| Plan: | Veldstreek 45 Zevenhuizen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1969.WZZE22HERS1-VA01 |
Op het perceel Veldstreek 45, gelegen in het buitengebied ten zuiden van Zevenhuizen, bevindt zich een aantal oude agrarische bedrijfspanden. Het voornemen bestaat om de oude agrarische bedrijfspanden te slopen. In het kader van de Ruimte voor Ruimte-regeling wordt ter compensatie van de sloop van circa 1.350 m2 op het perceel één nieuwe woning gebouwd.
In het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied Leek, partiële en correctieve herziening 2016 vastgesteld op 17 maart 2020, is de realisatie van één woning op het perceel niet mogelijk. Momenteel heeft het perceel de bestemming 'Wonen'. Daarnaast ligt er op het perceel een functieaanduiding, namelijk 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende bebouwing buitengebied'.
De gemeente Westerkwartier heeft d.d. 11 juli 2022 middels een intentieverklaring aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Deze intentieverklaring heeft de gemeente Westerkwartier afgegeven om de te slopen circa 1.350 m2 aan oude, vrijkomende bedrijfsbebouwing vast te leggen en deze in te zetten als compensatie voor de realisatie van één nieuwe woning op het perceel. De te slopen vierkante meters zijn eveneens vastgelegd in onderstaande figuur 1.1.
Voorliggend wijzigingsplan heeft tot doel het voornemen planologisch mogelijk te maken. In deze toelichting worden de voorwaarden verder uitgewerkt. Ook wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Figuur 1.1. Te slopen vierkante meters aan bedrijfsbebouwing
Het plangebied ligt op circa 2,6 kilometer ten zuiden van de bebouwde kom van Zevenhuizen en is gelegen aan de Veldstreek, een weg waarmee met name een aantal agrarische percelen worden ontsloten en een doorgaande route van Veldstreek naar omliggende dorpen, zoals Allardsoog, is gecreëerd. Het perceel grenst aan de zuid- en oostkant aan bebossing. Ten noorden en westen van het plangebied bevindt zich agrarisch gebied.
Op onderstaande afbeelding is de ligging en begrenzing van het plangebied weergeven. Zie voor de exacte begrenzing van het plangebied de verbeelding van dit wijzigingsplan.
Figuur 1.2. Luchtfoto plangebied en omgeving (bron: Google Earth)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied Leek, partiële en correctieve herziening 2016, vastgesteld d.d. 1 juli 2020. Het perceel heeft de enkelbestemming 'Wonen' en een functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende bebouwing buitengebied'.
De onderstaande figuur bevat een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan. Een wijziging van het bestemmingsplan is nodig om de Ruimte-voor-Ruimte-regeling toe te passen en de compensatiewoning te realiseren.
Figuur 1.3. Uitsnede geldend bestemmingsplan, het plangebied bevindt zich bij het rode aanwijspunt (bron:
ruimtelijkeplannen.nl)
In artikel 55.1.1. van het vigerende bestemmingsplan is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende bebouwing buitengebied' medewerking kunnen verlenen aan de sloop van voormalige agrarische bebouwing, waarbij:
Voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid geldt een aantal wijzigingscriteria waaraan moet worden voldaan bij toepassing ervan. In deze toelichting wordt gemotiveerd dat aan deze criteria kan worden voldaan (zie Hoofdstuk 5).
Voorliggende toelichting kent zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk komt in Hoofdstuk 2 de beschrijving van de ontwikkeling aan de orde. Hoofdstuk 3 bevat het beleidskader. Het daarop volgende hoofdstuk behandelt de toetsing aan de omgevingsaspecten (Hoofdstuk 4). Hoofdstuk 6 bevat de juridische vormgeving en Hoofdstuk 7 gaat ten slotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt ten zuiden van de bebouwde kom van Zevenhuizen en is gelegen aan de Veldstreek. Deze weg ontsluit met name een aantal agrarische percelen en is een doorgaande route naar omliggende dorpen, zoals Allardsoog.
Aan de zuidzijde van de Veldstreek is het landschap kleinschalig met vele singels. Aan de noordzijde, is het landschap vooral open en is het vooral de erfbeplanting die voor massa zorgt. De vaarten, aan de zuidzijde van de Veldstreek en loodrecht daarop zijn daarnaast ook waardevolle landschapselementen die iets vertellen over de geschiedenis van dit landschapstype.
Een kleine 200 jaar geleden bestond het landschap nog uit een woest hoogveengebied. Dit is in de loop van de tijd ontgonnen en bruikbaar gemaakt als landbouwgebied. In de eerste helft van de 19e eeuw gaat men in de omgeving van het plangebied aan de slag: er ontstaat een blokverkaveling met diverse kleine percelen en grondgebruik. Op de ontginningsassen wordt de eerste bebouwing zichtbaar.
Op de kaart van omstreeks 1930 zijn de vaarten zeer duidelijk zichtbaar en is ook te zien dat het landschap ten noorden van de Veldstreek opener is dan aan de zuidzijde met zijn vele singels. In de daarop volgende tijd blijft het landschap grotendeels intact. Sommige kavels zijn wat vergroot, de meeste vaarten zijn versmald en er is meer bebouwing bijgekomen in het dorp en langs de Veldstreek.
Het plangebied is gelegen aan de Veldstreek 45, kadastraal bekend als gemeente Leek LEE01-F-3292 en LEE01-F-3293. De percelen hebben een gezamenlijk oppervlakte van 8.926 m2.
Op het zuidelijke deel van het plangebied (perceel 3292) bevindt zich het huidige woonhuis of de voormalige bedrijfswoning met nieuwe schuur. Deze woning is geïnventariseerd als een karakteristiek pand (zie bijlage) Op het noordelijk deel van het plangebied (perceel 3293) bevinden zich verouderde voormalige agrarische bedrijfsbebouwing van circa 1.350 m2.
Op onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1. Luchtfoto plangebied (bron: Google earth)
Figuur 2.2 Kadastrale situatie perceel Veldstreek 45 Zevenhuizen
Foto huidige (te slopen) schuur
Het perceel Veldstreek 45 in Zevenhuizen komt in aanmerking voor de Ruimte voor Ruimte-regeling vanwege de sloop van 1.350 m2 aan oude niet voor hergebruik in aanmerking komende bedrijfsbebouwing. Daarvoor in de plaats mag een compensatiewoning met bijbehorende bouwwerken niet groter dan 300 m2, op het perceel (perceel 3293) worden teruggebouwd. In de toekomstige situatie zal het onverharde pad, dat in de huidige situatie al aanwezig is op het perceel, worden behouden.
Figuur 2.3. Te Saneren bebouwing (rood gearceerd)
Op de plek van de gesloopte agrarische schuren wordt een compensatiewoning van circa 130 m2 gerealiseerd. Achter de woning zullen twee parkeerplaatsen worden aangelegd. Navolgende afbeelding is een weergave van het uitgangspunt om tot een goede landschappelijke inpassing van de woning te komen.
Als vervolg op dit wijzigingsplan (en passend binnen de regels van dit wijzigingsplan) zal de te bouwen woning met eventuele toevoeging van bijbehorende bouwwerken niet groter zijn dan maximaal 300 m2.
Figuur 2.4. Uitgangspunt erfinrichting (Bron: Provestion)
De ligging van de bestaande woning met (fors) bijgebouw is tegen de rand en in de oksel van een bosperceel. De te slopen schuren staan ver naar voren tegen de weg en geven het perceel een besloten karakter, mede door de omranding van het volwassen groen van het bosperceel. Het perceel is als het ware al landschappelijk ingepast. De bestaande woning komt in de huidige situatie niet goed tevoorschijn en met deze ontwikkeling ontstaat er een kans meer openheid te creëren. In de nieuwe situatie gaat het over 2 percelen met 2 burgerwoningen. Beide met de functie wonen.
Gangbaar is de nieuwe woning in de rooilijn van de bestaande woning te plaatsen. Maatwerk laat echter zien dat hier een kans voor meer lucht ten behoeve van de bestaande woning met bijgebouw en de nieuw te plaatsen woning is. De bestaande woning met daarop haaks het bijgebouw, met in de rug volwassen groen van het bosperceel, zorgen samen voor een voorerf. Door de nieuwe woning iets naar achteren te plaatsen t.o.v. het bestaande bijgebouw komt dit voorerf als bindend elementen goed tot zijn recht en houd alle bebouwing georiënteerd op zichzelf. Het gezamenlijk voorerf (boomgaard, siertuin), blijft binnen de invloedsfeer van de bestaande woning met bijgebouw, en geeft het ensemble voor beide individuele woningen een goed woon- en leefklimaat, zonder dat beide los en dus verloren van elkaar af staan. Beide percelen kunnen gebruiken maken van een gezamenlijk formeel voorerf met een goede achterliggende ruimte voor privacy.
De erfgrens tussen beide percelen mag niet hard gesloten zijn. Hooguit door middel van een paar veldkeien en een nieuw aan te planten haag of enkele bomen. Zou dit een harde grens worden, dan zou de nieuwe woning in de rooilijn van de bestaande woning geplaatst moeten worden. De erfinrichting is een bindend onderdeel van het inrichtingsplan van het Ruimte voor Ruimte-recht. Onderstaand in figuur 2.5 en in Bijlage 1 van de regels is het erfinrichtingsplan weergegeven. In de verdere uitwerking zal aansluiting worden gezocht bij de algemeen voor het Wonen geldende bouw- en gebruiksregels zoals die gelden voor de omliggende woonpercelen
Figuur 2.5. Erfinrichtingsplan (Bron: Provestion BV)
Aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen liggen relevante beleidsdocumenten met beleidsuitgangspunten ten grondslag. Daarnaast dienen nieuwe ontwikkelingen passend te zijn binnen het beleid van de verschillende overheidsniveaus. In de navolgende paragrafen worden daarom de relevante beleidsuitgangspunten op rijksniveau, provinciaal niveau, regionaal niveau en gemeentelijk niveau beschreven.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI.
In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten:
Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland.
Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren, hanteert het Rijk de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder bestaat uit de volgende aspecten:
1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
In het navolgende worden de hierboven genoemde aspecten beschreven en afgewogen.
Ad 1.
De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie. Hieruit blijkt dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving bepaalt of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het geval van wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die 'Ladderplichtig' is, waarbij tevens geldt dat het een nieuwe ontwikkeling betreft.
Gezien het feit dat het planvoornemen betrekking heeft op de bouw van slechts één woning mag er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat het hier geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft en dat een ladderonderbouwing niet van toepassing is.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zijn de overige vragen van de Ladder niet meer van toepassing. Ondanks dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling wel worden aangetoond. In paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan
Het plan is in overeenstemming met de rijksbelangen. Het rijksbeleid werkt wel door in het beleid van lagere overheden. Het rijksbeleid werkt tevens door in de verschillende omgevingsaspecten die in dit wijzigingsplan zijn getoetst.
In dit wijzigingsplan is ervan uitgegaan dat een 'stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in het Bro zich hier niet voordoet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beschouwt het mogelijk maken van één woningen niet als een 'stedelijke ontwikkeling'. Een nadere toets aan de Ladder is derhalve niet aan de orde. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte van het plan te worden aangetoond. In de paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan.
Op 1 juni 2016 is door Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 en de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 vastgesteld. Op 25 mei 2022 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening op een aantal onderdelen gewijzigd.
Doel van de Omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken.
Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':
1. Ruimte:
2. Natuur en landschap:
3. Water:
4. Mobiliteit:
5. Milieu:
De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.
De Geconsolideerde Omgevingsverordening November 2022 (hierna Omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De Omgevingsverordening is nauw verbonden met de Geconsolideerde Omgevingsvisie provincie Groningen 2022 zoals hierboven is beschreven. Hieronder zijn de artikelen weergegeven die relevant zijn voor het plangebied. Thema's die geen invloed hebben op het planvoornemen, worden niet aangehaald.
Niet functioneel aan het buitengebied gebonden functies, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (afdeling 2.3)
In artikel 2.13.4 van de verordening is de Ruimte-voor-Ruimte-regeling opgenomen. Hiermee wordt het mogelijk om ter compensatie van de afbraak van 750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing één woning te realiseren. Het is ook mogelijk om twee woningen te bouwen ter compensatie van afbraak van 2.000 m2. Hiervoor zijn de volgende voorwaarden opgenomen:
Het plan voldoet hieraan, zie paragraaf 3.4.1 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025.
De woning wordt gebouwd op hetzelfde perceel als waar de voormalig agrarische bebouwing stond.
De huidige bedrijfsbebouwing is verouderd, niet meer in gebruik en draagt niet bij aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwe te realiseren woning wordt passend vormgegeven en het erf wordt landschappelijk ingepast.
Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie figuur 2.5 en Bijlage 1 van de regels.
In voorliggend wijzigingsplan is gewaarborgd dat de gezamenlijke grondoppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, niet groter is dan 300 m²
Dit punt is niet van toepassing. De nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op dezelfde locatie als waar de bedrijfsbebouwing (volledig) wordt gesloopt. Er is een erfinrichtingsplan opgesteld, zie figuur 2.5 en Bijlage 1 van de regels.
De gronden zijn niet gelegen binnen deze gebieden.
Woningbouw (afdeling 2.4)
In de Omgevingsverordening zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van woningbouw. Een bestemmingsplan dat voorziet in de bouw van nieuwe woningen moet naar aard, locatie en aantal overeenstemmen met een regionale of gemeentelijke woonvisie en passend in het kader van de Regio Groningen-Assen tot stand gekomen regionale planningslijsten voor woningbouw binnen de gemeente.
De ruimtelijke ontwikkeling is getoetst aan de gemeentelijke woonvisie in paragraaf 3.4.1 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025. Vooruitlopend op deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat het plan aansluit bij de woonbehoefte zoals vastgelegd in het gemeentelijk beleid. Het toevoegen van één woning past in het kader van de Regio Groningen-Assen tot stand gekomen regionale planningslijsten voor woningbouw binnen de gemeente Westerkwartier. Het plan voldoet daarmee aan het voorschrift zoals opgenomen in afdeling 2.4 van de provinciale Omgevingsverordening.
De gemeente Westerkwartier heeft in 2020 de Woonvisie 2020-2025 opgesteld. De Woonvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 24 maart 2021. De visie is gebaseerd op een woningmarktonderzoek en beschrijft het beleid op het gebied van wonen in het Westerkwartier voor de komende 5 jaar. Het beleid geeft handvatten om in te spelen op de woonopgaven die in het gebied en in de afzonderlijke dorpen leven. De gemeente werkt vanuit drie invalshoeken aan het wonen:
De gemeente moet in de periode 2020-2029 jaarlijks netto 175 à 250 woningen toevoegen om de vraag te bedienen, met als zwaartepunt de eerste jaren. Het dorp Zevenhuizen wordt specifiek genoemd als het gaat om groei (in kleine aantallen). De plannen moeten worden aangepast aan de behoefte. Uit de visie volgt dat nieuwbouw mogelijk en noodzakelijk is om de gewenste woonkwaliteit te bieden. De gemeente biedt ook ruimte voor nieuwbouw in kleine dorpen, passend bij de behoefte van huishoudens en bij de schaal van het dorp. De gemeente gaat in gesprek met de dorpen om draagvlak te bepalen en afspraken te maken over een programma in type, plekken en uitstraling. Hierbij zijn ‘rood voor rood’ en ‘ruimte voor ruimte’ regelingen vaak van toepassing.
De kwaliteit van wonen in het Westerkwartier wordt vooral bepaald door wat er al is, meer dan wat er nieuw bij komt. In alle dorpen is zichtbaar dat delen van de voorraad verouderd raken en dat soms ook de woonomgeving aan een update toe is. De gemeente wil dat een plan een meerwaarde heeft.
Ruimtelijke verbetering is in het geval van dit planvoornemen doorslaggevend. Het planvoornemen maakt de plek en omgeving ruimtelijk beter en lost het ruimtelijke probleem van overlast en verrommeling op. Het plan gaat slechts om het toevoegen van één woning. Daarnaast kan worden gesteld dat de woningdichtheid, door het toevoegen van deze ene woning, relatief laag blijft in het gebied. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het initiatief in lijn is met de Woonvisie.
Het Ruimte voor Ruimte-beleid van de provincie Groningen is vertaald in het bestemmingsplan voor het buitengebied van Leek. Om minder passende (voormalige bedrijfs)gebouwen in het landelijk gebied te slopen is een actieve opstelling gewenst. Het simpelweg onder het overgangsrecht brengen van verstorende bebouwing leidt niet automatisch tot sloop van deze gebouwen, vaak verpauperen deze gebouwen of worden soms aangewend voor ongewenste activiteiten. Het slopen van deze gebouwen is in verband met de ruimtelijke kwaliteit juist wel wenselijk. Om kwaliteitswinst te behalen is daarom een regeling nodig die aanspoort om de ontsierende bebouwing te slopen en, gelet op de hoge kosten die daarmee gemoeid gaan, vervangende economische dragers te creëren. Er moet daarmee wel een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ontstaan. Doel van de regeling is om te komen tot kwaliteit van landschap en bebouwing, niet het financieel gewin van een individu. De gemeentelijke regeling is gebaseerd op de ruimte-voor-ruimte-regeling uit de Provinciale Omgevingsverordening. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met het gemeentelijk ruimte-voor-ruimte-beleid.
De Welstandsnota van de (voormalige) gemeente Leek vormt de basis voor welstandsbeoordeling en vormt daarmee ook de basis voor de beoordeling van het voorliggend initiatief. In de Welstandsnota wordt uitgegaan van algemene en gebiedsgerichte criteria. Het plangebied ligt in het buitengebied. In de Welstandsnota is het buitengebied qua landschap verdeeld in een open gebied aan de zuidzijde van de voormalige gemeente Leek en een besloten gebied aan de noordzijde. Het plangebied ligt in het open gebied. Dit deel van het buitengebied wordt gekenmerkt door een vrij open landschap. De hoge delen worden gekenmerkt door vrij gave houtsingels, waardoor meer beslotenheid ontstaat. De lage (natte) gebieden worden gekenmerkt door open grasland zonder zware singels.
De bebouwing bevindt zich in een vrij ruime marge in een ruime tussenmaat haaks geplaatst langs de wegen. De veelal traditionele boerderijbebouwing kenmerkt zich door lage goten, een gedeeltelijke gerichtheid op de weg, enkelvoudige vormen en een complexvorm met moderne stallen aan de achterzijde. De materialisatie is steenachtig in gedekte kleuren te weten Groninger rood voor de gevels, antraciet/blauw voor het dak en donker groen voor de schuren. Ook in dit gebied zijn de detailleringen vrij sober.
Het beleid is gericht op het incidenteel aanpassen. Afwijkingen van de bestaande posities zijn mogelijk met uitzondering van de gerichtheid op de weg. Meer dan in het besloten gebied is het van belang de traditionele kleur en materialisatie te respecteren.
Bij de uitwerking van het voornemen (middels een landschappelijk inrichtingsplan) wordt voldaan aan de welstandscriteria voor het open landschap ten aanzien van ruimte, plaatsing, hoofdvorm en aanzichten.
Het plan is in overeenstemming met het rijksbeleid, provinciaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van ruimte voor ruimte. De compensatiewoning wordt gerealiseerd op de saneringslocatie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert als gevolg van de sloop van de bebouwing. Zie hiervoor ook het bijgevoegde inrichtingsplan.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet de gemeente in de toelichting op het wijzigingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de belangen van natuur en milieu, cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden, de waterhuishouding en andere waarden bij het plan zijn betrokken. Dit hoofdstuk van de toelichting gaat in op de doorwerking van deze aspecten in dit wijzigingsplan.
Toetsingskader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ).
Toetsing
Het plangebied heeft geen archeologische verwachtingswaarde. Om die reden kan worden gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Conclusie
Op basis van het vorenstaande kan worden gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Het plan is dus voor het aspect archeologie uitvoerbaar.
Toetsingskader
Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig.
Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (maart 2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.
Tabel: richtafstanden Bedrijven en milieuzonering
Toetsing
Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving
In de omgeving van het plangebied zijn verschillende bedrijven aanwezig. Het gaat om de volgende bedrijven:
Op onderstaande afbeelding (figuur 4.1) zijn de verschillende bedrijven in de buurt van het plangebied (te herkennen aan het rode kader) weergeven.
Figuur 4.1. Ligging omliggende bedrijven (bron: Google Earth)
SVR Camping aan de Bosrand
Aan de Bremerweg 1 in Zevenhuizen is Camping aan de Bosrand gevestigd. De camping bevindt zich op circa 125 meter van het plangebied. In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) staat beschreven dat kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) onder de milieucategorie 3.1 vallen. Bij de milieucategorie 3.1 hoort een bijbehorende richtafstand van 50 meter. Doordat het plangebied zich op circa 125 meter van de camping bevindt valt deze ruimschoots buiten de richtafstand van 50 meter.
Poelman Gewasbescherming
Aan de Dwarshapsel 14 in Zevenhuizen is Poelman Gewasbescherming gevestigd. Het gewasbeschermingsbedrijf is gevestigd op circa 270 meter van het plangebied. De loonwerker valt onder milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter. Doordat het plangebied zich op circa 270 meter bevindt valt deze buiten de richtafstand van 50 meter.
Pluimveebedrijf De Haan
Aan de Dwarshapsel 8 in Zevenhuizen is Pluimveebedrijf De Haan gevestigd. Het pluimveebedrijf is gevestigd op circa 470 meter van het plangebied. Het pluimveebedrijf valt onder milieucategorie 4.1 met een bijbehorende richtafstand van 200 meter. Doordat het plangebied zich op circa 470 meter van het pluimveebedrijf bevindt valt deze ruimschoots buiten de richtafstand van 200 meter.
Pluimveebedrijf Greidanus Pluimvee B.V.
Aan de De Haspel 44 in Zevenhuizen is Greidanus Pluimvee B.V. gevestigd. Het pluimveebedrijf is gevestigd op circa 480 meter. Het pluimveebedrijf valt onder milieucategorie 4.1 met een bijbehorende richtafstand van 200 meter. Doordat het plangebied zich op circa 480 meter van het pluimveebedrijf bevindt valt deze ruimschoots buiten de richtafstand van 200 meter.
Hinder als gevolg van het voorliggende plan
De volgende vraag is of in of nabij het plangebied functies aanwezig zijn die als gevolg van het planvoornemen hinder zouden kunnen ondervinden. Voor die vraag is het van belang om helder te hebben in welke planologische mogelijkheden dit wijzigingsplan voorziet. Goed beschouwd gaat het dan om het gebruik van gronden voor bewoning. Vanuit deze functie gaat geen hinder uit naar omliggende functies.
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt. Bij het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.
Toetsingskader
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelasting- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
Toetsing
Zoals hiervoor bij de paragraaf milieuzonering opgenomen, zijn in de omgeving van het plangebied twee agrarische bedrijven gelegen, namelijk Pluimveebedrijf Greidanus Pluimvee BV, Pluimveebedrijf De Haan en Poelman Gewasbescherming. Alle bedrijven liggen op ruimte afstand (480 m, 470 m en 270 m) van het plangebied. Deze afstand is dermate groot dat ter plaatse van het plangebied geen sprake kan zijn van geurhinder.
De realisatie van de compensatiewoning zal geen gevolgen hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Toetsingskader
Voor de beoordeling van de bodemkwaliteit vormen de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit het toetsingskader. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie.
Toetsing
Het initiatief heeft betrekking op het realiseren van een gebouw of bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen (langer dan twee uur per dag) zullen verblijven. Dat maakt dat het noodzakelijk is bodemonderzoek uit te voeren.
Op 8 december 2022 is door Koops Grondmechanica een verkennend en aanvullend milieukundig (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 aan het plan toegevoegd.
Verkennend bodemonderzoek
Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de opgeboorde grond zijn bijmengingen met puin- en baksteenresten aangetroffen. Deze bijmengingen variëren van sporen tot een volledige verharding met puin (puinpad direct gelegen op noordzijde van het onderzoeksterrein). Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht is verontreinigd met PAK. Deze verhoging wordt veroorzaakt door de bijmenging met baksteen en puin. De ondergrond blijkt niet verontreinigd te zijn met de onderzochte parameters. Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater niet verontreinigd is met de onderzochte parameters.
Uit het onderzoek is gebleken dat de grond in de verdachte druppelzones gehaltes asbest bevatten die hoger, dan wel gelijk is aan de interventiewaarde voor asbest. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat de verontreiniging met asbest in de druppelzone aan de zuidzijde van de stal zich beperkt tot enkel de druppelzone. In de mengmonsters bevinden de gehaltes asbest zich beide beneden de norm voor nader onderzoek.
Echter in de afperkende inspectiegaten verricht aan de noordzijde van de stal is een gehalte asbest vastgesteld dat boven de norm voor nader onderzoek ligt. Aanbevolen wordt hier een nader onderzoek asbest te verrichten middels het graven van sleuven. Dit om na te gaan of het gehalte asbest beneden de interventiewaarde blijft.
Asbestonderzoek
Druppelzone noordzijde stal
Op basis van de onderzoeksresultaten, die tot heden bekend zijn, kan worden geconcludeerd dat aan de noordzijde van de stal over een lengte van circa 85 meter, een breedte van tenminste 1 meter en een diepte van tenminste 0,3 meter de grond sterk is verontreinigd met asbest. Dit betreft circa 26 m3. Uit nader onderzoek, dat wordt aanbevolen voor deze zijde, kan blijken dat een grotere hoeveelheid grond gehaltes asbest boven de interventiewaarde bevat.
Druppelzone zuidzijde stal
Aan de zuidzijde van de stal is de grond over een lengte van circa 55 meter, een breedte van circa 0,5 meter en een diepte van circa 0,2 meter sterk verontreinigd met asbest. Dit betreft circa 6 m3. Met als uitgangspunt genomen dat de sterke verontreiniging met asbest tot maximaal 0,2 m- maaiveld aanwezig is. Uit de praktijk blijkt dat de verontreiniging met asbest in de druppelzone zich tot circa 0,1 m- maaiveld bevindt.
Aanbeveling
Aanbevolen wordt middels het graven van sleuven aan de noordzijde van de stal vast te stellen of het gehalte asbest in de grond, gelegen buiten de druppelzone, boven de interventiewaarde ligt. Deels wordt deze verontreiniging veroorzaakt door het puinpad dat aan deze zijde is gelegen en dat bij de toekomstige bestemming van wonen gehandhaafd zal blijven. Echter indien in dit puinpad gehaltes asbest worden vastgesteld die boven de interventiewaarde liggen, is dit zeker bij de toekomstige bestemming van wonen op het perceel een onwenselijke situatie en dient het puinpad te worden gesaneerd. Daar de aangetoonde verontreinigingen met asbest kunnen leiden tot humane risico’s.
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is ten aanzien van het aspect bodemverontreiniging. Wel dient rekening te worden gehouden met de aanbevelingen en zijn in het kader van de omgevingsvergunning de volgende nadere eisen gesteld:
Indien asbest wordt vastgesteld boven de interventiewaarde, dan zal het aanwezige puinpad moeten worden gesaneerd voor in gebruikname van de woning.
Indien meer dan 50 m3 grond wordt afgevoerd, moet daarvoor een melding worden gedaan bij het meldpuntbodemkwaliteit.nl waarbij dan ook nog een PFAS-analyse moet worden uitgevoerd.
Toetsingskader
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Toetsing
De gemeente Westerkwartier heeft in totaal 323 monumenten. De monumenten geven een beeld van de unieke en veelzijdige geschiedenis van de gemeente Westerkwartier. Op de site van de gemeente Westerkwartier is een monumentenkaart te vinden die een overzicht geeft van de tachtig gemeentelijke-, en 243 rijksmonumenten. Uit de kaart blijkt dat in of in de nabijheid van het plangebied geen monumenten zijn gelegen. Het bestaande pand is niet beeldbepalend of karakteristiek.
De afbraak van de schuren aan de noordkant geven lucht en ruimte aan de bestaande bedrijfswoning en de nieuw te plaatsen tweede woning. De ligging van de bestaande woning met (fors) bijgebouw is tegen de rand en in de oksel van een bosperceel. De te slopen schuren staan ver naar voren tegen de weg en geven het perceel een besloten karakter, mede door de omranding van het volwassen groen van het bosperceel. De bestaande woning komt in de huidige situatie niet goed tevoorschijn en met deze ontwikkeling ontstaat er een kans meer openheid te creëren. Door de nieuwe woning iets naar achteren te plaatsen ten opzichte van het bestaande bijgebouw komt het voorerf als bindend elementen goed tot zijn recht en houd alle bebouwing georiënteerd op zichzelf. Het gezamenlijk voorerf (boomgaard, siertuin), blijft binnen de invloedsfeer van de bestaande woning met bijgebouw, en geeft het ensemble voor beide individuele woningen een goed woon- en leefklimaat. Een en ander is uitgewerkt in een erfinrichtingsplan en geborgd in dit wijzigingsplan.
Conclusie
Op basis van de vorenstaande analyse wordt het plan wat betreft het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar geacht.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied in het kader van bijvoorbeeld de Natura 2000-gebieden. Gebiedsgericht beleid vindt onder meer plaats op basis van het Natuurnetwerk Nederland. Wat betreft soortenbescherming wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. De wet gaat uit van het "nee-tenzij"-principe, waarbij de mogelijkheid wordt geboden bepaalde ingrepen toe te staan door middel van ontheffing of vrijstelling. Daarnaast kent de wet een zorgplichtbepaling voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. In die bepaling staat: "Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving". Handelingen die nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen veroorzaken, moeten achterwege gelaten worden of zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt.
Door voorgenomen ontwikkeling is door EcoMilieu Advies getoetst aan de Natuurbeschermingswetgeving. Hiertoe is een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 2 aan het plan toegevoegd.
Toetsing
Soortenbescherming
Tijdens het veldbezoek is een oriënterende inventarisatie uitgevoerd van de (potentie van) aanwezige beschermde soorten in en rond het plangebied, met de nadruk op de niet-vrijgestelde beschermde soorten. De waarnemingscondities waren gunstig voor het uitvoeren van oriënterend ecologisch veldonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd tijdens gunstig weer, de bodemvegetatie was zichtbaar en het was droog met weinig wind.
Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten mogelijk zijn op (broed)vogels.
Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient ten alle tijde te worden voorkomen. Voor de in het plangebied te verwachten vogelsoorten kan hiermee rekening gehouden worden door werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, globaal wordt de periode half maart tot medio juli aangehouden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat veel vogels meerdere legsels per jaar kunnen hebben. Om te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het plangebied kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om het plangebied ongeschikt te maken.
Er worden door de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten verwacht op de overige beschermde ontheffingsplichtige soorten of aanwezige functies.
Gebiedsbescherming
Enigzins binnen de externe invloedsfeer op een afstand van circa 1,5 km oostelijk van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Bakkeveense Duinen. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd Natura 2000-gebied. Gezien de lokale aard van de voorgenomen ontwikkelingen en de afstand ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de voorgenomen ontwikkelingen leiden tot negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen van omliggende Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen in het kader van de gebiedsbescherming Wet natuurbescherming zijn dan ook niet aan de orde.
Beschermde houtopstanden
Door de voorgenomen ontwikkelingen worden geen negatieve effecten op beschermde houtopstanden of een overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht wat betreft het kappen of verwijderen van beschermde houtopstanden. Een overtreding van de Wet natuurbescherming voor beschermde houtopstanden is uitgesloten. De gemeentelijke Kapverordening kan wel van toepassing zijn.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen de NNN begrenzing. Er is geen afname van NNN areaal en er wordt niet binnen de NNN begrenzing gewerkt. Door de voorgenomen ontwikkelingen zijn negatieve effecten op beschermde soorten of functies uit te sluiten. De voorgenomen ontwikkelingen veroorzaken daarmee geen negatieve effecten op de samenhang en kwaliteit van de bestaande flora en fauna, natuur-, bos- en landschapselementen en gebieden die aangewezen zijn voor groene en blauwe nieuwe natuur. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN gebieden, zijn daarmee uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van het NNN beleid zijn dan ook niet aan de orde.
Stikstof
In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een bestemmingsplan/wijzigingsplan. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenhang met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld.
Ten gevolge van het voornemen om aan de Veldstreek 45 in Zevenhuizen één woning met bijbehorende bouwwerken te realiseren, is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase op nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden. Dit onderzoek is als Bijlage 3 aan het plan toegevoegd.
Het plangebied ligt op circa 1,7 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied “Bakkeveense Duinen”. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden.
Conclusie
Het plan kan ten aanzien van het aspect ecologie uitvoerbaar worden geacht, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels en de algemene zorgplicht van de Wet natuurbescherming.
Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Het plan is ten aanzien van het aspect stikstof uitvoerbaar.
Toetsingskader
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft voorwaarden voor nieuwe en bestaande situaties ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van inrichtingen waarin bepaalde gevaarlijke stoffen worden gebruikt, opgeslagen of geproduceerd. Het plaatsgebonden risico onderscheidt grens- en richtwaarden voor (beperkt) kwetsbare objecten. Het betreft de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Deze kans mag maximaal één op een miljoen (10-6) per jaar zijn. Het groepsrisico is van toepassing op groepen personen in het invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen en de kans op overlijden. Dit wordt weergegeven in een Fn-curve en getoetst aan een oriënterende waarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 is de nieuwe wetgeving rond transportroutes, het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) met het bijbehorende Basisnet, in werking getreden. Dit besluit vervangt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Het Besluit transportroutes externe veiligheid sluit aan op de bepalingen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen omtrent het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarnaast wordt het Basisnet voor wegen, spoor en water opgesteld. Dit basisnet omvat alle rijkswegen, spoorlocaties met goederenvervoer en kanalen en rivieren met goederenvervoer, met de bijbehorende (eventueel aanwezige) risicoafstanden.
Buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit omvat de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In plaats van de bebouwings- en toetsingsafstanden waar in de oude circulaires van werd uitgegaan, dienen nu de belemmeringenstrook (vijf meter bij leidingen met een druk boven de veertig Bar), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico (1%-letaliteitsgrens) in acht te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Toetsing
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de digitale risicokaart voor het plangebied weer.
Figuur 4.2. Uitsnede risicokaart met in het blauw kader het plangebied, rode stippellijn is de
dichtstbij gelegen buisleiding (bron: risicokaart.nl)
Buisleidingen
Uit een inventarisatie van de risicokaart (risicokaart.nl) blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied een buisleiding bevindt. De buisleiding ligt op circa 1 kilometer afstand en heeft een maximale werkdruk van 6620 kpa. Daarnaast heeft de buis een uitwendige diameter van 914 millimeter en een wanddikte van 13 millimeter. Door gebruik te maken van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen (oktober 2016) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is de uitkomst een 1%-letaliteitsgrens van 430 meter. Doordat het plangebied op circa 1 kilometer afstand ligt voldoet dit ruimschoots aan de minimale afstand.
Inrichtingen
In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen.
Spoor, weg en water
In de provinciale Omgevingsverordening zijn de transportroutes voor gevaarlijke stoffen weergegeven wanneer het provinciale wegen betreft. Het plangebied ligt ver buiten de veiligheidszones die voor deze transportroutes worden aangehouden. Deze routes vormen daarom geen belemmering voor het voornemen.
Conclusie
Ten aanzien van inrichtingen en buisleidingen wordt dit plan niet belemmerd. Deze risicobronnen liggen op grote afstand van het plangebied. Ook is de afstand tussen provinciale wegen die onderdeel zijn van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, voldoende. Het plan is ten aanzien van het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.
Toetsingskader
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur. De wet stelt dat akoestisch onderzoek moet plaatsvinden wanneer binnen zones van (spoor)wegen nieuwe geluidsgevoelige bebouwing, zoals woningen, wordt gerealiseerd. Uit zulk onderzoek moet dan blijken in hoeverre de vastgestelde voorkeurgrenswaarden al dan niet worden overschreden. Daarnaast moet op grond van de Wet ruimtelijke ordening worden aangetoond dat een plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Geluidsaspecten die een rol kunnen spelen betreffen:
Onderzoek
In het kader van dit wijzigingsplan is alleen sprake van wegverkeerslawaai. Overige potentiële factoren liggen op dusdanige afstand dat daarvan geen sprake is. Op 6 oktober 2022 is door GeluidMeesters BV een akoestisch onderzoek 0533-W-22-B uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 4 aan het plan toegevoegd.
De woning is gepland binnen de wettelijke zone van de Veldstreek. Op grond van de Wet geluidhinder moet in een dergelijke situatie onderzoek plaatsvinden naar de geluidbelasting op de geplande woning vanwege de genoemde weg. De woning zal worden gerealiseerd op circa 50 meter van de wegas. De Veldstreek is ter plaatse van het plangebied voorzien van asfalt (referentiewegdek) en de wettelijk toegestane maximale snelheid bedraagt er 60 km/uur. De verkeersgegevens zijn afkomstig van de gemeente Westerkwartier en, op basis van een verkeersgroei van 1% per jaar, gecorrigeerd naar het voor deze berekeningen maatgevende jaar 2033.
Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van het verkeer op de Veldstreek ten hoogste 46 dB bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder en kan gesteld worden dat er sprake is van een akoestisch goed woon en leefklimaat.
Conclusie
Uit het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door GeluidMeesters BV, blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet wordt overschreden. Het milieuaspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Toetsingskader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft de minister in samenwerking met InfoMil de nibm-tool maart 2020 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan luchtverontreiniging.
De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van drie procent verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Met behulp van de nibm-tool is de toename van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) te bepalen.
Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.
Toetsing
Het initiatief betreft een Ruimte-voor-Ruimte-regeling, waarbij agrarische bebouwing wordt gesloopt en daarvoor in de plaats één woning wordt gebouwd. De toevoeging van een vrijstaande woning in een niet stedelijke gemeente in het buitengebied kent een verkeersgeneratie van maximaal 9 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het voornemen leidt ook niet tot een hoeveelheid verkeer groter dan de grenswaarde, zoals genoemd in de tweede vrijstellingscategorie.
Rekentool
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool in 2008 ontwikkeld. De nibm-tool wordt jaarlijks door InfoMil geactualiseerd. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool (versie 2022) is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.
Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het plan kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer is niet noodzakelijk.
Achtergrondniveau
Hoewel geconstateerd is dat het plan een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.
Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2022, welke in maart 2022 zijn gepubliceerd. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometer vak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.
De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de navolgende tabel:
| Norm | ||
| NO2 | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m3 |
| PM2.5 | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m3 |
| PM10 | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m3 |
Figuur 4.3: Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10
Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2, PM2.5 en PM10.
| Stof | 2021*) | 2025*) | 2030*) |
| NO2 | 6,488 µg/m3 | 6,855 µg/m3 | 5.534 µg/m3 |
| PM2.5 | 6,198 µg/m3 | 5,663 µg/m3 | 5,034 µg/m3 |
| PM10 | 12,91 µg/m3 | 12,47 µg/m3 | 11,57 µg/m3 |
Figuur 4.4. Achtergrondniveaus luchtkwaliteit
*) gegevens 2021
Uit de gemeten en berekende achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven.
Conclusie
Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.
Toetsingskader
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.
Waterwet
De Waterwet, die per 22 december 2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. De strategische delen uit het Nationaal Waterplan op grond van de Waterwet zijn opgegaan in de Novi. Daarnaast geldt het Nationaal Water Programma 2022-2027, waarin de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid zijn opgenomen.
Beleidsnotitie Water en Ruimte
In de notitie Water en Ruimte wordt het beleid van Waterschap Noorderzijlvest ten aanzien van het waterbeheer in bebouwd gebied toegelicht. Een van de uitgangspunten gaat over versnelde afvoer door toename aan verharding en luidt: 'Om te voorkomen dat een toename van het verhard oppervlak het watersysteem extra belast, adviseert het waterschap in het Watertoetsproces om waterneutraal te bouwen. Waterneutraal bouwen houdt in dat de initiatiefnemer afdoende maatregelen neemt om de versnelde afvoer, door de toename van verhard oppervlak, te compenseren, zodat het watersysteem niet zwaarder wordt belast'.
Toetsing
Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient vanwege de wettelijk verplichte watertoets in het kader van de Waterwet aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor wordt het planvoornemen ingediend bij Waterschap Noorderzijlvest. De aanvraag digitale watertoets heeft op 22 februari 2023 plaatsgevonden. Het aanvraagformulier van de watertoets is als Bijlage 5 aan het plan toegevoegd.
Er zijn geen kaarten geraakt binnen het plangebied. Op basis van de Digitale Watertoets geeft Waterschap Noorderzijlvest, mits aan navolgende uitgangspunten wordt voldaan, een positief wateradvies.
Compensatie
Er zal geen verhardingstoename zijn, compensatie is daarom niet nodig.
Grondwater
Houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met de drooglegging. Om grondwateroverlast te voorkomen, kan worden gewerkt met de volgende indicatieve droogleggingsnormen.
Afvoer van riool- en hemelwater
Het beleid van waterschap en gemeente is dat afvalwater en schoon hemelwater gescheiden moeten worden afgevoerd. Indien de bodem geschikt is voor infiltratie, is dat een goede manier voor het afvoeren van schoon hemelwater. De initiatiefnemer dient te onderzoeken of infiltratie mogelijk is. Afstemming met de gemeente is nodig voor het afvoeren van het afvalwater naar de riolering.
Conclusie
Mits rekening wordt gehouden met de uitgangspunten van het waterschap, is het plan wat betreft het aspect water uitvoerbaar.
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nummer 381 'Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (2018) van het CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale parkeerkencijfers.
Verkeersafwikkeling
De realisatie van de woning leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking van en naar het plangebied. Op basis van de kengetallen voor een vrijstaande koopwoning van het CROW gaat het in een niet stedelijk gebied in het buitengebied om een maximale toename van de verkeersgeneratie van maximaal 9 verkeersbewegingen per etmaal. De ontsluitingsweg Veldstreek heeft voldoende capaciteit om de geringe verkeerstoename door de planontwikkeling aan te kunnen. Gelet op de geschatte verkeersaantrekkende werking van het plangebied hoeven voor het planvoornemen geen aanpassingen in de verkeersontsluiting te worden getroffen.
Parkeren
Naast een verkeersaantrekkende werking neemt de parkeerbehoefte in het gebied als gevolg van het planvoornemen ook toe. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van het CROW. Hierbij was de uitkomst voor een niet stedelijk gebied waarbij de nieuwe vrijstaande koopwoning in het buitengebied ligt voor een maximale toename van de parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen. Parkeren zal op eigen erf worden opgelost.
Conclusie
Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie in het plangebied en de parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen erf. Wat betreft verkeerseffecten wordt het planvoornemen dan ook uitvoerbaar geacht.
Toetsingskader
In het Besluit milieueffectrapportage zijn activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. De grenswaarden die voor deze activiteiten zijn opgenomen voor een m.e.r.-beoordelingsplicht zijn indicatief. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG).
Onderzoek
De bouw van één woning is qua aard, omvang en ligging niet gelijk te stellen aan de activiteit zoals bedoeld in lid 11.2 van het Besluit m.e.r. (een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat), maar sinds de wijziging van het Besluit op 1 april 2011, is een beoordeling van een activiteit die op de D-lijst voorkomt noodzakelijk, ook al ligt de omvang van de activiteit (ver) onder de drempelwaarde.
De planontwikkeling aan de Veldstreek 45 kent een beperkt ruimtebeslag en een beperkte bebouwing. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het bebouwd oppervlak gering af: agrarische opstallen worden gesloopt en daarvoor in de plaats wordt één woning teruggebouwd met een beperkter volume. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Dat betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Conclusie
Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt.
Vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Realisatie van voorgenomen initiatief is wat betreft de omgevings- en milieuaspecten haalbaar.
In artikel 55.1.1. van het vastgestelde bestemmingsplan is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het bouwen van een extra woning in ruil voor de afbraak van minimaal 750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing.
In artikel 55.1.1., lid b zijn de volgende voorwaarden geformuleerd waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor de extra woning. Deze voorwaarden zijn:
In de navolgende tabel is het resultaat van de toetsing van het plan aan de voorwaarden weergegeven.
| Voorwaarde | Toetsing |
| ad 1. | De woning wordt gebouwd ter plaatse van de voormalige agrarische schuren. |
| ad 2. | Met de ontwikkeling wordt landschappelijke winst behaald. Er wordt meer openheid gecreëerd en er ontstaat een sterke afname van het bebouwd oppervlak. |
| ad 3. | Hieraan wordt (onder verwijzing naar het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1 van de regels) voldaan. |
| ad 4. | De nieuwe woning krijgt een oppervlakte van 130 m2. Mogelijk zal er in de toekomst nog een bijgebouw worden bijgebouwd, maar de genoemde oppervlakte van 300 m2 zal hierbij niet worden overschreden. |
| ad 5. | Het inpassingsplan is opgesteld door een terzake deskundige en door de gemeente akkoord bevonden. |
| ad 6. | Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN gebieden zijn uitgesloten. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.7 en Bijlage 2 van de toelichting. |
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit wijzigingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het wijzigingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het wijzigingsplan bestaat uit:
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een wijzigingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het wijzigingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om wijzigingsplan te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe wijzigingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het wijzigingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit wijzigingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het wijzigingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het wijzigingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken.
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de regels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit:
De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de Van toepassing verklaring (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en welk bestemmingsplan aan dit wijzigingsplan ten grondslag ligt. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming de eisen van de SVBP2012.
'Natuur'
Voor de delen die niet zijn bestemd voor Wonen, zijn de gronden bestemd als Natuur. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
'Wonen'
Dit wijzigingsplan kent de bestemming 'Wonen'. Deze bestemming maakt de nieuwe woning mogelijk, alsmede de bestaande woning. Ten aanzien van deze bestemming is aangesloten bij de woonbestemming van het vigerende plan. Aanvullend daarop bepalen de regels dat de bestaande woning, die op de verbeelding is aangeduid als 'karakteristiek'. Specifieke regelt omtrent de aanduiding 'karakteristiek' zijn terug te vinden in lid 6.1.
De algemene regels bestaan uit een aantal regels:
De 'Anti-dubbeltelregel' is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een wijzigingsplan wordt overgenomen. De overige algemene regels zijn op basis van andere bestemmingsplannen in de gemeente en de bevatten verscheidene regels van algemene strekking. Zo mag van de in de bestemmingsregels gegeven maten in een aantal gevallen worden afgeweken. Ook is het niet toegestaan om in het plangebied schroot op te slaan.
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt.
Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe wijzigingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Tot slot bevat Overgangs- en slotregels de slotregel waarin is aangegeven hoe het wijzigingsplan kan worden aangehaald.
De kosten van het voornemen komen ten laste van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst gesloten. Hierin is vastgelegd dat eventuele planschadekosten, welke het gevolg zijn van het wijzigingsplan, voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het wijzigingsplan is derhalve economisch uitvoerbaar.
In deze paragraaf worden, voorzover beschikbaar, de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Bro uiteengezet. Ook de resultaten van de zienswijzefase worden hier te zijner tijd uiteengezet.
Het wijzigingplan is voorgelegd aan de diverse overleginstanties. De provincie Groningen heeft hiervan gebruik gemaakt en een reactie ingediend. Zij geven aan dat het plan binnen de Regio Groningen-Assen ligt en verzoeken om volgens artikel 2.15.1 lid 3 van de verordening aan te geven hoe dit plan past binnen de afspraken gemaakt in de Regio Groningen-Assen. Het plan is hierop aangepast.
De volledige reactie van de provincie is toegevoegd als aan dit plan.
Het ontwerpwijzigingsplan Veldstreek 45 Zevenhuizen heeft vanaf 28 juli 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen.
Er zijn geen zienswijzen binnengekomen. De provincie Groningen en het Waterschap Noorderzijlvest hebben positief gereageerd op het plan.