| Plan: | Buitengebied Bergambacht, Bovenberg 75-75a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1931.BPW1802BG020-VG01 |
Aan de Bovenberg 75-75a was in het verleden een agrarisch bedrijf gevestigd, maar deze is inmiddels beëindigd. De twee bedrijfswoningen die aanwezig zijn worden nog bewoond. Om de bestemming in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie wordt in voorliggend plan het perceel aangemerkt als 'voormalig agrarisch bedrijf'.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid uit het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' van de voormalige gemeente Bergambacht. Met de aanduiding is het wonen in de bedrijfswoningen toegestaan en blijft het tevens mogelijk om (na planwijziging) een binnen het landelijk gebied passende functie te realiseren.
In dit document wordt het initiatief toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied ligt aan de Bovenberg 75-75a in het buitengebied van Bergambacht in de gemeente Krimpenerwaard. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Plangebied en omgeving (bron: OpenStreet Maps)
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' van de voormalige gemeente Bergambacht, vastgesteld op 13 december 2011. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Op het bouwvlak zijn de functieaanduidingen 'bedrijfswoning' en 'intensieve veehouderij' opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' zijn twee bedrijfswoningen toegestaan. Verder liggen over het gehele plangebied de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'ruwvoederteelt'.
Uitsnede bestemmingsplan ''Buitengebied 2011'' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Om de bestemming van het plangebied te wijzigen naar wonen wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.7.1, lid c.
Artikel 3.7.1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:
c. het toevoegen van de aanduiding ''specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf'' aan het bouwvlak.
Door toepassing van bovenstaande wijzigingsbevoegdheid wordt de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' aan het plangebied toegevoegd. Daarnaast wordt met dit wijzigingsplan de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' van de verbeelding verwijderd.
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt aan de Bovenberg, een verbindingsweg tussen de kernen Schoonhoven en Bergambacht. De locatie ligt in een open veenweidegebied met grasland. De weiden worden van elkaar gescheiden door een fijnmazig stelsel van afwateringssloten die noodzakelijk zijn voor de afwatering van het gebied. De Bovenberg is een transparant bebouwingslint. Aan weerszijden van de weg staan woningen en zijn een aantal agrarische en andere bedrijven gevestigd.
Luchtfoto plangebied (bron: Pdok)
Voorgaande afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied (rode kader). Het plangebied is voor een groot deel bebouwd. In het langgerekte pand aan de noordkant zijn de bestaande twee (bedrijfs)woningen gevestigd. De bebouwing daarachter betreft de voormalige bedrijfsgebouwen. Het perceel wordt aan vier zijden omgeven door een sloot. Met name aan de oostzijde is er een weids uitzicht over het open veenlandschap. Het perceel wordt via een bruggetje ontsloten op de Bovenberg.
Zijaanzicht van het plangebied vanaf de Bovenberg (bron: funda)
Met voorliggend plan wordt het perceel aangemerkt als “voormalig agrarisch bedrijf”. Door het toevoegen van de aanduiding wordt de woonfunctie toegestaan zonder dat er een agrarisch bedrijf actief is. Tevens maakt de aanduiding het mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aan te passen of te gebruiken voor nevenfuncties, zoals bedoeld in lid 3.1.2. en 3.1.3. van het achterliggende bestemmingsplan 'Buitengebied 2011'.
De hoofdfunctie van het plangebied verandert door de aanduiding naar wonen. Er worden geen sloop- of bouwwerkzaamheden uitgevoerd. Ook de verkeerssituatie verandert door het plan niet.
Op 22 november 2011 heeft de Tweede Kamer de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) met
bijbehorende stukken aangenomen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 13 maart 2012 het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de SVIR ondertekend.
Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht
geworden.
De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteit- en ruimtelijke
ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de structuurvisie
Randstad 2040. De structuurvisie heeft betrekking op:
Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere
verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame
verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent voor alle ruimtelijke plannen:
Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in
stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. In het vervolg van deze paragraaf wordt hier nader op ingegaan.
Planspecifiek
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang (13 nationale belangen) uit de nieuwe Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor de andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij onder andere om rijksvaarwegen, hoofdwegen en hoofdspoorwegen en ecologische hoofdstructuur (EHS).
Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Planspecifiek
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van het Barro.
De ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
De tot 1 juli 2017 in artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, (en vierde lid) van het Bro opgenomen eis dat de actuele regionale behoefte dient te worden beschreven is gewijzigd in die zin dat de elementen "actuele" en "regionale" komen te vervallen. Bestemmingsplannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, dienen in de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
De Afdeling hanteert een aantal uitgangpunten, die gehanteerd worden bij de beoordeling of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling (uitspraak 201608869/1/R3). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.
Wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.
Planspecifiek
Met het initiatief worden er geen woningen aan het plangebied toegevoegd of andere ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.
Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) en de bijbehorende uitvoeringsdocumenten vastgesteld. De actualisering 2016 van de VRM, het Programma ruimte, de Verordening ruimte en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is op 14 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze actualisering heeft betrekking op een reeks van onderwerpen, waaronder de actualisering van de regionale visies voor wonen en kantoren. Dit beleidskader geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. In januari 2018 zijn de Visie ruimte en mobiliteit en de Verordening ruimte opnieuw geactualiseerd.
Uitgangspunt vormt steeds de maatschappelijke vraag. Ook rekent de provincie op de daadkracht van maatschappelijke partners, met wie zij intensievere samenwerking zoekt. Hoofddoel van de (VRM) is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. De Agenda ruimte bevat een concretere uitwerking van de VRM. In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:
De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Steden bieden nog volop kansen om te bouwen en te verbouwen. Ze kunnen de hoofdmoot voor hun rekening nemen van de woningen die Zuid-Holland tot 2030 extra nodig heeft. Daardoor kan het landelijk gebied open blijven. Door de schaalvoordelen blijft het mogelijk om goed openbaar vervoer tussen knooppunten te laten rijden. Gemeenten stellen regionale visies voor woningen en kantoren op. Door deze visies stemmen de gemeenten het aanbod met elkaar af op de reële behoefte naar woningen en kantoren. Op deze wijze wil de provincie het overschot aan kantoren terugdringen en het tekort aan woningen voor bepaalde segmenten kleiner maken.
Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werk de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer. Detailhandel is een belangrijkere drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.
Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads- en dorpsgebied te realiseren. De voorwaarden hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.
In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie- efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reservering te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij. Blikvanger is het warmtenet. Restwarmte uit de Rotterdamse mainport kan in de toekomst via een ondergronds leidingstelsel worden getransporteerd naar de Greenport Westland-Oostland, waar er kassen mee worden verwarmd, en naar steden om te voorzien in de warmtebehoefte van bewoners en bedrijven.
Beter benutten en opwaarderen bebouwde ruimte
De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de systemen stedelijke agglomeratie, dorpen en linten en logistiek-industrieel systeem, inclusief de bijbehorende infrastructuur. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Verder blijven ook buiten de bebouwde ruimte nieuwe woon- en werklocaties mogelijk en wenselijk.
De regionale programmering van het planaanbod van woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkelcentra sluit niet overal aan op de veranderde vraag. De provincie zet zich ervoor in om die match te verbeteren. Zo kan een gezonde markt ontstaan en kunnen tegelijk de mogelijkheden van de bebouwde ruimte optimaal worden benut.
Versterken ruimtelijke kwaliteit
In de Structuurvisie heeft de provincie een kwaliteitskaart opgenomen. Deze gaat over het buitengebied (de ruimte tussen steden en dorpen) en over de rand van steden en dorpen. Op deze kaart staan kwaliteiten van Zuid-Holland benoemd. Bijvoorbeeld prachtige en unieke gebieden, variërend van kust en delta tot de veenlandschappen van het Groene Hart. De kwaliteitskaart bestaat uit een aantal legenda-eenheden. De provincie vraagt gemeenten om voor ontwikkelingen in en nabij het buitengebied de kwaliteitskaart te benutten en gebruik te maken van de opgestelde gebiedsprofielen.
Kwaliteitskaart
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming.
Planspecifiek
Voor nieuwe ontwikkelingen zijn er binnen de verordening regels opgenomen in het kader van ruimtelijke kwaliteit. Voorliggend plan betreft een planologische wijziging, er worden geen bouw- of sloopwerkzaamheden uitgevoerd. De ruimtelijke kwaliteit ter plaatse blijft behouden.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de Visie ruimte en mobiliteit en Verordening ruimte.
De provincie Zuid-Holland heeft voor de Krimpenerwaard een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen. Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.
Planspecifiek
Binnen het 'Gebiedsprofiel Krimpenerwaard' zijn 11 verschillende karakteristieken opgenomen. Relevante karakteristieken voor onderhavig plan zijn: 'Herkenbaar waterrijk veen(weide)' en 'Linten blijven linten'.
Herkenbaar waterrijk veenweide
Het plangebied maakt onderdeel uit van het middengebied van de Krimpenerwaard. Dit gehele gebied is veenweidegebied. Kenmerkend voor het gebied is het stelsel van afwateringssloten die in het verleden zijn aangelegd om het gebied te ontwateren t.b.v. ontginning. Tussen deze sloten ligt grasland. De graslanden hebben een agrarische functie en zijn waardevolle weidevogelgebieden. Overigens zijn de gronden grenzend aan het plangebied niet specifiek aangemerkt als weidevogelgebied. De belangrijkste ambitie voor het gebied is het behoud en versterken van het karakteristieke en herkenbare veenweidelandschap. Met voorliggend plan vinden er geen fysieke ingrepen plaats waardoor van verstoring van de waardevolle graslanden geen sprake is. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de kaart ''Herkenbaar waterrijk veen(weide)''.
Uitsnede van de gebiedsprofielenkaart ''Herkenbaar waterrijk veenweide'' (Provincie Zuid-Holland)
Linten blijven linten
De Bovenberg is binnen het Gebiedsprofiel Krimpenerwaard opgenomen als veenlint met enkele ontginningsas. Algemene richtlijn is dat linten als zodanig herkenbaar moeten blijven en hun lineaire karakter behouden, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Met voorliggend plan vinden er geen fysieke ingrepen plaats. Het initiatief heeft derhalve geen effect op het weidse veenweidelandschap of op de lintbebouwing.
Het initiatief is uitvoerbaar binnen de beleidskader van het Gebiedsprofiel Krimpenerwaard.
Het regionale kader voor het woonbeleid is verwoord in de “Regionale Agenda Wonen Midden-Holland” (2013). De navolgende afspraken zijn richtinggevend voor hoe de gemeente omgaat met haar lokale woningbouwprogramma tot 2020.
Planspecifiek
Voorliggend plan leidt niet tot verandering in het kwantitatieve woningaanbod van de gemeente. De twee bestaande agrarische bedrijfswoningen worden omgezet naar twee burgerwoningen, er worden geen nieuwe woningen toegevoegd. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de Regionale Agenda Wonen.
De fusiegemeente Krimpenerwaard, die is ontstaan op 1 januari 2015, heeft geen eigen structuurvisie. De voormalige gemeente Bergambacht heeft in 2008 de Structuurviise 'Beleef Bergambacht' gepubliceerd. Deze structuurvisie is van rechtswege komen te vervallen, de inhoud van de visie leeft echter nog voort. De ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Bergambacht wordt grotendeels gevormd door de cultuurhistorische waarde van de historische lintbebouwing en het slagenlandschap in het buitengebied. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden behouden blijven en beschermd worden en dat de transparantie van het lint door de doorzichten naar het open landschap zoveel mogelijk worden behouden. Nieuwe bebouwing en functies moeten passen in deze karakteristiek. Met betrekking tot het aspect landbouw benoemt de visie dat grootschalige uitbreiding van intensieve veeteelt niet wenselijk wordt geacht.
Planspecifiek
Voorliggend plan betreft een planologische wijziging. Er wordt niet gesloopt of gebouwd. Het plan heeft geen gevolgen voor de cultuurhistorische kwaliteiten van de lintbebouwing.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de Structuurvisie Beleef Bergambacht.
De gemeente Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de ''Nota Ruimtelijke kwaliteit gemeente Krimpenerwaard'' vastgesteld. Doel van de Nota is het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist te harmoniseren en dereguleren met behoud van kwaliteit.
Bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit horen twee kaarten; de Niveaukaart en de Gebiedenkaart. Op de Niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de Gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën.
Planspecifiek
Navolgende twee afbeeldingen tonen uitsneden van deze kaarten, waarbij het plangebied is aangegeven met de rode cirkel.
Niveaukaart
Op de niveaukaart ligt het plangebied in een gebied met de aanduiding 'bijzonder'. Voor deze gebieden geldt dat het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de gemeente. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst.
Voorliggend plan leidt niet tot fysieke ingrepen. De ruimtelijke kwaliteit ter plaatse blijft behouden.
Gebiedenkaart
Op de gebiedenkaart maakt het plangebied onderdeel uit van de 'polderlinten'. De polderlinten hebben gevarieerde bebouwing uit diverse periodes met als basis het individuele pand met een landelijk karakter. Relevante criteria die voor de polderlinten zijn opgenomen zijn o.a. dat het landelijk karakter van de lintbebouwing behouden dient te blijven en dat woningen over het algemeen dienen te bestaan uit één bouwlaag met een flinke kap. Door voorliggend plan vinden er geen fysieke veranderingen plaats binnen het plangebied. Het karakter van de bestaande bebouwing en de rest van het plangebied sluiten aan bij de criteria voor het gebied de 'polderlinten'.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de Nota Ruimtelijke kwaliteit 2017.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' van de voormalige gemeente Bergambacht (zie ook paragraaf 1.3). Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden' met een bouwvlak. Met een functieaanduiding is aangegeven dat een 2e bedrijfswoning en intensieve veehouderij is toegestaan. Daarnaast gelden voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'ruwvoederteelt'.
In de regels voor de bestemming 'Agrarisch met waarden' is in artikel 3.7.1, lid c. de volgende wijzigingsbevoegdheid opgenomen:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:
c. het toevoegen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" aan een bestaand bouwvlak;
Bovenstaande wijzigingsbevoegdheid bevat geen specifieke voorwaarden. Lid 3.7.2 bevat echter wel een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de gebruik te kunnen maken van de wijzigingsbevoegdheid in geval van bedrijfsbeëindiging. Voor onderhavig plan geldt dat moet worden aangetoond dat de agrarische functie niet meer kan worden uitgevoerd. Ook mogen omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Planspecifiek
De agrarische activiteiten op het perceel zijn al tijden gestaakt en de bij de boerderij behorende weilanden zijn verkocht aan een agrarisch bedrijf in de nabije omgeving. Het voortzetten of opstarten van een reële agrarische grondgebonden bedrijfsvoering is door het ontbreken van weiland niet meer aan de orde. Voor het (opnieuw) opstarten van een intensieve veehouderij is geen draagvlak. De afmeting van het bouwblok en het kadastrale perceel zijn te klein om een volwaardige intensieve veehouderij op te starten. Bovendien liggen daarvoor de naast gelegen woning(en) op te korte afstand.
Binnen een straal van 100 meter liggen geen andere agrarische bedrijven die mogelijk beperkt zouden worden door het beëindigen van de agrarische bedrijfsbestemming (zie hiervoor ook paragraaf 4.1.4 Geur).
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied.
Planspecifiek
Bij voorliggend initiatief vinden geen bodemingrepen plaats, de gronden zijn reeds bebouwd en de woningen zijn reeds aanwezig. Beide woningen zijn altijd bewoond geweest, waarmee er in wezen niets veranderd aan het feitelijke gebruik. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor PM10 en NO2 de grenswaarde 40 µg/m3, voor PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15827276 (aan de Bovenberg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) | PM10
(fijnstof) |
PM2.5
(zeer fijnstof) |
|
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2015 (µg/m3) | 17,7 µg/m3 | 18,2 µg/m3 | 11,0 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Met het initiatief worden er geen nieuwe functies aan het plangebied toegevoegd. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief daarmee van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Naar verwachting zal de luchtkwaliteit juist verbeteren vanwege de beëindiging van het intensieve agrarisch bedrijf. Conclusie is dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Met voorliggend initiatief worden er geen nieuwe geluidgevoelige objecten (woningen) aan het plangebied toegevoegd. Een toetsing op het aspect geluid is niet nodig, omdat het hier reeds bestaande woningen betreft.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren, waarvoor vaste minimumafstanden gelden.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.
De gemeente Krimpenerwaard heeft een geurbeleid, vastgelegd in de 'Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017'. Hierin zijn de afstandsnormen voor dieren zonder geuremissiefactor gehalveerd, waarbij sprake is van een eenzijdige werking. Dat betekent dat bij het oprichten, uitbreiden of veranderen van een veehouderij buiten de bebouwde kom een afstand van 25 meter wordt gehanteerd tussen de dichtstbijzijnde gevel van de stal en het geurgevoelige object. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 50 meter. Woningen in het buitengebied dienen wel op 50 meter afstand te blijven.
Planspecifiek
In de directe omgeving, binnen een straal van 100 meter van het plangebied, zijn geen veehouderijen met vaste afstandsdieren gelegen. Ook intensieve veehouderijen komen niet voor; het dichtstbij gelegen bedrijf ligt op meer dan 800 meter in westelijke richting aan de Bovenberg. Tussen dit bedrijf en het plangebied liggen meerdere woningen die in dat geval kritischer zijn bij de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat dan de woningen in het plangebied. Een verdere toetsing kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
Met voorliggend plan wijzigt er niets aan de ligging van de woningen ten opzichte van bedrijven in de omgeving. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een milieucategorie 2-bedrijf op circa 100 meter van het plangebied. Voor dit type bedrijf geldt een richtafstand van 30 meter tot een 'rustige woonwijk'. In voorliggend plan is geen sprake van een 'rustige woonwijk' maar van buitengebied met een menging van functies in een lage dichtheid. Gelet op de afstand tot het meest nabij gelegen bedrijf kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voorliggend plan leidt er ook niet toe dat omliggende bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle buisleidingen, inrichtingen of transportroutes gelegen. Op de locatie zijn reeds twee woningen aanwezig. Er treedt geen verandering op ten opzichte van de bestaande situatie. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is
vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard,
algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie
www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en
grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de
Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken.
Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van
projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden
ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een
duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het
stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen.
Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt
nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:
In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn.
Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012
De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren.
Toetsingscriteria
Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke
ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke
ontwikkelingen:
Kleine plannen
Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Er worden in het kader van voorliggende planontwikkeling geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden uitgevoerd. Er is geen sprake van een toename van het verhard oppervlakte of ingrepen aan watergangen rond het plangebied. De woningen blijven op dezelfde wijze aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Er zijn derhalve geen waterhuishoudkundige belangen in het geding. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
In de omgeving van het plangebied ligt geen Natura 2000-gebied.
Soortenbescherming
Met voorliggend plan worden geen fysieke ingrepen uitgevoerd. Het plan heeft derhalve geen effect heeft op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten binnen of in de directe omgeving van het plangebied.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Voorliggend plan leidt niet tot wijziging in de verkeersstructuur. Door het verdwijnen van de agrarische functie vermindert het aantal verkeersbewegingen.
Het plangebied blijft op dezelfde wijze ontsloten op de Bovenberg. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig voor parkeren op eigen erf.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt in een cultuurhistorisch waardevol bebouwingslint. Voorliggend plan betreft slechts een planologische wijziging en leidt niet tot ruimtelijke ingrepen. Het heeft derhalve geen effect op het cultuurhistorische patroon en de cultuurhistorische waarden. Zie hiervoor ook paragraaf 3.4.2 Nota Ruimtelijke kwaliteit 2017.
Archeologie
Met dit plan worden geen bodemingrepen uitgevoerd. Het heeft derhalve geen gevolgen voor archeologie. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' uit het vigerende bestemmingsplan blijft in stand.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Artikel 6.2.1 Bro stelt echter dat indien er geen sprake is van een bouwplan, de noodzaak tot het opstellen van een exploitatieovereenkomst komt te vervallen.
Planspecifiek
Bij voorliggend plan is er geen sprake van een bouwplan, omdat er enkel een functieverandering plaatsvindt. Er hoeft dus geen exploitatieovereenkomst opgesteld te worden. De plankosten van onderhavig plan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.
Het wijzigingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Met voorliggend plan blijven de vigerende bestemmingen in stand. De wijziging betreft het toevoegen van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf'. De functieaanduiding 'intensieve veehouderij' vervalt.
Met de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' is het toegestaan te wonen ter plaatse van de twee bedrijfswoningen. Tevens maakt de aanduiding het mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aan te passen of te gebruiken voor nevenfuncties, zoals genoemd in de artikelen 3.1.2. en 3.1.3. van het onderliggende bestemmingsplan Buitengebied 2011.
Op de verbeelding zijn de geldende enkelbestemming 'Agrarisch met waarden', het daarbij behorende bouwvlak, de functieaanduiding 'bedrijfswoning' en de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'ruwvoederteelt' voor het plangebied overgenomen.
In de regels wordt kortheidshalve verwezen naar de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" met identificatienummer NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02 en vastgesteld op 25 juni 2013 door de raad van de gemeente Bergambacht. Omwille van de leesbaarheid zijn de bestemmingsregels van 'Agrarisch met waarden', voor zover van toepassing op dit plan, wel overgenomen in de regels van dit wijzigingsplan.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Op een ontwerpwijzigingsplan is, ingevolge de artikel 3.9a, Wro, de Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.
Overleg
In onderhavig plan is er geen waterschaps- of provinciaal belang in het geding. Het plan voldoet aan de wijzigingsregels uit het vigerende bestemmingsplan, waardoor deze mogelijkheden reeds in het kader van dat bestemmingsplan zijn afgestemd met deze partijen. De Omgevingsdienst Midden-Holland en het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard hebben desgevraagd aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben.
Inspraak
Aangezien er gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan en gelet op de beperkte impact van het plan, wordt er geen inspraakperiode georganiseerd. Het plan gaat direct als ontwerp ter inzage.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf woensdag 25 juli 2018 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend. Het plan wordt ongewijzigd vastgesteld.