direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Lemmer - Tramdijk Oost Fase 3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In Lemmer in de gemeente De Fryske Marren bevindt zich een nieuwe woonwijk met de naam Tramdijk Oost. De wijk wordt in drie fases ontwikkeld. Twee van de drie fases zijn nagenoeg voltooid. De derde fase bevindt zich aan de noordwestkant van de wijk. Inmiddels zijn hier plannen om circa 64 woningen te realiseren.

Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Tramdijk - Oost' kent het plangebied een uit te werken woonbestemming. Op basis van deze uit te werken bestemming zijn maximaal 100 woningen toegestaan. Echter zijn de uitwerkingsregels verouderd en bieden ze niet de benodigde planologische ruimte voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling.

De gemeente De Fryske Marren wil aan de ontwikkeling meewerken. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt in het noorden van Lemmer. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01_0001.png"

Figuur 1 Ligging plangebied (bron: pdok.nl)

1.3 Planologische regeling

Bestemmingsplan Tramdijk - Oost

Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Tramdijk - Oost, dat is vastgesteld op 18 februari 2010 door de voormalige gemeente Lemsterland (huidig: De Fryske Marren). In dit plan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen - Uit te werken' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 2.

De bestemming 'Wonen - Uit te werken' is specifiek voor het plangebied opgenomen omdat de uitwerking van de woningbouwplannen ten tijde van het opstellen van het geldende bestemmingsplan nog niet bekend waren. Derhalve is gekozen voor de bestemming 'Wonen - Uit te werken'. De bestemming laat het toe om de bestemming wijzigen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie ' blijft gehandhaafd;
  • b. van het bestemmingsvlak dient niet minder dan 10 % te worden bestemd voor groenvoorzieningen en/of water;
  • c. het aantal te bouwen woningen mag niet meer dan 100 bedragen;
  • d. gemiddeld dient per woning te worden voorzien in tenminste 1,8 parkeerplaats(en), inclusief de parkeergelegenheid in garages en/of op eigen erf;
  • e. van de te realiseren woningen dient 28% sociale koop- en huurwoningen te zijn;
  • f. voor de bestemmingsregels wordt aansluiting gezocht bij de in dit plan voorkomende bestemmingen;
  • g. de oplevering van de woningen mag niet plaatsvinden voor 2016;
  • h. van de onder g genoemde regel kan worden afgeweken, indien nieuwe afspraken met het college van Gedeputeerde Staten daarvoor ruimte bieden.

De kaders van deze uitwerkingsplicht passen niet bij de gewenste invulling van het gebied. Er is daarom een nieuw bestemmingsplan nodig. Zodoende is er voor gekozen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen.

Voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 30 centimeter. Paragraaf 4.6 gaat hier nader op in.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01_0002.png"

Figuur 2 Fragment geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Paraplubestemmingsplan parkeernormen

Op 27 juni 2018 is het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling conform de Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren en is tevens van toepassing op het plangebied. Deze regeling is ook in dit bestemmingsplan opgenomen.

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld. Hoofdstuk 6 gaat in op de juridische regeling van het plan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het project

2.1 Huidige situatie

In figuur 3 is een luchtfoto weergegeven van het plangebied. De eerste én tweede fase van het woningbouwplan is nagenoeg volledig gerealiseerd. De overige gronden zijn nog in gebruik als grasland, waarvan het noordwestelijke deel kan worden aangewend voor de uitwerking van de derde fase. Dit betreft dan ook direct de gronden van het plangebied. Het woonperceel van de woning aan de Wielewei 2A én de gronden direct ten oosten hiervan maakt geen deel uit van het plangebied.

De landschappelijke randen bepalen de kwaliteit van de locatie. De woonwijk is aan de noordzijde aangetakt op de Wielewei. Het waterrijke gebied aan de rand van de bestaande wijkdelen van Tramdijk Oost, de bosrand van de begraafplaats en de voormalige Tramdijk vormen het landschappelijk kader. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan het open landschap met enkele boerderijplaatsen en beplanting op de voormalige Wiel. Daarnaast is het slotenpatroon in het gebied bepalend voor de landschappelijke kwaliteit aldaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01_0003.png"

Figuur 3 Luchtfoto Lemmer - Tramdijk oost (bron: PDOKviewer)

2.2 Toekomstige situatie

Er doen zich concrete plannen voor om fase 3 van de wijk te ontwikkelen. Het plan bestaat uit de bouw van 64 woningen. In figuur 4 is een inrichtingstekening van de gewenste situatie opgenomen. In het plan wordt rekening gehouden met een dorpse sfeer met circa vijftien woningen per hectare. In het plan worden daarom ongeveer 64 woningen gerealiseerd, waarvan:

  • circa 15% sociale huur, 23% in plan: 15 rijenwoningen
  • circa 15% middenhuur en 15% betaalbare koop: 25% in plan: 16 rijenwoningen
  • circa 55% kavels vrijstaande en halfvrijstaande woningen: 52% in plan, 11 vrijstaande woningen en 22 halfvrijstaande woningen

Het plangebied sluit in richting aan op de omgeving en de oorspronkelijke landschappelijke structuur. Aan de zijde van de Tramdijk komt een buffer omdat hier rekening gehouden moet worden met de afstand van circa vijftig meter tussen de woonfunctie en de bestaande hogedruk gasleiding onder de Tramdijk. De woonwijk bestaat uit woonstraten die met de voorzijde op de omgeving gericht zijn. Aan de westkant ligt een groen-blauwe buffer met veldjes en een vijver. Aan de zuidkant is de wijk gericht op de grote aangelegde waterpartij. De geleding van het gebied met water is deels behouden door de aanwezigheid van de bestaande sloot in het plan. De noordelijke rand heeft een open bebouwingspatroon. Hierdoor ontstaat een geleidelijke overgang naar het landschap. Aan de zijde van de begraafplaats liggen zijkanten. Door het oost-westgerichte stratenpatroon is een goede oriëntatie van de daken op de zon mogelijk.

De woonfunctie past in het gebied. Aan de zijde van de begraafplaats is een rustige omgeving nodig. Aan de zijde van de Tramdijk is ruimte voor park- en tuinvoorzieningen. Er is groen en water in het gebied dat zorgt voor afkoeling en beschutting. Op zeer korte afstand zijn speelvoorzieningen aanwezig, zoals het speelveld in fase 1 die via de voet-/fietsverbinding naar fase 1 is te bereiken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01_0004.png"

Figuur 4 Inrichtingsschets fase 3 (maart 203) (bron: gemeente Fryske Marren)

2.3 Beeldkwaliteit

Voor de tweede fase is een gedetailleerd beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het welstandsontwikkelingskader van het nieuwe wijkdeel komt op hoofdlijnen overeen met het bestaande beeldkwaliteitskader voor Tramdijk-Oost. Hierdoor ontstaat samenhang met de bestaande bebouwing. Dit uit zich onder meer in de dak- en gootoverstekken van minimaal vijftig centimeter en de kleurstelling van de gevels. Verder is een aantal uitgangspunten aangepast. Dit betreft de kleurstelling van de daken. Hiervoor wordt antraciet of zwart voorgeschreven. Bij plaatsing van zonnepanelen zorgt de donkere kleur voor een rustig beeld.

Het nieuwe plandeel wordt ontwikkeld als duurzame woonwijk. Voor de realisatie van duurzame woningen worden bij voorkeur de principes van ACTIVE HOUSE toegepast. Bij toepassing van deze principes is het wenselijk meer vrijheid toe te passen bij de gevelindeling. Er wordt echter wel een sterk architectuurbeeld gevraagd waarbij duidelijke keuzes gemaakt zijn ten aanzien van de hoofdvorm, gevelindeling en detailleren. Deze moeten elkaar versterken.

Voor het plangebied is een specifiek welstandsontwikkelingskader opgesteld en als bijlage bij dit bestemmingsplan toegevoegd.

2.4 Verkeer en parkeren

Verkeer en infrastructuur

De ontsluiting structuur van de woonwijk is gekoppeld aan de Wielewei. Deze weg wordt hiervoor verbreed. Het wijkdeel heeft één aansluiting op de Wielewei. Verder wordt een calamiteitenontsluiting aan de zuidkant gerealiseerd. Hierdoor blijft de wijk ook bij calamiteiten op een van de wegen bereikbaar. De calamiteitenontsluiting zal ook dienst doen als ontsluiting voor langzaam verkeer. De rechtstanden in het wegenstructuur zijn onderbroken bij de kruisingen. In het plan worden geen drempels toegepast. Het principeprofiel voor de rest van de straten is 5 meter breed. In de wegen met dubbelzijde bebouwing is rekening houden met parkeerkoffers. De straten zijn ingericht als woonstraten met relatief weinig verkeer. Afzonderlijke voetpaden zijn daarom niet nodig. Er komen aansluitingen voor wandelaars en fietsers op de Tramdijk en de Linebeamleane en Wylgestrjitte.

Vanuit de wijk is op ongeveer 350 meter afstand een supermarkt en een school aanwezig. Voorzieningen in de omgeving zijn hierdoor goed bereikbaar op de fiets. De afstand tot een bushalte is ongeveer 500 meter.

Parkeren

In principe geldt voor parkeren als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost wordt overeenkomstig de gemeentelijke parkeernorm. Voor de verschillende woontypen gelden in het plangebied de volgende normen:

  • Vrijstaande woningen: 2,3;
  • Half vrijstaande woningen: 2,2;
  • Middenhuur: 2;
  • Rijenwoningen sociale huur: 1,6;

Bij de ontwikkeling van de wijk wordt geëist dat de opritlengte ten minste tien meter bedraagt. Hierdoor kan een groot deel van het parkeren op eigen terrein plaatsvinden. De overige parkeerplaatsen komen in de openbare ruimte. In het plangebied is derhalve voldoende ruimte om aan de parkeervraag te kunnen voldoen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Friesland is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.

Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

  • 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;
  • 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Realiseren opgaven

In de NOVI zijn twee instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:

  • 1. De Omgevingsagenda.
    Voor Noord-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Fryslân onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
  • 2. De NOVI-gebieden.
    Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

Conclusie

Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Dit houdt in dat de toelichting bij ruimtelijke plannen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling moet bevatten. Indien het ruimtelijk plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Dit plan maakt een herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied mogelijk. In paragraaf 3.3 is omschreven hoe ook de ontwikkelingen van de woningen passen binnen de woningbehoefte die binnen de gemeente De Fryske Marren geldt. Hiermee is aangetoond dat er behoefte is aan deze woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Er is daarmee sprake van duurzame verstedelijking.

De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied dat op basis van het geldende bestemmingsplan al een woonbestemming heeft. Hierdoor is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en is het niet noodzakelijk om nieuwe uitbreidingslocaties uit te geven.

3.2 Provinciaal beleid

Verordening Romte Fryslân

Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor bestemmingsplannen. De verordening is daarna een aantal keren partieel herzien en wordt eind 2021 vervangen door de nieuwe Omgevingsverordening.

In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Indien dit niet mogelijk is, kan aansluitend op bestaand stedelijk gebied een uitbreidingslocatie worden toegestaan. Volgens de verordening ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied. In het plangebied is volgens artikel 1 daarom woningbouw toegestaan.

In artikel 2 staat dat een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf omvat. Het plan dient hierbij te voorzien in een zorgvuldige inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Voor de ruimtelijke kwaliteitsparagraaf wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan.

In artikel 3 is bepaald dat een ruimtelijk plan voor woningbouw in overeenstemming moet zijn met een woonplan, dat de schriftelijk instemming van Gedeputeerde Staten heeft. In de volgende paragraaf wordt beschreven dat het plan binnen het woonplan van de gemeente past.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân.

Ontgrondingenverordening Friesland

Voor bepaalde werkzaamheden is op basis van de Ontgrondingenverordening Friesland een ontgrondingsvergunning nodig. In verband met de beoogde inrichting wordt water gegraven. Indien de waterpartij aan onderstaande voorwaarden voldoet is voor de graafwerkzaamheden geen ontgrondingsvergunning nodig en is sprake van een vrijstelling.

  • 1. de diepte van de ontgronding bedraagt niet meer dan 2,00 m beneden maaiveld;
  • 2. bij de ontgronding wordt niet meer dan 10.000 m3 aan bodemmateriaal naar elders afgevoerd.

De dieptes van het toekomstig water is nog niet precies bekend is, maar dit zal niet dieper zijn dan 2,00 beneden maaiveld zijn. Verder wordt de af te graven gronden binnen het plangebied zelf gebruikt om het terrein op te hogen. Een en ander wordt verduidelijkt in de tekeningen die in bijlage 1 zijn toegevoegd.


Voor de onderscheidene werkzaamheden zal derhalve geen ontgrondingenvergunning zijn vereist, maar kan gebruik worden gemaakt van een vrijstelling.

3.3 Gemeentelijk beleid

Woonvisie 2019 - 2023 en Uitvoeringsprogramma Woningbouw

In de Woonvisie De Fryske Marren 2019 - 2023 heeft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor periode 2019 - 2023 vastgelegd. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.

De gemeente wil daar bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. In de kernen Joure, Lemmer en Balk manifesteert zich, door de ligging en het voorzieningenniveau, een grotere vraag naar woningen de komende jaren. Dit vertaald zich in het Uitvoeringsprogramma Woningbouw, waar naar verhouding een groter deel van de woonopgave in de hoofdkernen is voorzien. In de andere dorpen en kleinere kernen wil de gemeente ook bouwen bij aantoonbare vraag. Vanuit kwalitatief oogpunt is er extra in het woonprogramma extra aandacht voor starters op de woningmarkt via het aanbod van betaalbare koopwoningen, middenhuur en sociale huur.

De gemeente verwacht dat de woningvoorraad nog met circa 1.000 woningen zal groeien tussen 2020 en 2029. Deze bouwruimte is gebaseerd op bevolking- en huishoudensprognose van de provincie Fryslân die in juni 2020 is vastgesteld. Het woningbouw aantal van 64 woningen is opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Woningbouw De Fryske Marren 2020 - 2030. Het plan maakt onderdeel uit van de Woningbouwafspraken Regio Zuidwest Friesland en Provincie Fryslân die in februari 2020 zijn vastgesteld. Het programma is hiermee in lijn met de Woonvisie De Fryske Marren 2019 - 2023.

Duurzaamheidsvisie 2013-2030

Op 31 oktober 2012 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie Fryske Marren vastgesteld. In de visie worden de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals energie, water, grondstoffen, groen/natuur en sociaal. De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn:

  • 1. In 2030 is de gemeente onafhankelijk van fossiele energiebronnen;
  • 2. In 2030 is er een robuust watersysteem;
  • 3. In 2030 is duurzaam grondstoffen-/materiaalgebruik en (lokale) kringlopen gemeengoed;
  • 4. In 2030 is zowel de biodiversiteit als de hoeveelheid groen en natuur toegenomen;
  • 5. In 2030 is elk dorp/kern actief op het gebied van duurzaamheid.

In 2030 wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele energiebronnen. Voor de kortere termijn (2020) is met betrekking tot wonen als doel gesteld dat 20% van alle gebouwen energieneutraal is. Daarnaast wordt ingezet op het groen inrichten van de omgeving van de gebouwen die uitnodigt tot natuurlijk spelen. Er wordt ingezet op samenwerking voor bewustwording van inheemse flora en fauna. Wat betreft water, wordt ingezet op 100% afkoppeling van hemelwater en maximaal hergebruik van regenwater. Het gebruik van leidingwater wordt teruggedrongen waarbij ook ingezet wordt op gedrag.

Voor aanvragen vanaf 1 juli 2018 geldt bovendien dat er gasloos gebouwd moet worden. Dit betekent voor dit plan dat de woningen niet aangesloten worden op gas en dus via duurzame energieopwekking verwarmd moeten worden. De exacte uitwerking is voor het bestemmingsplan niet relevant, mits deze oplossingen binnen de regels gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast zullen duurzaamheidsinitiatieven die vanuit het dorp, dan wel particulieren, ontstaan door de gemeente gefaciliteerd worden.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. Dit bestemmingsplan maakt slechts 64 woningen mogelijk en is dus niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.

Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een vormvrije mer. Deze is als bijlage 2 opgenomen. Het college heeft vervolgens besloten dat een m.e.r.-procedure niet doorlopen hoeft te worden. Zie hiervoor bijlage 3.

4.2 Milieuzonering

Ten behoeve van de milieuzonering is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem 'Bedrijven en milieuzonering' ontwikkeld, in de vorm van een bedrijvenlijst, waarin de bedrijven zijn gecategoriseerd op hun milieueffecten. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie) kunnen veroorzaken, kent de lijst aan de bedrijven een milieucategorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de milieu-indeling op van 1 tot en met 6, met bijbehorende richtafstanden.

In het bestemmingsplan dat de ontwikkeling van bedrijven ten oosten van de Straatweg mogelijk maakt, is rekening gehouden met de eventuele nadelige invloed op woningbouw in dit plangebied.

Daarnaast is aan de oostkant een begraafplaats gelegen. Met de stedenbouwkundige inrichting van het gebied is rekening gehouden met voldoende afstand tot de begraafplaats. Daarmee is ook ten aanzien van die voorzieningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect milieuzonering de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.3 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect "geluid".

In de Wet is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluid-)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. In de buurt van dit plan ligt geen bedrijventerrein of spoorweg. Daarom wordt uitsluitend ingegaan op mogelijke hinder van wegverkeer.

Langs wegen geldt van rechtswege een geluidszone. Binnen deze zone dient bij projectie van geluidgevoelige bestemmingen een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd, tenzij voor de betreffende weg een zonevrijstelling is verleend.

De verplichting tot het verrichten van een onderzoek geldt niet indien:

  • het een woonerf betreft;
  • een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Heel de bebouwde kom van Lemmer is aangewezen als 30 km/uur-gebied. Ook de beoogde nieuwbouw komt hier onder te vallen en zal met de (weg)inrichting hierop worden afgestemd. Een akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.


Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.4 Water

Het aspect water is afgewogen door middel van een watertoets. De watertoets is het proces van informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is het waarborgen en het expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing nemen van alle waterhuishoudkundige doelstellingen. Door middel van de watertoets kunnen de initiatiefnemer en waterbeheerder, al tijdens de planontwikkeling, overeenstemming bereiken over water in het ruimtelijk plan. In de watertoets worden de waterhuishoudkundige consequenties van het ruimtelijk plan beoordeeld en geconcretiseerd in termen van "vasthouden, bergen en afvoeren" en "voorkomen, scheiden en zuiveren".

De watertoets resulteert in een waterparagraaf waarin is aangegeven met welke randvoorwaarden en uitgangspunten ten aanzien van water rekening dient te worden gehouden bij de verdere uitwerking van het plan. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de afwegingen ten aanzien van water transparant.

Wetterskip Fryslân beschikt over de Leidraad Watertoets. Doel van de Leidraad Watertoets is dat in ruimtelijke plannen alle wateraspecten worden meegenomen, waarmee wordt voldaan aan de beleidsdoelstellingen van de thema's veilig, voldoende en schoon. Daarnaast zorgt de Leidraad Watertoets voor draagvlak van het wateradvies bij de gemeenten en voor een betere samenwerking tussen gemeenten en Wetterskip Fryslân tijdens het watertoetsproces. De leidraad geeft duidelijkheid over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van de onderwerpen die vanuit het oogpunt van water van belang zijn bij ruimtelijke plannen.

Watertoets

De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Het project is via www.dewatertoets.nl aangemeld bij Wetterskip Fryslân (20210611-2-26803). Het toetsresultaat is als bijlage 4 bij de toelichting toegevoegd. De uitkomst van de watertoets is dat een normale procedure moet worden doorlopen. Daarnaast heeft het Wetterskip op 20 juli 2021 per mail een aanvullend wateradvies verstrekt. Bij de uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap.

Ruimtelijke adaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemd advies wordt bij de concrete uitvoering van de plannen rekening gehouden.

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Zie de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.

Een overzicht van de toename aan verharding is weergeven in onderstaand tabel. Dit betreft alle verharding in het plangebied waaronder paden en wegen inclusief de verhardingen van de toekomstige woonkavels. Het waterschap heeft aangegeven dat ter compensatie 10% nieuw oppervlaktewater gegraven moet worden. De realisatie van dempingen van sloten en dammen dient voor 100% gecompenseerd te worden. Uit de onderstaande tabel blijkt dat 2.100,50 m2 aan nieuw oppervlaktewater nodig is. Dit gebeurt door het aanleggen van nieuwe oppervlaktewater in het plangebied. De watercompensatie in de vorm van het graven van oppervlaktewater zal plaatsvinden in hetzelfde peilvak als het peilvak waarin de bebouwing wordt gerealiseerd. Zie hiervoor ook paragraaf 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01_0005.png"

Afkoppelen en waterkwaliteit

Om het aantal overstortingen van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken, is het uitgangspunt om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. Bij de aanleg van de riolering zal aangetakt worden op het bestaande stelsel. Het vuile water zal afgevoerd worden naar de zuivering en het relatief schone regenwater zal op de naastliggende watergangen worden afgevoerd.

Persleidingen

Ter plaatste van de Tramdijk bevindt zich een persleiding. Voor persleidingen geldt een beschermingszone van 3 meter aan de weerzijden van de persleiding. De persleiding en de beschermingszone vallen buiten het plangebied, waardoor er bij de uitvoering van het plan geen rekening hoeft te worden gehouden met de persleiding.

Hoofdwatergangen

Ten noorden van de Ikeleane bevindt zich een hoofdwatergang. Voor hoofdwatergangen geldt een beschermingszone van 5 meter. Het plangebied ligt ten zuiden van de Ikeleane en raakt niet de hoofdwatergang en de bijbehorende beschermingszone.

Waterkwaliteit

Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.

Wateroverlast

Het maatgevend boezempeil ter plaatse van het plangebied is bepaald op -0,25 m NAP. De regionale waterkering is ontworpen op basis van deze waterstand. Er bestaat een kans dat de regionale waterkering doorbreekt. Het is in geval van een doorbraak van de regionale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1 op 100 jaar. Het Wetterskip adviseert om het vloerpeil van de nieuwe bebouwing boven het maatgevend boezempeil -0,25 m NAP aan te leggen. Naar schatting ligt het maaiveld tussen de -1,2 en -1,7 m NAP en ligt niet boven het maatgevend boezempeil. Bij de uitwerking van de verdere plannen wordt hier zoveel mogelijk rekening meegehouden.

4.5 Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s).

De gegevens die over deze onderzoeken in het provinciaal/gemeentelijk bodeminformatiesysteem zijn opgenomen geven geen aanleiding voor het oordeel dat de kwaliteit van de bodem de woningbouw in de weg zit. Ook zijn er geen aanwijzingen dat na de onderzoeken de kwaliteit van de bodem door bepaalde activiteiten negatief is beïnvloed.

Een nieuw/geactualiseerd onderzoek wordt daarom niet nodig geacht. De gronden hebben bovendien in het geldende bestemmingsplan al een woonbestemming.

Conclusie

Het omgevingsaspect bodem vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat.

4.6 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1.500 n Chr.). De provincie beveelt in het plangebied aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de periode ijzertijd-middeleeuwen, alsmede een karterend (boor)onderzoek voor de periode steentijd-bronstijd indien sprake is bij ingrepen van meer dan 5.000 m2.

Deze verwachtingen leidden er toe dat er in het gebied een inventariserend archeologisch onderzoek moest worden uitgevoerd. Deze zijn in het kader van het bestemmingsplan Tramdijk - Oost uitgevoerd en voor de zorgvuldigheid als bijlage 5 en 6 toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Tijdens het karterend booronderzoek zijn in het plangebied dekzandopduikingen aangetroffen met intacte podzolbodem of lichte bodemvorming en houtskool. In sonderingen op deze drie opduikingen zijn behalve houtskool ook vuursteenafslagen gevonden. Het betreft met zekerheid archeologische vindplaatsen uit de Steentijd (Mesolithicum). Hun omvang is bij benadering bepaald. Hun kwaliteit is waarschijnlijk hoog. Het betreft behoudenswaardige vindplaatsen. Voor deze vindplaatsen is planinpassing aanbevolen door af te zien van bebouwing en van bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het huidige maaiveld en zorg te dragen voor een bestemming die het behoud van de vindplaatsen garandeert. Hier is in het plangebied rekening mee gehouden, en de vindplaatsen zijn in het bestemmingsplan voorzien van een beschermende regeling. In dit gedeelte van het plangebied (zie onderstaande figuur) is onderzoek nodig bij ingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 30 centimeter. Dit gebied ligt binnen de zone waarin niet gewoond kan worden vanwege de risico’s ten aanzien van externe veiligheid. In het gebied met de hogere verwachtingswaarde wordt niet gegraven en worden geen bomen geplant. Het terrein kan gebruikt worden als speelveld. Een nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk. Vanuit archeologie gelden er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01_0006.png"

Conclusie

Het omgevingsaspect archeologie vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat. Voor het archeologisch waardevolle gebied in het plangebied is een beschermende regeling opgenomen.

4.7 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

In het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Dit blijkt uit de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) van de provincie Fryslan.

De te bouwen woningen zijn afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur. Zie hiervoor paragraaf 2.3. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Bij het ontwerp is rekening gehouden met de aanwezigheid van de cultuurhistorische waarde van de begraafplaats. De zijde grenzend aan de begraafplaats is openbaar en rustig.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.8 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.


Gebiedsbescherming

In en nabij het plangebied is geen sprake van beschermde natuurgebieden. Het meest nabijgelegen habitatrichtlijngebied is het Natura 2000-gebied 'Rottige Meenthe en Brandemeer', een waardevol laagveenmoerasgebied. De afstand tot dit gebied is bijna 10 kilometer. Het meest nabijgelegen vogelrichtlijngebied 'IJsselmeer' ligt op een afstand van circa 2,7 kilometer. Het IJsselmeer is een belangrijk broedgebied voor moerasvogels en kustbroedvogels. Het dichtstbijzijnde Beschermd Natuurmonument wordt gevormd door de ondiepe oeverdelen voor de IJsselmeerkust, waaronder de Steile Bank, op ruim 3 kilometer ten westen van het plangebied. Het plangebied ligt circa 800 meter ten oosten van het NNN. De NNN bestaat hier uit natte graslanden langs de Brekken.

Het plangebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen. Van verstoring in de vorm van bijvoorbeeld oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, geluid, licht of trilling is geen sprake.

Om potentiële effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden volledig uit te sluiten is een stikstofonderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting zijn derhalve niet aan de orde.

Ook kan worden geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden en dat het daarom op voorhand duidelijk is dat deze in redelijkheid, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. 

Soortenbescherming

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.


Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is, in het kader van het bestemmingsplan een verkennend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 8 opgenomen.

Uit het onderzoek blijkt dat er geschikt broedhabitat is voor verscheidene algemene broedvogels. Daarnaast is de naastgelegen bebouwing mogelijk geschikt voor huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuissoorten. Echter worden effecten van reguliere bouwactiviteiten niet als verstorend aangeduid.

Modderkruiper
De aanwezige watergangen binnen het plangebied zijn geschikt leefgebied van de grote modderkruiper. Er is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper. Zie hiervoor bijlage 5. Hierbij is vastgesteld dat grote modderkruiper aanwezig is in de bemonsterde watergangen. Aangezien de grote modderkruiper aanwezig is in het plangebied, is bij het bevoegd gezag (Provinsje Fryslân) een ontheffing op de verbodsartikelen van de Wet Natuurbescherming aangevraagd. Deze ontheffing is op 6 oktober 2023 verleend.

N.B. De grote modderkruiper is een soort die binnen zijn leefgebied meerdere watergangen gebruikt. Doordat aanwezigheid in één watergang is aangetoond, zijn de andere watergangen in het plangebied ook geschikt en wordt aanwezigheid van grote modderkruiper hier ook verwacht, gezien deze watergangen aan elkaar verbonden zijn.

De werkzaamheden zouden de grote modderkruiper verstoren en mogelijk doden, indien geen maatregelen zouden zijn getroffen. Het dempen van sloten of het vergraven van de oevers leidt tot beschadiging of vernieling van vaste voortplantings- en rustplaatsen en winterbiotoop. Het beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen is verboden volgens artikel 3.10, eerste lid, b van de Wet natuurbescherming. Tevens is het volgens artikel 3.10, eerste lid, a van de Wet natuurbescherming, verboden om de grote modderkruiper opzettelijk te doden of te vangen.

Om een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te verkrijgen is het noodzakelijk om eerst alternatieven te onderzoeken en indien dat niet mogelijk blijkt, mitigerende en compenserende maatregelen te treffen voor de aangetroffen leefgebieden van de grote modderkruiper die ten gevolge van de ingreep verloren gaan. De precieze uitvoer van deze maatregelen is beschreven in een activiteitenplan dat onderdeel is van de ontheffingsaanvraag.

Alternatieven

Het project is locatie specifiek. In de omgeving zijn meerdere vergelijkbare watergangen aanwezig, waar waarschijnlijk ook beschermde natuurwaarden aanwezig zijn, waardoor een alternatieve locatie ook met beschermde soorten te maken zal hebben.

Door de sloten niet te dempen of aan te tasten, gaat er geen leefgebied van de grote modderkruiper verloren. Echter zal de nieuwe woonwijk tot een toename van bedrijvigheid en de daarbij behorende verstoring leiden, waardoor het leefgebied alsnog ongeschikt zal worden voor grote modderkruiper. Er is geen alternatieve werkwijze of inrichting die minder negatieve effecten op grote modderkruiper veroorzaakt.

Het belang van het bouwen van nieuwe woningen is te groot om de werkzaamheden niet uit te voeren. Er is momenteel een groot tekort aan woningen en dit woningtekort zal de komende jaren alleen maar oplopen. Het niet uitvoeren van de ingreep is daarom geen optie.

Mitigerende en compenserende maatregelen

Als gevolg van de werkzaamheden zal een groot deel van het leefgebied van de grote modderkruiper populatie deels permanent ongeschikt en deels permanent verstoord worden. In aangrenzende percelen zijn overige watergangen aanwezig, waardoor er voldoende leefgebied voor de grote modderkruiper behouden blijft. Tevens zijn er nieuwe watergangen gegraven buiten het plangebied en buiten de invloedsfeer van de nieuwe woonwijk, waardoor er altijd voldoende habitat voor de grote modderkruiper aanwezig zal zijn.

Ook is in het westen van het plangebied een vijver aangelegd. Hier zal ook leefgebied voor de grote modderkruiper worden gerealiseerd door ondieptes en ruige oeverbegroeiing. Deze watergangen zullen worden beheerd op een manier die voor grote modderkruiper zo min mogelijk negatieve effecten heeft.

De genoemde werkzaamheden zijn onder ecologische begeleiding uitgevoerd. Eventueel aanwezige grote modderkruipers binnen het gebied zijn afgevangen uit de te dempen/aan te tasten watergangen en verplaatst naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. De werkzaamheden hebben plaats gevonden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode en overwinteringsperiode. Het dempen van de watergangen wordt onder ecologische begeleiding uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM22TRAMDIJKOF3-VA01_0007.png" Afbeelding 1. Overzicht van de kwetsbare periodes van de grote modderkruiper (bron: BIJ12, 2021).

Het ongeschikt maken van de watergangen zal daardoor op populatieniveau niet significant te noemen zijn, aangezien er voorafgaand aan de werkzaamheden nieuwe watergangen zijn aangelegd voor de grote modderkruiper, de aanwezige grote modderkruipers uit de te dempen en aan te tasten watergangen zijn afgevangen en er buiten de kwetsbare periodes wordt gewerkt.

Waterspitsmuis

Daarnaast biedt het plangebied geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis. Met de beoogde werkzaamheden zal dit leefgebied verdwijnen. Ook hiervoor is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de waterspitsmuis. Zie hiervoor bijlage 10. Er is geen waterspitsmuis aangetroffen. Aangezien de waterspitsmuis niet aanwezig is in het plangebied, hoeft er geen ontheffing op de verbodsartikelen van de Wet Natuurbescherming aangevraagd te worden ten opzichte van de waterspitsmuis.

Voor de overige voorkomende soorten dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van deze soorten. Er mag dan ook niet tijdens het broedseizoen gewerkt worden. Tot slot geldt de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat men de plicht heeft om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten (Bevi, Bevb, Bevt). Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.

In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Fryslân geraadpleegd. De risicovolle inrichtingen zijn op de risicokaart van de provincie Fryslân weergegeven. In en nabij het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen die vallen onder het Bevi of worden mogelijkheden daartoe geboden. Wel bevinden zich net buiten het plangebied twee hogedruk gasleidingen op de voormalige trambaan. Hier is bij de ontwikkeling van het gebied destijds rekening mee gehouden. Uit een door de Gasunie uitgevoerde risicoanalyse (kenmerk DET 2008.M.0283) blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour voor de gasleidingen niet over de te bouwen woonwijk geprojecteerd is. Ook de groepsrisicoberekening blijft binnen de gestelde norm.

Uit een eerder advies van de Brandweer Fryslân blijkt dat op het gebied van opkomsttijden en bereikbaarheid geen knelpunten worden verwacht. Wat betreft de bluswatervoorzieningen geldt dat voldoende brandkranen beschikbaar moeten zijn. Bij de verdere uitwerking treedt de gemeente hiermee met Brandweer Fryslân in overleg. Brandweer Fryslân adviseert tenslotte om een verantwoording van het groepsrisico op te stellen. Ten aanzien van dit groepsrisico is uitgerekend dat dit zich binnen de gestelde normen bevindt. De opzet van het plangebied laat een hoge dichtheid van personen niet toe. De verkaveling gaat uit van grondgebonden woningen tot ten hoogste vijf aaneen. Gezien de gekozen bestemmingen van het plangebied mag verwacht worden dat de aanwezige personen zelfredzaam zijn in geval van een calamiteit. Op basis hiervan wordt het groepsrisico verantwoord geacht waarbij er tevens rekening gehouden moet worden dat er op basis van het vigerende bestemmingsplan al woningbouwmogelijkheden zijn.

Tevens is FUMO in het kader van dit bestemmingsplan om advies gevraagd. Dit advies is als bijlage 11 toegevoegd. Geadviseerd wordt om:

  • de ontwikkeling buiten de 100% letaliteitszone te realiseren;
  • de ontwikkeling alleen binnen de 1% letaliteitszone toe te staan, mits rekening wordt gehouden met de bereikbaarheid van hulpdiensten en er voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig zijn. Vluchten moet van de risicobron af mogelijk zijn.

In dit geval zijn de woningen buiten de 100% letaliteitszone (50 meter vanaf de gasleiding) gehouden. Binnen de 1% letaliteitszone wordt wel gebouwd. De redenatie hierbij is dat er voldoende vluchtmogelijkheden zijn en het gebied voor de hulpdiensten goed bereikbaar is / wordt gemaakt. Daarbij komen er in het gebied enkel woningen die in principe bewoond zullen worden door mensen die naar verwachting voldoende zelfraadzaam zijn om te kunnen vluchten in het geval zich een ramp voordoet. De gemeente acht het restrisico daarmee aanvaardbaar

Conclusie

Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

Het bestemmingsplan bevat een ontwikkeling die minder dan 1.500 woningen omvat waarvan de Wet milieubeheer aangeeft dat deze de luchtkwaliteit niet "in betekenende mate" zal verslechteren.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.11 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.


In of nabij het plangebied lopen behalve de in paragraaf 4.9 genoemde gasleidingen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten kabels, leidingen en zoneringen de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg

In het kader van het vooroverleg bestaat voor belangenorganisaties en burgers de mogelijkheid te reageren op de gemeentelijke beleidsvoornemens, zoals die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Om een ieder de gelegenheid te geven zijn visie naar voren te brengen, is een inspraakprocedure gevolgd, zoals die is opgenomen in de gemeentelijke inspraakverordening.

In dezelfde fase wordt het plan ook voorgelegd aan de betrokken diensten en instanties als bedoeld in het Overleg van het Besluit ruimtelijke ordening. Over alle eventueel ingekomen reacties wordt een standpunt bepaald, waarvan de resultaten in het bestemmingsplan worden verwerkt en die mogelijk kunnen leiden tot aanpassing van dit bestemmingsplan.

De inspraakreacties en overlegreacties zijn door de gemeente in een aparte inspraak -en overlegnota samengevat en beantwoord. Deze hebben tot wijzigingen in het bestemmingsplan geleid. Gedetailleerdere informatie over de aanpassingen, de ingekomen reacties en het ingenomen standpunt is te vinden in bijlage 13.

Zienswijzen

Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Gedurende de periode van terinzagelegging is één schriftelijke zienswijze en een opmerking (welke als ambtshalve wijziging afgedaan kan worden) op het ontwerpbestemmingsplan ingediend. In bijlage 14 is door de gemeente een schriftelijke reactie gegeven. De zienswijze heeft geleid tot het toevoegen van de dubbelbestemming Leiding - Gas.

Vaststelling

Het bestemmingsplan is vervolgens vastgesteld oo 28 februari 2024. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan wordt vervolgens nog een keer voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling Tramdijk Oost Fase 3 is onderdeel van een grotere ontwikkeling, bestaande uit fase 1 t/m 3. De gemeente Fryske Marren voert een grondexploitatie voor deze grotere ontwikkeling. Deze grondexploitatie wordt herzien naar aanleiding van de uitwerking van de plannen voor fase 3 en gaat uit van marktconforme kostenramingen en uitgifteprijzen. In de herziene grondexploitatie is sprake van een positief saldo.

Daarnaast is relevant dat met dit bestemmingsplan de opwaardering van de Wielewei juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt. De opwaardering van de Wielewei is toerekenbaar aan meerdere ontwikkelingen, namelijk Tramdijk Oost en Noordelijke afronding. De ontwikkelingen dragen voor een proportioneel deel bij aan de kosten van deze opwaardering.

Uit de herziene grondexploitatie en de anterieure afspraken met partijen over de bijdrage aan de opwaardering van de Wielewei volgt dat de beoogde ontwikkeling financieel uitvoerbaar is.

Met dit bestemmingsplan worden nieuwe bouwplannen mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, zijnde de bouw van meerdere woningen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om het kostenverhaal te verzekeren via een exploitatieplan, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan geldt dat alle gronden in eigendom zijn van de gemeente Fryske Marren. Het kostenverhaal wordt voor de bouwplannen op deze gronden door de gemeente anderszins verzekerd via de gronduitgifte. Daarmee is het kostenverhaal voor de beoogde ontwikkeling anderszins verzekerd.

In het verleden is een exploitatieplan vastgesteld en enkele keren herzien voor de gronden in fase 1 t/m 3 met als laatste versie 'Tramdijk-Oost, actualisatie 2012'. Dit exploitatieplan heeft betrekking op de reeds gerealiseerde fase 1 en 2, het gedeelte van fase 3 waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld en waarvoor het kostenverhaal anderszins verzekerd is, en tot slot de gronden in fase 3 die in eigendom zijn van een particuliere eigenaar en waarop dit bestemmingsplan geen betrekking heeft. Met deze particuliere eigenaar wordt een overeenkomst over kostenverhaal gesloten.

Daarmee kan het kostenverhaal voor alle gronden binnen het exploitatieplan anderszins verzekerd worden. Bovendien is het stellen van eisen en regels niet langer nodig. Daarom wordt vóór vaststelling van dit bestemmingsplan het vigerende exploitatieplan 'Tramdijk-Oost, actualisatie 2012' afgesloten. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd en het vaststellen van een nieuw of herzien exploitatieplan is niet nodig.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij het bestemmingsplan 'Lemmer - Tramdijk Oost herziening' en het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' en het Handboek Bestemmingsplannen De Fryske Marren.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

6.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven.

Groen

Alleen het structurele groen is voorzien van de bestemming 'Groen'. Bermen langs wegen vallen hier in principe niet onder, maar worden meegenomen in de bestemming 'Verkeer'.

Naast groenvoorzieningen zijn binnen de bestemming 'Groen' ook aanverwante functies als voet- en fietspaden en water toegestaan. Daarnaast zijn in ondergeschikte mate ook parkeer- en speelvoorzieningen mogelijk. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan.

Verkeer

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen doorgaande wegen en woonstraten met een verblijfskarakter. Kortom, alle wegen, straten, pleinen e.d. worden als Verkeer bestemd. Ook bermen en sloten en begeleidende groenstroken e.d. worden in deze bestemming meegenomen. Alleen structureel groen krijgt een eigen bestemming 'Groen', zoals hiervoor is aangegeven.

Water

De bestemming Water wordt gelegd op watergangen sloten en structurele waterpartijen. Er wordt geen onderscheid gemaakt in verschillende typen waterlopen/waterpartijen, omdat dat ruimtelijk gezien niet relevant is.

Wonen - 2

De woningen met de bestemming Wonen - 2 zijn bedoeld voor woningen met twee bouwlagen met kap. Vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen zijn binnen deze bestemmingen standaard toegestaan.

Door middel van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen' is bepaald hoeveel woningen aaneen gebouwd mogen worden.

In de bestemming is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen (woonhuizen) en bijbehorende bouwwerken. Een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd,met dien verstande dat de voorgevel van het hoofdgebouw geheel of gedeeltelijk in de op de plankaart aangegeven aanduiding 'gevellijn' dient te worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 6,5 en 12 meter. Bijbehorende bouwwerken zullen ten minste 10,00 meter achter de voorste erfgrens van het woonperceel gebouwd worden.

Leiding - Gas

Onder de Tramdyk ligt een aardgastransportleiding. Ter bescherming van deze leiding geldt er een dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. De regels binnen deze dubbelbestemming hebben voorrang op de andere bestemmingsregels. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Er geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden.

Waarde - Archeologie

Ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.