpassing mede kan betreffen:
- de landschappelijke inpassing van bebouwing en verharding;
- aanleg van gebiedseigen landschapselementen in of nabij de projectlocatie;
- het slopen van bebouwing;
- het vergroten van de architectonische kwaliteit van bouwwerken.
7.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.7.1 Verboden werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
- het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
- het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, tenzij dit noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
- het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur;
- het vellen en/of rooien van houtgewas, met name hoogstamboomgaarden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging;
- het bebossen van gronden;
- het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen.
7.7.2 Uitzondering
De in
subsubparagraaf 7.7.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
- van geringe omvang danwel die het normale onderhoud en beheer betreffen;
- welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
- die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
7.7.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
- de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
- de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.
Artikel 8 Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf
8.2 Functieomschrijving
De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
- agrarisch-technische hulpbedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de navolgende aanduidingen uitsluitend de daarbij aangegeven soorten bedrijven zijn toegestaan:
- ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - loonbedrijf, fouragehandel en agrarisch transportbedrijf': een loonbedrijf, fouragehandel en agrarisch transportbedrijf;
- wonen in een bedrijfswoning;
met daaraan ondergeschikt:
- groenvoorzieningen;
- tuinen, erven en terreinen;
- paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
- boven- en/ of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels bouwwerken
8.3.1 Algemeen
- gebouwen;
- een bedrijfswoning;
- bijbehorende bouwwerken;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.3.2 Bouwen binnen bestemmings- en/of bouwvlak
Voor het bouwen binnen het bestemmingsvlak zijn de volgende beoordelingsregels van toepassing:
- per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijf toegestaan, met dien verstande dat voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in subsubparagraaf 8.3.3, subsubparagraaf 8.3.4 en subsubparagraaf 8.3.5;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen te worden gebouwd binnen het bestemmingsvlak;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kunnen worden gebouwd tot op de bestemmingsvlakgrens, met dien verstande dat de afstand tot de zijdelingse en achterste bestemmingsvlakgrens minimaal 5 meter dient te bedragen, behoudens terreinafscheidingen met een maximale hoogte van 2 meter;
- in afwijking van het bepaalde onder c kunnen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op een kortere afstand tot de zijdelingse en achterste bestemmingsvlakgrens worden gebouwd, mits de afstand tot de perceelsgrens van percelen van derden minimaal 5 meter bedraagt;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals waterbassins, verhardingen en parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd binnen het bestemmingsvlak;
- bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
- bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd tot op de bouwvlakgrens, met dien verstande dat de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens minimaal 5 meter dient te bedragen;
- in afwijking van het bepaalde onder g kunnen bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken, op een kortere afstand tot de zijdelingse en achterste bouwvlakgrens worden gebouwd, mits de afstand tot de perceelsgrens van percelen van derden minimaal 5 meter bedraagt;
- indien op de verbeelding het bouwvlak gelijk is aan het bestemmingsvlak gelden de regels onder a tot en met h voor het gehele bestemmingsvlak, tevens bouwvlak zijnde.
8.3.3 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen zijn de volgende beoordelingsregels van toepassing:
- de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en/of bouwhoogte' aangeduide goot- en/of bouwhoogte;
- de oppervlakte van bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken inclusief mestsilo's bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' aangeduide bebouwde oppervlakte;
- de voorgevel van de bedrijfsgebouwen dient te worden gebouwd op minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning.
8.3.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bijgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken zijn de volgende beoordelingsregels van toepassing:
- per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat uitsluitend legale bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan;
- de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de bestaande voorgevelrooilijn;
- de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 750 m3, met dien verstande dat in aanvulling daarop extra aangebouwde bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd overeenkomstig het bepaalde onder f;
- de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 6 meter;
- de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 9 meter;
- de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m2, met dien verstande dat:
- bij de woning aangebouwde bijbehorende bouwwerken binnen de maximum inhoudsmaat van 750 m3 niet worden meegerekend bij het bepalen van het maximale oppervlak van 100 m2;
- de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' aangeduide bebouwde oppervlakte niet mag worden overschreden;
- de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter;
- de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 5,5 meter;
- bijbehorende bouwwerken worden op een afstand van minimaal 3 meter achter de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd;
- de afstand tussen de woning en daarbij behorende vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 20 meter.
8.3.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn de volgende beoordelingsregels van toepassing:
- de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6 meter, met uitzondering van:
- erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt;
- erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
- omheiningen rond een paardrijbak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
- de bouwhoogte maximaal 1,70 meter bedraagt;
- de omheiningen qua kleur en materiaalgebruik passen in de omgeving;
- lichtmasten rond een paardrijbak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
- de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt;
- de afstand van lichtmasten tot woningen van derden minimaal 75 meter dient te bedragen;
- de afstand van lichtmasten tot wegen minimaal 15 meter dient te bedragen;
- er maximaal 4 lichtpunten worden geplaatst;
- de lichtmasten zodanig worden geplaatst dat deze afschijnen van woningen van derden en van de openbare weg;
- in afwijking van en/of in aanvulling op het bepaalde onder a gelden voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van kunstmest- en voedersilo's de volgende regels:
- de afstand tot de niet naar de weg gekeerde bestemmingsvlakgrens bedraagt minimaal 5 meter;
- de afstand tot de bestemming 'Verkeer' bedraagt minimaal 10 meter;
- de maximale bouwhoogte bedraagt 12 meter;
- de kunstmest- en voedersilo wordt gebouwd achter (het verlengde van) de achtergevel van de bedrijfswoning;
- zonnecollectoren en -panelen zijn toegestaan, met dien verstande dat:
- de zonnecollectoren en/of -panelen worden geplaatst binnen het bestemmingsvlak op de grond;
- de zonnecollectoren en/of -panelen worden geplaatst op een afstand van 3 meter achter de voorgevelrooilijn;
- de zonnecollectoren en/of -panelen ten dienste staan van de (bedrijfs)woning;
- de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
- de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak dat gebruikt wordt voor de plaatsing van zonnecollectoren en/of panelen maximaal 250 m2 bedraagt;
- de zonnecollectoren en/of -panelen landschappelijk worden ingepast.
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Aanwijzing verbod
- detailhandel;
- een aan huis verbonden beroep of bedrijf;
- horeca;
- geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen;
- bedrijven van categorie 3 en 4;
- kamerverhuur;
- inwoning/mantelzorg;
- woningsplitsing;
- verblijfsrecreatie;
- evenementen;
- seksinrichtingen;
- bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde;
- het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning;
- opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak;
- buitenopslag voor de voorgevelrooilijn;
- het splitsen van een bestemmings-/bouwvlak en/of het vestigen van meerdere bedrijven in hetzelfde bestemmings-/bouwvlak;
- mestopslag en mesthandel, uitgezonderd:
- opslag van mest in een daarvoor bestemd bouwvlak aanwezig in de bestaande situatie en uitsluitend bestemd voor bemesting van de eigen grond.
Artikel 9 Waarde - Archeologie 6
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als
Waarde - Archeologie 6.
9.2 Functieomschrijving
De voor
Waarde - Archeologie 6 aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) en activiteiten, bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze locatie voorkomende en te verwachten archeologische waarden. De functie
Waarde - Archeologie 6 gaat voor op de overige aan deze locaties toegekende functies en activiteiten.
9.3 Beoordelingsregels bouwwerken
Binnen de als
Waarde - Archeologie 6 aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken van toepassing:
- Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen;
- de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
- Indien uit het in sub b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in sub b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Verboden werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
- Het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt;
- Het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt;
- Het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt;
- Het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
- Het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
- Het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
- Het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
- Het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
- Het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
- Het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 50 cm, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 1.000 m2 of meer bedraagt.
9.4.2 Uitzonderingen
De in
subsubparagraaf 9.4.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
- Het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
- Reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
9.4.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
- gebleken is dat de in subsubparagraaf 9.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
Voor zover de in
subsubparagraaf 9.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
- De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
9.4.4 Advies
Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de, op dat terrein, meest aangewezen instantie.
9.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
9.5.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
- het slopen van bouwwerken.
9.5.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover:
- In het belang van de archeologische monumentenzorg kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan een omgevingsvergunning voor het slopen op of in gronden binnen de functie ‘Waarde - Archeologie 6';
- Aan de omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden dat de sloopwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm vanaf 30 cm boven het maaiveld en minder worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige;
- Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorwaarden kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning voor het slopen.
9.5.3 Advies
Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de, op dat terrein, meest aangewezen instantie.
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 11 Algemene regels voor bouwactiviteiten
11.1.1 Algemene parkeeregels
Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.
11.1.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen
Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de 'Nota Parkeernormen 2023 gemeente Land van Cuijk'. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
11.1.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen
Indien het geheel of gedeeltelijk veranderen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte worden voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
11.1.4 Specifieke gebruiksregels
Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.
11.2.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
11.2.2 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in
subsubparagraaf 11.2.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
- Op plaatsen waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
- De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan één bouwlaag;
- Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
Artikel 12 Algemene regels voor functies en activiteiten
12.1 Verboden gebruiksactiviteiten
Onder strijdig gebruik van dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
- het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
- het gebruik van een bedrijfswoning, dienstwoning, woning en/of wooneenheid anders dan voor één huishouden;
- het gebruik van een bijgebouw of bijbehorende bouwwerk ten behoeve van wonen in een onzelfstandige woonruimte;
- het gebruik van gronden ten behoeve van paardenbakken;
- het gebruik van gronden en gebouwen voor speelautomatenhal, bingohal, discotheek of dancing;
- permanente bewoning van voorzieningen ten bhoeve van verblijfsrecreatie en kleinschalig kamperen;
- mestvergisting;
- het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak voor de opslag van mest, zoals mestzakken en foliebassins.
- het op of in de bodem lozen, als daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
12.2 Lozing van verontreinigd grondwater op of in de bodem
12.2.1
Met het oog op de bescherming van het bodem- en watersysteem stelt dit TAM-omgevingsplan voorwaarden aan het op of in de bodem lozen van afvalwater dat afkomstig is van:
- een bodemsanering of grondwatersanering;
- onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en
- graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
12.2.2
Bij de activiteiten uit lid 1 geldt in ieder geval dat:
- de emissiegrenswaarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing zijn; en
ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in het eerste lid, en ten minste vier weken voor een eventuele wijziging van de activiteit, aan het gemeentebestuur gegevens en bescheiden worden verstrekt over:
- de aard en omvang van de lozing; en
- de verwachte datum van het begin van de activiteit.
12.2.3
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als:
- het grondverzet ten hoogste 25 m3 bedraagt; en
- het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering niet langer dan 48 uur duurt.
12.3 Beoordelingsregels beroep- en bedrijf-aan-huis
In de functies waarin een woning is toegestaan of na een omgevingsvergunning mogelijk kan worden gemaakt, is ondergeschikt aan deze functies de uitoefening van een beroep-aan-huis of een bedrijf-aan-huis toegestaan als medegebruik, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
- Het betreft een dienstverlenend of ambachtelijk beroep of bedrijf met een ruimtelijke uitwerking en uitstraling in overeenstemming met de functie wonen, zoals administratieve, juridische, (para-)medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerptechnische of daarmee vergelijkbare beroepen en bedrijven;
- Het medegebruik blijft van ondergeschikte betekenis en de woonfunctie blijft in ruimtelijke en visuele zin primair;
- Het betreft geen beroep of bedrijf waarvoor een omgevingsvergunning milieu verleend moet worden of een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet milieubeheer;
- Er is geen sprake van detailhandel, waaronder in ieder geval begrepen de verkoop over de toonbank en het ophalen van goederen na elektronische betaling;
- Het beroep of bedrijf heeft geen structurele verkeersbewegingen tot gevolg, veroorzaakt door bezoekers en laden en lossen;
- De benodigde parkeervoorzieningen voor de (bedrijfs)woning en het beroep of bedrijf worden op eigen terrein gerealiseerd;
- Het medegebruik blijft beperkt tot de bewoners van de woning;
- Het medegebruik blijft beperkt tot maximaal 35% van de bruto-vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m²;
- De reclame-uitingen zijn onverlicht, hebben een maximale oppervlakte van 0,2 m² en een maximale bouwhoogte van 1,2 m.
12.4 Beoordelingsregels paardrijbakken
In de functies waarin een (bedrijfs)woning is toegestaan of na een omgevingsvergunning mogelijk kan worden gemaakt, is ondergeschikt aan de functie paardrijbak als medegebruik, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
- de paardrijbak behoort bij de binnen dezelfde bestemmingsvlak gelegen (bedrijfs)woning;
- de oppervlakte maximaal 1.200 m2 bedraagt;
- de afstand tot woningen van derden minimaal 50 meter bedraagt;
- de afstand tot de as van de weg minimaal 15 meter bedraagt;
- de paardrijbak landschappelijk (groen/houtsingels) dient te worden ingepast met gebiedseigen beplanting;
- tredmolens e.d. niet zijn toegestaan;
- aanwezige waarden in het gebied niet onevenredig worden aangetast.
12.5 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
- Tot een verboden gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 12.1 wordt begrepen het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf zonder de aanleg en instandhouding van de in bijlage 1opgenomen landschappelijke inpassingsplan;
- In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na het in gebruik nemen voor deze functies geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 1 opgenomen landschappelijke inpassingsplan.
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels
13.1 Overige zone - gemengd landelijk gebied
een gebied waar de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd, en
een gebied waar de ontwikkeling van een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd, rekening houdend met in ieder geval de landbouwontwikkelingsgebieden, de vestigingsgebieden voor glastuinbouw en de gebieden waar teeltondersteunende kassen zijn toegestaan.
Artikel 14 Overgangsrecht
14.1 Overgangsrecht bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22b]' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22b]', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
- het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22b]', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepaling.
14.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
- het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
- het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 11.1 sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
- indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
- het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.