| Plan: | Oudemirdum - Kooilaan 3 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPOUM22KOOILAAN3-VA01 |
Aan de Kooilaan 3 te Oudemirdum staat een voormalige dienstwoning van Staatsbosbeheer. Na het beëindiging van de functie hiervan is de woning in gebruik genomen als recreatiewoning. Inmiddels heeft de woning een nieuwe eigenaar. Deze is voornemen de woning permanent te gaan gebruiken voor bewoning.
De ontwikkeling is op basis van de geldende beheersverordening 'Buitengebied Zuid West 2017' niet toegestaan (zie paragraaf 1.3). De gemeente wil medewerking verlenen aan het voornemen. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie noodzakelijk.
Het perceel Kooilaan 3 te Oudemirdum vormt het plangebied van dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente De Fryske Marren. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied is afgestemd op het kadastrale perceel nummer 4730, sectie M van de kadastrale gemeente Balk. De begrenzing van het plangebied is weergeven in figuur 1.2.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied
Het plangebied is geregeld in de beheersverordening 'Buitengebied Zuid West 2017', vastgesteld op 26 september 2017. Ten aanzien van het gebruik, het bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden geldt de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan Herziening Buitengebied 2004.
Op basis van dit plan zijn de gronden voorzien van de bestemming Recreatiewoningen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor recreatiewoningen. In het plangebied is één recreatiewoning van 70 m2 toegestaan. Verder zijn 20 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.3.
Het permanent gebruiken van de recreatiewoning is niet toegestaan. De beoogde plannen zijn daarmee in strijd met de geldende beheersverordening.
Figuur 1.3. Fragment geldend bestemmingsplan
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de juridische regeling van het plan aan de orde gesteld. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt in het bosrijke buitengebied van de gemeente De Fryske Marren op ongeveer 1 kilometer ten noorden van de kern Oudemirdum. Figuur 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer in zijn omgeving. Het landschap betreft een kleinschalig halfopen landschap. Enerzijds wordt het landschap gekenmerkt door de dichte bebossing rondom het plangebied en anderzijds het open agrarisch landschap, met (onregelmatige) blokverkaveling. Rondom de erven en langs de wegen is sprake van hoogopgaande beplanting.
Het plangebied ligt aan de Kooilaan en bevindt zich midden in de bossen. Ten noorden van het plangebied bevinden zich een tweetal gebouwen van Staatsbosbeheer. In het plangebied zelf staat een voormalige dienstwoning van Staatsbosbeheer. Na de beëindiging van de functie hiervan is de woning in gebruik genomen als recreatiewoning.
Een aanzicht op het plangebied is weergegeven in figuur 2.1.
Figuur 2.1. Aanzicht van de woning (bron: Funda)
De gewenste situatie bestaat uit het in gebruik nemen van de voormalige bedrijfswoning van Staatsbosbeheer ten behoeve van reguliere bewoning. Een impressie van de toekomstige situatie is weergeven in figuur 2.2.
Figuur 2.2. Impressie toekomstige situatie
Bij nieuwe ontwikkelingen dient de landschappelijke structuur als onderlegger benut te worden bij nieuwe ontwikkelingen. Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in het gebied Gaasterlân. Dit bestemmingsplan doet geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het landschap. De ontwikkeling is volledig perceelsgebonden en heeft zo geen effect op de verkaveling in het gebied. In de bestaande situatie is het plangebied reeds ingepast met hoogopgaande beplanting. Het perceel is in de huidige situatie al op een gebiedseigen wijze ingepast in het gebied. Er wordt geen nieuwe boombeplanting geïntroduceerd.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Groningen is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Conclusie
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een verantwoording moet bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
In dit bestemmingsplan wordt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. De bouw van één woning is op basis van jurisprudentie geen verstedelijking. Toepassing van de ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.
Verordening Romte 2014
In de Verordening Romte Fryslân stelt de provincie regels aan de provinciale belangen. Het perceel betreft een recreatiewoning, waarvan de functie wordt gewijzigd naar regulier wonen.
Permanente bewoning van recreatiewoningen
In de verordening is geregeld dat in het landelijk gebied in principe geen bouwmogelijkheden voor stedelijke functies, zoals het wonen, geboden mogen worden (artikel 1.1.1). Op grond van de kaarten bij de verordening ligt het plangebied in het landelijk gebied.
De functiewijziging kan op basis van artikel 1.2.1 mogelijk gemaakt worden. Dit artikel maakt het mogelijk om vrijkomende (niet-)agrarische bebouwing te gaan gebruiken ten behoeve van een nieuwe stedelijke functies in landelijk gebied. Dit ondanks het feit dat in lid 1 van dit artikel wordt aangegeven dat voor de bestemming van recreatiewoningen naar een woonbestemming voor permanente bewoning de artikelen 5.8.1 en 5.8.2 van toepassing zijn. In artikel 5.8.1 is opgenomen dat in een ruimtelijk plan de bestemming voor verblijfsrecreatief gebruik van recreatiewoningen die buiten het bestaand stedelijk gebied liggen en die oorspronkelijk als recreatiewoningen zijn gebouwd, niet kan worden omgezet in een regeling die permanente bewoning toestaat. Echter is hier sprake van een voormalige dienstwoning van Staatsbosbeheer en daarmee gericht op een woonfunctie en het omzetten kan dan ook als een passende functie wijziging worden beschouwd op basis van de VRF. De artikelen 5.8.1 en 5.8.2 hebben betrekking op gebouwen die oorspronkelijk als recreatiewoningen zijn gebouwd. In het plangebied is hier geen sprake van. Derhalve wordt toepassing gegeven aan artikel 1.2.1. Er is sprake van het hergebruiken van een voormalige dienstwoning.
Wonen
In artikel 3.1.1 is bepaald dat in woningbouw kan worden voorzien indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Hierop wordt in paragraaf 3.3 ingegaan.
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 2.1.1 lid 3 is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van het voornemen binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is verwoord in paragraaf 2.2 Ook de cultuurhistorische kernkwaliteiten binnen het plangebied blijven behouden. Dit is nader omschreven in paragraaf 4.7.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de regels van de Verordening Romte Fryslân.
Grutsk op é Romte
In maart 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen.
Het voornemen betreft een perceelsgebonden ontwikkeling dat zich binnen de bestaande landschappelijke contouren plaatsvindt. De landschappelijke en cultuurhistorische structuren in de omgeving worden met dit plan niet aangetast. De nieuwe woning wordt op een goede manier landschappelijke ingepast.
Visie De Fryske Marren
In de 'Visie de Fryske Marren' beschrijft de gemeente hoe de gemeente eruit ziet en wat haar ambities zijn. In het beleidsdocument wordt een aantal richtinggevende uitspraken gedaan.
Voor de gemeente is het belangrijk dat het plattelandskarakter behouden blijft. Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. De gemeente staat hierbij open voor kansen. Initiatieven worden gefaciliteerd met maatwerk naar aard en schaal van de woonomgeving.
Het herontwikkelen van een recreatief perceel naar een woonperceel biedt kansen voor het versterken van de kwaliteit van het landschap. De waarde van het landschap blijft minimaal behouden.
Woonvisie 2014-2018 en Uitvoeringsprogramma 2016-2026
In de woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2014-2018. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.
In het Uitvoeringsprogramma 2016-2026 van de gemeente is ruimte opgenomen voor particuliere initiatieven op diverse locaties. In dit geval is sprake van het toevoegen van één extra woning. Het plan is passend binnen het woningbouwprogramma.
Welstandnota De Fryske Marren 2014
De gemeenteraad van De Fryske Marren heeft op 22 april 2015 de Welstandsnota De Fryske Marren 2014 gewijzigd vastgesteld. Met de nieuwe welstandsnota is ook het welstandsbeleid aangepast. De welstand toetst of een bouwplan aan de minimale beeld- en kwaliteitseisen voldoet en past in de omgeving. De gebieds- en objectgerichte aanpak beoogt de belangrijkste karakteristieken van de bebouwing te beschermen en te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen daarop voortbouwen. Zo ook voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied.
Het plangebied ligt in welstandsgebied 'Stuwwallenlandschap'. Dit betreft een standaard welstandsgebied. Het stuwwallandschap is een van de buitengebieden van de gemeente. Dit is het meer besloten deel van het buitengebied dat zich uitstrekt over de hogere zandgronden en de karakteristieke keileemruggen van Gaasterland tot aan Joure. In het stuwwallengebied is de verkaveling divers en blokvormig, afgewisseld met opstrekkende verkaveling. Het centrale plateau in Gaasterland is vrijwel onbebouwd gebleven. In het gebied zijn er stinzen(terreinen) aanwezig. Vanaf de 17e tot en met de 20e eeuw zijn landgoederen ontwikkeld en bossen aangelegd. Hout- en tuinwallen bevinden zich op de randen van het plateau, er is veel beplanting rond de erven. Door deze landschappelijke kenmerken is het landschap minder open dan bijvoorbeeld het Veenlandschap. De bebouwing staat daarom meer op zichzelf dan in andere buitengebieden. Hierdoor is een gevarieerder bebouwingsbeeld mogelijk, zonder dat dit een rommelig totaalbeeld oplevert. Door het gevarieerde gebruik van het gebied (recreatie, bosbouw, landgoederen, boerderijen, wonen) is er daadwerkelijk een gevarieerd bebouwingsbeeld ontstaan.
Het is een aantrekkelijk, gevarieerd landschap waarin -als het gaat om bouwen en verbouwen- veel vrijheid mogelijk is. Wel moet er zorgvuldig omgegaan worden met het karakter van met name grootschalige bebouwing: kleinere volumes vallen gemakkelijk weg in het geheel, bij grotere volumes is dit minder het geval. Het welstandsbeleid is gericht op het zoveel mogelijk handhaven van het karakteristieke bebouwingsbeeld. In geval van verbouwing, wijziging of uitbreiding van traditionele boerderijen en woningen zullen de bestaande bebouwingskarakteristieken van het betreffende pand worden gerespecteerd.
Bij eventuele toekomstige bouwaanvragen toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de welstandscriteria die voor dit gebied gelden.
Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen vis gebruik gemaakt van de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' d.d. 23 februari 2018 en 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van CROW (publicatie 317).
Het plangebied wordt via Kooilaan ontsloten. Er is sprake van een overzichtelijke verkeerssituatie. Op het perceel is voldoende ruimte om te voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen overeenkomstig het parkeerbeleid van de gemeente. De toename van verkeersbewegingen is daarnaast minimaal. Voor losstaande recreatiewoningen gelden geen specifieke normen voor verkeersbewegingen. Voor de huidige recreatiewoningen is daarom uitgegaan van het kencijfer voor 'bungalowpark (huisjescomplex)'. Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van 2,7 mvt/etmaal per recreatiewoning. Voor de toekomstige permanente woning kan aangesloten worden bij het kencijfer voor 'Koop, huis, vrijstaand'. Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal per woning. In de toekomstige situatie is daarmee sprake van een toename van 5,5 verkeersbewegingen. Deze toename kan zich gemakkelijk over de Kooilaan afwikkelen. De afwikkeling van het verkeer zal daardoor niet voor problemen zorgen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om de milieuruimte van bedrijven voor het bestemmingsplan in beeld te brengen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor bedrijfsactiviteiten ten opzichte van een rustige woonwijk (voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar). Ten opzichte van een gemengd gebied gelden kleinere richtafstanden.
In het plangebied wordt met dit bestemmingsplan de planologische mogelijkheid gecreëerd in een nieuwe woning te realiseren. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse voldoende moet zijn. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijfsmatige activiteiten. De dichtstbijzijnde activiteit bevindt zich op een afstand van meer 90 meter, een golfbaan. Golfbanen vallen onder milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. De golfbaan ligt daarmee op voldoende afstand. Ditzelfde geldt voor de campings ten noorden en zuiden van het plangebied. Deze bevinden zich op een afstand van meer dan 250 meter. Campings vallen onder milieucategorie 3,1, waarvoor een afstand van 50 meter geldt.
Tot slot bevindt zich op de naastgelegen locatie aan de De Houtwâl 2 een onderhoudsgebouw van Staatsbosbeheer. Voor deze locatie is een type A melding in het kader van het Activiteitenbesluit afgegeven. De bedrijfsmatige activiteiten zijn daarmee dermate kleinschalig dat het woon- en leefklimaat van de toekomstige woning niet wordt aangetast.
In het plangebied kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden zonder dat de naastgelegen bedrijven beperkingen worden opgelegd. Het aspect milieuzonering staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.
Ten aanzien van geluidshinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidshinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. In de wet is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft, waar aandacht aan geluidshinder moet worden besteed. De Wgh onderscheidt geluidsgevoelige objecten enerzijds en niet-geluidsgevoelige objecten anderzijds. De Wgh stelt dat op de gevels van geluidsgevoelige objecten voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Het plangebied bevindt zich binnen de geluidszone van de Sminkewei. Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 1. Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 Db niet wordt overschreden.
Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied valt in het werkgebied van Wetterskip Fryslân.
Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân. In bijlage 2 is de watertoets toegevoegd. Hieruit blijkt dat er geen waterschapsbelang geldt voor dit plan, omdat uitsluitend sprake is van een functiewijziging en de bestaande bebouwing behouden blijft.
Verharding
De verharding neemt als gevolg van de functiewijziging niet toe, waardoor er geen noodzaak tot watercompensatie is.
Ruimtelijke adaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.
Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemde advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden.
Gebruik materialen
Tot slot wordt met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen.
Het uitgangspunt wat betreft de bodem is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de gewenste functie. De ontwikkeling vindt plaats op gronden waar op basis van het geldende bestemmingsplan de woonfunctie reeds is toegestaan.
De ontwikkeling vindt plaats op een erf wat reeds intensief in gebruik is geweest als recreatiewoning. Het is niet aannemelijk dat deze gronden door dit gebruik verontreinigd zijn. Ook zijn er geen verdachte activiteiten uit het verleden bekend. Er is geen sprake van een verdachte locatie. Het uitvoeren van bodemonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1.500 n Chr.). De provincie beveelt in het plangebied aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de periode ijzertijd-middeleeuwen, alsmede een karterend onderzoek voor de periode steentijd-bronstijd.
Het plangebied kent een oppervlakte van circa 900 m2. Door deze oppervlakte kan met dit plan geen bodemingrepen worden voorgesteld die de onderzoeksdrempel voor archeologisch onderzoek overschrijden (>5.000 m²). De kans op archeologische vondsten is klein. Derhalve is geen noodzaak tot een archeologisch onderzoek. Als er onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag. Zekerheidshalve is in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' opgenomen. Onderzoek is nodig bij ingrepen groter dan 5.000 m2.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.
In het plangebied zelf is geen sprake van cultuurhistorische waarden. De in het plangebied aanwezige landschapselementen hebben geen monumentale of karakteristieke waarde. Wel kan de 'kavel' van cultuurhistorische waarde zijn. Het plangebied maakt deel uit van de verkavelingstype 'divers'. Hieronder zijn enkele kleine gebieden geschaard, rondom Mirnserklif en ‘De Kooi’ ten zuiden van Bantega. Met dit plan blijft de bestaande verkaveling ongewijzigd en daarmee behouden. Vanuit het omgevingsaspect cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van gebieden en de bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb).
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS). Binnen deze gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.
De gronden rondom het plangebied maken deel uit van het NNN. Het gebied van de woning is geëxclaveerd uit de NNN. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling in het plangebied (eerst bedrijfswoning, toen recreatiewoning en nu reguliere woning) treden geen nadelige effecten op voor dit natuurgebied. Een gedeelte van de gronden maken daadwerkelijk deel uit van het NNN-gebied. Deze gronden krijgen met dit bestemmingsplan de bestemming Bos. Van intensief gebruik van deze gronden is dan ook geen sprake. Ook zijn hier geen bouwwerken toegestaan.
De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn het IJsselmeer (circa 3 kilometer) en de Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (circa 4,8 kilometer). Gezien de beperkte omvang van onderhavig plan, namelijk de functiewijziging van een recreatieve functie naar een reguliere burgerwoning, is dit plan ook niet van invloed op deze Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming vormt dit bestemmingsplan geen belemmering.
Soortenbescherming
Voor de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden voor het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk
verontrusten van een beschermde diersoort.
Ten behoeve van de ontwikkeling is een ecologisch quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 toegevoegd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er mogelijk algemene broedvogels, verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen en een migratieroute van de otter binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn.
Aangepaste procedure
In dit kader heeft de provincie aangegeven dat de 'Werkwijze Kleine Initiatieven' toegepast kan worden. Maar, omdat een kraamverblijfplaats (belangrijke functie, moeders met jongen) van vleermuizen niet uitgesloten kan worden moet er wel nader onderzoek in de kraamperiode worden uitgevoerd (mei-juli) om zo'n type verblijfplaats uit te sluiten/aan te tonen. Het nader onderzoek in het najaar naar vleermuizen hoeft met deze werkwijze dan niet uitgevoerd te worden.
De 'Werkwijze Kleine Initiatieven' kan gelet op bovenstaande onder de volgende voorwaarden worden toegepast:
In het Ecologisch Werkprotocol moet tenminste het volgende worden opgenomen:
Voor het project wordt op basis van bovenstaande een Ecologisch Werkprotocol opgesteld met daarin compensatiemaatregelen in het kader van de instandhouding van de vleermuis. Met inachtneming van de te nemen maatregelen wordt de in dit bestemmingsplan geregeld woonfunctie uitvoerbaar geacht.
In het bestemmingsplan kan hiervoor geen regeling worden opgenomen omdat de Wet natuurbescherming altijd van toepassing is en los staat van de Wet ruimtelijke ordening. Eventuele bouwkundige ingrepen staan hier los van en moeten daarna in het traject van de omgevingsvergunning geregeld worden conform de vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Hiermee zal tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden. Uit de risicokaart blijkt dat nabij het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plangebied ligt niet in invloedsgebieden van risicobronnen. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan. Voorgaande wordt bevestigd door de brandweer. Zie hiervoor bijlage 4. Hierin wordt ook een advies gegeven in relatie tot het realiseren van een opstelplaats voor de brandweer. De gemeente gaat hierover in overleg met de brandweer.
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Maatgevende stoffen in Nederland zijn hiervoor stikstofdioxide en fijn stof.
Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit in Nederland zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.
Er wordt slechts één woning mogelijk gemaakt. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteits- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die een planologische zone hebben.
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. Dit bestemmingsplan maakt slechts één woning mogelijk en is dus niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.
Daarnaast wordt de ontwikkeling, gelet op de aard en de omvang, ook niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de beoordeling of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In dit geval verandert het gebruik van het perceel, van stedelijke functie in de vorm van een recreatiewoning naar een andere vorm van verstedelijking in de vorm van wonen. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel. Met dit bestemmingsplan is sprake van een beperkt ruimtebeslag ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Verder vinden geen wijzigingen aan de wijze van ontsluiting plaats en wordt de parkeerbehoefte, net als in de huidige situatie, binnen het plangebied opgelost. Daarnaast leidt de ontwikkeling niet tot een hogere verkeersaantrekkende werking dan in de huidige situatie mogelijk is. Op basis van voorgaande wordt de beoogde ontwikkeling niet gekwalificeerd als stedelijk ontwikkelingsproject. Er behoeft dan ook geen besluit te worden genomen of een MER nodig, dan wel niet nodig is.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding is de woonbestemming en in de regels (per bestemming) zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden vastgelegd.
In deze paragraaf wordt de afzonderlijke bestemming zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de systematiek van het voormalige bestemmingsplan Herziening Bestemmingsplan Buitengebied 2004.
Het woonperceel krijgt de bestemming Wonen. Het plan biedt mogelijkheden voor het wonen, in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Er is binnen de bestemming Woondoeleinden één vrijstaande woning toegestaan. De oppervlakte bedraagt maximaal 150 m2. De gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij zal ten hoogste 60 m² bedragen.
Bij verbouw en uitbreiding van (bestaande) hoofdgebouwen wordt gelet op de landschaps- en bebouwingsstructuur van de omgeving en een aansluiting op de aanwezige hoofdvorm van het pand zelf. Volledige herbouw van hoofdgebouwen dient in beginsel op de plek van het bestaande woonhuis plaats te vinden.
Zekerheidshalve is in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' opgenomen. Onderzoek is nodig bij ingrepen groter dan 5.000 m2.
Tot slot krijgt het zuidelijke gedeelte van het plangebied de bestemming Bos. Dit vanwege het feit dat deze gronden deel uit maken van het NNN-gebied. Binnen deze bestemming is geen bebouwing toegestaan.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. In het kader van het vooroverleg hebben brandweer en Tennet gereageerd. Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Tennet heeft dan ook geen opmerkingen. Het advies van de brandweer is als bijlage 4 toegevoegd en wordt in paragraaf 4.9 aangehaald.
Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Eenieder is daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Vaststellingsfase
Het bestemmingsplan is vervolgens op 14 september 2022 ongewijzigd door de gemeenteraad vastgesteld. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. In dit geval is er geen sprake van uitvoeringskosten. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.
Grondexploitatie
In het voorliggende plan is er op basis van artikel 6.2.1 Bro geen sprake van een bouwplan. De grondexploitatieregeling is daarom niet van toepassing. Om deze reden wordt door de gemeente van het opstellen van een grondexploitatieplan afgezien. Tevens is bepaald dat bij exploitatiebedragen van minder dan € 10.000,- er sprake is van een 'uitzonderingsgeval' waarbij het opstellen van een exploitatieplan niet verplicht is. In dit geval kan met leges worden volstaan aangezien er geen sprake is van fysieke kosten voor de gemeente en de gemeentelijke kosten minder bedragen dan € 10.000,-. In dit geval neemt de gemeente de legeskosten voor haar rekening. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Ook wordt er geen anterieure overeenkomsten afgesloten tussen initiatiefnemer en gemeente.