direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied Bergambacht, Bovenberg 75-75a
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BPW1802BG020-VG01

Regels

Op het plan zijn van toepassing de regels welke deel uitmaken van de bestemmingsplan 'Buitengebied 2011', met identificatienummer NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02, met dien verstande dat de regels op onderstaande onderdelen worden aangevuld:

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het wijzigingsplan Buitengebied Bergambacht, Bovenberg 75-75a met identificatienummer NL.IMRO.1931.BPW1802BG020-VG01 van de gemeente Krimpenerwaard.

1.2 wijzigingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen.

1.3 bestemmingsplan "Buitengebied 2011"

het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011', met identificatienummer NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02, vastgesteld op 25 juni 2013 door de raad van de gemeente Bergambacht. Dit bestemmingsplan is te raadplegen via: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02/r_NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02_1.2.html

Artikel 2 Wijze van meten

Voor de wijze van meten zijn de overeenkomstige bepalingen van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' van toepassing, welke is te raadplegen via: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02/r_NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02_1.1.html

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1

De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor

  • a. het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde bestaande uit de openheid, het verkavelingspatroon c.q. slotenpatroon en graslandvegetaties;
  • b. water;
  • c. kleinschalige landschapselementen;

met de daarbij behorende voorzieningen.

3.1.2

Ter plaatse van de bestaande bebouwing zijn tevens de volgende ondergeschikte nevenactiviteiten toegestaan:

  • a. ambachtelijke bewerking en opslag van agrarische producten;
  • b. opslag en stalling van niet-milieugevaarlijke, niet agrarische goederen, alsmede opslag voor internetverkoop;
  • c. bed & breakfast in het hoofdgebouw;
  • d. agrarische dagrecreatie;
  • e. theeschenkerij, tot een oppervlakte van 50 m2 bvo;
  • f. hoveniersbedrijf;
  • g. veehandelsbedrijf;
  • h. hoefsmederij tot een oppervlakte 100 m2 bvo;
  • i. kano-, roeiboot-, fluisterboot- of fietsenverhuur;

met dien verstande dat:

  • 1. de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 500 m2 per bouwvlak waarbij de oppervlakte in een 'karakteristiek hoofdgebouw' en in een 'cultuurhistorische waardevol bijgebouw' niet meetelt;
  • 2. geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden.

3.1.3

Ter plaatse van en aangrenzend aan een bouwvlak is tevens een kleinschalige camping met de daarbij behorende voorzieningen toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. niet meer dan 15 kampeermiddelen per bedrijfscentrum worden geplaatst;
  • b. kampeermiddelen uitsluitend zijn toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober;
  • c. de standplaats binnen het bouwvlak of buiten het bouwvlak, niet zijnde begrensd natuurgebied, tot een afstand van 50 m vanaf de bestaande bebouwing mag worden gesitueerd;
  • d. uitsluitend recreatief nachtverblijf is toegestaan;

3.1.4

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voormalig agrarisch bedrijf' zijn de in lid 3.1.1 bedoelde gronden bestemd voor wonen uitsluitend ter plaatse van de toegestane bedrijfswoning al dan niet in combinatie met een niet volwaardig agrarisch bedrijf alsmede voor de functies als bedoeld in lid 3.1.2 en 3.1.3.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Binnen het bouwvlak

Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden, gelegen binnen het bouwvlak, gelden de volgende bouwregels:

  • a. gebouwen binnen het bouwvlak dienen zoveel mogelijk te worden geconcentreerd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" mag de bestaande oppervlakte aan bebouwing met maximaal 10% worden uitgebreid;
  • c. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" mag een tweede bedrijfswoning mag worden gebouwd;
  • d. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  • e. de hoogte van gebouwen, met uitzondering van kassen, mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • f. de hoogte van kassen mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • g. voor zover de maatvoering als bedoeld onder d, e en f ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan reeds meer bedroeg, geldt de bestaande maatvoering als maximum;
  • h. voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt het volgende:

3.2.2 Bedrijfswoning

Ten aanzien van bedrijfswoningen gelden de volgende bouwregels:

  • a. de inhoud van de agrarische bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 700 m3;
  • b. de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • c. de bouwhoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • d. de maximale oppervlakte aan bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50 m2;
  • e. de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • f. de hoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • g. voor zover de maatvoering als bedoeld onder a tot en met e ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan reeds meer bedroeg, geldt de bestaande maatvoering als maximum.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van het oprichten van stalruimten voor hobbymatig agrarisch gebruik buiten het bouwvlak, met dien verstande dat:

  • a. de oppervlakte maximaal 25 m2 bedraagt;
  • b. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
  • c. de stalruimte is gelegen op een afstand van minimaal 50 m van een bestemmingsvlak van derden met de bestemming "Wonen";
  • d. de stalruimte, voor zover niet gelegen aan een ter plaatse aanwezige ontsluitingsweg, dient te worden gesitueerd binnen een afstand van 50 m vanuit de bestemming "Verkeer" dan wel aansluitend aan de bestemming "Wonen" van de aanvrager;
  • e. bij de stalruimte ten minste 1 ha grond hoort, waarop de stalruimte wordt gebouwd;
  • f. de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de gronden niet onevenredig wordt aangetast.

3.3.2

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak of een stapmolen ten behoeve van hobbymatige paardenhouderij bij een bedrijfswoning of een burgerwoning of bij een manege, onder de voorwaarde dat:

  • a. maximaal 1 paardenbak of stapmolen per bedrijfswoning of burgerwoning wordt gerealiseerd;
  • b. maximaal 2 paardenbakken en/of stapmolens bij een manege worden gerealiseerd;
  • c. de paardenbak of de stapmolen als volgt wordt gesitueerd:
  • 1. achter hoofdgebouwen;
  • 2. tenminste 20 m uit de rand van de weg;
  • 3. tenminste 1,5 m uit de slootranden;
  • 4. maximaal 50 m achter de bestaande, legale bebouwing binnen het bouwvlak;
  • 5. minimaal 25 m van woningen van derden;
  • d. de omvang van de paardenbak niet meer bedraagt dan 20 m bij 40 m en de doorsnede van een stapmolen niet meer bedraagt dan 20 m;
  • e. de hoogte van een hek rondom een paardenbak of een stapmolen niet meer bedraagt dan 1,50 m;
  • f. indien de paardenbak of de stapmolen vanaf de weg zichtbaar is, afschermende beplanting wordt aangebracht, mits hierdoor geen doorbreking plaatsvindt van bestaande zichtlijnen op het open weidegebied;
  • g. de paardenbak of de stapmolen wordt voorzien van waterdoorlatend bodemmateriaal;
  • h. verlichting bij een paardenbak (of stapmolen) uitsluitend is toegestaan indien deze niet onevenredig storend is voor/in de omgeving en geen onevenredige hinder voor omwonenden veroorzaakt. Ten behoeve hiervan kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de verlichting;
  • i. er geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende en overige nabij gelegen gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken plaatsvindt.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.4.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, buiten het bouwvlak de navolgende werken en / of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

  • a. per agrarisch bedrijfsperceel het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 100 m2;
  • b. het aanleggen van waterbassins en mestbassins;
  • c. het dempen, graven en vergraven van watergangen, met uitzondering van het aanleggen van dammen en bruggen;
  • d. het scheuren van grasland;
  • e. het benutten van gronden ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen anders dan gras;
  • f. de aanleg van wandel- en fietspaden;
  • g. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen.
  • h. het ophogen van de gronden;
  • i. het beplanten van gronden met bomen of andere houtopstanden met meer dan één gebiedseigen boom per kavel en met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "sierteelt", "bomenteelt" en "tuinbouw";

3.4.2

Het in lid 3.4.1 van dit artikel vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, welke uit een oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn.

3.4.3

De werken en werkzaamheden als bedoeld in:

  • a. lid 3.4.1 sub e zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruwvoederteelt' toelaatbaar ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen, anders dan gras, waarbij maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak binnen de aanduiding voor die doeleinden mag worden gebruikt; door de teelt mag geen onevenredige schade worden toegebracht aan de landschappelijke of cultuurhistorische waarde van de gronden, waaronder met name begrepen de openheid en doorzichten;
  • b. lid 3.4.1 sub a zijn slechts toelaatbaar indien door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke of cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige belangen van de gronden alsmede de belangen met betrekking tot aangrenzende bestemmingen;
  • c. lid 3.4.1 sub b, c, e, f, h en i zijn slechts toelaatbaar, indien door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke of cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige belangen van de gronden;
  • d. lid 3.4.1 sub g zijn slechts toelaatbaar, indien de oeverbeschoeiingen maximaal 20 cm boven het waterpeil zijn gelegen;

3.4.4

Met betrekking tot de beoordeling van de toelaatbaarheid van werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.3 onder c en i winnen burgemeester en wethouders advies in bij een landschapsdeskundige.

3.4.5

Met betrekking tot de beoordeling van de toelaatbaarheid van werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.3 onder c voor zover het gaat om het dempen, graven en vergraven van watergangen winnen burgemeester en wethouders advies in bij de waterbeheerder.

Artikel 4 Waarde - Archeologie 2

Voor de bestemming "Waarde - Archeologie 2" zijn de overeenkomstige bepalingen van het bestemmingsplan ''Buitengebied 2011'' van toepassing en te raadplegen via: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02/r_NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02_2.25.html

Hoofdstuk 3 Algemene regels

De Algemene regels van het bestemmingsplan ''Buitengebied 2011'' zijn van toepassing en te raadplegen via: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02/r_NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg02_3.html

Artikel 5 Algemene aanduidingsregels

5.1 Grondwaterbeschermingsgebied

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied' is tevens het bepaalde in de provinciale milieuverordening van toepassing.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 6 Overgangsrecht

6.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken van het eerste lid onder artikel 6.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • 3. Het eerste lid onder artikel 6.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
6.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid onder artikel 6.2, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid onder artikel 6.2, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • 4. Het eerste lid onder artikel 6.2 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 7 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het wijzigingsplan 'Buitengebied Bergambacht, Bovenberg 75-75a'.