| Plan: | Huizerstraatweg 109 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1942.BPNHuizerstrwg109-VG01 |
Aan de Huizerstraatweg 109 te Naarden bevindt zich een braakliggend terrein. De eigenaar van het perceel heeft in het verleden getracht hier een kantoorvilla te realiseren, maar door diverse omstandigheden is dit initiatief niet van de grond gekomen. Het voornemen bestaat nu om ter plaatse een bedrijfsverzamelgebouw te realiseren, onderverdeeld in maximaal 16 units met ieder een werkplaats en een kantoorruimte. Zo wordt voorzien in adequate werkruimte voor kleinschalige ondernemers.
Het betreffende perceel is gesitueerd aan de Huizerstraatweg 109 te Naarden. Het plangebied bevindt zich aan de oostzijde van Naarden, direct grenzend aan de oostzijde van de snelweg A1. Aan de overzijde van het perceel bevinden zich woningen.
Figuur 1.1: Markering plangebied (in geel).
Ter plaatse van het plangebied zijn drie bestemmingsplannen van kracht:
Daarnaast is op 15 december 2023 het 'Parapluplan kleine bouwplannen' als ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt het bestemmingsplan 'Huizerstraatweg' integraal herzien. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Gooise Meren' wordt partieel herzien, de regels uit dit paraplubestemmingsplan worden opgenomen in dit bestemmingsplan. Het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie Gooise Meren' vervalt partieel. De regels uit dit paraplubestemmingsplan worden in dit nieuwe bestemmingsplan niet overgenomen, zie paragraaf 5.12 voor toelichting hierop.
In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van Europa, het Rijk, de provincie en betrokken gemeenten uiteen gezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de doelstelling en uitgangspunten. Hoofdstuk 5 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet waarbij de plankaart en planregels worden besproken. Tot slot volgt in de hoofdstukken 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van de inspraak en overleg.
De Huizerstraatweg is een oude weg waarlangs zich sinds geruime tijd bebouwing bevindt. Het plangebied is echter al tientallen jaren lang onbebouwd. In de jaren '70 is de snelweg A1 aangelegd, welke zich sindsdien direct aan de westzijde van het plangebied bevindt. Figuur 2.1 maakt duidelijk dat de situatie in en rondom het plangebied sindsdien vrijwel onveranderd is gebleven.
Figuur 2.1: Historisch overzicht, met het plangebied centraal en paars gearceerd (bron: Topotijdreis.nl,
bewerking: Royal HaskoningDHV).
De locatie aan de Huizerstraatweg 109 betreft een onbebouwd, maar reeds verhard en afgesloten gebied ter grootte van 0,4 hectare. Zodoende wordt het terrein momenteel niet gebruikt. Het plangebied wordt omsloten door vegetatie. In de nabije omgeving bevinden zich diverse woningen in (relatief) dunbevolkt gebied, alsmede de snelweg A1 en het bedrijf Givaudan. De Huizerstraatweg, waaraan het plangebied gelegen is vormt een verbinding tussen Naarden en Huizen.
De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (uitgezonderd Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone). De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.
De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Omgevingskwaliteit is daarmee het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke
organisaties, en met meer regie vanuit het rijk.
Nationale belangen
Met de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen. De eerste drie nationale belangen zijn van een
ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige:
Van de overige 18 nationale belangen zijn voor dit plan de volgende drie van belang:
Prioriteiten
Tevens geeft de NOVI richting met behulp van vier prioriteiten:
Afwegingsprincipes
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel
van de boven- als de ondergrond. Zo wordt 'omgevingsinclusief' beleid gevoerd. De NOVI onderscheidt
daarbij drie afwegingsprincipes:
Uitgangspunten voor samenwerking
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede
maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij worden vier uitgangspunten gehanteerd:
Brede maatschappelijke betrokkenheid is een voorwaarde voor het slagen van gezamenlijke ambities.
Daarom wordt in de NOVI tevens aandacht besteed aan participatie. Participatie vraagt om maatwerk
per opgave, gebied en bestuurlijke situatie.
NOVI-gebieden
Ten slotte worden in de NOVI op vier thema's voorlopig acht zogenaamde NOVI-gebieden benoemd
welke onderdeel worden van de Omgevingsagenda. Het Rijk zal in deze gebieden een actieve rol gaan
spelen
Uitvoeringsagenda
De NOVI gaat vergezeld met een Uitvoeringsagenda, waarin staat hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol
bij de uitvoering van de NOVI. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van deze ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de 'behoefte' en het 'bestaande stedelijk gebied'. Tevens is het van belang om te bepalen of de ladder van toepassing is, door te bepalen of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’ in de zin van het Bro.
In paragraaf 5.2 wordt dit initiatief getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Dit plan draagt bij aan diverse nationale belangen en prioriteiten zoals benoemd in de NOVI, met name het bevorderen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat door te voorzien in de behoefte naar (kleinschalige) werklocaties ter plaatse van een sinds geruime tijd onbenut terrein. Zodoende is het plan in overeenstemming met het Rijksbeleid.
Op 19 november 2018 heeft de provincie Noord-Holland de “Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid” vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2014.
De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond.
Ambities
Noord-Holland heeft een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Dit is de hoofdambitie. Als subambities zijn er een aantal opgenomen:
Leefomgeving
Gebruik van de leefomgeving
Energietransitie
De ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie.
Sturingsfilosofie
In de aanpak om de ambities waar te maken geldt het principe 'lokaal wat kan, regionaal wat moet' als sturingsfilosofie. Daarbij staat de opgave altijd centraal. Deze bepaalt het schaalniveau, de samenstelling van samenwerkende partijen en de tijdspanne. Vanuit een gedeelde visie op de (bestaande en toekomstige) kwaliteiten van een gebied.
5 bewegingen
In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving.
De provincie heeft al haar regels op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water in de Omgevingsverordening NH2022 opgenomen. De omgevingsverordening is op 11 januari 2024 in werking getreden. De regels en wetten die terugkomen in de Omgevingsverordening NH2022 komen grotendeels overeen met de Omgevingsverordening NH2020, maar zijn omgezet conform de nieuwe eisen die de Omgevingswet stelt.
Enerzijds betrof de realisering van de Omgevingsverordening NH2022 een juridisch-technische omzetting van de Omgevingsverordening NH2020. Anderzijds vraagt de Omgevingswet een inhoudelijke beoordeling van de regels. Regels die inhoudelijk zijn beoordeeld gaan onder andere over de volgende onderwerpen: bodemsanering, grondwaterverontreiniging, Natuurnetwerk Nederland, natuurbescherming (faunabeheer), energietransitie en regionale luchthavens (Texel en Hilversum).
De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. We zoeken naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland.
Dit plan voorziet in de realisatie van een bedrijfsverzamelgebouw ter plaatse van een al jaren braakliggend terrein langs de snelweg A1 in Naarden. Ter plaatse is al op basis van het bestemmingsplan Huizerstraatweg een kantoorvilla mogelijk. Deze functie sluit echter onvoldoende aan bij de marktbehoefte ter plaatse. Door middel van dit bestemmingsplan wordt wel aangesloten bij de lokale marktbehoefte, zie ook paragraaf 5.2 voor een nadere motivering. Zodoende wordt bedrijfsruimte geboden voor kleinschalige ondernemers en zzp'ers, krijgt het gebied een impuls en is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. Het toevoegen van bedrijfsruimte brengt de verhouding tussen wonen en werken in de gemeente meer in balans. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het provinciaal beleid.
De 'Omgevingsvisie Gooise Meren, Samen wonen, werken, ondernemen en recreëren in een groen en historisch gebied' is vastgesteld op 20 september 2023. De kwaliteit van de leefomgeving is het uitgangspunt van de Omgevingswet. De wet wil deze kwaliteit beschermen en tegelijkertijd ontwikkelingen mogelijk maken. Met de omgevingsvisie wil de gemeente de gewenste weg naar de toekomst laten zien. Centraal daarbij is de vraag: "Welke kwaliteiten zijn binnen de gemeente belangrijk en hoe kunnen wij die beschermen?".
De gemeente Gooise Meren is een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in de regio Gooi- en Vechtstreek. De gemeente maakt deel uit van de Metropoolregio Amsterdam. Sinds 2016 vormden de kernen Naarden, Muiden, Bussum en Muiderberg samen de gemeente Gooise Meren. Iedere kern zo zijn speciale kwaliteiten.
Samengevat kan de kracht van de gemeente Gooise Meren als volgt worden weergegeven:
De doelen voor de toekomst van de leefomgeving zijn samengebracht in de schijf van Vijf van Gooise Meren. Deze schijf moet richting geven aan een gezonde toekomst, ook bij het beoordelen van plannen en ideeën. De ambities binnen de schijf kunnen als volgt worden weergegeven:
Samen werken en veilig op weg in de regio
Vanuit deze ambitie wordt gewerkt aan een bruisende economie. De gemeente is sterk in werklocaties in een gemengd milieu, maar er blijft ook behoefte aan bedrijventerreinen. De gemeente staat open voor initiatieven die zich richten op waar de gemeente sterk in is en die de werkgelegenheid bevorderen. Er dient een goede balans te zijn tussen werken en wonen, waarbij de werkgelegenheid dient aan te sluiten op de beroepsbevolking. Bedrijven dragen bij aan het maatschappelijk leven en aan voorzieningen die het 'prettig leven' maakt binnen de gemeente. Werk in de nabijheid zorgt voor verminderde druk op het wegennet, vergroot de sociale veiligheid en werklocaties bieden draagvlak voor openbaar vervoer.
Er dient zo efficiënt mogelijk met de ruimte van bestaande bedrijventerrein omgegaan te worden, waarbij zoveel mogelijk banen per hectare belangrijk is (verdichting en/of het toevoegen van bouwlagen). Ingezet wordt op verdichting, intensivering en verduurzaming van de bestaande bedrijfslocaties.
Binnen deze ambitie wordt eveneens gewerkt aan het stimuleren van het ondernemerschap. Voorgaande houdt in het stimuleren en faciliteren van initiatieven die bijdragen aan behoud en toename van werk en die (ook) een maatschappelijke meerwaarde realiseren. Voorgaande overigens zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de kernkwaliteiten. De gemeente maakt speerpunt van het realiseren van voldoende aansprekende ontmoetings- en vestigingslocaties voor zelfstandigen en kleine(re) bedrijven.
Voor wat betreft de bedrijventerreinen is binnen de visie het volgende aangegeven.
Er is in de gemeente steeds meer werkgelegenheid in de vorm van zzp-ers, recreatie en toerisme, zorg, horeca, beheer van het landschap enzovoort. Er liggen in Naarden en Bussum wat dat betreft interessante kansen voor kleine, startende bedrijven, of doorgroeiende zzp-ers, goede faciliteiten en voorzieningen te bieden. Op de bedrijventerreinen zelf wordt ingezet om aan de vraag voor ruimten te voldoen door verdichten door extra bouwlagen toe te staan.
Aanvullend op de Omgevingsvisie zijn ook met name de regionale economische opgaven relevant:
Met deze economische visie vertelt de gemeente Gooise Meren hoe ze door de economische bril kijkt. De gemeente zet daarmee koers richting 2040, naar een toekomst die we met elkaar voor ogen hebben:
Daarmee wordt gekoerst op een vitaal Gooise Meren waar werken en ondernemen hand in hand gaan met wonen en recreëren en waarbij de economische ontwikkeling past bij de kernwaarden van de gemeente: monumentaal, groen en duurzaam. De gemeente Gooise Meren ziet daarbij kansen om te voorzien in de toenemende behoefte aan informele werkplekken en representatieve werklocaties.
De visie noemt tien uitgangspunten voor Ruimte voor Ondernemerschap:
Met name het vierde uitgangspunt is daarbij relevant ten aanzien van het initiatief. De gemeente wil aansluiten bij de wensen van ondernemers met betrekking tot (informele) werklocaties. Het realiseren van voldoende aansprekende ontmoetings- en vestigingslocaties voor zelfstandigen en kleine(re) bedrijven is daarbij een speerpunt. Een samenspel op alle niveaus is noodzakelijk om de ambitie van Gooise Meren te realiseren: lokaal, regionaal en provinciaal. In dat samenspel zijn wensen en initiatieven vanuit de markt leidend. De gemeente faciliteert, verbindt en stimuleert, onder andere door aandacht te hebben voor alle spelers (ook initiatiefnemers) en nieuwe vormen van bedrijvigheid aan te moedigen.
De gemeente noemt vijf speerpunten in de economische visie:
Ten aanzien van dit initiatief is met name het vierde speerpunt van belang.
Werk maken van werklocaties
Ondernemen ruimte vraagt: op een bedrijventerreinen, binnen de stad of wijk, in een kantoor aan huis. De vermindering van de werkgelegenheid in Gooise Meren is voor een belangrijk deel het gevolg van het gebrek aan ruimte. Het werk behouden vraagt om het werk maken van werklocaties.
In Gooise Meren werken veel zzp-ers en start ups/kleine ondernemingen op informele plekken, tussen woningen in de wijken in plaats van op bedrijventerreinen. Deze groep vertegenwoordigt innovatiekracht en duurzaamheid die de gemeente wil behouden door hen te faciliteren met geschikte plekken in woongebieden.
Binnen het Omgevingsplan gemeente Gooise Meren is de bruidsschat overgenomen. Binnen artikel 22.7 is aangegeven dat bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met de redelijke eisen van welstand. Beoordeling vindt plaats aan de hand van de criteria van de Welstandsnota. Hieronder zijn de uitgangspunten van deze Welstandsnota verwoord.
Op 1 januari 2016 zijn de gemeenten Bussum, Muiden en Naarden samengevoegd tot de gemeente Gooise Meren. Het beleid van de voormalige gemeenten is toen geïntegreerd en waar nodig geactualiseerd tot één samenhangende welstandsnota vastgesteld zoals aangegeven in de Woningwet. Deze nota is een eerste actualisatie hiervan. Het beleid is vereenvoudigd en waar nodig aangevuld voor een effectieve uitvoering. Een van de wijzigingen is dat kleine plannen aan achterkanten alleen nog op excessen bekeken worden (met uitzondering van beschermde gezichten en monumenten). Andere wijzigingen zijn onder meer het verruimen van de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen en -collectoren bij erfgoed en het toevoegen van regels om fietsenbergingen in voortuinen te kunnen toetsen.
Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Met de verschijningsvorm van een bouwwerk wordt iedere voorbijganger geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder, effectief en controleerbaar onder woorden te brengen. Daarbij is het van belang aanvragers door middel van de welstandsnota van tevoren op de hoogte te stellen van de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoordeling. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. De nota is daarnaast een handreiking bij het maken van plannen. Naast het vastleggen van criteria in het kader van de wet, is de welstandsnota ook bedoeld om het enthousiasme voor de ruimtelijke kwaliteit te vergroten.
De welstandsnota biedt een kader voor kleine plannen en andere objecten, een gebiedsgericht kader voor de welstandstoets en algemene welstandscriteria voor bijzondere plannen. Op basis van de welstandsnota behoort het plangebied tot Bussum Zuidwest (gebied 22).
Bussum Zuidwest
Gebiedsbeschrijving
Bussum Zuid-West is een groen gebied aan de rand van de gemeente met representatieve villa's, enkele flinke bedrijven en een voormalig mobilisatiecomplex. Het gebied bestaat grotendeels uit bos, weide en villabebouwing op ruime kavels. De villa's zijn georiënteerd op de weg en zijn op een ruime afstand van de weg gesitueerd. Ze zijn individueel, gedifferentieerd en representatief. De opbouw is traditioneel en bestaat uit een onderbouw van één tot twee lagen met een kap. De vele op- en uitbouwen zijn mee ontworpen en maken deel uit van de compositie van de bouwmassa. De detaillering is zorgvuldig en in het algemeen rijk. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel en terughoudend. Naast baksteen en stukwerk komen ook houten rabatdelen als gevelbekleding voor.
Waardebepaling en ontwikkeling
Naast de landschappelijke waarde van het bos-, heide- en met name het weidegebied is de villabebouwing cultuur- en architectuurhistorisch waardevol. Een groot deel van deze oudere bebouwing is monument. In het algemeen wordt de huidige inpassing van de grootschalige bebouwing niet positief gewaardeerd. In het gebied worden veel ontwikkelingen verwacht. Bij deze ontwikkelingen als uitbreiding en nieuwbouw is een goede landschappelijke inpassing voorwaarde. Uitgangspunten zijn het versterken van de eigen identiteit en van de landschappelijke en ecologische kwaliteiten. Er wordt aangesloten bij de cultuurhistorie van de Eng, de voormalige verdedigingslinie en de relatie met de Franse Kampheide
Bijzonder welstandsniveau
Bussum Zuid-West is een gebied met een bijzonder welstandsniveau. Het beleid is met name gericht op versterking van landschappelijke waarden. De nadruk ligt daarbij op landschappelijke en organische inpassing in de omgeving. Een goede landschappelijke inpassing is voorwaarde.
Welstandscriteria
Bouwplannen worden in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de volgende criteria:
Criterium Ligging
| Subcriterium | Voldaan? | Toelichting (indien nodig) | |
| Rooilijnen van de woningen verspringen ten opzichte van elkaar, waarbij de integratie in het landschap met name voor nieuwbouw van groot belang is | N.v.t. | ||
| Overige gebouwen kunnen vrij op de kavel staan | Ja | Gebouw staat vrij op de kavel. | |
| Hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimten, waarbij dit voor nieuwe ontwikkelingen in beginsel leidt tot een alzijdige oriëntatie | Ja | Gebouw met de voorzijde gepositioneerd richting de Huizerstraatweg. | |
| De inrichting van het perceel vormt een integraal onderdeel van het ontwerp voor nieuwbouw, waarbij aandacht wordt gevraagd voor de vormgeving van erfafscheidingen en de toegang tot mogelijke ondergrondse parkeergarages | Vormgeving in overeenstemming met de kavelvorm. Terrein visueel afgeschermd door middel van (opstaande) groenstructuren. | ||
Criterium Massa
| Subcriterium | Voldaan? | Toelichting (indien nodig) |
| Gebouwen zijn individueel en afwisselend | Ja | Gebouw bevat een moderne architectonische uitstraling en biedt daarmee afwisseling in relatie tot de omgeving. |
| Gebouwen hebben bij voorkeur een onderbouw van maximaal twee lagen met kap, waarbij de massa in verhouding is met de vrije ruimte er omheen | N.v.t. | |
| Gevelopbouw van gebouwen is in geleding, verhouding en detaillering afgestemd op de gangbare gevelopbouw van panden in de omgeving | N.v.t. | |
| Bijgebouwen zijn in maat en schaal ondergeschikt aan het hoofdgebouw | N.v.t. | |
| De massaverhouding en de vormgeving van de aanbouwen alsmede dakkapellen afstemmen op het hoofdgebouw | N.v.t. | |
| Eventuele balkons ingetogen vormgeven | N.v.t. |
Criterium architectonische uitwerking
| Subcriterium | Voldaan? | Toelichting (indien nodig) |
| De architectonische uitwerking en detaillering zijn gevarieerd en zorgvuldig | Ja | Moderne architectuur |
| Gevelopbouw van gebouwen in geleding, verhouding en detaillering afstemmen op de gangbare gevelopbouw van panden in de omgeving | Nee | Bewust gekozen voor een moderne uitstraling |
| Uitgangspunt zijn traditioneel Hollandse kozijnen en profileringen | Nee | Er is gekozen voor een moderne uitstraling met veel glaswerk, met name aan de voorzijde. Daarmee krijgt de locatie een open en toegankelijke uitstraling. Traditioneel Hollandse kozijnen zijn gelet op de hoeveelheid glaswerk niet passend. |
| Eventuele installaties integreren in het architectonisch ontwerp | Ja | |
| daken nadrukkelijk zichtbaar vanuit belendingen beschouwen als vijfde gevel | N.v.t. | |
| Referentie voor nieuwbouw zijn de bestaande vormrijkdom en de mate van detaillering van woonhuizen in de omgeving, waarbij hoogwaardige moderne architectuur moet worden gezien als een goede mogelijkheid om deze eigenschappen in een ontwerp te vertalen en bijzondere woontypologieën met als thema duurzaamheid en water wenselijk zijn | Ja | Mogelijkheden voor hoogwaardige moderne architectuur benut |
| Kwaliteit omliggende bedrijfsbebouwing handhaven dan wel verbeteren | N.v.t. |
Criterium materiaal en kleur
| Subcriterium | Voldaan? | Toelichting (indien nodig) |
| Materiaal- en kleurgebruik is traditioneel of modern met een voorkeur voor natuurlijke materialen afgestemd op de omgeving | Ja | Gevel is in hoofdzaak zwart (modern), met groene elementen. Daarmee wordt het gebouw zorgvuldig ingepast in het groene landschap |
| In hoofdzaak zijn gevels van baksteen en bij uitzondering in lichte tint geverfd of gestuct | Nee | Er wordt gebruik gemaakt van prefab-materiaal in een donkere (zwarte) tint. Dit past bij de moderne architectuur van het pand. Bovendien valt het pand daarmee deels weg in de groene omgeving. |
| Hellende daken zijn bij voorkeur voorzien van keramische pannen | N.v.t. | |
| Houtwerk is in het algemeen uitgevoerd in traditionele kleuren | N.v.t. |
|
Het bouwplan zal moeten voldoen aan de criteria, zoals hiervoor verwoord.
Dit plan voorziet in de lokale behoefte naar bedrijfsruimte voor zzp-ers en kleinschalige ondernemers en is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Bovendien wordt de barrièrewerking van de A1 verminderd en wordt invulling gegeven aan de duurzaamheidsambities door het toevoegen van zonnepanelen. Zodoende is het plan in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.
Ter plaatse van de Huizerstraatweg 109 zal een bedrijfsverzamelgebouw worden gerealiseerd, bestaande uit maximaal 16 individuele units waarin zich zowel een bedrijfs- als een kantoorruimte bevindt. Op de begane grond bevinden zich werkplaatsen, op de eerste verdieping bevindt zich kantoorruimte. Door middel van deze combinatie-units worden kleinschalige ondernemers gefaciliteerd.
Het bedrijfsverzamelgebouw bestaat uit 12 kleinere units met een footprint van ca. 61 m2 per stuk en 4 grotere units met een footprint van ca. 70 m2 per stuk. Er wordt voorzien in 48 parkeerplaatsen op eigen terrein.
Conform de planregels behorende bij dit bestemmingsplan zijn bedrijfsactiviteiten behorend tot maximaal milieucategorie 3.1 uit de Bijlage 1 toegestaan. Denk bijvoorbeeld aan kleinschalige ambacht en dienstverlenende bedrijfjes. Anders dan de onder Artikel 3, lid 4 van de Regels mogelijke afwijkingen is er in dit Bestemmingsplan geen flexibiliteit opgenomen om andere bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken. Hierbij geldt dat bij deze Flexibiliteitsbepaling die bedrijfsactiviteiten zijn uitgesloten, die voor de omgeving als bezwaarlijk zijn ervaren. De bedrijvenlijst geeft immers slechts een indicatie van milieuhinder (door middel van aan te houden richtafstanden). Zodoende kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden, zie paragraaf 5.6 van de toelichting en artikel 3.4 van de planregels.
Het plangebied beslaat een driehoek ter grootte van circa 0,4 hectare aan de Huizerstraatweg 109 te Naarden. Zoals beschreven in paragraaf 4.1 wordt dit door middel van dit plan ingevuld door een tweelaags bedrijfsverzamelgebouw met een bebouwd oppervlak van maximaal 935 m2. De bebouwing is dusdanig gepositioneerd dat het aansluit bij de driehoekige vorm van de kavel.
De voorgevelrooilijn bevindt zich evenwijdig aan de Huizerstraatweg en de voorzijde bestaat voornamelijk uit glas. Het gebouw is zwart van kleur, maar bevat overeenkomstig de omgeving ook groene bouwelementen. Het resultaat is een modern gebouw, zorgvuldig ingepast in het landschap. Het gebied is en blijft afgeschermd door middel van opgaande groenstructuren. De parkeerplaatsen (48 stuks) worden uit het zicht gepositioneerd, deels direct achter de groene erfafscheiding, deels aan de achterzijde van het bedrijfsverzamelgebouw.Na vaststelling van het Bestemmingsplan zal door initiatiefnemer een Bomen-inventarisatieplan worden opgesteld, er bij vanuit gaande dat alle bestaande bomen op het terrein zullen worden gehandhaafd en tijdens de bouwactiviteiten op adequate wijze beschermd zullen worden.
Onderstaande afbeeldingen tonen (visualisaties van) de beoogde ontwikkeling.
Figuur 4.1: Situatietekening toekomstige situatie.
Figuur 4.2: Visualisatie vooraanzicht bedrijfsverzamelgebouw.
figuur 4.3: Visualisatie achteraanzicht bedrijfsverzamelgebouw.
In dit hoofdstuk worden de verrichte onderzoeken ten aanzien van omgevingsaspecten toegelicht. Diverse onderzoeken gaan nog uit van een gebouw met een bebouwd oppervlak van maximaal 1.065 m2, waarbij voor deze maatvoering is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling haalbaar is. Op basis van de provinciale omgevingsverordening is het initiatief afgeschaald naar een bebouwd oppervlak van maximaal 935 m2, waardoor de impact van de ontwikkeling verder is gereduceerd.
Wettelijk kader
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r.
Hierbij geldt de omvang van een project als richtwaarde, en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is vrijwel altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect.
Resultaten
Het initiatief betreft de ontwikkeling van een bedrijfsverzamelgebouw met 16 units met zowel bedrijfs- als kantoorruimte aan de Huizerstraatweg 109 te Naarden. Een bedrijfsverzamelgebouw wordt geclassificeerd als een stedelijke ontwikkeling volgens de onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. (11.2). Hiervoor geldt een drempelwaarde van 100 hectare, 2.000 woningen en/of 200.000 m2 bvo. Dit initiatief heeft een bvo van 1.870 m2 op een terrein van slechts 0,4 hectare, waarbij er geen woningen worden ontwikkeld. De omvang van het initiatief bevindt zich daarmee ver onder de drempelwaarde zoals bepaald in het Besluit milieueffectrapportage. Op basis van een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden bezien of negatieve milieueffecten als gevolg van dit initiatief zijn uit te sluiten. In de navolgende paragrafen zijn de milieu- en omgevingsaspecten onderzocht. Hieruit blijkt dat er als gevolg van dit plan geen significant negatieve gevolgen voor het milieu worden voorzien. Weliswaar volgt uit de aeriusberekening dat de realisatiefase leidt tot een beperkte stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden, maar dit valt binnen de landelijke beleidslijn voor kleine tijdelijke deposities.
Conclusie
Dit plan voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Als gevolg van het plan worden geen significant negatieve milieugevolgen voorzien. Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.
Wettelijk kader
In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van deze ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de 'behoefte' en het 'bestaande stedelijk gebied'. Tevens is het van belang om te bepalen of de ladder van toepassing is, door te bepalen of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’ in de zin van het Bro.
Toetsing
Stedelijke ontwikkeling
Een stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke ontwikkeling van bijvoorbeeld woningbouw-, bedrijfs- en kantoorlocaties. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk moeten maken. Of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hangt af van de omvang en de gebruiksmogelijkheden.
In de bijgevoegde Laddernotitie opgesteld door de Stec Groep, opgenomen als Bijlage 7 ,wordt allereerst een vergelijking gemaakt tussen wat de bestaande mogelijkheden op basis van het vigerend plan zijn en wat de beoogde mogelijkheden op het terrein zijn. Toetsing geeft aan dat in beide situaties sprake is van een maximaal bebouwd oppervlak van 935 m². In beide situaties is verder sprake van het toestaan van twee verdiepingen. Bij de beoogde ontwikkeling dient een scheiding gemaakt te worden naar bedrijfsruimte en naar kantoor. In deze toelichting wordt op een aantal onderdelen specifiek ingegaan. Voor het overige en meer toelichting op het onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7.
Behoefte
De ladder is alleen van toepassing als binnen het bestemmingsplan nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Is hiervan sprake, dan is een beschrijving van de behoefte noodzakelijk. Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling inderdaad mogelijk. Zoals eerder gesteld komt de beoogde ontwikkeling qua aantal vierkante meters overeen met die van de huidige bestemming. Echter het beoogde plan staat ook bedrijfsruimte toe, waardoor de aard van het gebruik is veranderd. Aangezien een kantoorfunctie ook binnen de huidige bestemming mogelijk is kan de laddertoets beperkt blijven tot het bedrijfsgedeelte binnen dit bestemmingsplan. In de rapportage is de vraag naar kantoorruimte op zich wel meegenomen om de Ladderonderbouwing actueel te maken.
Ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied
Mocht de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvinden, dan is extra motivering vereist. Artikel 1.1.1 Bro geeft voor bestaand stedelijk gebied het volgende aan:
| 'Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' |
Naast deze definitie van bestaand stedelijk gebied, blijkt uit jurisprudentie dat ook de geldende bestemming van een plangebied relevant kan zijn. De gronden zijn bestemd als 'kantoor', op basis van het vigerend bestemmingsplan Huizerstraatweg, die een kantoorvilla toelaat binnen het plangebied. Verder kan worden vastgesteld dat de planlocatie aan de rand van het bestaand stedelijk weefsel van Naarden en Bussum ligt en het toegestaan bebouwd oppervlak voor bedrijven en kantoren gezamenlijk niet wordt uitgebreid. Uitgangspunt is dat de locatie daarmee binnen bestaand stedelijk gebied valt.
Conclusies marktsituatie
Veel vraag naar bedrijventerrein en nauwelijks aanbod.
Ook naar informele milieus is veel vraag en aanbod is schaars.
Voor kantoren meer aanbod (plancapaciteit) dan vraag, maar wel in ander segment. Bovendien maakt huidige plan al kantoormeters mogelijk.
Aanvullend: gemeente vindt ruimte voor zzp-ers belangrijk.
Effecten ontwikkeling
Op basis van de Laddernotitie wordt vastgesteld dat de beoogde ontwikkeling binnen het bestemmingsplan niet voor onaanvaardbare effecten elders in de gemeente of in de regio Gooi en Vechtstreek zal zorgen. Hiertoe worden een aantal argumenten aangevoerd:
Conclusie
Het plan voorziet in een bedrijfsverzamelgebouw aan de Huizerstraatweg in Naarden. Het betreft een stedelijke ontwikkeling waar voldoende marktbehoefte naar is en die niet leidt tot onaanvaardbare effecten in de gemeente of in de regio Gooi en Vechtstreek. Het voornemen is zodoende in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen.
Parkeren
De gemeenteraad van Gooise Meren heeft op 18 juli 2023 de Uitgangspunten en werkwijze parkeereis vastgesteld. Hierbij kiest de gemeente Gooise Meren met betrekking tot de gemeentelijke parkeernormering voor een exacte overname van de meest recente parkeercijfers van CROW (publicatie 381, december 2018).
Verkeersgeneratie
Met de kencijfers verkeersgeneratie kan een inschatting gemaakt worden van de hoeveelheid gemotoriseerd verkeer die gegenereerd wordt als gevolg van een nieuwe ontwikkeling. Bij het gebruik van de kencijfers moet rekening worden gehouden met de bereikbaarheidskenmerken van de locatie.
De gemeentelijke parkeernormen zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers, zoals opgesteld door het CROW (publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'). Volgens de definities van het CROW heeft de gemeente Gooise Meren stedelijkheidsgraad 3. Het betreft daarmee een matig stedelijk gebied. Vastgesteld kan worden dat het plangebied valt binnen de 'rest van de bebouwde kom' van Naarden.
De parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw is binnen deze classificatie gesteld op 1.8 parkeerplaats per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte. Op basis van het bruto vloeroppervlak van maximaal 1.870 m² kan de parkeernorm worden berekend op 34 parkeerplaatsen. Het planvoornemen voorziet in voldoende parkeerplaatsen, waarmee aan de parkeernorm wordt voldaan. Meer uitgebreide informatie is te vinden in Bijlage 9 bij deze toelichting.
Verkeersgeneratie
Om de verkeersgeneratie te bepalen van het bedrijfsverzamelgebouw is gebruik gemaakt van de CROW kencijfers. Op basis van de uitgangspunten, ‘rest bebouwde kom’ en ‘matig stedelijk’ gebied, bedraagt het gemiddeld aantal verkeersbewegingen per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte per etmaal 7,35 (gemiddelde van minimale en maximale norm).
Op basis van de bruto vloeroppervlakte van maximaal 1.870 m² zorgt de realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw voor 138 nieuwe verkeersbewegingen per weekdag. Een weekdag kan worden omgerekend naar een werkdag door de kencijfers te vermenigvuldigen met 1.33. De verkeersgeneratie is dan 184 motorvoertuigen per werkdag (inclusief vrachtwagens).
In het verkeersonderzoek, Bijlage 9, is ook even een vergelijking gemaakt met realisatie van de kantoorvilla op basis van het huidige bestemmingsplan. Uit berekening blijkt dat in die situatie sprake is een verkeersgeneratie van 297 motorvoertuigen per werkdag inclusief vrachtwagens. Het bedrijfsverzamelgebouw heeft een verwachte verkeersgeneratie van 184 motorvoertuigbewegingen per werkdag. In vergelijk 113 bewegingen minder dan na realisatie van de kantoorvilla het geval zou zijn. Wel moet worden geconstateerd dat de feitelijke verkeersgeneratie uiteraard wel toeneemt.
Feitelijke toename verkeersgeneratie
In april 2023 zijn verkeerstellingen uitgevoerd op de Huizerstraatweg ter hoogte van het plangebied. Het blijkt dat op de Huizerstraatweg op etmaalbasis 3.721 motorvoertuigbewegingen zijn. Een feitelijke toename van 184 motorvoertuigbewegingen door realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw betreft een toename van 5% extra verkeer. Deze toename is beperkt en levert geen knelpunten op wat betreft doorstroming of leefbaarheid.
Dit plan leidt tot een beperkte verkeerstoename aan de Huizerstraatweg. Desondanks is het van groot belang om de verkeersveiligheid in ogenschouw te nemen bij de uitwerking van dit plan.
De Huizerstraatweg kan worden getypeerd als een gebiedsontsluitingsweg, bestaande uit twee rijstroken. De weg ligt binnen de bebouwde kom en heeft een snelheidsregime van 50 km/uur. Er ligt een tweerichtingsfietspad aan zuidzijde van de weg.
Verkeer van en naar het te realiseren bedrijfsverzamelgebouw zal bij het betreden van het terrein het fietspad langs de Huizerstraatweg kruisen. Dit kan op een veilige manier, enerzijds doordat het fietspad vrij ligt van zowel de perceelafscheiding als de Huizerstraatweg. Daardoor kunnen (vracht)auto's eenvoudig stoppen, voordat zij het fietspad kruisen en is er voldoende overzicht om fietsers te kunnen waarnemen. Bij een rijsnelheid van 50 km/uur op de doorgaande weg en zicht op een afstand van 5 meter vanaf de kant van de rijbaan, moet ter plaatse van een aansluiting (in theorie) rekening worden gehouden met een zichtafstand van ten minste circa 60 meter.
Anderzijds is er op het terrein voldoende ruimte om te keren, zowel voor auto's als eventueel voor vrachtauto's. Dit betekent dat voertuigen altijd met de neus naar voren het terrein kunnen betreden en verlaten en zodoende voldoende overzicht hebben om (fiets)verkeer vanaf de Huizerstraatweg tijdig waar te kunnen nemen.
Wel wordt geadviseerd om bebording op het terrein te plaatsen om bestuurders te attenderen dat fietsers van beide richtingen komen. Daarnaast moet het groen worden onderhouden waardoor het zicht op de auto’s en fietsers voldoende blijft. Na vaststelling van het Bestemmingsplan zal door initiatiefnemer samen met omwonenden verdere (private) afspraken worden gemaakt en een Verkeersplan met huisregels worden opgesteld om de verkeersveiligheid te vergroten, met name gericht op bedrijfsvoertuigen ter plaatse van het entreegebied met het bestaande fietspad (het aan de voorkant plaatsen van een beveiligingshekwerk i.c. een houten elektrisch bediend toegangshek i.p.v. een industriële slagboom is hier onderdeel van).
De parkeerbehoefte van het voorliggend plan is 34 parkeerplaatsen. Het voornemen voorziet in voldoende parkeerplaatsen, zodat voldaan kan worden aan de parkeernorm. De parkeerbehoefte kan daarmee opgevangen worden op eigen terrein.
Het voorliggende plan leidt tot een verwachte verkeersgeneratie van 184 motorvoertuigenbewegingen per werkdag. Dit zijn 113 motorvoertuigbewegingen minder vergeleken met de huidige maximaal-planologische situatie (kantoorvilla). Het voornemen leidt feitelijk tot circa 5% extra verkeer op de Huizerstraatweg (de voorgenomen ontwikkeling van de BOR-gronden niet meegenomen). Deze toename is beperkt en levert geen knelpunten betreft doorstroming of leefbaarheid.
Er is voldoende zicht op de fietsers langs de Huizerstraatweg. Daarnaast zijn er voldoende mogelijkheden om te keren op het terrein. Om de verkeersveiligheid te vergroten wordt geadviseerd om bebording aan te brengen en het groen te onderhouden.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten.
Situatie plangebied
Het plangebied betreft een geasfalteerd, onbebouwd terrein ter grootte van circa 0,4 hectare en is gelegen aan de Huizerstraatweg 109 te Naarden. Het terrein is volledig omheind met een metalen hek. Aan de randen van het terrein is wat begroeiing aanwezig.
Aan de randen (binnenzijde) van het terrein is wat begroeiing aanwezig in de vorm van enkele volwassen berken en struwelen, zoals Spaanse aak, wilg, meidoorn, braam en mahonia. Langs de randen van het terrein (buitenzijde) staan enkele rijen bomen. Het gaat hier om onder andere beuk, kastanje, populier en ceder. De westkant wordt begrensd door een geluidsscherm van de A1, begroeid met klimop.
Voorgenomen ingreep
De realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw aan de Huizerstraatweg betreft 16 units, bestaande uit werkplaats en kantoorruimte. Aan de randen van het terrein worden parkeerplaatsen gerealiseerd. De realisatie gaat gepaard met de inzet van zwaar materieel. Ten behoeve van de realisatie worden geen bomen gekapt, watergangen gedempt of gebouwen gesloopt. Mogelijk dat struweel en lage vegetatie wordt verwijderd.
Onderzoek
Door RoyalHaskoningDHV is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. In het rapport wordt ingegaan op soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Soortenbescherming
Het plangebied en de directe omgeving daarvan heeft mogelijk leefgebiedsfuncties voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Door het nemen van voorzorgsmaatregelen, wordt overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor deze soorten voorkomen. De benodigde voorzorgsmaatregelen staan omschreven in paragraaf 4.2 (broedvogels) van Bijlage 4
Daarnaast is het voorkomen van algemeen voorkomende beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten of niet op voorhand uitgesloten. Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van een ontheffing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wél dienen voorzorgs- en mitigerende maatregelen genomen te worden om effecten zo veel als mogelijk te voorkomen, dan wel te verzachten. De benodigde voorzorgsmaatregelen staan omschreven in paragraaf 4.2 (algemene zorgplicht) van Bijlage 4. Indien de voorzorgsmaatregelen uit paragraaf 4.2 in acht worden genomen kan een overtreding van de Wnb worden voorkomen er zijn dan geen verdere vervolgstappen nodig.
Natura 2000-gebieden
Het voornemen leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Naardermeer. ABO-Milieuconsult B.V. is gevraagd een voortoets uit te voeren voor de doelstellingen voor deze habitattypen en leefgebieden binnen het gebied. Er wordt geconcludeerd dat de stikstofdepositie door de voorgenomen ontwikkeling geen meetbare significante negatieve invloed zal hebben op de doelstellingen voor het gebied. De volledige beoordeling is terug te vinden in Bijlage 5.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden op voorhand uitgesloten.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt, mits wordt voldaan aan de genoemde voorzorgs- en mitigerende maatregelen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Wettelijk kader
Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden.
Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46).
Luchtkwaliteitseisen
Op basis van artikel 5.16 Wm kan een bestemmingsplan worden vastgesteld indien:
Ruimtelijk-economische besluiten die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde bevat, worden niet langer, zoals voorheen, individueel getoetst aan die grenswaarden. Als gevolg daarvan kunnen tal van kleinere projecten doorgang vinden, ook in situaties waar nog niet aan de grenswaarden wordt voldaan. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).
Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate" (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Het onderhavige plan omvat de realisatie van een bedrijfsverzamelgebouw, bestaande uit 16 units waarin zowel kantoor- als bedrijfsruimte wordt gefaciliteerd. Een dergelijke ontwikkeling is niet (specifiek) in de lijst uit de Regeling NIBM opgenomen. Daarom kan hier niet worden volstaan met de aanname dat de ontwikkeling van geringe omvang is en dat de luchtkwaliteit als gevolg hiervan “niet in betekende mate” zal verslechteren. Een nadere motivering is daarom vereist.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het toenmalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hiertoe wordt het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case. Met beperkte invoergegevens kan dus worden vastgesteld of een plan NIBM is.
Onderzoek
Uit de gedane berekening, waarbij ook ten aanzien van het aantrekken van extra verkeer uit is gegaan van een worstcasescenario, blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer (met een ruime marge) niet in betekenende mate is. Zie voor de uitkomst figuur 5.4.
figuur 5.4: Berekening bijdrage luchtkwaliteit als gevolg van extra verkeer in de NIBM-tool.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Beleidsmatig kader
Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon-)omgeving veroorzaken door lawaai, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen. Voor de milieuzonering in dit plan is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009).
Methodiek
In de publicatie worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. In tabel 5.1 zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.
|
Milieu- categorie |
Richtafstanden in 'rustige woonwijk' | Richtafstanden in 'gemengd gebied' |
| 1 | 10 meter | 0 meter |
| 2 | 30 meter | 10 meter |
| 3.1 | 50 meter | 30 meter |
| 3.2 | 100 meter | 50 meter |
| 4.1 | 200 meter | 100 meter |
| 4.2 | 300 meter | 200 meter |
| 5.1 | 500 meter | 300 meter |
| 5.2 | 700 meter | 500 meter |
| 5.3 | 1.000 meter | 700 meter |
| 6 | 1.500 meter | 1.000 meter |
Tabel 5.1: Richtafstanden per milieucategorie.
De VNG-publicatie is geen wet, maar wel een algemeen aanvaarde richtlijn voor de toepassing van milieuzonering in een ruimtelijk plan. Niettemin gaat de publicatie uit van richtafstanden, die in algemene zin bepaald zijn op basis van gemiddelde productieprocessen. Dat betekent dat bij de toepassing van de publicatie altijd ook de feitelijke situatie ter plaatse in ogenschouw moet worden genomen.
Classificatie plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de west- en zuidzijde direct langs hoofdinfrastructuur, zijnde de snelweg A1. Aan de noord- en oostzijde wordt het plangebied begrensd door woningen. De directe schil daaromheen bestaat uit (grootschalige) bedrijvigheid, zoals een chemisch bedrijf (Givaudan) en een tuincentrum (Van der Roest). Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied een kantoorbestemming op basis waarvan een kantoorvilla kan worden gerealiseerd. Dit in overweging nemende kan het plangebied het best worden geclassificeerd als zijnde een 'gemengd gebied', wat betekent dat de te hanteren richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verlaagd.
Toetsing
Overlast op de omgeving
Dit plan voorziet in kantoor- en bedrijfsruimte in een bedrijfsverzamelgebouw bestaande uit 16 individuele units aan de Huizerstraatweg 109 te Naarden. Bedrijfsmatige activiteiten kunnen leiden tot overlast op nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen. Het is daarom van belang om voldoende afstand te houden tot gevoelige objecten en de aard van de bedrijfsactiviteiten te begrenzen.
Aan de noord- en oostzijde bevinden zich woningen op circa 30 (Huizerstraatweg 14D) en respectievelijk 32 meter (Huizerstraatweg 109A) afstand van het geprojecteerde bedrijfsverzamelgebouw. Op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) kan daarom worden verwacht dat bedrijvigheid tot en met categorie 3.1 uit de Bijlage 1 inpasbaar is in deze omgeving, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter (uitgaande van gemengd gebied). In de planregels is geborgd dat het bedrijfsverzamelgebouw uitsluitend ruimte biedt aan bedrijven die gekwalificeerd kunnen worden als zijnde behorende tot maximaal bedrijfscategorie 3.1, als bedoeld en omschreven bij 6.2 Toelichting op de Regels. Daarnaast kan van de tot categorie 3.1 behorende bedrijfsactiviteiten worden verwacht dat deze, gelet op het feit dat deze uitsluitend in een bedrijfsverzamelgebouw worden uitgevoerd en vanwege voortschrijdende technologische ontwikkelingen (inclusief gebruik van de best beschikbare technieken), tot aanmerkelijk minder (geluid)overlast leiden dan op basis van de richtafstand wordt voorspeld. Er kan dus van worden uitgegaan dat er, als gevolg van bedrijfsactiviteiten in het bedrijfsverzamelgebouw, geen sprake zal zijn van overlast voor de omgeving.
Overlast vanuit de omgeving
Op circa 50 meter van het plangebied bevindt zich Givaudan, een grootschalig farmaceutisch bedrijf welke geuren en aroma's produceert. Op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) kan dit bedrijf het best worden geclassificeerd als een 'parfumerie- en cosmeticafabriek', behorende tot categorie 4.2 met een bijbehorende richtafstand van 300 meter. In gemengd gebied kan deze afstand met één afstandsstap worden teruggebracht naar 200 meter. Het plangebied bevindt zich binnen de richtafstand van Givaudan. Een bedrijfsverzamelgebouw, zoals beoogd, is echter geen milieugevoelige functie. Bovendien bevinden zich reeds milieugevoelige objecten (woningen) tussen Givaudan en het plangebied. Ten slotte wordt opgemerkt dat deze zijde van het bedrijfsperceel in de feitelijke situatie uitsluitend een parkeerterrein bevat. Derhalve kan er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied geen overlast wordt ondervonden van de bedrijfsactiviteiten van Givaudan.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Na vaststelling van het Bestemmingsplan zal door initiatiefnemer een Inrichtingsplan c.q. verdere (private) afspraken worden opgesteld 1) om mogelijke licht- en geluidsoverlast tegen te gaan met mitigerende maatregelen, rekening houdende met een cumulatie van bronnen; 2) door geen lichtgevende namen en/of reclame aan de gevels te bevestigen; 3) door geen hoge en felle terreinverlichting en lichtmasten, die vanaf de straat waarneembaar kunnen zijn, te monteren; 4) om beveiliging en preventie e.d. te bevorderen d.m.v. laag gemonteerde infraroodcamera’s en 5) met een beveiligingshekwerk rondom het terrein.
Wettelijk kader / inleiding
In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
Onderzoek
In het kader van dit plan is vroegtijdig contact opgenomen met het waterschap Amstel, Gooi en Vechtstreek/Waternet. Vervolgens is door Royal HaskoningDHV een Watertoets opgesteld. Dit leidt tot de volgende conclusies en adviezen:
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Wettelijk kader/inleiding
In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie.
Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd.
Onderzoek
Door Royal HaskoningDHV is een Actualiserend vooronderzoek bodem verricht, in navolging op het eerder verrichte bodemonderzoek in 2009. Daaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat er ingrepen in de bodem zijn uitgevoerd waardoor de bodemkwaliteit sinds 2009 zou zijn gewijzigd. Daarmee wordt het onderzoek uit 2009 als actueel beoordeeld. De destijds gemeten gehalten en concentraties vormen geen belemmering voor het voorgenomen gebruik en de hiervoor benodigde bestemmingswijziging. Ook jurisprudentie sindsdien met betrekking tot puinresten vormt geen reden om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.
Op grond van de Wet geluidhinder is sprake van drie soorten lawaai, namelijk wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Binnen dit bestemmingsplan is wegverkeerslawaai en industrielawaai relevant.
Uitgangspunten wegverkeerslawaai
Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.
Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied.
Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting.
De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde.
Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt:
Uitgangspunten industrielawaai
Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A).
De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A).
Wegverkeerslawaai
Door Royal HaskoningDHV is een Quickscan geluid uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van dit plan leidt tot een verwaarloosbare toename van de geluidbelasting, maximaal 0,2 dB. Daarnaast is, ondanks dat een bedrijfsverzamelgebouw geen geluidgevoelig object is, de geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai op de geprojecteerde gevels onderzocht. Daaruit blijkt een maximale geluidbelasting van 64 dB als gevolg van de naastgelegen rijksweg A1 en een maximale geluidbelasting van 60 dB als gevolg van verkeer over de Huizerstraatweg. Dit leidt tot een aantal aandachtspunten met betrekking tot geluidwering en geluidsisolatie om een aangename werkomgeving te kunnen garanderen.
Aandachtspunten geluid binnenniveau
Hoewel het geen wettelijk voorschrift betreft is het, wat betreft comfort en gezondheid, wenselijk om het geluidniveau in de ruimten niet te hoog te laten zijn. Een niet te hoog binnenniveau heeft ook een positief effect op de gezondheid van medewerkers en ook op de arbeidsproductiviteit. Binnen de quickscan geluid zijn een aantal aandachtspunten hiervoor weergegeven.
Industrielawaai
Uit de toets bedrijven en milieuzonering is gebleken dat industrielawaai geen belemmering vormt voor dit plan.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Wel zijn er een aantal aandachtspunten om een aangename werkomgeving (binnenniveau) te kunnen garanderen. In het ontwerp wordt hier rekening mee gehouden. In de vergunningfase wordt getoetst of het geluidsniveau binnen de units aanvaardbaar is.
Wettelijk kader
Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of 'immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend. Voor geurhinder door industrie en bedrijven gelden planologisch gezien geen wettelijke kaders. Deze vorm van geurhinder maakt deel uit van de methode 'Bedrijven en milieuzonering' (VNG, 2009).
Onderzoek
Uit de toets bedrijven en milieuzonering is gebleken dat geur geen belemmering vormt voor dit plan
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Bij een ruimtelijk plan wordt in het kader van de externe veiligheid getoetst aan het landelijk geldend wettelijk kader. Het gaat hierbij om de volgende besluiten:
Bij externe veiligheid gaat het om plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Deze gelden voor risicovolle inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en per buisleiding.
Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek gedaan naar de externe veiligheid. Het onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd.
Bij de inventarisatie is eveneens gekeken naar de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. De Omgevingswet heeft consequenties voor het externe veiligheidsbeleid. In plaats van het groepsrisico worden er aandachtsgebieden rond risicobronnen vastgesteld. Deze aandachtsgebieden kunnen een brandaandachtsgebied en/of een explosieaandachtsgebied en/of een gifwolkaandachtsgebied betreffen. Binnen deze aandachtsgebieden moet aandacht worden besteed aan de betreffende risico's en bijbehorende effecten.
Onderzoek heeft uitgewezen dat voor het bestemmingsplan de volgende risicobronnen volgens onderzoek relevant zijn:
1. Autosnelweg A1 (knooppunt Muiderberg - knooppunt Eemnes)
2. Givaudan Nederland B.V.
3. Spoorlijn Weesp Aansluiting - Hilversum
Autosnelweg A1
Het transport van gevaarlijke stoffen over deze route valt onder de werkingssfeer van het Bevt. Onderzoek wijst uit dat het vervoer van toxische vloeistoffen (LT) het invloedsgebied van de autosnelweg bepaalt. Het invloedsgebied bedraagt 880 meter en ligt over het plangebied heen.
Vooruitblik Omgevingswet
Onder de Omgevingswet krijgt de autosnelweg een brandaandachtsgebied (30 meter) en een explosieaandachtsgebied (200 meter). Deze aandachtsgebieden worden gemeten vanaf de buitenste kantstreep van de doorlopende rijbaan (bij invoegstroken betreft het de blokmarkering). Het planvoornemen ligt gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied en geheel binnen het explosieaandachtsgebied. Omdat er in de huidige situatie een plasbrandaandachtsgebied (PAG) geldt (30 meter), is er voor het brandaandachtsgebied automatisch een voorschriftengebied van toepassing. Hiermee worden onder de Omgevingswet de eisen die voor het huidige PAG gelden zoveel mogelijk beleidsneutraal overgenomen.
Voor het explosieaandachtsgebied geldt dat de gemeente een afweging moet maken om al dan niet een voorschriftengebied vast te stellen. De gemeente kan er gemotiveerd voor kiezen om het voorschriftengebied niet aan te wijzen omdat het planvoornemen conform het Bkl een kwetsbaar gebouw betreft.
Givaudan Nederland B.V.
Het bedrijf betreft een Bevi-inrichting. Deze inrichting maakt gebruik van gevaarlijke stoffen. Conform de QRA, uitgevoerd in 2018, heeft de inrichting een maximale effectafstand (1% letaliteit) van 2538 meter. Deze reikt tot over het plangebied. Conform het Bevi is getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico:
Volgens de QRA ligt de PR 10-6 contour grotendeels binnen de inrichtingsgrenzen van Givaudan. De maximale afstand van de PR 10-6 contour van de inrichtingsgrens is 23 meter in oostelijke richting. Richting het plangebied ligt deze contour binnen de inrichtingsgrens, waardoor deze geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Groepsrisico:
Het invloedsgebied van het planvoornemen wordt gevormd door de effectafstand van een toxische wolk die kan ontstaan bij een brand in de opslagvoorziening (PGS 15 inrichting). Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van 2538 meter (1% letaliteit). Conform de QRA uit 2018 ligt het groepsrisico in de huidige situatie ver onder de oriëntatiewaarde. De toevoeging van het planvoornemen zal geen significante toename van het groepsrisico veroorzaken omdat het planvoornemen buiten de PR 10-8 contour ligt. Hierdoor is een nieuwe berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. In het kader van de verantwoordingsplicht groepsrisico dient het bevoegd gezag advies te vragen aan de veiligheidsregio in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Vooruitblik Omgevingswet
De inrichting krijgt onder de Omgevingswet naar verwachting een gifwolkaandachtsgebied. Binnen een gifwolkaandachtsgebied hoeven geen voorschriftengebieden vastgesteld te worden. Conform het Bbl dient nieuwbouw in de omgeving te worden uitgerust met handmatig afsluitbare ventilatie.
Spoorlijn Weesp - Hilversum
De spoorlijn Weesp - Hilversum ligt op 1.900 meter ten westen van het plangebied. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor valt onder het Bevt. Het invloedsgebied van het doorgaande spoor wordt bepaald door het vervoer van toxische gassen en bedraagt meer dan 4.000 meter. Het invloedsgebied ligt over het plangebied. Conform het Bevt is beschouwing van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico niet noodzakelijk gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de spoorlijn. Het bevoegd gezag heeft wel de verplichting het groepsrisico ten aanzien van de spoorlijn te verantwoorden in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Vooruitblik Omgevingswet
Onder de Omgevingswet krijgen spoorwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Deze aandachtsgebieden worden gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf van de buitenste doorlopende spoorbaan (doodlopende sporen tellen dus niet mee). Het planvoornemen ligt buiten deze aandachtsgebieden.
Beoordeling risicobronnen
De risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn beoordeeld voor externe veiligheid. Samengevat kunnen deze beoordeling als volgt worden weergegeven:
Vooruitblik Omgevingswet
Onder de Omgevingswet krijgen de verschillende risicobronnen aandachtsgebieden. Voor de autosnelweg A1 ligt het plangebied deels binnen het brandaandachtsgebied (30 meter) en volledig binnen het explosieaandachtsgebied (200 meter). De gemeente Gooise Meren dient een afweging te maken of er voorschriftengebieden worden aangewezen. Omdat de snelweg onder de huidige wetgeving een PAG heeft, geldt er binnen 30 meter van de weg automatisch een brandvoorschriftengebied.
Givaudan zal onder de Omgevingswet naar verwachting enkel een gifwolkaandachtsgebied krijgen. Binnen een gifwolkaandachtsgebied worden geen voorschriftengebieden vastgesteld.
De Spoorlijn Weesp - Hilversum zal onder de Omgevingswet een brandaandachtsgebied (30 meter) en een explosieaandachtsgebied (200 meter) krijgen. Het plangebied ligt niet binnen deze aandachtsgebieden, waarmee verdere afweging niet noodzakelijk is ten aanzien van dit planvoornemen.
Elementen verantwoording groepsrisico
Het groepsrisico van de A1 en de spoorlijn (Bevt) dienen beperkt te worden verantwoord. Er dient invulling te worden gegeven aan voorzieningen in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Het groepsrisico van Givuaudan dient volledig te worden verantwoord (Bevi). Er kan zich een ongeval voordoen die gevolgen heeft voor het plangebied waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Het is aan de veiligheidsregio een inschatting te maken betreffende de ongevalsscenario’s, de bijbehorende risico’s en de te treffen voorzieningen.
Om de risico’s in het plangebied te beperken kunnen er extra afwegingen gemaakt worden betreffende handmatig afsluitbare ventilatie, aanrijroutes, brandpreventie, schuilmogelijkheden en vluchtroutes. Daarnaast dienen de toekomstige gebruikers van het gebied geïnformeerd te worden over risico’s ten aanzien van externe veiligheid.
Aanvraag advies door bevoegd gezag
De Veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek dient conform het Bevt en het Bevi in de gelegenheid gesteld te worden om een formeel advies uit te brengen in het kader van de verantwoordingsplicht groepsrisico. Een verzoek tot dit advies dient ingediend te worden door de gemeente Gooise Meren als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure.
In augustus 2023 heeft de Veiligheidsregio een reactie gegeven op het bestemmingsplan voor wat betreft externe veiligheid. De verantwoording van het groepsrisico en het onderzoek 'externe veiligheid' wordt onderschreven.
Vastgesteld wordt dat het terrein goed bereikbaar is en er blusvoorzieningen bij de ingang van het terrein aanwezig zijn. Uitgangspunt verder is dat er allemaal zelfredzame mensen in de bedrijfsunits komen te werken, die bij een incident in staat zijn om zelfstandig te vluchten.
Bij indiening van de aanvraag omgevingsvergunning bouw is het belangrijk om meer specifiek naar de dan geldende regelgeving te kijken. Het is een gemeentelijke bevoegdheid om een besluit te nemen over het eventueel voorschrijven van de voorschriftengebieden. Ook zal bij de aanvraag gekeken worden naar welke energievoorzieningen er gerealiseerd gaan worden in het kader van de brandveiligheid.
Een nadere beoordeling inzake de voorschriftengebieden en de beoordeling van de brandveiligheid (o.a welke energievoorzieningen worden toegepast) zullen te zijner tijd worden beoordeeld bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw.
Het onderdeel externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Wettelijk kader
Erfgoedwet
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving is overgegaan in de Omgevingswet, maar is voor dit bestemmingsplan nog van toepassing. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten.
Onderzoek
Archeologie
In 2009 heeft Grontmij in opdracht van de gemeente Naarden (destijds) een Archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied, destijds met het oog op het oprichten van een kantoorvilla. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Naarden had het plangebied destijds al een zeer lage archeologische verwachtingswaarde. Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied in de 18e en 19e eeuw is afgegraven ten behoeve van zandwinning, waarmee het oude cultuurdek en de onderliggende dekzandlaag zijn verdwenen. Er kunnen archeologische resten in het plangebied voorkomen die dateren vanaf de Steentijd, maar de verwachting is dat deze resten niet meer aanwezig zijn. Voor toevalsvondsten geldt een zorgplicht.
Vanwege bovenstaande motivering komt de archeologische dubbelbestemming uit het Parapluplan Archeologie Gooise Meren te vervallen.
Cultuurhistorie
Het plangebied bevat geen relevante cultuurhistorische waarden.
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Standaard
Dit bestemmingsplan is opgesteld en ingericht conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
Systematiek
Dit betreft een gedetailleerd bestemmingsplan op basis van een concreet initiatief tot het realiseren van een bedrijfsverzamelgebouw. Daarom zijn de bestemmingen en het bouwvlak specifiek bepaald, waarbij nog wel enige vrijheid is geboden om de details van het plan te kunnen wijzigen indien nieuwe inzichten zich aandoen. Daarbij is rekening gehouden met nabijgelegen woningen (in het kader van mogelijke overlast) en het kunnen keren op het terrein (in het kader van verkeersveiligheid).
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In het plangebied wordt een bedrijfsverzamelgebouw gerealiseerd waarbij in kantoor- en bedrijfsruimten wordt voorzien. De algemene toelaatbaarheid via de Staat van bedrijfsactiviteiten zie Bijlage 4 van het Raadsvoorstel met de titel “Regels Nieuwe Bedrijvenlijst”, welke als Bijlage 1 van de Regels bij dit Bestemmingsplan behoord met als titel “Bijlage 1 Richtafstandenlijsten LIJST 1 – ACTIVITEITEN definitief maart 2009” is hier maximaal categorie 3.1. Zodoende zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die geen overlast veroorzaken op nabijgelegen woningen dankzij de onderlinge afstand. Het bedrijfsverzamelgebouw zelf is geborgd via een maatbestemming (specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw). Op de verbeelding wordt de begrenzing van de bebouwing middels een bouwvlak vastgelegd, evenals de maximale bouwhoogte. Het maximum bebouwd oppervlak bedraagt 935 m2.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen.
De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden.
Artikel 6 Algemene gebruiksregels
De algemene gebruiksregels bevatten regelingen die het gebruik van gronden en bouwwerken die in strijd zijn met het bestemmingsplan verbieden.
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels
Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene afwijkingsmogelijkheid opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking.
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
Ook bevat dit artikel een regeling met betrekking tot parkeren. In deze regeling is opgenomen dat bij nieuwbouw moet worden voorzien in voldoende parkeren op basis van de door gemeente gehanteerde normen. De regeling bevat mogelijkheden om, onder voorwaarden, van deze normen af te wijken.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 3.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van exploitatiekosten anderszins is verzekerd (op een andere manier geregeld is) en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd.
De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.
Planspecifiek
Het ontwerpbestemmingsplan is op 5 oktober 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Daarnaast is op 27 juni 2022 een informatieavond Het Arsenaal in Naarden georganiseerd voor omwonenden en overige geïnteresseerden.
Er zijn twee zienswijzen ingediend tegen dit plan. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoordt in de zienswijzennota Bijlage 10. De zienswijzen hebben voor wat betreft de planregels niet geleid tot wijziging van het plan. Voor wat betreft de toelichting kan worden opgemerkt dat een aantal onderzoeken zijn aangevuld of geactualiseerd.
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.1, lid 1 juncto artikel 3.1.6, lid 1 onder c Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Afstemming provincie Noord-Holland
Formeel gezien ligt het plangebied niet binnen het stedelijk gebied, maar binnen het landelijk gebied binnen de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland. Binnen het landelijk gebied zijn op grond van artikel 6.14 Omgevingsverordening kleinschalige ontwikkelingen mogelijk, zolang het geen woningbouwontwikkeling betreft. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:
- de ontwikkeling moet plaatsvinden op een locatie waar stedelijke activiteiten zijn toegestaan;
- het toegestane bebouwd oppervlak mag niet wordt vergroot; en
- het aantal burgerwoningen mag niet toenemen.
Vaststaat dat het bestemmingsplan geen woningen mogelijk maakt. Eerder is door de provincie ingestemd met een kantoorfunctie binnen het plangebied door vaststelling van het bestemmingsplan Huizerstraatweg (vastgesteld op 21 december 2009). Voorgaande provinciale instemming kan gezien worden als een locatie waar stedelijke activiteiten zijn toegestaan. De kantoorfunctie in het vorige bestemmingsplan behelst een aantal vierkante meters bebouwd oppervlak. Het aantal vierkante meters bebouwd oppervlak aan bedrijfsruimte en kantoorruimte binnen dit bestemmingsplan komt hiermee overeen. De stedelijke ontwikkeling is hiermee gelijk te stellen, de ene ontwikkeling wordt als het ware ingeruild voor de andere ontwikkeling.
Binnen de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt als vuistregel voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen dat de omvang beperkt moet blijven tot 500 m² bouwoppervlak. In deze situatie is sprake van een groter oppervlak. Vastgesteld kan worden dat de betreffende locatie op basis van het vigerende bestemmingsplan al een stedelijke ontwikkeling met bouwmogelijkheden toestaat. De ontwikkeling binnen dit bestemmingsplan mag plaatsvinden op het betreffende perceel of daarbuiten, zolang de bouwmogelijkheden niet worden vergroot. Aan dit laatste wordt voldaan.
Over het voorgaande heeft afstemming plaatsgevonden met de provincie Noord-Holland. Vastgesteld is dat de ontwikkeling past binnen de provinciale omgevingsverordening als het maximum bebouwd oppervlak niet toeneemt.