direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b Galileilaan
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1930.022bTAMGalileilaan-3001

Regels

Préambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Galileilaan te Spijkenisse en is als een nieuw hoofdstuk hoofdstuk 22b opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22b gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22b gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Doelen

  • 1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Nissewaard als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  • 2. De gemeente Nissewaard staat voor een nieuwe periode van groei waarin behoefte bestaat aan het realiseren van nieuwe woningen in verschillende woonmilieus.

Artikel 2 Begrippen

2.1 Algemene begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn overeenkomstig van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in lid 2.2 daarvan is afgeweken.

2.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen.

2.2.1 antenne-installatie

Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de wel of niet in de techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

2.2.2 antennedrager

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de vestiging van een antenne;

2.2.3 bestaand

  • a. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning;
  • b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen.

2.2.4bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.2.6 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.2.7 erf

al dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct behoort bij, in functioneel opzicht ten dienste staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat, blijkens de kadastrale gegevens behoort tot het bouwperceel waarop dat gebouw is geplaatst.

2.2.8 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.2.9 hoofdgebouw

een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

2.2.10 huishouden

van een huishouden is sprake wanneer een persoon dan wel personen in een zekere continue samenstelling met elkaar wonen en deze personen bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar hebben.

2.2.11 inwoning/hospitaverhuur

de gedeeltelijke verhuur van een woning inclusief aangebouwde bijgebouwen via kameruitgifte, waarbij:

    • 1. de huurder bij de verhuurder inwoont, en;
    • 2. de kamers geen zelfstandige woonruimte vormen doordat daarin wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet ontbreken, en;
    • 3. maximaal één kamer aan maximaal één persoon wordt verhuurd, en;
    • 4. verhuurder en huurder gebruik maken van eenzelfde toegang tot de woning.

2.2.12 kamergewijze verhuur

het gebruik van (delen van) een woning voor de huisvesting van meerdere personen die niet één gezamenlijk huishouden vormen, waarbij sprake is van onzelfstandige woonruimten;

2.2.13 kamerverhuurbedrijf

een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was kamers worden verhuurd, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen;

2.2.14 nutsvoorzieningen

de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

2.2.15 onzelfstandige bewoning

bewoning van een woning door meerdere huishoudens, niet zijnde inwoning/hospitaverhuur, waarbij de huishoudens niet elk de beschikking hebben over een eigen kook- en wasgelegenheid en/of toilet;

2.2.6 overkapping

een bouwwerk voorzien van een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand.

2.2.17 wonen

het gebruiken van een woning of wooneenheid voor het huisvesten van niet meer dan één huishouden.

2.2.18 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

2.2.19 woningsplitsing

het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer zelfstandige woningen.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het vierde lid.
  • 2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het bestemmingsplan 'Parkeren & laden en lossen' met identificatienummer 'NL.IMRO.1930.BPParkeren-3001'.
  • 3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het vierde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 4. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Galileilaan te Spijkenisse, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand d NL.IMRO.1930.022bTAMGalileilaan-3001.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.2 tot en met 4.6.

4.1 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, (ketelhuizen, condensors, luchtkokers, liftkokers, lichtkoepels) en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.2 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.3 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.4 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk.

4.5 Bebouwd oppervlak van een bouwperceel

Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte.

4.6 Peil
  • a. voor een gebouw op een perceel, waarvan de hoofdtoegang aan een weg, pad of stoep grenst: de hoogte van die weg, dat pad of die stoep ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg, pad, of stoep grenst: de hoogte van het oorspronkelijke afgewerkte maaiveld ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor een bouwwerk waarbij geen sprake is van een toegang: het gemiddelde afgewerkte maaiveld ter plaatse van dat bouwwerk;
  • d. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.

7.2 Functieomschrijving
7.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies en zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. fiets en / of voetpaden;
  • c. sportvoorzieningen, speelvoorzieningen en hierbij passende, openbare verblijfsvoorzieningen;
  • d. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - balkons toegestaan' zijn balkons toegestaan met een maximale diepte van 3 meter;
  • e. bijbehorende verhardingen en watergangen;
  • f. bij deze functies en/of activiteiten behorende voorzieningen, zoals straatmeubilair, reclameborden, kunstwerken, parkeervoorzieningen, abri's en nutsvoorzieningen.
7.3 Bouwactiviteiten gebouwen
7.3.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels:

Gebouwen (uitsluitend abri's en nutsgebouwen)

  • a. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • b. de maximale inhoud bedraagt niet meer dan 40 m³;

bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten 9 m;

    • 1. bouwhoogte van speeltoestellen maximaal 4 m;
    • 2. bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 m.
7.4 Vergunningplichtige activiteiten
7.4.1 Grotere omvang nutsgebouw
  • a. Het is verboden op of in de gronden aangewezen als 'Groen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een nutsgebouw met een grotere inhoud tot 60 m3 te bouwen;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. verkeersveiligheid;
    • 4. sociale veiligheid;
    • 5. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 8 Verkeer -2

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Verkeer -2'.

8.2 Functieomschrijving
8.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Een als 'Verkeer -2' aangewezen locatie heeft de volgende functies en zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
  • b. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - balkons toegestaan' zijn balkons toegestaan met een maximale diepte van 3 meter;
  • c. bij deze functies en/of activiteiten behorende voorzieningen zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, ondergrondse afvalcontainers, reclameborden, speel en nutsvoorzieningen, abri's, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen.
8.3 Bouwactiviteiten
8.3.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels:

Gebouwen ( abri's en nutsgebouwen)

  • a. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • b. de maximale inhoud bedraagt niet meer dan 40 m³;

bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten 9 m;

1. bouwhoogte van speeltoestellen maximaal 4 m;

2. bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 m.

8.4 Vergunningplichtige activiteiten
8.4.1 Grotere omvang nutsgebouw
  • a. Het is verboden op of in de gronden aangewezen als 'Groen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een nutsgebouw met een grotere inhoud tot 60 m3 te bouwen;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. verkeersveiligheid;
    • 4. sociale veiligheid;
    • 5. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 9 Wonen -1

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen -1'.

9.2 Functieomschrijving
9.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Een als 'Wonen - 1' aangewezen locatie heeft de volgende functies en zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. wonen met een maximum van 128 woningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'gezondheidszorg' tevens een gezondheidscentrum ten behoeve van de lichamelijke en/of geestelijke gezondheid en de daaraan gelieerde functies;
  • c. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, zoals genoemd in milieucategorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' voor zover:
    • 1. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 30% van het vloeroppervlak van de woning (inclusief de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen) met een maximum van 25 m²;
    • 2. de woning mag hierdoor niet, c.q. niet in betekende mate het karakter van een woning verliezen;
    • 3. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
    • 4. de activiteit mag geen onevenredige afbreuk doen aan het woonklimaat in de directe omgeving en mag niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop, die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • d. bij deze functies en activiteiten behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen.

9.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten

De volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden:

  • a. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor kamerverhuur;
  • b. het in gebruik nemen van de woning of delen van de woning als een kamerverhuurbedrijf is niet toegestaan.
9.3 Bouwactiviteiten
9.3.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels:

Hoofdgebouwen

  • a. de hoofdgebouwen dienen uitsluitend binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. het totaal aantal woningen binnen het plangebied mag niet meer bedragen dan 128;
  • c. de totale oppervlakte van het gezondheidscentrum mag niet meer bedragen dan 550m²;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen gestapelde woningen worden gebouwd;
  • e. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de hoogte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'.

Bijbehorende bouwwerken

  • a. bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend vanaf 1 meter achter de voorgevel of het denkbeeldige verlengde daarvan, op het bouwperceel van de bijbehorende woning toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. het gezamenlijk te bouwen oppervlak aan bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 50% van de bij het hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf bedragen met een maximum van 50 m², met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlak van ten minste 25 m² van het zij- en achtererf tezamen onbebouwd en onoverdekt dient te blijven;

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

  • a. voor de voorgevel of het denkbeeldige verlengde daarvan, mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van schotelantennes, ongeacht of zij op of aan bouwwerken worden gebouwd bedraagt ten hoogste 3 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
9.4 Specifieke bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende specifieke beoordelingsregels voor gebouwen.

9.4.1 Specifieke beoordelingsregel geluidshinder
  • a. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt alleen verleend, indien de geluidsbelasting op een gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van weg- en railverkeer ten hoogste de standaardwaarden zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedraagt.
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat een hogere geluidsbelasting als gevolg van weg- en railverkeer is toegestaan mits het gebouw beschikt over:
    • 1.   ten minste 1 geluidluwe gevel; slaapkamers dienen zoveel mogelijk aan deze geluidsluwe zijde te liggen.
    • 2.    Indien het geluidsgevoelig gebouw beschikt over een buitenruimte, dan dient het gebouw te beschikken over een geluidsluwe buitenruimte. van de voorwaarde zoals bedoeld onder b1 kan worden afgeweken als uit een te overleggen akoestisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de geluidsbelasting niet meer bedraagt dan 5dB boven de standaardwaarden zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • c. Van de voorwaarde zoals bedoeld onder b2 kan worden afgeweken als er compensatie getroffen wordt voor het gemis van een luwe buitenruimte bijvoorbeeld in de vorm van een gemeenschappelijk luwe buitenruimte of een nabijgelegen luwe groenzone.
  • d. Een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt voorzien van voldoende geluidwering op basis van het bepaalde gezamenlijk geluid op de gevel. [Bbl: artikel 4.103] [Bkl: artikel 5.66, lid 1, onder b; artikel 5.67, lid 2, onder a; artikel 5.73, lid 1, onder b].

9.5 Vergunningplichtige activiteiten
9.5.1 Grotere oppervlakte bijbehorende bouwwerken
  • a. Het is verboden op of in de gronden aangewezen als 'Wonen -1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 50 m²;
  • b. De onder sub a genoemde omgevingsvergunning wordt verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 3. het gezamenlijk te bouwen oppervlak ten hoogste 50% van de bij het hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf bedraagt.

9.5.2 Andere vorm van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
  • a. Het is verboden op of in de gronden aangewezen als 'Wonen -1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een activiteit te verrichten van een bedrijf of activiteit, die niet voorkomt in de tot het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging':
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. de activiteit naar aard en invloed op de omgeving overeenkomt met de toegelaten milieucategorie;
    • 2. vooraf een milieudeskundige hierover is gehoord.

9.5.3 Kleinschalige bedrijfsactiviteiten
  • a. Het is verboden op of in de gronden aangewezen als 'Wonen -1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een activiteit te verrichten van een bedrijf of activiteit, die valt in de categorie B1 in de tot het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging':
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. de bedrijfsactiviteiten naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in milieucategorie A van de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging';
    • 2. vooraf een milieudeskundige hierover is gehoord.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 3

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 3'.

10.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde – Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

10.3 Bouwen
  • a. binnen de voor 'Waarde – Archeologie 3' aangewezen gronden is het verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan;
  • b. de omgevingsvergunning wordt verleend wanneer in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde: van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

10.4 Het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden

10.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan:

  • a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, afgraven;
  • e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

10.4.2 Uitzonderingen

Het in 10.4.1 vervatte vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden;
  • b. voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • c. voor bestaande weg- en leidingcunetten.

10.4.3 Beoordelingsregels
  • 1. Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overlegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde: van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. .
  • 2. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval de volgende voorschriften verbonden worden:
    • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Overschrijding bouwgrenzen en hoogtematen

De bouwvlakken, niet zijnde functiegrenzen, mogen in afwijking van het aangeduide en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:

  • a. tot hoofdgebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2 m bedraagt;
  • b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag worden overschreden door schoorstenen, antennemasten, installaties voor de benutting van zonne-energie en andere ondergeschikte bouwdelen.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 Strijdig gebruik

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken voor een doel of op een wijze, strijdig met de aan de grond gegeven functies en activiteiten. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. de opslag van oude metalen, schroot, lompen, papier, puin of vuilnis;
  • b. de opslag van rij- of voertuigen, die voor de sloop bestemd zijn, of reeds gedeeltelijk gesloopt zijn, of daaruit reeds gesloopte materialen;
  • c. het gebruik van vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen ten behoeve van zelfstandige bewoning;
  • d. standplaats voor onderkomens, uitgezonderd kampeerwagens en tenten indien gelijktijdig niet meer dan één kampeerwagen en/of tent per bouwperceel wordt/worden geplaatst en deze niet voor bewoning wordt/worden gebruikt;
  • e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting is verboden.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

14.1 Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages
14.1.1 Afwijking bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit hoofdstuk 2 voor:

a. overschrijding van de toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 10% van die afmetingen, maten en percentages.

14.1.2 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning genoemd onder 14.1.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:

a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.

14.2 Afwijken toegestane bouwhoogte techniek
14.2.1 Afwijken bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit hoofdstuk 2 voor:

a. overschrijding van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, ten behoeve van technische voorzieningen op het dak, welke noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, antennemasten, luchtverversingsapparatuur, glazenwas installatie e.d.

14.2.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 14.2.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:

a. er vindt geen onevenredige geen onevenredige aantasting plaats van het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.