direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Brouwersstraat ong. (tussen 33 en 35) Beugen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Initiatiefnemer is voornemens om op een onbebouwd perceel aan de Brouwersstraat in Beugen vier nieuwe woningen te realiseren. Omdat deze ontwikkeling niet passend is binnen het geldende bestemmingsplan, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt toegelicht en gemotiveerd waarom deze ontwikkeling kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Brouwersstraat in de kern Beugen (gemeente Land van Cuijk). Het plangebied ligt op de grens van de kern met het buitengebied, op een inbreidingslocatie tussen de bestaande adressen Brouwersstraat 33 en 35. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0002.png"

Ligging plangebied ten opzichte van omgeving (bron: openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Brouwersstraat, in de kernrand van Beugen. Het gebied heeft een van oorsprong landelijk karakter. Door de ontwikkeling van enkele vrijstaande woningen aan de overzijde van het plangebied heeft dit deel van de Brouwersstraat een meer dorps karakter gekregen. De Brouwersstraat is een smalle weg voor bestemmingsverkeer. Ter hoogte van het plangebied is middels enkele betonblokken een blokkade gemaakt, waardoor de weg daar zowel vanuit oostelijke als westelijke richting hier feitelijk doorloopt. Het oude dorpslint van de Dorpsstraat is direct ten zuiden van het plangebied gelegen.

Het plangebied, kadastraal bekend als F-3886 (kadastrale gemeente Boxmeer), heeft een oppervlak van ca 4000 m² en betreft in de huidige situatie een onbebouwde ruimte tussen bebouwde percelen. Aan de randen van het perceel staan hekwerken, schuttingen en hagen die het perceel scheiden van aangrenzende bedrijven en woningen. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0003.png"

Luchtfoto plangebied (bron: PDOK viewer)

2.2 Toekomstige situatie

Het voornemen is om vier nieuwe woningen te realiseren binnen het plangebied. Het gaat om twee vrijstaande woningen en twee aaneengebouwde woningen. De vrijstaande woningen zijn voorzien op de twee buitenste kavels, de twee aaneengebouwde woningen in het midden. De woningen (hoofdgebouwen) krijgen een oppervlak van ca 110 m² (per vrijstaande woning) en 90 m² (per twee-aaneen woning). Alle woningen krijgen één bouwlaag met kap, met een bijbehorende maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 7 m en 4,5 m. Daarmee past de massa van de woningen binnen de huidige stedenbouwkundige structuur van dit deel van de Brouwersstraat.

De woningen krijgen een uitstraling in de karakteristiek van het bestaande bebouwingslint. Voor de architectuur van de woningen wordt gekozen voor een overkoepelend thema 'refererend naar agrarische bebouwing zoals boerderij en schuur' met binnen dit thema een differentiatie tussen de woningen. Hiermee wordt een projectmatige uitstraling voorkomen. Een en ander is verder uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan uit bijlage 2.

Inrichting groen- en parkeerstrook Brouwersstraat

Parallel aan de Brouwersstraat wordt, binnen het plangebied, een groen- en parkeerstrook aangelegd, zie de tweede afbeelding uit voorliggende paragraaf. Deze strook behoort in de toekomstige situatie tot het openbaar gebied. Naast de ontsluiting van de vier woningen worden binnen de strook twee parkeerplaatsen aangelegd. De resterende ruimte krijgt een groene inrichting met mogelijkheden voor waterberging.

Samen met de zeven parkeergelegenheden binnen eigen terrein zijn er in totaal 9 parkeervoorzieningen beschikbaar. Daarmee wordt er voldaan aan de norm. Meer hierover volgt in paragraaf 4.4 Verkeer.

Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie. Een nadere toelichting van het initiatief is uitgewerkt in het projectplan uit bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0004.png" Toekomstige situatie plangebied (bron: Lamers en Visser Bouwmanagement en Bouwtechniek)

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0005.png"

Inrichting groen- en parkeerstrook aan de Brouwersstraat (bron: Lamers en Visser Bouwmanagement en Bouwtechniek)

2.3 Duurzaamheid & klimaatadaptatie

In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen.

Bouwbesluit

Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen.

Kansen

Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied.


Planspecifiek

Het thema duurzaamheid is geïntegreerd in de planuitwerking van voorliggend initiatief. De nieuwe woningen krijgen geen aansluiting op het gasnetwerk maar zullen op een andere manier worden verwarmd. De woningen voldoen bovendien aan de huidige duurzaamheidseisen uit het Bouwbesluit, waarmee een optimale isolatie is gewaarborgd. Verder worden de mogelijkheden bekeken voor de toepassing van duurzame technieken, zoals het plaatsen van zonnepanelen.

Ook bij de inrichting van de tuinen zijn er voldoende mogelijkheden om de buitenruimte duurzaam in te richten. Parallel aan de Brouwerstraat wordt een groen- en parkeerstrook aangelegd, zie paragraaf 2.2. Tussen de inritten en parkeervakken is ruimte voor groen en waterberging. De nieuwe bomen zorgen niet alleen voor een groen aanzien. De schaduwwerking zorgt, zeker tijdens hele warme dagen, voor een verkoelend effect. De bomen gaan daarmee hittestress tegen, en zorgen voor een aangenaam woon- en leefklimaat tijdens warme dagen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen gebieden van de NOVI en het Barro. De ontwikkeling raakt daarmee niet aan één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Ladder duurzame verstedelijking

Uit jurisprudentie blijkt dat er pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder bij ontwikkelingen van 12 woningen of meer. Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van vier woningen en is daarmee dus geen stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder van toepassing is. Verdere toetsing hieraan is niet nodig.

Het plan is passend binnen het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Met de Brabantse omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe zij hieraan wil werken.

De provincie gelooft dat men met elkaar moet zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving en dat zij dat kunnen bereiken met een nieuwe manier van (samen)werken. Dat door het juiste samenspel – waarbij zij streven naar synergie en meerwaarde - de kwaliteit van leven hier en nu goed samengaat met de kwaliteit van leven elders en later.

Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien en stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie.

De provincie heeft vier hoofdopgaven opgesteld. Aan de basis van deze hoofdopgaven liggen veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit.

  • 1. Werken aan de Brabantse energietransitie
  • 2. Werken aan een klimaatproof Brabant
  • 3. Werken aan de slimme netwerkstad
  • 4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening, versie 16 november 2021, is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Dit is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen (milieu, wegen, ontgronden, natuurbescherming, ruimte en water).

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid.

Planspecifiek

Stedelijke ontwikkeling en erfgoed

In de omgevingsverordening Noord-Brabant is het plangebied aangewezen als 'Landelijke kern' binnen 'stedelijk gebied'. In de bijbehorende regels onder artikel '3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling' is bepaald dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met woningen binnen stedelijk gebied moet liggen en een onderbouwing dient te bevatten waarin is aangetoond dat de ontwikkeling past binnen de regionale woningbouwafspraken en dat het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

In navolgende subparagraaf 3.3 is onder het regionaal beleid aangetoond dat het woningbouwprogramma van voorliggende ontwikkeling aansluit bij de kwantitatieve- en kwalitatieve woonbehoeftes uit het regionale programma. Wat de provincie verstaat onder een duurzame stedelijke ontwikkeling is uiteengezet in artikel 3.42 lid 2:

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

  • a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;
  • b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
  • c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
  • d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
  • e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
  • f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Met betrekking tot dit plan betekent dit:

  • a. dat er sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het plangebied betreft een onbebouwd perceel met een agrarische bestemming zonder bouwvlak. In het geldende bestemmingsplan is het plangebied vanwege de wijzigingsbevoegdheid reeds door de gemeente aangewezen als toekomstige geschikte woonlocatie (zie ook paragraaf 3.4.4). De bestaande planologische mogelijkheden voor agrarische activiteiten in bestaand woongebied vervalt met dit plan. De beoogde woonfunctie is passend op deze locatie en heeft geen nadelige gevolgen met betrekking tot veiligheid of gezondheid;
  • b. dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik door te kiezen voor een inbreidingslocatie in de kern Beugen. Door voorliggend plan wordt een bestaande openheid in het bebouwingslint logisch opgevuld met een voor dit gebied passende functie. Door gebruik te maken van deze beschikbare ruimte wordt voorkomen dat extra woningbouw wordt gerealiseerd in het buitengebied;
  • c. dat de woningen voldoen aan de normen uit het Bouwbesluit met betrekking tot duurzaamheid en energie. Tevens wordt gebouwd conform het Bouwbesluit. De woningen krijgen geen gasaansluiting, maar zullen op andere manieren verwarmd worden. Hiermee wordt invulling gegeven aan de mogelijkheden rond deze thema's. Dit staat verder beschreven in paragraaf 2.3;
  • d. dat er voldoende ruimte is voor de opvang van water, zoals beschreven in paragraaf 2.3. Tevens wordt gebouwd conform het Bouwbesluit.
  • e. dat het plan invulling geeft aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.4;
  • f. dat het plan bijdraagt aan een duurzame, concurrerende economie door het eigentijdse woningaanbod te vergroten en daarmee een bijdrage te leveren aan de aantrekkingskracht van het dorp. Dit komt de lokale bedrijvigheid ten goede.

Op basis van het bepaalde onder a t/m f kan worden geconcludeerd dat voorliggend plan past binnen het gestelde van artikel 3.42 van de omgevingsverordening Noord-Brabant.

Natuur Netwerk Brabant

Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt op circa 280 m ten noorden van het plangebied. Vanwege deze ruime afstand en het beperkte ruimtelijke effect van voorliggend initiatief kunnen negatieve externe effecten die zorgen voor aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB worden uitgesloten. Het initiatief past binnen het gestelde van artikel 3.16 'Externe werking Natuur Netwerk Brabant' uit de omgevingsverordening.

Watersystemen, - veiligheid en -berging

Het plangebied is op de kaart 'Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging' gelegen binnen het gebied 'Norm wateroverlast Stedelijk gebied'. Hiervoor gelden specifieke regels voor waterschappen. In paragraaf 4.2 is beschreven hoe het plan hieraan voldoet.

In de verordening zijn voor de gronden ter plaatse van het plangebied geen andere regels opgenomen die om een nadere verantwoording vragen gelet op de inhoud van voorliggend plan.

Het initiatief past binnen het provinciale beleid.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk 2018

In het voorjaar van 2018 is de Regionale Woningmarktstrategie van de regio het Land van Cuijk vastgesteld. De vijf gemeentebesturen hebben samen met woonpartners zes ankers geïdentificeerd die de kern vormen van deze strategie:

  • Een vitale regio, met als doel om tot 2030 nog met 3.000 tot 4.000 extra woningen te groeien;
  • Een gezonde woningmarkt, met als doel om met gezond verstand optimaal in te spelen op de woonwensen van mensen. Gemeenten moeten lokaal sturen en met de regio afstemmen;
  • De juiste woning op de juiste plek in dit 'land van kernen', met als doel om het Land van Cuijk recht te laten doen aan de eigenheid en vitaliteit van de kernen, waarin verschil wordt gemaakt in de wijze van gebiedsontwikkeling tussen grotere en kleinere kernen;
  • Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal, met als doel om de kwaliteit van de bestaande voorraad aan woningen van goed naar excellent te ontwikkelen;
  • Een levensloopvriendelijke regio, met als doel om kwetsbare inwoners met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving te laten wonen en wanneer dat niet mogelijk is een goede woonzorginfrastructuur in de grotere kernen te bieden;
  • Een duurzame regio, met als doel om vanaf 2050 alle woningen (bestaande en nieuwe) grotendeels energieneutraal te maken. De gemeente Land van Cuijk zorgt voor een gelijk speelveld.

Planspecifiek

De beoogde ontwikkeling in het plangebied voorziet in de realisatie van vier nieuwe koopwoningen (vrijstaand en twee-onder-een-kap). Het plan draagt daarmee direct bij aan één van de opgaven uit de woningmarktstrategie om tot aan 2030 nog eens 3.000 tot 4.000 extra woningen bij te bouwen. De woningen uit voorliggend plan worden opgericht in een bestaande kern (inbreidingslocatie). Voorliggend initiatief draagt bij aan de toegankelijkheid van de woningmarkt in de regio. Het plan speelt daarmee in op de ankers uit de woningmarktstrategie.

Het initiatief past binnen de 'Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk 2018'.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Boxmeer

Op 10 januari 2014 heeft de gemeente Boxmeer de Structuurvisie Boxmeer vastgesteld. In de Structuurvisie maakt de gemeente met betrekking tot het aspect 'Occupatie, wonen' onderscheid in verschillende gebieden. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Beugen en valt daarmee in het gebied 'Overige kernen'. Deze kernen zijn sterk gericht op de hoofdkern Boxmeer en functioneel en ruimtelijk verbonden binnen een zogenaamde 'kralensnoer'. Beugen valt onder de geleidelijk gegroeide kernen met dorpskarakter. De Structuurvisie Boxmeer doet met betrekking tot wonen geen voorspellingen voor de periode vanaf 2023. In algemene zin wordt gesteld dat de vraag naar differentiatie in het woningaanbod zal stijgen en dat er de komende tijd gebouwd en omgevormd moet worden om aan die vraag te blijven voldoen.

Planspecifiek

In de Structuurvisie Boxmeer 2030 is het plangebied onderdeel van de bestaande kern van Beugen. Het plangebied maakt deel uit van de aangewezen locatie 'Verdichting Brouwersstraat/Dorpsstraat', zie navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0006.png"

Uitsnede 'Mogelijke uitbreidingen Beugen' (bron: Structuurvisie)

Op deze locatie zijn mogelijkheden om woningen toe te voegen middels verdichting. Het gaat hierbij om kleinschalige inbreidingen op open plekken binnen de bestaande ruimtelijke situatie. Gezien de locatie (aan de Brouwersstraat, te midden van bestaande bebouwing) en de kleinschaligheid van het project (vier woningen) past voorliggend plan binnen dit beleid.

Het plan is passend binnen de Structuurvisie.

3.4.2 Volkshuisvesting

De voormalige gemeente Boxmeer heeft in het kader van volkshuisvesting een marktscan in- en uitbreidingslocaties uit laten voeren. Dit rapport beschrijft conclusies en doet aanbevelingen op het gebied van dit onderwerp. De komende jaren ligt er een grote woningbouwopgave in de gemeente Boxmeer en de noodzaak om voldoende te bouwen in de verschillende kernen is groot. Om de woningbehoefte voor de komende jaren te bepalen maakte de voormalige gemeente gebruik van de provinciale bevolkings- en huishoudensprognose. Deze is recent geactualiseerd en naar kernniveau doorvertaald.

In de voormalige gemeente Boxmeer is van 2020 tot 2030 behoefte aan 1.200 nieuwe woningen. De woningbehoefte ligt daarmee beduidend hoger dan uit de vorige prognose naar voren kwam. Voor de periode 2030-2040 geldt een aanvullende behoefte van 400 woningen.

Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat gezorgd wordt voor voldoende woningbouw in alle kernen en dat grootschalige woningbouwprogrammering plaatsvindt in kernen met een hoger voorzieningenniveau (Boxmeer, Overloon, Vierlingsbeek) en kernen die daar vlakbij liggen (Sambeek en Beugen). In de kleinere kernen is de vraag kleiner en meer diffuus en dit vraagt om maatwerk in de woningbouwprogrammering. In deze kernen geldt dan ook het principe van ondernemerschap en 'goede plannen'. Deze uitgangspunten zijn gebruikt voor een vertaling van de woningbehoefte op kernniveau.

Voor de kern Beugen bedraagt deze woningbehoefte in totaal 85 woningen tot 2040, zie navolgende tabel. Deze raming is gebaseerd op de huidige grootte van het dorp en de verwachte instroom van buiten de gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0007.png"

De huidige harde plancapaciteit (reeds met een bestemmingsplan mogelijk gemaakt) bedraagt 31 woningen en zachte plancapaciteit (locaties waar visievorming gestart is of wijzigingsbevoegdheden) voor Beugen bedraagt indicatief 35 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0008.png"

Planspecifiek

Binnen Beugen is tot aan 2040 een behoefte aan 85 nieuwe woningen. Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van vier nieuwe woningen. Gelet op de behoefte tot aan 2040 zijn de woningen uit dit plan vanuit kwantitatief oogpunt passend en gewenst. Voorliggend plan draagt direct bij aan het behalen van de woningbouwopgave tot 2040. De ontwikkeling op deze inbreidingslocatie is een goede gelegenheid om Beugen te voorzien van woningen die voldoen aan de energetische -en woonkwaliteitseisen van deze tijd. Met de verschillende types woningen richt het plan zich op verschillende groepen. Beugen blijft daardoor een aantrekkelijke woonkern.

Het initiatief is passend binnen het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid.

3.4.3 Welstandsnota 2014 Boxmeer

In de Welstandsnota is het welstandsbeleid van de voormalige gemeente Boxmeer uitgewerkt. In de welstandsnota 2004 heeft de voormalige gemeente Boxmeer het welstandsbeleid voor de eerste keer uitgewerkt. Deze welstandsnota is tot stand gekomen in samenwerking met de overige gemeenten in het Land van Cuijk. In 2009 is de eerste welstandsnota van Boxmeer geactualiseerd. Ter voorbereiding aan deze actualisatie is op hoofdlijnen bepaald hoe de welstandsnota vereenvoudigd en leesbaarder gemaakt kon worden. Daarbij is de bestuurlijke visie ten aanzien van welstandszorg bij het project betrokken. Naast het voornemen om gebieden welstandsvrij te maken zijn de criteria zodanig opgesteld dat er vooral sturing aan de voorzijde van gebouwen en percelen plaatsvindt.

Planspecifiek

Het plangebied is aangewezen als beheergebied. In het kader van voorliggend initiatief is een beeldkwaliteitskader uitgewerkt, zie bijlage 2. Het beeldkwaliteitsplan wordt gelijktijdig met voorliggend bestemmingsplan vastgesteld en geldt als aanvullend welstandskader.

3.4.4 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Beugen', vastgesteld door de voormalige gemeente Boxmeer op 27 juni 2019. Navolgende afbeelding toont de vigerende planologische situatie ter plaatse van het plangebied, waarvan de grenzen zijn aangegeven met de rode omkadering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0009.png"

Uitsnede vigerende bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak. Twee dubbelbestemmingen zijn van kracht: 'Waarde - Archeologie - 3' en 'Waterstaat - Attentiegebied Natuurnetwerk Brabant'. Ter hoogte van het plangebied geldt een gebiedsaanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied - 3'. De bijbehorende wijzigingsbevoegdheid voorziet in een planologische mogelijkheid om onder voorwaarden vier vrijstaande woningen op te richten.

Strijdigheid met geldend bestemmingsplan

Binnen de vigerende agrarische bestemming is de oprichting en ingebruikname van vier burgerwoningen niet toegestaan. Voorliggend plan is daarmee strijdig met het geldende bestemmingsplan. Het plan past daarnaast niet binnen de voorwaarden van de geldende wijzigingsbevoegdheid (wetgevingszone - wijzigingsgebied - 3'). De wijzigingsbevoegdheid maakt de oprichting van vier vrijstaande woningen mogelijk, terwijl voorliggend plan voorziet in twee vrijstaande en twee aaneengebouwde woningen.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de toelichting van een bestemmingsplan te beschikken over een paragraaf bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

De toekomstige woonfunctie is een bodemgevoelige functie. Om te kunnen beoordelen of de kwaliteit van de bodem past bij het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat vanuit milieuhygienisch oogpunt de bodem geschikt wordt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Aanvullend bodemonderzoek is niet nodig.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het van belang te bepalen wat de bijdrage van het plan is aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool. Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het meest nabij gelegen rekenpunt 15530775 (aan de Dorpsstraat ten zuiden van het plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   12,9 µg/m3   15,4 µg/m3   8,6 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (vier woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in een woonwijk met in de omgeving geen geluidgezoneerde wegen (minimaal 50 km/h). Op grond van de Wet geluidhinder is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai niet nodig. De Brouwersstraat is een rustige 30 km/h-weg, die voornamelijk gebruikt wordt door bestemmingsverkeer. Aan de straat zijn verschillende betonblokken gelegen, die ervoor zorgen dat de snelheid ter hoogte van het plangebied sterk verminderd wordt. Geluidhinder door wegverkeer over deze weg kan worden uitgesloten. Ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

In de omgeving van het plangebied zijn geen industrieterreinen en spoorwegen aanwezig. Hinder als gevolg van industrielawaai en spoorweglawaai kan daarom op voorhand worden uitgesloten.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

Planspecifiek

Op basis van de Wgv zijn woningen aangemerkt als geurgevoelige objecten. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Beugen. De dichtstbij gelegen veehouderij ligt op circa 380 m ten zuidwesten van het plangebied (Dorpsstraat 61, Beugen). Dit betreft een rundveehouderij met fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar, alsmede vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Hiervoor is geen geuremissiefactor vastgesteld. Voor deze veehouderij geldt daarom een vaste afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom. Hieraan wordt in onderhavig plan ruimschoots voldaan. Andere veehouderijen uit de omgeving betreffen tevens veehouderijen met vaste afstandsdieren en liggen op ruimere afstand tot het plangebied. Geurhinder kan worden uitgesloten en er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Andere reeds bestaande woningen in de omgeving van veehouderijen blijven maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven. Voorliggend initiatief leidt niet tot belemmeringen van de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

In- en uitwaartse zonering

Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie (een bedrijf of bedrijventerrein) met als doel milieugevoelige functies uit de omgeving te weren. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de milieugevoelige functie (bijvoorbeeld een woongebied) een bufferzone gecreëerd.

Planspecifiek

De vier nieuwe woningen uit voorliggend plan zijn in het kader van milieuzonering aan te merken als milieugevoelige objecten. De vier woningen worden opgericht in een gemengd gebied, met naast andere woningen ook enkele bedrijfslocaties en een schoollocatie. Navolgende tabel geeft een overzicht van de aanwezige bedrijven en instellingen. Vanwege het gemengde gebied is er getoetst aan de richtafstanden van één lagere milieucategorie.

Functie (adres)   Categorie   Minimale richtafstand (gemengd gebied)   Feitelijke afstand tot plangebied  
Groothandel in bouwmaterialen, groter dan 2000 m2 , Brouwersstraat 37
 
2   30 m (gemengd 10 m) (geluid)   ca. 5 m  
Aannemersbedrijf met werkplaats, groter dan 1000 m2, Schuttersstraat 6   3.1   50 m (gemengd 30 m) (geluid)   ca. 45 m  
BSO, Moerkamp 73   2   30 m (gemengd 10 m) (geluid)   ca. 60 m  
Sportvereniging, Dorpsstraat 50c   3.1   50 m (gemengd 30 m) (geluid)   ca. 190 m  

Voor het aannemersbedrijf, de BSO en de sportvereniging geldt dat deze op ruime afstand tot het plangebied liggen. Het plangebied ligt op verdere afstand dan de bijbehorende richtafstanden van deze inrichtingen en bestaande bebouwing tussen het plangebied en deze inrichtingen zorgt voor een geluidreducerend effect. De inrichtingen zorgen niet voor nadelige milieuhinder op de nieuwe woningen.

Aan de westkant van het plangebied is een groothandel in bouwmaterialen gevestigd. In het vigerende bestemmingsplan is bepaald dat op de locatie bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. Het geluideffect van de groothandel wordt voornamelijk veroorzaakt door de buitenactiviteiten, waar materiaal ligt opgeslagen en (bedrijfs)voertuigen rijden. Het buitenterrein met bijbehorende ontsluiting op de Brouwersstraat ligt op minimaal 35 m tot het plangebied. De ruimte tussen het buitenterrein en het plangebied is volledig bebouwd. Deze bebouwing zorgt voor een geluidreducerend effect. De groothandel dient in de bestaande situatie rekening te houden met nabijgelegen woningen. Gelet op de planologische- en feitelijke situatie kan noemenswaardige milieuhinder worden uitgesloten en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied.

In omgekeerde werking zorgt voorliggend initiatief niet voor een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande bedrijven. In alle gevallen liggen er bestaande woningen in de directe omgeving die maatgevend blijven,

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0010.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Uit voorgaande kaart is op te maken dat het plangebied gelegen is in de omgeving van verschillende risicobronnen. Ten zuiden van het plangebied (op circa 1,2 km afstand) loopt de autosnelweg A77 en ten oosten (op circa 2 km) stroomt de Maas. Dit zijn transportroutes uit het basisnet voor gevaarlijke stoffen. Op circa 1,4 km ten westen loopt een buisleiding voor gevaarlijke stoffen. Tevens zijn enkele andere risicobronnen in de omgeving gelegen, waarvan de dichtstbijzijnde circa 900 meter ten noorden van het plangebied gelegen is.

Buisleidingen

De buisleiding in de omgeving van het plangebied betreft een aardgasleiding. Het plangebied ligt niet in de belemmeringsstrook met betrekking tot plaatsgebonden risico. Gelet op de technische gegevens van de leiding (uitwendige diameter 168 mm, maximale werkdruk 4000 kpa) ligt de 1%-letaliteitsgrens op 70 m van de leiding. Voorliggend plan ligt daar ruim buiten. Het plan zorgt daarmee niet voor een toename in het groepsrisico.

Vervoer gevaarlijke stoffen

De plaatsgebonden risicocontour (10-6) voor de in de omgeving van het plangebied aanwezige transportroutes voor gevaarlijke stoffen bedraagt 0 meter. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze transportroutes. De meest relevante zone voor het groepsrisico bedraagt 200 meter. Ook hier ligt het plangebied ruim buiten.

inrichtingen gevaarlijke stoffen

De risicocontouren (10-6) van de inrichtingen met gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied zijn op voorgaande kaart aangegeven met zwarte stippellijnen. Te zien is dat het plangebied ruimschoots buiten deze risicocontouren gelegen is. Deze inrichtingen leveren geen belemmeringen op voor het plan.

Conclusie

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.1.7 Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

  • in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;
  • een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
  • op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling

Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:

  • als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;
  • als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek

Het onderhavige plan behelst de ontwikkeling van het plangebied tot woonlocatie met vier nieuwe grondgebonden woningen. Het plan blijft daarmee (ver) onder de drempel van activiteiten die 2000 woningen of meer omvat zoals opgenomen in bijlage D11.2. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht.

In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 Het initiatief van deze ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

Conclusie

Uit het voorgaande is gebleken dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Waterschap Aa en Maas

Voor dit plan is het beleid van Waterschap Aa en Maas mede van belang. De volgende drie principes zijn richtinggevend bij de advisering over ruimtelijke plannen:

  • 1. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;
  • 2. Doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer';
  • 3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 500 m². Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de volgende rekenregel worden toegepast voor het berekenen van de benodigde compensatie:

Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06

De gevoeligheidsfactor zegt iets over de kenmerken van een gebied (droogte, kans op overstroming, ligging ten opzichte van natuurgebieden en bebouwde kom). De gevoeligheidsfactor is bepaald op de 'Kaart Algemene Regel afvoer regenwater door verhard oppervlak' van de waterschappen. Er zijn drie mogelijke waarden: laag (¼), gemiddeld (½) en hoog (1).

De factor 0,06 m vertegenwoordigt een maatgevende bui van 60 mm per uur (600 m³/ha).

Gemeente Land van Cuijk

Per 1 januari 2022 zijn de gemeenten Boxmeer, Cuijk en Sint Anthonis gefuseerd tot één gemeente.

Gezamenlijk hebben deze gemeenten en waterschap Aa en Maas het Verbreed Gemeente Rioleringsplan

(VGRP) 2020-2024 opgesteld. Als onderdeel van de samenwerking is besloten om voor het

VGRP een gezamenlijk proces te doorlopen. Dit heeft geleid tot een raamwerk VGRP met een gemeenschappelijke visie en beleid. De invulling hiervan is maatwerk per gemeente.

Het VGRP geeft aan wat de zorgverplichtingen zijn van de gemeente met betrekking tot afvalwater,

hemelwater en grondwater. De gemeente hanteert voor extreme weersituaties haar eigen berekeningsmethodiek. Vanaf 2030 mag er vanuit de openbare ruimte, bij een bui van 60 mm in uur, geen

waterschade meer optreden in verblijfruimten van woningen met bouwpeil van minimaal 150 mm boven

straatpeil. Indien hogere waterstanden worden berekend, worden deurkeringen geplaatst.

Op particuliere percelen dient een berging boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand van 45

mm/m2 voor al het verhard oppervlak te worden gerealiseerd. Uitgangspunt hierbij is het totale dakvlak

en 20% van de overige perceeloppervlakte. De bergingsvoorziening moet een bovengrondse

overloop hebben, welke mag afvoeren naar openbaar terrein.

Robuuste gemeentelijke voorzieningen hebben de voorkeur boven versnipperde particuliere voorzieningen.

In nieuwbouwgebieden moeten percelen kleiner dan 175 m2 daarom verplicht hun regenwater

aansluiten op regenwatervoorzieningen van de gemeente.

Planspecifiek

Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Aa en Maas. In voorliggende paragraaf komen de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten aan bod.

Waterbergingsopgave

Als gevolg van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak van het projectgebied toe.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.BPBgnBrouwersstr-VA01_0011.png"

Overzicht toekomstig verhard oppervlak (bron: wateronderzoek Econsultancy)

Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis van 45 mm/m2 bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal ca. 83 m³ (1.846 m2 x 45 mm). Binnen de groen- en parkeerstrook parallel aan de Brouwersstraat worden twee wadi's aangelegd met een gezamenlijke capaciteit van 25 m³. Het resterende aantal kuubs kan worden opgevangen door bergingsvoorzieningen binnen de achtererven van de nieuwe woonpercelen. In totaal gaat het om een resterende bergingsopgave van 14,5 m³ per woonperceel. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen zal een concrete uitwerking van de bergingsopgave worden ingediend bij het bevoegd gezag.

Riolering

Voor de afvoer van afvalwater krijgen de nieuwe woningen een aansluiting op het bestaande rioolstelsel in de omgeving.

Overige waterhuishoudkundige aspecten

Het plangebied ligt binnen een attentiegebied Natuur Netwerk Brabant. Dit zijn bufferzones van 500 m rondom NNB-gebieden. Ingrepen met een negatief effect op de waterhuishouding zijn niet toegestaan. Het plangebied krijgt een woonfunctie en heeft geen negatief effect op de waterhuishouding. Tijdens de bouw van de woningen zullen geen uitloogbare materialen worden gebruikt. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen watergangen aanwezig. Het initiatief heeft geen gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem.

Watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Aa en Maas. Het waterschap is via de digitale watertoets op de hoogte gebracht van voorliggende ontwikkeling, zie ook bijlage 4 van het wateronderzoek. Het waterschap heeft aangegeven dat de normale procedure van toepassing is. Het waterschap wordt om die reden op de hoogte gehouden van voorliggend initiatief.

Conclusie

Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Om de gevolgen vanuit het aspect ecologie te beoordelen is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, zie bijlage 5. De belangrijkste conclusies zijn verwerkt in voorliggende paragraaf.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden zijn het Oeffelter Meent op 3,3 km ten noorden en Maasduinen op 4 km ten oosten van het plangebied. Gezien de grote afstanden van het plangebied tot deze gebieden, alsmede de kleinschaligheid van de ontwikkeling (vier woningen), wordt het optreden van significante negatieve effecten op deze gebieden voor de deelaspecten geluid, lichthinder en trilling op voorhand uitgesloten. Ook vanuit het deelaspect stikstofdepositie worden effecten tijdens de gebruiksfase uitgesloten. Voor de aanlegfase is een Voortoets stikstofdepositie opgesteld, zie bijlage 6. De belangrijkste conclusie is dat als gevolg van de ontwikkelingen binnen het plangebied waarvoor de stikstofberekening is uitgevoerd, de stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden in de aanlegfase niet toeneemt. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. Er treden geen negatieve effecten op vanuit gebiedsbescherming.

Soortenbescherming

De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Tijdens de bouw van de woningen wordt de algemene zorgplicht ten alle tijden in acht genomen. Er treden geen negatieve effecten op vanuit soortenbescherming.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Om de gevolgen vanuit het aspect verkeer te beoordelen is gebruik gemaakt van de 'Nota Parkeernormen Boxmeer', vastgesteld door de voormalige gemeente Boxmeer. De nota is gebaseerd op de kencijfers van het CROW. Het plangebied ligt binnen 'rest bebouwde kom' in een 'weinig stedelijk' gebied.

Verkeerskundige situatie

Ten opzichte van de bestaande situatie heeft het plan een beperkte toename van de verkeersgeneratie tot gevolg. De verkeersaantrekkende werking van een vrijstaande woning komt uit op een theoretisch aantal van 8,6 verkeersbewgingen per dag, voor een twee-aaneen woning zijn dit 8,2 verkeersbewegingen per woning per dag. De totale verkeersaantrekkende werking van dit plan komt daarbij uit op afgerond 34 verkeersbewegingen per dag (8,6*2 + 8,2*2). De woningen krijgen een eigen ontsluiting op de Brouwersstraat. Deze straat kan een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen goed aan.

Parkeren

Parkeren gebeurd in de toekomstige situatie deels binnen eigen terrein en deels binnen nieuw aan te leggen parkeerplaatsen langs de Brouwersstraat. Per vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen, voor een twee-aaneen woning geldt een norm van 2 parkeerplaatsen. Uitgangspunt van het gemeentelijk parkeerbeleid is om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen, zowel de behoefte van bewoners als bezoekers. De totale parkeerbehoefte komt uit op 9 parkeerplaatsen (2,3*2+2,2*2).

Deze parkeerbehoefte wordt grotendeels binnen eigen terrein opgelost (7 van de 9 parkeerplaatsen, zie 2.2). De twee overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen de nieuw aan te leggen groen- en parkeerstrook parallel aan de Brouwersstraat. Er kan daarmee worden voldaan aan de afwijking uit de gemeentelijke parkeerregeling uit de regels van voorliggend bestemmingsplan (zie Artikel 11 Parkeernormen van de regels).

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Binnen het plangebied en in de directe omgeving ervan zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen en/of objecten aanwezig, zoals (rijks)monumenten. Het plangebied ligt tevens niet in een gebied dat is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol landschap dat via regels bescherming geniet. Op voorhand kan worden gesteld dat voorliggend plan geen negatief effect heeft op het onderdeel cultuurhistorie.

Archeologie

In het kader van voorliggend initiatief zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd, zie bijlagen 7 (archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek), 8 (PvE) en 9 (evaluatierapport proefsleuvenonderzoek).

De belangrijkste conclusie van de onderzoeken is dat er aan de zuidkant van het plangebied sporen en vondsten zijn aangetroffen uit de Late Middeleeuwen. De vondsten zijn aanwezig in zowel sporen als in ophooglagen. De eerste archeologische resten zijn aangetroffen op een diepte van 40 cm -mv. Er is sprake van een archeologische vindplaats, het gebied is vanuit archeologisch oogpunt van belang. Uitgangspunt in de afstemming met het bevoegd gezag is geweest om te kijken of de resten in situ behouden konden blijven. De omvang van plek van de vindplaats maakten echter dat dit teveel praktische bezwaren op zou leveren.

Enerzijds kon het archeologisch belang onvoldoende geborgd worden. Bovendien zou de vindplaats zorgen voor noemenswaardige gebruiksbeperkingen voor toekomstige woningeigenaren. Daarom is in samenspraak met het bevoegd gezag besloten over te gaan tot afgraving van de archeologische resten. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is geregeld dat bodemverstorende werkzaamheden ter plaatse van de vindplaats pas plaats mogen vinden nadat de archeologische resten zijn opgegraven. In samenhang met deze regeling zijn de archeologische dubbelbestemmingen van locatie verwijderd.

Conclusie archeologie

Met het uitvoeren van de verschillende archeologische onderzoeken is voldoende inzicht verkregen in de archeologische situatie ter plaatse van het plangebied. De archeologische resten aan de zuidkant van het plangebied zullen worden opgegraven. Bodemverstorende werkzaamheden mogen pas plaats vinden nadat de resten zijn opgegraven. De archeologische resten zijn daarmee in voldoende mate veiligheidgesteld en daarmee is het bestemmingplan uitvoerbaar ten aanzien van het aspect archeologie.

Het bestemmingsplan is uitvoerbaar vanuit cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Explosieven

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Land van Cuijk diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor hoeveelheden Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Door de geplande werkzaamheden kunnen deze mogelijk ter plaatse aanwezige explosieven een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet dus worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn.

Planspecifiek

Het plangebied is op basis van de bodembelastingkaart van de gemeente Land van Cuijk gelegen in een zone die is aangemerkt als verdacht gebied van geschutmunitie. Voorafgaand aan de graafwerkzaamheden dient er daarom een explosieven onderzoek te worden uitgevoerd. Dit onderzoek zal bij het bevoegd gezag worden ingediend. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is via een voorwaardelijke verplichting geregeld dat de graafwerkzaamheden binnen het plangebied pas mogen beginnen nadat de bodem door het bevoegd gezag is vrijgegeven van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect explosieven.

4.7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten.

Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn opgenomen in de anterieure overeenkomst. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer.

Het plan is economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan sluit aan op de systematiek van het geldende bestemmingsplan 'Beugen' van juni 2019. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Wonen', ten behoeve van de vier woningen. De vier nieuwe woningen zijn toegestaan ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'hoofdgebouw'. Daarbinnen zijn ook de maximale bouw- en goothoogte aangegeven, evenals het toegestane woontype. Rondom en achter deze aanduidingen ligt één groot aaneengesloten bouwvlak waarbinnen onder voorwaarden bijgebouwen zijn toegestaan. Ter plaatse van de archeologische vindplaats ligt een aanduiding die gekoppeld is aan de voorwaardelijke verplichting. Deze verplichting is uitgewerkt en gekoppeld aan de bouwregels binnen de woonbestemming.
  • 'Verkeer', aan de noordkant van het plangebied. Deze bestemming is opgenomen op de nieuw in te richten groen- en parkeerstrook parallel aan de Brouwersstraat. De bestemmingsomschrijving van deze bestemming maakt verschillende functies mogelijk, waaronder groen- waterberging- en parkeervoorzieningen;
  • 'Waterstaat - Attentiegebied Natuurnetwerk Brabant', ten behoeve van het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het plan wordt in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de relevantie instanties. Opmerkingen zijn in voorliggend document verwerkt.

6.3 Omgevingsdialoog

Voorliggend plan maakt geen gebruik van een formele inspraakprocedure. Het plan is direct als ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Er is een omgevingsdialoog gevoerd. Initiatiefnemer heeft omwonenden in maart 2023 per brief geïnformeerd over de ontwikkeling, zie verder ook het verslag van het omgevingsdialoog uit bijlage 10. Naar aanleiding van de brieven heeft initiatiefnemer geen reacties van omwonenden ontvangen.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een periode van zes weken, tussen 13 december 2023 tot en met 23 januari 2024, voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn drie zienswijzen op het bestemmingsplan ingediend. Alle drie de zienswijzen zijn ontvankelijk verklaard. De zienswijzen hebben niet gezorgd voor aanpassingen aan het bestemmingsplan. In de Nota van zienswijzen uit bijlage 11 zijn de zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien door de gemeente Land van Cuijk.