| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b Galileilaan |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1930.022bTAMGalileilaan-3001 |
De verouderde maatschappelijke opstallen aan de Galileilaan te Spijkenisse worden gesloopt en dit gebied wordt gemoderniseerd voor maatschappelijke doeleinde en woningbouw. De initiatiefnemer is voornemens het perceel D7262 aan de Galileilaan te Spijkenisse te ontwikkelen voor woningbouw en een gezondheidscentrum. De ontwikkeling bestaat uit 128 koopwoningen en een gezondheidscentrum van 550m².
Omdat het bestemmingsplan, 'De Hoek- Sterrenkwartier 2009', dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Nissewaard, niet de gewenste ontwikkelruimte biedt, wordt de beoogde ontwikkeling met deze wijziging van het omgevingsplan mogelijk gemaakt. In voorliggende motivering wordt gemotiveerd of de ontwikkeling voldoet aan de instructieregels en aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de planregels en op de verbeelding zal de nieuwe planologische ruimte worden vastgelegd.
Het plangebied betreft de adressen Galileilaan 1, 3 en 5, op nummer 1 en 3 is kinderopvang Partout gevestigd, nummer 5 is reeds gesloopt. Het plangebied wordt begrenst door de Galileilaan, deze straat begrenst de westrand van het project. Aan de noordzijde ligt de Planetenlaan en Aan de oostzijde ligt een park met een waterpartij. Aan de zuidzijde door een project van Dagelijks Leven. Het gaat om 20 appartementen, dit project doorloopt een eigen procedure en wordt in 2026 opgeleverd.
Figuur 1.1: Plangebied aangegeven op een luchtfoto (bron: Rho adviseurs)
De kadastrale percelen van het plangebied zijn als volgt:
Figuur 1.2: kadastrale percelen (bron: Rho Adviseurs)
Ter plaatse van het plangebied geldt, vanwege de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, het zogenoemde tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit een aantal voormalige besluiten, plannen en regelgeving die door de gemeenten in een gebiedsdekkend omgevingsplan moeten worden verwerkt en vastgesteld. Omdat dit gebiedsdekkende omgevingsplan nog niet is vastgesteld door gemeente Nissewaard, geldt het 'tijdelijk deel van het omgevingsplan' bestaande uit:
Vastgestelde bestemmingsplannen en beheersverordeningen:
Lokale verordeningen:
- Erfgoedverordening Nissewaard 2016
Bruidsschat:
Bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'De Hoek- Sterrenkwartier 2009'. Dit bestemmingsplan is op 21 oktober 2010 vastgesteld. Op figuur 1.3 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven met de bijbehorende functies. Op de locatie geld de bestemmineng 'Maatschappelijk', 'Groen' en 'Sport'.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'De Hoek- Sterrenkwartier 2009' (Rho Adviseurs)
Parkeren & laden en lossen ontwerpbestemmingsplan (Vastgesteld 17-05-2023
In deze parapluherziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, die verwijst naar de 'Parkeernormennota Nissewaard 2022'. Dit paraplubestemmingsplan omvat de hele gemeente Nissewaard.
De bouw en het gebruik van 128 woningen is niet toegestaan binnen de genoemde bestemmingen.
Voorliggend initiatief is in strijd met het vigerend juridisch-planologisch kader en zal mogelijk worden gemaakt door de wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. Dit zal worden gedaan door middel van de Tijdelijke alternatieve Maatregel (TAM) waardoor het mogelijk is om via de IMRO- standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen. Het TAM-Omgevingsplan moet vóór 1 januari 2032 worden omgezet naar STOP/TPOD.
Na dit hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als de functionele aspecten aan de orde komen. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 5 geeft een juridische beschrijving van de verbeelding en de regels. Hoofdstuk 6 gaat in op de financieel uitvoerbaarheid van het project. In hoofdstuk 7 is aangegeven hoe is omgegaan met participatie en de overlegreacties.
Het plangebied is gelegen aan de Galileilaan in het Sterrenkwartier, een uitbreidingswijk die ontstaan is in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Spijkenisse maakte in die periode als groeigemeente een stormachtige ontwikkeling door. Rondom het oude dorp werden diverse uitbreidingswijken gerealiseerd waarvan het Sterrenkwartier er één is.
Het stedenbouwkundig plan van het Sterrenkwartier is gebaseerd op de principes van 'Het Nieuw Bouwen' (CIAM). De woonwijk is opgezet in een overzichtelijke orthogonale structuur, met een scheiding tussen de verschillende verkeersstromen. Dragers van de wijk zijn de Planetenlaan in oost-westrichting en de voorzieningenzone langs de Galileilaan in noord-zuidrichting. De Planetenlaan ontsluit voor autoverkeer de wijk vanuit de Hekelingseweg aan de oostzijde, de Galileilaan en Copernicuslaan vanuit de Heemraadlaan aan de zuidkant.
Ten zuiden van de Planetenlaan bestaat de bebouwing voornamelijk uit grondgebonden woningen, veelal 2 lagen met kap in lineaire bouwblokken (rijwoningen).
De strokenverkaveling is duidelijk en eenvoudig met een duidelijk onderscheid tussen voor- en achterkanten.
Ten noorden van de Planetenlaan is gestapelde bouw aanwezig, veelal galerijflats van circa 5 bouwlagen. De lineaire bouwblokken staan orthogonaal gegroepeerd rondom groene ruimtes. Aan de randen van de wijk zijn enkele hogere accenten aanwezig, tot circa 15 bouwlagen.
Geleidelijk worden verouderde galerijflats vervangen door nieuwe gestapelde bouwblokken, soms in combinatie met grondgebonden woningen.
De wijkvoorzieningen zijn ondergebracht in een eigen zone, die van noord naar zuid het Sterrenkwartier opdeelt. In deze zone zijn winkels, scholen, sport- en andere voorzieningen ondergebracht, veelal als losse objecten in het groen. Centraal in deze zone is een waterpartij met rondom veel groen aanwezig. Deze groene as is als verblijfsruimte belangrijk voor de kwaliteit van de woonwijk. Aan de zuidzijde markeert de Saturnusflat als hoogteaccent een belangrijke toegang tot de wijk.
De Galileilaan, waaraan het plangebied ligt, vormt de westelijke begrenzing van de groene voorzieningenstrook. De ene zijde van het profiel wordt gevormd door de rijwoningen van de aangrenzende woonbuurt, met afwisselend kopgevels en voorgevels. Aan de andere zijde van het profiel is een rij volgroeide platanen prominent aanwezig. Deze bomenrij is ononderbroken en vormt een duidelijke begrenzing van de groene voorzieningenstrook.
Het is belangrijk dat deze bomenrij in stand gehouden wordt. De bomen vormen de coulisse waarachter de losse bouwmassa's (scholen en de toekomstige nieuwbouw) in het groen staan. Recent zijn enkele verouderde schoolgebouwen van de Galileilaan vervangen door een nieuw schoolgebouw. Twee andere schoolgebouwen met sporthal/gymzaal worden gesloopt met de bedoeling hier woonfuncties te maken.
De ontwikkeling bestaat uit drie blokken met daarin 128 woningen en een gezondheidscentrum van maximaal 550m². In het planboek zoals opgenomen in bijlage 1 (d.d. 20 november 2025) is de ontwikkeling verder uitgewerkt.
De bouwhoogte zal maximaal 4 en 5 bouwlagen bedragen op een half verdiepte parkeerkelder. Deze bouwhoogte sluit aan op die van de gestapelde bouw langs de Planetenlaan en is voldoende beperkt om verdekt te staan achter de hoge bomenrij langs de Galileilaan. Hierdoor blijft het huidige beeld van 'gebouwen achter de bomen' in stand.
Aan de zijde van de waterpartij bouwt de hoogte trapsgewijs af naar circa 3 bouwlagen.
Parkeervoorzieningen worden zoveel mogelijk onder de gebouwen gemaakt. De overige benodigde parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd langs de zijde van de Galileilaan en zijn ook toegankelijk voor bezoekers.
Het aanwezige voetpad onder de bomen langs de Galileilaan (tevens nutstracé) blijft bestaan. Omdat de ruimte tussen de nieuwe gebouwen openbaar is ontstaat voor nieuwe bewoners en buurtbewoners een nieuw circuit van voetpaden voor een wandeling rond de waterpartij.
Belangrijk is dat de 3 woonblokken zich aan de waterzijde presenteren als 'objecten in het groen'. De ruimte tussen de gebouwen dient dan ook zo groen mogelijk te worden ingericht.
Figuur 2.1: De ontwikkeling (bron: BIAS Architecten versie 27 oktober 2025)
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet.
Drie afwegingsprincipes
Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke 'nationale belangen' genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Doorwerking besluitgebied
Een van de vier prioriteiten van de NOVI is het aansturen op sterke en gezonde steden en regio's. De ontwikkeling ziet op de invulling van gronden ter plaatse van verouderde en te slopen bebouwing naar woningen en een gezondheidscentrum. Het initiatief ondersteunt de prioriteiten van de NOVI: het versterkt de gezondheid en leefbaarheid in de stad en bevordert het combineren van functies.
Conclusie
Het plan past binnen de beleidskaders van de Nationale Omgevingsvisie.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):
Het rijk heeft diverse instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Doorwerking besluitgebied
Ten aanzien van voorliggend initiatief wordt in hoofdstuk 4 getoetst aan de volgende instructieregels uit het Bkl:
Hiermee is aangetoond dat met voorliggend initiatief wordt voldaan aan de instructieregels in het Bkl.
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden te worden met:
Dit wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking genoemd (par. 5.1.5.4 Bkl). Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening, of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Er is geen wettelijke ondergrens voor de genoemde ontwikkelingen. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij een woningbouwplan van 12 woningen of meer in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor alle andere stedelijke functies wordt in beginsel een oppervlakte van 500 m² bruto vloeroppervlak aangehouden als ondergrens. Daarnaast geldt het vereiste dat het moet gaan om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit wordt beoordeeld aan de hand van het nieuwe planologische ruimtebeslag dat met de stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt of wanneer wordt voorzien in een functiewijziging van enige omvang. Een ladder voor duurzame verstedelijking moet worden opgesteld wanneer je te maken hebt met een stedelijke ontwikkeling.
Doorwerking besluitgebied
Bij een stedelijke ontwikkeling (die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en) die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Toetsing
De wijk Sterrenkwartier in Spijkenisse is gebouwd in de jaren 1960/1970. In de afgelopen jaren is de wijk een aantal keer opgeknapt. Het middengebied tussen de Planetenlaan, Galileïlaan, Saturnusstraat en de Waterman is aan een nieuwe inrichting toe. Er is inmiddels een nieuw integraal Kindcentrum gerealiseerd met daarin ruimte voor de Rooms Katholieke basisschool Paus Johannes, Christelijke basisschool Marimba, kinderopvang Klein Maar Dapper en ruimte voor diverse sportverenigingen. Hiervoor is in 2022 een omgevingsvergunning verleend. Hierdoor zijn de oude schoolgebouwen en gymzalen vrijgekomen voor transformatie naar drie appartementengebouwen, voor in totaal 128 appartementen en een gezondheidscentrum (maximaal 550 m2 bvo).
Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij plannen vanaf 12 woningen of bij een functiewijziging of toevoeging van bebouwing met een andere stedelijke functie vanaf 500 m2 bvo. In dit geval gaat het gelet op de planologische toevoeging van maximaal 128 woningen om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is hierna de behoefte beschreven. Het projectgebied ligt op een binnenstedelijke locatie.
Beschrijving woningbehoefte
De woningbehoefte in de gemeente Nissewaard blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld.
Woningbehoefteraming WBR 2023
De provincie Zuid-Holland heeft onderzocht hoeveel extra woningen er in Zuid-Holland nodig zijn in de periode 2023 tot en met 2032 om in de verwachte vraag aan woningen te voorzien. Dat zijn er meer dan tot nu toe werd verwacht. Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2023 blijkt dat in de die periode in de Rotterdamse regio behoefte is aan 71.000 woningen. De behoefte is zo groot dat het belangrijk is de bestaande regionale woningbouwprogramma's snel uit te voeren. Daarvoor is belangrijk dat meer plannen 'hard' worden en woningen daadwerkelijk worden gebouwd. De provincie gaat hierover als sturende partij in gesprek met de vijf woondealregio's van Zuid-Holland. Daarbij wordt gekeken naar of de woningbouwplannen bijdragen aan het verhogen van de woningproductie. De provincie let er dan vooral op of er voldoende juiste woningen, op de juiste plek en het juiste moment worden gebouwd.
Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2021-2030 (december 2022)
Het Regioakkoord 2022 bevat afspraken over de woningbouw in de 12 regiogemeenten. Hierin is afgesproken dat Nissewaard zich inzet voor het toevoegen van circa 3.760 woningen, waarvan 28% sociaal, 43% middelduur en 30% in het dure segment.
Regionale Realisatie Agenda 2022
De vraag naar woningen is groot, het aanbod beperkt. Het oplossen van het woningentekort vraagt om de bouw van nieuwe woningen. Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht wordt door de Rijksoverheid met “Programma Woningbouw” nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Zuid-Hollandse bestuurders en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de regionale realisatieagenda's, ook wel woondeals genoemd, ondertekend. Daarmee spreekt Zuid-Holland de ambitie uit om in de periode 2022 tot en met 2030 ruim 235.000 woningen te bouwen.
In dit project wordt ingezet op het toevoegen van 128 koopappartementen, dit om de doorstroming te bevorderen. Hierover zijn reeds afspraken gemaakt met de gemeente.
Woonvisie Nissewaard, een plek voor iedereen! (september 2020)
Het doel van de Woonvisie voor Nissewaard is dat het voor iedereen goed wonen is in de gemeente en de woonwensen en woningbehoefte van alle huidige en toekomstige inwoners zoveel mogelijk binnen de gemeentegrenzen mogelijk te maken. Groei van de woningvoorraad is vooral nodig omdat het aantal 65-plussers toeneemt en huishoudens gemiddeld steeds kleiner worden.
In de woonvisie staat uitgelegd hoe de gemeente wil komen tot een betere balans in de woningvoorraad. Daarbij hoort dat er wordt bijgebouwd in de woningsegmenten die nu ondervertegenwoordigd zijn, maar ook dat er aandacht is voor de toenemende vraag naar toekomstbestendig wonen. Uiteraard is er in de woonvisie ook aandacht voor leefbaarheid, duurzaamheid en wonen met zorg.
Dit initiatief geeft mede invulling aan de doelstellingen uit de woonvisie gericht op het op peil houden van de voorraad woningen voor senioren en kleine huishoudens.
Prestatieafspraken voor 2025 en 2026 tussen huurdersorganisaties, woningcorporaties en gemeente (december 2024)
Deze prestatieafspraken geven aan welke bijdrage de verschillende partijen leveren aan het volkshuisvestelijk beleid van de gemeente, zoals vastgelegd in de Woonvisie Nissewaard 2020-2030 “Nissewaard, een plek voor iedereen!”. De partijen willen de sociale huurvoorraad op peil houden en evenwichtiger over de gemeente spreiden.
Beschrijving behoefte gezondheidscentrum
De vraag naar het gezondheidscentrum komt direct voort uit een vraag van de eindgebruikers (o.a. huisartsen). Deze vraag is kenbaar gemaakt bij de gemeente Nissewaard en wordt opgelost in dit project.
Conclusie
Voor Nissewaard wordt uitgegaan van een opgave van 3.760 woningen tot en met 2030. Dit betekent dat (veel) nieuwe harde plancapaciteit moet worden toegevoegd om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Er is behoefte aan alle woningtypen en prijsklassen, met een accent op betaalbare woningen voor kleinere huishoudens. Hierin wordt mede voorzien in dit plan met 128 appartementen.
Op d.d. 18 februari 2025 is de Omgevingsvisie Zuid-Holland in werking getreden. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert.
De provincie Zuid-Holland heeft met haar uitgebreide instrumentarium grote meerwaarde bij het oplossen van de maatschappelijke opgaven van vandaag en morgen. En met inbreng van kennis en creativiteit vanuit de samenleving kan nog meer worden bereikt. De kunst is het oplossend vermogen van de maatschappij te stimuleren en te benutten. Zuid-Holland biedt daarom ruimte en vertrouwen aan maatschappelijke initiatieven. Maar ruimte en vrijheid gedijen alleen binnen grenzen. Daarom werkt de provincie Zuid-Holland vanuit een aantal principes en kaders, voor haarzelf én haar partners, als waarborg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
De Provincie zet in op acht sturingsprincipes:
Daarbij is leidend dat de provincie Zuid-Holland een aantrekkelijke provincie is om te wonen en te werken en dat onze leefomgeving gezond en veilig is. De ruimte is beperkt. Zuinig, duurzaam en efficiënt ruimte- gebruik is daarom het uitgangspunt. Ze streven naar slim en meervoudig ruimtegebruik, door combineren en mengen van functies.
Doorwerking besluitgebied
Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied en bestaat (voor zover nog niet gesloopt) uit verouderde gebouwen, deze maken plaats voor de transformatie van het gebied naar een combinatie van maatschappelijke functies en woningen. Met deze transformatie wordt een verdichtingsslag gemaakt. De kwaliteit van het gebied zal toenemen door de sloop van de verouderde opstallen
De Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. De provinciale omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving en vervangt alle bestaande verordeningen. Er kunnen in de omgevingsverordening naast direct werkende regels ook instructieregels zijn opgenomen over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen.
Doorwerking besluitgebied
De regels in de omgevingsverordening werken door in ruimtelijke plannen van de gemeente. Hierna is getoetst aan de Zuid-Hollandse omgevingsverordening (juli 2025).
Artikel 7.41a (risico's van klimaatverandering)
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
Voor zover risico's aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico's.
Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen)
Toetsing art. 7.41a en 7.41aa
In het project wordt minder verhard oppervlak gerealiseerd dan in de voormalige situatie. Het binnenterrein wordt voor een deel groen ingericht. Hiermee wordt invulling gegeven aan klimaatadaptatie en biodiversiteit.
De woningen worden duurzaam en toekomstbestendig, voorafgaand aan de ontwikkeling zijn reeds verouderde opstallen gesloopt.
Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)
Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling)
Toetsing art. 7.43a en 7.43c
Het plangebied valt niet in een gebied dat is aangemerkt als een bijzondere beschermingscategorie. De ontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied wordt beschouwd als 'inpassen'. De gebiedsidentiteit of structuur van het gebied wordt niet aangepast. Het betreft een aanpassing en betere benutting op kavelniveau. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedelijke omgeving en wordt zorgvuldig ingepast op de locatie.
Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte)
Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document.
Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking)
Toetsing 7.44 en 7.45
De ladderonderbouwing is opgenomen in paragraaf 3.1.3 van deze onderbouwing. Hieruit blijkt dat behoefte is aan woningen en een gezondheidscentrum in Spijkenisse.
Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw)
Toetsing 7.45b
Er is met het plan gestreefd naar een zo hoog mogelijk aantal woningen met behoud van de leefkwaliteit. Er zijn verschillende typen appartementen in het plan verwerkt om zo meerdere doelgroepen te kunnen huisvesten.
Artikel 7.45c (bereikbaarheid)
Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.
Toetsing 7.45c
In paragraaf 4.16 is ingegaan op de verkeersontsluiting van het projectgebied. Hieruit blijkt dat de locatie voor zowel langzaam- als gemotoriseerd verkeer goed bereikbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten op de bereikbaarheid in de omgeving heeft.
Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit)
Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit.
Toetsing 7.45ca
In het plan is sprake van minder verhard oppervlak dan in de huidige situatie. Het tussengebied wordt voor een groot deel groen ingericht. Daarbij zijn expliciet kansen voor versterking van de biodiversiteit door bijvoorbeeld een juiste soortenkeuze.
Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik)
Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik
Toetsing 7.45h
Met de ontwikkeling wordt naast woningbouw ook een gezondheidscentrum gerealiseerd.
Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen)
Toetsing 7.47b
Met de ontwikkeling worden geen sociale huurwoningen gerealiseerd. Hierover zijn afspraken gemaakt met de gemeente Nissewaard. Het plangebied ligt in de wijk Sterrenkwartier. Deze wijk kenmerkt zich door een hoog percentage aan sociale huurwoningen die in de jaren '60 en '70 gebouwd zijn. De wijk bestaat voor 39,7% uit corporatiewoningen en de buurt Sterrenkwartier-Midden (waar dit planvoornemen onder valt) bestaat uit 58% corporatiewoningen. Met het herstructureringsproject Stella Nova, wat momenteel in uitvoering is, probeert de gemeente een betere balans in de woningvoorraad van Sterrenkwartier te brengen. Gebieden met een hoog aanbod aan sociale huurwoningen probeert de gemeente te verdunnen, om zo een betere balans in de woningvoorraad te krijgen en verschillende soorten groepen mensen bij elkaar in de buurt te laten wonen. Datzelfde principe geldt voor het planvoornemen aan de Galileilaan, wat grenst aan Stella Nova. In het project aan de Galileilaan ligt daarom vooral de focus op een combinatie van betaalbare, middeldure en dure koopwoningen om zo verschillende soorten bevolkingsgroepen in de wijk te verwelkomen. Daarnaast wil de gemeente op locaties waar sociale huur in minder mate voorkomt wel hierop inzetten door een evenwichtig woningbouwprogramma samen te stellen voor die projecten.
Het Regioakkoord 2022 bevat afspraken over de woningbouw in de 12 regiogemeenten. Hierin is afgesproken dat Nissewaard zich inzet voor het toevoegen van circa 3.760 woningen, waarvan 28% sociaal, 43% middelduur en 30% in het dure segment.
De vraag naar woningen is groot, het aanbod beperkt. Het oplossen van het woningentekort vraagt om de bouw van nieuwe woningen. Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht wordt door de Rijksoverheid met “Programma Woningbouw” nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Zuid-Hollandse bestuurders en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de regionale realisatieagenda's, ook wel woondeals genoemd, ondertekend. Daarmee spreekt Zuid-Holland de ambitie uit om in de periode 2022 tot en met 2030 ruim 235.000 woningen te bouwen.
Doorwerking besluitgebied
In dit project wordt ingezet op het toevoegen van 128 koopappartementen, dit om de doorstroming te bevorderen. Hierover zijn reeds afspraken gemaakt met de gemeente.
Op 13 mei 2009 heeft het gemeentebestuur (toen nog gemeente Spijkenisse) de gemeentelijke structuur- visie voor de periode 2010-2020 vastgesteld. De Structuurvisie geeft de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in Spijkenisse op hoofdlijnen weer. De visie is het uitgangspunt voor de politieke agenda. Geen dichtgetimmerd eindplan, maar het vertrekpunt van de gemeente voor gesprekken met hogere overheden, marktpartijen en partners om ontwikkelingen en investeringen in de stad te initiëren. In de visie zijn de volgende kernkwaliteiten geformuleerd;
De Structuurvisie biedt negen punten voor de politieke agenda van het gemeentebestuur van Spijkenisse: ideeën voor verbeteringen in negen gebieden. Het plangebied is niet gelegen in één van deze negen ge- bieden.
Ligging aan de rand van de Randstad
Spijkenisse ligt gunstig aan de rand van de Randstad: op de scheiding van de dicht bebouwde stedelijke agglomeratie van Rotterdam en het weidse, open en relatief dunbevolkte polderlandschap van Voorne- Putten. Spijkenisse als poort naar het eiland. Zowel de drukte van de grote stad als de rust en ruimte van de natuur (groen en strand) zijn altijd dichtbij en versterken de diversiteit.
Ambitie
De unieke ligging van Spijkenisse moet verder versterkt worden door de verbindingen naar de omliggende kwaliteiten te verbeteren.
Stadsranden en entrees
De stadsentrees en randen geven bezoekers de eerste indruk van een stad. De randen en entrees van Spijkenisse zijn divers van soort en uitstraling. Spijkenisse wordt aan drie zijden begrenst door water: het Voedingskanaal/Hartelkanaal, de Oude Maas en het Spui. En aan de westzijde door het karakteristieke open polderlandschap met restanten van oude kreken en ringpoldertjes. Bij binnenkomst in Spijkenisse via de weg, metro of het water zijn suburbane woonwijken zichtbaar met direct contact en ruim uitzicht op het omringende landschap. Maar ook achterkanten van bedrijventerreinen vormen een deel van dit beeld.
Ambitie
Spijkenisse heeft de ambitie de stadsentrees en stadsranden - zowel in ruimtelijk als in functioneel opzicht - te verbeteren. De gemeente wil de herkenbaarheid vergroten en de identiteit versterken via gerichte herinrichtingsvoorstellen en, indien noodzakelijk, stedenbouwkundige ingrepen.
Verbindende elementen
De infrastructuur en de groenstructuur zijn kenmerkende verbindende elementen langs vrijwel alle randen van Spijkenisse, en tussen de verschillende wijken. Zij vormen als het ware een gordel rond en tussen de bebouwing.
Ambitie
Spijkenisse heeft de ambitie de externe infrastructuur te verbeteren. Hiervoor zijn de ontwikkelingen op bovenlokaal niveau van groot belang. Denk aan de lobby vanuit het college, mede namens de gemeenten op Voorne Putten, rond de A4-Zuid, de versterking van de Hartelcorridor en de verbetering van de doorstroming op de A15. Met name de realisatie van de A4-Zuid biedt Spijkenisse een belangrijke kans voor een betere verbinding met het hoofdverkeerswegennet. De ontwikkelingen aan de oostrand van de stad (nieuwe kenmerkende stadsrand en entree) houden rekening met de komst van deze weg.
Doorwerking besluitgebied
In de structuurvisie is geen specifiek beleid ten aanzien van de nieuwbouw van woningen en ten aanzien van zorgvastgoed opgenomen.
In 2015 zijn gemeenten Spijkenisse en Bernisse gefuseerd tot gemeente Nissewaard. Om richting te geven en samenhang aan te brengen in de visie op wonen is er begin 2016 een Woonvisie vastgesteld. De woningmarkt is sindsdien flink veranderd. De markt is aangetrokken en starters in Nissewaard komen moeilijker aan een woning dan enkele jaren geleden. In september 2020 is dan ook de nieuwe Woonvisie 2020-2030 gepubliceerd. De Woonvisie Nissewaard 2020 – 2030 heeft als ondertitel 'Nissewaard, een plek voor iedereen'. Het doel van de nieuwe Woonvisie voor Nissewaard is dat het voor iedereen goed wonen is in de gemeente en de woonwensen en woningbehoefte van de huidige en toekomstige inwoners zoveel mogelijk binnen de gemeentegrenzen mogelijk te maken.
De gemeente Nissewaard blijft groeien, in totaal gaat het voor de periode 2020-2040 om een extra behoefte van ruim 2.4000 woningen. Onderliggend spelen de volgende ontwikkelingen in de huishoudens-toename:
In de woonvisie wordt ingezet op de volgende thema's
Doorwerking besluitgebied
De ontwikkeling voldoet aan de doelstellingen van de Woonvisie Nissewaard door een diverse, betaalbare en duurzame woonomgeving te creëren die geschikt is voor verschillende doelgroepen. Het project draagt bij aan de versterking van de woonkwaliteit en biedt ruimte voor doorstroming. Met de zorgfunctie in het plangebied wordt ingespeeld op de behoefte aan zorg in de woonomgeving.
In 2017 is het ontwikkelperspectief Nissewaard naar 2040 door de gemeenteraad vastgesteld. Het ont-wikkelperspectief verkend de kansen voor een schokbestendig Nissewaard en vat dit samen in vier principes:
1. Zet in op de ontwikkeling van werkgelegenheid, onderwijs en ruimte voor ondernemerschap.
Er is op dit moment een onbalans aan wonen en werken. Elke ontwikkeling dient dit te verbeteren.
2. Differentieer de woningvoorraad van monotone wijken uit jaren '70 en '80 van de vorige eeuw.
Er is teveel van dezelfde woningvoorraad, waardoor ook de bevolkingssamenstelling hetzelfde blijft. Meer keuzes, kan huidige en nieuwe bewoners verleiden.
3. Verbeter de mobiliteit en bereikbaarheid.
Voorne-Putten is een eiland, vandaar dat bereikbaarheid een belangrijke rol speelt. Naast nieuwe verbindingen en HOV ontwikkelingen zijn ook het inzetten op lokale economie en een gedragsverandering van mobiliteit kansrijk.
4. Benut en versterk de groene kwaliteiten in en om de gemeente.
Spijkenisse heeft een sterk groen-blauw landschappelijk netwerk die nog niet voldoende wordt benut. Een kwaliteitsslag in deze structuren biedt kansen voor nieuwe woontypologieën, werk en een aantrekkelijk imago.
De vier principes gaan in de basis over opgaven die in de stad Spijkenisse spelen. Waar het buitengebied en de kleine kernen hier een bijdrage aan kunnen leveren worden deze in het ontwikkelraamwerk betrokken.
Het ontwikkelraamwerk is een instrument om
Doorwerking besluitgebied
Voorafgaand aan de ontwikkeling is (en wordt) verouderde bebouwing gesloopt, de ontwikkeling voorziet in verschillende type appartementen, dit type woningen komt in de omgeving beperkt voor. Qua werkgelegenheid wordt een gezondheidscentrum mogelijk gemaakt. De ontwikkeling versterkt de groene structuur van het naastgelegen park en maakt deze toegankelijk(er).
De ontwikkeling sluit aan bij het Ontwikkelperspectief.
3.4.4 Beleidsplan Groen en Bomen 2023-2026 'Geef groen de ruimte!'
Nissewaard is een groene gemeente en dit groen is van waarde voor een aantrekkelijke, vitale, toekomst-bestendige woon- en werkgemeente. Het aanwezige groen in de stad en de dorpen wordt intensief gebruikt door bewoners en bezoekers. Het is belangrijk om dit groen te beschermen. De ontwikkeling van het beleidsplan voor Groen en Bomen 2023 -2026 geeft invulling aan dit principe. De huidige groenstructuur is drager voor de doorontwikkeling naar een 'schokbestendig Nissewaard'.
Het Beleidsplan Groen en Bomen is op zichzelf staand groenbeleid, maar heeft tegelijk veel raakvlakken met andere beleidsvelden. Het vindt een oorsprong in huidig beleid, is een uitwerking van het coalitieakkoord Nissewaard 2022-2026 "Bouwen op Nissewaard", het programma 'Nissewaard naar 2040' en is onderdeel van de toekomstige omgevingsvisie voor Nissewaard. Het Beleidsplan Groen en Bomen heeft hetzelfde strategische karakter als het beleidsplan water, de woonvisie en de programma's van 'Duurzaamheid' en 'Toekomstbestendig Sociaal Domein'; en worden als toetsingskader bij de invoering van de nieuwe Omgevingswet worden ingezet.
Het beleidsplan Groen en Bomen gaat over het openbaar groen dat in eigendom is van de gemeente Nissewaard. Het Beleidsplan Groen en Bomen is het uitgangspunt en toetsingskader als het gaat om de weging van groene belangen in de verschillende plannen en ontwikkelingen. Tevens levert dit Beleidsplan Groen en Bomen de kaders en uitgangspunten op voor het nieuw op te stellen Beheerplan Groen en Bomen. De ambitie die wordt nastreven met het beleidsplan is als volgt: "In 2050 is de groenstructuur van Nissewaard robuust, aantrekkelijk, biodivers en klimaatbestendig ingericht".
De volgende pijlers zijn opgesteld met bijbehorende doelstellingen:
Doorwerking besluitgebied
Het ontwerp bevat groene ruimtes die aansluiten op de bestaande groenstructuur. Dit bevordert de biodiversiteit en nodigt inwoners uit tot bewegen en ontmoeten. De reeds aanwezige bomen worden zoveel mogelijk behouden. Dit sluit aan bij de visie op behoud en versterking van groen.
Het ontwerp bevat groene ruimtes die aansluiten op de bestaande groenstructuur. Dit bevordert de biodiversiteit en nodigt inwoners uit tot bewegen en ontmoeten. De reeds aanwezige bomen worden zoveel mogelijk behouden. Dit sluit aan bij de visie op behoud en versterking van groen.
De gemeente Nissewaard werkt met een 'Programmaplan Duurzaamheid'. In het Programmaplan Duurzaamheid 2023-2024 is de ambitie van de gemeente op het gebied van duurzaamheid opgenomen en worde de doelen, activiteiten, het netwerk en de middelen om deze ambities te bereiken beschreven. Het Programmaplan wordt jaarlijks geactualiseerd. De ambitie van de gemeente is om in 20250 energieneutraal, circulair en bestand tegen veranderingen in het klimaat te zijn.
Doorwerking besluitgebied
In paragraaf 4.5 wordt ingegaan op het aspect duurzaamheid.
De gemeente Nissewaard hanteert sinds 23 april 2025 een geactualiseerd geluidbeleid in de vorm van een Geluidprogramma op grond van de Omgevingswet. Dit beleid vormt het toetsingskader voor het beoordelen van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot geluid. Het Geluidprogramma vervangt het eerdere ontheffingenbeleid Wet geluidhinder en sluit aan op het nieuwe normenstelsel, waarbij geen formele hogere waarden meer worden vastgesteld. Desondanks blijft het noodzakelijk om bij geluidsbelastingen boven de standaardwaarden een goede motivatie te geven. Het gemeentelijke geluidbeleid biedt daarvoor duidelijke inhoudelijke richtlijnen en kaders.
In het kader van akoestisch onderzoek wordt dit beleid toegepast om de aanvaardbaarheid van geluidsbelastingen te onderbouwen. Daarbij ligt de nadruk op het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen, het realiseren van een geluidluwe gevel en het waarborgen van een geluidluwe buitenruimte. Onderstaand zijn de voor het onderzoek relevante uitgangspunten uit hoofdstuk 2 van het Geluidprogramma samengevat.
Doorwerkeng besluitgebied
In het akoestische onderzoek dat is uitgevoerd voor de ontwikkeling is getoetst aan het Programma Geluid Nissewaard, dit onderzoek is toegelicht en samengevat in paragraaf 4.7 en is opgenomen in bijlage 4 bij deze motivering.
Toetsingskader
Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:
1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is.
2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term 'activiteiten met gebruiksruimte' kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term 'milieubelastende activiteiten'.
Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.
Toetsing
Het plan maakt de realisatie van 128 woningen en een gezondheidscentrum mogelijk. Op basis van de geldende bestemmingsplannen – die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan – blijkt dat in en rondom het plangebied geen grootschalige bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Wel ligt ten noorden van het plangebied een gemengd gebied en is ten zuiden een perceel aanwezig met een maatschappelijke bestemming.
Een gezondheidscentrum past binnen een gemengd gebied en een gebied waar functiemenging is toegestaan. Een artsenpraktijk valt onder milieucategorie 1 waarvoor een richtafstand van 0 meter geldt in een gemengd gebied en direct naast woningen mogelijk is.
Direct ten zuiden van het plangebied is een deel van een schoolterrein aanwezig. Het huidige schoolterrein overlapt deels het plangebied. Het andere deel van dit schoolterrein is in eigendom van Dagelijks Leven die hier woonzorg woningen beoogd te bouwen. Met de ontwikkeling en de ontwikkeling van Dagelijks Leven zal de school haar activiteiten beëindigen en gesloopt worden. De nieuwe activiteiten van de woonzorg woningen ten zuiden van het plangebied zijn direct naast woningen inpasbaar en passen binnen een woonwijk.
Verder ten zuiden ligt het schoolterrein van het Integraal Kind Centrum (IKC) op circa 70 meter van de beoogde bestemming wonen binnen het plangebied. Scholen vallen onder milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt ten opzichte van een rustige woonwijk en 10 meter voor een gemengd gebied. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan, belangrijke milieubelasting vanuit de school kan uitgesloten worden en de school wordt niet beperkt in de huidige bedrijfsvoering.
De aspecten geluid, geur en trilling zijn afzonderlijk en sectoraal behandeld in de voorliggende wijzigingsbesluit. Zie hiervoor de paragrafen: 4.7 Geluid (spoor-)wegen dan wel milieubelastende activiteiten, 4.8 Geur en 4.15 Trillinghinder. Binnen deze paragrafen zijn relevante bedrijfsactiviteiten geïnventariseerd en waar nodig geanalyseerd ten aanzien van de beoogde woningen.
In deze paragrafen zijn relevante bedrijfsactiviteiten geïnventariseerd en, waar nodig, geanalyseerd in relatie tot de geplande woningen. Uit de sectorale analyses volgt dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast ondervinden omliggende bedrijven geen beperkingen in hun bedrijfsvoering als gevolg van de ontwikkeling.
Conclusie
Daarmee draagt het plan, voor deze milieuthema’s, bij aan een evenwichtige toedeling van functies binnen het gebied en wordt er voldaan aan de instructieregels. Er zijn geen aanvullende regels noodzakelijk om het woon- en leefklimaat of de bedrijfsvoering van omliggende functies te borgen. Voor een nadere onderbouwing en detailinformatie wordt verwezen naar de betreffende paragrafen in dit wijzigingsbesluit.
Toetsingskader
Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:
In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek.
De gemeente heeft de wettelijke verplichting om archeologische belangen mee te wegen in bouwprocessen en stedelijke ontwikkeling, en onderzoek in te passen. Dit was reeds op grond van de Erfgoedwet voorgeschreven en in de Omgevingswet is dit nog een keer benadrukt, met de toevoeging dat de archeologische verwachting goed onderbouwd moet zijn.
Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met bekende archeologische monumenten en met aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de mogelijkheid tot het aantreffen van een archeologisch monument goed onderbouwd moet zijn. Het voorspellen van de aanwezigheid van een archeologisch monument kan door middel van het uitvoeren van archeologisch onderzoek, maar ook een combinatie van bestaande relevante archeologische, bodemkundige of historische informatie kan voldoende zijn om de mogelijke aanwezigheid van een archeologisch monument op een locatie te onderbouwen.
Toetsing
In het kader van dit project is advies gevraagd aan Archeologie Rotterdam (BOOR), dit advies is opgenomen als bijlage 2 bij deze motivering. Het advies luidt kort samengevat als volgt:
Archeologie Rotterdam adviseert de gemeente om in het plangebied een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen (verkennende fase) uit te voeren. De onderzoeken dienen voorafgaand aan de grondverstorende werkzaamheden te worden uitgevoerd conform de gemeentelijke richtlijnen met betrekking tot archeologisch onderzoek. Het laten uitvoeren van dit onderzoek is verplicht volgens de Erfgoedverordening gemeente Nissewaard (2016).De archeologische waarden worden beschermd door de regels van dit TAM-omgevingsplan.
Conclusie
Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (2011) wordt aan de locatie een redelijk hoge archeologische verwachting toegekend. Conform de AWK dient de noodzaak voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek te worden getoetst bij grondroerende werkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte van meer dan 200 vierkante meter beslaan. De archeologische waarden worden beschermd door de regels van dit TAM-omgevingsplan. Na de sloop van de opstallen zal archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Toetsingskader
Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.
Toetsing
In opdracht van de gemeente Nissewaard heeft RSK Netherlands milieukundige onderzoeken uitgevoerd ter plaatse van de Galileilaan in Spijkenisse. Aanleiding voor de onderzoeken is de geplande herinrichting. Met het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van het asfalt (teerhoudendheid), de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit bepaald. Tevens is de (indicatieve) hergebruikskwaliteit van de grond bepaald, alsmede de benodigde veiligheidsmaatregelen conform CROW400 bij de voorgenomen werkzaamheden. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij deze motivering.
Grond
De bodem bestaat tot 1,0 m-mv hoofdzakelijk uit zand met daaronder klei en veen. Plaatselijk bestaat de bovengrond uit klei. In de boven- en ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen (cadmium, kwik, molybdeen en/of zink), PAK en PCB aangetoond.
Asbest
Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
PFAS
In zowel de verharde als onverharde bovengrond zijn verhoogde gehalten PFAS (met name PFOA en PFOS) aangetoond. De grond is op basis van PFAS volgens het landelijke en regionale hergebruikskader elders toepasbaar als klasse Wonen/ Industrie.
Hergebruik
Op basis van indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, kan zowel de bovengrond als de ondergrond over het algemeen worden aangeduid als altijd toepasbaar (Achtergrondwaarde).
Grondwater
Het grondwater is waargenomen op een diepte van circa 0,8 m-mv. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium, xylenen en naftaleen aangetoond.
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen herinrichting van de locatie.
Conclusie
Het omgevingsplan voldoet aan de instructieregels. De ontwikkeling voorziet voor het aspect bodem/grondwater in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat de bodem- en grondwaterkwaliteit voldoende is voor het bouwen van de woningen en geen sanerende maatregelen nodig zijn. De ontwikkeling zelf heeft geen negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit.
Toetsingskader
Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed.
Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed (par. 5.1.5.5 Bkl).
De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsverordening de bijzondere provinciale landschappen benoemd en regels gesteld om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen.
Toetsing
Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt voor de planlocatie geen dubbelbestemmingen met cultuurhistorische waarden. Ook zijn er geen molenbiotopen aanwezig in of nabij de planlocatie.
Conclusie
De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en is er sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om regels op te nemen voor dit aspect.
Toetsingskader
Doel van de Omgevingswet is een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van de mens. Iedereen wil immers welvarend, gezond en veilig leven. Duurzame ontwikkeling vergt volgens de commissie-Brundtland een balans tussen de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving (planet), de economie (profit) en het sociale vermogen van de mens (people). Dit vraagt om zorgvuldig benutten, ontwikkelen en beheren van de fysieke leefomgeving.
Klimaatwet
In het Klimaatakkoord, vastgesteld in 2019, zijn afspraken gemaakt over de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. In de Klimaatwet wordt uitvoering gegeven aan het Klimaatakkoord en het Klimaatverdrag van Parijs. Het doel van deze wet is om de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2, te verminderen. Een teveel aan broeikasgassen in de lucht verandert het klimaat en heeft negatieve gevolgen voor mens en natuur. In de Klimaatwet staan klimaatdoelstellingen voor Nederland. Voor 2050 is de doelstelling om 95% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Om dat doel te bereiken is het de bedoeling dat Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoot dan in 1990 en dat de elektriciteitsproductie in 2050 volledig CO2-neutraal is.
De Klimaatwet bevat behalve klimaatdoelstellingen ook een beleidskader om die doelstellingen te halen. In de wet staan daarvoor drie beleidsinstrumenten: het vijfjaarlijkse Klimaatplan, de tweejaarlijkse Voortgangsrapportage en de jaarlijkse Klimaatnota.
De provincie Zuid-Holland onderschrijft de doelstellingen van het Klimaatverdrag van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord. Op 18 november 2019 heeft de provincie Zuid-Holland ingestemd met het Klimaatakkoord en uitgesproken een bijdrage te leveren aan de nationale klimaatdoelstellingen.
Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In ieder geval moet worden ingegaan op: wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, waterbeschikbaarheid en verzilting. Ook de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's te voorkomen of te beperken moeten worden beschreven en de afweging die daarbij is gemaakt.
Toetsing
Bij de bouw kunnen diverse klimaatadaptievemaatregelen worden overwogen om droogte en bodemdaling te beperken. Essentieel hierbij is goed waterbeheer, zoals regenwateropslag, infiltratievoorzieningen en waterdoorlatende bestrating. Groene daken en gevels dragen bij aan waterbuffering en verminderen hittestress. Bodemdaling kan worden beperkt door lichte bouwmaterialen en aangepaste funderingen (zoals paalplaatfunderingen) Daarnaast kunnen waterbesparende installaties en een grijswatersysteem bijdragen aan duurzaam watergebruik. Deze maatregelenzorgen voor een toekomstbestendige en klimaatrobuuste ontwikkeling.
Conclusie
Ten aanzien van duurzaamheid zal worden voldaan aan de wettelijke vereiste normen, er zijn geen extra duurzaamheidsambities voor dit project.
Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de fysieke leefomgeving zijn met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit vaste objecten zijn. De Europese Unie heeft in 1999 blootstellingslimieten, bestaande uit basisrestricties en daarvan afgeleide referentieniveaus, aanbevolen (PbEG L 199/59, 1999). De basisrestricties mogen niet worden overschreden. Als de blootstelling lager is dan de referentieniveaus kan ervan worden uitgegaan dat de basisrestricties niet worden overschreden. Voor magnetische velden die met de elektriciteitsvoorziening samenhangen, bedraagt het referentieniveau 100 microtesla voor de gehele bevolking.
Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico's van magneetvelden bij hoogspanningslijnen. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen.
Het plangebied ligt niet in de omgeving van een hoogspanningslijn. Gezondheidsgevolgen ter plaatse van het plangebied als gevolg van elektromagnetische velden kunnen uitgesloten worden.
Er zijn geen regels nodig om te gezondheidssituatie van het planvoornemen te borgen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig.
Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld.
Het omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluidsniveau van verkeer en industrie op een geluidgevoelig gebouw. Hiervoor zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en over het toelaten of wijzigen van nieuwe of bestaande (spoor)wegen en industrieterreinen.
In deze paragraaf wordt ingegaan op het beschermen van de gezondheid en het milieu tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds (paragraaf 5.1.4.2a, Bkl). Dan wel geluid door milieubelastende activiteiten, beschreven anders dan;
Op grond van artikel 5.59, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het verplicht om rekening te houden met het geluid van activiteiten, anders dan wonen, op geluidgevoelige gebouwen. Deze verplichting is aan de orde zowel bij het toelaten van geluidveroorzakende activiteiten (met uitzondering van de hierboven genoemde bronnen) als bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen.
Concreet betekent deze verplichting dat bij het toelaten van geluidgevoelige of geluid veroorzakende activiteiten gemotiveerd moet worden:
Wegverkeersgeluid
Door Rho Adviseurs is in juni 2025 akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling aan de Galileilaan te Spijkenisse. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4 bij deze motivering. Samenvattend wordt het volgende geconcludeerd:
Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Wel is het nodig om in de wijziging van het omgevingsplan regels op te nemen voor geluid die zich richten op:
Indirecte akoestische effecten
Voor indirecte akoestische effecten vanwege veranderend verkeer geldt de '1,5 dB-toets', wat neerkomt op een verkeerstoename van 40% of meer bij gelijkblijvende overige variabelen (voertuigverdeling, wegdek). Er is hier sprake van een verkeerstoename van 15% op de Planetenlaan vanwege de ontwikkeling. Dit is lager dan 40%. Er is hier dus geen sprake van indirect akoestische effecten.
Indirect akoestische effecten zijn niet van toepassing op de Galileïlaan waar de verkeerstoename meer dan 40% maar is, omdat de totale verkeersintensiteit onder de 1.000 motorvoertuigen per etmaal blijft (artikel 5.78ae. 1).
Geluid door milieuhinderlijke of milieubelastende activiteiten
Direct ten zuiden komen woonzorg woningen van Dagelijks Leven. De voornaamste geluidbron zal het laden en lossen zijn voor de bevoorrading. Het laden en lossen zal gebeuren aan de voorkant van het nieuwe gebouw van Dagelijks Leven. Op een afstand van circa 20 meter. Gezien de afstand en de bevoorrading enkel overdag plaats zal vinden zal voldaan worden aan de regels voor geluid door activiteiten uit de bruidsschat. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het bkl en kan ter plaatse van de beoogde woningbouw een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden gegarandeerd.
Binnen het plangebied is een gezondheidscentrum beoogd. Dit is een functie dat past binnen een gemengd gebied met wonen. De bevoorrading zal beperkt zijn en overdag gebeuren en hoofdzakelijk middels licht verkeer. Verder zal voldaan worden aan de regels uit de bruidsschat voor geluid door activiteiten. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het bkl en kan ter plaatse van de beoogde woningbouw een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden gegarandeerd.
Conclusie
Ten aanzien van het aspect geluid kunnen significante nadelige milieugevolgen worden uitgesloten.
Op grond van artikel 5.90, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het verplicht om in het omgevingsplan (of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) rekening te houden met de geur van activiteiten, anders dan wonen, op geurgevoelige gebouwen.
Deze verplichting is aan de orde zowel bij het toelaten van geurveroorzakende activiteiten als bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen. Een geurgevoelig gebouw is:
a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een:
1. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
2. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
3. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;
4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;
b. een ander gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat volgens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt.
Concreet betekent dit artikel dat het gemotiveerd moet worden:
Bij de beoordeling van de geursituatie moet niet alleen gekeken van de geur van de activiteiten afzonderlijk, maar ook gecumuleerd.
Een geurgevoelig gebouw is een gebouw bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. De ontwikkeling voorziet in een geurgevoelig gebouw (woningen). Onderzocht is of er redelijkerwijs sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen dan wel bedrijven op de voorgenomen planlocatie. In de omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. In de omgeving zijn ook geen bedrijven of industrieën aanwezig die geurhinder veroorzaken. Op basis van de geurhinder kaart van de Regio Rijnmond valt het plangebied buiten de geurhinder contouren van de industrieterreinen Botlek en Pernis. Ter plaatse van de beoogde geurgevoelige gebouwen is sprake van een aanvaardbare geur.
Binnen het plangebied zelf worden met de ontwikkeling geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt met significante geur emissies.
Conclusie
Voor het aspect 'Geur' wordt voldaan aan de instructieregels. De ontwikkeling voorziet voor het aspect geur in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat ter plaatse sprake is van een aanvaardbare geur ter plaatse van het plangebied en geen activiteiten mogelijk maakt met significante geur emissies. Aanvullende regels zijn niet noodzakelijk om te voldoen aan etfal en instructieregels.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheids-ambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevings-verordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen.
Toetsing
Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat, is het essentieel om te onderzoeken op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect.
Luchtkwaliteit
Uit de gegevens van het CIMLK (ronde 2024) zijn de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de Planetenlaan in onderstaande tabel weergegeven. In de tabel zijn ook de omgevingswaarden, de strengere luchtkwaliteiteis voor 2030 en de WHO-advieswaarden weergegeven. Uit de gegevens blijkt dat voldaan wordt aan de omgevingswaarden en de luchtkwaliteiteis voor 2030 maar niet voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. Doordat niet voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden kunnen ter plaatse van het plangebied gezondheidsgevolgen als gevolg van de luchtkwaliteit te plaatsen niet volledig uitgesloten worden. Binnen de scope van het plan zijn aanvullende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit niet doelmatig. Wel wordt voldaan aan de omgevingswaarden en luchtkwaliteiteis 2030 en kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar gezien kan worden.
Tabel 4.1 luchtkwaliteit
| Luchtkwaliteit (2023) | Omgevingswaarden | Luchtkwaliteiteis 2030 | WHO-advieswaarden | |
| NO2 | 14,5 µg/m3 | 40 µg/m3 | 20 µg/m3 | 10 µg/m3 |
| PM10 | 15,2 µg/m3 | 40 µg/m3 | 20 µg/m3 | 15 µg/m3 |
| PM2,5 | 7,7 µg/m3 | 25 µg/m3 | 10 µg/m3 | 5 µg/m3 |
Conclusie
Voor het aspect 'Gezondheid' is spraken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Aandachtsgebieden
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Gemeente Nissewaard is gelegen binnen de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht voor NO2 en PM10.
Niet in betekenende mate
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO.) en/of fijnstof (PM..), die deel moeten nemen aan de jaarlijkse monitoring.
Toetsing
Het plan maakt de realisatie van een wegtunnel, autoweg of snelweg niet mogelijk (artikel 5.50 bkl). Wel is de gemeente Nissewaard gelegen binnen de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht voor NO2 en PM10. De ontwikkeling betreft de realisatie van 128 woningen en valt daarmee onder de standaard gevallen 'niet in betekende mate luchtkwaliteit', zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. De artikelen 5.50 en 5.51 uit het bkl zijn niet van toepassing, nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarmee niet noodzakelijk om te voldoen aan de instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht.
Huidige luchtkwaliteit
Omdat nieuwe woningen worden gerealiseerd, is tevens gekeken naar de luchtkwaliteit ter plaatse. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de dichtstbijzijnde weg de Planetenlaan ruimschoots onder de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen ter plaatse van het plangebied in 2023: 14,5 µg/m³ voor NO2, 15,2 µg/m³ voor PM10 en 7,7 µg/m³ voor PM2,5. Het voorgaande betekent dat de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de luchtkwaliteit in de toekomst zeer waarschijnlijk nog verder zal verbeteren door voortschrijdende technologie (zoals vergroening van het wagenpark).
Conclusie
Voor het aspect 'luchtkwaliteit' wordt voldaan aan de instructieregels. De ontwikkeling voorziet voor het aspect luchtkwaliteit in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat ter plaatse sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit ter plaatse van het beoogde woongebied. Aanvullende regels zijn niet noodzakelijk om te voldoen aan etfal en instructieregels.
Toetsingskader
Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(be-oordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:
a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn;
b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.
Toetsing
De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 128 woningen en een gezondheidscentrum. De ontwikkeling kan worden gezien als een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit, te weten categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is in dat geval geen mer-plicht van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling noodzakelijk.
De m.e.r.-beoordeling is als bijlage 10 bij deze motivering opgenomen. Daaruit blijkt dat dit project niet zorgt voor aanzienlijke milieueffecten. Het besluit om geen m.e.r. procedure te doorlopen is opgenomen in bijlage 11.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast.
Gebiedsbescherming Natura 2000
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortenbescherming en gebiedsbescherming. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten.
Natuurnetwerk Nederland
Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het NNN is de achteruitgang van het areaal aan natuur en van de biodiversiteit te stoppen door een samenhangend netwerk van natuurgebieden te creëren. Dit wordt gedaan door natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden door verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende landbouwgronden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het realiseren van dit netwerk. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsverordening regels gesteld dienen te worden die verzekeren dat de kwaliteit en het oppervlak van het NNN niet achteruitgaan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Net als bij Natura 2000-gebieden zorgt de aanwijzing van een gebied als NNN voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden in dat gebied.
Beschermde soorten
Het gebouw op de Galileilaan nummer 5 is reeds gesloopt, voor de opstallen op de nummers 1 en 3 wordt nog een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar beschermde plant- en diersoorten.
Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats is het Natura 2000-gebied 'Voornes Duin, op circa 16 kilometer afstand. (zie figuur 4.1). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland.
Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is een stikstofberekening uitgevoerd (zie paragraaf 4.13).
Figuur 4.1: Natura-2000 gebieden kaart (Ministerie van Economische Zaken, 2018)
Voor de sloop van de opstallen Galileilaan 1 en 3 is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze motivering. De conclusies een aanbevelingen uit deze rapportage zijn als volgt:
Conclusie
Het natuuronderzoek is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek aan het plangebied. Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden.
De ontwikkeling en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit de planlocatie trekken op zoek naar een vervangende biotoop.
Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden.
Aanbeveling
Bouwplaats verlichting is niet noodzakelijk. Wanneer er toch bouwplaats verlichting noodzakelijk is, dan wordt geadviseerd rode of amberkleurige verlichting toe te passen. Hiervoor zijn vleermuizen niet gevoelig. Het aanlichten van de kruinen van de bomen en het water moet ten aller tijden voorkomen worden. Zo wordt het verstoren van een vliegroute of foerageerhabitat van vleermuizen voorkomen.
Toetsingskader
Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Zo'n gevolg hoeft niet significant te zijn. In dat geval is sprake van een 'activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied'. Zo'n activiteit is niet dezelfde als een Natura-2000 activiteit.
Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van 'significant' of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat; afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie; algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten. Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit.
Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Voor de effectbepaling is het uitvoeren van de voortoets de eerste stap. Er zijn drie mogelijke uitkomsten:
i) het plan of project heeft met zekerheid geen negatief effect;
ii) negatieve effecten van het plan of project zijn niet uitgesloten, maar deze effecten zijn niet significant negatief, hetgeen betekent dat de activiteiten het behalen van de instandhoudingsdoelen niet schaden;
iii) het plan of project heeft negatieve effecten én deze zijn significant: één of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad.
De voormalige Wet natuurbescherming is via het aanvullingsspoor beleidsneutraal omgezet in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Hoofdstuk 11 'activiteiten die de natuur betreffen'), zie Aanvullingswet natuur Omgevingswet (Stb. 2020, 310) en Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Stb. 2021, 22). Ook de Spoedwet aanpak stikstof (Stb. 2019,517), Verzamelwet LNV 2021 (Stb. 2021, 27) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stb. 2021, 140) zijn opgegaan in de Omgevingswet.
Toetsing en conclusie
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000-gebieden. Om dit aan te tonen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofberekening met bijbehorende memo is opgenomen in de bijlage 6, 7en 8
Hieruit blijkt dat in Natura 2000 gebieden geen stikstofdepositie wordt waargenomen (0,00 mol/ha/jaar). De uitvoering van het plan zal dus niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan is geen vergunnings- of meldplicht vereist met betrekking tot stikstofdepositie.
Aangetoond is dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet aantast, hiermee voldoet de ontwikkeling aan artikel 10.24 Bkl.
Toetsingskader
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens.
In het omgevingsplan worden beperkingen gesteld met betrekking tot externe veiligheid. Zo wordt de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Ook kunnen in het omgevingsplan aandachtsgebieden en voorschriftengebieden zijn aangewezen in het verband met het groepsrisico. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Er zijn drie typen aandachtsgebieden:
1. brandaandachtsgebied;
2. explosieaandachtsgebied;
3. gifwolkaandachtsgebied.
Toetsing
De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 128 woningen en een gezondheidscentrum. Woningen zijn kwetsbare gebouwen. Een gezondheidscentrum valt onder gezondheidszorg zonder bedgebied dat een kwetsbaar gebouw is. De ontwikkeling voorziet niet in activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Aan de hand van kaarten en data van het Register Externe Veiligheidsrisico's is onderzocht of bij het plangebied externe veiligheid gerelateerde aandachtsgebieden of PR-contouren zijn geprojecteerd. Zie de uitsnede in onderstaande figuur.
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart van Register Externe Veiligheid (bron: Ministerie IenW, 2024) met projectgebied rood omcirkelt.
Van deze kaart valt af te lezen dat er geen externe veiligheid gerelateerde PR-contouren in of nabij het plangebied zijn gelegen. Het projectgebied ligt wel in een gifwolkaandachtsgebied. Het gebied waar rekening moet worden gehouden met het groepsrisico als gevolg van een gifwolk is beleidsmatig afgekapt op 1,5 km (Bkl artikel 5.12, lid 4). De risicobronnen liggen op een grotere afstand dan 1,5 kilometer van het plangebied. In de verantwoording groepsrisico is voor de volledigheid wel nader ingegaan op de ligging in het gifwolkaandachtsgebied.
Instructieregels vanuit de Provinciale Omgevingsverordening
Beschermen van grote groepen mensen (artikel 7.18 omgevingsverordening).
De voorgenomen ontwikkeling ligt in het gifwolk aandachtsgebied van 10 bedrijven van de Rotterdamse haven en de omgeving daarvan. Met toepassing van de afkapregeling uit het Bkl hoeft geen rekening gehouden te worden met dit aandachtsgebied vanaf 1,5 kilometer. Geen van de bedrijven ligt binnen een afstand van 1,5 kilometer van het plangebied. Op basis van de "Handreiking externe veiligheid ter verduidelijking en als handvat bij artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening" geldt dat het plangebied niet ligt in een brand- of explosieaandachtsgebied en is de inschatting dat de ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een situatie met een verhoogd groepsrisico. Hierdoor is een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico voldoende en is een groepsrisicoberekening niet vereist.
(Aanvullende) aandachtsgebieden langs niet-basisnet wegen
De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van de aangewezen wegen uit de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.
Risico's anders dan gevaarlijke stoffen
Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:
Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen.
Daarnaast blijkt aan de hand van de kaarten en data van het Interprovinciaal Overleg (IPO) 2023, dat er in het plangebied geen kwetsbare (natuur)gebieden voor natuurbrand aanwezig zijn. Uit kaarten van Rijkswaterstaat (2022) blijkt dat er ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving sprake is van een kleine kans tot overstroming: 1 op de 300 jaar tot 1 op de 3.000 jaar. Gezien deze kleine kans is nader onderzoek niet benodigd en wordt het risico aanvaardbaar geacht.
Verantwoording groepsrisico
In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Dit advies zal verwerkt worden in deze paragraaf.
Voor de ontwikkeling is vanwege risico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2, Bkl) en de ligging in het gifwolk aandachtsgebied ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten, de bereikbaarheid van het plangebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Galileilaan. Via deze weg kan het regionale wegennet snel bereikt worden. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Verder zijn de regels uit de bruidsschat van toepassing voor een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.
Zelfredzaamheid
In de beoogde situatie zal ter plaatse van het plangebied een woongebied zijn met een gezondheidscentrum. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Sommige patiënten en aanwezige gehandicapten, kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.
Het maatgevende scenario is een incident met toxische stoffen. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Bij dit scenario is zelfredzaamheid alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Mechanische ventilatie dienen dan ook conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) handmatig uitgeschakeld kunnen worden. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen.
Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd door middel van het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Conclusie
Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening omtrent omgevingsveiligheid.
De ontwikkeling is niet in strijd met de ETFAL omdat het gebied geschikt is voor woningbouw en gezondheidscentrum op het gebied van omgevingsveiligheid.
Naast de eisen uit het Bbl is het niet nodig om aanvullende (bouw)eisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico.
Net als geluid kunnen trillingen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Met uitzondering van de trillinghinder veroorzaakt ten gevolge van milieubelastende activiteiten van bedrijven zijn er geen wettelijke normen vastgelegd om trillinghinder te beperken. Het wettelijk kader beperkt zich tot de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waar in het omgevingsplan in ieder geval rekening mee dient te worden gehouden.
Het wettelijk kader laat onverlet dat gemeenten in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook in andere gevallen een afweging maken over de verenigbaarheid van activiteiten die trillingen veroorzaken met functies die trillingen ondervinden. Dat kan betekenen dat voldoende afstand wordt gehouden tussen die activiteiten en die functies, of dat er regels worden gesteld over de activiteiten. In aanvulling op het wettelijk kader kan trillinghinder o.a. ten gevolge van doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen in het omgevingsplan worden geregeld.
Voor spoortrillingen is in 2019 een handreiking opgesteld in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Uit deze Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen volgt onder meer dat de gebruikelijk gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder door spoor wordt getoetst, een zone is tot 100 meter van het spoor. Wanneer klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld daartoe aanleiding geven moet een zone van 250 meter worden aangehouden.
De afstand van 100 meter van trillinggevoelige gebouwen tot een spoorweg wordt in principe ook in Nissewaard aangehouden voor de afweging of nader trilling onderzoek noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek kan, op basis van de eerdergenoemde SBR-richtlijn deel B 'hinder voor personen in gebouwen', een oordeel gegeven worden over de aanvaardbaarheid van de functie op de betreffende locatie.
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van trillingsgevoelige gebouwen. In de directe omgeving van de locatie bevinden zich echter geen spoorwegen of andere bronnen die relevante trillingshinder kunnen veroorzaken. Ook zijn er geen (bedrijfs)activiteiten aanwezig waarvan trillingen tot hinder kunnen leiden bij de beoogde functies. Op basis hiervan is nader onderzoek naar trillinghinder niet noodzakelijk.
Voor het aspect trilling wordt er voldaan aan de geldende instructieregels, er is geen onderzoek noodzakelijk zodoende is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Verkeer en parkeren maakt onderdeel uit van de evenwichtige functietoedeling aan locaties. In de motivering moet – naast het aspect parkeren voor zowel auto's als fietsen – aandacht worden besteed aan de verkeersgeneratie en –veiligheid. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe binnen het planvoornemen hier mee wordt omgegaan.
Uitgangspunt bij beoordeling: STOMP principe
In beginsel worden de aspecten verkeer en parkeren beoordeeld conform het STOMP principe. STOMP staat voor: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto. Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden, daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling, daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling.
Toetsingskader
Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden.
De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisies van provincie Zuid Holland en het “Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, houdende beleidsregels voor de bepaling van voldoende parkeergelegenheid bij besluiten over omgevingsvergunningen” (vanaf nu: het parkeerbeleid) gaan wel op deze aspecten in. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 744). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Aangezien het richtlijnen betreft, kan er onderbouwd worden afgeweken. Daarvoor is specifiek op de ontwikkeling van toepassing zijnde toegesneden informatie van belang.
De ontwikkeling is getoetst aan de volgende normen:
Waar geen normen gelden is de ontwikkeling getoetst aan de richtlijnen uit:
ontsluiting locatie
In figuur 4.3 is de ontsluiting van het plangebied weergegeven.
Voetgangers
De ontwikkeling is centraal gelegen in de wijk Sterrenkwartier. Het Sterrenkwartier kent een aantal voorzieningen, die vanaf de ontwikkeling te voet bereikbaar zijn. Vlak ten noorden van de ontwikkeling is een buurtwinkelcentrum gevestigd waar 2 supermarkten, een bakkerij, afhaalrestaurant en enkele kleinere detailhandelszaken zijn te vinden.
Het plangebied ligt direct naast een park, waar gerecreëerd en gesport kan worden. Ook wordt er in de directe nabijheid van de ontwikkeling basisonderwijs aangeboden.
De voorzieningen die er zijn, zijn via veilige voetpaden te bereiken. Alle straten in de omgeving zijn van trottoirs voorzien. Voor de basisschool en het park hoeft geen straat worden overgestoken. Om het winkelcentrum te bereiken moet de planetenlaan worden overgestoken. Voetgangers hebben hiervoor de beschikking over een voetgangersoversteekplaats in de vorm van een zebrapad. Deze is bovendien op een plateau uitgevoerd, waardoor de snelheid van het autoverkeer wordt geremd, en er geen hoogteverschil overbrugd hoeft te worden. Al met al zijn de voetgangersfaciliteiten goed, en is voor een aantal dagelijkse bestemmingen lopen een relevante vervoerswijze.
Fietsers
Spijkenisse is zo compact, en de ontwikkeling ligt zo centraal in Spijkenisse dat zo goed als alle voorzieningen en arbeidsplaatsen binnen 5 kilometer fietsafstand van de ontwikkeling gelegen zijn. Spijkenisse heeft een uitgebreid netwerk van vrijliggende fietspaden, soms gelegen naast gebiedsontsluitingswegen, maar ook vaak onafhankelijk gelegen.
De meeste voorzieningen zijn in het centrum van Spijkenisse gevestigd, dat binnen 2 kilometer fietsen van de ontwikkeling is gelegen. Fietsers naar het centrum kunnen gebruik maken van de vrijliggende fietspaden Duikerhoek, Antonius van der Nootstraat en Marrewijkpad, waarmee een veilige een aangename route wordt geboden. Er moeten op deze route 2 gebiedsontsluitingswegen worden overgestoken zonder voorrang, de Planetenlaan en de Hekelingseweg. De intensiteit op deze wegen maakt dat de oversteekbaarheid acceptabel is. Op de Hekelingseweg wordt de fietser bij het oversteken geholpen door een middeneiland. Kanttekening is dat de Van der Nootstraat van tegels in plaats van asfalt is voorzien, wat de route minder comfortabel maakt dan mogelijk is.
Fietsers naar bestemmingen aan de zuidkant van het centrum, zoals het ziekenhuis, metro- en busstation of middelbare school ISG De Ring van Putten maken gebruik van de Planetenlaan. Deze weg is niet heel veilig. De maximumsnelheid op de Planetenlaan is 50 km/u, terwijl er geen aparte fietsinfrastructuur is. Er zijn slechts fietssuggestiestroken aanwezig.
Een andere belangrijke bestemming is de dichtstbijzijnde metrohalte Heemraadlaan. De route hiernaartoe is ongeveer 800 meter lang en gaat over de Galileilaan en Saturnusstraat, welke erftoegangswegen zijn met een maximumsnelheid van 30km/u en een lage intensiteit aan gemotoriseerd verkeer hebben. Vanaf de Saturnusstraat kunnen fietsers gebruik maken van een vrijliggend fietspad onder de Heemraadlaan door en dan direct naar de metrohalte. Bij de metrohalte zijn fietsenstallingsvoorzieningen aanwezig. Al met al is de ontsluiting van het plangebied per fiets erg goed.
Openbaar Vervoer
Spijkenisse is aangesloten op het metronetwerk van groot Rotterdam. Vanaf de dichtstbijzijnde halte Heemraadlaan gaan overdag elke 5 minuten via 2 verschillende routes metro's naar Rotterdam. Het centrum van Rotterdam is met de metro in 30 minuten bereikbaar. Steden als Hoogvliet en Schiedam zijn nog sneller bereikbaar. Het busstation In het centrum van Spijkenisse is het centrale busstation voor heel Voorne-Putten. Busdiensten gaan naar plaatsen zoals Brielle en Hellevoetsluis. Ook gaan er bussen naar Goeree-Overflakkee en zelfs tot het Zeeuwse Renesse.
De ontwikkeling is daarmee goed ontsloten met het openbaar vervoer, mits voor het voortransport gebruik gemaakt kan worden van de fiets. De loopafstand naar metro Heemraadslaan (bijna een kilometer) en naar het busstation in het centrum (ongeveer 1,5 kilometer) is voor veel mensen te ver. Dichterbij is alleen de busdienst 'Spijkhopper' beschikbaar. Dit is een busdienst op afroep, welke minimaal 30 minuten voor aanvang van de gewenste rit telefonisch besteld moet worden.
MaaS - deelvervoer
In Spijkenisse is 1 deelauto van Greenwheels beschikbaar, welke gestationeerd is bij metro Heemraadslaan. Deelvervoer speelt daarmee een zeer beperkte rol in de ontsluiting van het plangebied.
Auto
Via de Galileilaan is in ongeveer 300 meter de Heemraadlaan bereikbaar. Via deze weg, en de in het verlengde ervan gelegen Baljuwlaan, N493 en N218 is in ongeveer 8 minuten en 5 kilometer het nationale hoofdwegennet in de vorm van de A15 bereikbaar.
Automobilisten van en naar het centrum en het noorden van Spijkenisse, en verder over de Spijkenisserbrug naar Hoogvliet, zullen vaker de Planetenlaan en de Hekelingseweg gebruiken. De Planetenlaan is een 'grijze weg'. De maximumsnelheid is 50 km/u, maar de weg is niet ingericht als een gebiedsontsluitingsweg. Er zijn bijvoorbeeld geen fietsvoorzieningen (anders dan fietssuggestiestroken), de weg is met een elementenverharding geplaveid, en er zijn veel erftoegangen en parkeervoorzieningen.
Het plangebied is goed met de auto bereikbaar. Kanttekening is dat de wegen van en naar Spijkenisse in de spitsen veel congestie kennen.
Figuur 4.3: Ontsluiting plangebied.
parkeren
Auto
Om te bepalen of er in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien is het programma vermenigvuldigd met de bijbehorende parkeernorm.
Tabel 4.2 Parkeerbalans
| Functie | Norm | programma | Parkeerbehoefte | |
| Woningen | 1,4/ woning | 128 | 179,2 | |
| -waarvan bewoners | 1,1 | 140,8 | ||
| - waarvan bezoekers | 0,3 | 38,4 | ||
| Gezondheidscentrum | 2,2/ behandelkamer | 7 | 15,4 | |
| TOTAAL | 194,6 | |||
Van de parkeerbehoefte van 194,6 plaatsen komt een deel voor dubbelgebruik in aanmerking. Immers niet elke functie zorgt op hetzelfde moment voor parkeerbehoefte. Er worden in de half verdiepte parkeerkelder 65 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zijn alleen beschikbaar voor bewoners, en komen dus niet in aanmerking voor dubbelgebruik. De parkeerbehoefte van (194,6-65 =) 129,6 parkeerplaatsen van bewoners en de parkeerbehoefte van de bezoekers van de woningen, en gezondheidscentrum komen wel voor dubbelgebruik in aanmerking. In tabel 4.3 zijn de relevante aanwezigheidspercentages weergegeven, en in tabel 4.4 is de berekening weergegeven van het aantal openbaar toegankelijke parkeerplaatsen dat moet worden gerealiseerd. Te zien is dat de werkdagavond de grootste parkeerbehoefte genereert, met een behoefte van afgerond 101 parkeerplaatsen.
Tabel 4.3 Relevante aanwezigheidspercentages
| categorie | werkdag ochtend | werkdag middag | werkdag avond | werkdag nacht | zaterdag middag | zaterdag avond |
| woningen bewoners | 50% | 50% | 90% | 100% | 60% | 80% |
| woningen bezoekers | 10% | 20% | 80% | 0% | 60% | 80% |
| gezondheidscentrum | 100% | 75% | 10% | 0% | 10% | 10% |
Tabel 4.4 te realiseren openbare parkeerplaatsen
| categorie | parkeer behoefte | werkdag ochtend | werkdag middag | werkdag avond | werkdag nacht | zaterdag middag | zaterdag avond |
| woningen bewoners | 75,8 | 37,9 | 37,9 | 68,2 | 75,8 | 45,5 | 60,6 |
| woningen bezoekers | 30,7 | 3,8 | 7,7 | 30,7 | 0,0 | 23,0 | 30,7 |
| gezondheidscentrum | 15,4 | 15,4 | 11,6 | 1,5 | 0,0 | 1,5 | 1,5 |
| totaal | 129,6 | 57,1 | 57,1 | 100,5 | 75,8 | 70,1 | 92,2 |
In het plangebied worden 94 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast zijn er langs de oostzijde van de Galileilaan ter hoogte van de ontwikkeling 19 langsparkeerplaatsen aanwezig. Verondersteld kan worden dat een deel hiervan ooit ten behoeve van de gesloopte school zijn gebruikt. De parkeerbehoefte van de oude school bedroeg met zijn 11 leslokalen en een parkeernorm van 0.8 per leslokaal 8.8 parkeerplaatsen. Als deze kunnen worden gesaldeerd met de parkeerbehoefte van de ontwikkeling is dat voldoende om de ontbrekende 7 plaatsen te compenseren.
Fiets
De parkeernormennota kent geen normen of beleid voor fietsparkeren. Om vast te stellen of fietsparkeren voldoende kwantitatief en kwalitatief is opgelost is daarom gebruik gemaakt van de richtlijnen uit de Fietsparkeerkencijfers van het CROW en de Leidraad Fietsparkeren, ook van het CROW. In tabel 4.5 is de fietsparkeerbehoefte berekend voor de ontwikkeling. Omdat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat Spijkenisse een plaats is waar bijzonder veel of weinig van de fiets gebruik wordt gemaakt is het midden van de bandbreedte gekozen. De berekening is apart gemaakt voor bewoners en bezoekers. Berekend is dat er behoefte is aan 428 stallingsplekken voor bewoners en 44 voor bezoekers.
tabel
Tabel 4.5 Berekening fietsparkeerbehoefte
| programma | aantal | per | norm bewoners |
norm bezoekers |
plaatsen bewoners | plaatsen bezoekers |
| Huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo | 26 | woning | 3,25 | 0,25 | 84,5 | 6,5 |
| Huur, appartement, vrije sector, <75 m² bvo |
90 | woning | 3,25 | 0,25 | 292,5 | 22,5 |
| Huur, appartement, vrije sector, 75-100 m² bvo |
12 | woning | 4,25 | 0,25 | 51 | 3 |
| Huisartsenpraktijk (-centrum) | 7 | behandelkamer | 1,05 | 0 | 7,35 | |
| 428 | 39 |
Omdat de maximaal acceptabele loopafstanden klein zijn voor het parkeren van fietsen is het noodzakelijk om bij elk gebouw de benodigde fietsenstallingscapaciteit te realiseren. Dubbelgebruik is daarom niet goed mogelijk, uitgezonderd het gebouw waar de huisartsenpost is gevestigd. Echter aangezien er geen onderzoek bekend is over aanwezigheidspercentages voor bezoekers per fiets, is hier geen berekening van gemaakt.
Dubbelgebruik tussen de bewoners en bezoekers is sowieso niet wenselijk, omdat stallen van fietsen voor bewoners in een afsluitbare en tegen weer en wind beschermde ruimte nodig is, waar bezoekers juist in openbaar toegankelijke buitenruimte hun fiets stallen.
Er zijn voor bewoners 452 stallingsplaatsen beoogd, waarmee in de behoefte wordt voorzien. Voor bezoekers is nog niet duidelijk waar en hoe de stallingsvoorzieningen worden gerealiseerd. Er is in de buitenruimte echter voldoende ruimte om deze stallingen in bijvoorbeeld de vorm van fietsnietjes te realiseren.
Niet duidelijk is of, en zo ja hoe en hoeveel het stallen van enigszins afwijkende fietsen (fietsen met een kratje, kinderzitje of extra breed stuur) of zeer afwijkende fietsen (bakfiets, scooter, fatbike) wordt gefaciliteerd. De fietsenstallingen in de woongebouwen worden bereikt via dezelfde hellingbaan als die waarvan de auto's gebruikmaken naar de halfverdiepte garage. Met een hellingspercentage van 14% zijn deze erg stijl. Meer dan 10% is onwenselijk. In het meest zuidelijke woongebouw worden fietsen op een nog lager niveau gestald. Niet duidelijk is hoe het hoogteverschil vanuit het niveau van de autoparkeergarage naar deze fietsenstalling overbrugd moet worden.
verkeersgeneratie en toedeling
De verkeersgeneratie van de ontwikkeling is berekend met behulp van de kencijfers uit de meest recente publicatie hierover van het CROW (publicatie 744). Er is gebruik gemaakt van de kencijfers voor de rest van de bebouwde kom van een sterk stedelijke gemeente. De kencijfers kennen een bandbreedte. Gezien het gemiddelde autobezit in Spijkenisse in vergelijking met andere gemeenten met een vergelijkbare stedelijkheidsgraad, is het midden van de bandbreedte van de CROW-kencijfers gekozen. Berekend is dat de ontwikkeling op weekdagen 822 en op werkdagen 893 ritten genereert.
Tabel 4.6 verkeersgeneratie
| Functie | Programma | Per | Kencijfer CROW |
Mvt/ weekdag- etmaal |
Mvt/ werkdag- etmaal |
| Koop, appartement, <75 m² bvo | 107 | woning | 4,9 | 524,3 | 582,0 |
| Koop, appartement, 75-100 m² bvo | 20 | woning | 5,6 | 112,0 | 124, |
| Koop, appartement, >100 m² bvo | 1 | woning | 7 | 7,1 | 7,9 |
| Gezondheidscentrum | 7 | behandelkamer | 25,5 | 178,5 | 178,5 |
| Totaal | 822 | 893 |
Verkeer van en naar het westen van Voorne-Putten, en naar de oprit van de A15 zal rijden via de Heemraadlaan, ten zuiden van het projectgebied. Verkeer van en naar het centrum van Spijkenisse en naar Hoogvliet zal via de Planetenlaan rijden. De door de ontwikkeling veroorzaakte verkeersbewegingen zijn weergegeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4: Verkeersbewegingen
effecten verkeersafwikkeling en -veiligheid
Voetgangers
De toevoeging van een gezondheidscentrum aan de buurt zorgt ervoor dat voor de hele buurt de ontsluiting te voet verbetert. Immers er is nu geen huisarts in de buurt, dus moeten buurtbewoners nu nog voor een bezoek aan een gezondheidscentrum zo ver reizen dat te voet gaan geen realistische optie is.
Fietsers
Op fietsverkeer heeft de ontwikkeling in zoverre invloed dat de intensiteit aan gemotoriseerd verkeer toeneemt op wegvakken waar fietsers de weg delen met gemotoriseerd verkeer. Op erftoegangswegen zoals de Galileilaan of de Mercuriusstraat is dit acceptabel mits de intensiteit beperkt blijft tot circa 4.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal. Bij deze aantallen is het verkeer op erftoegangswegen veelal vlot en veilig af te wikkelen. Dit is het geval; op het drukste punt van de Galileilaan, vlak bij de kruising met de Heemraadlaan zal de intensiteit toenemen van ca. 900 motorvoertuigen per etmaal tot ruim 1.300 motorvoertuigen per etmaal.
De planetenlaan is een grijze weg met een maximumsnelheid van 50 km/u. De autonome intensiteit op deze weg loopt van het westen naar het oosten op van 2.100 tot 3.200 motorvoertuigen per etmaal. Met de ontwikkeling loopt deze op tot tussen de (2.100 + 421 =) ruim 2.500 tot (3.200 + 421 =) ruim 3.600 motorvoertuigen per etmaal.
Met elke intensiteit is een situatie als op de Planetenlaan onwenselijk omdat niet aan de richtlijnen van Duurzaam Veilig wordt voldaan dat op 50 km/u-wegen aan- of vrijliggende fietsvoorzieningen het uitgangspunt zijn. Echter met zowel de bestaande als toekomstige intensiteiten is de situatie niet onacceptabel, gezien de beperkte omvang van het gemotoriseerde verkeer. Als onderbouwing daartoe kan worden aangedragen dat op erftoegangswegen buiten de bebouwde kom (met een maximumsnelheid van 60 km/u) een weg met fietsstroken tot een intensiteit van ca. 3.000 mvt/etmaal nog als acceptabel gezien, op een groot deel van de Planetenlaan zal de intensiteit, bij een lagere maximumsnelheid, lager liggen. Een en ander neemt niet weg dat aanpassingen aan de Planetenlaan gewenst zijn. Enkele eenvoudige ingrepen maken de situatie veilig, namelijk een verlaging van de maximumsnelheid tot 30km/u en het weghalen van de asmarkering.
Openbaar Vervoer
De ontwikkeling heeft geen invloed op de afwikkeling van het openbaar vervoer.
MaaS - deelvervoer
De ontwikkeling heeft geen invloed op de afwikkeling via MaaS.
Auto
De straten waarover het verkeer van en naar de ontwikkeling afwikkelt zijn geschikt om de verkeersgeneratie tot de Heemraadslaan en tot de Hekelingseweg vlot en veilig te verwerken. Vanaf deze wegen maakt de verkeersgeneratie zo'n beperkt deel uit van het verkeer dat er geen merkbaar effect meer is. Daarmee heeft de ontwikkeling geen nadelig effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het autoverkeer.
Conclusie
Er zijn voldoende auto- en fietsparkeerplaatsen beoogd om in de stallingsbehoefte van bewoners te voorzien. Aangetoond moet nog worden of deze plaatsen van voldoende kwaliteit zijn en op acceptabele wijze bereikbaar zijn. Voor het stallen van fietsen van bezoekers moet ook nog worden aangetoond hoe dit wordt gefaciliteerd. Er is hiervoor voldoende ruimte.
De ontwikkeling heeft geen onacceptabele negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de straten waarover het wordt afgewikkeld. De Planetenlaan is weliswaar niet optimaal veilig, maar dat is een probleem dat al in de huidige situatie bestaat, en niet door de ontwikkeling wordt veroorzaakt.
Toetsingskader
Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het project op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is.
Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren.
Waterschap Hollandse Delta
Gemeente Nissewaard ligt binnen het beheersgebied van waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is de waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder voor alle binnendijkse oppervlaktewateren aan de linker Maasoever. De gemeente heeft hiervoor het waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld, vastgesteld op 10 november 2021. In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijven ze de doelen die ze tijdens de planperiode 2022-2027 willen bereiken voor de primaire taken water-veiligheid, watersysteem en waterketen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities gesteld voor de langere termijn (2050).
Waterschapsverordening
Afdeling 2.6 Versneld afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam via nieuw verhard oppervlak
De versnelde afvoer als gevolg van een toename van verharding van minder dan 500m2, heeft een dusdanig klein effect op het watersysteem dat deze zijn vrijgesteld van compensatie.
Artikel 2.42 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in stedelijk gebied hemelwater versneld af te voeren van een nieuw verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam, als het totaal aan nieuw verhard oppervlak meer bedraagt dan 500 m2.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in landelijk gebied hemelwater versneld af te voeren van een nieuw verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam, als het totaal aan nieuw verhard oppervlak meer bedraagt dan 500 m2.
3. Het beoordelingsoppervlak voor elke aanvraag is gelijk aan het plangebied per ontwikkeling waarbinnen de toename van verharding plaatsvindt;
a. Bij ontwikkelingen waarbij de toename aan verhard oppervlak volgt uit een wijziging van de bestemming in het Omgevingsplan, geldt het plangebied in de wijziging van het Omgevingsplan als beoordelingsoppervlak;
b. Bij ontwikkelingen waarbij de toename aan verhard oppervlak past binnen de bestaande bestemming in het Omgevingsplan, geldt als beoordelingsgebied het te herstructureren plangebied.
4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning hemelwater af te voeren van een nieuw verhard opper-vlak naar een oppervlaktewaterlichaam, als het nieuw verhard oppervlak een deeluitbreiding betreft van een groter planologisch geheel waarvoor reeds een vergunning is verleend of melding is gedaan op grond van deze verordening.
(geo)Hydrologische aspecten
Navolgend wordt in het kort de regionale geohydrologische situatie van het plangebied beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer (peilbeheer en aan- en afvoer van water), waterveiligheid en riolering.
Hoogteligging
Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van 1,90 tot 1,60 meter onder NAP. In onderstaande figuur is een uitsnede van het AHN weergegeven.
Figuur 4.5: Uitsnede AHN4
Bodemopbouw
Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van Spijkenisse ligt is het plangebied niet gekarteerd op de bodemkaart van Nederland. In de omgeving bestaat de bodem, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een kalkrijke drechtvaaggronden. Op basis van een op locatie uitgevoerd verkennend bodemonderzoek van RSK blijkt de bovengrond tot circa 1,0 m-mv hoofdzakelijk is opgebouwd uit zand. Hieronder is tot de maximale boordiepte van 3,2 m -mv afwisselend zand en klei en veen aangetroffen.
Grondwater
Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).
Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Op basis van de beschikbare literatuurgegevens kunnen derhalve geen uitspraken worden gedaan omtrent de GHG of GLG. De KlimaatEffectAtlas (KEA) gaat voor het plangebied uit van een GHG die is gelegen tussen de 0,40 en de 0,80 m -mv en een GLG die ligt tussen de 1,5 en 2,0 m -mv. De Grondwaterspiegelkaart van het Broloket gaat uit van een GHG op ca. 0,70 m -mv en een GLG van 1,5 m -mv. Naar verwachting wordt de lokale grondwaterstand en fluctuatie sterk beïnvloed door het waterpeil in het oppervlaktewater.
Watergangen
Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem.
Op de leggerkaart van waterschap Hollandse Delta zijn de in de directe omgeving van het plangebied gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Ten oosten van het plangebied ligt een sloot in onderhoud van de gemeente Nissewaard. De sloot kent een beschermingszone van 2 meter.
Figuur 4.6: Uitsnede legger oppervlaktewateren (bron: waterschap Hollandse Delta)
Watersysteem en ecologie
Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.
Peilbeheer
Het plangebied is gelegen in peilgebied 6.16 uit het Peilbesluit Putten. In dit peilgebied geldt een vastpeil of te wel rekenpeil van 2,80 m -NAP.
Veiligheid (waterkering)
In de waterschapsverordening is de ligging van waterkeringen vastgelegd. Uitgangspunt bij het vaststellen van de beleidsregels voor waterkeringen is te borgen dat de waterkeringen veilig zijn en blijven (goede staat en werking) en dat het waterschap zijn zorgplicht/ beheertaak zo efficiënt mogelijk kan blijven uitvoeren.
Het plangebied ligt niet in de beschermingszone of kernzone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.
Verhard oppervlak en bergingsopgave
In de huidige situatie bestaat het plangebied grotendeels uit schoolgebouwen en schoolpleinen. Het overgrote deel van het plangebied is verhard met aan de randen van de percelen een groenstrook. Het planvoornemen betreft de realisatie van 128 woningen en een gezondheidscentrum met binnen ruimtes voor groen. Met de ontwikkeling zal de verharding afnemen met 6 vierkant meter. De berekening van het bestaand verhard oppervlak is op basis van de BGT (bron Pdok.nl)
Figuur 4.7: Toename aan verharding.
Met de afname aan verharding wordt bijgedragen aan de klimaat adaptatie. Watercompensatie is voor de ontwikkeling niet noodzakelijk.
Waterhuishouding
In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat de locatie het waterschapsbelang raakt en een korte procedure benodigd is. Contact met het waterschap is noodzakelijk. Het resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in Bijlage 9.
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Hemelwater
De ontwikkeling wordt klimaatbestendig en waterrobuust. Dat betekent dat de bebouwing en de openbare ruimte zijn voorbereid op de gevolgen van het veranderende klimaat zoals hittestress, wateroverlast en droogte, nu en in de toekomst. Voorkomen wordt dat negatieve effecten van de ontwikkeling worden afgewenteld op de omliggende wijken. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) dan ook gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt.
Beschermingszones en waterkeringen
Het plangebied ligt voor een deel in de beschermingszone van een watergang. In dit plan geldt hier een groen bestemming. Voor eventuele werkzaamheden in deze beschermingszones zal een watervergunning aangevraagd moeten worden in het kader van de waterschapsverordening.
Kwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Vuilwater
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterbeleid wordt een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Conclusie
De ontwikkeling wordt klimaatbestendig en waterrobuust. Voorkomen wordt dat negatieve effecten van de ontwikkeling worden afgewenteld op de omliggende wijken. Daarnaast grenst het plangebied aan beschermingszone van een watergang. Voor eventuele werkzaamheden in deze beschermingszones zal een watervergunning aangevraagd moeten worden in het kader van de waterschapsverordening. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.
Inleiding
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling aan de Galileilaan en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Voor de planregels zijn de modelregels van de gemeente Nissewaard als basis gehanteerd.
Het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b Galileilaan' bestaat uit de volgende onderdelen:
De motivering
In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De regels
De regels worden zoals gezegd opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. De regels bevatten onder andere de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan.
De digitale verbeelding
Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies. Deze worden in paragraaf 5.2 nader toegelicht. Daarnaast zijn diverse werkingsgebieden opgenomen, gekoppeld aan specifieke regels.
Opzet van het plan
Het omgevingsplan bevat regels, die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels gericht op het mogelijk maken van een gebiedsontwikkeling. Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de modelregels van de gemeente Nissewaard. Hiermee wordt de rechtseenheid binnen het tijdelijke omgevingsplan bevorderd.
Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten
De voor de functie 'Groen' aangewezen gronden zijn de volgende activiteiten toegestaan: groenvoorzieningen, fiets en / of voetpaden, sportvoorzieningen, speelvoorzieningen en hierbij passende, openbare verblijfsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen en watergangen en bij deze functies en/of activiteiten behorende voorzieningen, zoals straatmeubilair, reclameborden, kunstwerken, parkeervoorzieningen, abri's en nutsvoorzieningen.
Bouwactiviteiten zijn slechts beperkt en met een omgevingsvergunning toegestaan.
Er zijn ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - balkons toegestaan' balkons toegestaan met een maximale diepte van 3 meter.
De voor de functie 'Verkeer -2' aangewezen gronden zijn de volgende activiteiten toegestaan: verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen, bij deze functies en/of activiteiten behorende voorzieningen zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, ondergrondse afvalcontainers, reclameborden, speel en nutsvoorzieningen, abri's, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen.
Bouwactiviteiten zijn slechts beperkt en met een omgevingsvergunning toegestaan.
Er zijn ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - balkons toegestaan' balkons toegestaan met een maximale diepte van 3 meter.
De functie Wonen-1 is opgenomen voor de woongebouwen en de omliggende gronden met de daarbij behorende tuinen en erven en in samenhang daarmee de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
In het plangebied zijn maximaal 128 woningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'gezondheidszorg' is tevens een gezondheidscentrum van maximaal 550 m² toegestaan.
Ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" mogen meergezinsgebouwen (appartementen) worde gebouwd.
Er is een regeling opgenomen dat aan het gezamenlijke geluid moet worden voldaan.
Artikel 10 Waarde - Archeologie 3
Ter bescherming van mogelijke archeologische sporen in de bodem kan via de regels in bepaalde gebieden voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend de verplichting worden opgelegd om vooraf archeologisch onderzoek te verrichten en afhankelijk van de uitkomst daarvan nadere voorwaarden te stellen.
Ook het uitvoeren van nader genoemde activiteiten mogen ook slechts plaatsvinden na het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden.
Genoemde verplichtingen ontstaan wanneer de (bouw)activiteiten dieper reiken dan in de regels genoemde diepte en meer dan daar genoemd terreinoppervlak beslaan.
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 12 Algemene bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 13 Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn regels voor gebruiksactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 14 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel is een regeling opgenomen om algemene afwijkingen door middel van een omgevingsvergunning toe te kunnen staan.
In dit artikel zijn regels ten aanzien van het overgangsrecht voor zowel het gebruik als bouwwerken opgenomen.
Kostenverhaal is verplicht
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwwerkzaamheden uit te voeren.
Kostenverhaalplichtige activiteiten
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:
Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Aangewezen bouwactiviteiten zijn bijvoorbeeld het bouwen van woningen, bedrijfspanden, kantoren en winkels. Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
De kostenverhaalplicht geldt alleen bij het juridisch-planologisch toelaten van nieuwe bouwmogelijkheden. Dus het toelaten van nieuwe bouwmogelijkheden met een wijziging van het omgevingsplan, het vaststellen van een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuw toegelaten bouwactiviteit moet onder de omschrijving van een van de kostenverhaalplichtige activiteiten vallen die in artikel 8.13 Omgevingsbesluit zijn aangewezen. Dan is sprake van een kostenverhaalplichtige activiteit.
Doorwerking besluitgebied
Er is sprake van een kostenverhaalsplichtige activiteit. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd.
De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.
Het participatietraject is vastgelegd in het participatieverslag (bijlage 12 bij deze motivering) hieronder is de belangrijkste uitsnede van het participatieverslag opgenomen.
Aanpak participatieproces
De invulling van de participatie is gebeurd door middel van het houden van een tweetal informatieavonden. De eerste informatieavond vond plaats op 23 februari 2023. De tweede op 11 september 2025. Deze informatieavonden hadden het karakter van een inloopavond, zodat het laagdrempelig is voor de bezoekers. Tijdens de bijeenkomsten zijn door middel van verschillende panelen de plannen gepresenteerd. De getoonde presentatiepanelen geven een goed beeld van de plannen en laten onder andere de volgende zaken zien:
Op de avonden waren vertegenwoordigers van de gemeente, de architect en de ontwikkelaar aanwezig om verder uitleg te kunnen geven indien dat nodig was. De informatieavonden zijn gehouden in de burgerzaal van het gemeentehuis in Spijkenisse. Op beide avonden waren ongeveer 50 mensen aanwezig. De algemene tendens van de avonden was positief. Men zien de beoogde plannen als een kwaliteitsimpuls voor de wijk.
Bereik doelgroep
De gemeente heeft het gebied vastgesteld waarbinnen de uitnodigingen voor de informatieavonden zijn verspreid. Het gaat om 594 adressen. Figuur 7.1 geeft weer waarbinnen de uitnodigingen zijn verspreid.
Figuur 7.1: Bereik doelgroep
Informatieavond 1: d.d. 23 februari 2023
Terugkoppeling/reacties vanuit de bezoekers op de informatieavond 1
Belangrijke thema's
Verwerking terugkoppeling/reacties
Alle bovengenoemde zaken zijn meegenomen in de planuitwerking of worden meegenomen in het ontwerp van de uiteindelijke gebouwen.
De eerste rij bomen aan de Galileilaan blijven behouden.
Informatieavond 2: d.d. 11 september 2025
Terugkoppeling/reacties vanuit de bezoekers op de informatieavond 2
De reacties zijn als volgt onder te verdelen:
Verwerking van de feedback
Bovengenoemde reacties worden meegenomen bij de verdere planuitwerking. In de bijlage bij het participatieverslag. staat uitgebreid omschreven op welke wijze de genoemde reacties worden meegenomen of verwerkt.
Vervolgtraject participatie
Voor dit project wordt er opgewerkt naar de indiening van een TAM-IMRO procedure. Hierbij zal de participatie met name bestaan uit het informeren van de omwonenden.
Wanneer de realisatie van het planlocatie dichterbij komt zal er met de gemeente overleg worden gevoerd op welke wijze de omwonenden geïnformeerd worden. Daarnaast kan ervoor gekozen worden om een klankbordgroep in te stellen voor het afstemmen van een aantal praktische zaken (o.a. route bouwverkeer).
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan moet overleg worden gevoerd met bestuursorganen en instanties die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan (mogelijk) in het geding zijn, zoals de provincie en het waterschap.
De stukken behorende bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan worden aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan wordt bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien door de gemeente. Het omgevingsplan wordt vervolgens, al dan niet na het doorvoeren van aanpassingen, gewijzigd door de gemeenteraad.
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft zes weken (tot en met 9 januari 2026) ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Er is één zienswijze ingediend.
De zienswijze is samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien in de Nota van beantwoording zienswijze (bijlage 13). In deze nota is tevens een conclusie opgenomen of de zienswijze al dan niet heeft geleid tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan.