| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22 L Veldstreek 18 en 21, Zevenhuizen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1969.TPZE24POST02-VA01 |
Initiatiefnemers exploiteren aan de Veldstreek 18 in Zevenhuizen een agrarisch melkveehouderijbedrijf. In 1991 kochten initiatiefnemers de boerderij aan de overkant van de weg, plaatselijke bekend Veldstreek 21 in Zevenhuizen. Beide locaties hebben de enkelbestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3'. Op de locatie aan de Veldstreek 21 is een boerderij aanwezig, bestaande uit een voorhuis en een huisstal. Ten tijde van de aankoop was het gebouw al niet meer in een goede staat van onderhoud. Destijds ontbraken de financiële middelen om de boerderij te renoveren. De boerderij is de afgelopen 3 decennia gebruikt voor de huisvesting van vee in de huisstal en voor de stalling van enige machines. De woning is zodanig slecht dat hierin niet (meer) gewoond kan worden.
Initiatiefnemers hebben aan de gemeente gevraagd om de oude vervallen boerderij te slopen en enkele meters noordelijker te herbouwen. Ook is gevraagd om de bestemming (functie) te wijzigen in Wonen omdat de extra stalruimte en de bedrijfswoning voor het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer niet meer noodzakelijk zijn. De gemeente Westerkwartier heeft hierop positief gereageerd.
Om dit mogelijk te maken, moet het (tijdelijk) omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier worden gewijzigd. Dit TAM-omgevingsplan zorgt voor de gewenste planologische kaders en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22L Veldstreek 18 en 21, Zevenhuizen bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. Deze motivering geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Deze vangnetten zorgen ervoor dat deze organisaties de belangrijkste uitvoeringsprocessen kunnen blijven uitvoeren, totdat ze het DSO wel kunnen gebruiken. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
Het voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de percelen aan de Veldstreek 18 en 21 in Zevenhuizen van de gemeente Westerkwartier. In het linker plaatje van afbeelding 1 is de ligging van het plangebied in het buitengebied ten westen van Zevenhuizen weergegeven. Het rechter plaatje geeft de begrenzing van het plangebied weer. Dit betreft de bestemmingsvlakken 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3' van beide locaties.
Afbeelding 1: Ligging plangebied
Tussen de bedrijfslocaties aan de Veldstreek 18 en 21 is een planologische verbindingsrelatie aanwezig.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijke omgevingsplan zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024.
Voor het werkingsgebied gelden op dit moment de volgende bestemmingsplannen:
Voor de duiding van het planologische regime van het plangebied is met name het bestemmingsplan “Veegplan reparatiepercelen buitengebied” relevant. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3'. De gronden met de bestemming 'Agrarisch- Agrarisch bedrijf 3' zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Het plangebied heeft verder de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 5'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
Het deel van het plangebied aan de oostzijde van de Veldstreek heeft tevens de dubbelbestemnming 'Waarde - Openheid'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden zoals dat tot uitdrukking komen in de vorm van grootschalige open weidegebieden met een dicht slotenstelsel en een hoge grondwaterstand.
In de navolgende afbeelding 2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Leek, partiële en correctieve herziening 2016" weergegeven.
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
Op 16 mei 2022 is het bestemmingsplan 'Veegplan reparatiepercelen buitengebied' in ontwerp ter visie gelegd door de gemeente Westerkwartier. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is in het veegplan voor het plangebied één wijziging doorgevoerd. Dat betreft de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen: 2'. Op dit moment is sprake van twee agrarische bedrijfswoningen. De bijbehorende aanduiding ‘maximum aantal bedrijfswoningen: 2’ is echter per abuis wegbestemd met de herziening van het vigerend bestemmingsplan. Dit wordt in het Veegplan dus gecorrigeerd. Zie ook afbeelding 3.
Afbeelding 3: Uitsnede verbeelding vigerend ontwerp 'Veegplan reparatiepercelen buitengebied'
In artikel 5.8.1 van het 'Veegplan reparatiepercelen buitengebied' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming van 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3' te wijzigen in Wonen. Van deze wijzigingsbevoegdheid kan niet eerder gebruik worden gemaakt dan nadat het veegplan onherroepelijk in werking is getreden. Vanwege de invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 en het feit dat vanaf die datum geen gebruik meer gemaakt kan worden van de wijzigingsbevoegdheden uit het tijdelijke omgevingsplan, heeft de gemeente ermee ingestemd om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken met een TAM-omgevingsplan.
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een motivering. De motivering is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande situatie en de nieuwe toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt ten westen van Zevenhuizen aan de Veldstreek, een weg met voornamelijk voormalige boerenerven. Aan de zuidzijde van de Veldstreek is het landschap kleinschalig met vele singels. Aan de noordzijde, is het landschap vooral open en is het vooral de erfbeplanting die voor massa zorgt. De vaarten, aan de zuidzijde van de Veldstreek en loodrecht daarop zijn daarnaast ook waardevolle landschapselementen die iets vertellen over de geschiedenis van dit landschapstype.
Een kleine 200 jaar geleden bestond het landschap nog uit een woest hoogveengebied. Dit is in de loop van de tijd ontgonnen en bruikbaar gemaakt als landbouwgebied. In de eerste helft van de 19e eeuw gaat men in de omgeving van het plangebied aan de slag. Het eerste resultaat daarvan is te zien op de kaart van omstreeks 1880. Een blokverkaveling met diverse kleine percelen en grondgebruik. Op de ontginningsassen is de eerste bebouwing zichtbaar.
Op de kaart van omstreeks 1930 zijn de vaarten zeer duidelijk zichtbaar en is ook te zien dat het landschap ten noorden van de Veldstreek opener is dan aan de zuidzijde met zijn vele singels. In de daarop volgende tijd blijft het landschap grotendeels intact. Sommige kavels zijn wat vergroot, de meeste vaarten zijn versmald en er is meer bebouwing bijgekomen in het dorp en langs de Veldstreek.
Veldstreek 18
Aan de Veldstreek 18 is het melkrundveehouderijbedrijf van initiatiefnemers gevestigd. Het bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf 3’ heeft een grootte van circa 1,5 hectare. Binnen het bestemmingsvlak zijn de bedrijfsgebouwen en de voeropslagvoorzieningen aanwezig. Zie ook de onderstaande verbeelding.
Afbeelding 4: bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3' Veldstreek 18
Veldstreek 21
Het bestemmingsvlak aan de Veldstreek 21 te Zevenhuizen heeft een oppervlakte van circa 11.500 m2. In de onderstaande afbeelding is het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3' weergegeven.
Afbeelding 5: bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3' Veldstreek 21
Het hoofdgebouw en tevens het enige gebouw op het perceel is de boerderij. De oppervlakte van dit gebouw is circa 470 m2.
De bebouwing heeft geen monumentale waarde. Op dit moment wordt de bebouwing gebruikt als veestalling / opslag voor het bedrijf aan de Veldstreek 18. Het voorhuis is in een zeer slechte staat, dit is weergegeven op afbeelding 6.
Afbeelding 6: Oude boerderij Veldstreek 21
Veldstreek 18
Voor het plandeel aan de Veldstreek 18 blijft de situatie ongewijzigd. De enige planologische aanpassing betreft het verwijderen van de planologische verbindingsrelatie.
Veldstreek 21
Voor de Veldstreek 21 bestaan de wijzigingen uit het volgende:
Ad 1
De boerderij aan de Veldstreek 21 zal geheel worden gesloopt, waarbij tevens de verharding achter de boerderij wordt geamoveerd. In de onderstaande afbeelding is de te saneren bebouwing rood gearceerd weergegeven.
De inrit met aansluitend het kavelpad blijft gehandhaafd. Enerzijds voor de ontsluiting van de nieuw te bouwen woning en anderzijds voor de ontsluiting van de aanliggende landerijen.
Afbeelding 7: Oude boerderij Veldstreek 21
Ad 2
De bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3' van de Veldstreek 21 wordt gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch' voor dat deel van het plangebied dat geen woonbestemming krijgt.
Ad 3
De herbouwlocatie van de woning ligt iets ten noorden van de huidige boerderij. Omdat de woning in de toekomstige situatie planologisch geen onderdeel meer uitmaakt van het agrarisch bedrijf, is voldoende ruimtelijke scheiding een voorwaarde om geen belemmering op te leveren voor de agrarische bedrijfsvoering. In het kader van de milieuwetgeving wordt de woning op ten minste 50 meter afstand gerealiseerd van het emissiepunt van het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer. Met het iets opschuiven van de woning wordt aan deze voorwaarde voldaan.
In afbeelding 8 is de bestemming Wonen ingetekend. Hierbinnen wordt de woning met bijgebouw opgericht. De woonbestemming heeft een oppervlakte van circa 2.000 m2.
Afbeelding 8: verbeelding Veldstreek 18
In verband met de bereikbaarheid van de landbouwpercelen is het handhaven van het pad langs de boerderij gewenst. Om die reden is het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' tegen dit pad aangelegd. Zowel de nieuwe woning als het achtergelegen land is door middel van deze bestaande ontsluiting bereikbaar.
De bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3' van de grond rondom de woning wordt bestemd als 'Agrarisch'. De agrarische bouwmogelijkheden zijn hierdoor wegbestemd.
Ten behoeve van het project is door Buro Stad en Land een landschapsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
Een belangrijk doel van dit plan is de ruimtelijke, functionele relatie met de omgeving te versterken. Het erf met (toekomstige) bouwvormen en opstallen zou op een diffuse wijze over moet gaan in het landschap en overeenkomstig de erven en bebouwing langs de weg.
Uitgangspunt van het inpassingsplan is dat het erf aansluit bij de karakteristieken van de omgeving. De kenmerken van dit landschap worden gevormd door de regelmatige kavelvorm, de diversiteit in architectuur (omgeving) en een relatief open tot halfopen gebied. De gewenste ontwikkeling wordt als zodanig hier ingepast. Om opstallen een ruimtelijke eenheid te laten vormen worden erfgrenzen sterker benadrukt in de vorm van lijnvormige beplantingsvormen. Hiermee wordt tevens de visuele invloed op de omgeving beperkt.
Inspanning
Bij de definitieve uitwerking van de (bouw) plannen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
In afbeelding 9 zijn de opzet van de bebouwing en de landschappelijke inpassing weergegeven
Afbeelding 9: ontwerp woning met bijgebouwen en landschappelijke inpassing (bron: Buro Stad en Land)
Bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan dient de gemeente rekening te houden met het door hogere overheden vastgestelde beleid. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op relevante onderdelen van het rijksbeleid, het provinciaal beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening en het gemeentelijk beleid.
De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten:
Toetsing van het initiatief
Met onderhavig TAM-omgevingsplan zijn geen nationale belangen in het geding; onderhavig plan heeft geen betrekking op één van dertien nationale belangen uit de NOVI. Het betreft slechts de omzetting van een bedrijfswoning in een burgerwoning, binnen de grenzen van het bestaande agrarisch bouwvlak.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke omgevingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een omgevingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden.
Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken:
Toetsing van het initiatief
Met onderhavig TAM-omgevingsplan zijn, zoals gezegd, geen nationale belangen in het geding.
Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijk ordening (Bro) – de Ladder voor duurzame verstedelijking – geldt, voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste.
Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is herzien en per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden.
Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro gedefinieerd als: “een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.
Een aantal aspecten is van belang om te bepalen of en hoe de ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’ is.
Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de bouw van 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. De Afdeling is van oordeel dat gelet het aantal woningen dat het plan mogelijk maakt, het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid, aanhef en onder i van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). In voorliggend geval is sprake van de realisatie van één nieuwe woning.
Toetsing van het initiatief
Aangezien de planologische wijzigingen van dit TAM-omgevingsplan betrekking heeft op een bestaand agrarisch erf en een bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning, is er geen sprake van ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Een verdere toetsing aan de ladder kan daarom achterwege blijven.
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.
Toetsing van het initiatief
In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat.
Omgevingsverordening provincie Groningen
In de omgevingsverordening (geldend vanaf 23 november 2024) staan regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De omgevingsverordening is nauw verbonden met de omgevingsvisie.
De Omgevingsverordening stelt, ter borging van de provinciale ruimtelijke belangen, regels en geeft instructies aan, in het bijzonder voor het lokaal bestuur.
Relatie Omgevingsvisie - Omgevingsverordening
De Omgevingsvisie omvat onderstaande wettelijke plannen:
De Omgevingsvisie bevat de doelstellingen voor het provinciale beleid op deze gebieden. Met de Omgevingsverordening laat de provincie haar omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen) doorwerken in plannen van gemeenten en waterschappen.
De hoofdstukken Vaarwegen en Wegen en Ontgrondingen zijn nieuw in de Omgevingsverordening en vervangen het Kanalen- en wegenreglement en de Ontgrondingenverordening. Hiermee bevat de Omgevingsverordening alle verordeningen voor de fysieke leefomgeving.
De Omgevingsverordening bevat de volgende wettelijke verplichte aanwijzingen:
Artikel 3.7 Instructieregel inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied
Een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied en voorziet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond biedt afhankelijk van en evenredig aan de aard, omvang en gevolgen voor de fysieke leefomgeving inzicht in:
Toetsing
Belangrijk onderdeel van het voorgenomen plan is de zorgvuldige inpassing van de nieuwe bebouwing. Uitgangspunt van het inpassingsplan is dat het erf aansluit bij de karakteristieken van de omgeving. De kenmerken van dit landschap worden gevormd door de regelmatige kavelvorm, de diversiteit in architectuur (omgeving) en een relatief open tot halfopen gebied. De gewenste ontwikkeling wordt als zodanig hier ingepast. Het landschapsplan is door de gemeente akkoord bevonden en is de basis voor de uitwerking van het voorliggende TAM-omgevingsplan.
In de regels van het TAM-omgevingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de landschappelijke inpassing van het perceel juridisch is geborgd.
Op grond van artikel 3.18 van de Provinciale verordening is het onder voorwaarden toegestaan om een niet voor hergebruik geschikt te maken woning te vervangen. De huidige woning op het perceel is bouwkundig in zeer slechte staat en voldoet qua wooncomfort niet meer aan de huidige eisen. Geschikt maken voor hergebruik kan alleen tegen zeer hoge kosten. Daar komt bij, dat de aangebouwde schuur geen functie meer heeft voor het agrarisch bedrijf op het perceel Veldstreek 18. Vervangende nieuwbouw is daarom de meest gewenste optie.
Tevens is beoordeeld welke kaarten van de Omgevingsverordening van toepassing zijn op het plangebied. Deze kaarten zullen hierna worden besproken.
Afbeelding 10: Kaarten windenergie en landschap (bron: provincie Groningen)
Kaart Windenergie
Conform kaart 3 van de Omgevingsverordening ligt het plangebied binnen de grenzen waar geen nieuwe windturbines zijn toegestaan. Het planvoornemen voorziet niet in de plaatsing van een (nieuwe) windturbine.
Kaart Landschap
Conform kaart 7 ligt aansluitend aan het plangebied een zone met de aanduiding 'Kanalen en wijken". Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven kanalen en wijken bevat regels gericht op bescherming van de herkenbaarheid van de kanalen- en wijkenstructuur.
Het plan heeft geen invloed op de herkenbaarheid van de kanalen- en wijkenstructuur. Deze blijven onaangetast.
De Westerkwartiergemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn hebben de archeologische en cultuurhistorische waarden geïnventariseerd en vast laten leggen in de Kadernota Archeologie en cultuurhistorie. De gemeenteraad heeft de Kadernota Archeologie en cultuurhistorie op 5 februari 2016 vastgesteld.
De archeologische waarden-/verwachtingenkaart laat de bekende archeologische vindplaatsen zien en geeft vlakdekkend de verwachte dichtheid aan archeologische sporen en vondsten weer in een aantal categorieën.
Op de beleidskaart worden de archeologische verwachtingen vertaald naar categorieën waarvoor een bepaald maximum oppervlak en diepte kan worden vrijgesteld. In het rapport worden de volgende categorieën onderscheiden
| categorie 1 | Rijksmonumenten. Deze zijn vergunningplichtig conform de Erfgoedwet |
| categorie 2 | Gemeentelijke archeologische monumenten. Het betreft terreinen die in het kader van de Erfgoedverordening kunnen worden aangemerkt |
| categorie 3 | Terreinen van Archeologische waarden, waaronder niet wettelijk beschermde AMK-terreinen (AMK = Archeologische Monumenten Kaart) |
| categorie 4 | Hoge archeologische verwachting |
| categorie 5 | Middelhoge archeologische verwachting |
| categorie 6 | Lage archeologische waarde |
| categorie 7 | Specifieke verwachting (beekdal) |
| categorie 8 | Geen verwachting. Het betreft zones waar het bodemarchief is verdwenen, waardoor er geen onderzoekseisen van kracht zijn. |
De categorieën zijn vertaald in dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' tot en met 'Waarde - Archeologie 7'. De Rijksmonumenten (categorie 1) worden niet opgenomen in het omgevingsplan omdat die al in de Erfgoedwet worden geregeld. De gebieden met een lage archeologische waarde (categorie 6) en zonder verwachting (categorie 8) worden ook niet opgenomen in het omgevingsplan. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op de archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied.
Op dit moment wordt het archeologiebeleid geactualiseerd (TAM-omgevingsplan Facetplan Archeologie, Gemeente Westerkwartier). Na vaststelling van dit Facetplan beschikt de gemeente onder de Omgevingswet over een actuele archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.
Op 16 februari 2022 heeft de gemeente de Omgevingsvisie vastgesteld. Binnen de omgevingsvisie wordt beschreven dat de gemeente een meer faciliterende rol op zich wil nemen in plaats van een sturende rol. Dit wil men uitstralen met een omgevingsvisie waarbij minder regels zijn en meer maatwerk. Het Westerkwartier heeft vier integrale ambities neergezet:
De gemeente is trots op het landelijk gebied en de diversiteit daarvan. De kwaliteiten van het landelijk gebied worden geroemd. De gemeente zet in op de bescherming van het buitengebied. Dat wordt o.a. gedaan door op vrijkomende agrarische locaties ruimhartig om te gaan met plannen voor wonen, maar ook recreatie, ambachtelijke bedrijvigheid, paardensector, winkels met streekproducten of creatieve beroepen.
In de voorliggende situatie is sprake van een vrijkomende agrarische locatie welke wordt bestemd voor wonen. De gemeente heeft dit plan positief beoordeeld.
Ook kan worden gesteld dat het plan zorgt voor een verbinding met de omgeving. De vervallen boerderij straalt geen verbinding met de omgeving uit, maar staat open en bloot in het landelijk gebied. De nieuwe woning daarentegen wordt op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast waarbij de kenmerken van het landschap bestaande uit de regelmatige kavelvorm, de diversiteit in architectuur (omgeving) en een relatief open tot halfopen gebied, de basis vormen voor de inpassing.
Derhalve sluit het plan volledig aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Westerkwartier.
In het vastgestelde Veegplan reparatiepercelen buitengebied zijn de percelen aan de Veldstreek 18 en 21 meegenomen. In de toelichting op het bestemmingsplan is het volgende aangegeven:
"Het perceel Veldstreek 21 heeft de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf 3’ met een grootte van circa 1,5 hectare. Het perceel heeft een planologische verbindingsrelatie met het perceel Veldstreek 18 aan de overzijde van de weg. Op dit moment is sprake van twee agrarische bedrijfswoningen. De bijbehorende aanduiding ‘maximum aantal bedrijfswoningen: 2’ is echter per abuis wegbestemd met de herziening van het vigerend bestemmingsplan.
Op de verbeelding is de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal bedrijfswoningen: 2’ toegevoegd."
Met het veegplan is de bestaande bedrijfswoning op het perceel aan de Veldstreek 21 weer positief bestemd. Dit is in overeenstemming met de feitelijke situatie.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen functies en activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar:
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob.
Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:
Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet volgt dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder mogelijkheid 2 zoals hierboven beschreven. Het besluit bevat namelijk wél een activiteit uit kolom 3 van bijlage 4 van het Omgevingsbesluit [J11] de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, maar er wordt niet voldaan aan de drempelwaarden die zijn vastgelegd in kolom 2 (gevallen waarin de mer-plicht geldt). Er kan derhalve worden volstaan met een plan-mer-beoordeling indien voldaan wordt aan de onderdelen a en b van lid 3 zoals hierboven beschreven.
Het project aan de Veldstreek 18 en 21 betreft een zeer kleinschalig plan met een geringe ruimtelijke impact. Het betreft een wijziging van de functie van een bestaande bedrijfswoning in Wonen en de vervangende nieuwbouw enkele meters verderop. Per saldo komt er geen woning bij en vindt een afname plaatse van het bebouwde oppervlakte. Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel betreft het plan een klein project op lokaal niveau waarvoor gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling.
In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde plan-mer-beoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 3 en 4 van de Omgevingswet. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke motivering een besluit nemen over de uitkomst van de plan-m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor dit wijzigingsbesluit.
Het plan voorziet per saldo niet in een toename van het aantal woningen. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk dat er geen nadelige milieugevolgen te verwachten zijn als gevolg van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet).
De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het verlenen van een omgevingsvergunning, die voorgaande toelaten, moet aan twee eisen voldoen:
Adviesbureau Sain heeft onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van het wegverkeer op de gevel van de nieuwe woning. Het complete rapport (projectnummer 2023-3055, d.d. 28 juni 2023) is als Bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd.
De berekening van de geluidsbelastingen ten gevolge van het wegverkeer is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode II op basis van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Het gebruikte programma is Geomilieu V2022.4 revisie 1 van dgmr.
Met behulp van het opgestelde rekenmodel zijn de geluidsniveaus berekend op de nieuwbouw. De geluidsbelasting Lden is berekend voor het jaar 2034.
In tabel 4.1 staat een overzicht van de hoogste geluidsbelastingen Lden op de geplande nieuwe woning.
Tabel 4.1 Geluidsbelasting Lden in dB, incl. aftrek
| Weg | NW-gevel | NO-gevel | ZO-gevel | ZW-gevel |
| Veldstreek | 48¹ | 45 | <38 | 45 |
¹ De geplande locatie van de nieuwe woning dient minimaal 2 meter verder van de weg gebouwd te worden om de voorkeursgrenswaarde ter hoogte van de verdieping(en) te halen.
Om aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te kunnen voldoen is het noodzakelijk dat de voorgevel van de woning op minimaal 30 meter uit de weg komt te liggen. De voorgevel van de woning in het landschappelijk inpassingsplan ligt op 30 meter uit de weg. Er wordt daarmee voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.
De woning kan gebouwd worden zonder verdere procedures in het kader van de Wgh. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen.
De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren:
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Het plan voorziet in de vervangende nieuwbouw van één woning. Daarmee valt deze ontwikkeling binnen de regeling 'niet in betekenende mate' bijdragend (NIBM). Dit betekent dat er geen verslechtering van de luchtkwaliteit aan de orde is.
De regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 geeft aan dat er bij onder andere een woning sprake is van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico's uit te sluiten is gekeken naar de lokale luchtkwaliteit.
De Atlas Leefomgeving maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen nabij het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging.
De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2020 7,6 µg/m³ voor NO2, 13,1 µg/m³ voor PM10 en 6,40 µg/ m3 PM2,5. Omdat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszones van 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg. Daarnaast worden er in het plan geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het "Besluit gevoelige bestemmingen. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Milieuzonering Nieuwe Stijl'.
Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten.
De beoogde woning binnen het projectgebied dient aangemerkt te worden als geurgevoelige object in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen.
Het dichtstbijzijnde bedrijf met een geuremissie is het agrarisch bedrijf aan de Veldstreek 18. De afstand tussen de voorgevel van de woning en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de stal is minimaal 61 meter. Aan de Veldstreek 20, op een afstand van 260 meter, is een tweede veehouderij gevestigd.
Op beide locatie worden landbouwhuisdieren gehouden zonder geuremissiefactor, Er kan daarom gebruik worden gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Milieuzonering Nieuwe Stijl'.
Voor de diercategorieën waarvoor geen geuremissie is vastgesteld geldt in het buitengebied normaliter een afstandsnorm van 50 m.
Omdat ruim aan de afstandsnorm van 50 meter wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat ter plaatsen van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden gehinderd.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Door Sigma Geo- en milieutechniek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de nieuwbouwlocatie. Ook zijn de daklijnen van de te slopen boerderij onderzocht op die plaatsen waar de dakgoot ontbreekt. Het volledige rapport (projectnummer 23-M10805, d.d. 28 juli 2023) is als Bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd.
Nieuwbouwlocatie
Vooronderzoek
De onderzoekslocatie is in eerste aanleg als milieuhygiënisch "onverdacht" aangemerkt. Op basis van deze hypothese is het bodemonderzoek t.p.v. de onderzoekslocatie uitgevoerd conform de bijbehorende onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1.
Veldonderzoek
Bovengrond (0.0-0.5 m-mv)
Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) t.o.v. de achtergrondwaarde.
Het verhoogd gemeten gehalte PAK in het mengmonsters van de bovengrond is op basis van de zintuiglijke waarnemingen niet te relateren aan zintuiglijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen in het monstermateriaal. In algemene zin wordt opgemerkt dat antropogene beïnvloeding van een locatie in de meeste gevallen een negatief effect heeft op de kwaliteit van de bodem. De aanwezigheid van PAK’s in de bodem is vaak het gevolg van de aanwezigheid van teerhoudende of koolstofhoudende stoffen, zoals bv. koolas, verbrandingsresten of teerresten.
Ondergrond (0.5-2.0 m-mv)
Het ondergrondmengmonster MM2 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde.
Grondwater
Het grondwater t.p.v. peilbuis 1 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de streefwaarde en/of detectiewaarde.
Asbest
De bodem t.p.v. onverharde druppelzones onder asbesthoudende daken op de locatie Veldstreek 21 zijn onderzocht op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Onderhavig onderzoek heeft tot doel om na te gaan of de bodem t.p.v. onderzochte delen van de locatie al dan niet asbestverdacht zijn.
Maaiveld
Op basis van de visuele locatie-inspectie is op het geïnspecteerde deel van het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
Druppelzones
Ter plaatse van de inspectiegaten D1 t/m D4 is in de uitgegraven toplaag (bodemlaag tussen 0.0-0.1 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
In het geanalyseerde toplaagmengmonster M1 (zeeffractie < 20 mm) van de inspectiegaten D1 t/m D4 is een gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten van 4.6 mg/kg d.s. De verontreiniging betreft hechtgebonden chrysotiel asbest. De uitgegraven toplaag uit de inspectiegaten D1 t/m D4 is verontreinigd met asbest onder de interventiewaarde.
Ter plaatse van de inspectiegaten D5 t/m D8 is in de uitgegraven toplaag (bodemlaag tussen 0.0-0.1 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. De uitgegraven toplaag uit de inspectiegaten D5 t/m D8 is verontreinigd met asbest onder de interventiewaarde.
Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kunnen worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten:
Aandachtsgebieden
Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart Nederland weergegeven. Hierop is te zien dat in de direct omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen.
Figuur 11: risicokaart (plangebied bij blauwe druppel)
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De rode stippellijn ten zuiden van de planlocatie geeft de ligging van de buisleiding aan. Deze buisleiding ligt op een afstand van circa 768 meter van het plangebied. Het plangebied ligt ook (ver) buiten de veiligheidscontour van deze buisleiding.
Het dichtstbijzijnde kwetsbare object (onderwijsinstelling) is gelegen op 876 meter afstand. In en om de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle transportroutes gelegen waarvan het invloedsgebied reikt tot over het plangebied.
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan.
Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand.
De systematiek uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn - ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege - wordt deze systematiek nog toegepast.
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het plangebied ligt in het buitengebied van Zevenhuizen. In de omgeving is er voornamelijk sprake agrarische bedrijvigheid met hier en daar een woning. Zodoende wordt de omgeving van het plangebied aangemerkt als 'rustig buitengebied'.
Op grond van de mate van milieuhinderlijkheid wordt geadviseerd een bepaalde afstand ten opzichte van gevoelige functies aan te houden, zoals woningen, scholen, e.d. Deze afstandsnormen zijn indicatief van aard. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.
Tabel 4.2: richtafstanden Bedrijven en milieuzonering
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het TAM-omgevingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype.
Hinderveroorzakende functies in het plangebied
Binnen het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies gerealiseerd. Dit aspect behoeft daarom geen nadere beschouwing
Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied
Er dient te worden onderzocht of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Het gaat hierbij om hinder voor de nieuw te bouwen woning.
Door het opheffen van de planologische verbindingsrelatie is in de nieuwe situatie de woning aan de Veldstreek 21 een woning van derden ten opzichte van het veehouderijbedrijf van initiatiefnemer.
In de paragraaf over ‘geur’ is al getoetst of hinderveroorzakende functies in de omgeving het herbouwen van de woning binnen het plangebied kunnen frustreren. Ook is beoordeeld of het toevoegen van een extra woning gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving. Gebleken is dat dit niet het geval is.
Voor de aspecten stof, geluid en gevaar valt een melkveehouderij in categorie 3.2. van de brochure. Ten aanzien van een rundveehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen (rustig buitengebied):
De bedrijven in de omgeving liggen ruim buiten de genoemde richtafstanden zodat vast staat dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Watertoets
Op 4 mei 2023 is het waterschap Noorderzijlvest van het plan in kennis gesteld door middel van de digitale watertoets. Het toetsresultaat is bijgevoegd als Bijlage 4 bij deze motivering.
Gelet op de beantwoording van de vragen concludeert het waterschap dat het plan waarschijnlijk een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding omdat er geen kaarten binnen het plangebied zijn geraakt. Ook is er geen toename van de oppervlakteverharding. Het standaard advies van het waterschap kan daarom gebruikt worden voor de uitwerking van de relevante wateraspecten in het plan.
Missie
Waterschap Noorderzijlvest staat voor veilig, voldoende en schoon water. Zij creëren hiermee een basis voor een gezonde en toekomstbestendige leef-, woon- en werkomgeving in Groningen en Noord-Drenthe.
Vigerend beleid
Het beleid van waterschap Noorderzijlvest is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en in de Waterschapsverordening waterschap Noorderzijlvest 2023.
Veilig, voldoende en schoon water
Het waterschap ziet het zorgen voor veiligheid als één van de belangrijkste opgaven, nu en in de toekomst. In een snel veranderende omgeving als gevolg van klimatologische en demografische ontwikkelingen willen wij hier invulling aan geven. Een stijgende zeespiegel en meer en heviger afwisselende perioden van regen en droogte vragen om robuuste oplossingen. Ons regionaal watersysteem is een zoveel mogelijk natuurlijk functionerend watersysteem dat klimaatbestendig, veerkrachtig en gezond is. Verder is dit watersysteem in staat om de belangen en functies die afhankelijk zijn van voldoende ecologisch gezond en schoon water zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn.
Aanpassingen in het waterbeheer creëren een omgeving waar mens en dier op een gezonde wijze gebruik van kunnen maken. Het watersysteem is onlosmakelijk onderdeel van de bebouwde omgeving én het landelijk gebied.
Uitgangspunten van het waterschap en alle betrokkenen bij het treffen van waterhuishoudkundige maatregelen zijn:
Borgen integrale afweging
Provincies en gemeenten zorgen voor een integrale afweging en leggen deze vast in provinciale beleidsplannen en omgevingsvisies, respectievelijk structuur- en omgevingsplannen.
Waterkwantiteit
Het planvoornemen voorziet in de vervangende nieuwbouw van een (bedrijfs) woning. De huidige boerderij (voorhuis en huisstal) heeft een oppervlakte van circa 470 m2. Achter de boerderij is enige verharding aanwezig. Dit zal worden geamoveerd. De totale afname van oppervlakteverharding als gevolg van de sloop van de boerderij en het opruimen van de oppervlakteverharding bedraagt in totaal circa 570 m2.
De nieuwbouw bestaat uit een woning van 126 m2, een schuur van 150 m2 en een garage van 24 m2. Voor de ontsluiting van de woning wordt de bestaande inrit gebruikt. Rondom de woning wordt enige erfverharding aangebracht. De totale toename aan oppervlakteverharding bedraagt circa 450 m2.
Het perceel aan de Veldstreek 18 blijft qua bebouwing ongewijzigd. Per saldo zal de oppervlakteverharding als gevolg van het plan afnemen met circa 120 m2.
Het Waterschap Noorderzijlvest hanteert in de Beleidsnotitie Ruimte (2013) als regel dat bij een toename onder de 500 m2 (in overige gebieden buiten de bebouwde kom) geen extra waterberging hoeft te worden gerealiseerd.
Bij dit project is geen sprake van een toename aan verharding, maar juist een afname. Het plan heeft daarom een positief effect op de kwantitatieve waterhuishouding.
Waterkwaliteit
Een tweede belangrijk aspect is waterkwaliteit. In dit kader is het van belang dat de kwaliteit van oppervlaktewater binnen het plangebied niet verslechtert. Als gevolg van de afname van de oppervlakteverharding zal er minder water direct afspoelen naar de kavelsloten en vindt meer inzijging plaats.
De bestaande woning op het perceel Veldstreek 18 blijft aangesloten op de gemeentelijke gemengde persleiding. Het perceel Veldstreek 21 heeft op dit moment geen aansluiting op deze persleiding, maar de nieuw te bouwen woning zal wel worden aangesloten. Het hemelwater van beide percelen zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Verder worden alleen niet uitloogbare bouwmaterialen gebruikt. De waterkwaliteit zal als gevolg van het plan niet verslechteren.
Er zijn geen waterstaatkundige aspecten in het geding. Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.
Flora- en fauna-activiteiten
Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: 'Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.
Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Gebiedsbescherming
Indien een projectgebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.
Natura 2000
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.
Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
Het plangebied is op 28 april 2023 door een medewerker van Natuurbank Overijssel onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Het complete rapport van de quickscan (projectnummer 5644 versie 1.0, d.d. 21-09-2023) is als Bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd.
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot de weide- en akkervogelleefgebieden, Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het NNN geen externe werking kent in Groningen. Het plangebied is niet zichtbaar vanuit een Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden.
Stikstof
Een woningbouwplan kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de sloop- en bouwfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen). Het gebruik van de woning (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een toename van de verkeersbewegingen door bewoners en bezoekers van de nieuwe woning.
Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals woningbouwplannen, geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie te verwachten is, aangezien er vanaf nu gasloos gebouwd moet worden. Effecten van stikstof vanwege wegverkeer hebben een beperkt bereik. Dergelijke bronnen zijn namelijk dicht bij de grond geplaatst, waardoor de stikstof snel neerslaat.
Sloop- en bouwfase
De boerderij aan de Veldstreek 21 wordt gesloopt en iets ten noorden wordt een nieuwe woning met bijgebouwen teruggebouwd.
Voor de sloop- en de bouwfase is in kaart gebracht welk bouwmaterieel en transportbewegingen noodzakelijk zijn. Het overzicht hiervan is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Met het programma Aerius calculator 2022 is een berekening gemaakt om de mogelijke stikstofdepositie tijdens de sloop- en bouwfase te bepalen. De uitkomst is dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op de relevante Natura 2000 gebieden. Er zijn daarom geen nadelige gevolgen te verwachten op relevante Natura 2000 gebieden. De Aeriusberekening is opgenomen in de genoemde bijlage.
Gebruiksfase
In de gebruiksfase komt NOX vrij door verkeersbewegingen van de bewoner van de nieuwe woning. In de huidige situatie is er geen sprake van verkeersbewegingen omdat de boerderij in de huidige situatie niet wordt bewoond. De woning zal gasloos worden gebouwd, zodat bij de verwarming van de woning geen NOX vrijkomt.
Het extra verkeer als gevolg van de bewoning is berekend op basis van de landelijke CROW-richtlijnen. Op basis van de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is het kencijfer verkeersbewegingen per woning per etmaal voor een vrijstaande koopwoning 8,6 verkeersbewegingen per etmaal.
Onder verkeersgeneratie wordt verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. In de uitgevoerde Aeriusberekening is worst case uitgegaan van 9 verkeersbewegingen per woning per dag met licht verkeer.
Met het programma Aerius calculator 2022 is een berekening gemaakt om de mogelijke stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase te bepalen. De uitkomst is dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op de relevante Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen nadelige gevolgen te verwachten op relevante Natura-2000 gebieden. De Aeriusberekening van de gebruiksfase is toegevoegd als bijlage 7 bij de toelichting.
Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Beschermde vogel-, grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied, maar er nestelen kerkuilen in de boerderij in een kerkuilenkast. Van de andere in het plangebied nestelende vogelsoorten is alleen het bezette nest beschermd. Voor beschermde grondgebonden zoogdier-, vleermuis en amfibiesoorten vormt het plangebied geen functioneel leefgebied.
In de boerderij is een nest van kerkuilen aangetroffen. Aangezien deze nesten jaarrond beschermd zijn, is bij de provincie Groningen een omgevingsvergunning aangvraagd voor een flora en fauna-activiteit voor het beschadigen / vernielen van de rust- en/of voortplantingsplaats van kerkuilen.
Ter compensatie van de nestplaats die verloren gaat, zijn er in oktober 2024 twee nestkasten opgehangen in een schuur bij de boerderij van initiatiefnemer aan de veldstreek 18.
Deze omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit voor het beschadigen / vernielen van de rust- en/of voortplantingsplaats van kerkuilen is door de provincie Groningen verleend en bijgevoegd als bijlage 8 bij deze motivering.
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging t.o.v. Natura 2000-gebieden, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren.
Van de provincie Groningen is een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit ontvangen voor het beschadigen / vernielen van de rust- en/of voortplantingsplaats van kerkuilen. Bij de uitvoeren van de sloop van de boerderij zullen de aan de vergunning verbonden voorschriften worden gevolgd.
Algemeen
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
Archeologie
Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.
Cultuurhistorie
Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.
Archeologie
De archeologische waarden-/verwachtingenkaart is als volgt vertaald in het bestemmingsplan Buitengebied, partiële en correctieve herziening 2016:
| Dubbelbestemming | Onderzoek nodig bij bouwactiviteiten vanaf | Onderzoek nodig bij werkzaamheden op een oppervlak vanaf (*) | |
| Waarde - Archeologie 3 | 50 m², geen dieptegrens | 50 m², en zodra dieper dan 50 cm | |
| Waarde - Archeologie 4 | 500 m², geen dieptegrens | 500 m², en zodra dieper dan 50 cm | |
| Waarde - Archeologie 5 | 1000 m², geen dieptegrens | 1000 m², en zodra dieper dan 50 cm | |
| Waarde - Archeologie 6 | 5000 m², geen dieptegrens | Geen onderzoeksplicht | |
Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan is te zien dat het plangebied is aangewezen met de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 5'. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht vanaf 1.000 m2 bij bouwactiviteiten.
Geconcludeerd wordt dat de grondroerende werkzaamheden een oppervlakte zullen beslaan die veel kleiner zal zijn dan 500 m2. Er is daarom geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Hoewel de noodzaak om archeologisch onderzoek uit te voeren ontbreekt, is het echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen het plangebied toch nog archeologische resten voorkomen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet is de uitvoerder van het grondwerk verplicht om archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid.
Cultuurhistorie
De boerderij aan de Veldstreek 21 in Zevenhuizen heeft geen monumentale status en is ook niet aangewezen als karakteristiek pand. Er zijn daarom geen belemmeringen om de boerderij te slopen.
Het landschap is grootschalig open en zeer rationeel verkaveld. Kenmerkend zijn de langgerekte en rechte bebouwingslinten en de strikte ordening en samenhang van de bebouwing met het ontginningssysteem van kanalen en wijken. Buiten de linten komt nauwelijks bebouwing voor. De kanalen zijn lang en recht en vinden hun oorsprong in een planmatige opzet.
De sloop van de boerderij en de vervangende nieuwbouw hebben geen negatieve effecten op de karakteristieken van het landschap. Deze blijven onaangetast. Het landelijk gebied aan de westzijde van de Veldstreek heeft de dubbelbestemming 'Waarde-Open gebied'. Binnen dat gebied vinden op grond van het voorliggende TAM-omgevingsplan geen wijzigingen plaats. De sloop van de boerderij en de vervangende nieuwbouw vinden plaats aan de oostzijde van de weg. Aan deze zijde ligt de genoemde dubbelbestemming niet.
De cultuurhistorische waarden van het landschap worden als gevolg van het voorliggende plan niet aangetast.
Zowel het aspect cultuurhistorie als het aspect archeologie staan de uitvoering van het plan niet in de weg.
In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' gehanteerd.
Ontsluiting
De ontsluiting van de nieuwe woning maakt gebruik van een reeds bestaande dam en oprit van de te slopen boerderij.
Verkeer
In de huidige situatie wordt de boerderij gebruikt voor de stalling van vee en voor opslagdoeleinden. Deze activiteiten brengen verkeersbewegingen met zich mee. In de toekomstige situatie komen deze bedrijfsmatige verkeersbewegingen te vervallen. De nieuwe verkeersbewegingen zijn gerelateerd aan het wonen in de nieuwe woning. Op basis van de cijfers van het CROW wordt hierbij uitgegaan van 8,4 verkeersbewegingen per etmaal.
Per saldo zal er sprake zijn van een afname van het (middel) zware verkeer en een toename van het lichte verkeer van en naar de Veldstreek 21. De verkeersgeneratie is in totaliteit gering. De bestaande infrastructuur kan deze lichte toename van het lichte verkeer prima opvangen.
Parkeren
Uitgangspunt bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te bepalen worden de actuele parkeercijfers van het CROW als parkeernorm toegepast. Voor het gebruik van deze publicatie gelden de volgende uitgangspunten:
Voor vrijstaande woningen wordt daarbij de categorie 'koop, vrijstaand' aangehouden. Hiervoor wordt een parkeernorm van minimaal 2,0 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Het kencijfer (gemiddelde) bedraagt dus 2,4 parkeerplaatsen per woning.
Op het erf behorende bij de woning, inclusief de garage, is meer dan voldoende ruimte voor het parkeren van 2 tot 3 auto's.
De huidige vervallen boerderij aan de Veldstreek 21 is niet duurzaam gebouwd. De oude boerderij is niet geïsoleerd. De nieuwe woning zal optimaal worden geïsoleerd en gasloos worden gebouwd. Er wordt met het plan daarom een belangrijke stap gezet op het gebied van duurzaamheid.
Wat betreft klimaatadaptatie zal er sprake zijn van een afname van het verharde oppervlakte omdat de nieuwe woning met bijgebouw een kleinere oppervlakte heeft dan de bestaande boerderij. In de nieuwe situatie is er daardoor meer oppervlakte beschikbaar voor regenwater om in de bodem te zijgen.
De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.
Voor het plan is onder meer een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierin is aangegeven dat wordt geïnvesteerd in groen. Deze investeringen bestaan onder andere uit de aanplant van hoogstamfruitbomen en een houtwal e.d. Met de aanplant van het groen wordt ecologische winst behaald en de biodiversiteit versterkt waardoor een gezonde fysieke leefomgeving wordt bevorderd.
In de voorgaande paragrafen is onderzocht welke effecten het planvoornemen ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema's zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving.
Het aspect 'gezonde fysieke leefomgeving' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
In het plangebied zijn geen relevante kabels en straalpaden aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden.
Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, is er met uitvoering van voorliggend project sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan, bestaande uit een verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.
Met het TAM-omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22 L Veldstreek 18 en 21, Zevenhuizen’ wordt de vervangende nieuwbouw van een woning mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier is technisch opgesteld conform het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Veldstreek 18 en 21, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1969.TPZE24POST02-VA01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
In paragraaf 5.3 worden de verschillende functies en gebiedsaanduidingen toegelicht en wordt ook per functie aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze toedeling is gekozen.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In hoofdstuk 4 staan de overgangsbepalingen. In artikel 17 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Gebiedsaanduidingen
Binnen STOP-TPOD (de technische werkwijze voor omgevingsplannen) wordt aan regels uit het omgevingsplan zoveel mogelijk een werkingsgebied toegekend. In dit TAM-omgevingsplan is dit uitgangspunt waar mogelijk aangehouden. Dit betekent dat voor sectorale regelgeving gebruik is gemaakt van gebiedsaanduidingen om een werkingsgebied toe te kennen met een directe relatie met de bijbehorende regeling.
Vanuit landschap en stedenbouw is een Landschaps- en beeldkwaliteitsplan opgesteld met kaders voor de oriëntatie van de nieuwbouw en de wijze waarop de landschappelijke inpassing vorm zal krijgen. Deze kaders zijn van toepassing op het deelgebied aan de Veldstreek 21, waar de vervangende nieuwbouw zal plaatsvinden.
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
De gemeente zal een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer sluiten. Hierin worden afspraken gemaakt over de uitvoering, kosten en nadeelcompensatie. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. De ontwikkeling heeft voor de gemeente verder geen negatieve financiële gevolgen.
Inleiding
De procedure voor vaststelling van een wijzigingsplan op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
Participatietraject
Initiatiefnemer heeft omwonenden op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling. De omwonenden hebben geen bezwaren tegen het plan.
Zienswijzen
Het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan heeft op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Naar aanleiding van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen ontvangen. Wel is er een aantal ambtshalve wijzigingen in het plan aangebracht. Deze wijzigingen zijn in de bijgevoegde Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen, opgenomen als bijlage 9, toegelicht.