Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1963.TAM22kEvLMHL-VG01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding en ambitie
Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de huidige agrarische gronden aan de Elisabeth van Loonstraat te Mijnsheerenland in totaal 39 woningen te realiseren. Het woningbouwplan bestaat uit een mix van woningen voor verschillende doelgroepen zoals starters, alleenstaanden met of zonder kinderen, gezinnen en ouderen.
 
De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Hoeksche Waard, waar het bestemmingsplan 'Mijnsheerenland/Westmaas' onderdeel van is. De voorgenomen ontwikkeling is op meerdere onderdelen in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Voorliggend stuk voorziet in de benodigde motivering.
 
1.2 Aanduiding plangebied
Het plangebied is gelegen aan de zuidrand van het dorp Mijnsheerenland, binnen de gemeente Hoeksche Waard. Het dorp is grotendeels omgeven door agrarisch landschap bestaande uit open weiden. Aan de zuidzijde vormt de Binnenbedijkte Maas een harde grens van het dorp. Aan de overige zijden vloeien dorp en landschap meer in elkaar over en zijn er zachtere dorpsranden. Het plangebied zelf ligt binnen het dorp. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd voor de Elisabeth van Loonstraat. Daarachter zijn woningen aanwezig. Aan zowel de oostzijde als de westzijde wordt het plangebied begrensd door bomen en watergangen met daarachter woningen. Ten zuiden van het plangebied is een parkachtige omgeving aanwezig met veel groen. Hier is een tennisvereniging en een watersportvereniging aanwezig.
 
Het plangebied beslaat een oppervlakte van ca. 2 hectare en bestaat uit het kadastrale perceel 1140 en een deel van perceel 2739 ter plaatste van de toegangsweg.
  
De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
 
Globale ligging plangebied rood omcirkeld (bron: PDOK viewer)    
Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: PDOK viewer)
      
1.3 Toetsing aan het omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard. Voor de projectlocatie gold het bestemmingsplan ‘Mijnsheerenland/Westmaas', vastgesteld op 12 december 2009. De gronden van het plangebied zijn voorzien van de bestemmingen ‘Agrarisch' en 'Groen' ter plaatse van de toegangsweg.
 
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Mijnsheerenland/Westmaas'.
      
Uitsnede bestemmingsplan 'Mijnsheerenland/Westmaas', plangebied rood omkaderd (bron: Omgevingsloket - Regels op de kaart)
 
Het grootse deel van het plangebied is voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande, dat de uitoefening van een intensieve veehouderij of een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan.
Een klein gedeelte van het plangebied, de noordelijke rand met de Elisabeth van Loonstraat is voorzien van de bestemming 'Groen'. Deze gronde zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen, beplanting, paden, inritten, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, ondergrondse vuilopslag, water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
 
Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze gronde zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden. Voor bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek vereist.
 
Tevens is een groot gedeelte van het plangebied voorzien van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element.
  
De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied voorziet in het realiseren van woningen, water en bijbehorende infrastructuur. Deze functies passen niet binnen de mogelijkheden van de bestemming 'Agrarisch'. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
 
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de resultaten van de participatie, het bestuurlijk overleg en de terinzagelegging beschreven. De huidige en toekomstige situatie komen in hoofdstuk 3 aan bod. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid aan bod. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de conclusie.
 
2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.
 
Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 4 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De beroepsprocedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 
 
2.1 Participatie
Op 16 april 2025 heeft er een inloopavond plaatsgevonden. Hiervoor waren omwonenden en belanghebbenden per uitgenodigd. Tijdens de inloopavond waren de plannen te zien op verschillende panelen en waren projectbetrokkenen aanwezig. Bij elk paneel konden de aanwezigen door middel van post-its opmerkingen en voorkeuren achterlaten. Op basis van de reacties tijdens de eerste bijeenkomst is de keuze gemaakt om in het beeldkwaliteitsplan landelijke architectuur toe te passen. Een verslag van de bijeenkomst is als bijlage toegevoegd (Kroon & De Koning, d.d. 16 april 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8).
  
Op 8 juli 2025 heeft de tweede inloopavond plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst waren de aangepaste plannen op panelen te zien. De architect, ontwikkelaar en vertegenwoordigers van de gemeente gaven een toelichting op het plan en beantwoordden vragen. Een verslag van de bijeenkomst is als bijlage toegevoegd (Kroon & De Koning, d.d. 8 juli 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9).
 
Op 7 januari 2026 is er een inloopavond geweest. Deze inloopavond was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan. Een verslag van de bijeenkomst is als bijlage toegevoegd (Kroon & De Koning, d.d. 7 januari 2026, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 14).
 
2.2 Zienswijzen
Het ontwerp van de wijziging van het omgevingsplan (TAM-omgevingsplan) heeft met ingang van donderdag 11 december 2025 tot en met woensdag 21 januari 2026 ter inzage gelegen. In deze periode zijn 17 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn in de Nota beantwoording zienswijzen (gemeente Hoeksche Waard, d.d. mei 2026, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 15) samengevat en beantwoord.
 
3 Planbeschrijving
3.1 Huidige situatie
Mijnsheerenland is gelegen in de gemeente Hoeksche Waard. Het dorp beschikt over een historische dorpskern, waar verschillende monumentale gebouwen te vinden zijn, waaronder de Hervormde Kerk, die dateert uit de 15e eeuw. Het dorp is in de loop van de 20e eeuw uitgebreid. De bebouwing rondom het plangebied dateert grotendeels uit verschillende uitbreidingen uit de jaren '60 en '70 van de 20e eeuw en een herontwikkeling van de jaren '20 van deze eeuw.
 
Het plangebied is een open gebied dat in het verleden is gebruikt als akker. Aan de noordelijke rand is een groene strook aanwezig met enige bomen. Het plangebied is volledig onverhard. Verder naar het noorden ligt de Elisabeth van Loonstraat. Aan de oost- en westzijde liggen watergangen. Langs de westzijde staat langs de watergang ook een rij bomen. Aan de zuidzijde van het plangebied is een groen gebied aanwezig met meerdere bomen. Aan de noord- oost- en westzijde van het plangebied zijn woonpercelen aanwezig. Verder ten zuiden van het plangebied zijn enkele recreatieve verenigingen aanwezig, waaronder een tennisvereniging, een watersportvereniging en een scouting.
   
De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de bestaande situatie.
 
     
Impressie bestaande situatie plangebied, vanaf de Elisabeth van Loonstraat (bron: Google Streetview)
 
Het weiland is de loop van de jaren omringd geraakt door woningbouw. Zoals op de onderstaande afbeelding te zien is, is de omgeving van het plangebied geleidelijk bebouwd via gebiedsontwikkelingen met een vergelijkbare of grotere schaal als de beoogde ontwikkeling.
 
Bouwjaren omliggende woningen (bron: Atlas Leefomgeving)
 
3.2 Toekomstige situatie
Het voornemen is om op het plangebied te transformeren naar een woongebied met 39 nieuwe woningen. Ten behoeve van de nieuwe woningen zal de functie van deze locatie worden aangepast naar een woongebied.
 
De navolgende afbeelding toont het stedenbouwkundig plan.
 
Stedenbouwkundig plan (bron: Zeinstra Veerbeek Architecten, 21-04-2026)
 
Hoofdopzet
De hoofdopzet van de beoogde woonbuurt bestaat uit een mix van verschillende woontypes rondom twee gezamenlijke groene openbare ruimtes. In het noorden van het plangebied komen rijwoningen in vier volumes rondom een groene ruimte. In het zuiden van het plangebied komt een mix van vrijstaande woning en twee-onder-een-kapwoningen. Hier wordt een tweede groene ruimte gerealiseerd. Ook wordt hier de sloot uitgebreid.
 
De bouwhoogte van de beoogde woningen, één of twee bouwlagen met een kap, past bij de woningen in de omgeving. Ten oosten en westen van het plangebied komt een diversiteit aan woningen voor, bestaande uit woningen van één of twee bouwlagen met een kap en bungalows met een plat dak. Ook de woningdichtheid sluit aan bij de dichtheid zoals die in de omgeving aanwezig is.
 
Toegang tot het plangebied verloopt via de Elisabeth van Loonstraat. De erfontsluitingsweg loopt door het plangebied richting het zuiden. Aan de oostzijde van de weg worden enkele van de woningen direct ontsloten. De weg splitst op drie punten richting het westen. Hier worden de overige woningen ontsloten. Hier wordt ook een centrale parkeervoorziening voor de rijwegen beoogd. Voor de twee-onder-een-kapwoningen en de vrijstaande woningen wordt er op het perceel geparkeerd. Aan de westzijde van het plangebied komt een route voor langzaam verkeer (wandelen/fietsen). Ten zuiden van de ontsluitingsweg komt tevens een calamiteitenroute.
 
Voor de (huidige) fruitbomen aan de noordzijde van het plangebied, waar openbaar gebied (groen) voorzien is en waarmee het in beginsel mogelijk is om een deel van de fruitbomen te behouden, geldt dat de gemeente deze niet wenselijk vindt vanwege de onderhoudslasten. De initiatiefnemer gaat onderzoeken of toekomstige bewoners of eventueel personen buiten het projectgebied deze fruitbomen kunnen adopteren.
 
Verkeer en parkeren komt nader aan bod in paragraaf 5.1.
 
Beeldkwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is een (concept)beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld (Buro SRO, d.d. 22 april 2026, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Het BKP is opgesteld om richting te geven aan de verdere uitwerking. Het bestaat uit een beschrijving van de context waarin het plangebied is gelegen en richtlijnen voor de architectonische uitwerking van de nieuwe woningen en de inrichting van de openbare ruimte. Dit BKP wordt door de gemeenteraad van Hoeksche Waard als beleidsregel vastgesteld en vormt daarmee het toetsingskader voor de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit en voor de verdere planuitwerkingen.
 
Woonprogramma
Met de voorgenomen ontwikkeling worden 39 nieuwe woningen in het plangebied gerealiseerd, met een mix aan woningtypen. Het programma is ongeveer als volgt verdeeld: 
  • 12 sociale huurwoningen (artikel 5.161c, eerste lid, onder a van het Bkl);
  • 14 betaalbare koopwoningen (levensloopgeschikt);
  • 13 vrije sectorwoningen (vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen).
De betaalbare koopwoningen bestaan uit 14 breder opgezette levensloopgeschikte rijwoningen. De vrije sectorwoningen bestaan uit 5 vrijstaande woningen en 8 twee-onder-een-kapwoningen. 
 
4 Beleidskaders
4.1 Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.  
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
 
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang van het plan is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen.
 
4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
  1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden 39 woningen gerealiseerd. Derhalve dienen de ‘treden van de ladder’ doorlopen te worden.
 
Behoefte
Volgens de 'Woondeal Samenwerkende Regio's 2022-2030' heeft de regio een woningbouwopgave van 20.793 woningen tot 2030. Voor de gemeente Hoeksche Waard zelf is de woningbouwopgave tot 2030 5.577 woningen. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 39 woningen. Daarmee wordt bijgedragen aan de behoefte aan nieuwe woningen in de regio.
 
Bestaand stedelijk gebied
In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ De planlocatie is gelegen in de kern en heeft in de huidige situatie een agrarisch karakter. Het maakt in de huidige situatie geen onderdeel uit van het stedelijk gebied. Uit jurisprudentie van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat gronden met een agrarische bestemming in beginsel namelijk niet als stedelijk gebied aangemerkt kunnen worden. Wel bevindt het plangebied zich tussen de bestaande dorpsbebouwing van het stedelijk gebied. Daarmee is de locatie als passend te beoordelen.
 
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
4.2 Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland
De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 18 februari 2025. Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon 
  1. Samenwerken aan Zuid-Holland
  2. Bereikbaar Zuid‐Holland
  3. Schone energie voor iedereen
  4. Een welvarend Zuid‐Holland
  5. Naar vitale balans, water natuur en landbouw
  6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland
  7. Gezond en veilig Zuid‐Holland
Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’).
 
Gebiedsprofielen en ruimtelijke kwaliteit
Het landschap in de provincie Zuid-Holland is gevarieerd. Voor 16 deelgebieden zijn in 2014 gebiedsprofielen gemaakt als uitwerking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Deze gebiedsprofielen zijn samen met de regio ontwikkeld. Elk gebied heeft eigen gebiedskenmerken die mogelijk van provinciaal belang zijn.
 
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden op de juiste plek, zijn ze mogelijk onder voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft of versterkt wordt. Ruimtelijke kwaliteit is de optelsom van toekomstwaarden, gebruikswaarden en belevingswaarden. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook toekomstvast (duurzaam houdbaar of bewust tijdelijk) en aantrekkelijk. Ruimtelijke kwaliteit omvat niet alleen de waarden die objecten en gebieden hebben, maar ook de potentie om waarden tot ontwikkeling te brengen. Het zijn waarden die te maken hebben met eigenheid, identiteit, herkenbaarheid, leefbaarheid, bruikbaarheid en continuïteit.
 
De gebiedsidentiteit is de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Deze identiteit is ontstaan door eeuwenlange ingrepen in de ruimte. Daarbij is een aantal lagen te onderscheiden. De bodem, de ondergrond gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. Daarop ligt de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. In deze laag vind je het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut. Deze laag is gevormd door eeuwenlang (vaak agrarisch) gebruik door de mens. De derde laag die onderscheiden wordt is de laag van stedelijke occupatie, bestaand uit steden, dorpen en hun onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de beleving over identiteit, met als belangrijke dragers cultuurhistorie en (recreatieve) beleving.
 
Passende ruimtelijke ontwikkeling
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raakt deze aan provinciale doelen of belangen. Ook de bijzonderheid en kwetsbaarheid van de gebiedskwaliteit speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is.
 
De provincie maakt daarbij onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Hierbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een ontwikkeling aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die wel aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau in wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. En bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Voor ruimtelijke kwaliteit zijn drie beschermingscategorieën te onderkennen (zie ook paragraaf 6.2.2, Zuid-Hollandse Omgevingsverordening) met bijpassende gebiedstypen, waarbinnen geldt:  
  • Beschermingscategorie 1: alleen inpassen mogelijk (Graslanden Bollenstreek, Natuurnetwerk Nederland, Kroonjuweel Cultureel Erfgoed)
  • Beschermingscategorie 2: inpassen en aanpassen is mogelijk (Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied, Groene Buffers)
  • Beschermingscategorie 3: inpassen, aanpassen en transformeren is mogelijk (Buitengebied)  
Planspecifiek
Kwaliteitskaart
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.  
  1. Laag van de ondergrond
De ondergrond van het plangebied wordt in de kwaliteitskaart beschreven als 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei'. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De dynamiek van de estuariën is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen, geulen en de uiterwaarden langs de rivieren en voormalige zeearmen. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen van water en wind en de bijbehorende flora en fauna. Richtpunten in dit gebied zijn: Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. En: Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het stedelijke gebied van Mijnherenland is het niet te verwachten dat de belangen van het Rivierdeltacomplex aangetast worden.
 
Ook bestaat de ondergrond van het plangebied uit 'Bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. Bijzonder reliëf en aardkundige waarden zijn beperkt aanwezig, Zuid-Holland is relatief 'plat'. Binnen dit vlakke land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft de duinen en strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, oeverwallen langs rivieren, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken met archeologische en aardkundige waarden. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Op de Kwaliteitskaart zijn de genoemde aardkundige structuren met archeologische waarde globaal aangegeven. De richtpunten voor deze gebieden zijn: Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand en waar mogelijk beter beleefbaar. En: Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Met de beoogde ontwikkeling worden de patronen en het reliëf van het landschap niet aangetast. Uit het archeologisch onderzoek moet nog blijken of er archeologische waardevolle objecten in het plangebied aanwezig zijn. 
  1. Ruimtelijke kwaliteit van de cultuur- en natuurlandschappen
Het plangebied ligt in het gebied 'Zeekleipolders'. Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken.
Kenmerkende landschapselementen zijn bijvoorbeeld bomenrijen op dijken, weg- en erfbeplantingen, laaggelegen eeuwkanten (moerassig land langs binnenbedijkte kreken en geulen) en natte natuurlijke zones naast de kreken. De richtpunten in dit gebied bestaan uit:
  • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap.
  • Nieuwe bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen of wordt geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in het open middengebied van de polders.
  • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalige, open polder.
  • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur. 
Met de beoogde ontwikkeling wordt er nieuwe bebouwing toegevoegd binnen een bestaande kern. Hiermee wordt er aangesloten op het tweede richtpunt en wordt het karakter van de zeekleipolders niet aangetast.  
  1. Stedelijke occupatie
Het plangebied ligt volgens de kwaliteitskaart grotendeels binnen een dorp. Dorpen maken van oorsprong deel uit van de agrarische cultuurlandschappen. Vanuit hier werden de omliggende agrarische gronden ontgonnen en daarna vaak eeuwenlang bewerkt. Door de verschillende condities van de ondergrond en de natuurlijke omgeving in combinatie met de ligging in de netwerken ontstond een pallet aan dorpen met eigen kenmerken, karakter en kwaliteit. Een van de richtpunten voor dorpen is dat ontwikkelingen bijdragen aan de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp. Met de beoogde ontwikkeling wordt nog onbebouwd perceel in de kern van het dorp ontwikkeld tot hoogwaardig woongebied.
 
Het zuidelijke deel van het plangebied ligt volgens de laag stads- en dorpsranden binnen de dorpsrand. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. De stads- en dorpsranden van de provincie zijn plekken met bijzondere potentie voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het zijn overgangsplekken waar de contrasten tussen de stad en het buitengebied goed beleefd kunnen worden. In deze gebieden is nadrukkelijk aandacht nodig voor de doorgaande landschappelijke structuren, de recreatieve verbindingen tussen stad en land en het ontwerp en de inrichting van de stads- en dorpsrand zelf. Ontwikkelingen in deze randen vragen daarom om extra aandacht voor een zorgvuldige inpassing en een optimale ruimtelijke kwaliteit. Ontwikkelingen in stads- en dorpsranden moeten bijdragen aan een goede overgang maken tussen stad en buitengebied, met aandacht voor doorgaande landschappelijke structuren, toegankelijkheid, recreatieve verbindingen tussen stad en land en het ontwerp van de stads- en dorpsrand zelf. Het zuiden van het plangebied, dat in de dorpsrand ligt, bestaat uit een groen gebied met meerdere bomen. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande rand van het dorp in dit gebied.
 
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze ‘Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit’. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.
 
Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel Hoeksche Waard. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart.
 
- Kwaliteit in dorpsgebied
Naast de dijk- en voorstraatdorpen zijn enkele dorpen ontstaan op de oeverwallen van een rivierarm of kreek. Een typisch rivierrugdorp is Mijnsheerenland aan de noordoever van de Binnenmaas, terwijl Goudswaard en Strijensas op de oeverwal van een belangrijke kreek zijn gebouwd. Strijen, het oudste dorp van de Hoeksche Waard, is ontstaan op een Middeleeuwse terp.
De ruimtelijke opbouw van deze dorpen is minder generiek voor de Hoeksche Waard dan de dijkdorpen en voorstraatdorpen. De ruimtelijke opzet vertelt echter wel over de ontstaansgeschiedenis van de Hoeksche Waard. Een van de ambities in dit gebied in dat uitbreidingen zoveel mogelijk binnen bestaand bebouwd gebied worden gerealiseerd. Met de beoogde ontwikkeling is hier sprake van. een ander richtpunt is het behoud en de versterking van het historische centrum. Het plangebied ligt niet in of nabij het historische centrum van Hoeksche Waard.  
 
Tevens ligt het plangebied nabij een historische windmolens. Oriëntatiepunten, zoals kerktorens, historische windmolens en watertorens, zijn bepalend voor de identiteit en het karakter van het dorp en het eiland. Deze oriëntatiepunten zijn veelal historische gebouwen, zoals de historische windmolens van Goudswaard en Maasdam of de watertorens van Heinenoord en Strijen. Ook de hoge bebouwing, schoorsteen en silo’s van de Suikerfabriek bij Puttershoek zijn een belangrijk herkenningspunt. De oriëntatiepunten bepalen het dorpssilhouet en fungeren als oriëntatiepunten op het eiland. Zij kunnen ook een recreatieve waarde hebben. Het plangebied ligt op voldoende afstand van de molen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de historische waarden hiervan.
 
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. Er vindt geen verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit plaats. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland en in lijn is met de provinciale ambities.
      
4.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
Op 1 juli 2025 is de laatste versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Onder de volgende voorwaarden kan ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit worden voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:  
  1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
  3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling past bij de aard en schaal van de omgeving van het gebied en er geen wijzigingen op structuurniveau plaatsvinden. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 4.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten voldoet.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 7.45 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: 'Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving’. Eerder is ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking, waaruit bleek dat er wordt voldaan aan artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.45 van de Omgevingsverordening.
 
Molenbiotoop
In artikel 7.72 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: Een omgevingsplan voor een molenbiotoop als bedoeld artikel 7.71, eerste en tweede lid, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en neemt de volgende waarden in acht:  
  1. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen bebouwing of beplanting toegelaten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wieken,
  2. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:
In paragraaf 5.6 wordt de molenbiotoop beoordeeld. Hieruit blijkt dat de bouwhoogten passen binnen wat wordt toegelaten binnen de molenbiotoop.
 
Risico's van klimaatverandering
In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
  1. wateroverlast door overvloedige neerslag;
  2. overstroming
  3. hitte
  4. droogte
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
 
Wateroverlast
Uit de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat het plangebied redelijk gevoelig is voor overvloedige neerslag. Het plangebied is in de huidige situatie onverhard en lager gelegen dan de directe omgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied met het toebrengen van verharding enigszins opgehoogd. Op de onverharde delen van het plangebied is infiltratie mogelijk. Tevens zijn er rond het plangebied verschillende watergangen aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht.
  
Overstroming
De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de kaart 'Kans op een overstroming vanuit zee, meer of rivier' op de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in het plangebied een zeer kleine kans (3.000/30.000 per jaar) geldt.
 
Hitte
Volgens de klimaatatlas is de temperatuur in het plangebied in de huidige situatie vergelijkbaar met de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling neemt de verharding toe. Het is daardoor te verwachten dat hitte in het plangebied enigszins toeneemt. Wel wordt er meer water en bomen toegevoegd. Gelet op het voorgaande en op de ligging van het plangebied aan de rand van het stedelijk gebied, vormt het thema hitte geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Droogte
Op basis van de klimaatatlas kan gesteld worden dat er in het plangebied geen sprake is van problemen ten aanzien van droogte. Specifieke maatregelen met betrekking tot droogte worden niet nodig geacht. Op basis van de klimaatatlas is er sprake van een beperkte verwachting voor bodemdaling. Dit is in lijn met het omliggende gebied.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
 
4.3 Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard
In de Omgevingsvisie Hoeksche Waard (vastgesteld op 17 december 2019) beschrijft de gemeente haar gewenste koers. Dit doet de gemeente mede door het beschrijven van hun programmaplannen en met welke regels dit gaat gebeuren. Trends en ontwikkelingen zorgen ervoor dat de gemeente moet blijven werken om de Hoeksche Waard vitaal en leefbaar te houden. In de omgevingsvisie worden vijf maatschappelijke opgaven vragen specifiek beschreven. Dit noemt de gemeente de Hoeksche Werken. Daarbij gaat het om de volgende opgaven: 
  1. Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig;
Het tegengaan van klimaatverandering, aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, de energie- en warmtetransitie (aardgasloos) en een transitie naar een circulaire economie zijn randvoorwaarden voor het behoud van welzijn en welvaart van de inwoners. Een duurzame Hoeksche Waard vereist een transitie op economisch, sociaal, ruimtelijk en ecologisch gebied. 
  1. Vitaal economisch klimaat;
Als de gemeente niets doet vergrijst en ontgroent de Hoeksche Waard. Dit kan leiden tot het verdwijnen van voorzieningen en krapte op de arbeidsmarkt, waardoor vacatures steeds lastiger zijn in te vullen voor werkgevers. De sociale cohesie kan ook onder druk komen te staan: wie kan nog voor wie zorgen? De demografische ontwikkeling kan op termijn leiden tot een negatieve spiraal. Om jonge mensen en gezinnen te binden aan de Hoeksche Waard is het nodig om te investeren in aantrekkelijke woon-, werk- en verblijfsmilieus. 
  1. Bereikbaar, nabij en toegankelijk;
De Hoeksche Waard is sterk verweven met de regio. Elke dag gaan zo’n 25.000 Hoeksche Waarders van het eiland af om elders te gaan werken. Ook voor grotere voorzieningen zoals een ziekenhuis en een theater is de gemeente afhankelijk van het stedelijk gebied om zich heen. In omgekeerde richting reizen elke dag zo’n 12.500 mensen de Hoeksche Waard in om er te gaan werken. Goede verbindingen van het eiland met de omgeving – met auto, openbaar vervoer en de fiets – zijn van levensbelang. 
  1. Duurzame, innovatieve landbouw;
De Hoeksche Waard is van oudsher een top landbouwgebied, waar ondernemers inzetten op innovatie en kennisontwikkeling, agrobiodiversiteit en agrarisch natuurbeheer. De komende decennia komen enkele grote structurele veranderingsopgaven bij elkaar in het landelijk gebied. De productie van gezond en veilig voedsel, geproduceerd door een innovatieve en economisch krachtige agrarische sector is één van de grotere opgaven. Daarbij moet de voedselproductie nog meer in balans komen met gezondheid, klimaat, luchten waterkwaliteit, waterbeheer, biodiversiteit en kwaliteit van het landschap. 
  1. Vitale dorpen en actieve samenleving
Veel inwoners van de Hoeksche Waard ‘hebben het goed’. Ze hebben een baan, inkomen, sociale contacten, voelen zich gewaardeerd, geaccepteerd, weerbaar en beschermd. Voor een groep mensen is dat niet het geval. Tegen hun zin en vaak buiten hun macht worden ze geconfronteerd met problemen. In de Hoeksche Waard gaat het dan vooral om: kwetsbare ouderen, het opvoed- en opgroeiklimaat voor onze jeugd en jongeren en armoede. Als de trend zich doorzet, raakt als gevolg van de vergrijzing de verhouding tussen jongere en oudere huishoudens dusdanig uit balans dat het draagvlak voor basisvoorzieningen verder onder druk komt te staan. Steeds meer winkels en basisscholen zullen moeten sluiten. Positief is de voorzichtige trend van de instroom van jonge gezinnen die in de afgelopen jaren spontaan op gang is gekomen.
 
Planspecifiek 
De voorgenomen ontwikkeling van 39 woningen in een nog onbebouwd deel van het dorp past uitstekend binnen de omgevingsvisie van de gemeente Hoeksche Waard. De planlocatie maakt onderdeel uit van het deelgebied ‘Dorpse trots’. Dit deelgebied richt zich op het versterken van de dorpsidentiteit en het verbeteren van de vitaliteit en leefbaarheid van de dorpen, maar ook het versterken van de gemeenschapszin. Met de beoogde ontwikkeling wordt geïnvesteerd in de leefbaarheid van Mijnsheerenland en Hoeksche Waard als geheel. De woningen dragen bij aan een verbeterd woningaanbod. De locatie biedt een uitstekende kans om het woningenaantal uit te breiden zonder de grens van het dorp de verleggen.
 
Waterstructuren zijn de dragers van het landschap in de Hoeksche Waard. Deze waterstructuren zijn essentieel voor waterbeheer, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit; ze zijn onderdeel van de groenblauwe structuur van het gebied. Voor de dorpen in de Hoeksche Waard geldt nederzettingen historisch sterk verbonden zijn met water en dijken. Die zijn bepalend voor de ruimtelijke opbouw en identiteit van de dorpen. De vliet aan de westzijde van het plangebied is belangrijk voor de structuur en identiteit van Mijnsheerenland. Dit volgt ook uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hoeksche Waard 2020, waarin benoemd wordt dat waterstructuren een rol spelen als onderdeel van het landschappelijk systeem en als drager van doorzichten, verkaveling en structuur. De vliet, die geen onderdeel van het plangebied is, blijft behouden en wijzigt niet. De elzensingel langs de vliet blijft vrijwel volledig behouden. De huidige doorzichten en structuur van de vliet worden dan ook gerespecteerd.
 
Gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie van de gemeente Hoeksche Waard.
      
4.3.2 Regionale woonvisie 2030
In de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 staat de vitaliteit van de regio centraal. De vijf voormalige gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma opgesteld. De visie kwam tot stand in samenwerking met diverse partijen.
 
De komende jaren is er sprake van een toenemende vergrijzing van de bevolking. Op middellange termijn betekent dit dat het aantal huishoudens eerst nog toeneemt als gevolg van de gezinsverdunning die gepaard gaat met de vergrijzing. Om te kunnen voorzien in deze volkshuisvestelijke opgave moeten tussen 2015 tot 2025 circa 3.000 woningen gebouwd worden, verdeeld over de vijf voormalige gemeenten en hun onderliggende kernen. Om de regio vitaal te blijven houden zijn er drie opgave die een belangrijke rol spelen: 
  1. het realiseren van voldoende nieuwbouw om te kunnen voorzien in de toename van de reguliere woningbehoefte;
  2. het realiseren van nieuwbouw om extra instroom van gezinnen te kunnen faciliteren;
  3. een vergroting van het aantal voor (voor senioren) geschikte woningen.
Planspecifiek
In de woonvisie wordt beschreven dat er veel vraag is naar de nieuwbouw van woningen om de vitaliteit van de Hoeksche Waarde te kunnen verbeteren. In de woonvisie wordt benoemd dat, ondanks de bevolking op basis van demografie gaat dalen, neemt het aantal huishoudens tot 2030 nog toe met ruim 3.100 als gevolg van gezinsverdunning. Dat wil zeggen dat de bevolking over meer kleine (en oudere) huishoudens wordt verdeeld. Puur op basis van behoeften van de eigen inwoners moeten er de komende jaren dus nog zo’n 3.100 woningen gebouwd worden. Daarnaast is er sprake van een instroom aan bewoners van buiten de gemeente. Hiertoe verwacht de gemeente tot 2030 nog 1.000 woningen extra op te leveren. Met de beoogde ontwikkeling worden er 39 nieuwe woningen voor verschillende doelgroepen gerealiseerd. Daarmee kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de woonvisie van de gemeente Hoeksche Waard.
 
De initiatiefnemer heeft de Woonbalans van de gemeente Hoeksche Waard ingevuld en hieruit volgt een positieve uitkomst. De Woonbalans is als bijlage toegevoegd (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10).
 
5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
5.1 Verkeer en parkeren
 
5.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
Om de toename van het aantal verkeersbewegingen in beeld te brengen is CROW-publicatie 744 geraadpleegd. Met de beoogde ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Uitgegaan wordt van de gemiddelde kencijfers voor een ‘niet stedelijk’-woonmilieu in de ‘rest bebouwde kom’.
 
De navolgende tabel toont de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling. In totaal is er afgerond sprake van een verkeersgeneratie van 265 voertuigbewegingen in licht verkeer per etmaal.
 
CROW-categorie
Aantal
Verkeersgeneratie per woning
Totaal
Koop, huis, vrijstaand
5
8,2
41,0
Koop, huis, twee-onder-een-kap
8
7,8
62,4
Koop, huis, tussen/hoek
14
7,4
103,6
Huur, huis, sociale huur
12
4,8
57,6
Totaal
39
 
264,6
  
Deze toename kan naar verwachting goed opgevangen worden op de Elisabeth van Loonstraat en omliggende wegen. De Elisabeth van Loonstraat heeft in het gemeentelijk verkeersmodel een lage verkeersintensiteit en is geschikt voor een groter aantal verkeersbewegingen dan thans gebruik maakt van de weg. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
Basis voor de parkeernormering is de publicatie van het CROW ‘Toekomstbestendig parkeren van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381, december 2018). In deze publicatie zijn parkeercijfers opgenomen voor wonen, werken, winkelen, sport, cultuur en ontspanning, horeca en recreatie, gezondheidszorg, sociale voorzieningen en onderwijs. Deze CROW-richtlijn wordt landelijk gezien breed gedragen door gemeenten en projectontwikkelaars. Ook in de rechtspraak wordt deze publicatie vaak gebruikt. Daarnaast is door de gemeente gekozen voor de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in de stedelijke zone 'rest bebouwde kom'.
    
Planspecifiek
Voor het parkeren in het plangebied worden de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen' van 4 augustus 2021 aangehouden. Op de onderstaande afbeelding is de parkeerbehoefte berekend.
 
Berekening parkeerbehoefte (bron: Zeinstra Veerbeek Architecten)
    
De pareerbehoefte in de beoogde ontwikkeling bedraagt afgerond 82, waarvan 22 op eigen terrein (twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen). Zoals op de situatietekening in paragraaf 3.2 te zien is, worden de openbare parkeerplaatsen voorzien in de vorm van twee parkeerkoffers.
 
5.2 Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
 
De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
  
Planspecifiek
De beoogde woningen worden gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Indien de woningen worden voorzien van een buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking, dient voor de locatiebepaling van de installaties rekening te worden gehouden met de geluidseisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierbij dient aangetoond te worden dat kan worden voldaan aan de geluideisen.
 
Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
 
5.3 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • gebouw voor kinderopvang met bedden;
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
  
Planspecifiek
Een woning is een geluidsgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig gebouw dient aangetoond te worden dat het geluid op dat gebouw niet hoger niet hoger is dan de standaardwaarden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is daarom een onderzoek naar de waarde van het geluid vanwege wegverkeer uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 3 juli 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.
 
Resultaten
De hoogste waarde als gevolg van het verkeer over de gemeentewegen (inclusief planbijdrage) bedraagt maximaal 43 dB. De waarde van het geluid bedraagt nergens meer dan de standaardwaarde 53 dB. Derhalve kan gesteld worden dat de grenswaarde van 70 dB eveneens niet wordt overschreden.
 
Eis geluidwering
De hoogste waarde van het gezamenlijke geluid bedraagt maximaal 43 dB op de gevels. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning moet ten minste gelijk zijn aan het gezamenlijk geluid op de gevel verminderd met 33 dB. Volgens het Bbl moet de minimale karakteristieke geluidwering van de gevel 20 dB zijn. Wanneer het gezamenlijk geluid met 33 dB wordt verminderd, komt dit uit op 10 dB. Er zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig en er kan gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
 
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.4 Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.
 
Zones, waarden en afstanden
Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
 
Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
 
Gebiedstypen
In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan.
 
Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn. In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen.
 
Andere milieuthema’s dan geur en geluid
Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
  • Luchtverontreiniging.
  • Externe veiligheid en gevaar.
  • Trillinghinder.
  • Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
  • Lichthinder.
  • Spuitzones.
  • De hinder door verkeer aantrekkende werking. 
Planspecifiek
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient aangetoond te worden dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Het plangebied is gelegen tussen een park en de bestaande bebouwing. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd.
 
Ten zuidoosten van het plangebied is een tennisclub gevestigd, waar zich tennisbanen en padelbanen bevinden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen op een minimale afstand van 50 m van de tennisclub. De afstand van de beoogde woningen tot tennisbanen bedraagt minimaal 50 m, terwijl de minimale afstand tot padelbanen 90 m is. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden beoordeeld of ter plaatse van deze woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarbij de aspecten geluid en licht relevante aspecten zijn.
 
Volgens de VNG-publicatie uit 2024 geldt voor een tennisbaan (met verlichting) positie 2 voor geluid en functiemenging voor geur. Daarmee geldt voor dit geval de standaardwaarde van 50 dB op 50 m afstand. Voor twee padelbanen wordt op basis van de Handreiking Padel en Geluid van de Nederlandse Stichting Geluidshinder een richtafstand van 160 m gehanteerd. Hieraan wordt voor de beoogde woningen niet voldaan. Om aan te tonen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de tennisclub niet beperkt wordt in de mogelijkheden, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Kragten, d.d. 23 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12).  
Voor het inzichtelijk maken van de geluidimmissies vanwege de tennis- en padelbanen ter plaatse van de beoogde woningen is gebruik gemaakt van het door het geluidBuro uitgevoerde akoestisch onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de uitbreiding/wijziging van de tennisclub met de padelbanen.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het geluid (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus) ter plaatse van de beoogde woningen ten hoogste 47 dB(A) in zowel de dag- als avondperiode bedraagt. Dit betekent dat in de dagperiode wordt voldaan aan de geluidnorm van 50 dB(A) volgens het Omgevingsplan Hoeksche Waard. De geluidnorm voor de avondperiode (45 dB(A)) wordt op enkele punten (drie woningen), op 8 meter hoogte (tweede verdieping), overschreden. Met het voorliggende plan wordt ervoor gekozen de zuid- en oostgevels van de drie woningen, waar in de avondperiode een overschrijding van 1-2 dB is berekend, als niet-geluidgevoelige gevels uit te voeren, waarmee de toetsing op deze gevels vervalt.
Het maximale geluidniveau bedraagt ten hoogste 60 dB(A) in zowel de dag- als avondperiode. De geluidnormering uit het Omgevingsplan Hoeksche Waard wordt hiermee gerespecteerd.
Uit het voorgaande blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningen een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
 
Voorts is het aspect licht relevant bij tennis- en padelbanen. Voor de beoordeling van lichthinder wordt in het algemeen aangesloten bij de richtlijn van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde. Gelet op het dorpse karakter van de omgeving dient te worden uitgegaan van omgevingstype E2, waarvoor relatief strenge grenswaarden gelden. Dit betekent dat de verticale verlichtingssterkte op de gevel van woningen in de avondperiode in beginsel niet meer mag bedragen dan circa 5 lux en in de nachtperiode circa 1 tot 2 lux. Deze waarden worden in de planologische praktijk en jurisprudentie als richtinggevend beschouwd bij de beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder.
In de voorliggende situatie bedraagt de afstand tussen de sportbanen en de beoogde woningen minimaal 50 m. Hoewel voor lichthinder geen vaste richtafstanden gelden, volgt uit de aard van sportveldverlichting en de toepasselijke richtlijnen dat bij dergelijke afstanden, in combinatie met een zorgvuldig lichtontwerp, in beginsel kan worden voldaan aan de voornoemde grenswaarden. De afstand kan in dit geval als ruim worden aangemerkt, mede gelet op het feit dat lichthinder primair afhankelijk is van de lichttechnische uitvoering en niet uitsluitend van de afstand. 
Van belang is dat de tennis- en padelbanen zijn uitgerust met moderne LED-armaturen. Deze armaturen maken het mogelijk om het licht zeer gericht op het speelveld te projecteren, waarbij de uitstraling naar de omgeving tot een minimum wordt beperkt. Door toepassing van asymmetrische lichtbundels en full cut-off armaturen wordt opwaartse en zijdelingse lichtuitstraling sterk gereduceerd. In de lichttechnische praktijk is aangetoond dat met dergelijke systemen, mits correct afgesteld, kan worden voldaan aan de grenswaarden uit de NSVV-richtlijn, ook in een omgevingstype E2. Daarbij is het van belang dat de armaturen niet in de richting van de beoogde woningen (noord(west)zijde) zijn gericht, maar in westelijke en oostelijke richting. 
Daarnaast bevindt zich tussen de tennis- en padelbanen en de voorziene woningen een zone met volgroeide bomen en overige groenstructuren. Deze vegetatie heeft een aanvullende afschermende werking, doordat directe zichtlijnen op de lichtbronnen worden onderbroken en licht gedeeltelijk wordt geabsorbeerd en verstrooid. Dit leidt tot een verdere beperking van de lichtbelasting op de gevels van de woningen. Er moet wel de kanttekening gemaakt worden dat de bomen en het groen nauwelijks afschermende werking hebben in de periode dat ze niet bladhoudend zijn. De verwachting is daarentegen dat in die periode minder gebruikt gemaakt worden van de tennis- en padelbanen.
Gelet op de combinatie van de onderlinge afstand van 50 m, de toepassing van moderne, gericht instelbare LED-verlichting en de aanwezigheid van een afschermende groenstructuur, is het aannemelijk dat de lichtbelasting op de gevels van de nieuwe woningen binnen de voor omgevingstype E2 geldende richtwaarden blijft. Er zijn geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat sprake zal zijn van onaanvaardbare lichthinder.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect lichthinder. De ontwikkeling is in zoverre in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en ruimtelijk aanvaardbaar.
 
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt voor omliggende activiteiten en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 
 
5.5 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
 
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
  1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
  2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.  
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 39 woningen. Bij woningbouwontwikkelingen tot 3.000 woningen en met twee ontsluitingswegen is altijd sprake van een NIBM-project. Dit betekent dat beoogde ontwikkeling aan te merken is als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Verdere toetsing van het aspect luchtkwaliteit op grond van artikel 5.54 van het Bkl niet noodzakelijk.  
 
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied (receptor 73544086_15876706). De achtergrondconcentraties over 2023 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 14,8 μg/m³, 7,7 μg/m³ en 13,1 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
 
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.6 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal).
 
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
 
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
 
Planspecifiek
Archeologie
De gronden van het plangebied zijn in het bestemmingsplan 'Mijnsheerenland/Westmaas' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor deze gronden geldt een hoge verwachting en is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm -mv. Aangezien de vrijstellingsgrenzen met de beoogde ontwikkeling worden overschreden, is er een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, d.d. 3 juli 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3).
 
Uit het onderzoek blijkt dat er in een deel van het plangebied mogelijk archeologische resten aanwezig zijn. Op basis van het bureau- en veldonderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de geul- en oeverzone een hoge verwachting op resten uit de periode IJzertijd-Romeinse Tijd gehandhaafd geldt. Dit niveau wordt verwacht op een diepte tussen 105-150 cm -Mv (1,0 – 1,5 m -NAP). In de noordoosthoek van het plangebied geldt op basis van het onderzoek een lage verwachting.
 
Hoogstwaarschijnlijk reikt een groot deel van de ingrepen, zoals de bouw van de woningen inclusief funderingen, niet tot het archeologisch relevante niveau. Indien er in de hoge verwachtingszone ingrepen plaatsvinden die het archeologisch relevante niveau verstoren, wordt een vervolgonderzoek (karterende en eventueel waarderende fase) geadviseerd. Dit kan zowel middels een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) als een karterend booronderzoek.
 
In tegenstelling tot het advies van Transect is het advies van de gemeente Hoeksche Waard dat de hoge verwachting vooralsnog voor het hele plangebied geldt. Verder adviseert de gemeente dat nader archeologisch onderzoek nodig is in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek kan slechts worden uitgevoerd op basis van een door de gemeente Hoeksche Waard goedgekeurd Programma van Eisen (PvE, IVO-P). De door Transect voorgestelde optie voor nader onderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek acht de gemeente voor het onderhavig plangebied niet de meest geschikte onderzoeksmethode. Het nader onderzoek zal voorafgaand aan de werkzaamheden uitgevoerd worden.
 
Cultuurhistorie
Er zijn in het plangebied of de directe omgeving geen monumenten of anderszins cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Op een afstand van ca. 305 m ten oosten van het plangebied staat de rijks monumentale molen 'De goede Hoop'. In het bestemmingsplan 'Mijnsheerenland/Westmaas' is rondom deze molen de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen. Deze aanduiding ligt over een groot gedeelte van het plangebied. Voor het bouwen binnen deze gelden de volgende bouwregels: In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet hoger worden gebouwd dan: 
  1. binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;
  2. binnen een afstand van 100 m tot 400 m van de molen: de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.
De afstand tussen de molen en meest nabijgelegen woning uit het plan bedraagt ca. 330 m. De maximale bouwhoogte wordt dan 1/30 van 330, oftewel 11 meter. De bouwhoogte van de betreffende woningen wordt maximaal 11 meter. Hiermee wordt er voldaan aan de regels van de molenbiotoop.
 
Conclusie
Op basis van het archeologisch onderzoek wordt geadviseerd op het deel van het plangebied met een hoge verwachting een vervolgonderzoek uit te voeren (karterende en eventueel booronderzoek. Wanneer wordt verkozen voor een karteren (en eventueel waarderend) proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen noodzakelijk, die op voorhand door de bevoegde overheid (in deze de gemeente Hoeksche Waard) moet worden goedgekeurd. De noordoosthoek van plangebied wordt op basis van het onderzoek vrijgegeven van de hoge verwachting.
 
Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
5.7 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
  • Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
  • Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
 
Planspecifiek
Het beoogde woongebruik heeft een strenger beschermingsregime dan het voormalige agrarische gebruik. In dit kader is bodemonderzoek vereist. Naar aanleiding hiervan is bodemonderzoek uitgevoerd (ATKB, 20241644/rap01, d.d. 1 april 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Navolgend worden de conclusies van dit onderzoek beschouwd.
   
Uit het onderzoek komen de volgende conclusies naar voren: 
  • De bodem op de locatie bestaat tot de maximale boordiepte van 2,7 m-mv uit een laag klei en dan vanaf ca. 1,30-1,50 m-mv uit een veenlaag. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op ca. 0,60 m-mv. In de bodem ter plaatse van het pad zijn bijmengingen met slakken, puin en baksteen aangetroffen. Op het overige deel zijn (zeer) plaatselijk wat resten- baksteen, kolengruis en plastic aangetroffen
  • Op het maaiveld van zowel deellocatie Overig als deellocatie Pad is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het opgeboorde materiaal van deellocatie Pad is wel (een bijmenging met) bodemvreemd materiaal vastgesteld. Bodemvreemd materiaal (met name puin en ander sloopafval) kan duiden op aanwezigheid van asbest(verontreiniging). Op basis van het uitgevoerd verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 is vastgesteld dat er geen verdenking is op aanwezigheid van asbest(verontreiniging).
  • In de kleiige bovengrond (met en zonder bodemvreemde bijmenging) van zowel deellocatie Overig als deellocatie Pad zijn verhoogde gehalten aangetroffen van kwik, koper, nikkel, DDD, OCBs, DDE aangetoond. De interventiewaarden bodemkwaliteit wordt niet overschreden. De grond voldoet indicatief aan de kwaliteitseisen voor Industrie.
  • In de zintuigelijk schone ondergrond zijn geen overschrijdingen van de grenswaarden voor Landbouw/natuur vastgesteld.
  • In het grondwater zijn geen concentraties boven de signaleringsparameters gemeten. 
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde woongebruik. Omdat er geen interventiewaarde-overschrijdingen zijn aangetroffen, is de verwachting dat dit geen belemmering zal opleveren voor de beoogde nieuwbouw van woningen. Er is gebaseerd op het resultaat van het uitgevoerde onderzoek geen noodzaak tot het saneren van de locatie.
 
5.8 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties.
 
Kwetsbare gebouwen en locaties
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen.
 
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.
 
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties.
 
Risicobronnen
Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden.
Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd.
   
Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn.
 
Risicovolle activiteiten
Op ca. 530 m afstand in noordwestelijke richting is de meest nabijgelegen risicovolle activiteit aanwezig, waar opslag van propaan en propeen plaatsvindt. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de veiligheidszones van deze activiteit en gelet op de afstand vormt deze risicovolle activiteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Op een afstand van meer dan 10 km ten noordwesten en zuidoosten van het plangebied liggen de haven- en industriegebied van Rotterdam en Moerdijk.
   
Het plangebied ligt binnen vijf gifwolkaandachtsgebieden vanwege bedrijven in de industriegebieden. Daarbij moeten de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden beschouwd vanuit een gifwolkscenario. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen is het mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waarbinnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel weer tot voorbij de 1,5 km.
 
- Bestrijdbaarheid
Het plangebied is vanuit de zuidzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar Tevens is een tweede ontsluiting voor calamiteiten voorzien. Verdunning van de gifwolk door de hulpdiensten is principe mogelijk.
 
- Zelfredzaamheid
Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is medebepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval.
 
Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de woningen te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Dit is een verplichting vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.124 lid 4).
 
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.9 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
 
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
 
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
  • aanwezige dier- en plantensoorten;
  • typen natuurlijke habitats;
  • leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
 
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
 
Planspecifiek
In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd. Wel zal ten behoeve van de ontwikkeling een watergang worden uitgebreid en zal verspreid over het plangebied opgaand groen worden verwijderd, voornamelijk in de windsingel. Dit kan negatieve effecten voor beschermde soorten en gebieden met zich meebrengen. Derhalve is voor de planlocatie een quickscan natuur uitgevoerd (Blom Ecologie, 2024-1631, d.d. 28 februari 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek beschreven. 
 
Soortenbescherming
Uit de quickscan natuur van februari 2025 volgt dat het plangebied geschikt is voor beschermde soorten. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor vleermuizen, de ransuil en de buizerd. Verder dienen enkele algemene maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
 
In de periode mei-september 2025 is aanvullend onderzoek naar vleermuizen, de ransuil en de buizerd uitgevoerd (Blom Ecologie, 2025-0416, d.d. 24 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 13). Navolgend zijn de resultaten en conclusies per soort(groep) weergegeven.
 
- Vleermuizen
In de periode mei-september 2025 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek zijn twee verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld, in woningen buiten het plangebied. Deze zullen niet worden weggenomen of aangetast door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Het plangebied maakt onderdeel uit van het leefgebied van vleermuizen, maar er is geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. Wel is het belangrijk dat de planlocatie zijn functie behoudt als leefgebied (foerageergebied) voor vleermuizen. Hiertoe dient een Ecologisch Werkprotocol (EWP) te worden opgesteld. In dit EWP dienen maatregelen te worden opgenomen om het gebruik van verlichting tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie te vermijden of te beperken en om in de nieuwe situatie voldoende kwantiteit en kwaliteit inheems groen te behouden en/of te realiseren.
 
De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een schadelijke handeling als bedoeld in artikel 11.46 onder b (verstoren vleermuizen) en onder d (wegnemen verblijfplaatsen) van het Besluit activiteiten leefomgeving. Er hoeft ten aanzien van vleermuizen geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voorhanden te zijn alvorens de ontwikkelingen op de planlocatie kunnen plaatsvinden.
 
- Ransuil
In de periode maart-mei 2025 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de ransuil. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de telrichtlijnen van Sovon (2025), gebaseerd op Van Manen (2000). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nestlocatie of leefgebied van ransuil aanwezig is.
 
De beoogde ingreep leidt niet tot een schadelijke handeling als bedoeld in artikel 11.37 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving. Er hoeft ten aanzien van ransuil geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voorhanden te zijn alvorens de beoogde werkzaamheden op de planlocatie kunnen plaatsvinden.
 
- Buizerd
In de periode maart-mei 2025 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de buizerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument buizerd (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nest of essentieel leefgebied van buizerd aanwezig is.
 
De beoogde ingreep leidt niet tot een schadelijke handeling als bedoeld in artikel 11.37 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving. Er hoeft ten aanzien van buizerd geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voorhanden te zijn alvorens de beoogde werkzaamheden op de planlocatie kunnen plaatsvinden.
 
- Overige vogelsoorten
Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot vleermuizen, ransuil en buizerd. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten. Er zijn in totaal zes nesten van andere vogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied (ekster, groene specht en houtduif), waarvan er slechts twee actief waren. De ekster en de groene specht zijn cat. 5 vogelsoorten. Zowel het nest van ekster als het nest van groene specht zal worden behouden. Derhalve is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
 
Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om schadelijke handelingen te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
 
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied 'Oudeland van Strijen’ ligt op ca. 1,7 m afstand ten zuiden van het plangebied. Verder ligt het Natura 2000-gebied 'Oude Maas' op ca. 3,9 km afstand ten noorden van het plangebied. Dit betreffen niet-stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft 'Hollands Diep', op een afstand van ca. 9,3 km ten zuidoosten. Mogelijke effecten zijn op voorhand niet uit te sluiten. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 23 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6).
Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat voor geen van de fases de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
   
Houtopstanden
Met de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan houtopstanden die melding- of vergunningplichtig zijn. Ook hoeven er geen maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de specifieke zorgplicht. Tegenover de bomen die gekapt worden staat het planten van nieuwe bomen.
 
Conclusie
Gelet op het voorgaande zijn er vanuit de onderdelen soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden geen belemmeringen voor het voorliggende plan. Er dienen wel enkele maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor het behoud van de functie van de planlocatie als leefgebied (foerageergebied) voor vleermuizen dient een Ecologisch Werkprotocol (EWP) opgesteld te worden.
 
5.10 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
   
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
 
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Waterschap Hollandse Delta
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het waterschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. Het bestuur van het waterschap heeft gekozen voor een beleidsneutrale overgang van de Keur naar de waterschapsverordening. Dat betekent dat de waterschapsverordening qua vorm en inhoud voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet, terwijl de veranderingen ten opzichte van de oude regels inhoudelijk beperkt zijn. Hiervoor is gekozen om de continuïteit en daarmee de betrouwbaarheid van de regels in de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel te kunnen garanderen.
  
Watercompensatie
Binnen het stedelijk gebied worden afspraken gemaakt tussen de gemeente en het waterschap over waar en hoe watertekorten worden opgelost. Omdat stedelijke wateropgaven veelal complex zijn om op te lossen en er binnen postzegelplannen kleiner dan 500 m² veelal geen water te vinden is worden deze postzegelplannen vrijgesteld van compensatie. Binnen het landelijk gebied is deze problematiek anders van aard. Buien zijn heftiger van aard maar het regent minder vaak, de winters worden gemiddeld natter en de extreme neerslaghoeveelheden nemen toe, gelijktijdig is er veel open land waardoor de neerslag vertraagd wordt afgevoerd naar het watersysteem. Vanwege deze vertraagde afvoer en veelal lagere bui-intensiteit kunnen verharde oppervlakken tot 1.500 m² worden vrijgesteld van compensatieplicht.
  
Planspecifiek
Watercompensatie
Conform de eisen van het Waterschap Hollandse Delta dient een toename aan verharding gecompenseerd te worden wanneer de toename betrekking heeft op meer dan 500 m² grondoppervlakte. In de huidige situatie is de planlocatie volledig onverhard. Als gevolg van de betreffende ontwikkeling neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie met meer dan 500 m² toe. Zeinstra Veerbeek Architecten heeft een berekening van het verharde oppervlak gemaakt (Zeinstra Veerbeek Architecten, 0736, d.d. 22 april 2026, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11). Hieruit volgt dat het verharde oppervlak 8.522 m² zal bedragen. Bij een compensatie-eis van 14% dient 1.193 m² extra wateroppervlak aangelegd te worden. Het plan bevat 1.200 m² aan extra wateroppervlak, dat bestaat uit de verbreding van de watergang aan de oostzijde en de waterpartij ('vijver') die aangelegd wordt en in verbinding staat met de watergang aan de westzijde. Derhalve wordt voldoende extra wateroppervlak aangelegd.
 
Voor het versneld afvoeren van water en het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen is een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit nodig. Het plan is op dit punt (op hoofdlijnen) voorgelegd aan het waterschap.
    
Waterkeringen
Werkzaamheden in (beschermingszones van) waterkeringen zijn niet zonder meer toegestaan. Daarom is met de Legger waterkeringen inzichtelijk gemaakt of (beschermingszones van) waterkeringen tot in het plangebied reiken. In het zuidwesten van het plangebied is een waterkering (en een gemaal) aanwezig. In het bestemmingsplan 'Mijnsheerenland/Westmaas' geldt hier een dubbelbestemming. Ook in het voorliggende plan is een dergelijke regeling aan de beschermingszone van de waterkering toegekend.
 
Waterberging
In het zuidelijke deel van het plangebied is in de huidige situatie sprake van wateroverlast. Daarnaast gaat het plan gepaard met een significante verhardingstoename. Om de huidige wateroverlast te beperken en de verhardingstoename te compenseren wordt extra wateroppervlak aangelegd. Daarnaast worden de parkeerplaatsen met waterdoorlatende verharding aangelegd.
 
Oppervlaktewater
De watergang ten westen van het plangebied is een hoofdwatergang. De nieuw aan te leggen waterpartij ('vijver') worden hiermee verbonden. De watergang aan de oostzijde wordt verbreed. Er wordt geen oppervlaktewater gedempt. Het verbreden van de watergang en aanleg van de waterpartij wordt gedaan ten compensatie van het toevoegen van verharding en komt de inrichting van het plangebied ten goede.  
   
Waterafvoer
Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maa vanaf de woonpercelen en openbare ruimte, indien mogelijk, geïnfiltreerd in de bodem en afgevoerd naar de omliggende watergangen en de nieuwe waterpartij ('vijver') die in het plangebied wordt aangelegd. Het afvalwater zal worden aangesloten op het gemeentelijke rioolsysteem.
 
Conclusie
Voor de werkzaamheden is een vergunning van het waterschap vereist.
 
5.11 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (MER) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een MER is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (MER) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
 
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
 
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een mer-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een mer-beoordelingsplicht.
 
Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen. 
  • Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.
  • Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.  
De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
 
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
  1. de kenmerken van het project;
  2. de plaats van het project;
  3. de kenmerken van de potentiële effecten.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van 39 woningen. Daarmee is onderhavig plan aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:
 
Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:
  1. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
  2. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro SRO, d.d. 15 juli 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). In de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat het project niet gepaard gaat met activiteiten die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Ook uit de getoetste milieuaspecten blijkt dat er op deze onderdelen geen belangrijke milieugevolgen optreden dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen kunnen worden beperkt. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal dan ook niet leiden tot een andere conclusie en is niet benodigd voor deze ontwikkeling. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldnotitie een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.
 
6 Juridische aspecten
6.1 Algemeen
Voor onderhavig plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
   
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan.
 
6.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
 
6.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
 
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
 
In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:  
  • toepassingsbereik;
  • functieomschrijving;
  • beoordelingsregels bouwactiviteiten;
  • beoordelingsregels gebruiksactiviteiten;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Hoeksche Waard. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden.
 
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Artikel 1 Toepassingsbereik
Dit artikel regelt het toepassingsbereik van onderhavig TAM-omgevingsplan
 
Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De begrippen die reeds opgenomen zijn in Bijlage I van het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard en in de Omgevingswet en AMvB's zijn hierin niet meegenomen.
 
Artikel 3 aanvullende begripsbepalingen 
In dit artikel staan de aanvullende bepalingen die op dit hoofdstuk van toepassing zijn.
 
Artikel 4 Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de gebruikelijke meetbepalingen in de gemeente Hoeksche Waard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
    
Artikel 5 Aanvraagvereisten
In dit artikel wordt beschreven welke aanvraagvereisten van toepassing zijn bij een aanvraag omgevingsvergunning.
 
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Met dit artikel wordt al het gebruik anders dan wat onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk maakt uitgesloten.
 
Hoofdstuk 2: Functies en activiteiten
Artikel 7 Groen
De functie 'Groen' is toegekend aan de groenvoorzieningen in het plangebied en de belangrijkste groenstructuren in het binnengebied. Een belangrijk deel hiervan zijn de taluds rondom de watergangen. Naast groen zijn water, speelvoorzieningen (met uitzondering van de zone waar dat op de verbeelding is aangegeven), nutsvoorzieningen en voet- en fietspaden mogelijk. Binnen de functie 'Groen' mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar wel bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
 
Artikel 8 Tuin
De functie 'Tuin' betreft in principe, niet openbare gronden (deze hebben veelal de bestemming groen), die 'Tuin' zijn in de gebruikelijke betekenis van het woord en die dat dienen te blijven. Op gronden met deze functie zijn alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan tenzij een bouwaanduiding bijgebouw is opgenomen. Binnen het aanduidingsvlak zijn de oorspronkelijke bijgebouwen toegestaan.
 
Artikel 9 Verkeer
De functie 'Verkeer' is toegekend aan de beoogde wegen, parkeervoorzieningen en enkele overige delen van het openbaar gebied. In de functie ‘Verkeer’ mogen uitsluitend nutsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd.
 
Artikel 10 Water
In het zuidwesten van het plangebied wordt een waterpartij gerealiseerd als verbreding van de hoofdwatergang ten westen van het plangebied. Enkel deze waterpartij is voorzien van de functie 'Water'. Verder zijn binnen deze functie oevers en oeverbeschoeiing toegestaan.
  
Artikel 11 Wonen
De beoogde woningen in het plangebied zijn voorzien van de functie ‘Wonen’. Om de locatie van de woningen vast te leggen is een bouwvlak opgenomen. In de bouwvlakken bij de aaneengebouwde woningen (rij- en hoekwoningen) is aangegeven hoeveel woningen er zijn toegestaan (in totaal 26 aaneengebouwde woningen). Voor de bouwvlakken bij de vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen geldt dat het woningaantal (13) in de regels gemaximeerd is. In de beoordelingsregels zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de maximale goot- en bouwhoogte.
 
De verplichting tot het uitvoeren van de zuid- en oostgevels als niet-geluidgevoelige gevel op de derde bouwlaag bij drie woningen is als voorwaardelijke verplichting in artikel 11.4.3 opgenomen (zie ook paragraaf 5.4).
   
Artikel 12 Waarde - Archeologie
Ter bescherming van de archeologische waarden is voor de gronden waarvoor een hoge archeologische verwachting blijft gelden deze functie opgenomen. Hiermee worden werkzaamheden en bouwwerken vergunningsplichtig gemaakt. 
 
Artikel 13 Waterstaat - Waterkering
Voor het behoud van de waterkering van de grotere waterlopen in het plangebied geldt dat in onderhavig TAM-omgevingsplan hiervoor een beschermende regeling is opgenomen. In principe mogen alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd, mits wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte. Voor het realiseren van gebouwen is een ontheffingsbevoegdheid opgenomen waarbij vooraf instemming van de waterbeheerder noodzakelijk is. Tevens is een aanlegvergunningstelsel opgenomen om de waterkering te beschermen tegen de verschillende werken en werkzaamheden.
 
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Artikel 14 Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
   
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn algemene aanduidingen opgenomen. In dit plan is enkel de algemene aanduiding voor de molenbiotoop van de molen aan de Molenstraat opgenomen.
 
Artikel 16 parkeren
Dit artikel bevat regels voor over parkeren omtrent het bouwen, het uitbreiden of wijzigen van gebouwen en het uitbreiden of wijzigen van de functie van gebouwen of gronden.
 
Artikel 17 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
In dit artikel is een verwijzing gemaakt naar het beeldkwaliteitsplan, dat als beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet vastgesteld zal worden en het kader voor uiterlijk van bouwwerken zal vormen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (omgevingsplan) wordt getoetst aan het beeldkwaliteitsplan. In dit kader zal de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit om advies gevraagd worden.
 
Artikel 18 Regels over de groeninrichting
Dit artikel bevat een verwijzing naar de memo 'Uitgangspunten groeninrichting projectgebied'. De groeninrichting van het openbaar gebied, dat voor wat betreft de reikwijdte van de regel bestaat uit de functiegebieden 'Groen' en 'Verkeer', moet voldoen aan de uitgangspunten die in de memo opgenomen zijn. Dit gaat over algemene uitgangspunten voor de nieuwe beplanting en (het behoud van) de huidige bomen, maar ook over specifieke delen van het plangebied als de westelijke elzensingel, de afscherming van de parkeerkoffer en de bomen in de noordoostelijke boomgaard. Alleen de uitgangspunten in de memo waaraan de kwalificatie ‘P’ is toegekend hebben een publiekrechtelijke aard en worden geborgd met de regel van artikel 18.
In de regel is een termijn opgenomen waarbinnen de groeninrichting gerealiseerd moet zijn. Hiermee wordt rekening gehouden wordt met een gefaseerde ontwikkeling van het woongebied en de tijd die nodig is voor het aanleggen van de groeninrichting (bijvoorbeeld invloed van seizoenen), maar wordt ook rechtszekerheid aan de omgeving geboden. De termijn waarbinnen de groeninrichting gerealiseerd moet zijn is binnen 2 jaar na het onherroepelijk van de omgevingsvergunning voor de bouw van de laatste van de beoogde 39 woningen, als ijkpunt voor wanneer de afronding van woongebied nadert. Om rechtszekerheid te bieden aan de omgeving in het geval dat een gefaseerde ontwikkeling van het woongebied stokt en de omgevingsvergunning voor de laatste woning niet aangevraagd/verleend wordt, is als alternatieve termijn 5 jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan opgenomen. Tot slot is in de regel opgenomen dat de beoogde groeninrichting ook in stand gehouden moet worden.
  
Voor de erf- en terreinafscheiding van de woonpercelen die aan de oostzijde van het plangebied liggen (zie onderdeel 6 van de memo) is in artikel 11.4.3 een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 2’ moet een erf- en terreinafscheiding in combinatie met groen/beplanting gerealiseerd en in stand gehouden worden die voldoet aan de uitgangspunten uit de memo 'Uitgangspunten groeninrichting projectgebied'. De toetsing aan de regel is op het niveau van een bouwperceel (per woning). Daarmee kan per woning gehandhaafd worden op de realisatie en instandhouding van de benodigde groene erf- en terreinafscheiding. De termijn waarbinnen dit gerealiseerd moet zijn is 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning op het betreffende bouwperceel.
 
7 Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
 
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
 
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
 
Planspecifiek
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
 
8 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 39 woningen. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Wel dient nader onderzoek naar beschermde soorten en archeologie plaats te vinden. Daarnaast wordt de ontwikkeling stedenbouwkundig zorgvuldig ingepast. Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.