direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Sellingen Torenstraat (Woonhof Sellingen)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1950.TO2508-vs01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Bouwonderneming Gebroeders Benus B.V. is voornemens om in de kern van Sellingen een woningbouwplan te realiseren. Het ontwikkelen van deze functie is in strijd met de regels van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde. De gemeente gaf in een principe-uitspraak aan dat zij onder voorwaarden bereid zijn om mee te werken aan het voornemen. Voor de ontwikkeling dient initiatiefnemer een TAM-IMRO omgevingsplan aan te leveren. Dit omgevingsplan toont aan op welke wijze er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies (in dit geval woningen met bijbehorende infrastructuur) aan locaties (het plangebied) en dat kan worden voldaan aan de instructieregels van de diverse overheden.

1.2 Beschrijving van de wijziging

Het plangebied van de woningbouwlocatie ligt in de kern van het dorp Sellingen van de gemeente Westerwolde. Het plangebied wordt omsloten door de Torenstraat, de Korteweg, de Breetuinenweg en de Dorpsstraat. Grenzend aan en rondom de woningbouwlocatie bevinden zich woningen en andere bestaande bebouwing met de bijbehorende diverse functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0001.png"

Figuur 1.1: Luchtopname ligging woningbouwlocatie in Sellingen (bron: PDOK viewer).

1.3 Regeling in het omgevingsplan

In het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Sellingen Dorp' (vastgesteld door de gemeenteraad op 29 oktober 2013 en onherroepelijk), dat evenals de overige bestemmingsplannen opgenomen is in het per 1 januari 2024 van rechtswege ontstane Omgevingsplan gemeente Westerwolde, kent de locatie de functies 'Wonen - 1', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Daarnaast heeft de locatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Essen'. In het gebied met de functie 'Wonen - 1' zijn maximaal 7 wooneenheden toegestaan.

Voor de groenstrook in het noordwestelijke deel van het plangebied is in het bestemmingsplan een wijzigingsmogelijkheid opgenomen (wro-zone-wijzigingsgebied 1) om de bestemming te wijzigen naar een woonbestemming. Voor de groenstrook aan de zuidzijde van het plangebied is een wijzigingsmogelijkheid opgenomen (wro-zone-wijzigingsgebied 2) om de bestemming te wijzigen naar een woonbestemming dan wel een maatschappelijke bestemming. Onder andere zijn hieraan de voorwaarden gekoppeld dat er sprake moet zijn van een ruimtelijk kwalitatieve inpassing en de bestemmingswijziging dient te passen binnen de woningbouwafspraken.

Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de regeling in het bestemmingsplan 'Sellingen Dorp', omdat de woonontwikkeling is gepland op gronden die deels geen woonbestemming hebben en, voorzover er wel een woonbestemming ligt, deze de gewenste aantallen woningen niet mogelijk maakt.

Voor het plangebied gelden daarnaast de volgende bestemmingsplannen, die in meer of mindere mate van toepassing zijn:

  • 1. Het Facetbestemmingsplan Karakteristieke panden Westerwolde (vastgesteld 26 februari 2025); dit betreft een regeling om karakteristieke- en beeldbepalende gebouwen in het buitengebied en in de kernen te beschermen. In de omgeving van het plangebied is een aantal van die bepalende gebouwen te vinden;
  • 2. het Facetbestemmingsplan Archeologie Westerwolde (vastgesteld 5 juni 2024); het plangebied kent daarin de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3'. Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden ter plaatse van AMK-terreinen (historische kernen), historische kernen en bebouwingszones, verdedigingswerken (overig) en historische boerderijplaatsen. De dubbelbestemming vereist voor de ontwikkeling een archeologische rapportage;
  • 3. het Facetbestemmingsplan woningsplitsing en verkamering Westerwolde (vastgesteld 27 maart 2024); dit bestemmingsplan is opgesteld ter uitvoering van het woonbeleid en de Woonvisie van de gemeente om beide fenomenen van splitsing en kamerverhuur te kunnen reguleren. Voor het onderhavige omgevingsplan is dit facetplan niet relevant;
  • 4. het Facetbestemmingsplan Parkeren Westerwolde (vastgesteld 2 november 2022); de regels in dit facetbestemmingsplan voegen specifieke bepalingen voor parkeren en laden of lossen in de onderliggende bestemmingsplannen toe. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of verbouwen of het wijzigen van het gebruik in het plangebied moet in eerste instantie voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid op het eigen erf voor de beoogde functie. Pas als dat niet mogelijk is gebleken mag uitgeweken worden naar de openbare ruimte. Dan moet echter wel met een parkeeronderzoek worden aangetoond dat in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien gezien de huidige parkeerbezetting. Verder moet het ook mogelijk zijn de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen in de openbare ruimte te realiseren. Het toetsingskader dat hierbij wordt gehanteerd zijn de door het kennisplatform CROW vastgestelde richtlijnen.

Voor het plangebied gelden verder nog het 'Paraplubestemmingsplan Geitenhouderijen 2020' van de gemeente Westerwolde en het inpassingsplan 'Agrarische bouwpercelen' van de provincie Groningen. Deze hebben beide geen relevantie voor het plangebied en de ontwikkeling daarvan. Beide plannen zien met name op ontwikkelingen en situaties in het buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0002.png"

Figuur 1.4: Fragment bestemmingsplan Sellingen Dorp (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en de toekomstige situatie. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief en de doelen voor het projectgebied. Hoofdstuk 3 inventariseert het voor dit project relevante gemeentelijke beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 een analyse gemaakt van respectievelijk de instructieregels en het beleid van de overige overheden en wordt beschreven hoe de regeling van dit omgevingsplan vormgegeven is. In het zesde hoofdstuk worden de verschillende relevante omgevingsaspecten beschreven die mogelijk kunnen inspelen op het project. De motivering sluit af met bepalingen over kostenverhaal en participatie. In de bijlagen bij de motivering zijn achterliggende stukken en onderzoeken te vinden.

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie en de beoogde situatie vanuit de ruimtelijke- en functionele structuur van het gebied waar de wijziging op ziet beschreven. Er wordt allereerst aandacht besteed aan de historie van het plangebied. Verder komen in dit hoofdstuk de volgende elementen aan de orde: wonen, verkeer, bedrijven en voorzieningen en overige kwantitatieve en kwalitatieve aspecten, zoals gezondheid en duurzaamheid. Wat betreft de ruimtelijke inrichting wordt onder andere aandacht besteed aan de bebouwingsstructuur, cultureel erfgoed, de wegenstructuur en het groen.

2.1 Bestaande activiteiten (huidige situatie)

Het plangebied van de woningbouwlocatie ligt centraal in de kern van Sellingen. Het esdorp Sellingen dateert uit de middeleeuwen. Het dorp is ontstaan op een zandrug langs een beekdal dat in de ijstijd is gevormd door een zijtak van de Eems. Ten westen van het dorp loopt de Ruiten Aa. Het dorp wordt omgeven door escomplexen die eveneens op zandruggen langs het beekdal van de Ruiten Aa liggen. De doorgaande weg van Ter Apel naar Vlagtwedde, nu de Dorpsstraat, vormt van oorsprong de belangrijkste weg in het dorp. Van hieruit loopt een aantal wegen in uiteenlopende richtingen zodat een web-achtige structuur van verbindingen ontstaat. De nog herkenbare brink van het dorp ligt op de plaats waar de Torenstraat op de Dorpsstraat uitkomt.

Aan het begin van de 19de eeuw concentreerde de bebouwing zich langs de Dorpsstraat en de Torenstraat. De bebouwing bestond vooral uit verspreid gelegen boerderijen, winkels, enkele woonhuizen en arbeiderswoningen, met wisselende situering ten opzichte van de straat. In de loop van de 19de eeuw nam de bebouwing vooral langs de westelijke Dorpsstraat iets toe. Na 1900 vond uitbreiding plaats in het westen op de Westerkamp langs de Dorpsstraat en in het noorden op de Oerd langs de Dorpsstraat en de Dorigweg. Ook werden woningen gebouwd langs de Hassebergerweg in het oosten van het dorp.

Na de Tweede Wereldoorlog vond verdere verdichting plaats van de bebouwing langs het zuidwestelijke en noordelijke deel van de Dorpsstraat. Ook de bebouwing aan de zuidoostzijde van het dorp langs de Zuid Esch nam toe. Vanaf 1970 werd het dorp meer planmatig uitgebreid met woonwijken op de noordelijke helft van de Zuid Esch en het gebied ten oosten daarvan. De meest recente uitbreidingswijk dateert van omstreeks 2000 en ligt in het noorden van het dorp, ten oosten van de Oude Kampenweg.

Sellingen is rijk aan voorzieningen met onder andere een supermarkt, enkele winkels, veel sportfaciliteiten en twee basisscholen. Rondom de locatie bevinden zich woningen, een dorpshuis, een parkeervoorziening en verderop een kerk, overige maatschappelijke voorzieningen en een aantal gemengde functies. Het groen in het plangebied heeft niet overal een even goede kwaliteit. Er is een aantal oude en behoudenswaardige bomen aanwezig, waaronder meidoorn en berk. Voor het plan is een groeninventarisatieplan gemaakt, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen behoudenswaardig en te kappen of te verwijderen groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0003.png"

Figuur 2.1: Sellingen in de 1925 (bron: Topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0004.png"

Figuur 2.2: Huidige situatie (bron: PDOK viewer).

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0005.png"

Figuur 2.3: Huidige situatie van het groen niet overal van voldoende kwaliteit (bron: LAOS).

2.2 Beoogde activiteiten (beoogde situatie)

Functioneel

Het woningbouwproject maakt de bouw mogelijk van in elk geval 23 woningen op deze historische en centrale locatie in het dorp. De 23 woningen bestaan uit 11 koopwoningen, 8 huurwoningen en 4 zorgwoningen. De zorgwoningen worden gerealiseerd in de vorm van één kwadrantblok (vier gekoppelde woningen). Daarnaast gaat het om 17 rijwoningen en 2 twee-onder-een-kapwoningen. Doelstelling is een programma te realiseren dat verschillende doelgroepen kan bedienen en levensloopbestendig is. Het gaat om sociale huurwoningen, betaalbare koopwoningen voor jongeren en ouderen en zorgwoningen. Er wordt veel waarde gehecht aan ontwikkeling van de locatie in samenspraak met het dorp. Een woningcorporatie zal de huurwoningen gaan exploiteren.

Voor de ruimtelijke- en landschappelijk uitwerking is landschapsarchitectenbureau LAOS ingeschakeld. De woningen worden onder architectuur ontworpen. De primaire ontsluiting van het plangebied gaat vanaf de Torenstraat naast het buurthuis. Er wordt een lus ontworpen zodat het verkeer vlot kan doorstromen. Alle benodigde parkeerplaatsen worden binnen het plangebied voorzien. Dit gebeurt wel aan de randen van het plangebied, waardoor in het woongebied de auto vooral te gast is. Er worden in totaal 23 extra openbare parkeervlakken gerealiseerd. Daarnaast is er ruimte om te parkeren bij de MFA. Daarmee wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid en de normstelling op dat punt.

Ruimtelijk

Voor de ontwikkeling is door LAOS Landschapsarchitectuur een concept stedenbouwkundige invulling gemaakt. Zie voor meer achtergronden en impressies bijlage 1. Het stedenbouwkundig plan steunt op een (historische) gebiedsanalyse, een modellenstudie en een landschappelijke invulling. Belangrijke uitgangspunten bij de uitwerking van de plannen zijn:

  • 1. Behoud en versterking van de groene dorpse ruimte;
  • 2. het versterken van de verbinding met het dorp; herstel kerkepad en versterken bestaande verbindingen;
  • 3. het realiseren van een collectieve sfeer met een open structuur;
  • 4. zoveel mogelijk behoudenswaardige bomen behouden. Nieuwe bomen en struiken zijn inheems, aanleg bloemenweide.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0006.png" Figuur 2.4: Uitgangspunten stedenbouwkundig ontwerp (bron: LAOS)

De uitgangspunten zijn vertaald in een schetsontwerp. Dit schetsontwerp is gebruikt voor de burgerparticipatie. In overleg met de gemeente, de omgeving en de ontwikkeling is vervolgens het stedenbouwkundig ontwerp opgesteld (bijlage 2). Ook is voor deze ontwikkeling een Beeldkwaliteitsplan opgesteld. In dit beeldkwaliteitsplan is aandacht gegeven aan het gewenste materiaalgebruik en de positionering van de woningen. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 3 toegevoegd aan dit TAM-omgevingsplan.

Met het landschappelijke en stedenbouwkundig ontwerp wordt, zoals hierboven uiteengezet, zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande historische- en ruimtelijke structuren en worden deze waar mogelijk versterkt. Uit oogpunt van duurzaamheid zijn in het ontwerp diverse maatregelen meegenomen: het centrale parkeerterrein en de aanleg van een bloemenweide zijn daarvan voorbeelden. Hiermee kan worden voldaan aan de uitgangspunten voor de ruimtelijke kwaliteit zoals deze onder andere in het vigerende bestemmingsplan omschreven zijn.

Op verzoek van het dorp is ook in het plangebied rekening gehouden met de mogelijkheid om een dorpsverzamelpunt te realiseren. Waar dit hiervoor bedoelde gebouw komt is op dit moment nog niet bekend. Om die reden is in de regels het gebouw niet bij recht maar via een binnenplanse omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. Via de omgevingsvergunningsprocedure kan in overleg met de omgeving de meest geschikte plek worden gekozen.

Hoofdstuk 3 Gemeentelijk beleid

In dit hoofdstuk wordt het relevante gemeentelijke beleid en/of programma's ten aanzien van de ruimtelijke- en functionele structuur beknopt opgenomen. Uitsluitend beleid of beleidsuitspraken die voor het omgevingsplan relevant zijn worden genoemd. Daarbij worden geen uitgebreide herhalingen van beleidsnota's opgenomen, maar kan worden volstaan met een korte, puntsgewijze samenvatting van de relevante onderdelen hiervan. Per onderdeel wordt geconcludeerd of dit past binnen dit beleid.

3.1 Omgevingsvisie

In deze paragraaf wordt omschreven hoe de ontwikkeling past binnen de visie die de gemeente Westerwolde heeft op de fysieke leefomgeving. Dit staat beschreven in de Omgevingsvisie. De gemeente Westerwolde heeft de 'Omgevingsvisie Westerwolde' in december 2020 vastgesteld. De Omgevingsvisie is een integrale visie op de leefomgeving, de visie geeft de ambities weer en de uitwerking daarvan in de verschillende gebieden die de gemeente rijk is.

De visie voor Westerwolde is in algemene bewoordingen en in grote lijnen geschetst op gebiedsniveau, maar gebiedstypen zijn in de visie ook beschreven op basis van het gebruik. De gemeente streeft in ieder van die gebieden een kwaliteit na die past bij het gebied en de gemeentelijke kernwaarden en die afhankelijk is van haar ambitie. De gebruiksvormen waarin de gemeente gebieden grofweg onderscheidt zijn:

  • Natuur en landschap
  • Natuurinclusieve landbouw
  • Landbouw en landschap
  • Landschap rond bebouwing
  • Werken
  • Wonen
  • Recreëren
  • Infrastructuur

In algemene zin wordt de omgeving van de gemeente in al haar aspecten gewaardeerd. Rust en ruimte zijn belangrijk. Initiatieven in de kernen worden waar mogelijk gestimuleerd. Deze dienen wel te passen in de omgeving inclusief de landschappelijke kwaliteiten en de (cultuur)historie.

Met betrekking tot het aspect wonen wordt in de omgevingsvisie aangegeven dat de gemeente een afname ziet in de 'jonge' bevolkingsgroep (35-54 jaar). Daarnaast wordt de bevolkingsgroep van 55-69 jaar en 70 jaar en ouder steeds groter. De wens van de gemeente Westerwolde is om dynamiek en doorstroming in Westerwolde op gang te brengen. Er wordt gekeken naar de huidige behoefte, maar bovenal naar de toekomstige veranderingen in de samenstelling van de bevolking en de behoefte die dat met zich meebrengt. Doel is verbetering van de particuliere en sociale woningvoorraad, waarbij de eigen identiteit en kwaliteit het uitgangspunt is. Tweede doel is het sterk verlagen van de energiebehoefte voor wonen met als uiteindelijk doel energieneutraal wonen. De gemeente stuurt op het vitaal houden van de Westerwoldse woningvoorraad met ruimte voor vernieuwing waar dat nodig is.

Om nieuwbouw mogelijk te maken is een strategie ontwikkeld die ervoor zorgt dat het toevoegen van woningen niet leidt tot ongewenste neveneffecten zoals leegstand, waardedaling en verpaupering. Toevoeging vindt plaats op plekken waar het een meerwaarde voor de omgeving betekent. Het ontwikkelen van initiatieven ligt bij de samenleving, corporaties en de markt. De huidige woningvoorraad en zijn verschijning in de omgeving bepaalt voor een belangrijk deel het karakter van de Westerwoldse fysieke leefomgeving. Het is essentieel dat nieuwe ontwikkelingen hierbij aansluiten en dit beeld versterken

Toetsing en conclusie

De betaalbare woningen die met dit woningbouwproject gerealiseerd worden, zijn voor verschillende bevolkingsgroepen. Met deze woningen wordt de dynamiek en doorstroming in de gemeente bevorderd en kan worden voldaan aan hetgeen in de Omgevingsvisie voor de lange termijn als ambitie is geformuleerd. Door zorgvuldig en duurzaam ontwerp van de inrichting van het plangebied en de woningen worden de ruimtelijke karakteristieken versterkt en kan gesproken worden van een verantwoorde invulling van dit historische stukje Sellingen.

3.2 Omgevingsprogramma's

In deze paragraaf wordt omschreven welke omgevingsprogramma's van toepassing zijn op de ontwikkeling en hoe hier rekening mee wordt gehouden.

Toetsing en conclusie

Er zijn geen omgevingsprogramma's bekend voor Sellingen.

3.3 Specifiek beleid gemeente Westerwolde

In deze paragraaf wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan specifieke beleidsthema's die van toepassing zijn op de ontwikkeling. Dit zijn de:

  • Woonvisie + addendum;
  • Duurzaamheidsvisie.

Woonvisie Westerwolde 2019-2024

De gemeente Westerwolde heeft in 2019 de Woonvisie 2019-2024 vastgesteld. In 2023 besloot de gemeenteraad deze te verlengen tot 2025. Dit werd door middel van een zogenoemd addendum verwerkt.

In de Woonvisie worden vijf speerpunten benoemd waar de gemeente zich op gaat focussen:

  • 1. Vernieuwen en vitaal houden.
  • 2. Kwaliteitsimpuls voor de (sociale) huurvoorraad.
  • 3. Verbeteren van de particuliere voorraad
  • 4. Goed begeleiden van de vergrijzingsopgave
  • 5. Verduurzaming van de woningvoorraad.

Het addendum spreekt van het stimuleren van woningbouw op maat, doorstroom mogelijk maken en ruimte geven aan betaalbare woningen. Er werd vanuit de Woonvisie ingezet op de realisatie van 200 extra nieuwbouwwoningen in de gemeente. Met het addendum is dit aantal gestegen naar 300. In de Woonvisie wordt aangegeven dat Sellingen wordt beschouwd als woonkern. In woonkernen is ruimte voor 140 nieuwbouwwoningen. In 2024 is de woonvisie vernieuwd.

Woonvisie Westerwolde 2025-2029

De Woonvisie Westerwolde 2025–2029 schetst de noodzaak om de komende jaren circa 600 woningen toe te voegen, afgestemd met regio en provincie. De gemeente kiest voor een uitnodigende houding richting woningbouw, onder het motto ‘ja, mits’. Criteria worden niet strak voorgeschreven, maar geformuleerd als doelen: variatie, betaalbaarheid, levensloopgeschiktheid en duurzaamheid. Binnen die bandbreedte krijgen marktpartijen ruimte om plannen in te vullen.

Specifiek thema: Wonen en zorg

Een belangrijk aandachtspunt in de woonvisie is de groeiende behoefte aan zorggeschikte woningen. Er is nadruk op nultredenwoningen en geclusterde woonvormen, waarin ouderen of mensen met een zorgvraag zelfstandig kunnen wonen, met nabijheid van zorg en gemeenschapsvoorzieningen.

Toetsing en conclusie

Het voorliggend plan omvat in totaal 23 woningen: 11 koopwoningen, 8 sociale huurwoningen en 4 zorgwoningen. De zorgwoningen worden uitgevoerd als aanleunwoningen/kwadrantwoningen en zijn daarmee expliciet afgestemd op de woonzorgopgave. De mix van huur en koop vergroot de variatie en sluit aan bij de behoefte aan betaalbare starters- en seniorenwoningen. Alle woningen zijn levensloopbestendig. Het stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan benadrukken bovendien een groene, dorpse invulling en levensloopbestendige typologieën. Op het gebied van duurzaamheid voldoen alle woningen aan de hedendaagse duurzame eisen. Het project geeft concreet invulling aan de hoofdlijnen van de woonvisie: het draagt bij aan de kwantitatieve opgave, het voegt woningen toe in verschillende segmenten en het faciliteert zorggeschikt en levensloopbestendig wonen. Daarmee is sprake van een duidelijke beleidsmatige verankering.

Duuzaamheidsvisie

De gemeente heeft voor de brede duurzaamheidopgave een visie opgesteld. Duurzaamheid is een breed begrip. Het realiseren van ontwikkelingen aansluitend bij bestaande structureren en het creëren van slimme toepassingen voor parkeren horen daar bijvoorbeeld ook bij. Als het gaat over woningbouw zijn belangrijke punten: van het aardgas af, besparen, nieuwe warmtebronnen toepassen en zonnepanelen toepassen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0007.png"

Figuur 3.1: Duurzaam wonen in Westerwolde (bron: gemeente).

De woningen worden gasloos uitgevoerd. Ze zullen voldoen aan de energieprestatienormen genoemd in BENG en, afhankelijk van de ontwikkelingen ten aanzien van teruglevering, zullen de woningen met zonnecellen uitgevoerd worden.

Toetsing en conclusie

Voorliggend woningbouwproject past, getoetst aan de diverse niveaus van duurzaamheid binnen de duurzaamheidsvisie van de gemeente Westerwolde.

Hoofdstuk 4 Regelanalyse en beleid

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan de regels die het Rijk heeft opgenomen in de AMVB's en de provincie in de omgevingsverordening. Tevens wordt beschreven welke instructieregel overgenomen en/of uitgewerkt is in dit omgevingsplan.

4.1 Rijksbeleid en (instructie)regels

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.

4.1.2 Instructieregels Rijk

Een omgevingsplan bevat regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
4.1.3 Conclusie

Gelet op de aard en omvang van het voornemen, het realiseren van de 23 woningen, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met de doelstellingen zoals deze zijn geformuleerd in de NOVI. In hoofdstuk 6 van deze motivering wordt het voornemen getoetst aan de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het voornemen past binnen het relevante rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid en (instructie)regels

De provincie Groningen heeft een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de provincie Groningen.

4.2.1 Omgevingsvisie Groningen

Algemeen

De Omgevingsvisie provincie Groningen bevat een integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Belangrijke onderwerpen in de Omgevingsvisie zijn het zorgen voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, het benutten van ontwikkelingsmogelijkheden, het beschermen van karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen en het bieden van ruimte voor ondernemerschap.

De provincie wilt het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in onze provincie verder verbeteren. Vanuit die invalshoek wordt gekeken naar de kansen die zich voordoen om hier een bijdrage aan te leveren middels beleid. Het accent in het provinciale beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wilt ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, zoals wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie de samengestelde doelen bereiken.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':

Ruimte

  • Ruimtelijke kwaliteit
  • Aantrekkelijk vestigingsklimaat
  • Ruimte voor duurzame energie
  • Vitale landbouw

Natuur en landschap

  • Beschermen landschap en cultureel erfgoed
  • Vergroten biodiversiteit

Water

  • Waterveiligheid
  • Schoon en voldoende water

Mobiliteit

  • Bereikbaarheid

Milieu

  • Tegengaan milieuhinder
  • Gebruik van de ondergrond

In dit geval is met name het provinciale belang 'ruimtelijke kwaliteit' binnen het thema 'Ruimte' van belang. Daarnaast is de visie ten aanzien van 'wonen' relevant.

Ruimtelijke kwaliteit

De provincie Groningen streeft naar een zo hoog mogelijke ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin binnen een gebied de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in onderlinge verhouding geoptimaliseerd zijn.

  • Bij gebruikswaarde gaat het om een efficiënte inrichting van het gebied voor uitoefening van de daaraan toegekende of toe te kennen functies;
  • bij belevingswaarde gaat het om de sfeer en allure van het gebied, het behoud van gebouwd cultuurhistorisch erfgoed en de herkenbaarheid van de historisch gegroeide stedenbouwkundige en landschappelijke structuur;
  • bij toekomstwaarde gaat het om de toekomstbestendigheid van de maatregelen die ten behoeve van de gebruiks- en de belevingswaarde worden genomen.

Een hoge ruimtelijke kwaliteit is van belang om de provincie aantrekkelijk te laten blijven om te wonen, werken en recreëren. Dynamische steden, dorpen waar veel te beleven valt, een mooie woonomgeving en mooie natuur dragen allemaal bij aan de aantrekkingskracht van de provincie.

In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk gebied en buitengebied. Binnen het stedelijk gebied laat de provincie zeer veel ruimtelijke bevoegdheden over aan gemeenten. De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zo veel mogelijk laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied, om zo het grote contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied, dat zo bepalend is voor de identiteit van de provincie, te behouden en versterken.

Woningvoorraad

De kwaliteit van het wonen levert een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid van de provincie. Een hoge woonkwaliteit kan worden bereikt door het woningaanbod optimaal te laten aansluiten bij de wens van de inwoners; ook als het gaat om het soort kern waar men wil wonen: van een kleine kern tot een grote stad. Het is mogelijk om kleine kernen kleinschalig uit te breiden. Hiervoor worden primair de inbreidingsmogelijkheden benut. Door iedereen de mogelijkheid te bieden om daar te blijven of te komen wonen, wordt ook in de kleinere kernen een bijdrage geleverd aan het behoud van de sociale verbanden.

Toetsing Omgevingsvisie

Het plangebied bevindt zich in het stedelijk gebied van de provincie Groningen. Met de realisatie van de woningen is er sprake van een stedelijke ontwikkeling die binnen de bebouwde kom plaatsvindt. Deze locatie is geschikt voor een dergelijke ontwikkeling. Het voorzien in een kleinschalige uitbreiding in de kern is tevens in lijn met de provinciale visie op de woningvoorraad. Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij de Omgevingsvisie van de provincie Groningen.

4.2.2 Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening provincie Groningen staan regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen over de inhoud van ruimtelijke plannen van gemeenten en waterschappen op het gebied van milieu, water en ruimtelijke ordening. In de verordening is aangegeven waarmee gemeenten bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden. Voor dit plan is met name artikel 3.30 (Instructieregels woningbouw 2) van de Omgevingsverordening van belang.

Artikel 3.30 Instructieregel woningbouw 2

Een omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.28 slechts kan worden verleend als de omgevingsplanactiviteit naar aard, locatie en aantal in overeenstemming is met:

  • a. Een onder de vigeur van de Wet ruimtelijke ordening tot stand gekomen gemeentelijke woonvisie, die is afgestemd met de gemeenten binnen de regio waarvan de gemeente deel uitmaakt(e);
  • b. de in het kader van de Regio Groningen-Assen tot stand gekomen regionale planningslijsten voor woningbouw;
  • c. de tussen betrokken gemeenten en Gedeputeerde Staten gemaakte nadere afspraken over woningbouw; of
  • d. een onder de vigeur van de Omgevingswet tot stand gekomen omgevingsvisie of programma die is afgestemd met gedeputeerde Staten voor wat de ontwikkeling van woningbouwvoorraad betreft.

De woningmarkt is de laatste paar jaar flink in beweging gekomen. De prijzen van woningen zijn gestegen en er is meer behoefte aan betaalbare woningen. Ook in de gemeente Westerwolde is er een woningbouwopgave. Voorliggende omgevingsplanwijziging voorziet in één van deze locaties. In hoofdstuk 3 is ingegaan op de doelstellingen uit de gemeentelijke woonvisie. Deze woonvisie is opgesteld in afstemming met de regionale woonafspraken en met de provincie Groningen. Hierin is aangetoond dat het voornemen aansluit bij de doelstellingen uit de woonvisie.

4.2.3 Toetsing verordening

Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de omgevingsverordening van de provincie Groningen.

4.3 Bruidsschat

Tot 2032 gelden de regels uit de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Westerwolde). In voorliggend geval is geen sprake van een noodzaak om de regels van de bruidsschat aan te passen dan wel buiten toepassing te verklaren.

Hoofdstuk 5 Hoe gaan we het regelen

5.1 Uitwerking in de regels

In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2.2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan Westerwolde worden opgenomen.

5.2 Welke activiteiten worden toegestaan en waar

Gekozen is om de woningen, het groen en de ontsluitingswegen inclusief parkeerplaatsen te voorzien van de meest passende functie. De woonpercelen zijn hierdoor aanwezen met de woonfunctie. Het openbaar groen is aangewezen als groen. Binnen de als groen aangewezen locatie zijn wandelpaden en bij groen passende voorzieningen toegestaan. Ook is er binnen de als groen aangewezen locatie een mogelijkheid om via een omgevingsvergunning een buurtontmoetingsplek te realiseren. Deze locatie moet passend zijn in de omgeving zodat er sprake is van een evenwichtige toedeling. Binnen de als verkeer aangewezen locatie is het parkeren en de verkeersontsluiting toegestaan.

Deze wijziging voorziet daarnaast in de beoordelingsregels behorende bij de omgevingsvergunning voor het bouwen, zoals opgenomen in artikel 22.26 van het omgevingsplan van rechtswege, onderdeel bruidsschat.

5.3 Activiteiten toestaan of uitsluiten

Binnen de woonfunctie mogen eveneens, onder voorwaarden zoals in de regels omschreven, de volgende functies worden uitgeoefend:

  • mantelzorg
  • logiesverstrekking
  • een aan-huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit zoals die zijn genoemd in bijlage 1 van de regels.

Hoofdstuk 6 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarvan voor de beoogde ontwikkeling. Thema's als gezondheid, veiligheid, geluid, natuur, bouw en water maken integraal deel uit van het omgevingsplan. Het hoofdstuk bevat een omschrijving van de uitgevoerde onderzoeken en de resultaten hiervan. Uitsluitend aspecten die voor de wijziging van het omgevingsplan relevant zijn dienen te worden genoemd. Hieronder staan alle thema's bij elkaar.

6.1 Archeologie

Wettelijk kader

Op basis van de geldende bestemmingsplanregels is een archeologisch onderzoek vereist omdat de gronden een beschermende dubbelbestemming hebben. Zie ook 6.13 Cultureel erfgoed.

Toetsing

Door archeologisch adviesbureau De Steekproef is een archeologisch bodemonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 4 bij deze motivering te vinden. Tijdens de verkennend booronderzoeken werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Gelet hierop en gezien de mate van verstoring, wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in het plangebied en deze vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden. Indien bij graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient hiervan direct melding te worden gemaakt bij de gemeente.

Conclusie

Het aspect archeologie verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

6.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."

Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.

Toetsing

Stedelijke ontwikkeling

Voordat de Ladder van de duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of er wel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Met dit TAM-omgevingsplan wordt de realisatie van 23 woningen mogelijk gemaakt. Hiermee kan gesteld worden dat dit nieuwbouwproject een stedelijke ontwikkeling is.

Nieuwe Stedelijke ontwikkeling

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Hiervoor moet beoordeeld worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende omgevingsplan toestaat. Dit gaat over bestaande bebouwing, maar ook over de bebouwing die nog kan worden gebouwd volgens het omgevingsplan, mits hiervoor de Ladder is toegepast. Het stedenbouwkundig plan voorziet in een groter beslag op de ruimte. Er worden meer woningen toegestaan. Deze woningen worden deels toegestaan op locaties die nu zijn aangewezen met de functie 'Groen'. Dit nieuwbouwproject is daarom aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Behoefte

Het voorliggende nieuwbouwproject maakt de bouw van 23 kwalitatief hoogwaardige woningen mogelijk, die bovendien levensloopbestendig zijn en voor meerdere doelgroepen geschikt zijn. De nieuwbouw past binnen het gemeentelijke beleid zoals beschreven. Het bouwproject voorziet in de vraag naar dit type woningen. Gesteld kan worden dat het project voorziet in een behoefte.

Bestaand stedelijke gebied

De omgevingsplanlocatie is in het geldende bestemmingsplan deels al bestemd als woningbouwlocatie. De locatie bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied.

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden die in het kader van toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking relevant zijn. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

6.3 Duurzaamheid

Wettelijk kader

In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:

"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.

Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

Toetsing

Het inrichtingsplan sluit zo veel mogelijk aan op bestaande functionele- en ruimtelijke structuren. Er wordt zorgvuldig omgegaan met waarden als groen en water. De aanleg van van nieuwe ontsluitingswegen wordt tot een minimum beperkt. In het plangebied is veel groen aanwezig. De bestaande bomen zijn zoveel mogelijk in het ontwerp ingepast. Door de aanleg van groen wordt de biodiversiteit bevorderd. Er worden diverse duurzaamheidsmaatregelen toegepast.

Door, onder andere, gebruik te maken van de parkeerplaatsen van de MFA zijn er minder nieuwe parkeerplaatsen benodigd. Hiermee wordt voorkomen dat er extra verharding wordt aangelegd.

Conclusie

Het aspect duurzaamheid is betrokken bij het onderhavige initiatief. Er zitten diverse maatregelen op het gebied van duurzaamheid in de planvorming hetgeen ook de gezondheid van de bewoners en omwonenden ten goede komt.

6.4 Gezondheid

Wettelijk kader

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.

Toetsing

In dorpen is de luchtkwaliteit goed. In het dorp zijn geen bronnen aanwezig die een negatieve invloed kunnen hebben op de gezondheid van de bewoners. In het gebied blijft een waterbufferend vermogen door de aanleg van diverse voorzieningen aansluitend op de voorzieningen die al aanwezig zijn, zie ook de waterparagraaf. De waterhuishouding wordt integraal meegenomen in het omgevingsontwerp. Door de groenstructuur en het aanleggen van de centrale parkeerplaatsen zal met de ontwikkeling sprake zijn van een duurzame invoeging van het plan in de bestaande omgeving.

Conclusie

Het woningbouwproject wordt op een passende wijze ingevoegd in de bestaande omgeving en voorziet daarmee in een randvoorwaarde voor een gezonde leefomgeving dat daarmee een positieve stimulans kan betekenen voor een gezond gedrag en een gezonde levensstijl.

6.5 Verkeer en parkeren

Wettelijk kader

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan, de gemeentelijke parkeernormen en/of de kencijfers van de CROW.

Toetsing parkeren

De gemeente geeft in het Facetbestemmingsplan Parkeren Westerwolde aan dat op 2 juni 2021 het 'Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan 2021-2031' (GVVP) vastgesteld is. In artikel 4.4.5 van het GVVP staat dat de gemeente de parkeernormen volgens 'Parkeercijfers 2024' van het CROW aanhoudt. Volgens de parkeerkencijfers moeten er maximaal 43,9 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Hierbij is uitgegaan van 2 'koop, huis, twee-onder-een-kap', 13 'koop, huis, tussen/hoek' en 8 'huur, huis, sociale huur'. De woningen worden gebouwd in de schil van het centrum in een niet stedelijk gebied. Ook is conform de CROW norm per woning rekening gehouden met 0,2 parkeerplaats voor bezoekers.

In het ontwerp stedenbouwkundig plan zijn 23 parkeerplaatsen aan de randen van het plangebied opgenomen. Voor de overige parkeerplaatsen kan gebruik gemaakt worden van parkeerplaats bij het MFA. Uit de door Buro Hollema opgestelde parkeermemo (bijlage 5) blijkt dat ruimschoots aan deze parkeervraag kan worden voldaan. Bezoekers/gebruikers van het MFA parkeren met name in de ochtend en in de middag, terwijl bewoners vaak 's avonds (na werktijd) gebruik maken van de parkeervoorzieningen.

Toetsing verkeersontsluiting

Met het betreffende aantal woningen ontstaat een extra verkeersgeneratie van maximaal 136,7 voertuigen per etmaal. Gezien de bestaande verkeersintensiteiten op de wegen in de omgeving van het plangebied, zorgt de ontwikkeling daarmee niet voor een onevenredige toename van de hoeveelheid verkeer. De voertuigbewegingen gaan op in het heersende verkeersbeeld.

Conclusie

In deze gebiedsontwikkeling is rekening gehouden met de gemeentelijke parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

6.6 Natuur

Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soorten beschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden, waaronder stikstofgevoelige gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een landelijk netwerk van natuur- en agrarische gebieden met een speciale natuurkwaliteit. De provincie Groningen streeft naar een goed werkend robuust natuursysteem dat zorgt dat de kwaliteit van natuur zich duurzaam verbetert. Het NNN bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit ecologische verbindingen die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. Ecologische verbindingen vormen een waardevol onderdeel van het NNN. Via bermen, natuurstroken langs watergangen en ecoducten kunnen dieren van het ene gebied naar het andere trekken. Dat komt ten goede aan de kwaliteit van de natuurgebieden. Het behalen van Europese natuurdoelen voor deze gebieden vormen de belangrijkste natuuropgave voor het NNN.

Soortenbescherming 

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Toetsing gebiedsbescherming

Toets Natura 2000 gebieden en Natuurnetwerk Nederland, stikstofberekening

Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een Natura 2000 gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Lieftinghsbroek, een gebied van 20 hectare, is op geruime afstand (8 km.) gelegen. De gebieden rondom Sellingen zijn onderdeel van het NNN en liggen op afstand van het plangebied buiten de kern van Sellingen. De voorgenomen ingreep zal naar verwachting geen afbreuk doen aan de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur, EHS). Het plangebied ligt op een afstand van 130 meter van het Natuurnetwerk Nederland en geldt er binnen provincie Groningen geen externe werking als het gaat om het NNN. Effecten hoeven in die zin niet verder beschouwd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0008.png"

Figuur 6.1 : Overzicht dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied (bron: AERIUS).

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0009.png"

Figuur 6.2: NNN gebieden rondom Sellingen (bron: buro Hollema).

Aan de hand van de resultaten uit het stikstofrapport, dat ingaat op de bouw- en gebruiksfase van het project, wordt geconcludeerd dat er geen significant negatief effect op stikstofgevoelige gebieden is door stikstofdepositie. De depositie is =0,00 mol N/ha/jr. Voor het bouwen en in gebruik nemen van de 23 woningen is wat stikstof betreft geen toestemming benodigd in het kader van de Omgevingswet. Zie voor meer achtergrond en toelichting het Stikstofonderzoek in Bijlage 6. De diverse AERIUS berekeningen zijn eveneens in de bijlagen te vinden.

Toetsing Soortenbescherming

Op 7 april 2023 is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd door Bureau Biota (als bijlage 8 toegevoegd aan deze motivering). Uit dit onderzoek komt naar voren dat de geplande woningbouwlocatie als leefgebied wordt gebruikt door verschillende diersoorten en dat de quickscan onvoldoende is om de conclusie te trekken dat er geen significante effecten zijn op diersoorten. Daarom wordt nader onderzoek geadviseerd. Dit onderzoek moet zich richten op grote bosmuis, kleine marterachtigen en eekhoorn. Dit onderzoek is uitgezet. Voor overige soorten worden geen nadelige effecten verwacht, zolang men zich houdt aan de zorgplicht. Het is daarom belangrijk aanwezige dieren te allen tijde een vrije vluchtroute te bieden, dieren niet onnodig te verstoren en waar mogelijk daarom werkzaamheden buiten de kwetsbare periodes van eventueel aanwezige dieren uit te voeren. Denk hierbij met name aan het werken buiten het broedseizoen.

Conclusie

Gezien de ligging van de locatie in de bebouwde kom van Sellingen, de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de huidige inrichting en de aard van het woningbouwplan, kunnen negatieve effecten op in het kader van de Wnb en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde natuurgebieden worden uitgesloten. Door het toevoegen van de woningen neemt de stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig gebied niet toe.

6.7 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10).

Toetsing

(De activiteiten in) het project behoren tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen (standaardactiviteiten zijn genoemd in artikel 5.54 Bkl) of, als de activiteit niet is genoemd, leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Is dit het geval, is er geen belemmering voor het toelaten van de activiteit. De gemeente Westerwolde is niet aangewezen als een concentratiegebied in artikel 5.51 lid 2 Bkl.

Uit onderstaande case berekening volgt de toename van fijnstof door de extra voertuigbewegingen wanneer de nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0010.png"

Figuur 6.3: NIBM berekening (bron: Buro Hollema).

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

6.8 Geluid

Geluidsaspecten en de daarmee gepaard gaande effecten kunnen zich op de volgende wijzen manifesteren:

  • Geluid door algemene milieubelastende activiteiten
  • Geluid door specifieke milieubelastende activiteiten
  • Geluid door horeca-activiteiten
  • Geluid door windturbines
  • Schietgeluid
  • Geluid door wegen met geluidproductieplafonds
  • Geluid door spoorwegen met geluidproductieplafonds
  • Geluid door industrieterreinen
  • Geluid door wegen en lokale spoorwegen op b
  • Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden 

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Toetsing

Van belang in dit omgevingsplan is het geluid vanwege de omliggende wegen op de nieuw te realiseren woningen en geluid vanwege in de omgeving aanwezige voorzieningen. Door het dorp loopt de N976. Dit is een 50 km/u weg. De woningbouwlocatie ligt op een afstand van meer dan 50 meter van de N976. De wegen die grenzen aan de woningbouwlocatie zijn 30 km/u wegen. Volgens de kaarten op de Atlas leefomgeving is de geluidbelasting op de woningbouwlocatie ten hoogste 50dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde en is nader onderzoek niet nodig.

De woningbouwlocatie ligt in het centrum van Sellingen. In de omgeving van de locatie is een buurthuis en zijn scholen aanwezig. Zowel een buurthuis als onderwijs vallen onder zone 1 voor geluid. Dit houdt in dat er een richtafstand moet zijn van minimaal 30 meter. De afstand tot het onderwijs is meer dan 30 meter.

Conclusie

Het aspect geluid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

6.9 Geur

Wettelijk kader

In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.

Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:

  • bestaande toetsingskaders, zoals lokaal geurbeleid;
  • geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties;
  • aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit;
  • historie van het bedrijf en het klachtenpatroon;
  • bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit;
  • kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.
  • Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden.

Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:

  • wonen;
  • dienstverlening;
  • bedrijvigheid;
  • detailhandel;
  • horeca.

Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel.

Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1).

Toetsing

De projectlocatie ligt in de bebouwde kern van Sellingen. In de kern liggen enkele agrarische cultuurgronden zonder bouwvlak. Buiten het dorp liggen op geruime afstand agrarische bedrijven met bijbehorende bouwvlakken. Deze vormen, gezien de afstand en de reeds aanwezige woonbebouwing, geen belemmering voor de bouw van de woningen. Omgekeerd belemmert de nieuwbouw het functioneren van de omliggende agrarische functies niet.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

6.10 Omgevingsveiligheid

Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid kan zich in de vorm van de volgende aspecten manifesteren:

  • Bluswater en bereikbaarheid
  • Externe veiligheid
  • Natuurbranden
  • Windturbines
  • Overstroming en klimaatadaptatie
  • Evenementen
  • Veilig gebruik van gebouwen
  • Voorkomen van ontwrichtende rookoverlast
  • Zorgcontinuïteit
  • Risico communicatie
  • Veilige energietransitie
  • Veiligheid en milieu

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toetsing

Externe veiligheid

De woningbouwlocatie is gelegen in de kern van Sellingen. In de directe omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen voor met veiligheidscontouren en er liggen tevens geen buisleidingen in de omgeving. Het is een inbreidingslocatie binnen woongebied en ligt op circa 100 meter afstand van de doorgaande weg N976.

In de onderstaande figuur is de ligging van de locatie ten opzichte van invloedsgebieden van mogelijke risicobronnen weergegeven. Zoals in onderstaande figuur te zien is, ligt het gebied niet binnen invloedsgebieden van mogelijke risicobronnen, en is het dus niet in strijd met regelgeving omtrent externe veiligheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0011.png" Figuur 6.4: Externe veiligheid kaart (bron: Atlas Leefomgeving).

Veiligheidszone (N976)

Over het plangebied liggen veiligheidszone 2 en 4. Veiligheidszone 2 is 200 meter breed. Binnen veiligheidszone 2 is een nadere verantwoording van het groepsrisico van toepassing. Veiligheidszone 4 is 355 meter breed. Voor ontwikkelingen binnen dit gebied is het verplicht om aandacht te besteden aan het veiligheidsniveau en moet er rekening gehouden worden met het veiligheidsrisico van branden, rampen en crises voor alle 2 typen buitenlocaties (kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties). In figuur 6.5 is te zien hoe het plangebied zich verhoudt tot beide veiligheidszones.

In het voorliggend plan worden 23 woningen gerealiseerd. Dit betreft kwetsbare gebouwen. De bewoners van deze woningen zijn zelfredzaam. Er worden 4 zorgwoningen gerealiseerd. Deze hebben geen woonfunctie voor 24-uurszorg en betreffen geen verpleeghuis. Daarom worden deze niet aangemerkt als zeer kwetsbare gebouwen. De bewoners zijn eveneens zelfredzaam en kunnen in geval van een calamiteit snel vluchten, mede doordat de woningen gelijkvloers zijn. Conform de regels uit het bestemmingsplan is een gebruiksfunctie voor verminderd zelfredzamen ook in de toekomst uitgesloten.

Het plangebied beschikt over meerdere vluchtmogelijkheden, zowel binnen het gebied als in de richting van de risicobron af. De te realiseren parkeerplaatsen zijn goed bereikbaar voor hulpdiensten. Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan is hiermee rekening gehouden, zodat hulpdiensten de bewoners in korte tijd kunnen bereiken. De woningen worden gerealiseerd binnen een bestaande woonwijk en maken gebruik van de aanwezige bluswatervoorziening. Daarmee wordt voldaan aan de geldende eisen voor brandveiligheid.

Voorliggend initiatief betreft de realisatie van 23 woningen. Gelet op een gemiddeld huishouden, betreft het initiatief een toename van ongeveer 50 personen. Daarom zijn er aanvullende aspecten waarop ingegaan dient te worden.

De locatie van het plangebied is geschikt vanwege de redenen die bij de ladder voor duurzame verstedelijking zijn benoemd. Het plangebied betreft een locatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Gezien het uitgangspunt dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied niet gewenst zijn, is dit plangebied de meest geschikte locatie voor de voorgenomen ontwikkeling. Door toepassing van de hierboven beschreven maatregelen wordt het veiligheidsniveau binnen het plangebied verhoogd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0012.png"

Figuur 6.5: Veiligheidszone 2 en 4 (Bron: Regels op de kaart)

Toets fysieke veiligheid

De woningbouwlocatie kan via diverse zijden op een effectieve manier worden verlaten ingeval van een calamiteit. De dichtstbijzijnde brandweerkazernes zijn de kazernes in Vlagtwedde en Ter Apel.

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen invloed op deze ontwikkeling.

6.11 Trilling

Wettelijk kader

Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS.

Toetsing

Een onderzoek naar trillingen is voor dit initiatief niet relevant. In de nabijheid van de locatie zijn geen bronnen die trillingen veroorzaken aanwezig. De gemeente Westerwolde maakt geen onderdeel uit van het aardbevingsgebied van de provincie Groningen.

Conclusie

Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de doorgang van voorliggend plan.

6.12 Omgevingskwaliteit

Voor deze aspecten wordt verwezen naar 2.2 Beoogde activiteiten (beoogde situatie), het Ontwerp stedenbouwkundig ontwerp Sellingen Torenstraat en de Handout LAOS.

6.13 Cultureel erfgoed

Wettelijk kader

  • Archeologie
  • Cultuurhistorie
  • Rijksmonumenten
  • Karakteristieke panden
  • Rijksbeschermd stadsgezicht
  • Omgeving van het monument

Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Zo is er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Toetsing

Met de landschappelijke inpassing en het schetsontwerp en de daarin opgenomen maatregelen, wordt het nieuwbouwplan op een passende wijze ingevoegd in het landschap, de bestaande bebouwing en wordt aangesloten bij (historisch gegroeide) structuren. Bestaande waardevolle elementen worden zoveel mogelijk bewaard en waar mogelijk versterkt. In 6.1 bleek al, dat er geen archeologische beletselen zijn.

Conclusie

De ontwikkeling, planologisch mogelijk gemaakt met dit TAM-IMRO omgevingsplan is niet in strijd met geldend beleid en instructieregels ten aanzien van cultureel erfgoed in brede zin.

6.14 Bodem

Wettelijk kader

  • Bodemkwaliteit
  • Bodemopbouw en grondwater
  • Conventionele Explosieven

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2);
  • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal);
  • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4)
  • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Toetsing

Er is een bodemrapportage uitgevoerd, zie bijlage 9. De eindconclusie daarvan luidt, dat er geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem, geen belemmering voor het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie.

Conclusie

Er is geen beperking voor de ontwikkeling van de locatie vanwege bodemaspecten.

6.15 Water

Wettelijk kader

  • Bodem en grondwater
  • Waterkwantiteit
  • Waterkwaliteit
  • Waterveiligheid
  • Waterketen
  • Vaarwegen
  • Klimaatverandering

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten.

De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • watercompensatie in verband met toenemende verharding
  • Waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning
  • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken
  • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater

Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Aanvullende instructieregels

Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:

  • bescherming van primaire waterkeringen, Zie artikel 5.38 Bkl.
  • behoud waterveiligheid kust, artikel 5.40 van het Bkl.
  • behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl.
  • IJsselmeergebied, artikel 5.49 van het Bkl.

Toetsing

Voor het woningbouwproject in Sellingen is op 28 mei 2024 een watertoets uitgevoerd voor het initiatief. Uit deze toets komt naar voren dat de 'normale procedure' van toepassing is. Hiervoor heeft het waterschap Hunze en Aa's een standaardwaterparagraaf verstrekt. Integraal onderdeel van het plan is het compenseren van de toename van de verharding met de berging van het water in het plangebied. In onderstaande tabel komt tot uitdrukking, dat er (meer dan) voldoende berging plaatsvindt. De uitwerking van de plannen gebeurt in nauw overleg met het waterschap en met de gemeente. Het waterschap is akkoord met de uitwerking. Met de gemeente wordt de ontwikkeling ook afgestemd op het water- en rioleringsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2508-vs01_0013.png"

Figuur 6.6: Berging van water in het plangebied (bron: Buro Hollema).

Conclusie

Er is geen beperking voor de ontwikkeling van de locatie vanwege wateraspecten.

6.16 M.e.r.- beoordeling

Wettelijk kader

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.

Toetsing

Een stedelijk ontwikkelingsproject is onder J11 opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. In het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het project. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. Als een ontwikkeling negatieve milieugevolgen heeft dan is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien met dit TAM-omgevingsplan 23 woningen worden bestemd, is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het aantal verkeersbewegingen en de oppervlakteverharding neemt toe. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten geldt geen m.e.r.-plicht. Wel dient beoordeelt te worden of niet alsnog het opstellen van een m.e.r. nodig is. Hiervoor is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage 10 bij deze motivering opgenomen.

Conclusie

In de m.e.r.-beoordelingsnotitie is aangetoond dat gelet op de aard, omvang en de milieugevolgen voor dit woningbouwproject geen m.e.r. opgesteld hoeft te worden.

Hoofdstuk 7 Uitvoering

Het betreft een particulier initiatief. De gronden binnen het plangebied zijn eigendom van de initiatiefnemer. De realisatie is voor rekening en risico van initiatiefnemer en heeft derhalve geen financiële risico’s voor de gemeente. Voor wat betreft mogelijk kostenverhaal zal de gemeente met initiatiefnemers een overeenkomst sluiten, op grond waarvan de gemeente eventuele kosten, waaronder mogelijke planschade, op initiatiefnemers kan verhalen.

Hoofdstuk 8 Toezicht en handhaving

De gemeente Westerwolde heeft in 2019 een uitvoeringsprogramma Vergunningen, Toezicht en Handhaving opgesteld. Het richt zich op de taken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Bouwen en ruimtelijke ordening

De controles zijn voornamelijk gericht op gezondheid en veiligheid, zoals constructieve veiligheid, bouwkundige risico’s en brandveiligheid. Vergunningsvrije bouwwerken worden alleen bij meldingen/klachten gecontroleerd. We streven naar goed contact met de aanvrager, aannemer etc. dit doen we vroeg in het proces, zodat iedereen meegenomen wordt in het proces. Toezicht wordt gehouden op basis van de prioriteitenmatrix (zie Beleidsplan VTH 2019-2023).

Gebruik conform omgevingsplan

Wat betreft het gebruik van het bouwwerk (bijv. wonen of werken) is het van belang dat dit past in het omgevingsplan en dat het woon- en leefklimaat voldoende wordt gewaarborgd. Vaak wordt deze activiteit naast een andere activiteit (bijv. bouwen) vergund. Het toezicht wordt dan integraal opgepakt.

Hoofdstuk 9 Kostenverhaal

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

In gevallen waarin een ontwikkeling alleen gerealiseerd kan worden met een financiële bijdrage vanuit de gemeente, dan wordt in deze paragraaf een passage daarover opgenomen.

9.1 Anterieure overeenkomst

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

De gemeente zal met de ontwikkelaar een anterieure overeenkomst sluiten voor het kostenverhaal.

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

9.2 Regels kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob). In dit geval is geen sprake van het sluiten van een kostenverhaalsovereenkomst, maar worden de door de gemeente gemaakte kosten via legesheffing betaald.

Nadeelcompensatie

In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

Hoofdstuk 10 Participatie en keten

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het participatietraject er voor de beoogde ontwikkeling uit ziet. Welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht en welke ketenpartners zijn geconsulteerd. Welke andere belanghebbenden zijn op de hoogte gebracht en hoe zag dit traject eruit.

Initiatiefnemer heeft tijdens de voorbereiding van het project een informatieavond voor omwonenden en andere belangstellenden gehouden. Op basis hiervan zijn aanpassingen in de aanleg van de parkeervoorzieningen doorgevoerd. Hiervan is verslaglegging gedaan. Dit is te lezen in bijlage 11. Ook heeft initiatiefnemer op individueel niveau contact met omwonenden.

Er is een terugkomavond georganiseerd waarin verslag is gedaan van de wijzigingen op basis van de inbreng. Mensen waren hier gelukkig mee. Alle inbreng is verwerkt. Dit leidt tot een grote mate van tevredenheid. Het participatieverslag is te lezen in bijlage 12.

Het plan is tevens, in het kader van het vooroverleg, voorgelegd aan de provincie Groningen en het Waterschap. De provincie Groningen heeft de voorloverlegreactie op 31 juli 2025 verstuurd. In deze reactie is door de provincie aandacht gevraagd over de transportroutes externe veiligheid, flora- en fauna-activiteiten, en Natura 2000-activiteit. De transportroutes externe veiligheid zijn behandeld in paragraaf 6.10 Omgevingsveiligheid. Wat betreft de flora- en fauna-activiteiten geeft de provincie aan dat er, naar aanleiding van de quickscan, aanvullend onderzoek benodigd is. De resultaten van dit aanvullend onderzoek zijn te lezen in paragraaf 6.6 Natuur. Ten slotte merkt de provincie een verschil op tussen het aantal koude starts in de stikstofberekening en het stikstofonderzoek. Dit is meegenomen in de vernieuwde stikstofberekening- en onderzoek na de AERIUS-update van 7 oktober 2025. Hiermee wordt voldaan aan de 3 opmerkingen van de provincie Groningen.

Na het vooroverleg volgt de wettelijke procedure.