| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a SpijkseKweldijk35-35a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1960.TAM22aSpijkseKw35-VSG1 |
Aan de Spijkse Kweldijk 35 was voorheen een hondenkennelbedrijf gevestigd. Het bedrijf is niet meer actief, de bijbehorende bedrijfswoning is nog wel aanwezig met daarnaast een tweede woning (nr. 35a) die als mantelzorgwoning is gerealiseerd en nog wordt bewoond. De initiatiefnemer heeft het voornemen om de locatie te ontwikkelen tot woonlocatie. De huidige bedrijfswoning wordt gesloopt en op het perceel wordt een nieuwe vrijstaande burgerwoning gerealiseerd. Van toekomstige bedrijfsvoering is geen sprake meer. De woning Spijkse Kweldijk 35a krijgt een zelfstandige woonbestemming.
In augustus 2022 heeft het college besloten om in principe medewerking te verlenen aan dit verzoek. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente West Betuwe dat sinds de invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 van kracht is (voorheen: het bestemmingsplan), maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties conform de Omgevingswet.
Het plangebied ligt aan de Spijkse Kweldijk 35-35a in het buitengebied van Spijk, gemeente West Betuwe. Het betreft de percelen kadastraal bekend onder de nummers VRN00-O-480 en VRN00-O-481. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
De ligging van het plangebied (oranje stip) in de omgeving (bron: openstraatmaps.nl)
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt het plan inhoudelijk op haalbaarheid getoetst op grond van het geldende beleid en Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overleg en zienswijzen zijn opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Aan de Spijkse Kweldijk 35 was een hondenkennelbedrijf gevestigd. Het bedrijf is al enige tijd geleden beëindigd en op het terrein zijn nagenoeg alle bedrijfsgebouwen, waaronder de hondenkennels, inmiddels gesaneerd. Vooraan op het erf staat een dubbele woning: in het verleden is, met goedkeuring van de gemeente, een mantelzorgwoning naast de bedrijfswoning gebouwd. Deze voormalige mantelzorgwoning wordt nog steeds bewoond.
De woningen worden elk via een eigen inrit ontsloten op de Spijkse Kweldijk.
Luchtfoto van de locatie (bron: Google Maps)
Aanzicht vanaf de Spijkse Kweldijk op de bedrijfswoning (rechts) en de voormalige mantelzorgwoning (links). Het gebouw links voor de mantelzorgwoning
is een vroegere groepsschuilplaats dat onderdeel uitmaakte van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (bron afbeelding: Buro SRO)
Nieuwe Hollandse Waterlinie
Aan de oostkant van het perceel (nr. 35a) staat een verdedigingswerk van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit bouwwerk van beton moest dienst gaan doen als groepsschuilplaats (type p) en kon onderdak en bescherming bieden aan 10-12 militairen. Kenmerkend voor de verdedigingswerken van dit type is het conische torentje bovenop dat bedoeld is voor een periscoop. Door de vorm worden ze ook wel de 'piramides in de polder' genoemd. Verdedigingswerken zoals deze zijn in grote getalen aanwezig langs de grenzen van de linie en zijn rond 1939-1940 in hoog tempo gebouwd. Ze zijn echter nooit operationeel geweest.
In de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn ca. 570 groepsschuilplaatsen gebouwd, het merendeel (ca. 400) bestaat nog. Ook in directe omgeving van het plangebied staan nog meerdere van dit type verdedigingswerken, onder meer net ten zuiden van het perceel en aan de overzijde van de Spijkse Kweldijk. De groepsschuilplaats in het plangebied is belangrijk voor vleermuizen
Aanzicht vanaf de Spijkse Kweldijk op het verdedigingswerk binnen het plangebied (bron afbeelding: Buro SRO)
Inmiddels zijn alle oude hondenkennels gesloopt. Het plan is om ook de bestaande bedrijfswoning te slopen en hiervoor in de plaats op hetzelfde perceel een nieuwe woning te bouwen. De voormalige mantelzorgwoning blijft behouden en krijgt een zelfstandige woonbestemming.
Voor de toekomstige inrichting van het plangebied is een schetsontwerp gemaakt. Uitgangspunt voor het ontwerp is het 'wonen op een erf'. Deze tekening is ook opgenomen in Bijlage 2 Landschappelijke inpassing.
Uitsnede van het schetsontwerp van de toekomstige situatie van het plangebied (bron: Buro SRO).
In het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de elementen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De zichtlijnen vanaf de openbare weg op de aanwezige groepsschuilplaatsen worden in stand gehouden en waar mogelijk vrij gemaakt waardoor ze beter beleefbaar worden. Zo is er een zichtlijn vanaf de nieuwe woning naar de zuidelijke groepsschuilplaats gecreëerd, waar dit in de huidige situatie niet zo is. Ook vanaf de Spijkse Kweldijk is deze schuilplaats te zien. Op het schetsontwerp zijn deze zichtlijnen aangegeven. Het is niet mogelijk om vanaf het fietspad ten oosten van plangebied een zichtlijn op de zuidelijke groepsschuilplaats te creëren; de bestaande bosschages (deels op gemeentegrond) belemmeren het zicht. Wel te zien is de schuilplaats in de noordoostelijke hoek op het perceel van de bestaande woning nr. 35A.
In hoofdstuk 3 is vanuit het rijks- en provinciaal beleid nader onderbouw dat voorliggend initiatief geen negatieve effecten tot gevolg heeft op de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De nieuwe landschapselementen binnen het plangebied zijn afgestemd op de ontwikkelingsdoelstellingen van de Groene Ontwikkelingszone, zie verder paragraaf 3.2.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Gebiedsgericht
De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.
Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:
Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen. Bij een nieuwe ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de behoefte. Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt (deels) in één van de aangewezen gebieden van de NOVI, namelijk binnen de 'Nieuwe Hollandse Waterlinie'. Sinds juli 2021 maakt de Nieuwe Hollandse Waterlinie onderdeel uit van het UNESCO werelderfgoedgebied. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van kaart 7 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'.
Uitsnede van kaart 7 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' uit de Barro (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn uitgewerkt in bijlage XVII van het Bkl en volledigheidshalve hieronder overgenomen:
In artikel 7.4 van het Bkl is bepaald dat de kernkwaliteiten van dit erfgoed bij provinciale verordening nader worden uitgewerkt en dat bij provinciale verordening regels worden gesteld ter bescherming van de kernkwaliteiten. In paragraaf 3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels wordt nader ingegaan op de kernkwaliteiten en regels en wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief geen negatief effect heeft op de instandhouding van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Ladder duurzame verstedelijking
Voorliggend plan maakt de oprichting van één nieuwe woning (planologisch) mogelijk. Op basis van jurisprudentie wordt een woningbouwontwikkeling pas als een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt als deze voorziet in 12 nieuwe woningen of meer. Voorliggend initiatief wordt daarom niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.
Het initiatief past binnen het rijksbeleid.
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd, voor het laatst op 01-05-2024. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.
De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:
Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.
De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.
Klimaatadaptatie
De provinciale omgevingsverordening (voor het laatst gewijzigd op 01-5-2024) bevat de instructieregel klimaatadaptie (artikel 5.85). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.6 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.
In de Omgevingsverordening Gelderland zijn ter plaatse van het plangebied enkele regels opgenomen die een relatie hebben met de inhoud van voorliggend initiatief.
Groene ontwikkelingszone
Uitsnede van kaart 3 van de Omgevingsverordening Gelderland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de Groene ontwikkelingszone. In artikel 5.20 staat:
5.20 (beschermen Groene ontwikkelingszone)
Ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Groene Ontwikkelingszone zijn enkel mogelijk wanneer deze niet de kernkwaliteiten van het gebied aantasten. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de woning en bijgebouwen van het voormalige bedrijf (dit laatste is reeds uitgevoerd) en de bouw van een nieuwe woning met één bijgebouw. De hoeveelheid bebouwing wordt per saldo verminderd en het terrein krijgt een veel groenere inrichting. Een van de kernkwaliteiten betreft ''rust, ruimte en duisternis''. Deze kernkwaliteit doelt op het aantal menselijke bewegingen en de bijbehorende onrust welke dit kan veroorzaken. De planlocatie is lange tijd in gebruik geweest als hondenkennel, wat veel verstoring geeft. Derhalve is er in de huidige planologische situatie geen sprake van de kernkwaliteit ''rust, ruimte en duisternis''. Door de bestemmingsplanwijziging naar 'wonen' zal van vorengenoemde geen sprake meer zijn. De kernkwaliteit 'rust' wordt hierdoor juist versterkt.
De GO-versterkingsopgave wordt met behulp van een rekentabel uitgedrukt in punten op basis van een verliesfactor en een impactfactor. Met voorliggend plan verdwijnen er geen natuur- of landschapswaarden, waarmee er geen sprake is van verliespunten. De sanering van ca. 4.450 m² bedrijfsfunctie (hondenkennel, milieucategorie 3) en toekennen van een woonfunctie scoort reeds dermate veel versterkingspunten dat extra maatregelen vanuit GO-beleid in beginsel niet nodig is.
Niettemin wordt het perceel landschappelijk ingepast in de omgeving door versterking van beplanting aan de oostkant van het perceel, aansluitend aan aanwezige bossingel langs het fietspad. Het landschapsplan omvat verder de aanplant van een fruitboomgaard en knotwilgen langs de weg en de sloot aan de westzijde. De uitvoering en de instandhouding van de landschappelijke inpassing is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.
Nieuwe Hollandse Waterlinie
Uitsnede van kaart 8 van de Omgevingsverordening Gelderland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het gehele plangebied ligt binnen de 'Nieuwe Hollandse Waterlinie'. In artikel 5.47 van de Omgevingsverordening Gelderland staat:
Artikel 5.47 (omgevingsplan binnen de Hollandse Waterlinies)
De kernkwaliteiten zijn:
Aan de noordoostkant van het plangebied, dicht tegen de Spijkse Kweldijk, staat een monumentale groepsschuilplaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn nog twee van deze groepsschuilplaatsen aanwezig. Deze groepsschuilplaatsen behoren tot de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Met voorliggend plan blijft de aanwezige groepsschuilplaats blijft onveranderd gehandhaafd. In dit deel van het plangebied vinden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De groepsschuilplaats blijft behouden en zichtbaar vanaf de Spijkse Kweldijk. Met voorliggend initiatief worden veel oude opstallen binnen het plangebied gesloopt. In combinatie met de landschappelijke inpassingsmaatregelen die genomen worden, verbetert het algehele aanzien van de locatie, en daarmee ook het aanzien op de aanwezige groepsschuilplaats. Bij de toekomstige inrichting, zie de beschrijving in paragraaf 2.2, is rekening gehouden met de aanwezige groepsschuilplaatsen. De nieuwe woning en het bijgebouw zijn zodanig gepositioneerd dat zichtlijnen naar de groepsschuilplaatsen behouden blijven. Om te borgen dat de kernkwaliteiten binnen het plangebied ook in de toekomst beschermd blijven, is het Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie van de toenmalige gemeente Lingewaal uit december 2015 van toepassing verklaard. Op basis van voorgaande blijkt dat voorliggend initiatief een positief effect heeft op de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het initiatief past daarmee binnen de regels van artikel 5.47 van de omgevingsverordening Gelderland.
Drinkwaterreserveringsgebied
Het plangebied ligt in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van de diepe kleilaag boven de potentiële drinkwaterwinning. Deze diepe kleilaag mag niet worden doorboord. Voorliggend initiatief leidt niet tot dergelijke ingrepen.
Conclusie
De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.
Op 22 februari 2022 is de Omgevingsvisie West Betuwe door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie is een beleidsinstrument voor de gemeente, voortkomend uit de Omgevingswet. Met de omgevingsvisie wil de gemeente vooruit blikken naar het West Betuwe van 2040. Hiermee worden de visies van de voormalige gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal samengevoegd en doorgetrokken tot 2040. In de omgevingsvisie zijn de huidige kwaliteiten van de fysieke leefomgeving beschreven en zijn de verschillende ontwikkelingen met impact op de fysieke leefomgeving in beeld gebracht en in samenhang bekeken. De gemeente benoemt zeven strategische opgaven en ambities:
Voor de komende decennia is de gemeente West Betuwe voornemens om de woningvoorraad te vergroten met ten minste 2.200 woningen tot 2030. Hierbij is het van belang dat de ontwikkeling in alle kernen van West Betuwe evenwichtig verloopt en past bij de schaal van de desbetreffende kern. Nieuwe plannen moeten bijdragen aan de diversiteit van de woningvoorraad. Daarnaast biedt de gemeente ruimte voor bouwen naar de woonbehoefte van de inwoners onder de voorwaarde dat deze het dorpse karakter en open landschap in West Betuwe beschermen.
Planspecifiek
Met voorliggend plan wordt een bedrijfslocatie herontwikkeld naar een woonlocatie in het buitengebied. Planologisch gezien wordt er één woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Door de combinatie van de sloop van overtollige bebouwing, het aanleggen van nieuwe landschapselementen en het verbeteren van de zichtlijnen op de aanwezige groepsschuilplaatsen (zie paragraaf 2.2) voorziet voorliggend initiatief in de gewenste balans tussen natuur, landschap en cultuurhistorie in het buitengebied van de gemeente.
Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie West Betuwe.
Op 15 december 2020 heeft de raad de visie "Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030" vastgesteld. Deze visie heeft de volgende vier leidende principes:
Tot 2040 zal het aantal inwoners in de gemeente fors groeien, van 51.000 in 2020 naar ca. 58.000 (trendscenario) tot 60.000 (in het versnellingsscenario). Bij dit laatste scenario wordt het woningbouwplan De Plantage in Meteren versneld afgerond.
Tussen 2020 en 2030 is er behoefte aan 2.200 nieuwe woningen, waarvan circa 25% appartementen.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief voorziet in de planologische toename van één woning in het buitengebied van de gemeente West Betuwe (al is de woning Spijkse Kweldijk 35a in feite reeds aanwezig). Het plan draagt op zeer bescheiden schaal bij aan de woningbehoefte in de gemeente West Betuwe.
Het initiatief past binnen de woonvisie West Betuwe 2020 - 2030.
Het Landschapsontwikkelingsplan West Betuwe 2022 is een aanvulling op het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente West Betuwe uit 2008. In de uitgave uit 2022 is een nieuwe doelstelling geformuleerd:
het op elkaar afstemmen van verschillende ruimtelijke opgaven en tendensen om zo de transformatie naar een mooi, veilig en functioneel landschap van de toekomst te stimuleren.
Het landschap van West Betuwe is een rivierenlandschap waarin de indeling in uiterwaarden tussen rivier en winterdijk, oeverwallen en komkleigebieden te herkennen is. Maar het landschap van de gemeente kent binnen die indeling ook een duidelijke differentiatie. In het LOP wordt onderscheid gemaakt in zeven verschillende landschapsensembles. Deze landschapsensembles zijn in de meeste gevallen weer opgedeeld in deelgebiedjes: bijvoorbeeld op basis van de fysieke ondergrond: uiterwaarden, stroomrug, kom; of op basis van de aanwezige dynamiek (drijvende krachten) in het landschap. Het betreft de volgende landschapsensembles:
Ieder van de landschapsensembles heeft in het LOP 2022 een eigen werkboek dat richtlijnen, inspiratie en een gereedschapskist levert voor het realiseren van initiatieven in het landschap.
Uitsnede van de kaart met karakteristieken landschapselementen van de gemeente West Betuwe (bron: LOP 2008)
Poort van de Groene Parel
Het plangebied behoort tot het deelgebied 'Poort van de Groene Parel'. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient waar mogelijk te worden aangesloten bij reeds bestaande kernkwaliteiten van natuur en landschap. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de kaart "Landschapselementen voor De Poort van de Groene Parel" uit het LOP.
Uitsnede kaart “Landschapselementen voor De Poort van de Groene Parel (LOP)
Planspecifiek
Voorliggend initiatief betreft een kleinschalige ontwikkeling op een bestaand bouwperceel, waarbij er bebouwing wordt gesloopt en een nieuwe woning word teruggebouwd. De ruimtelijke impact is zeer beperkt. Het plan voorziet in een goede landschappelijke inpassing door onder meer de aanleg van een fruitboomgaard (passend op de oeverwal), aanplant van knotwilgen en versterking van de bestaande groenstructuren. In paragraaf 3.2 is beschreven op welke wijze het plan aansluit bij de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone en het Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Het plan past in het Landschapsontwikkelingsplan West Betuwe.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2012', vastgesteld op 09 oktober 2012 door de toenmalige gemeente Lingewaal. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende planologische situatie ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2012' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afwijkende milieucategorie'. In de bijbehorende regels is nader bepaald dat binnen het plangebied uitsluitend de bedrijfsactiviteit 'hondenkennel' is toegestaan. De bedrijfsgebouwen zijn toegestaan binnen de daarvoor opgenomen bouwvlakken. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' (meest noordelijke bouwvlak) is één bedrijfswoning toegestaan. De toegestane bouw- en goothoogtes van de gebouwen zijn per bouwvlak vastgelegd (bedrijfswoning: 7 m en 3 m, bedrijfsgebouwen: 10 m en 4 m).
Ter bescherming van mogelijke archeologische resten in de bodem gelden binnen het plangebied twee archeologische dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aan de noordkant en 'Waarde - Archeologische verwachting 4' aan de zuidkant.
Overige bestemmingsplannen
Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan
Voorliggend plan heeft tot doel de bedrijfsbestemming van het perceel te wijzigen in de functie 'Wonen'. Het wordt mogelijk gemaakt om buiten de huidige bouwvlakken een nieuwe woning op te richten. Tevens wordt de bestaande woning Spijkse Kweldijk 35a planologisch op de juiste wijze geregeld.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze met de voorgenomen ontwikkeling voldaan wordt aan een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Planspecifiek
In het kader van voorliggend initiatief is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. In de bovengrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond, maar de gehalten zijn zodanig licht verhoogd dan wel wordt aangenomen dat ze van nature aanwezig zijn, dat aanvullend onderzoek niet nodig is. Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is ter plaats van de druppelzone van schuur 4 analytisch asbest aangetoond (93 mg/kgds). Dit is boven de norm voor nader onderzoek (50 mg/kgds) en geeft aanleiding voor nader onderzoek. De resultaten van dit onderzoek laten echter geen te hoge waarden zien (zie bijlage 2). Er zijn geen verontreinigingen met PCB aangetoond.
Het bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek is in 2022 (met revisie in 2024) uitgevoerd conform NEN5740 en NEN 5707. De invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 leidt niet tot andere conclusies.
Uit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige functie.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen.
Niet in betekende mate (NIBM)
Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 704317 (aan de rijksweg A15 ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) | 23,7 µg/m3 | 17,1 µg/m3 | 9,5 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Voorliggend initiatief voorziet in de planologische toename van één woning. In de toekomstige situatie is het uitoefenen van een bedrijf niet meer toegestaan binnen het plangebied. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied verandert niet noemenswaardig. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen van 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Planspecifiek
De te behouden woning en de nieuw op te richten woning liggen binnen de onderzoekszone van de Spijkse Kweldijk en de Zuiderlingedijk. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 3. De belangrijkste conclusie is dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op beide woningen niet wordt overschreden. Er hoeven geen hogere waarden te worden verleend voor wegverkeer op deze wegen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/ of industrieterrein aanwezig. Geluidhinder afkomstig van deze geluidsbronnen kan daarmee op voorhand worden uitgesloten.
Het akoestisch rapport is in 2022 opgesteld onder de werking van de Wet geluidhinder. De resultaten van het onderzoek zijn ook nu de Omgevingswet in werking is getreden nog steeds bruikbaar en leiden niet tot andere conclusies. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een goed woon- en leefklimaat
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied liggen enkele veehouderijen. De dichtstbij gelegen veehouderij betreft de paardenhouderij aan de Zuiderlingedijk 71, op ca. 350 m ten noordwesten van het plangebied. Paarden zijn aan te merken als vaste afstandsdieren. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moet de afstand tussen de paardenstallen en een geurgevoelig object minimaal 50 meter zijn. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Andere veehouderijbedrijven liggen op nog grotere afstand. Eventuele geurhinder kan derhalve worden uitgesloten.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.
Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied liggen enkele bedrijven en andere functies.
Rondom alle bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn in de bestaande situatie al woningen gelegen die maatgevend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven. Voorliggend initiatief voorziet niet in een belemmering van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede van de risicokaart met het plangebied ter plaatse van de zwarte pijl (bron: risicokaart.nl)
Aardgasleiding
Op 650 m ten oosten van het plangebied ligt een NEN 3650-aardgasleiding (uitwendige diameter: 1067 mm, 6620 kpa). De 1%-letaliteitsafstand van de leiding is vastgesteld op 490 m. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van de leiding. Een nadere verantwoording in het kader van het groepsrisico is daarmee niet nodig.
Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen andere risicobronnen aanwezig zijn.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
De Omgevingswet benoemt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nadrukkelijk in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.
Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd.
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Beleid Waterschap Rivierenland
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.
Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.
Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is.
Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening:
Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436
Verordening afvoer hemel- en grondwater gemeente West Betuwe
Deze verordening geldt vanaf 19 mei 2021 en sluit aan bij het bovenstaande beleid van het waterschap Rivierenland. Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater zijn in de verordening regels opgenomen over het beëindigen van lozingen van grondwater en hemelwater op de vuilwaterriolering en een verplichte waterbergingscapaciteit bij zowel bestaande bouw als nieuwbouw.
Bij nieuwbouw bedraagt de minimale capaciteit van de hemelwaterberging:
Planspecifiek
Hemelwater
Met het plan wordt ca. 310 m² aan bebouwing en een groot deel van de erfverharding gesaneerd. Daarvoor in de plaats wordt één woning met een bijgebouw teruggebouwd. Per saldo neemt het verhard oppervlak af ten opzichte van de bestaande situatie.
De oppervlakte aan bebouwing en verharding op het nieuwe woonerf wordt geraamd op ca. 580 m² (woningen, bijgebouwen, erf en inrit). De benodigde waterberging bedraagt in dat geval 580 * 0,0436 = 25,3 m3.
Het hemelwater dat op daken en verharding valt, kan naar de tuin en de boomgaard worden afgevoerd en daar in de bodem infiltreren.
Aan de westkant van het plangebied wordt de bestaande sloot verlengd. Afstromend hemelwater kan ook naar deze sloot worden afgevoerd. Aangezien er voldoende mogelijkheden zijn om op eigen terrein in de benodigde waterberging te voorzien, wordt gesteld dat het plan uitvoerbaar is. Op welke wijze de waterberging wordt uitgevoerd zal door de eigenaar worden bepaald bij de verdere uitwerking van het bouwplan.
Watertoets
Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Hieruit blijkt dat er (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen in het plangebied liggen. Langs de noord- en zuidzijde van het perceel ligt een B-watergang met een beschermingszone. In deze zone vinden er geen ruimtelijke ingrepen plaats. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in bijlage 4. De normale watertoetsprocedure moet worden doorlopen.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Soortenbescherming richt zich op de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ca. 117 meter van het Natura 2000-gebied 'Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Ondanks dat de werkzaamheden buiten een Natura 2000-gebied worden uitgevoerd kunnen er nog steeds effecten optreden. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot de gebieden kan een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring) worden uitgesloten. Om te bepalen of de ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied is een Aeriusberekening uitgevoerd voor de aanleg- en de gebruiksfase (zie bijlage 5). Uit de berekeningen blijkt dat het plan in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. In de aanlegfase neemt de stikstofdepositie tijdelijk beperkt toe. Deze beperkte toename in stikstof op de leefgebieden leidt echter niet tot een significant negatief effect en niet tot aantasting van instandhoudingsdoelstellingen. Deze ecologische verantwoording wordt onderbouwd in hoofdstuk 5 van bijlage 5. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.
Het plangebied ligt in de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 10 meter ligt het Gelders Natuurnetwerk. Dit zijn door de provincie Gelderland aangewezen beschermde gebieden. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Groene Ontwikkelingszone zijn enkel mogelijk wanneer deze niet de kernkwaliteiten van het gebied aantasten. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de woning voor de bouw van een nieuwe woning met één bijgebouw. De hoeveelheid bebouwing zal verminderen en het terrein krijgt een groene(re) inrichting. Een van de kernkwaliteiten betreft ''rust, ruimte en duisternis''. Deze kernkwaliteit doelt op het aantal menselijke bewegingen en de bijbehorende onrust welke dit kan veroorzaken. De planlocatie is lange tijd in gebruik geweest en bestemd als hondenkennelbedrijf, een activiteit met veel verstoring. Derhalve is er in de huidige situatie geen sprake van de kernkwaliteit ''rust, ruimte en duisternis''. Door de bestemmingsplanwijziging naar 'Wonen' zal van de verstorende activiteit geen sprake meer zijn. De kernkwaliteit 'rust' wordt juist versterkt. Gezien al het vorengenoemde zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot aantasting, maar tot een verbetering van de kernkwaliteiten.
Op een afstand van circa 650 m ligt een weidevogelgebied. Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 13 km van de planlocatie. Op een afstand van meer dan 40 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Soortenbescherming
Voordat de sloop van voormalige bedrijfswoning gesloopt wordt, zal een verkennend ecologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd of er mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn. Gelet op de beperkte geldigheid van zo'n onderzoek (max. 3 jaar) en omdat nog niet duidelijk is wanneer de woning gesloopt zal worden, is het onderzoek nog niet uitgevoerd. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om het onderzoek te verschuiven naar de concrete aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. In de regels van voorliggend plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voordat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe woning verleend kan worden, er eerst een ecologisch onderzoek gedaan moet worden. Aangetoond moet worden dat er vanuit soortenbescherming geen belemmeringen zijn voor de sloop van de oude woning.
Houtopstanden
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt.
Conclusie
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met verkennend ecologisch onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor beschermde soorten. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen niet verkregen zouden kunnen worden.
Onderdeel van de afweging of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het perceel blijft op dezelfde wijze ontsloten als in de huidige situatie, waarbij beide woningen een eigen inrit hebben. De hoeveelheid verkeer neemt af, omdat de bedrijfsactiviteiten van de hondenkennel verdwijnen.
Voor de parkeernorm sluit de gemeente West Betuwe aan bij de meest recente parkeerkencijfers van het CROW, publicatie 381. Voor het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,8 pp/woning. Op eigen erf is genoeg ruimte aanwezig om te parkeren.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Op 26 juli 2021 is de Nieuwe Hollandse Waterlinie op de UNESCO werelderfgoedlijst gekomen als onderdeel van de uitbreiding van de Stelling van Amsterdam. In de paragrafen 3.1 en 3.2 is nader onderbouwd dat voorliggend initiatief geen negatief effect heeft op de instandhouding van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Aan de noordoostkant van het plangebied, dicht tegen de Spijkse Kweldijk, staat een monumentale groepsschuilplaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn nog twee van deze groepsschuilplaatsen aanwezig. Deze groepsschuilplaatsen behoren tot de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Met voorliggend plan blijft de aanwezige militaire groepsschuilplaats onveranderd gehandhaafd. In dit deel van het plangebied vinden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De groepsschuilplaats blijft behouden en zichtbaar vanaf de Spijkse Kweldijk.
Met voorliggend initiatief wordt het bedrijfsterrein, waaronder een bestaande woning, gesaneerd en wordt een nieuwe woning teruggebouwd. In combinatie met de landschappelijke inpassingsmaatregelen die genomen worden, verbetert het algehele aanzien van de locatie, en daarmee ook het aanzien op de aanwezige groepsschuilplaats. Bij de toekomstige inrichting, zie de beschrijving in paragraaf 2.2 is rekening gehouden met de aanwezige groepsschuilplaatsen. De nieuwe woning en het bijgebouw zijn zodanig gepositioneerd dat zichtlijnen naar de groepsschuilplaatsen behouden blijven.
De gebouwen die gesloopt gaan worden hebben geen monumentale of cultuurhistorische waarde.
Archeologie
In het bestemmingsplan Buitengebied 2012 heeft het plangebied grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden dient bij werkzaamheden in de bodem, als gevolg van het oprichten van bouwwerken, een archeologisch onderzoek te worden overlegd als het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 500 m². Bij voorliggend plan is dat niet het geval. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet nodig.
Het zuidelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Hier hoeft pas pas onderzoek te worden gedaan bij bodemingrepen groter dan 5.000 m². In dit deel van het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien.
De archeologische dubbelbestemmingen zijn in voorliggend TAM-omgevingsplan overgenomen.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.
De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Negen gemeenten in het Rijk van Nijmegen en het Land van Maas en Waal hebben samen met het waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland de Regionale Adaptatie Strategie (RAS) opgesteld.
Planspecifiek
Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.
Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat aan de zuidkant van het plangebied plasvorming kan worden verwacht na een korte of lange bui. Volgens het inrichtingsplan is dit gedeelte in gebruik als tuin en boomgaard. Enige hinder door plasvorming is geen probleem, deze gronden kunnen juist een functie hebben voor berging van hemelwater.
Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de (gevoels)temperatuur in het plangebied kan stijgen. De beoogde nieuwe woning zal goed worden geïsoleerd conform de huidige bouwnormen. Daarmee is de woning minder gevoelig voor opwarming. Daarnaast wordt er ten behoeve van de landschappelijke inpassing ruim voorzien in de aanplant van groen, waaronder bomen. Het aantal schaduwplaatsen op de locatie neemt daarmee toe en vermindert de hittestress in het gebied.
Droogte. Voorliggend plan betreft een beperkte ontwikkeling (sloop van hondenkennels en bedrijfswoning en de bouw van een nieuwe woning). Het plangebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Voorliggend plan leidt niet tot verhoging van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering. Door hemelwater binnen het gebied te bergen, blijft het water binnen het gebied zelf.
Overstroming. Uit de kaartbeelden blijkt dat de overstromingskans klein is (kans van 1:300 tot 1:3000 per jaar). Het risico is daarmee niet groter dan dat in nagenoeg de gehele gemeente West Betuwe.
In paragraaf 4.1.7 is reeds geconcludeerd dat ten aanzien van de diverse milieuaspecten geen normen worden overschreden of bijna overschreden. Met voorliggend plan kan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving worden gewaarborgd. Ook uit oogpunt van andere aspecten (water, ecologie, verkeer, cultuurhistorie en archeologie) mag worden gesteld dat met voorliggend initiatief sprake van een goede omgevingskwaliteit.
De conclusie is dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegende is onderhavige ontwikkeling toelaatbaar.
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit:
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De voorgenomen ontwikkeling op de locatie Spijkse Kweldijk 35-35a is in strijd met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan (i.c. het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'. Het omgevingsplan moet daarom gewijzigd worden.
Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan.
Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan.
Regels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente West Betuwe. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Spijkse Kweldijk 35-35a (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Voor het TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten (voorheen de bestemmingen) uit het tijdelijk deel omgevingsplan 'Buitengebied 2012'. De bestemmingsregels zijn wel zodanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.
In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied.
In een TAM-omgevingsplan hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig voorbeeld TAM-omgevingsplan wordt een bestaande woning wegbestemd (de voormalige bedrijfswoning) en op een andere plek op het perceel mag een nieuwe woning worden gebouwd. Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen kopgenomen, zodat de bestaande situatie mag blijven bestaan zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop functies en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Met voorliggend TAM-omgevingsplan is aangesloten bij de plansystematiek van het geldende 'Bestemmingsplan Buitengebied 2012', maar wel geformuleerd in de terminologie van de Omgevingswet. Wat voorheen 'bestemmingen' waren zijn nu 'functies'. Voorliggend plan bevat de volgende functie:
Voor de bescherming van de archeologische waarden in de bodem blijven de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' uit het Veegplan Archeologie West Betuwe (op dit moment nog ontwerp d.d. 22-11-2023) van toepassing. Ook de regels ten aanzien van parkeren en de Nieuwe Hollandse Waterlinie uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan blijven van toepassing.
Inspraak
In de directe omgeving van het plangebied is maar één woning aanwezig die direct zicht heeft op voorliggend plangebied (Spijkse Kweldijk 33). De initiatiefnemer heeft met de bewoners gesproken over het plan. Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben.
Overleg
Onderhavig initiatief is in het kader van het wettelijk overleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties. De provincie heeft ingestemd met het plan. Er is voldoende onderbouwd dat er een negatieve versterkingsopgave is en daarom geen versterkingsplan nodig is. Desondanks vindt er een groene inpassing plaats met elementen die aansluiten bij de ontwikkelingsdoelen en er wordt goed onderbouwd dat de samenhang van het gebied niet verloren gaat. De GO-toetsing is in orde.
Zienswijzen
Het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft van 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026 voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend.
Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.