direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oudega - It Stalt 3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPOUG23ITSTALT3-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan It Stalt ligt een braakliggend perceel. Gemeente De Fryske Marren is voornemens om hier twee tot zes koopwoningen te realiseren. De ontwikkeling is echter niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan 'Oudega 2016', omdat binnen de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' geen woningen mogen worden gebouwd. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk, waarin het voornemen toegelicht, gemotiveerd en geregeld wordt. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de noordwestzijde van de oude kern Oudega. Het plangebied is kadastraal bekend als BAL00-O-1902 en bestaat momenteel uit een perceel braakliggend terrein. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUG23ITSTALT3-VA01_0001.png"

Figuur 1.1 Globale ligging van het plangebied (bron: PDOK Viewer)

1.3 Planologische regeling

Bestemmingsplan Oudega 2016

Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan 'Oudega 2016', dat is vastgesteld op 26 september 2017 door de gemeente De Fryske Marren. In dit plan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Op basis van deze bestemming zijn woningen niet toegestaan. Dit betekent dat voor de woningbouwontwikkeling het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk is.

Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUG23ITSTALT3-VA01_0002.png"

Figuur 1.2 Het plangebied met het vigerende bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Paraplubestemmingsplan parkeernormen

Het paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen', vastgesteld op 27 juni 2018 door de gemeente De Fryske Marren, bevat een nieuw artikel waarin de nieuwe parkeernormen van toepassing worden verklaard of dan wel worden vervangen in de bestemmingsplannen die in de toepassingsbepaling in artikel 2 zijn genoemd.

Op grond van artikel 4 geldt dat de gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen slechts mogen worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Bij omgevingsvergunning wordt aan de hand van de parkeernormen in de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Paragraaf 4.1 gaat hier nader op in.

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld. Hoofdstuk 6 gaat in op de juridische regeling van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

De voorgenomen ontwikkeling is aanleiding voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen.

2.1 De bestaande situatie

Het plangebied ligt ten noordwesten van de oude kern van Oudega, nabij It Stalt. Oudega is een klein dorp dat gelegen is in het agrarisch gebied tussen de bosgebieden van Gaasterland en het meer De Fluessen. In het dorp staat de woonfunctie voorop. Voor de omvang van het dorp is er wel een behoorlijk aantal bedrijven aanwezig, waaronder een omvangrijk staalconstructiebedrijf en een internationaal opererend productie- en handelsbedrijf in oldtimeronderdelen. Het dorp kent ook een multicultureel centrum.

Momenteel is het plangebied een braakliggend terrein. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.000 m2. De noord- en oostzijde van het plangebied worden omsloten door een sloot en door agrarische percelen. De westzijde wordt omsloten door It Stalt. Deze weg heeft een 30 km/uur-regime. Verder ten westen ligt een uitbreidingslocatie, waar ook woningen worden ontwikkeld. Ten zuiden van het plangebied, grenzend aan het perceel, liggen eveneens woningen. Ook is hier de christelijke basisschool De Skeakel gevestigd. Verder ten zuiden staat de Johannes de Doperkerk.

In figuur 2.1 is een luchtfoto weergegeven van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUG23ITSTALT3-VA01_0003.png"

Figuur 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie (bron: PDOK Viewer)

2.2 Voorgenomen initiatief

Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van maximaal zes koopwoningen, bestaande uit vrijstaande woningen en/of twee-onder-een-kapwoningen. De stedenbouwkundige opzet van de eerdere fase van woningbouw aan it Stalt wordt in de nieuwe fase doorgezet. De woningen worden met het front naar het landelijk gebied geprojecteerd. De woningen bestaan uit één laag met kap, met een goot- en bouwhoogte van 3,5 respectievelijk 11 meter. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. In de openbare ruimte worden enkele bezoekersparkeerplaatsen gerealiseerd. Een uitwerkingsvoorstel van de verkaveling is opgenomen in figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUG23ITSTALT3-VA01_0004.png"

Figuur 2.2 Verkavelingsopzet (bron gemeente De Fryske Marren)

2.2.1 Ruimtelijke inpassing

De kavels van de maximaal zes nieuwe woningen liggen aan It Stalt in het dorp Oudega, in een woongebied. Van oorsprong heeft Oudega zich ontwikkeld als een lintdorp langs de ontginningsassen. De recentere (woon)bebouwing, die voor een belangrijk deel geclusterd aan de noord- en zuidwestzijde van het dorp is gerealiseerd, wordt gekenmerkt door woningen met een lage (3 meter hoge) goot. De nieuwe woningen sluiten aan op deze woningen.

In de huidige situatie betreft het plangebied een braakliggend terrein. Het verdichten van de lintbebouwing in Oudega is geen nieuwe ingreep; ten westen van het plangebied ligt een uitbreidingslocatie waar recentelijk nieuwe woningen gerealiseerd zijn. Het bestemmingsplan 'Oudega - Uitbreiding herziening' dat hieraan ten grondslag ligt, is op 21 april 2020 vastgesteld. Het toevoegen van woningen aan een braakliggend terrein zorgt ervoor dat aansluiting wordt gevonden bij de bestaande bebouwing aan de noordwestzijde van de kern van Oudega. Qua materiaalgebruik wordt aangesloten bij het bestaande bebouwingsbeeld. De goothoogte van de woningen sluit aan bij de lage goot van de bestaande woningen in de omgeving. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat met de bouw van de woningen het straat- en bebouwingsbeeld aan It Stalt sluitend en gaaf zal worden.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het is de bedoeling er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.

Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

  • 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;
  • 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • 4. Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Realiseren opgaven

In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:

  • 1. De Omgevingsagenda
    In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
  • 2. De NOVI-gebieden
    Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

De regio waarvan de gemeente De Fryske Marren deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de NOVI.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen, brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Door de kleinschaligheid van het planvoornemen is het SVIR hier niet op van invloed. Wel past de aard van het planvoornemen binnen de rijksdoelen zoals deze in het SVIR worden geschetst. De plannen zorgen voor ontwikkeling en behoud van de leefbaarheid in het dorp Oudega.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Het bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.

3.1.4 Ladder voor Duurzame Verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Toepassing Ladder voor duurzame verstedelijking en conclusie

De Ladder is alleen van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Op basis van de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724), geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is dit het geval, dan is een Laddertoets vereist en is daarmee een beschrijving van de behoefte nodig. Met het planvoornemen worden zes woningen gerealiseerd. Hierdoor is het niet noodzakelijk het voornemen te toetsen aan de Ladder. Echter, relatief gezien is de ontwikkeling voor een kern als Oudega vrij groot. In paragraaf 3.3.1 is de behoefte aan de ontwikkeling daarom nader onderbouwd.

3.1.5 Conclusie Rijksbeleid

De voorgenomen ontwikkeling raakt geen nationale belangen als opgenomen in de NOVI. Ook raakt de woningbouwontwikkeling in Oudega geen nationale belangen uit het Barro. Er is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling waar de beleidsvrijheid bij de gemeente en de provincie ligt. Als laatste is het door de relatief kleine ontwikkeling niet noodzakelijk een Laddertoets uit te voeren. De ontwikkeling past binnen de kaders van het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele

Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld, waarin de ambities voor de provincie voor 2030-2050 zijn uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het 'ja, mits-principe', aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten.

De planontwikkeling past binnen het principe van zuinig ruimtegebuik, omdat een onbebouwd grasveld wordt herontwikkeld als woningbouwlocatie. De maatschappelijke behoefte aan de nieuwe functie speelt hierbij een rol. In paragraaf 3.3.1 is aangetoond dat behoefte is aan zes nieuwe woningen in Oudega. Hiermee sluit het planvoornemen qua schaal en functie aan bij de omgeving.

Bij het principe van omgevingskwaliteit als ontwerpbasis begint het werken aan een goede omgevingskwaliteit bij het volwaardig betrekken van de omgeving bij het bepalen en invullen van deze kwaliteit. Het gevarieerde Friese landschap met haar steden en dorpen is een van de meest herkenbare elementen van omgevingskwaliteit. Het dorp Oudega is gelegen in het westen van de gemeente De Fryske Marren. Dit deel van de gemeente ligt tussen de beslotenheid van de bossen van Gaasterland en het gebied bij de Fluessen, dat zich kenmerkt door grote landschappelijke openheid. De openheid wordt enigszins onderbroken door de groen omlijste dorpen die her en der over het landschap verspreid liggen. Het centrale punt in Oudega wordt gevormd door de kerk. Rond de kerk heeft zich in het verleden een lichte concentratie van bebouwing ontwikkeld. Hierdoor heeft Oudega een enigszins lintvormige structuur gekregen. Dit plan wordt als een ruimtelijke/landschappelijke afronding gezien van deze kern. Bij de uitwerking van de verkaveling wordt rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.

Conclusie

De principes van zuinig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit passen binnen de kwaliteiten die de provincie Fryslân wil behouden en bevorderen. Daarmee is de planontwikkeling in overeenstemming met de omgevingsvisie.

3.2.2 Verordening Romte Fryslân 2014

Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. De volgende artikelen zijn van toepassing op de woningbouwontwikkeling in Oudega:

Artikel 2.1.1 Ruimtelijke kwaliteit

  • 1. De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze:
    • a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;
    • b. het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.
  • 2. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op landelijk gebied stelt zo nodig regels die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, herkenbaar blijven.
    • a. Een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van:
    • b. een uitbreidingslocatie;
    • c. nieuwe infrastructuur of aanpassing van infrastructuur;
    • d. een nieuwe recreatieve voorziening of uitbreiding van een recreatieve voorziening;
    • e. agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven;
    • f. overige nieuwe of uitbreiding van bestaande, al dan niet aan het landelijk gebied gebonden functies,

binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b.

Het plangebied is gelegen in landelijk gebied en betreft een uitbreidingslocatie. De ruimtelijke inpassing is uiteengezet in paragraaf 2.2.1. In paragraaf 2.2.1 is eveneens aangetoond dat de uitbreidingslocatie zorgvuldig is ingepast. Het toevoegen van woningen aan braakliggend terrein zorgt ervoor dat de omgeving van het plangebied, een woonwijk, sluitend en gaaf wordt. In paragraaf 4.8 is aangetoond dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied niet worden aangetast.

Artikel 2.2 Archeologie

In artikel 2.2.1 van de verordening is opgenomen dat in en plantoelichting van een ruimtelijk plan moet worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de FAMKE. Deze onderbouwing is opgenomen in paragraaf 4.7.

Artikel 2.3.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

In artikel 2.3.1 van de verordening is opgenomen dat de provincie streeft naar zorgvuldig ruimtegebruik. In de toelichting op een ruimtelijk plan waarin nieuwe stedelijke functies worden voorzien buiten bestaand stedelijk gebied, moet een verantwoording zijn opgenomen waaruit blijkt dat deze functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Hierover kan het volgende worden gesteld. In het bestaand stedelijk gebied van Oudega is geen ruimte voor de planontwikkeling. Verder ligt het plangebied tegen stedelijk gebied aan.

Artikel 3.1.1

  • 1. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien:
    • a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en
    • b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten.

In paragraaf 3.3.1 is onderbouwd dat het planvoornemen voldoet aan de woonvisie van gemeente De Fryske Marren. Daarmee voldoet het planvoornemen aan het gestelde in artikel 3.1.1, lid 1.

Omgevingsverordening Fryslân 2022

Op 16 februari 2021 is de omgevingsverordening Fryslân als ontwerp ter inzage gelegd. Deze omgevingsverordening zal de Verordening Romte uit 2014 gaan vervangen als de Omgevingswet in werking treedt. De inhoudelijke principes uit beide verordeningen blijven grotendeels gelijk op het gebied van stedelijke functies waardoor de voorgenomen ontwikkeling ook binnen het beleid van de nieuwe omgevingsverordening Fryslân zal passen.

3.2.3 Grutsk op 'e Romte!

De structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte!' is vastgesteld op 1 april 2014 door Provinciale Staten. In deze structuurvisie worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie Fryslân de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie binnen Fryslân te borgen.

Het plangebied ligt in het deelgebied 'Merengebied', zie figuur 3.1. Het Merengebied wordt gekenmerkt door de vele grote en kleinere meren en vaarten. Om de meren heen ligt een uitgestrekt laagveengebied, dat vanaf de 10de eeuw is ontgonnen. Als gevolg van deze ontginningen begon het gebied aanzienlijk te dalen. De ontginning heeft geleid tot grootschalige, regelmatige opstrekkende verkaveling, waarvan de richting loodrecht is op de veenrand en de veenstromen.

Van provinciaal belang in het Merengebied zijn:

  • 1. grootschalige open watervlaktes met open oevers;
  • 2. grootschalige openheid in de veenweidegebieden met opstrekkende verkaveling;
  • 3. de relatie van de bebouwing(slinten) met het water, de verkaveling en het omliggende landschap;
  • 4. de verkaveling die vanaf de klei doorloopt in opstrekkende lijnen naar het veengebied;
  • 5. stelsel van waterverbindingen (meren, vaarten en kanalen) en dijken;
  • 6. patroon van hemdijken en slaperdijken;
  • 7. nederzettingen met een sterke relatie met het water en het omliggende landschap.

Niet alle provinciale belangen zijn op het plangebied van toepassing. Zo ligt het plangebied niet in veenweidegebied en is Oudega niet zeer typerend voor de watergebieden van Fryslân. Met name provinciaal belang 3 is van belang voor de planontwikkeling. Hiervoor adviseert de provincie om relatie tussen de open percelen in het dorp te behouden en indien mogelijk en wenselijk te versterken, de loop- en zichtlijnen (openheid) tussen de bebouwingslinten en het open water de handhaven en te ontwikkelen en de waterfronten te versterken. De ruimte tussen de bebouwde percelen is een voorwaarde voor het voortbestaan van de relatie tussen het dorp en omgeving. Hieraan wordt voldaan, nu de ruimte tussen het plangebied en de omliggende percelen wordt behouden. De loop- en zichtlijnen tussen het plangebied en de noord-, oost- en westzijde worden behouden, zodat de openheid van het gebied niet wordt aangetast.

Daarnaast dient conform provinciaal belang 5 het waterstelsel behouden te behouden. Hieraan wordt voldaan, nu de bestaande sloot aan de noord- en oostzijde van het plangebied wordt behouden en aan een van de zijdes wordt verbreed, om de toename van verharding te compenseren. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.6.

3.2.4 Ontgrondingenverordening Friesland

Voor bepaalde werkzaamheden is op basis van de Ontgrondingenverordening Friesland een ontgrondingsvergunning nodig. In verband met de beoogde inrichting wordt water gegraven. Indien de watergang aan onderstaande voorwaarden voldoet is voor de graafwerkzaamheden geen ontgrondingsvergunning nodig en is sprake van een vrijstelling.

  • de diepte van de ontgronding bedraagt niet meer dan 2,00 m beneden maaiveld;
  • bij de ontgronding wordt niet meer dan 10.000 m3 aan bodemmateriaal naar elders afgevoerd.

De diepte van het toekomstig water zal 1,80 m beneden maaiveld zijn. Verder wordt binnen het plangebied ca. 656 m³ afgegraven. Een en ander wordt verduidelijkt in de tekeningen die in bijlage 1 zijn toegevoegd.

Voor de onderscheidene werkzaamheden zal derhalve geen ontgrondingenvergunning zijn vereist, maar kan gebruik worden gemaakt van een vrijstelling.

3.2.5 Conclusie provinciaal beleid

Bij de woningbouwontwikkeling aan It Stalt in Oudega wordt rekening gehouden met de bestaande omgevingskwaliteiten van het dorp. Hierbij wordt aangesloten op de Omgevingsvisie van de provincie Fryslân en de structuurvisie Grutsk op 'e Romte. Daarnaast zijn er vanuit de relevante artikelen uit de Verordening Romte (2014) geen belemmeringen. Door de krapte op de woningmarkt krijgen gemeenten meer ruimte voor woningbouw. Er wordt voldoende invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Uit het voorgaande blijkt dat de provinciale belangen voldoende zijn geborgd.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonvisie 2019-2023

In de Woonvisie De Fryske Marren 2019-2023 heeft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode van 2019 tot en met 2023 vastgelegd. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.

De gemeente wil vooral daar bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. In de kernen Joure, Lemmer en Balk vertoont zich een grotere vraag dan in de andere kernen, dus zal een groter deel van het uitvoeringsprogramma in deze drie kernen voorzien zijn. In de andere kernen wil de gemeente bouwen bij aantoonbare vraag. Daarbij is er extra aandacht voor starters op de woningmarkt via het aanbod van betaalbare koopwoningen en sociale huur.

De gemeente verwacht dat de woningvoorraad nog met circa 1.000 woningen zal groeien tussen 2016 en 2026 Deze bouwruimte is gebaseerd op bevolking- en huishoudensprognose van de provincie Fryslân die in juni 2020 is vastgesteld. De planontwikkeling wordt niet als zodanig genoemd in de woonvisie, maar sluit qua aantallen wel aan op de vraag. Ook hebben zich gegadigden bij de gemeente gemeld om de kavels af te nemen. Daarmee is er behoefte aan de ontwikkeling en is het plan in overeenstemming met de woonvisie van De Fryske Marren.

3.3.2 Duurzaamheidsvisie 2013-2030

Op 31 oktober 2012 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie Fryske Marren vastgesteld. In de visie worden de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals energie, water, grondstoffen, groen/natuur en sociaal. De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn:

  • 1. In 2030 is de gemeente onafhankelijk van fossiele energiebronnen;
  • 2. In 2030 is er een robuust watersysteem;
  • 3. In 2030 is duurzaam grondstoffen-/materiaalgebruik en (lokale) kringlopen gemeengoed;
  • 4. In 2030 is zowel de biodiversiteit als de hoeveelheid groen en natuur toegenomen;
  • 5. In 2030 is elk dorp/kern actief op het gebied van duurzaamheid.

In 2030 wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele energiebronnen. Voor de kortere termijn (2020) is met betrekking tot wonen als doel gesteld dat 20% van alle gebouwen energieneutraal is. Daarnaast wordt ingezet op het groen inrichten van de omgeving van de gebouwen die uitnodigt tot natuurlijk spelen. Er wordt ingezet op samenwerking voor bewustwording van inheemse flora en fauna. Wat betreft water, wordt ingezet op 100% afkoppeling van hemelwater en maximaal hergebruik van regenwater. Het gebruik van leidingwater wordt teruggedrongen waarbij ook ingezet wordt op gedrag.

Voor aanvragen vanaf 1 juli 2018 geldt bovendien dat er gasloos gebouwd moet worden. Dit betekent voor dit plan dat de woningen niet aangesloten worden op gas en dus via duurzame energieopwekking verwarmd moeten worden. De exacte uitwerking is voor het bestemmingsplan niet relevant, mits deze oplossingen binnen de regels gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast zullen duurzaamheidsinitiatieven die vanuit het dorp, dan wel particulieren, ontstaan door de gemeente gefaciliteerd worden.

Conclusie gemeentelijk beleid

Het planvoornemen is in overeenstemming met de Woonvisie 2019-2023 en de Duurzaamheidsvisie 2013-2030.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. Het gaat hierbij om het minimaliseren van de invloeden vanuit het plangebied op de omgeving en omgekeerd. In de volgende paragrafen worden de relevante omgevingsaspecten en eventueel daaraan verbonden planologische randvoorwaarden behandeld.

4.1 Verkeer en parkeren

Op het gebied van verkeer en mobiliteit bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de woonfunctie mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid.

De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren'. De verkeersgeneratie wordt bereken op basis van de kencijfers uit de CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd.

Verkeersstructuur

Het dorp Oudega bestaat uit een 30 km/uur-zone. De nieuw te bouwen woningen bevinden zich ook binnen deze zone. De verkeersstructuur voor de woningen in het plangebied wordt niet gewijzigd; de woningen worden via It Stalt ontsloten. Deze weg sluit aan op de Aldewei, waarmee de dorpskern kan worden bereikt en in het verlengde daarvan de Sudergoawei (N359 Balk - Koudum). Op deze manier is het plangebied goed ontsloten.

Verkeersgeneratie 

De planontwikkeling omvat de realisatie van maximaal zes vrijstaande en/of twee-onder-een-kapwoningen. De toekomstige verkeersgeneratie is berekend op basis van de gemiddelde kentallen die afkomstig zijn van CROW (publicatie 381 Toekomstbestendig Parkeren). Gemeente De Fryske Marren betreft een 'weinig stedelijke gemeente' en het plangebied ligt buiten de dorpskern ('schil centrum'). Voor de berekening wordt worstcase uitgegaan van zes vrijstaande woningen, omdat dit meer verkeersgeneratie oplevert dan een twee-onder-een-kapwoning. De verkeersgeneratie bedraagt in de toekomstige situatie 48,6 mvt/etmaal. Deze toename van verkeersgeneratie is dusdanig gering dat de toename zonder problemen kan worden opgevangen door It Stalt en de omliggende wegen in Oudega.

Parkeren  

Om het gewenste aantal parkeerplaatsen te bepalen is gebruikgemaakt van de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren'. In artikel 3 onder 7 is het volgende geregeld: 'het plan voorziet in parkeerplaatsen bij woningen op eigen terrein wordt, tenzij in het bestemmingsplan anders is bepaald, gerekend met de volgende rekenwaarde'. Hieronder zijn verschillende oprit-typen uitgewerkt. In dit bestemmingsplan is uitgegaan van het type 'Garage(box) met lange oprit'. Per woning geldt een berekenings-waarde van 1,5 parkeerplaatsen. Op basis van maximaal 6 woningen bedraagt de parkeerbehoefte (6x1,5) 9 parkeerplaatsen. Dit aantal parkeerplaatsen moet op eigen terrein worden gerealiseerd. Voor bezoekersparkeren worden enkele parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangelegd.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied zal niet leiden tot knelpunten. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is dermate klein dat het niet tot knelpunten zal leiden op het omliggende wegennet. Er is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.2 Geluid

Toetsingskader

Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidzones van toepassing. Als geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen.

Toetsing

Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorweg of inrichting die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaakt. De weg It Stalt heeft een 30 km/uur-regime. Daardoor heeft deze weg geen wettelijke geluidzone en zijn de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet van toepassing. Op basis van vaste jurisprudentie dient voor dergelijke wegen bij een ruimtelijke procedure wel een akoestische afweging te worden gemaakt. Wegverkeerslawaai is bij deze woningbouwontwikkeling niet aan de orde, nu in de huidige situatie al woningen aan deze weg gelegen zijn. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningbouwprojecten geldt als grenswaarde bij één ontsluitingsweg 1.500 woningen. Projecten onder dit aantal vallen onder de NIBM-regeling.

Toetsing

In Friesland zijn geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in Oudega en omgeving sprake is van een zeer goede luchtkwaliteit. Met dit plan worden per saldo maximaal zes woningen gerealiseerd. Daarmee geldt voor dit plan de NIBM-regeling. Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Toetsing en conclusie

Om inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is gebruikgemaakt van gegevens van het Bodemloket. Hieruit blijkt dat het plangebied reeds is onderzocht op bodemverontreiniging. De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek ('verkennend bodemonderzoek NVN 5740', nr. 16546-140744) geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.5 Ecologie

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

4.5.1 Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Onderzoek

Stikstofdepositie

Het plangebied ligt op circa 1.400 meter afstand van het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving. In dit kader is het van belang om na te gaan of het plan significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Om dit te kunnen bepalen, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 en Bijlage 3.

Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde.

4.5.2 Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

De ontwikkeling van het plangebied betreft de bouw van maximaal zes woningen. In dat kader is in september 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 4.

Effectbespreking en aanbevelingen

Algemene broedvogels

Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen (zie huiszwaluw). Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd.

Heikikker

Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de heikikker zich voortplant in de sloten langs de randen van het plangebied. Op basis hiervan kan tevens niet worden uitgesloten dat de soort in het plangebied overwintert. Vooral de oeverzones van de sloten, alsmede de in het plangebied aanwezige houtwallen en de bodem rond de in het plangebied aanwezige solitaire bomen, zijn hiervoor geschikt. Indien (één of enkele van) deze elementen worden aangetast kunnen negatieve effecten op deze soort niet worden uitgesloten en is het advies om op basis van nader onderzoek aan te laten tonen of deze soort zich inderdaad in de betreffende sloten voortplant. In dat geval is overwintering in het plangebied aannemelijk.

Grote modderkruiper

De aanwezigheid van grote modderkruiper in de sloten binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Indien werkzaamheden aan sloten niet kunnen worden vermeden, kunnen negatieve effecten op deze soort niet op voorhand worden uitgesloten. In dat geval is het advies om nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort uit te laten voeren.

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het advies om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de heikikker en grote modder kruiper wordt opgevolgd. Wanneer er verblijfplaatsen van beschermde soorten aanwezig zijn, wordt op basis van een activiteitenplan (met mitigerende en compenserende maatregelen) een ontheffing aangevraagd bij het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming waarborgt een adequate omgang met de beschermde soorten in het gebied.

4.6 Water

Toetsingskader

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het project wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.

Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is als Bijlage 5 opgenomen in de toelichting van dit plan. Uit de digitale watertoets blijkt dat de normale procedure doorlopen dient te worden.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente De Fryske Marren nader wordt behandeld.

Europees:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016-2021. In het Waterbeheerplan 2022-2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren. Het wetterskip beschikt over een leidraad watertoets. Het doel van de leidraad is dat alle aspecten meegenomen worden, hiermee wordt voldaan aan de thema's voldoende, veilig en schoon water. Hiernaast zorgt de leidraad voor een betere samenwerking doordat het duidelijkheid geeft over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van onderwerpen die vanuit het oogpunt van water belangrijk zijn bij ruimtelijke plannen.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en het vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Toetsing

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe, met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. De planlocatie ligt in landelijk gebied. Voor een onbebouwd terrein geldt als uitgangspunt dat circa 50% verhard wordt bij woningbouw. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.000 m2, wat betekent dat 1.500 m2 verhard wordt. Dit betekent dat compensatie dient plaats te vinden van circa 150 m2. Dit gebeurt door middel van het plaatselijk verbreden van de sloot aan de noord- of oostzijde van het plangebied.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden.

Ruimtelijke adaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren, moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is daarom belangrijk om kansen te benutten om het gebied klimaatrobuust in te richten. Op die manier is meer infiltratie van water mogelijk bij bijvoorbeeld hevige regenbuien. Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, mits ze in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Bij de uitwerking van het plan wordt hiermee rekening gehouden.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap een vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Het plangebied valt niet onder een beschermingszone.

Bij de uitvoering van het plan zal in het kader van de vergunningsaanvraag ervoor gezorgd worden dat wordt voldaan aan de bepalingen die in de Keur zijn opgenomen. Hierbij wordt onder meer getoetst wat de hydrologische gevolgen zijn voor de omgeving.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.7 Archeologie

Toetsingskader

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

Toetsing

Om te onderzoeken of sprake is van archeologische (verwachtings)waarden in het plangebied is de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) geraadpleegd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, te weten de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen. Op basis van de steentijd-bronstijd-advieskaart geldt karterend onderzoek 1, wat inhoudt dat de provincie aanbeveelt om bij ingrepen van meer dan 500 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren. Op basis van de ijzertijd-middeleeuwen-advieskaart karterend onderzoek 3 voor het plangebied. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten.

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.000 m2. Op basis van de steentijd-bronstijd-advieskaart dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. In 2003 is een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd in verband met de eventuele uitbreiding van het dorp Aldemardum en het dorp Oudega in de voormalige gemeente Gaasterlân-Sleat. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6.

Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat de bodem van het plangebied is verspoeld, waardoor geen archeologische indicatoren in situ meer zullen voorkomen. Archeologisch vervolgonderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect archeologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.8 Cultuurhistorie

Toetsingskader

De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Burgers krijgen hiermee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of er cultureel erfgoed wordt geraakt.

Toetsing

Volgens de gemeentelijke erfgoedvisie en -nota wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uitmaakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Volgens de Cultuurhistorische Kaart is het dorp Oudega een vaartdorp. Deze nederzettingsvorm komt grotendeels voor in wat oorspronkelijk een uitgestrekt veengebied was. Hier vormt de vaart of de oever van een meer aanleiding voor dorpsontwikkeling. Vaak zijn de voorzijden van gebouwen naar het water gericht. De woningen vormen een lint langs de (vaar)wegen met een los doch regelmatig bebouwingspatroon. Insteekhavens en sloten als perceelsgrenzen zijn kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van een vaartdorp. Recentere bebouwing is vaak op de weg georiënteerd. Het is bij planuitwerking nog niet duidelijk naar welke zijde de toekomstige woningen worden georiënteerd.

Uit de Cultuurhistorische Kaart volgt verder dat in de omgeving van het plangebied enkele karakteristieke bouwwerken (niet-woningen) aanwezig zijn. Het plangebied bevindt zich op dusdanige afstand dat de toekomstige woningen geen invloed zullen hebben op de karakteristieke kenmerken van de bouwwerken. Tenslotte bevindt zich een kerk in de kern van Oudega, dat tevens een rijksmonument is. Het plangebied ligt ook hier op dusdanige afstand dat op voorhand kan worden gesteld dat de karakteristieke kenmerken van de kerk niet worden aangetast. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Conclusie

Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen cultuurhistorische waardevolle elementen direct of indirect beschadigd.

4.9 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden.

Toetsing

De directe omgeving van het plangebied bestaat uit overwegend de woonfunctie. Derhalve wordt het plangebied aangemerkt als 'rustige woonwijk'. Tussen woningen hoeft geen afstand te worden aangehouden. Wel ligt ten zuiden van het plangebied een basisschool. Hiervoor geldt milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 meter op basis van het maatgevende aspect geluid. Omdat het plangebied direct grenst aan de basisschool wordt niet aan de richtafstand voldaan. Een verkorte afstand is onder omstandigheden echter toegestaan, mits wordt aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de feitelijke situatie bedraagt de afstand tussen de woningen en de basisschool 35 meter. Direct aan de zuidzijde van het plangebied zijn een sport- en speelveld ten behoeve van de basisschool gevestigd. De momenten waarop scholieren hier aanwezig zijn (en waarop sprake is van geluid) zullen hoofdzakelijk overdag, tijdens werktijden, plaatsvinden. De verwachting is dat de bewoners van het plangebied minimaal gehinderd worden. Ook de basisschool zal niet gehinderd worden door de komst van de woningen. Bovendien zijn direct ten oosten en ten westen van de basisschool reeds woningen aanwezig.

Direct buiten het plangebied komen enkele bedrijven en voorzieningen voor die qua aard verschillend zijn. De meeste van deze bedrijven en voorzieningen vallen formeel, volgens de Basiszoneringslijst van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in de milieucategorieën 1 tot en met 3. Dit houdt in dat er, afhankelijk van de categorie, een afstand van 0 tot 100 meter wordt voorgestaan tussen deze bedrijven en de omringende milieugevoelige bebouwing, zoals woningen. Wordt echter naar de werkelijke milieuhinder gekeken die door deze bedrijven en voorzieningen in het plangebied wordt veroorzaakt, dan vallen deze voor het merendeel in de milieucategorieën 1 en 2. De richtlijnafstand bedraagt dan niet meer dan 30 meter. Deze afstand wordt ten opzichte van de beoogde nieuwe woningbouw overal ruim gehaald.

Daarnaast is er een staalconstructiebedrijf aan de Ige Galamawei 10 gevestigd. Dit bedrijf valt volgens de genoemde Basiszoneringslijst onder milieucategorie 3. Voor bedrijven uit deze categorie geldt een indicatieve milieu-afstand van 50-100 meter ten opzichte van woonfuncties. De afstand tussen dit bedrijf en de dichtstbijzijnde geplande nieuwe woning bedraagt ongeveer 225 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. De gevestigde bedrijvigheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

Conclusie

Op basis van bovenstaande motivering is het niet noodzakelijk om een nader onderzoek uit te voeren naar milieuzonering en vormt dit aspect geen belemmering voor het plan.

4.10 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Toetsing

Op basis van de risicokaart bevinden zich geen risicovolle inrichtingen of wegen of buisleidingen waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt in de omgeving van het plangebied. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.11 Kabels, leidingen en zoneringen

Toetsingskader

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

Toetsing

In de nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningsverbindingen, straalpaden of radarsystemen van belang. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12 M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

Bij elk ruimtelijk plan moet worden overwogen of een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. In dat kader moet het bevoegd gezag nagaan of er activiteiten plaatsvinden die belangrijke negatieve effecten op het milieu kunnen hebben en die van een zodanige omvang kunnen zijn dat er aanleiding bestaat om de (uitgebreide) m.e.r.-procedure te doorlopen. De grondslag hiervoor bestaat enerzijds uit het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds uit de hiervoor beschreven onderzoeken.

Als sprake is van een activiteit zoals genoemd in kolom 1 van de C-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dient het bevoegd gezag de uitgebreide m.e.r.-procedure te doorlopen. Als sprake is van een activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dient het bevoegd gezag te toetsen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.

Toetsing

Op voorliggende bestemmingsplan is categorie D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., van toepassing, te weten 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft het realiseren van maximaal zes woningen en de bijbehorende infrastructuur. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de grenswaarde van 2.000 woningen. Een m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde.

Voor ontwikkelingen die niet de drempelwaarde overschrijden maar wel zijn aangewezen als categorie, is bepaald dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Daarbij rijst de vraag of dat in alle gevallen nodig is. Volgens vaste jurisprudentie is dit afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling, de vormgeving en opzet, de schaalgrootte, de ligging, de voorgenomen functiewijziging en de vraag of er sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Een concreet aantal voorbeelden is niet voorhanden in de jurisprudentie. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, de schaalgrootte en de ligging, wordt een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In het voorliggende bestemmingsplan wordt de beoogde situatie vastgelegd. Het plangebied in dit plan heeft één enkelbestemming gekregen. Deze is opgezet volgens het handboek van de gemeente de Fryske Marren en een vergelijkbaar bestemmingsplan in Joure.

Woongebied

In de toekomstige situatie krijgt het plangebied de bestemming 'Woongebied'. Het is met betrekking tot hoofdgebouwen alleen toegestaan woonhuizen te bouwen. In de bouwregels is een maximum van zes woningen opgenomen. De oppervlakte van een hoofdgebouw mag niet groter zijn dan 150 m2. Hoofdgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1 meter, maar als deze achter (het verlengde van) de aan de kant van de weg gelegen gevel wordt gebouwd, bedraagt deze maximaal 2 meter.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoeringsaspecten van een ontwikkeling. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

In dit geval worden de kosten van het plan gedekt met de gronduitgifte. In dit geval is het opstellen van een exploitatieplan niet benodigd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bestemmingsplan eerst voorgelegd aan de betrokken overleginstanties. Hierop hebben Provincie Fryslân, Brandweer Fryslân, Tennet en de Gasunie een reactie gegeven.

De ontvangen reacties zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. Daarnaast wordt er één ambtshalve wijziging doorgevoerd. De 'nota overlegreacties en ambtshalve wijziging' is opgenomen in bijlage 7. De ontvangen overlegreacties zijn opgenomen in bijlage 8.

Ontwerpfase en zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Gedurende de periode van terinzagelegging is één schriftelijke zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan ingediend. In bijlage 9 is door de gemeente een schriftelijke reactie gegeven. De zienswijze is toegevoegd in bijlage 10.

Vaststelling

Het bestemmingsplan is vervolgens vastgesteld oo 10 april 2024. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan wordt vervolgens nog een keer voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.