Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1963.TAM22kEvLMHL-VG01

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie 'Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22k) van het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening omgevingswet.overheid.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op omgevingswet.overheid.nl beschikbaar gestelde 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland' weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22k van het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard. In de artikelkop van de in het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland' weergegeven artikelen moet na het woord 'artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22k.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland' weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22k.’ gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
Artikel 1 Toepassingsbereik
  1. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c, is niet van toepassing;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  3. De regels in dit hoofdstuk (22k) zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1963.TAM22kEvLMHL-VG01 zoals vastgelegd op omgevingswet.overheid.nl.
Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen
De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij daarvan in dit hoofdstuk is afgeweken.
 
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
In aanvulling op artikel 2 gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:
 
3.1 plan:
het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland' met identificatienummer NL.IMRO.1963.TAM22kEvLMHL-VG01 van de Gemeente Hoeksche Waard.
 
3.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard.
 
3.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee locaties zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze locaties.
 
3.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
3.5 aaneengebouwde woning:
een woning die deel uitmaakt van een aaneengebouwde rij van woningen.
 
3.6 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
3.7 beroep- of bedrijfsactiviteiten aan huis:
beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend.
 
3.8 bestaand:
  1. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het hoofdstuk bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een vergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  2. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het hoofdstuk bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.
3.9 bevoegd gezag:
het college van burgemeester en wethouders.
 
3.10 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
3.11 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
3.12 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
 
3.13 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.
 
3.14 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee locaties zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
3.15 eerste bouwlaag:
de bouwlaag op de begane grond.
 
3.16 huishouden
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.
 
3.17 nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
 
3.18 peil:
  1. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
3.19 twee-aaneen gebouwde woning:
een woning waarvan het hoofdgebouw een architectonisch geheel vormt met het hoofdgebouw van één andere woning.
 
3.20 voorgevel:
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
 
3.21 vrijstaande woning:
een woning waarvan het hoofdgebouw niet grenst aan een ander hoofdgebouw.
 
3.22 wonen:
activiteit inhoudende de bewoning van een woning.
 
3.23 woning:
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover hiervan niet is afgeweken in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:
 
4.1 afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens:
tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
 
4.2 bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
4.3 dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
4.4 goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
 
4.5 horizontale diepte van een gebouw:
de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd;
 
4.6 inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
4.7 oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
4.8 oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping;
 
4.9 overschrijding van de bouw- c.q. functiegrenzen:
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, technische installaties, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen niet meer dan 0,75 m bedraagt;
 
4.10 verticale diepte van een ondergronds bouwwerk:
van het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.
 
Artikel 5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
 
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
 
2 Bestemmingsregels
Artikel 7 Groen
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:  
  1. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  2. paden, inritten, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening uitgesloten' geen speelvoorzieningen toegestaan zijn;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - calamiteitenroute' een calamiteitenroute;
met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen.
 
7.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
7.3.1 Algemeen
Op deze locaties mogen ten behoeve van de functies als bedoeld in artikel 7.2 uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
 
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen waarbij de verticale bouwdiepte van een (ondergronds) bouwwerk niet meer dan 3 m mag bedragen;
  2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan: 
    1. speeltoestellen: 5 m;
    2. lichtmasten: 6 m;
    3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening uitgesloten' mogen geen speeltoestellen gebouwd worden.
Artikel 8 Tuin
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Tuin'.
 
8.2 Functieomschrijving
Een als 'Tuin' aangewezen locatie heeft de volgende functies:  
  1. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
  2. paden;
  3. water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
 
8.3.1 Algemeen
Op deze locaties mogen ten behoeve van de functies als bedoeld in artikel 8.2 uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
 
8.3.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde in artikel 8.3.1 mogen gebouwen in de vorm van erkers bij de hoofdgebouwen van de op de aangrenzende gronden gelegen woningen gebouwd worden, mits: 
  1. de horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt;
  2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2 m bedraagt;
  3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen een gevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt;
  4. de bouwhoogte maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m bedraagt.
8.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 m.
Artikel 9 Verkeer
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Verkeer'.
 
9.2 Functieomschrijving
Een als 'Verkeer' aangewezen locatie heeft de volgende functies:  
  1. wegen, straten, pleinen, wandel- en fietspaden met een functie gericht op verblijf;
  2. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  3. nutsvoorzieningen;
  4. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
9.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
9.3.1 Gebouwen
Op deze locaties mogen ten behoeve van de functies als bedoeld in artikel 9.2 uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 
 
9.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen waarbij de verticale bouwdiepte van een (ondergronds) bouwwerk maximaal 3 m mag bedragen;
  2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan: 
    1. bouwwerken voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer: 6 m;
    2. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m.
Artikel 10 Water
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Water'.
 
10.2 Functieomschrijving
Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies:  
  1. wateraanvoer, waterafvoer en waterberging;
met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder duikers, bruggen, dammen en oeverbeschoeiingen.
 
10.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
10.3.1 Algemeen
Op deze locaties mogen ten behoeve van de functies als bedoeld in artikel 10.2 uitsluitend keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers en bruggen worden gebouwd.
 
Artikel 11 Wonen
11.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.
 
11.2 Functieomschrijving
Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:  
  1. wonen;
met daaraan ondergeschikt:
  1. beroep- of bedrijfsactiviteiten aan huis overeenkomstige het bepaalde in artikel 11.4.2;
met de daarbij behorende;
  1. groenvoorzieningen;
  2. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  3. nutsvoorzieningen;
  4. ontsluitingswegen;
  5. paden en verhardingen; 
  6. parkeervoorzieningen;
  7. tuinen en erven.
11.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
11.3.1 Algemeen
Op deze locaties mogen ten behoeve van de functies als bedoeld in artikel 11.2 uitsluitend worden gebouwd:
  1. hoofdgebouwen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  3. bijbehorende bouwwerken.
11.3.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de aanduiding bouwvlak worden gebouwd;
  2. de volgende woningtypen mogen worden gebouwd:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': vrijstaande woningen;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen': twee-aaneen gebouwde woningen;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd': aaneengebouwde woningen;
  3. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  4. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ mag het aantal woningen niet meer bedragen dan is aangegeven;
  6. het aantal vrijstaande woningen en twee-aaneen gebouwde woningen mag gezamenlijk niet meer bedragen dan 13.  
11.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
11.4 Specifieke functieregels gebruik
11.4.1 Wonen
  1. In één woning woont slechts één huishouden.
  2. Voor de toepassing van deze regels geldt als één huishouden ook:
    1. een eigenaar die als hoofdbewoner kamers verhuurt aan maximaal twee personen; en
    2. een huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.
11.4.2 Beroep- of bedrijfsactiviteiten aan huis
Een beroep- of bedrijfsactiviteit aan huis is toegestaan, indien voldaan wordt aan de volgende regels: 
  1. een beroep- of bedrijfsactiviteit aan huis wordt door de bewoner zelf uitgeoefend;
  2. de oppervlakte waarop de beroep- of bedrijfsactiviteit aan huis wordt uitgeoefend, is ten hoogste 50 m² of ten hoogste 30% van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken;
  3. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving; en
  4. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte overeenkomstig de beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen.
11.4.3 Voorwaardelijke verplichting
  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.2 sub a is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' uitsluitend toegestaan, indien de oost- en zuidgevels van de woningen op de derde bouwlaag uitgevoerd en in stand gehouden wordt als niet-geluidgevoelige gevel.
  2. Het gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.2 sub a op een bouwperceel met (gedeeltelijk) de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' is uitsluitend toegestaan, indien ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 11.3.2 een erf- en terreinafscheiding met beplanting wordt opgericht die voldoet aan de als bijlage bij dit hoofdstuk gevoegde memo 'Uitgangspunten groeninrichting projectgebied' (onderdeel 6) en die in stand gehouden wordt.
Artikel 12 Waarde - Archeologie
12.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie'.
 
12.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede de volgende functie:
  1. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
 
12.3.1 Regels over het uitvoeren van werken of werkzaamheden
Ter plaatse van de in artikel 12.1 bedoelde locaties is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:  
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen van oude funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  3. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  4. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  5. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  6. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  7. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.  
12.3.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 12 lid 3.1 is niet van toepassing indien de werken of werkzaamheden: 
  1. zien op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. worden uitgevoerd ten behoeve van een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m²;
  3. worden uitgevoerd ten behoeve van een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 105 cm beneden maaiveld;
  4. worden uitgevoerd ten behoeve van een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
12.3.3 Aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12 lid 3.1 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
12.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 12 lid 3.1 wordt slechts verleend indien en voor zover: 
  1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  2. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden:
    1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek);
    3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ);
    4. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse voor de Archeologie in acht worden genomen;
  3. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies.
Artikel 13 Waterstaat - Waterkering
13.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waterstaat - Waterkering'.
 
13.2 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden hebben, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede de volgende functie:
  1. de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals duikers, keerwanden en merktekens.
13.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
13.3.1 Algemeen
Op deze locaties mogen ten behoeve van de functies als bedoeld in artikel 13.2 uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
 
13.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
13.3.3 Afwijking
In afwijking van het bepaalde in artikel 13.3.1 kan een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende functie(s) toch worden verleend, mits advies is verkregen van de beheerder van de waterkering. 
 
13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
 
13.4.1 Regels over het uitvoeren van werken of werkzaamheden
Ter plaatse van de in artikel 13.1 bedoelde locaties is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:  
  1. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  2. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
  4. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.
13.4.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 13.4.1 is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden:
  1. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  2. op het moment van het van kracht worden van het hoofdstuk in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
13.4.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 13.4.1 wordt slechts verleend indien advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.
 
3 Algemene regels
Artikel 14 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
15.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop
 
15.1.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
 
15.1.2 Functieomschrijving
Ter plaatse van de aanduidingen 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden, aanvullend op de andere daar voorkomende functie(s), nadere regels voor het beschermen van de functie van de molen als werktuig en van de waarde als landschapsbepalend element.
 
15.1.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
In afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 2 mag niet hoger worden gebouwd dan: 
  1. binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;
  2. binnen een afstand van 100 m tot 400 m van de molen: de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.
15.1.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grotere bouwhoogte
Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van het bepaalde in artikel 15.1.3, toch een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen overeenkomstig het bepaalde in de andere daar voorkomende functie(s), mits advies is verkregen van de beheerder van de molen.
 
Artikel 16 Parkeren
 
16.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, het uitbreiden of wijzigen van gebouwen en het uitbreiden of wijzigen van de functie van gebouwen of gronden.
 
16.2 Parkeergelegenheid
Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Onder voldoende parkeergelegenheid wordt verstaan datgene dat is vastgelegd in de ‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’ of diens rechtsopvolger(s).
 
16.3 Maatwerk- en vergunningsvoorschrift
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.2 voor zover naar het oordeel van burgemeester en wethouders:
  1. op andere wijze in voldoende parkeer- of stallinggelegenheid wordt voorzien; of
  2. het voldoen aan artikel 16.2 door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
Artikel 17 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
Voor het bouwen van een bouwwerk geldt dat voor wat betreft het uiterlijk van het bouwwerk voldaan wordt aan de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Elisabeth van Loonstraat Mijnsheerenland'.
 
Artikel 18 Regels over de groeninrichting
Het gebruik van gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.2 en artikel 9.2 wordt als een activiteit in strijd met het omgevingsplan aangemerkt, indien de groeninrichting niet overeenkomt met de uitgangspunten in de als bijlage bij dit hoofdstuk gevoegde memo 'Uitgangspunten groeninrichting projectgebied' of deze groeninrichting niet in stand wordt gehouden:
  1. binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 11.3.2 voor de laatste woning; of
  2. binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan.