direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bourtange, Bourtanger Tuinen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1950.BP2001-vs01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Aanleiding
Het voornemen is om tegen de rand van de bebouwde kom, in het noordwesten van Bourtange, 7 woningen te realiseren.

Op een deel van de locatie is het realiseren van 3 woningen planologisch al toegestaan, omdat de indeling van de bouwmogelijkheden wijzigen, past de voorgenomen ontwikkeling niet in het geldende bestemmingsplan. Op een deel van het plangebied geldt een wijzigingsbevoegdheid van Agrarisch naar wonen. Om uitvoering te geven aan het voornemen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

Begrenzing en vigerend plan
Op navolgende luchtfoto is de ligging van het plangebied aangegeven. Te zien is dat het plangebied aan de rand van het dorp Bourtange ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0001.png"
Luchtfoto met ligging plangebied (bron: GoogleMaps)

Het gebied valt onder het bestemmingsplan Bourtange Dorp (vastgesteld d.d. 28 mei 2013). Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan twee vlakken waarop de bestemming Wonen - 1 geldt. Binnen de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' kunnen in het gebied reeds 2 woningen worden gebouwd en binnen het andere gebied kan reeds 1 woning worden gebouwd. In het plangebied is de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied opgenomen, welke deze drie woningen ontsluit via de Van Sonoystraat.

Het andere deel van het plangebied is bestemd als Agrarisch Cultuurgrond met een gebiedsaanduiding 'wro zone - wijzigingsgebied'. De wijzigingsbevoegdheid geeft de mogelijkheid om deze gronden te wijzigen naar een woonbestemming voor maximaal 11 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0003.png"
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Bourtange Dorp met zwart omlijnd het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Leeswijzer
De toelichting is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de historische ontwikkeling van het gebied. In hoofdstuk 3 komen de huidige en de nieuwe situatie van het gebied aan de orde. In hoofdstuk 4 volgt het relevante beleid van de provincie en de gemeente. De uitvoerbaarheidsaspecten wegverkeerslawaai, milieuzonering, externe veiligheid, bodem, water, luchtkwaliteit, ecologie en archeologie komen in hoofdstuk 5 aan bod. De laatste hoofdstukken gaan in op de juridische vormgeving en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project.

Hoofdstuk 2 Huidige en nieuwe situatie

2.1 Huidige situatie

Ligging en bereikbaarheid
Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Bourtange, in het noordwesten van het dorp. Het plangebied grenst aan de bebouwing aan de Vlagtwedderstraat en aan de woningen en tuinen aan de Van Sonoystraat. Aan de andere zijden grenst het plangebied aan agrarische gronden.

In het plangebied is geen infrastructuur aanwezig. Het plangebied is wel op twee manieren te bereiken, via een inrit aan de Vlagtwedderstraat en via de Van Sonoystraat.

Huidig gebruik
In het plangebied is geen bebouwing of infrastructuur aanwezig. Er is ook geen opgaand groen aanwezig. Het plangebied is deels in gebruik als agrarische grond en deels ingericht met grasland. Op onderstaande luchtfoto is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0004.png"
Luchtfoto (ingezoomd) met begrenzing plangebied (bron: GoogleMaps)

2.2 Nieuwe situatie

In 2006 is voor het plangebied het bestemmingsplan Uitbreiding Bourtange vastgesteld. Het plan voorzag in 14 nieuwe woonkavels, waarvan er drie bij recht konden worden gebouwd (in lijn met het toen geldende volkshuisvestingsbeleid van de provincie). Voor de andere kavels was een bouwverbod opgenomen dat kon worden opgeheven wanneer de woningbouwcontingenten beschikbaar waren. Het plan werd niet gerealiseerd, maar de bouwmogelijkheden zijn in 2013 wel overgenomen in het bestemmingsplan Bourtange Dorp.

Uitgangspunten
Het voornemen is gebaseerd op de uitgangspunten die in het geldende bestemmingsplan zijn opgenomen. Zo is het voornemen om vrijstaande dan wel halfvrijstaande woningen te bouwen.

De indeling van het gebied is globaal bepaald en wijkt iets af van de uitgangspunten van het geldende plan. Het voornemen wordt ontsloten via de Van Sonoystraat. Vanaf deze straat loopt er één doodlopende weg het plangebied in. Op het perceel V1273 is er de mogelijkheid om een weg te realiseren, welke niet gebruikt kan worden als doorgaande weg voor gemotoriseerd verkeer (er zal hier een - te verwijderen - paal worden geplaatst), zodat deze wel gebruikt kan worden voor hulpdiensten, fietsers en wandelaars.

Het meest noordoostelijk gelegen deel van het plangebied blijft onbebouwd en wordt gebruikt als tuin bij één van de woningen aan de Van Sonoystraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0005.jpg"
Voorgenomen plannen in het plangebied

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie doelen uitgewerkt:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • verbeteren van de bereikbaarheid;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Met de hiervoor genoemde doelen zijn dertien nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de Ladder van duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het volgende hoofdstuk word hier nader op ingegaan.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft het Rijk voorts enkele nationale belangen voorzien van bindende regels. Deze dienen bij ruimtelijke plannen in acht te worden gehouden. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor bindende regels zijn opgenomen.

3.2 Provinciaal beleid

Provinciaal Omgevingsvisie en -verordening
Provinciale Staten hebben op 1 juni 2016 de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 en bijbehorende verordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staat het omgevingsbeleid van de provincie op het gebied van milieu, verkeer en vervoer, water en ruimtelijke ordening.

Belangrijke punten in het provinciale beleid, relevant voor dit bestemmingsplan, zijn volgens de nieuwe Omgevingsvisie de volgende.

  • blijvende zorg voor ruimtelijke kwaliteit;
  • bundeling van verstedelijking in daartoe aangewezen stedelijke gebieden;
  • nieuwe woningbouw regionaal afstemmen;
  • bescherming van kwetsbare functies vanuit oogpunt van externe veiligheid.

Tegelijk met de Omgevingsvisie is ook de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 vastgesteld. In de Omgevingsverordening zijn de regels voor de fysieke leefomgeving gebundeld in een document.

Ten aanzien van woningbouw is titel 2.4 van de Omgevingsverordening relevant. Hierin zijn artikelen opgenomen voor de zorg voor een op de regionale behoefte afgestemde woningraad. In artikel 2.15.1 is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen kan voorzien in de bouw van nieuwe woningen, voor zover deze woningbouwmogelijkheden overeenstemmen met de regionale woonvisie. Het gaat hierbij om de aard en locatie van het woningbouwproject en het aantal woningen. In de paragrafen 3.3 en 3.4 wordt hier nader op ingegaan.

Naast deze regel zijn er nog een aantal regels uit de Omgevingsverordening van toepassing op het plan. Zo is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangewezen als leefgebied voor akkervogels. De toetsing aan de regeling zoals opgenomen in de verordening is te vinden in paragraaf 4.7 van deze toelichting. Verder ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (Vlagtwedderstraat). In paragraaf 4.8 van deze toelichting wordt getoetst of hieruit belemmeringen komen voor het voornemen. Tot slot is het plangebied gelegen op een 'dekzandrug'. De beschermende regels uit de Omgevingsverordening, rondom de dekzandrug, zijn verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.

3.3 Regionaal beleid

Prestatiekader RWLP Regio Oost-Groningen 2018-2023
Het Prestatiekader RWLP Regio Oost-Groningen 2018-2023 is een flexibel en praktisch regionaal kader waarbinnen de verschillende gemeenten een eigen woonvisie kunnen ontwikkelen. Tussen de verschillende gemeenten zijn afspraken gemaakt over bijvoorbeeld dynamisch voorraadbeheer, leefbaarheid, voorzieningen, zorg en welzijn. Door middel van deze afspraken hebben de gemeenten houvast en kunnen ze samen werken aan de bovengenoemde onderwerpen. Iets wat binnen de gemeentegrens niet op te lossen is. In de volgende paragraaf wordt dit nader vorm gegeven middels het gemeentelijk woonbeleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

Woonvisie en regionaal beleidskader

De gemeente Westerwolde heeft op 20 maart 2019 de nieuwe Woonvisie vastgesteld. Thema van de woonvisie is 'Vernieuwen en vitaal houden'. De nieuwe woonvisie is gebaseerd op het regionale woningbouwkader (Prestatiekader RWLP regio Oost Groningen 2018-2023).

Bourtange is één van de kleine kernen van de gemeente Westerwolde. Voor kleine kernen wordt aangegeven dat de gemeente rekening houdt met krimp, en daarmee ook met sloop van woningen. Wel wil de gemeente medewerking verlenen aan 'acupunctuur'-ingrepen die aansluiten bij een concrete, actuele behoefte. Daarnaast verleent de gemeente ook medewerking aan initiatieven die passen binnen de toegestane ruimte voor extra nieuwbouw in de kleine kernen met in principe een maximum aantal van 6 woningen.

Het planvoornemen ziet op het realiseren van 7 woningen. Echter zijn bij recht (in het vigerende bestemmingsplan Bourtange Dorp) al 3 woningen toegestaan, Verder past het plan binnen de toegestane ruimte voor extra nieuwbouw binnen het gemeentelijke woonbeleid.

Westerwolde Samen Verduurzamen
De gemeente Westerwolde stelde in november 2018 de visie 'Westerwolde Samen Verduurzamen' vast. De visie vormt de leidraad om de ambities van de gemeente op het terrein van duurzaamheid te bewerkstelligen. De gemeente heeft de doelstellingen: 49% CO2 reductie, energieneutraal in 2035, circulair in 2050. Één van de onderdelen om dit te bereiken is duurzaam wonen. Ontwikkelingen op het gebied van duurzaam wonen gaan razendsnel waardoor er steeds meer keuzemogelijkheden zijn om woningen te verduurzamen. Hiernaast wordt er gezocht naar financiële ondersteuning voor mensen met een kleine beurs.

De woningen zullen voldoen aan de meest actuele eisen omtrent duurzaam bouwen en wonen.

Welstandsnota
Een belangrijke pijler van de Welstandsnota Vlagtwedde vormen de algemene criteria, de gebiedsgerichte criteria en de objectgerichte criteria. Deze worden gehanteerd om te beoordelen hoe het bouwwerk zich in zijn omgeving voegt. Hiertoe is de gemeente opgedeeld in deelgebieden. Voor elk deelgebied gelden specifieke welstandscriteria. Onderlegger van de gebiedsindeling vormen de diverse historische bebouwingslinten en dorpstypen in de gemeente.

In het algemeen richten de welstandscriteria zich op het handhaven van de kenmerkende ruimtelijke structuur en de gevarieerde bebouwing. Dit betekent dat 'aansluiting bij de historische context' een essentieel uitgangspunt vormt bij nieuw- en verbouw. Voor de historische linten zijn specifieke welstandscriteria geformuleerd.

Bij verdere uitwerking van het plan wordt het plan aan de welstandsnota getoetst.

3.5 Conclusie

Hiervoor is het relevante ruimtelijke beleid van het rijk, de provincie, de regio en de gemeente beschreven. Bij de beschrijving van het beleid blijkt in alle gevallen dat de in dit plan voorgenomen ontwikkeling passend is in het geldende beleid van de verschillende overheden. Voor een aantal aspecten geldt dat de toetsing plaatsvindt in één van de paragrafen in het volgende hoofdstuk, bijvoorbeeld ecologie en externe veiligheid. Vooruitlopend hierop wordt op deze plaats geconcludeerd dat ook deze toetsing niet leidt tot strijdigheid met het ruimtelijke beleid.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksaspecten

In dit hoofdstuk komen de verschillende milieu- en onderzoeksaspecten aan de orde waarnaar in het kader van dit project onderzoek moet worden verricht.

4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader
De Ladder is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.


De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkómen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's.

De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:

  • Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
  • Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
  • Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
  • Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

In het navolgende worden de hierboven genoemde aspecten beschreven en afgewogen.

Ad 1.
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie. Hieruit blijkt dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving bepaalt of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het geval van wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ‘Ladderplichtig’ is, waarbij tevens geldt dat het een nieuwe ontwikkeling betreft.

Voor dit plan geldt dat er 7 woningen worden toegestaan, hiermee blijft het plan onder de grens van 12 woningen. Daarnaast zijn 3 van deze woningen ook al bij recht toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Conclusie
Omdat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling hoeft de Ladder niet verder doorlopen te worden. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet wel worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. In paragraaf 3.4 is het voornemen getoetst aan de gemeentelijke woonvisie.

De Ladder van duurzame verstedelijking is niet van toepassing op het plan.

4.2 Geluidhinder wegverkeer

In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones. Dit geldt niet voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. Bij de situering van geluidgevoelige bebouwing zoals woningen binnen een zone dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. De nieuw te realiseren woningen bevinden zich binnen de geluidszone van de Vlagtwedderstraat (N365).

In bijlage 1 is de rapportage van het akoestisch onderzoek toegevoegd. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidsbelasting op de gevel van de woningen en deze te toetsen aan de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek blijkt dat de te realiseren woningen voldoen aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai.

Het thema geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

4.3 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.

NSL/nibm
Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Projectplan
Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van maximaal 7 woningen. Op basis van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is de verkeersgeneratie van een vrijstaande woning in niet stedelijk gebied in de bebouwde kom bepaald op 8,6 ritten per etmaal. De toename van de totale verkeersgeneratie bedraagt derhalve 61 ritten.

Nibm-tool
Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het voormalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0006.png"

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project moet derhalve worden beschouwd als een nibm-project.

Achtergrondniveaus
Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.

Daartoe is gebruikgemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.

De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40µg/m3 en voor PM2,5 is de grenswaarde 25µg/m3.

Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2, PM10 en PM2,5.

Achtergrondniveaus luchtkwaliteit  
Stof   2020   2030  
PM2,5   7,6 µg/m3   5,7 µg/m3  
PM10   13,9 µg/m3   11,8 µg/m3  
NO2   7,9 µg/m3   5,4 µg/m3  

Conclusie
Uit de gemeten en berekende achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven. Daarnaast is geconcludeerd dat het een nibm-project betreft. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

4.4 Bodem

Wettelijk kader
Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan dient de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie.

Onderzoek
Door onderzoeksbureau Klijn is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek (d.d. 5 februari 2020, projectnummer 19KL468) is als bijlage 2 bijgevoegd.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein voor woningen. Ook is het aannemelijk, gezien de historie van het perceel en de uitgevoerde maaiveldinspectie en zintuiglijke waarnemingen, dat er geen verontreiniging van de bodem met asbest is.

Voor de volledigheid is in het onderzoek vermeld dat de grond naar verwachting zonder beperkingen kan worden hergebruikt. Hierbij wordt opgemerkt dat dit een indicatieve toetsing aan de Regeling en het Besluit Bodemkwaliteit betreft; het uitgevoerde onderzoek betreft geen partijkeuring. De gronden in het plangebied worden niet afgevoerd, maar worden hergebruikt binnen het plangebied.

PFAS
Sinds 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader van kracht ten aanzien van PFAS. Dit handelingskader heeft gevolgen voor projecten waar sprake is van afvoer van grond. Wanneer voor dit project sprake is van afvoer van grond, moet de grond in de uitvoerende fase onderzocht worden op aanwezigheid van PFAS. De verwachting is dat dit onderzoek en eventuele aanwezigheid van PFAS geen risico vormt voor de uitvoerbaarheid van het project.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

4.5 Milieuhinder

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en voorzienbaar gevaar door milieubelastende activiteiten. Bedrijven kunnen in categorieën worden ingedeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse typen bedrijven en een rustige woonwijk. Deze afstanden hebben uitdrukkelijk niet het karakter van een norm.

Aanwezige bedrijven en inrichtingen
Nabij het plangebied komen een beperkt aantal bedrijven in de categorieën 1 en 2 (met bijbehorende hinderafstand) voor. Het gaat om een camping aan de andere kant van de Vlagtwedderstraat, een kleine jachthaven en een basisschool. Deze bedrijven liggen allemaal op voldoende afstand, meer dan 30 meter, van het plangebied. Er is derhalve geen sprake van onevenredige hinder voor het nieuwe woongebied, ook levert het woongebied geen onevenredige belemmering op voor omliggende bedrijven.

4.6 Water

Op grond van artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dienen de centrale overheden in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf op te nemen. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater.

Watertoets
Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening is noodzakelijk. Water is namelijk een van de ordenende principes die de ruimtelijke ordening moet hanteren. Daarom is op 5 februari 2020 de digitale watertoets doorlopen. Hieruit blijkt dat de normale procedure moet worden doorlopen. Vooralsnog is een voorlopige standaard uitgangspuntennotitie ontvangen. Dit resultaat is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Tevens is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting.

Overleg waterschap
In het kader van de watertoets is overlegd met het Waterschap Hunze en Aa's.
Voorliggende bestemmingsplan maakt het mogelijk om 7 woningen te mogen bouwen, waarvan 3 woningen reeds bij recht mogen worden gebouwd.

Op onderstaande afbeelding is een voorlopig kavelplan opgenomen. De verwachting is dat de kavelnummers 1 t/m 7 op onderstaande wijze worden ingevuld. Bij wens grotere kavels, zal het deel van kavel 8 wat thans op perceel V1271 ligt nog worden gebruikt. De verwachting is dat perceel V1272 overblijft. Perceel V1273 zal voorlopig alleen worden benut voor aanleg DWA riolering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0007.jpg"

Om kavel 1 t/m 7 te ontsluiten wordt een weg met nutsvoorzieningen, DWA en HWA riolering aangelegd. De weg zal een verhardingstoename van 600 m2 betekenen.
Het bestemmingsplan maakt een maximale bebouwing mogelijk van 200 m2 bij kavels tot 600 m2 en 300 m2 bij kavels vanaf 600 m2. De maximale verhardingstoename door bebouwing zal hierdoor 1.700 m2 zijn. Daarnaast wordt uitgegaan van een inrit/verharding op ieder van de 7 kavels van 80 m2. Dit levert een verhardingstoename van 560 m2 op. De maximale verhardingstoename door weg, bebouwing en verharding bedraagt hiermee circa 2.860 m2.

Het hemelwater dient zoveel mogelijk op het terrein te worden gehouden, alvorens vertraagd te worden afgevoerd. Hiermee wordt overbelasting van het oppervlaktewatersysteem voorkomen en wordt de kans op wateroverlast voor de omgeving geminimaliseerd, conform de randvoorwaarden van het waterschap.

Om in extremen geen overlast van het hemelwater te krijgen, rekening houdend met 13% klimaatverandering, vraagt het Waterschap om een bergingscapaciteit van 80 liter per potentiële verharde m2. Dit komt neer op 229 m3 berging. Als maatregelen zal directe infiltratie van de daken op de kavelgrens plaatsvinden. Deze zullen een overstort hebben naar de gegraven berging, die ca. 60 m3 inhoud krijgt. De verharding op de kavels en de weg zullen hier ook op aansluiten. Voorts is een geohydrololisch onderzoek uitgevoerd, die ondere andere de K-waarde van de grond bepaalt. Ook is bekeken in hoeverre de inrichting van de waterhuishouding (o.a. waterbuffer en zaksloten) afdoende is. Naar aanleiding van dit onderzoek is de waterhuishouding in het plangebied op onderdelen aangepast. Zo is een groot deel van de overstortbuis naar gemeentesloot vervangen door eenzelfde infiltratiebuis. Hierdoor is de totale lengte infiltratiebuis 180 meter. De uitbreiding van deze waterhuishoudkundige werken zijn opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Het waterschap is akkoord met de betreffende aanpassingen.

Conclusie
Ten aanzien van het aspect water treden geen belemmeringen op. De adviezen van het waterschap zijn verwerkt in het plan.

4.7 Ecologie

Er is in het kader van de Wet natuurbescherming een ecologische inventarisatie uitgevoerd. De rapportage van deze inventarisatie is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.

Soortbescherming
Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van de ontwikkeling een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Een ontheffing van de Wnb voor beschermde soorten is niet nodig.

In verband met de soortbescherming van de Wnb is het wel nodig om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied 'Lieftinghsbroek'. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebieden door bebouwing, (water)wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.

Over deze afstand kan echter in potentie wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden. Daarom is een AERIUS-berekening gemaakt waaruit blijkt dat tijdens de aanleg- en gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. De berekening is gerapporteerd in een Notitie stikstofberekening die als bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd.

Gezien de afstand tot de beschermde gebieden en de aard van het plan zijn geen negatieve effecten te verwachten op het NNN en natuur buiten het NNN.

In artikel 2.48.2 van de geconsolideerde Omgevingsverordening februari 2019 is opgenomen dat als een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een op kaart 6 aangegeven ‘leefgebied akkervogels’ en dat voorziet in een nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkeling biedt inzicht in de maatregelen die nodig zijn om de mogelijke schade aan de waarde van het leefgebied voor akkervogels te voorkomen en restschade elders te compenseren als die ontwikkeling in significante mate afbreuk kan doen aan de waarden van het leefgebied voor akkervogels door aantasting van de landschappelijke openheid, of door verstoring van vogels en aantasting van het areaal.

Het plangebied is (net als de gehele bebouwde kom van Bourtange) aangewezen als akkervogelleefgebied. Het plangebied is grotendeels ingeklemd tussen de bestaande bebouwing, waardoor de landschappelijke openheid niet wordt aangetast. Het deel van het plangebied dat bestaat uit akkerland is in het vigerende bestemmingsplan Bourtange Dorp (2013) reeds voorzien van een woonbestemming waarbij 3 woningen gebouwd kunnen worden en een weg kan worden aangelegd.

Gezien de ligging van het plangebied, grotendeels ingeklemd tussen de bestaande bebouwing en deels voorzien van vigerende planologische bouwmogelijkheden treedt er geen aantasting op ten aanzien van het areaal van akkervogelleefgebied. Daarnaast is in de directe omgeving van en aangrenzend aan het plangebied voldoende geschikt leefgebied voor akkervogels aanwezig. Tevens is het toevoegen van 4 woningen (uit een wijzigingsbevoegdheid) geen nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkeling. Het voornemen is passend binnen het provinciaal beleid.

4.8 Externe veiligheid

Inleiding
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft grenswaarden voor nieuwe en bestaande situaties ten aanzien van het plaatsgebonden risico van inrichtingen waarin bepaalde gevaarlijke stoffen worden gebruikt, opgeslagen of geproduceerd. Deze grenswaarde wordt uitgedrukt in de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats buiten een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Onder kwetsbare objecten worden bijvoorbeeld woningen verstaan, terwijl met beperkt kwetsbare objecten wordt gedoeld op bijvoorbeeld kantoren en hotels.

Daarnaast gaat het Besluit externe veiligheid inrichtingen in op het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang slachtoffer wordt van een ongeval in een inrichting. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt het groepsrisico gedefinieerd als de (cumulatieve) kans dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als direct gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van de inrichting (tot waar nog dodelijke slachtoffers kunnen vallen). Het groepsrisico wordt bepaald door het aantal aanwezige personen in het invloedsgebied te vergelijken met de oriënterende waarde (cumulatieve kans). Wanneer de oriënterende waarde wordt overschreden of de nieuwe ontwikkeling een verhoging van het groepsrisico met zich meebrengt, dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden conform de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico.

Onderzoek
Uit de risicokaart van de provincie Groningen blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Ook buisleidingen zijn niet aanwezig.

Zoals al opgemerkt in paragraaf 3.2, ligt het plangebied wel in de 'veiligheidszone 3 transport' en 'veiligheidszone 2 transport', een transportroute gevaarlijke stoffen. De hiernavolgende kaart geeft een uitsnede van 'Kaart 3: Veiligheid en milieu' uit de provinciale Omgevingsverordening weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0008.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0009.png"

De provinciale Omgevingsverordening geeft regels over veiligheidszone rondom wegen en spoorwegen in verband met de bescherming van minder zelfredzame personen. Een bestemmingsplan mag niet voorzien in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten voor minder zelfredzame personen binnen de op kaart 3 aangegeven ‘veiligheidszone 3 transport'. De 'veiligheidszone 3 transport' is binnen het bestemmingsplan gelegen in de bestemming 'Verkeer'. Binnen de bestemming 'Verkeer' wordt niet voorziet in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten voor minder zelfredzame personen. Hierdoor treden er geen problemen op voor het voorliggende bestemmingsplan.

De toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangegeven ‘veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen' bevat een nadere verantwoording van het groepsrisico en biedt inzicht in de manier waarop rekening is gehouden met het advies van de Veiligheidsregio Groningen.

Advies Veiligheidsregio Groningen
De Veiligheidsregio Groningen heeft zijn advies uitgebracht over het voornemen.


Ruimtelijk besluit - omgevingsvergunning
Veiligheidsregio Groningen heeft een beoordeling gedaan op de aanwezigheid van risicobronnen voor externe veiligheid voor de ontwikkelingen in het plangebied. Hieruit zijn de volgende conclusies naar voren gekomen:

  • Op het voornemen zijn externe veiligheidsrisico's van invloed; Dit betreft de risico's van de transportas N365.
  • Voor de transportas acht de Veiligheidsregio het niet opportuun maatregelen voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij de weg te adviseren vanwege de ontwikkeling van deze woningen.

Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid
Voor het voornemen geeft de Veiligheidsregio ten aanzien de bluswatervoorziening, bereikbaarheid en zelfredzaamheid het volgende aan.

Voor de bereikbaarheid kent het Bouwbesluit artikel 6.37 lid 3. Hierin wordt gesteld waaraan een verbindingsweg dient te voldoen. Maar deze eisen gelden evengoed voor een openbare weg. Het gaat dan om:

  • Een breedte van ten minste 4,5 meter;
  • Een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;
  • Een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter, en
  • Een doeltreffende afwatering.

Voor de bluswatervoorziening is een extra voorziening nodig is. De afstand van de huidige brandkraan tot laatste woning is circa 120 meter. Het plangebied is circa 100 meter diep. Een afstand van meer dan 100 meter is niet meer toereikend volgens het Bouwbesluit (artikel 6.30). Voor een extra voorziening ligt de voorkeur van de Veiligheidsregio bij een brandkraan op een drinkwaterleiding. Voor de locatie hiervan maakt het een beginsel voor de Veiligheidsregio niet uit of deze in het begin of het eind van het plangebied komt. De aanleg van een brandkraan moet via het waterbedrijf Groningen.

Conclusie
Ten aanzien van risicovolle inrichtingen, buisleidingen of andere transportroutes voor gevaarlijke stoffen treden geen belemmeringen op. De adviezen van de Veiligheidsregio Groningen worden verwerkt binnen het plangebied.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
Archeologische waarden dienen op grond van de Erfgoedwet te worden mee gewogen in de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient dan ook rekening te worden gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.

Voor de bekende waarden kan de Archeologische Monumentenkaart (AMK) worden geraadpleegd. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de AMK te zien, met zwart omcirkeld de ligging van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een gebied waar een bekende, archeologische waarde ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.BP2001-vs01_0011.png"
Uitsnede AMK (bron: Rijksdienst Cultureel Erfgoed)

Wat betreft de te verwachte waarden geldt dat de percelen op basis van het geldende bestemmingsplan niet voorzien zijn van een archeologische dubbelbestemming. Nader onderzoek naar archeologische waarden is daarom niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het sinds 1 januari 2012 verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op de nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plangebied is bovendien op voldoende afstand van cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Hierdoor zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden worden aangetast.

4.10 M.e.r.-beoordelingsplicht

Milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. M.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld aan de vaststelling van een structuurvisie, aan een bestemmingsplan of aan het verlenen een vergunning.

In het Besluit m.e.r. zijn in de bijlage onderdeel C en D activiteiten opgenomen, waarbij op grond van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer besloten moet worden of bij de voorbereiding van het plan of besluit voor die activiteiten een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld.

Op het voornemen is categorie 11.2 uit bijlage I onderdeel D van het Besluit m.e.r. van toepassing: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde (2.000 of meer woningen) wordt niet overschreden.

Conform het gewijzigde Besluit m.e.r. dient voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar niet aan de daar genoemde drempelwaarden voldoen, een toets aan 'Bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten' te worden uitgevoerd, een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Aard, omvang en ligging zijn begrippen die bij deze beoordeling centraal staan. De vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot de conclusie dat belangrijke, nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten of dat deze niet zijn uitgesloten. In het laatste geval moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct voor een m.e.r. gekozen worden.

Op grond van jurisprudentie kan de ontwikkeling van de zeven woningen die in het plan is voorzien, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoeft er geen m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • a. een verbeelding van het bestemmingsplangebied waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen;
  • b. de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.

Bij het bestemmingsplan hoort een toelichting.

Ook zijn de regels van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) toegepast. Met deze standaard worden de regels en de verbeelding zodanig opgebouwd en ingericht dat bestemmingsplannen goed met elkaar kunnen worden vergeleken.

Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie beslissend.

5.2 Bestemmingen

Het bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen.

Verkeer - Verblijfsgebied
De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebiedf' is van toepassing op erftoegangswegen, voetpaden en fietspaden. Binnen deze bestemming is ook de aanleg van parkeervoorzieningen toegestaan. Bermen en ondergeschikte groenvoorzieningen vallen binnen de bestemming. Ook speelvoorzieningen zijn binnen deze bestemming toegestaan.

Wonen - 2
Voor het plangebied was in het vigerende plan een wijzigingsbevoegdheid (wro zone - wijzigingsgebied) opgenomen, waarbij de bestemming in 'Wonen - 2' kon worden gewijzigd.

In 'Wonen - 2' kunnen woningen met twee bouwlagen en een kap worden gebouwd. Voor dit bestemmingsplan is deze bestemming ook aangehouden.

Gebruiksregels
In de bovengenoemde woonbestemming zijn de gebruiksmogelijkheden van woningen geregeld. De gebruiksmogelijkheden zijn voor beide gelijk. Naast de woonfunctie is (ondergeschikt) tevens het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. Daarbij wordt een maximum van 90 m2 aangehouden.

Het kleinschalig verhuren van kamers kan zonder problemen in samenhang met de woonfunctie worden uitgeoefend. Daarbij worden maximaal drie kamers zonder meer toegestaan. Voor vier of vijf kamers is toestemming van het college van Burgemeester en Wethouders noodzakelijk.

In artikel 1 van de planregels is het begrip “woning” omschreven als een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Daarnaast is rekening gehouden met overige, bijbehorende functies als bed and breakfast, mantelzorg, aan-huis-verbonden-beroepen, aan het wonen verbonden, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, kamerverhuur e.d.

Een wooneenheid (voor niet-zelfstandige bewoning) onderscheidt zich hiervan, doordat niet alle functies in de eigen ruimte aanwezig zijn en er geen sprake is van een eigen adres c.q. een eigen toegang. De gemeente zet met de actuele bestemmingsplannen in op een beleid waarbij wonen, werken aan huis, dan wel zorg aan huis functioneel mogelijk moeten zijn.

Wonen blijft de hoofdfunctie, maar er moet ruimte zijn voor mantelzorg, werkactiviteit aan huis e.d. Deze ruime benadering van het wonen wil inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen (wonen met zorg voor inwonende ouderen, een werkactiviteit aan huis, een gastenverblijf e.d.). Wanneer zich dergelijke activiteiten binnen de ruimtelijke grenzen van een bestemming afspelen, hoeven daartegen geen bezwaar te bestaan. De gemeente wil daar dan ook ruimte voor bieden.

Het “complex van ruimten” van een woning bestaat dan uit zowel uit het hoofdgebouw als de bijbehorende aan-, uit- en bijgebouwen.

Dit beleid is er uiteraard niet voor bedoeld om meerdere zelfstandige woningen op een adres te krijgen (dat zou in strijd zijn met het woonbeleid), noch om vormen van zelfstandige bedrijvigheid mogelijk te maken (dat zou in strijd met de bestemming zijn en levert milieuhygiënische knelpunten op). Het blijft primair om de woonfunctie gaan.

In de definities van de planregels wordt ruimte geboden voor een dergelijke invulling van de woonfunctie.

Situering
Bij de indeling van de woonpercelen wordt de nodige vrijheid gegeven. Er zijn geen bouwvlakken opgenomen waarmee de bebouwing wordt vastgelegd. Om een zeker samenhangend ruimtelijk beeld te behouden, zijn wat betreft de situering van bebouwing, een aantal algemene richtlijnen in de planregels opgenomen:

  • het hoofdgebouw moet ten minste 6,00 meter vanaf de openbare weg zijn gelegen;
  • het realiseren van aan- en bijgebouwen voor de voorgevel is niet toegestaan.

Bouwmassa
Er zijn geen bouwvlakken gebruikt, maar er geldt een maximum oppervlakte van woning en bijbehorende bouwwerken per bouwperceel. Voor een bouwperceel met een oppervlakte tot 600 m2 mag de oppervlakte niet meer bedragen dan 200 m2 en voor een bouwperceel vanaf 600 m2 geldt dat de oppervlakte niet meer dan 300 m2 mag bedragen.

In de planregels is een standaard bouw- en goothoogte vastgelegd, te weten een goot- en bouwhoogte van ten hoogste 7,00 m en 10,00 m.

Waterberging

In verband met de toename van het verharde oppervlak zal een waterberging moeten worden gerealiseerd met een inhoud van 229 m3 (zie ook paragraaf 4.6. Om te borgen dat de waterberging wordt aangelegd en in stand wordt gehouden, is in artikel 4.5 een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Als 50% van de bouwkavels is uitgegeven moet de waterberging worden aangelegd.

Waarde - Reliëf
Op grond van kaart 7 van de Provinciale Omgevingsverordening maken de gronden van het plangebied deel uit van een dekzandrug. Dit houdt in dat het bestemmingsplan regels moet stellen die gericht zijn op bescherming van het reiïef, al dan niet in combinatie met stuifzand reliëf en de herkenbaarheid daarvan.

In deze dubbelbestemming is een verbod opgenomen voor het diepploegen, egaliseren en afschuiven van de dekzandrug. Ook de aanleg van bossen en boomgaarden is verboden, evenals houtteelt.

Voor graafwerkzaamheden en de aanplant van bomen en opgaande beplanting is een omgevingsvergunning nodig.

Het verbod voor egaliseren en afschuiven geldt alleen voor gronden waar nog reliëf aanwezig is. Hetzelfde geldt voor graafwerkzaamheden: de vergunningplicht geldt alleen voor de gronden waar nog reliëf aanwezig is.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Met het onderhavige project worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Deze komen met name ten laste van de initiatiefnemer. Bouwplan, terreininrichting en inrichting openbare ruimte dienen op elkaar te worden afgestemd in overleg met de gemeente. Deze afstemming in de werkzaamheden is in een exploitatieovereenkomst vastgelegd. Een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Wettelijk vooroverleg

De gemeente Westerwolde heeft het plan in het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan het waterschap Hunze en Aa's en de provincie Groningen. Het waterschap heeft aangegeven geen aanvullende op- of aanmerkingen te hebben. De provincie Groningen heeft een vooroverleg ingediend. De overlegreacties zijn opgenomen in Bijlage 8 Overlegreacties

Provincie Groningen
Opmerking
In artikel 2.57.3 Dekzandruggen van de Omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven "dekzandruggen" regels stelt gericht op de bescherming van het reliëf, al dan niet in combinatie met stuifzand reliëf en de herkenbaarheid daarvan. Het plangebied valt binnen zo'n gebied. In de planregels is geen beschermde regel opgenomen. Dat moet alsnog gebeuren.

Reactie
Het bestemmingsplan is aangepast en in lijn gebracht met artikel 2.57.3 van de geconsolideerde Omgevingsverordening februari 2019

Opmerking
Omdat een goed stedenbouwkundig ontwerp de aanwezigheid van de dekzandrug kan accentueren geeft de provincie in overweging om het provinciaal bouwheerschap bij het stedenbouwkundig ontwerp te betrekking.

Reactie
De gemeente neemt kennis van de overweging.

7.2 Zienswijzen

Op het ontwerp bestemmingsplan zijn drie zienswijzen ingediend. De "Nota zienswijzen' is opgenomen in de Bijlage Nota zienswijzen. Het bestemmingsplan is gewijzigd vastgesteld. De artikelen 4.2.2 en 4.2.3. zijn aangepast.