direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Het voornemen van gemeente Nissewaard is om maximaal 1.700 woningen te realiseren, woningbouwontwikkeling Haven Noord, op de locatie van een verouderd bedrijventerrein. Dit bedrijventerrein is gelegen nabij de Spijkenisserbrug, langs de Groene Kruisweg in Spijkenisse. Het terrein kent een weinig representatieve uitstraling. De ontwikkeling van dit woongebied sluit aan op de al eerder gerealiseerde plannen "De Haven" en "De Dijk en Het Land". Gezien het grote aantal woningen dat hier mogelijk gemaakt wordt, levert dat plan een aanzienlijke bijdrage aan de woningbouwambities van Nissewaard. Daarnaast krijgt een van de entrees van Nissewaard een fraaiere aanblik. De provincie Zuid-Holland heeft in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening opgenomen dat verlies aan de bedrijfsgrond, voor zover daar minimaal milieucategorie 3.1 wordt mogelijk gemaakt, gecompenseerd dient te worden. De gemeente Nissewaard is voornemens om het huidige bedrijventerrein Halfweg richting het westen uit te breiden. De uitbreiding van het bedrijventerrein voorziet in de compensatieopgave ten behoeve van de woningbouwontwikkeling Haven Noord.


De toekomstige uitbreiding heeft een oppervlakte van circa 46.600 m². De ontwikkeling bestaat uit diverse uitgeefbare kavels, waaronder één locatie voor de netbeheerder Stedin is. Hier komt een 25/10 kV transformatorstation. Vanwege de bestaande netcongestie, moet het transformatorstation al op korte termijn worden gerealiseerd. De ontwikkeling van het transformatorstation en de bijbehorende infrastructuur wordt in de planning naar voren gehaald door de noodzaak van energievoorziening in en in de omgeving van het plangebied. Het transformatorstation en bijbehorende infrastructuur worden mogelijk gemaakt door een andere procedure, een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om sneller te kunnen realiseren, het projectgebied van deze procedure is getoond in Figuur 1 2. De realisatie van het transformatorstation en de bijbehorende infrastructuur zijn tevens een onderdeel van het plangebied van voorliggende wijziging van het omgevingsplan. Het plangebied van voorliggende motivering wordt getoond in Figuur 1 1.


Op de overige kavels worden diverse bedrijven gerealiseerd. De oppervlakte van uitgeefbaar terrein van de overige kavels (zonder de kavel van Stedin) is circa 37.500 m². Ook voorziet de ontwikkeling in een representatieve zone en worden er groene- en waterstructuren gerealiseerd.


De gewenste ontwikkeling is op basis van het geldend ruimtelijk kader niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Het doel van het voorliggende wijzigingsplan is een passend juridisch-planologisch kader te scheppen op basis waarvan de gewenste ontwikkeling kan worden gerealiseerd. Met deze motivering op de wijziging van het omgevingsplan wordt aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Spijkenisse en ligt ten zuiden van de Botlek, Havengebied en de rivier de Oude Maas, zoals te zien op onderstaand figuur. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de provinciale weg N218. De N218 sluit door de Hartelbrug aan op A15 en maakt hierdoor de verbinding met het havengebied van Rotterdam. Ook is er een verbinding met Hoogvliet door de Spijkenisserburg.


Aan de oostzijde grenst het plangebied aan bedrijventerrein Halfweg, de ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van dit bestaande bedrijventerrein. In de huidige situatie zijn de gronden van het plangebied agrarische gronden. De agrarische gronden zijn tevens gelegen ten westen van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0001.png" Figuur 1-1 Ligging plangebied (Cyclomedia)

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0002.png"
Figuur 1-2 Ligging projectgebied transformatorstation en bijbehorende infrastructuur (Cyclomedia)

1.3 Juridisch-planologisch ruimtelijk kader

Het geldend ruimtelijk kader wordt gevormd door het tijdelijke omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan is op 1 januari 2024 (met de inwerkingtreding van de Omgevingswet) van rechtswege in werking getreden. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, waaronder plaatselijke verordeningen. Daarnaast bestaat het tijdelijk omgevingsplan uit de bruidsschatregels. Dit zijn de voormalige rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar decentrale overheden. De bestaande bouw- en gebruiksactiviteiten die voor het plangebied gelden zijn opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied West' (vastgesteld 2016-12-07) en het bestemmingsplan 'Halfweg-Molenwatering' (vastgesteld 2013-07-07).


Op het bestemmingsplan 'Buitengebied West' is een reactieve aanwijzing gegeven. Het aanwijzingsbesluit sterkt ertoe dat onderdelen van het bestemmingsplan die bij de vaststelling zijn gewijzigd ten aanzien van het ontwerp en die strijdig zijn met het provinciaal belang geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. De wijzigingen betreffen de volgende onderdelen:"

  • Zonnepanelen
  • Stallingen van kampeermiddelen

Dit heeft geen betrekking op de voorgenomen ontwikkeling.


In onderstaand figuur wordt een uitsnede getoond van de huidige bestemmingsplannen en de begrenzing van het plangebied. Het plangebied heeft in de huidige situatie de volgende activiteiten:

  • Enkelbestemming: Agrarische met waarden - Waardevolle openheid
  • Enkelbestemming: Bedrijventerrein - 3
  • Enkelbestemming: Water
  • Enkelbestemming: Groen
  • Enkelbestemming: Verkeer - 2
  • Dubbelbestemming: Leiding - Hoogspanningsverbinding
  • Dubbelbestemming: Leiding - Gas
  • Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie 2
  • Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie 3
  • Gebiedsaanduiding: geluidzone - industrie
  • Gebiedsaanduiding: veiligheidszone - bevi
  • Gebiedsaanduiding: representatieve zone


 afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0003.png"

Figuur 1-3 Uitsnede plangebied (rood omkaderd) en huidig ruimtelijk kader (Antea Group)


De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg past niet binnen het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. De voorliggende motivering biedt de juridisch planologische basis voor de realisatie van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg.

1.4 Procedure

Voorliggend initiatief is in strijd met het vigerend juridisch-planologisch kader en zal mogelijk worden gemaakt door de wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. Dit zal worden gedaan door middels van de Tijdelijke alternatieve Maatregel (TAM) waardoor het mogelijk is om via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen. Het TAM-Omgevingsplan moet vóór 1 januari 2032 worden omgezet naar STOP/TPOD.

1.5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

De Omgevingswet (Ow) streeft naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De Omgevingswet bepaalt dat de gemeente ervoor moet zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow).


Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Ow. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:

  • Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur.
  • Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.


In de voorliggende motivering is een verantwoording gegeven, waaruit blijkt dat er met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.6 Leeswijzer

Deze motivering bestaat uit zeven hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk vormt een inleiding op de omgevingsplanwijziging. In hoofdstuk 2 van deze motivering is de visie op het plangebied gegeven. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de huidige situatie en aan planbeschrijving. In hoofdstuk 3 wordt de juridische vertaling toegelicht. In hoofdstuk 4 komt de uitvoerbaarheid van de omgevingsplanwijziging aan bod. Om een indruk te krijgen van wat met de omgevingsplanwijziging wordt beoogd en hoe dit juridisch is vertaald, is het lezen van deze hoofdstukken voldoende. De hoofdstukken 5 en 6 geven de achtergronden en motivering op de gemaakte keuzes weer. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan in op de beleidskaders van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 6 komen de omgevingsaspecten aan bod. Hierna volgt in hoofdstuk 7 de conclusie.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied kent in de huidige situatie een agrarisch gebruik. De agrarische gronden zijn gelegen in het buitengebied van gemeente Nissewaard, ten westen van het bedrijventerrein Halfweg in Spijkenisse. Het bedrijventerrein wordt uitgebreid naar het westen. Op het huidige bedrijventerrein zitten diverse bedrijven met een maximale toegestane milieucategorie 5.2. Het zijn voornamelijk logistieke dienstverleners, verhuur van equipement, industriële dienstverleners, shipsproviders, autobedrijven, bouwmarkten, maar ook kleinschaligere bedrijven. Het huidige bedrijventerrein bestaat voornamelijk uit verhard oppervlak en grenst aan een groenstrook met een waterstructuur. Naast de bebouwing is ook ruimte voor parkeervoorzieningen aanwezig. In onderstaand figuur wordt het plangebied afgebeeld en een deel van het bedrijventerrein Halfweg.


In het plangebied zijn sloten en watergangen aanwezig. Deze liggen in het oosten van het plangebied en ten zuiden van de Groene Kruisweg. Ook ten zuiden van de Groene Kruisweg is een biodivers grasland aanwezig.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0004.png" Figuur 2 1 Huidige situatie plangebied en bedrijventerrein Halfweg (Cyclomedia)


In de huidige situatie is geen infrastructuur in het plangebied gelegen. Nabij het plangebied is aan de westzijde, de Middelblokweg gelegen, dit betreft een landweg tussen agrarische percelen.

2.2 Beoogde situatie

2.2.1 Ontwikkeling

In de toekomstige situatie wordt het bedrijventerrein Halfweg uitgebreid naar het westen. De uitbreiding is benodigd voor de compensatieregeling vanuit de provincie Zuid-Holland. Nabij de Spijkenisserburg, langs de Groene Kruisweg in Spijkenisse is een verouderd bedrijventerrein gelegen. Gemeente Nissewaard is voornemens om deze locatie te herontwikkelen naar een woongebied van maximaal 1.700 woningen. Verlies aan bedrijfsgrond dient te worden gecompenseerd. De voorgenomen ontwikkeling, uitbreiding van het bedrijventerrein, heeft een oppervlakte van circa 46.600 m² uitgeefbaar en verhard gebied.


Het toekomstige bedrijventerrein voorziet in diverse bedrijfskavels. Er kunnen bedrijven worden gevestigd met een maximale milieucategorie van 4.2. Eén kavel is de locatie voor een 25/10 kV transformatorstation van de netbeheerder Stedin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0005.png"

Figuur 2-2 Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg (Gemeente Nissewaard)

2.2.2 Infrastructuur

De infrastructuur zal het bedrijventerrein ontsluiten. De wegen hebben een breedte van circa 7,5 meter en er is in het westen een keerlus aanwezig. De beoogde infrastructuur is gelegen aan de westzijde van de Malledijk en deze hoofdontsluiting sluit aan op de Laanweg (oostzijde) en verder op de Groene Kruisweg (N218). Vervolgens sluit de infrastructuur ook ten westen van het plangebied aan op de parallelweg Groene Kruisweg. Dit is een calamiteitenontsluiting, zodat in het geval van calamiteiten het terrein aan twee kanten ontsloten kan worden. Deze weg wordt niet gebruikt voor de reguliere ontsluiting van het terrein. Er bevindt zich ook een keerlus aan de westzijde van het plangebied. Deze wordt aangelegd om vrachtverkeer hier te kunnen laten draaien.


De infrastructuur heeft een uitsplitsing richting het zuiden. Deze aftakking loopt gelijk aan het huidige bedrijventerrein en sluit vervolgens aan op de locatie van Stedin.


afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0006.png"

Figuur 2 3 Infrastructuur bedrijventerrein Halfweg Spijkenisse (bron luchtfoto: ESRI)

2.2.3 Landschappelijke inpassing

Het voornemen wordt landschappelijk ingepast door het realiseren van groen- en waterstructuren. Voor de ontwikkeling is een inrichtingsplan gemaakt. Deze is bijgevoegd als Bijlage 1. De noordzijde van het bedrijventerrein wordt landschappelijk ingepast met een groenzone van circa 15 meter breed, die aansluit op bestaande groenstructuren in de omgeving en zo een verbinding vormt met het regionale netwerk van natuur. Deze zone wordt beplant met bomen en heesters om het zicht op de bedrijfsgebouwen vanaf de noordelijke toegangswegen te beperken. Verder wordt de inrichting aangevuld met kruidenrijk grasland en struweel, wat zorgt voor een natuurlijke uitstraling en een verhoging van de ecologische waarde.

Aan de oostzijde van het plangebied blijft de bestaande watergang behouden en wordt deze voorzien van een kruidenrijke berm met rietvegetatie.

Aan de zuid- en westzijde van het bedrijventerrein wordt een circa 8 meter brede groenstrook gerealiseerd die een natuurlijke overgang vormt naar het omliggende agrarische landschap, dat zich kenmerkt door een zeer open karakter. De groenzone sluit aan op de nieuwe watergang, die is voorzien van rietvegetatie, en zorgt ervoor dat het bedrijventerrein visueel wordt verzacht en beter aansluit bij de ruimtelijke beleving van het open buitengebied. De strook wordt ingericht met een mix van inheemse bomen die in groepjes worden aangeplant, waardoor een gevarieerd en natuurlijk beeld ontstaat. In deze zone wordt ook een wandelpad aangelegd, waardoor het gebied een recreatieve functie krijgt en de verbinding met het landschap wordt versterkt. Door deze maatregelen wordt het bedrijventerrein op een zorgvuldige manier ingepast in het landschap. In de waterstructuren wordt ook de watercompensatie gerealiseerd. Deze is benodigd door de toename van verharding in het plangebied. In totaal wordt er in dit plan circa 5.000 m² aan waterbergingscapaciteit gerealiseerd.

Op onderstaand figuur wordt het schetsontwerp van de landschappelijke inpassing getoond.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0007.png"

Figuur 2-4 Inrichtingsplan Halfweg (CB5)


Hoofdstuk 3 Beleidskader rijk, provincie, gemeente

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Kader

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. We maken ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. We bevorderen duurzaam economisch groeipotentieel. We zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's. En we stimuleren een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied.

Toetsing

De ontwikkeling draagt bij aan een duurzaam economisch groeipotentieel. Met de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg wordt de economische vitaliteit versterkt en meer ruimte geboden voor het groeien van bedrijven. De uitbreiding voorkomt versnippering en richt zich op de concentratie van bedrijven op een locatie. Daarnaast wordt in het ontwerp van het bedrijventerrein rekening gehouden met klimaatadaptieve maatregelen. Zo wordt er een groenstrook en voldoende waterberging gerealiseerd.
De ontwikkeling is niet in strijd met de nationale belangen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de nationale omgevingsvisie (NOVI).

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

Kader

Uit het tweede lid van de 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als:

  • a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s;
  • b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);
  • c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.


De hoofdonderwerpen waarover het Bkl instructieregels bevat is hieronder opgesomd:

  • Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van de gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (pararagraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6 Bkl) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7 Bkl), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, Rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).



Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een BOPA geweigerd wordt als:

  • De activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van de instructieregels;
  • De omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);
  • De omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of rijk, belemmert.

Toetsing

In hoofdstuk 4 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt per omgevingsaspect ingegaan op de relevante instructieregels.

Conclusie

Op basis van de voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de uitgangspunten van het Bkl.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Kader

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Op basis van Bkl (artikel 5.129g) blijft een toetst aan de Ladder ook met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing. In de Ladder is opgenomen dat, voor zover een omgevingsplan (of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dat met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, moet in de motivering worden ingegaan op de mogelijkheden die er binnen het bestaand stedelijk gebied zijn om in die behoefte te voorzien.


De ladder voor duurzame verstedelijking is alleen van toepassing op een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in beginsel sprake als het omgevingsplan meer bebouwing mogelijk maakt, of dat er een functiewijziging van zodanige aard en omvang plaats vindt dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het Bkl is geen ondergrens voor de minimale omvang van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het gaat hierbij zowel om fysiek ruimtebeslag als de wijziging of toevoeging van functies. Bij de toetsing aan de Ladder onder de Omgevingswet, is het uitgangspunt dat de bestaande jurisprudentie over de Ladder gebruikt kan worden.

Toetsing

De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan.


Er is geen juridische ondergrens wat betreft wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor bedrijvigheid wordt echter doorgaans een ondergrens aangehouden van een toevoeging van het maximaal planologische binnen het marktgebied met meer dan 500m2 binnen het marktgebied. De toekomstige uitbreiding heeft een oppervlakte van circa 46.600 m². Er is dus sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.


Behoefte

De voorgenomen ontwikkeling is met een omvang van circa 4,6 ha een vervanging van de bestaande voorraad aan bedrijventerrein binnen het marktgebied conform de Zuid Hollandse Omgevingsvisie. Circa 6 ha van dit bestaande bedrijventerrein wordt ingevuld met een woonbestemming en dus onttrokken aan de voorraad binnen het marktgebied. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hiermee in een kwantitatieve en kwalitatieve vervanging van een deel van de bestaande behoefte conform provinciaal beleid.


Locatie

De locatie bevindt zich buitenstedelijk. Het is evenwel niet aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling binnenstedelijk gerealiseerd kan worden gezien de totale omvang van 46.600 m2. Daarnaast ligt de voorgenomen ontwikkeling logisch gelegen ten opzichte van verschillende toegangswegen en gebied ontsluitende wegen. Hierbij wordt op een uitlegbare en efficiënte manier aangesloten bij de bestaande bedrijfsstructuur binnen de gemeente. Daarnaast betreft het een compensatieopgave. Deze locatie is hiertoe, na overleg tussen gemeente Nissewaard en provincie Zuid-Holland, door Provinciale Staten van Zuid-Holland op 11 december 2024 opgenomen op Kaart 17 van Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als "grote buitenstedelijke bouwlocatie - bedrijventerrein zachte capaciteit.


Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in een vervangingsopgave conform de Zuid Hollandse Omgevingsverordening. Hiermee is geen sprake van een kwantitatieve of kwalitatieve toename, maar wordt een verouderd bedrijventerrein vervangen door een nieuw bedrijventerrein. De voorgenomen locatie ligt in het verlengde van bestaande bedrijvigheid en zorgt voor goede ontsluitingsmogelijkheden naar buiten het gebied. Gezien de omvang van het terrein is het niet aannemelijk dat een andere binnenstedelijke locatie gevonden gaat kunnen worden. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling logisch gesitueerd is en niet zal leiden tot leegstand of negatieve economische effecten.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Kader

Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland vindt zijn grondslag in het (juridische) stelsel van de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De Omgevingswet streeft ernaar om al het beleid over de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen en helder weer te geven. Vanaf 18 februari 2025 is het nieuwe Omgevingsbeleid van provincie Zuid-Holland van kracht, dit bestaat uit drie instrumenten: de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening.


De Omgevingsvisie Zuid-Holland biedt een overzicht van de huidige staat van de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Daarnaast beschrijft het document de toekomstvisie van de provincie, zoals deze door de provincie zelf wordt voorgesteld. Om tot deze toekomstvisie te komen zijn ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes geformuleerd. In de ambities wordt omschreven waar de provincie heen wil, de beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. De provincie werkt hierin zowel thematisch als gebiedsgericht en houdt bij te maken keuzes, ten alle tijde oog voor de integraliteit van het Omgevingsbeleid.


De ambities van Zuid-Holland zijn:

  • 1. Samenwerken aan Zuid-Holland
  • 2. Bereikbaar Zuid-Holland
  • 3. Schone energie voor iedereen
  • 4. Een welvarend Zuid-Holland
  • 5. Naar vitale balans water, natuur en landbouw
  • 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland
  • 7. Gezond en veilig Zuid-Holland


De beleidsdoelen van Zuid-Holland zijn:

  • 1. Krachtig openbaar bestuur
  • 2. Sterke samenleving
  • 3. Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen
  • 4. Energietransitie
  • 5. Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat
  • 6. Erfgoed en cultuur
  • 7. Gezonde natuur
  • 8. Toekomstbestendige landbouw
  • 9. Leven met water
  • 10. Wonen
  • 11. Ruimte voor landschap
  • 12. Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid
  • 13. Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport
  • 14. Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling maakt de uitbreiding van het huidige bedrijventerrein Halfweg mogelijk. De provincie streeft naar een toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat. Door het bedrijventerrein uit te breiden blijven de bedrijven geconcentreerd en wordt versnippering voorkomen. Het bedrijventerrein heeft een geschikte locatie door de nabije ligging van het havengebied van Rotterdam. Veel bedrijvigheid is hier al gevestigd. De uitbreiding zorgt voor het bijdragen aan meer ruimte voor economische groei.


Vervolgens wordt het bedrijventerrein zo ingericht waardoor de leefomgeving gezond en aantrekkelijk is door middel van groen- en waterstructuren. De omgevingsvisie en de bijbehorende beleidsdoelen vormen geen belemmering om de voorgenomen ontwikkeling toe te staan.


Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland.

3.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Kader

In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke plannen. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. In de verordening staat aangegeven wat wel en niet is toegestaan: mag bijvoorbeeld op een bepaalde locatie een bedrijf worden uitgebreid of kan dat niet vanwege een grondwaterbeschermingsgebied. Ook staan er instructieregels in voor gemeentelijke omgevingsplannen en taken van waterschappen.

Toetsing

Het plangebied is aangewezen als;

  • Gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde
  • Grote buitenstedelijke bouwlocatie
  • Grote buitenstedelijke bouwlocatie - bedrijventerrein zachte capaciteit
  • Gebieden met beschermingscategorie 3, buitengebied
  • Gebieden met beschermingscategorie 2, groene buffer


Het plangebied is aangewezen als gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarden. De archeologische waarden zijn beschermd in het omgevingsplan door de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2'. Een nadere beschrijving van archeologie wordt beschreven in paragraaf 4.5 archeologie.


Daarnaast is het plangebied aangewezen als 'grote buitenstedelijke bouwlocatie - zachte capaciteit'. De ontwikkeling wordt door provincie Zuid-Holland gekenmerkt als grote buitenstedelijke bouwlocatie. Er gelden uitzonderingen voor ontwikkelingen vanwege zwaarwegend algemeen belang. Het zwaarwegend belang van de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg is de realisatie van het woongebied 'Haven Noord'. De woningbouwontwikkeling van 'Haven Noord' zorgt voor een toename van maximaal 1.700 woningen. Het heeft een aanzienlijke bijdrage aan de gemeentelijke, regionale en provinciale woningbouwambities. De provincie heeft opgenomen dat verlies aan de bedrijfsgrond, voor zover daar minimaal milieucategorie 3.1 wordt mogelijk gemaakt, dient te worden gecompenseerd. De uitbreiding van het bedrijventerrein voorziet deze compensatie.

Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)

De voorgenomen ontwikkeling wordt ruimtelijk ingepast, het inrichtingsplan is bijgevoegd als Bijlage 1. In de huidige situatie is het plangebied buitengebied en in de toekomstige situatie wordt er een bedrijventerrein gevestigd om te voldoen aan de compensatie ten behoeve van de toekomstige woningbouwontwikkeling 'Haven Noord'. Aan de randen van het plangebied wordt ingezet op het realiseren van robuuste groen- en waterstructuren. De waterstructuren zijn tevens benodigd voor de wateropgave van de toename aan verharding. Met groen en waterstructuren wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Er worden bomen, heesters, beplanting en bermen gerealiseerd. Door de realisatie van de groen- en waterstructuren wordt de overgang van het buitengebied ten westen en zuiden van het plangebied verzacht richting de bedrijfskavels. Dit vormt een scheiding met aan de ene zijde agrarische gronden met waardevolle openheid en aan de andere zijde bedrijfskavels. Een nadere toelichting van de landschappelijke inpassing wordt beschreven in paragraaf 2.2.3. In de regels van het wijziging omgevingsplan wordt middels een voorwaardelijke verplichting de landschappelijke inpassing geborgd.


Artikel 7.43d (motivering locatiekeuze bij aanpassen en transformeren)

De uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg is zorgvuldig afgewogen. De uitbreiding voorziet in de compensatieopgave van de woningbouwontwikkeling 'Haven Noord'. Een nadere beschrijving over de keuze van de locatiekeuze is toegelicht onder 5.1.3. Ladder duurzame verstedelijking.


Artikel 7.43f lid 2 (uitzonderingen transformaties en aanpassingen)

Door de provincie is het plangebied gekenmerkt als grote buitenstedelijke bouwlocatie. In dit artikel wordt geregeld dat de gebieden die gekenmerkt zijn als grote buitenstedelijke bouwlocatie en beschermingscategorie 2 hebben transformatie mogelijk is. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt agrarische grond getransformeerd naar een bedrijventerrein. Dit artikel is niet in strijd met de voorgenomen ontwikkeling.


Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied)

Er dient te worden gemotiveerd dat de gebiedskenmerken en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als agrarische grond. Het voornemen maakt de uitbreiding van het naastgelegen bedrijventerrein mogelijk. Het landschap wordt hierdoor anders ingericht. Door de provincie is het plangebied gekenmerkt als grote buitenstedelijke bouwlocatie. In artikel 7.43h lid 3 wordt beschreven dat voor grote buitenstedelijke bouwlocaties een motivering van de aantasting van de gebiedskenmerken en het groene karakter van het landschap niet van toepassing is. De ontwikkeling heeft een maatschappelijk belang en hierdoor is de ontwikkeling niet in strijd met artikel 7.43h. Daarnaast wordt de landschappelijke inpassing geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het wijziging omgevingsplan. Het toekomstige bedrijventerrein wordt landschappelijk ingepast middels bomen, beplanting, bermen en heesters. Een nadere beschrijving van de landschappelijke inpassing staat in paragraaf 2.2.3.


Artikel 7.43k (gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers)

Het plangebied heeft gebiedstype beschermingscategorie 2 groene buffers. In dit gebiedstype wordt niet direct een grootschalige ontwikkeling toegestaan, ook al is de locatie wel aangeduid door de provincie als buitenstedelijke bouwlocatie. Volgens artikel 7.43a lid 3 dient te worden aangetoond dat een zwaarwegend algemeen belang van toepassing is om een grootschalige ontwikkeling toe te staan in het gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers.


De gemeente Nissewaard is voornemens om een verouderd bedrijventerrein nabij de Spijkenisserbrug, langs de Groene Kruisweg in Spijkenisse te herontwikkelen naar een woongebied met maximaal 1.700 woningen. Dit is de ontwikkeling Haven Noord. De ontwikkeling van dit woongebied sluit aan op de al eerder gerealiseerde plannen "De Haven" en "De Dijk en Het Land". Gezien het grote aantal woningen dat hier mogelijk gemaakt wordt, levert dat plan een aanzienlijke bijdrage aan de woningbouwambities van Nissewaard en de regio. Daarnaast krijgt een van de entrees van Nissewaard een fraaiere aanblik. De provincie Zuid-Holland heeft in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening opgenomen dat verlies aan bedrijfsgrond, voor zover daar minimaal milieucategorie 3.1 wordt mogelijk gemaakt, gecompenseerd dient te worden. De toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg vormt deze compensatie. De benodigde compensatie voor het voorgenomen plan Haven-Noord bedraagt ongeveer 2,7 ha. De uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg betreft een logisch gelegen locatie die duidelijk afgebakend wordt door onder meer de Groene Kruisweg en de hoogspanningsverbinding. Hierbinnen bleek meer mogelijk dan alleen de hiervoor genoemde hectares. De locatie is door de provincie Zuid-Holland aangewezen als 'grote buitenstedelijke bouwlocatie - bedrijventerrein zachte capaciteit'.


De realisatie van maximaal 1.700 woningen en de daarvoor noodzakelijke verplaatsing van het bedrijventerrein wordt gezien als een zwaarwegend maatschappelijk belang vanwege de grote vraag naar woningen in dit gebied. Om de woningen te kunnen realiseren is compensatie benodigd voor de bedrijfsgronden.


Het uit te breiden bedrijventerrein wordt aan de randen van het terrein op een goede manier landschappelijke ingepast. Groene elementen en watervoorzieningen worden toegevoegd en zorgen voor een geleidelijke overgang van het bedrijventerrein naar het omliggende polderlandschap dat een groene buffer blijft vormen rondom het stedelijke gebied.

Conclusie

De regels van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening met betrekking op het plangebied vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Spijkenisse 2010-2020

Kader

In de structuurvisie Spijkenisse 2010-2020 worden de kernkwaliteiten beschreven en de kansen om de kwaliteiten verder te versterken. De structuurvisie geeft de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in Spijkenisse op hoofdlijnen weer. Het is een vertrekpunt voor ontwikkelingen en om het gesprek te initiëren.


De kernkwaliteiten van Spijkenisse zijn:

  • Ligging aan de rand van de Randstad tussen stad en strand
  • Stradsranden en stadsentrees
  • Verbindende elementen
  • Wonen in Spijkenisse
  • Kwalitatief hoogwaardig stadscentrum
  • Sociaal-culturele kwaliteiten


Hierbij horen negen agendapunten voor de toekomst

1. Stadsentree Spijkenisserbrug verbeteren

2. Stadsentree West verbeteren

3. Toekomstige stadsentree Oost ontwikkeling

4. Ontwikkeling landschap en recreatie in Spijkenisse-Zuid

5. Herstructurering Akkers-Vriesland

6. Verbeteren woon- en leefomgeving Waterland

7. Verbeteren woon- en leefomgeving De Hoek

8. Gebiedsvisie park Vogelenzang & Baljuwlaan

9. Herstructurering en afronding nieuwbouw stadscentrum


Toetsing

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Halfweg mogelijk gemaakt. De kernkwaliteiten van Spijkenisse worden door de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast.

Het plangebied is gelegen in het westen van Spijkenisse. De locatie maakt deel uit van het agendapunt, het verbeteren van de stadsentree West. Deze entree zal zich ontwikkelen tot de werkentree van Spijkenisse, waar de nadruk ligt op economische versterking. Door de toevoeging van meerdere bedrijven wordt de werkgelegenheid vergroot. Dit sluit aan bij de huidige kenmerken en behoeften van het gebied. Diverse bedrijven krijgen de ruimte om zich hier te vestigen. Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein. Er worden groen- en waterstructureren gerealiseerd die zorgen voor het aansluiten op de omgeving.


Daarnaast is een onderdeel van de uitbreiding de realisatie van het transformatorstation van Stedin. Dit is essentieel voor de energievoorzieining van het gebied en de omgeving.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de structuurvisie.

3.3.2 Ontwikkelperspectief 'Nissewaard 2040' (2020)

Kader

In 2017 is het ontwikkelperspectief Nissewaard naar 2040 door de gemeenteraad vastgesteld. Het ontwikkelperspectief verkend de kansen voor een schokbestendig Nissewaard en vat dit samen in vier principes:


1. Zet in op de ontwikkeling van werkgelegenheid, onderwijs en ruimte voor ondernemerschap.

Er is op dit moment een onbalans aan wonen en werken. Elke ontwikkeling dient dit te verbeteren.

2. Differentieer de woningvoorraad van monotone wijken uit jaren '70 en '80 van de vorige eeuw.

Er is te veel van dezelfde woningvoorraad, waardoor ook de

bevolkingssamenstelling hetzelfde blijft. Meer keuzes, kan huidige en nieuwe bewoners verleiden.

3. Verbeter de mobiliteit en bereikbaarheid.

Voorne-Putten is een eiland, vandaar dat bereikbaarheid een belangrijke rol speelt. Naast nieuwe verbindingen en HOV ontwikkelingen zijn ook het inzetten op lokale economie en een gedragsverandering van mobiliteit kansrijk.

4. Benut en versterk de groene kwaliteiten in en om de gemeente.

Spijkenisse heeft een sterk groen-blauw landschappelijk netwerk die nog niet voldoende wordt benut.

Een kwaliteitsslag in deze structuren biedt kansen voor nieuwe woontypologieën, werk en een aantrekkelijk imago.


De vier principes gaan in de basis over opgaven die in de stad Spijkenisse spelen. Waar het buitengebied en de kleine kernen hier een bijdrage aan kunnen leveren worden deze in het ontwikkelraamwerk betrokken. Het ontwikkelraamwerk is een instrument om:

  • 1. de abstracte ambities uit het ontwikkelperspectief te vertalen naar concrete uitgangspunten en randvoorwaarden voor gebiedsontwikkelingen; en
  • 2. omgevingspartners te stimuleren een concrete bijdrage te leveren aan deze ambities.


Aan de hand van het ontwikkelraamwerk kan voor iedere afzonderlijke gebiedsontwikkeling of locatieontwikkeling een ruimtelijke invulling en programma, dat bijdraagt aan de ambities van Nissewaard naar 2040, worden bepaald (gebiedspaspoort).

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse. De uitbreiding van het bedrijventerrein is een compensatieopgave voor het verouderde bedrijventerrein nabij de Spijkenisserbrug, langs de Groene Kruisweg. Hier worden woningen gerealiseerd. Met de toekomstige bedrijven wordt bijgedragen aan het eerste principe 'Zet in op de ontwikkeling van werkgelegenheid, onderwijs en ruimte voor ondernemerschap'. Er wordt ruimte gecreëerd om bedrijven te vestigen op deze locatie. De locatie is tevens gunstig door de nabije ligging van het havengebied Rotterdam.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het ontwikkelperspectief 'Nissewaard 2040'.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Activiteiten en milieuzonering

Kader

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.


In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in de richtafstandentabel gerangschikt.


Tabel 4 1 Richtafstanden per Milieucategorie uit de VNG-brochure

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0008.png"
Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk';
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.


Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de (hoofd)infrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.


Toetsing

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een memo opgesteld om de maximale toelaatbare milieucategorie te bepalen. De memo milieuzonering is bijgevoegd als Bijlage 2. Het plangebied bevindt zich ten westen van Spijkenisse. In de omgeving van het plangebied is sprake van een mix van woningen en agrarische bedrijven en gronden.

In de directe omgeving zijn al verschillende functies aanwezig die milieubelasting veroorzaken:

  • N218 (Groene Kruisweg)
  • Geluidzone vanwege industrieterrein Botlek
  • Bedrijven in hoge milieucategorieën op bestaand bedrijventerrein Halfweg.


Door de ligging van de milieubelastende activiteiten en de mix van functies behoort volgens de VNG-brochure het plangebied tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit rechtvaardigt het toepassen van aangepaste richtafstanden, waarbij de standaard richtafstand met één afstandsstap wordt verlaagd.

In onderstaand overzicht zijn de omliggende milieugevoelige functies in beeld gebracht.


afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0009.png"

Figuur 4-1 Ligging gevoelige functies ten opzichte plangebied (Antea Group)

Vanaf deze milieugevoelige functies zijn richtafstanden toegepast om te bepalen welke maximale milieucategorie is toegestaan voor het bedrijventerrein (figuur 4-2). De richtafstanden 200 m en 300 meter zijn toegepast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0010.png"
Figuur 4-2 Richtafstanden per gevoelige functie (Antea Group)


De toelaatbare milieucategorie zonder maatregelen is voor het gehele plangebied maximaal milieucategorie 4.2. De toekomstige bedrijven dienen rekening te houden met de maximale toelaatbare milieucategorie en de bijbehorende richtafstanden. Voor bedrijven met een hogere categorie dan 4.2 is maatwerk mogelijk. In de regels van het omgevingsplan wordt hier een mogelijkheid voor opgenomen om dit met een omgevingsvergunning mogelijk te kunnen.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Archeologie

Kader

Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

  • het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten;
  • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.


In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek. De gemeente heeft de wettelijke verplichting om archeologische belangen mee te wegen in bouwprocessen en stedelijke ontwikkeling, en onderzoek in te passen. Dit was reeds op grond van de Erfgoedwet voorgeschreven en in de Omgevingswet is dit nog een keer benadrukt, met de toevoeging dat de archeologische verwachting goed onderbouwd moet zijn.


Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met bekende archeologische monumenten en met aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de mogelijkheid tot het aantreffen van een archeologisch monument goed onderbouwd moet zijn. Het voorspellen van de aanwezigheid van een archeologisch monument kan door middel van het uitvoeren van archeologisch onderzoek, maar ook een combinatie van bestaande relevante archeologische, bodemkundige of historische informatie kan voldoende zijn om de mogelijke aanwezigheid van een archeologisch monument op een locatie te onderbouwen.

Toetsing Archeologie

De gemeente Nissewaard heeft in het tijdelijke omgevingsplan archeologische waarden vastgesteld. Het geldend ruimtelijk kader voor de voorgenomen ontwikkeling is het bestemmingsplan 'Buitengebied West' (vastgesteld 7 december 2016). In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Voor deze dubbelbestemming geldt dat er geen gebouwen mogen worden gerealiseerd met een hoogte van hoger dan 3 meter. De ontwikkeling overschrijft de vrijstellingseisen van archeologisch onderzoek. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ook gelegen op de gronden van het plangebied. Er dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.


Naast het omgevingsplan is tevens in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening het plangebied gekenmerkt als een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarden. In artikel 7.70 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening worden regels vastgesteld om de provinciale archeologische waarden en monumenten te beschermen. Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat de archeologische waarden niet worden aangetast.


De archeologische waarden worden beschermd door de regels van dit TAM-omgevingsplan.


Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 3.


Bureauonderzoek

Het onderzoeksgebied bevindt zich binnen twee AMK-terreinen (behoudenswaardige archeologische terreinen) met monumentnummers 4092 en 4091. Alleen de uiterste noordwestelijke punt van het plangebied overlapt met het monumentnummer 4091. Voor beide terreinen geldt dat er bewoningssporen uit de midden-ijzertijd en Romeinse tijd bekend zijn. Ook worden er resten uit de late middeleeuwen verwacht. De hoge archeologische verwachting van deze AMK-terreinen is opgenomen binnen het vigerende beleid met de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' en in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn deze terreinen aangetoond als hoge of zeer hoge bekende archeologische waarden. Bij de aanlegwerkzaamheden worden archeologische waarden verstoord. Voor het onderzoeksgebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Nissewaard.


Aan de hand van landschappelijke en met name bekende archeologische gegevens geldt binnen het gehele onderzoeksgebied een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van (nederzettings)resten uit de ijzertijd (met name midden en laat), Romeinse tijd en de middeleeuwen.


Verkennend/ karterend archeologisch booronderzoek

De bodemopbouw is grotendeels aangetroffen conform de vooraf opgestelde verwachting. Op twee verschillende niveaus zijn archeologische resten aangetroffen onderverdeeld in zes vindplaatsen:

  • Top Hollandveen: midden-ijzertijd: 2 vindplaatsen
  • Binnen/op geul- en oeverafzettingen (Laagpakket van Walcheren): late ijzertijd- Romeinse tijd: 3 vindplaatsen
  • Middeleeuwen / Nieuwe tijd: 1 vindplaats


De vindplaatsen uit de midden-ijzertijd en uit de late-ijzertijd/Romeinse tijd zijn tot op heden uitsluitend door middel van verkennend en karterend onderzoek vastgesteld. Hier geldt dat er sprake is van een hoge tot zeer hoge archeologische waarde. Ook op basis van het grondwaterpeil wordt al duidelijk dat er voor de vindplaatsen 3, 4 en 5 waarschrijnlijk al degradatie plaatsvindt. Vindplaatsen 1 en 2 worden verder niet blootgesteld aan degradatie.

Met het oog op de toekomstige ontwikkeling als bedrijventerrein, is het de vraag in hoeverre behoud in situ een reële optie is. Ook op basis van het grondwaterpeil wordt al duidelijk dat er voor deze vindplaatsen waarschijnlijk al degradatie plaatsvindt. Daarom wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, in ieder geval voor de late ijzertijd/ Romeinse tijd-vindplaatsen 3, 4 en 5.

De vindplaatsen 1 en 2 zijn dieper gelegen. Deze vindplaatsen worden op dit moment nog niet bedreigd en niet onderhavig aan degradatie. Indien de mogelijkheid bestaat om door een planaanpassing (archeologischvriendelijk bouwen) deze vindplaatsen nu én in de toekomst niet verder te verstoren, en ook het behoud van organische resten te garanderen zou voor deze vindplaatsen kunnen worden afgezien van verder archeologisch onderzoek. Indien behoud in situ of langdurig beheer van grondwaterstand geen optie is voor deze locatie, wordt geadviseerd ook voor deze vindplaatsen een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.

Gezien deze hoge tot zeer hoge archeologische verwachting voor het plangebied, waarbij de vindplaatsen uit de late ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen relatief ondiep liggen en onderdeel vormen van een complex van nederzettingen en landinrichting, terwijl op een iets dieper niveau sprake is van een archeologisch niveau uit de midden-ijzertijd dat zich mogelijk verder uitstrekt dan uit het booronderzoek nu bekend is, wordt geadviseerd om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren binnen het gehele plangebied


Het bevoegd gezag heeft het afgegeven advies overgenomen.

Conclusie

Er dient te worden voldaan aan het advies van het archeologisch onderzoek, dit is geborgd door een dubbelbestemming op te nemen in het voorliggende plan. Dit houdt in dat voorafgaand aan de werkzaamheden een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd. Op het moment dat hieraan wordt voldaan kan worden geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.

4.3 Bodemkwaliteit

Kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.


De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen


Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Toetsing

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het toekomstige bedrijventerrein Halfweg. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 4.


Doel van het onderzoek is nagaan of de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN 5740: 2023 +C1: 2024 'Bodem - Landbodem -Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek'. De belangrijkste conclusies worden hieronder beschreven.


In het onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen twee deelgebieden A en B.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0011.png"

Figuur 4-3 Onderzoeksgebied bodemonderzoek (PDOK – Antea Group)

Grond

In de bovengrond is plaatselijk ter hoogte van de Malledijk, deelgebied B, sprake van een overschrijding van de interventiewaarde voor zink. De omvang van deze verontreiniging is door aanvullend onderzoek in kaart gebracht.


De gehalten aan de overige onderzochte stoffen zijn niet verhoogd ten opzichte van de interventiewaarde.


Volgens de toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit voldoen de boven- en ondergrond in deelgebied A aan de bodemkwaliteitsklasse voor de zone 'landbouw/natuur'. Deelgebied B voldoet ook grotendeels aan de bodem-kwaliteitsklasse 'landbouw/natuur'. Plaatselijk voldoet de grond aan de klasse 'industrie'.


PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen)

Er is PFAS boven de rapportagegrens aangetoond. Op basis van het Handelingskader PFAS voldoen de gemeten gehalten in deelgebied A aan de bodemkwaliteitsklasse 'landbouw/natuur' en 'wonen en industrie' voor hergebruik van de grond. Binnen deelgebied B geldt de bodemkwaliteitsklasse 'Niet toepasbaar'. Het gehalte aan PFAS overschrijdt in beide deelgebieden de INEV-waarde van PFOS/PFOA niet.


Grondwater

De grondwaterstand was op 15 juli 2025 circa 1,3 m -mv. In het grondwater is geen sprake van een overschrijding van de signaleringswaarde.


Voorlopige veiligheidsklasse

Voor het gehele onderzoeksgebied is de voorlopige veiligheidsklasse 'basishygiëne' voor grond en grondwater van toepassing.


De voorgenomen werkzaamheden vallen onder de milieubelastende activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde'. Uitgangspunt is dat géén sprake is van tijdelijke uitname. Het volgende is van toepassing:

  • Er is wel sprake van een meld- en informatieplicht voorafgaand aan de werkzaamheden (proceduretermijn melding en informatieplicht 4 weken);
  • De werkzaamheden dienen wel te worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer (BRL SIKB 7000);
  • De werkzaamheden hoeven niet te worden uitgevoerd onder milieukundige begeleiding (BRL SIKB 6000) mits de voorgenomen werkdiepte van 0,5 m -mv. wordt aangehouden;
  • Er is wel sprake van een informatieplicht na afronding van de werkzaamheden (uiterlijk 1 week).
  • In het kader van de CROW-publicatie 400 is het wel noodzakelijk om een V&G-plan op te stellen.
  • Voor de voorgenomen graafdiepte moet rekening worden gehouden met grondwateronttrekking.


Echter wanneer geen grond wordt afgevoerd, maar sprake is van tijdelijke uitname, is de proceduretermijn van een melding en informatieplicht 1 week. De overige aanbevelingen gelden dan nog steeds.

Conclusie

Er dient rekening te worden gehouden met bovenstaande maatregelen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Cultuurhistorie

Kader

Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed (par. 5.1.5.5 Bkl).

De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsverordening de bijzondere provinciale landschappen benoemd en regels gesteld om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen.

Toetsing

Voor de gemeente Nissewaard is geen cultuurhistorisch beleid. De provincie Zuid-Holland heeft een cultuurhistorische waardenkaart. Het plangebied en omgeving hebben geen cultuurhistorische waarden. Het voornemen raakt geen cultuurhistorische belangen en het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Kader

Doel van de Omgevingswet is een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van de mens. Iedereen wil immers welvarend, gezond en veilig leven. Duurzame ontwikkeling vergt volgens de commissie-Brundtland een balans tussen de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving (planet), de economie (profit) en het sociale vermogen van de mens (people). Dit vraagt om zorgvuldig benutten, ontwikkelen en beheren van de fysieke leefomgeving.


Klimaatwet

In het Klimaatakkoord, vastgesteld in 2019, zijn afspraken gemaakt over de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. In de Klimaatwet wordt uitvoering gegeven aan het Klimaatakkoord en het Klimaatverdrag van Parijs. Het doel van deze wet is om de uitstoot van broeikasgassen, zoals C02, te verminderen. Een teveel aan broeikasgassen in de lucht verandert het klimaat en heeft negatieve gevolgen voor mens en natuur. In de Klimaatwet staan klimaatdoelstellingen voor Nederland. Voor 2050 is de doelstelling om 95% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Om dat doel te bereiken is het de bedoeling dat Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoot dan in 1990 en dat de elektriciteitsproductie in 2050 volledig C02-neutraal is.


De Klimaatwet bevat behalve klimaatdoelstellingen ook een beleidskader om die doelstellingen te halen. In de wet staan daarvoor drie beleidsinstrumenten: het vijfjaarlijkse Klimaatplan, de tweejaarlijkse Voortgangsrapportage en de jaarlijkse Klimaatnota. De provincie Zuid-Holland onderschrijft de doelstellingen van het Klimaatverdrag van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord. Op 18 november 2019 heeft de provincie Zuid-Holland ingestemd met het Klimaatakkoord en uitgesproken een bijdrage te leveren aan de nationale klimaatdoelstellingen.


Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In ieder geval moet worden ingegaan op: wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, waterbeschikbaarheid en verzilting. Ook de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's te voorkomen of te beperken moeten worden beschreven en de afweging die daarbij is gemaakt.


Toetsing duurzaamheid

De gemeente Nissewaard heeft het streven om het bedrijventerrein Halfweg te verduurzamen. Er ligt een ambitie om samen te werken aan een energieneutraal, circulair en klimaatbestendig bedrijventerrein.


Binnen het verduurzamen van het bedrijventerrein wordt aandacht gegeven aan een aantal aspecten:

  • Besparen van energie
  • Het verduurzamen van woon-werk-mobiliteit
  • Circulariteit
  • Vergroenen


De uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg dient te worden ontwikkeld met een oog op een duurzame, energie neutrale, circulaire en klimaatbestendig bedrijventerrein. In het ontwerp wordt rekening gehouden met groen- en waterstructuren. Dit draagt bij aan het aspect vergroenen. In het aspect verkeer en parkeren, paragraaf 6.3, wordt beschreven dat deze locatie voldoende mogelijkheden biedt met betrekking tot de bus en het metrostation is ook goed bereikbaar. Het inzetten op andere mobiliteitsoplossingen kan het woon-werk-mobiliteitsaspect verduurzamen. Een onderdeel van de uitbreiding van het bedrijventerrein is de realisatie van het transformatorstation van Stedin. Dit transformatorstation is benodigd om het elektriciteitsnet te verzwaren om de gevraagde capaciteit zowel nu als in de toekomst te waarborgen.

Met de realisatie van het bedrijventerrein wordt ingezet op de duurzaamheid.

Toetsing klimaatadaptatie

Het voornemen betreft de realisatie van een toekomstig en de bijbehorende infrastructuur. In de huidige situatie hebben de gronden agrarische activiteiten, dit is onverhard oppervlak. Door de ontwikkeling is er een toename aan verharding. Dit kan effecten hebben op de aspecten wateroverlast en hitte.


Hitte

In de huidige situatie is er weinig tot geen hittestress aanwezig in het gebied. Dit komt doordat het gebied bestaat uit agrarische gronden waar veel groen aanwezig is. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe. In totaal wordt er circa 46.600 m² uitgeefbaar terrein gerealiseerd en verhard gebied. Deze toename heeft invloed op hittestress. Met de voorgenomen ontwikkeling worden groen- en waterstructuren aangelegd om hittestress te verminderen.


Wateroverlast en overstromingen

In het plangebied is weinig tot geen wateroverlast. Door de agrarische gronden infiltreert het water sneller dan verharde oppervlakten. In de toekomstige situatie zal het verhard oppervlak toenemen. De effecten hiervan worden beschreven in het weging van het waterbelang. Er dient voldoende waterberging te worden gerealiseerd. In het huidige ontwerp wordt er circa 5.000 m² waterberging gerealiseerd. Dit is nog niet voldoende en dient te worden aangepast om wateroverlast te voorkomen. Daarnaast zijn er eisen vanuit het gemeentelijk beleid om wateroverlast tegen te gaan 'Waterrobuuste nieuwbouw ontwikkelingen'. Met deze eisen dient rekening te worden gehouden.


Overstromingen
Het plangebied heeft een kleine kans op overstromingen vanuit zee, meer of rivier. Dit komt door de nabije ligging van de Oude Maas en tevens de lage ligging van de agrarische gronden. Met het ontwerp dient rekening te worden gehouden met overstromingen. Kritieke functies dienen op een geschikte hoogte te worden gerealiseerd. Daarnaast is er in het plangebied ruimte om water op te vangen door de nieuwe waterstructuren.


Droogte

De kans op droogtestress in het plangebied is laag. Droogte heeft geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Geluid

Kader

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.


Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen

De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In principe zijn alle wegen in Nederland voorzien van een geluidaandachtsgebied (Bkl). Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt en woonerven. Als een geluidsaandachtsgebied geheel of gedeeltelijk binnen het werkingsgebied valt, moet bij de onderbouwing van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies, waaronder woningen. Dit geldt eveneens indien de BOPA de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg mogelijk maakt.


Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.


Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.


Geluid door activiteiten

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient - naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen - ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:

  • activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen;
  • geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte.

Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66 Bkl). Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:

  • Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder).
  • Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie;
  • Indirecte geluidhinder; dit is de geluidhinder afkomstig van het wegverkeer van en naar de locatie waar de activiteit plaatsvindt.?

Toetsing

Het plangebied is gelegen in de geluidzone van het industrieterrein Botlek-Vondelingenplaat. In de geluidzone van het industrieterrein Botlek-Vondelingenplaat is het niet mogelijk om nieuwe geluidgevoelige objecten te realiseren. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Ten aanzien van de geluidgevoelige objecten in de omgeving is een analyse uitgevoerd in het kader van de bedrijven en milieuzonering, paragraaf 6.10. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein niet leidt tot beperkingen of hinder van bestaande bedrijvigheid. Het hindert tevens de huidige geluidgevoelige objecten niet.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Gezondheid

Kader

Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen.

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken.

In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving:

  • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
  • In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen.
  • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.
  • In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.


De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft de volgende kernwaarden opgesteld:

  • 1. rookvrije omgeving;
  • 2. aantrekkelijke plekken;
  • 3. gezond gewicht;
  • 4. wonen en druk verkeer;
  • 5. voorzieningen dichtbij;
  • 6. actief vervoer;
  • 7. fiets- en ov-verbindingen;
  • 8. gezond binnenklimaat;
  • 9. prettig wonen;
  • 10. geschikte woningen.


Verder stelt de GGD dat het voldoen aan de wettelijke normen niet automatisch betekent dat er geen gezondheidseffecten kunnen optreden. In het GGD-Omgevingsadvies zijn daarom gezondheidskundige advieswaarden opgenomen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema's luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw.

Toetsing

De uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg kan gezondheidsrisco's met zich meebrengen. In voorgaande paragraven zijn de omgevingsaspecten luchtkwaliteit, geluid en bodem al beoordeeld. Hieruit blijkt dat ten gevolgen van het voornemen luchtkwaliteit, geluid en bodem geen negatieve effecten ontstaan voor de gezondheid. Daarnaast heeft het bedrijventerrein voldoende afstand tot milieugevoelige functies, zie paragraaf 6.10.


De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van groen- en waterstructuren dit draagt bij aan mentale gezondheid, luchtkwaliteit en biodiversiteit.


De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de gezondheid.

Conclusie

Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Luchtkwaliteit

Kader

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving.


In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.


Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.


Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de emissie van stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.

Niet in betekende mate

De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. On-der deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.


Toetsing

Voor het aspect luchtkwaliteit is een onderzoek opgesteld door Antea Group en deze is bijgevoegd als Bijlage 5. De belangrijkste conclusies worden hieronder weergegeven.

Het toevoegen van het bedrijventerrein leidt tot een toename van de verkeersintensiteiten. Hierbij komen emissies vrij van onder andere stikstofoxiden en fijnstof. Hierdoor kan de luchtkwaliteit verslechteren. In het kader hiervan is onderzocht in welke mate het project de luchtkwaliteit verslechtert en of kan worden voldaan aan de wettelijke normen.

Stikstofdioxide (NO2)

De berekende jaargemiddelde concentraties NO2 liggen onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3. De concentraties vallen ook onder de nieuwe Europese grenswaardes van 2030. De berekende uurgemiddelde concentratie NO2 mag niet meer dan 18 keer per jaar groter zijn dan 200 µg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de uurgemiddelde concentratie NO2 op alle beoordelingspunten minder dan 18 keer per jaar groter is dan 200 µg/m3 .

Fijnstof (PM10)

De berekende jaargemiddelde concentraties PM10 liggen onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3. De concentraties vallen ook onder de nieuwe Europese grenswaardes van 2030. De berekende 24-uursgemiddelde concentratie PM10 mag niet meer dan 35 keer per jaar groter zijn dan 50 µg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 op alle beoordelingspunten minder dan 35 keer per jaar groter is dan 50 µg/m3 .

Fijnstof (PM2,5)

Uit de berekeningen blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM2,5 (ruim) onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 (25 µg/m3 ) liggen. De concentraties vallen ook onder de nieuwe Europese grenswaardes van 2030.

Op basis van de resultaten kan worden voldaan aan de normen opgenomen in de Bkl. Daarnaast voldoen de resultaten ook aan de nieuwe Europese normen die vanaf 2030 gaan gelden.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Mer-beoordeling

Kader

Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbe-sluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt.

In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(be-oordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn;
  • b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van mili-eueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door mid-del van een aanmeldnotitie.

Toetsing

Op grond van de Omgevingswet (artikel 16.43, lid 1 onder b, alsmede lid 2 en 3) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11 en bijlage V) dient voor verschillende soorten projecten te worden bepaald of er ten gevolge van het desbetreffende project sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten.


De voorgenomen ontwikkeling, ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg, valt onder nummer J10: 'Industrieterrein' (zie onderstaande tabel). In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is vastgelegd dat voor deze activiteiten geen directe mer-plicht geldt, maar wel een mer-beoordelingsplicht. Bovendien is vastgelegd dat deze plicht uitsluitend geldt bij het omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0012.png"

Door Antea Group is een Mer-beoordeling uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 6.

Uit de mer-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten ter plaatse van de ontwikkeling. Het voornemen heeft weliswaar mogelijke effecten, maar deze zijn in aard en omvang niet aanzienlijk.

Conclusie

De onderzochte aspecten leiden geen van alle tot aanzienlijke milieueffecten die noodzaak geven tot het opstellen van een milieueffectrapport.

4.10 Natuur en landschap

Kader

Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast.


Gebiedsbescherming 

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortenbescherming en gebiedsbescherming. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten.


Natuurnetwerk Nederland

Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het NNN is de achteruitgang van het areaal aan natuur en van de biodiversiteit te stoppen door een samenhangend netwerk van natuurgebieden te creëren. Dit wordt gedaan door natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden door verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende landbouwgronden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het realiseren van dit netwerk. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsverordening regels gesteld dienen te worden die verzekeren dat de kwaliteit en het oppervlak van het NNN niet achteruitgaan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Net als bij Natura 2000-gebieden zorgt de aanwijzing van een gebied als NNN voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden in dat gebied.


Beschermde soorten

Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

  • Vogels
  • Europees beschermde soorten
  • nationaal beschermde soorten


Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie.

Toetsing

Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. De natuurtoets is bijgevoegd als Bijlage 7 van deze motivering. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven.

Soortenbescherming

Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen:

  • boombroedende vogels met een jaarrond beschermd nest;
  • en overige vogels met een jaarrond beschermd nest;
  • algemene broedvogels en;
  • vleermuizen.

Voor boombroedende vogels en overige vogels met een jaarrond beschermd nest is nader onderzoek noodzakelijk. Voor de overige soorten is door het nemen van passende maatregelen geen nader onderzoek noodzakelijk. Afhankelijk van de te nemen maatregelen en de resultaten van het nader onderzoek moet duidelijk worden of een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit aan de orde is.

Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.

Er wordt aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

De maatregelen voor algemene broedvogels zijn: werk in de buurt van de waterkant buiten het broedseizoen. Voor vleermuizen gelden de maatregelen: werk alleen overdag of geen verlichting schijnen of uitstralen op de bebouwing op het industrieterrein en de bomenrij met holtes in de omgeving.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Oude Maas, op circa 3,5 kilometer ten oosten van het plangebied. De Oude Maas is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn. Daarnaast zijn er in een straal van 25 kilometer nog enkele Natura 2000-gebieden aanwezig.

De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van de storingsfactoren, zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens enkel de realisatiefase niet op voorhand uit te sluiten. De enige manier om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator. Dit wordt nader beschreven in paragraaf 4.11 stikstofdepositie.

NNN

In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 850 meter ten zuiden van het plangebied. Op grond van de provinciale verordening in de provincie Zuid-Holland hoeft niet getoetst te worden op externe werking en zijn vervolgstappen niet aan de orde.

Beschermde houtopstanden

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden daarom geen houtopstanden gekapt. Ook staan er geen houtopstanden in de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden waardoor negatieve effecten kunnen optreden. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom niet nodig.

Conclusie

Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Uit het nader onderzoek zal blijken welke maatregelen benodigd zijn om toe te passen. Hieruit zal blijken of een omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteit aan de orde is. Op de andere aspecten kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur en landschap geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Stikstofdepositie

Kader

Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Zo'n gevolg hoeft niet significant te zijn. In dat geval is sprake van een 'activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied'. Zo'n activiteit is niet dezelfde als een Natura 2000-activiteit.


Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van 'significant' of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat; afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie; algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten. Het komt neer op de vraag of de instandhoudings-doelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit.

Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Voor de effectbepaling is het uitvoeren van de voortoets de eerste stap. Er zijn drie mogelijke uitkomsten:

  • I.
    i) het plan of project heeft met zekerheid geen negatief effect;
  • II.
    ii) negatieve effecten van het plan of project zijn niet uitgesloten, maar deze effecten zijn niet significant negatief, hetgeen betekent dat de activiteiten het behalen van de instandhoudingsdoelen niet schaden;
  • III.
    iii) het plan of project heeft negatieve effecten én deze zijn significant: één of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad.


Toetsing

Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens enkel de realisatiefase niet op voorhand uit te sluiten. Om vast te stellen of er sprake kan zijn van significante gevolgen voor wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een stikstofberekening uitgevoerd met het rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2025.2). Het stikstofonderzoek wordt weergegeven in Bijlage 8.

Ten gevolge van de planontwikkeling is er zonder mitigatie een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' en 'Voornes Duin'. De effecten van het plan op stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden worden volledig gemitigeerd door intern salderen (inzetten van stikstofdepositieruimte die ontstaat door het beëindigen van het bemesten van de landbouwpercelen in het plangebied). Na intern salderen is er namelijk nergens een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ook in cumulatie is daarmee nergens sprake van een toename van stikstofdepositie. Met de inzet van de mitigerende maatregel is daarmee nergens sprake van een significant negatief effect ten gevolge van stikstofdepositie. Hiermee is zeker gesteld dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

Tenslotte is in de passende beoordeling, Bijlage 9, de mitigerende maatregel getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Hiervoor heeft de gemeenteraad een vergewisplicht. Op basis van openbare informatie moet worden vastgesteld of provincie Zuid-Holland of het Rijk het beëindigen van de bemesting binnen het plangebied van het voorliggende TAM-omgevingsplan reeds als instandhoudings- of passende maatregel heeft aangemerkt. Uit de geraadpleegde openbare bronnen blijkt geen enkele concrete of locatiespecifieke aanwijzing dat deze maatregel door provincie of het Rijk wordt ingezet of noodzakelijk wordt geacht. Daarmee heeft de gemeenteraad zich er voldoende van vergewist dat de maatregel niet nodig is voor het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de natuurwaarden in het betrokken Natura 2000-gebied (artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn) en ook niet nodig is om verslechteringen of verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de natuurwaarden in het betrokken Natura 2000-gebied te voorkomen (artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn).

Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg.

Conclusie

Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12 Omgevingsveiligheid

Kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.


Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).


Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).


Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:


  • o Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl.

  • o Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl.

  • o Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl).

  • o Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).


Toetsing

Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group een beschouwing opgesteld voor omgevingsveiligheid. In deze beschouwing wordt de realisatie van het transformatorstation en de toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg beschouwt. De beschouwing is bijgevoegd als Bijlage 10.

In het kader van de ontwikkeling wordt geen risicobron of kwetsbare objecten toegevoegd. Ook worden er geen SEVEZO-bedrijven mogelijk gemaakt met de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn diverse risicobronnen aanwezig in de omgeving van het plangebied. Hieronder worden de meest relevante risicobronnen toegelicht.

Mocht er een risicobron worden toegevoegd binnen het plangebied, dan geldt daarvoor een binnenplanse vergunningplicht (artikel 8.4.4.) In het kader van de vergunningverlening moet een onderzoek worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet ingaan op de effecten van de risicobron naar de omgeving toe. De vergunning wordt alleen verleend als er wordt voldaan aan de voorwaarden van de regels. De voorwaarden borgen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.


Hogedruk aardgasbuisleidingen 

Ten westen en ten noorden van het plangebied lopen drie relevante buisleidingen (A-536, A-357 en A-624). De relevante buisleidingen hebben geen plaatsgebonden risicocontour ter hoogte van het plangebied. Hiermee wordt conform het Bkl voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

Het plangebied valt volledig binnen het brandaandachtsgebied van een van de buisleidingen. Er dient te worden gemotiveerd hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is, zie onder 'bescherming van groepen mensen'. Daarnaast kunnen aanvullende bouwkundige maatregelen van toepassing zijn binnen de aandachtsgebieden (bij toewijzing van een voorschriftengebied binnen een aandachtsgebied). De afwegingsruimte ligt hierbij primair bij het bevoegd gezag.

Voor de aanwezige buisleiding is een belemmeringengebied aanwezig. Het belemmeringengebied beslaat een gebied van 5 meter aan weerszijden van de buisleidingen. Kwetsbare functies zijn toegestaan op het moment de buisleiding niet wordt aangetast. Er dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de buisleiding.

Delta Rhine Corridor

Het plangebied valt binnen het beoogde reserveringsgebied van de Deltha Rhine Corridor. Binnen deze corridor worden in de toekomst buisleidingen aangelegd voor waterstof en CO2, de verwachting is dat dit in 2031 en 2032 wordt gerealiseerd Delta Rhine Corridor West › Gasunie. Er wordt nog onderzocht waar de buisleidingen precies komen te liggen. Ten tijde van het opstellen van deze rapportage kunnen de gevolgen hiervan voor het plangebied nog niet worden beschouwd.

Stationaire bronnen

In de omgeving van het plangebied liggen een tiental aan stationaire bronnen. Een deel van de vakken B en een deel van het transformatorstation valt binnen de PR 10-6 -contour van P3 HoldCo IV NL Support B.V. Alleen beperkt kwetsbare functies zijn hierdoor mogelijk. Op deze locatie mogen geen (zeer) kwetsbare functies worden gerealiseerd.

Het gehele plangebied is gelegen in gifwolkaandachtsgebied. De risicobronnen liggen ten noorden en ten westen van het plangebied.

Vanwege de gedeeltelijke ligging in het explosieaandachtsgebied en de volledige ligging in het gifwolkaandachtsgebied dient te worden beschouwd hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is.

Bescherming van groepen mensen

Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit is schuilen en/of vluchten. Dit is ook afhankelijk van het scenario. Naast schuilen en of vluchten is het vaak van belang om de ramen en deuren te sluiten.

Voor het vluchten zijn interne vluchtwegen en externe vluchtwegen beschouwd. Een interne vluchtroute is richting de risicoluwe zijde vluchten, dit is de zuidelijke richting. Daarnaast zijn er twee mogelijke vluchtroutes aanwezig, weergegeven op onderstaand figuur (rode pijlen). De buisleidingen lopen precies onder deze routes, wat betekent dat vluchten bij een ongeval bij de buisleiding niet mogelijk is. Om deze reden is het aanbevelingswaardig om een extra langzaam verkeerontsluiting in het plangebied aan te brengen als extra vluchtroute, deze route is aangegeven met de blauwe pijl. Idealiter loopt de vluchtroute in een zuidelijke richting (afzijdig van de risicobronnen), dit is door het ontbreken van wegen aan de zuidzijde waarop aangesloten kan worden echter niet mogelijk. Aan de westzijde van het plangebied komt een onderhoudsroute te liggen langs de bomen en de watergang. Deze onderhoudsroute kan als vluchtroute gebruikt worden naar het noorden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0013.png"

Figuur 4-4 Ligging vluchtroute (Antea Group)

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

Kader

Verkeer en parkeren maakt onderdeel uit van de evenwichtige functietoedeling aan locaties. In de motivering moet - naast het aspect parkeren voor zowel auto's als fietsen - aandacht worden besteed aan de verkeersgeneratie en -veiligheid. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe binnen het planvoornemen hier mee wordt omgegaan.

Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 744). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-ken-getallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De activiteit dient in dat geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst.


Parkeernormennota Nissewaard 2022

Op d.d. 29 oktober 2022 heeft de gemeente de nieuwe parkeernormennota vastgesteld. Dit is de vervanger van de voormalige Parkeernormering Nissewaard uit 2016. Het CROW geeft bij de functies een bandbreedte voor de betreffende parkeernormen aan. De gemeente maakt gebruik van het gemiddelde van de minimale en maximale door CROW aangegeven normen. Deze keuze is met name gebaseerd op het feit dat het gemiddelde autobezit in Nissewaard overeenkomt met het landelijke gemiddelde autobezit. Daar komt bij dat de bebouwingsdichtheid in Spijkenisse hoog is en verschillende wijken kampen met een tekort aan parkeerplaatsen. Daarom volstaat de minimale waarde binnen de bandbreedte in de CROW-cijfers niet en zijn de gemiddelden van de bandbreedte in de CROW-cijfers van toepassing binnen de gemeente Nissewaard. De Parkeernormennota is juridisch-planologisch geborgd middels het paraplubestemmingsplan 'Parkeren & laden en lossen', onderdeel van het (tijdelijk) Omgevingsplan Nissewaard, vastgesteld d.d. 17 mei 2023.

Toetsing

Door Antea Group is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 11. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven. Tijdens het schrijven van het verkeersonderzoek is nog niet bekend wat de exacte indeling is van de verschillende kavels. In het verkeersonderzoek is hierdoor rekening gehouden met twee scenario's een realistisch scenario en een worstcasescenario.

Parkeren 

Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van 'Parkeernomennota Nissewaard 2022'. De minimale parkeerbehoefte is in totaal 334 parkeerplaatsen vereist in het plangebied. In het worstcasescenario zijn er 659 parkeerplaatsen benodigd om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Met de ontwikkeling dient er rekening te worden gehouden met de benodigde parkeerplekken die worden gesteld vanuit de eisen van de gemeente. De parkeerplaatsen worden op de bedrijfskavels gerealiseerd. Daarnaast zijn er zeven fietsparkeerplaatsen per kavel benodigd of 35 fietsparkeerplaatsen in zijn totaliteit.


Verkeer

Verkeersgeneratie

Het planvoornemen leidt tot een toename van verkeer als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg. Voor elke kavel afzonderlijk is de verkeersgeneratie berekend in aantal verkeersbewegingen voor personen- en vrachtauto's. Aan de hand van kencijfers van CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024 - Werkgebieden' zijn de berekeningen voor de verkeersgeneratie uitgevoerd.


Aan de hand van kencijfers van CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024 - Werkgebieden' zijn de berekeningen voor de twee verschillende scenario's uitgevoerd. Met de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg genereren de kavels gezamenlijk minimaal 226 motorvoertuigen per weekdag, waar de maximale verkeersgeneratie 487 voertuigbewegingen per weekdag bedraagt. Omgerekend naar werkdag betreft het aantal motorvoertuigbewegingen maximaal 648 per werkdag.


Verkeersafwikkeling

In het verkeersonderzoek is gekeken naar de volgende kruispunten en rotondes:

  • Voorrangskruispunt: Malledijk -Laanweg
  • VRI-kruispunt: N218 (Groene Kruisweg) - Malledijk - Borgtweg
  • VRI-kruispunt: Groene Kruisweg (N218/N493) - Hartelweg (N218)


Voor het voorrangskruispunt Malledijk - Laanweg blijft de verwachting dat in de plansituatie 2040 in zowel ochtendspits als avondspits wachttijden onder de 15 seconden zijn. Wel vormt de oversteek van de Malledijk voor fietsers (en voetgangers) van/naar de Laanweg een aandachtspunt, gezien fietsers op dit moment in één keer beide richtingen over moeten steken.


De cyclustijden op het VRI-kruispunt N218 (Groene Kruisweg) - Malledijk - Borgtweg blijven in 2040, zowel in de autonome als de plansituatie, ruim onder de maximale norm van 120 seconden gelijk aan de 90 seconden. In de plansituatie worden geen doorstromingsproblemen verwacht bij de omliggende kruispunten als gevolg van de ontwikkeling.

Het VRI-kruispunt N218/N493 is in het referentiescenario 2040 al structureel overbelast, waardoor geen cyclustijden kunnen worden vastgesteld. De extra verkeersdruk door de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg is marginaal en leidt tot minder dan één auto per minuut extra op dit kruispunt. Als gevolg van een overbelast kruispunt wijkt het verkeer uit naar alternatieve routes via de Edisonweg en Galvaniweg, waardoor de impact van de ontwikkeling Halfweg nog kleiner wordt.


Naar de toekomst toe, kan het voorkomen dat het bedrijventerrein meer verkeer aantrekt dan nu voorspeld, waardoor de verkeersdruk op beide kruispunten toeneemt. In samenspraak met de provincie Zuid-Holland kan worden onderzocht op welke wijze het VRI-kruispunt verder kan worden geoptimaliseerd, om de doorstroming van en naar bedrijventerrein Halfweg te waarborgen. Daarbij kan worden aangesloten bij reeds door de provincie voorgenomen infrastructurele maatregelen. In de bestuurlijke afspraken die zijn vastgelegd, zijn twee infrastructurele maatregelen opgenomen voor het VRI-kruispunt N218/N493. Het betreft het realiseren van extra opstelstroken op het kruispunt Hartelweg/N218 en het verbreden van de Groene Kruisweg richting Spijkenisse naar drie rijstroken (tussen het kruispunt N493/N218 en het Baljuwplein). Beide maatregelen worden door de provincie Zuid-Holland uitgevoerd en dragen bij aan een verbeterde doorstroming en robuustheid van het regionale wegennet.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.14 Weging van het waterbelang

Kader

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid als het beleid van het waterschap. Het relevante beleid wordt beschreven in de weging van het waterbelang die is bijgevoegd als Bijlage 12.


Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een geohydrologisch onderzoek voor de waterhuishouding uitgevoerd. Vervolgens worden de verschillende waterhuishoudkundige belangen afgewogen. In de onderzoeken worden niet alleen de wateraspecten opgenomen, maar ook welke maatregelen genomen kunnen worden op het gebied van onder andere klimaatadaptatie.


Toetsing

De gemeente Nissewaard heeft het voornemen om het bedrijventerrein Halfweg uit te breiden naar het westen. Voor deze ontwikkeling zijn de waterhuishoudkundige aspecten beschreven in een 'Weging van het waterbelang'. Deze is bijgevoegd als Bijlage 12.

Oppervlakteverdeling

Het plangebied bestaat uit verschillende gebieden waarvan een deel wordt uitgegeven voor het bedrijventerrein (A t/m D). De oppervlaktes van deze deelgebieden, de oppervlakte van het nieuwe Stedin station, en van de andere toekomstige verharding staan in onderstaande tabel, Tabel 4 2. Er moet voldoende waterberging worden gerealiseerd in relatie met de hoeveelheid verhard oppervlak, dit in lijn met de eisen van het waterschap en de gemeente.

Tabel 4-2 Oppervlaktebalans toekomstige situatie
afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0014.png"

Waterbergingsopgave 

De verandering in hemelwaterafvoer wordt beïnvloed door de verharding. Neerslag op verhard oppervlak komt sneller tot afstroming en kan problemen opleveren. Om de waterbergingsopgave te bepalen, is gekeken naar de opgaves vanuit het beleid van het waterschap en de gemeente. Hierbij wordt bepaald welke opgave maatgevend is. In het ontwerp van de voorgenomen ontwikkelingen is een deel van de compensatie opgave al opgenomen en weergegeven in Tabel 4 3. In de tabel is te zien dat er water wordt gedempt en hoeveel water wordt aangelegd.

Tabel 4-3 Oppervlakten water gedempt en nieuw

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001_0015.png"


Om te voldoen aan de eisen van het waterschap geldt een hoeveelheid nieuw oppervlaktewater van 6.521 m2 bij de eis van 14% plus 298 m2 voor het gedempte oppervlaktewater. Het totaal te graven oppervlaktewater komt daarmee op 6.819 m2. In het huidige ontwerp is voldoende oppervlaktewater als compensatie opgenomen, namelijk 6.820 m2.


Een alternatief voor de aanleg van extra oppervlaktewater kan de toepassing van ondergrondse bergingsvoorzieningen zijn. Het vereiste volume is afhankelijk van de maximale peilstijging van de sloten die in dit gebied bij een T=100 situatie is toegestaan. Ook kan worden gekozen voor de toepassing van waterdoorlatende verharding bij bijvoorbeeld parkeervakken. Voor waterdoorlatende verharding is minder compensatie vereist. Tenslotte is een mogelijkheid om de uitgeefbare kavels iets te verkleinen en het oppervlaktewater iets verder te verbreden.

Oppervlaktewater

Om de benodigde compensatie te realiseren wordt er oppervlaktewater gerealiseerd. Naast de compensatie voor de toename van verharding is het ook nodig om te compenseren voor het dempen van de watergangen, zie Tabel 4 3. Er wordt 298 m2 oppervlaktewater gedempt. Dit betekent dat vooraf of gelijktijdig aan de demping de compensatie gerealiseerd moet worden. Het totale nieuw te realiseren oppervlaktewater is dus 6.820 m2.


Eisen voor watergangen zijn terug te vinden in AP-04 van de Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014. Een wens van zowel het waterschap als de gemeente is dat de oevers worden ingericht als natuurvriendelijke oever.


Voor de toegangsweg naar het bedrijventerrein en het station van Stedin wordt een watergang beduikerd. Hiervoor is een vergunning van het waterschap nodig.


Grondwater

Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddeld hoogtegrondwaterstand en het straatpeil, het maaiveld en/of vloerpeil.


Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte tussen NAP -0,5 en -1,0 m. De GHG ligt in de plangebieden tussen de 0,8 en 0,4 m onder maaiveld (mv) in het westelijke deel en tussen de 1,0 en 1,5 m onder maaiveld in het oostelijke deel. Voor stedelijk gebied wordt vaak een ontwateringsdiepte van 0,7 m aangehouden. In het westelijke deel van het plangebied is de ontwateringsdiepte daarmee niet voldoende. Om voldoende ontwateringsdiepte te krijgen kan bijvoorbeeld het vloerpeil worden verhoogd.


Voor een klimaat robuuste inrichting wordt geadviseerd om na te denken hoe wateroverlast voorkomen kan worden. De hiervoor benodigde hoogteverschillen zijn afhankelijk van aspecten als de inrichting, de beschikbare ruimte en de noodzaak om water op straat te brengen.


Waterveiligheid

Het plangebied bevindt zich niet binnen een waterkering of de beschermingszone daarvan. Om deze reden worden geen effecten verwacht op de waterveiligheid.

Wel is het van belang voor de realisatie van voornamelijk het tranfsormatorstation om rekening te houden met de overstromingsdiepte. Essentiele infrastructuur zoals stations dienen voldoende hoog te worden aangelegd zodat deze bij een overstroming kunnen blijven functioneren. Bij een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 jaar) op een doorbraak van een regionale kering is de maximale overstromingsdiepte 1 m.


Wateroverlast

In het ontwerp dient rekening te worden gehouden met het voorkomen van wateroverlast door een hevige regenbui. Gemeente Nissewaard heeft beleid opgesteld 'Waterrobuuste nieuwbouw ontwikkeling'. In het beleid staat het volgende:

Voor nieuwbouw (openbare ruimte + gebouwen) geldt (gebaseerd op de Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving):

  • Een bui 10 (T=10, 37,5 mm in 45 minuten) uit de kennisbank riolering mag niet leiden tot water op straat (vanuit het rioolstelsel), berekening volgens C2100 kennisbank riolering
  • Ten behoeve van het tegengaan versneld afstromen van hemelwater, dient er minimaal 50 mm berging over het totaal (nieuw en bestaand) verhard oppervlak te worden gerealiseerd op het perceel (geldt voor zowel particulier als openbaar). De berging dient tussen de 24 en 48 uur weer leeg te zijn, tenzij deze is voorzien van een geautomatiseerd ledigingsysteem.
  • Vloerpeil van gebouwen is minimaal 20 cm boven de as de weg als een flauwe hellingbaan mogelijk is voor toegankelijkheid. Als er onvoldoende ruimte is voor een flauwe hellingbaan mag het water op straat bij een bui van 90 mm/uur niet hoger dan tot 5 cm onder de drempel komen. De hoogte van de vloerpeilen worden gecontroleerd door de afdeling vergunning en handhaving/woningtoezicht van de gemeente Nissewaard.
  • Een blokbui van 90 mm in één (T=250) uur mag niet leiden tot schade aan gebouwen, infrastructuur en vitale en kwetsbare functies en leidt tot maximaal 20 cm waterdiepte op straat en blijft minimaal 5 cm onder de drempel (voor golfvorming). Op vitale wegen mag niet meer dan 5 cm tot 15cm (in overleg met riool- en wegbeheerder) water staan. De wegen moeten 3 uur na de bui weer te gebruiken zijn (water op straat hoeft niet volledig weg te zijn). Dit aantonen door middel van een 1D2D berekening of berging + afvoer berekening (afhankelijk van de projectfase en schaal van het project).


Waterkwaliteit

Ten opzichte van de huidige situatie heeft de realisatie van het bedrijventerrein weinig tot geen invloed op de waterkwaliteit, mits het watersysteem zo ingericht wordt dat de doorstroming gewaarborgd is.

Aanbevolen wordt om de verwerking van de first flush van verharde oppervlakken af te stemmen met de gemeente en het waterschap.


Vuil- en hemelwaterafvoer

Conform het beleid van de gemeente moet de vuil- en hemelwaterafvoer in de toekomstige situatie gescheiden worden afgevoerd. Hierbij moet het vuilwater naar het bestaande rioolstelsel worden geleid en het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een waterberging.

Er dient aangetoond te worden dat de vuilwaterriolering voldoende capaciteit heeft om toekomstig afvalwater af te voeren zodat geen hoger risico op lozingen ontstaat. In dit gebied is de verwachting dat het afstromend regenwater geen afvalstoffen opneemt, waardoor geen verslechtering van de waterkwaliteit wordt verwacht.

Conclusie

Vanuit de overwegingen in deze Weging van het Waterbelang zijn er geen bezwaren om de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse toe te staan, mits er een vergunning wordt aangevraagd bij waterschap Hollandse Delta voor het verwijderen en plaatsen van duikers en rekening wordt gehouden met het beleid van de gemeente.

4.15 Kabels en leidingen

Kader

Kabels en leidingen vervullen verschillende functies. De omvang en inhoud, en daarmee het risico bij beschadiging, verschilt hierdoor ook. Daarnaast kunnen kabels en leidingen in zowel openbare als privé-gronden gelegen zijn, waardoor verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met betrekking tot de bescherming van kabels en leidingen opgenomen. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) en de bruidsschat.

Ruimtelijke regels

In het tijdelijk deel van het omgevingsplan staan regels voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Deze regels richten zich op de ligging en het type leiding (aard van de stof en bij gas, de maximale druk). In het tijdelijk deel van het omgevingsplan kunnen ook regels over ondergrondse hoogspanningsverbindingen staan. Deze regels richten zich op de afstand van bepaalde gebouwen tot magneetvelden. Daarnaast kunnen ook voor andere kabels en leidingen regels staan in de ruimtelijke regels van het tijdelijk deel, omdat ze naar het oordeel van het bevoegd gezag ruimtelijk relevant zijn.

Bruidsschat

De regels uit de bruidsschat zijn relevant bij aanvragen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Toetsing

In het noorden van het plangebied zijn drie relevante buisleidingen gelegen. Ter plaatse van de gasleiding wordt met de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' geborgd dat er geen bebouwing op de leiding wordt gerealiseerd. De gasleiding ligt ter hoogte van de nieuw te realiseren infrastructuur. Bij ontwikkelingen nabij de gasleiding is afstemming met de beheerder benodigd.

Voor de omgevingsveiligheidsaspecten van de relevante buisleidingen wordt een nadere beschrijving gegeven in paragraaf 4.6 van deze motivering.

Daarnaast worden er met de voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van het transformatorstation kabels toegevoegd. Dit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Planopzet

5.1 Algemeen

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet bundelt en vereenvoudigt de regels voor alles wat buiten te zien, te horen en te ruiken is. De wet geldt voor alle Nederlandse inwoners, organisaties en bedrijven. Om ervoor te zorgen dat de leefomgeving een gezonde, veilige en prettig leefbare plek is, zijn in Nederland regels gemaakt. Zowel voor inwoners als bedrijven. Die regels gaan onder andere over hoe we omgaan met natuur, milieu, bouwen en wonen.

5.1.1 Het omgevingsplan

Tot 1 januari 2024 golden in de gemeente meerdere bestemmingsplannen waarmee ontwikkelingen mogelijk werden gemaakt. Vanaf 1 januari 2024 heeft de gemeente één omgevingsplan. Het omgevingsplan bestaat op dit moment uit een tijdelijk en een nieuw deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat onder andere uit alle voor 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen. Elke gemeente heeft nu dus maar één omgevingsplan voor het gehele grondgebied. De bestemmingsplannen moeten op termijn worden omgezet naar het nieuw deel van het omgevingsplan.

Het omgevingsplan stelt regels over de fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan stelt zij welke activiteiten wel of niet worden toegestaan en welke regels gelden voor de activiteiten. Het omgevingsplan van de gemeente is digitaal raadpleegbaar via het Omgevingsloket.

Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn een aantal regels op rijksniveau vervallen. Deze regels zijn overgeheveld naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze zogeheten bruidsschat is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Gemeenten kunnen deze regels (gewijzigd) overnemen in het nieuw deel van het omgevingsplan.

5.1.2 Aanpassen van het omgevingsplan

Het omgevingsplan kan gewijzigd worden. Een wijziging van het omgevingsplan dient te voldoen aan de eisen van de Omgevingswet en deze dient te worden gedaan via STOP-TPOD. STOP-TPOD is de afkorting van de Standaard voor officiële publicaties (STOP) en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

Het is, gelet op de grote veranderingen van de Omgevingswet en de nog niet altijd werkende techniek, mogelijk om gebruik te maken van de tijdelijke maatregel voor het wijzigen van het omgevingsplan (TAM-IMRO). Tot en met 31 december 2025 kan gebruik worden gemaakt van deze tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Deze tijdelijke maatregel maakt het mogelijk om het omgevingsplan te wijzigen met de 'oude' software, welke 'Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) heet. TAM-IMRO is door de minister beschikbaar gesteld om urgente gebiedsontwikkeling niet te vertragen. Dit plan is een TAM-omgevingsplan ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse.

5.1.3 Wat is een TAM-omgevingsplan

TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die hun omgevingsplan nog niet kunnen of willen wijzigen in STOP. Dit geldt zowel voor gemeenten die om technische redenen niet kunnen werken met STOP, als voor gemeenten die technisch al wel kunnen werken met STOP, maar om andere redenen ervoor kiezen om in de beginfase TAM-IMRO te gebruiken om hun omgevingsplan te wijzigen. Een TAM-omgevingsplan kan eruitzien als een bestemmingsplan, maar deze kan er ook al uitzien als een omgevingsplan. Bij het TAM-omgevingsplan behoort ook een plankaart.


Het TAM-omgevingsplan is juridisch onderdeel van het omgevingsplan, maar ziet eruit als een losstaand plan. Het TAM-omgevingsplan wordt een nieuw hoofdstuk van het omgevingsplan en wordt als hoofdstuk 22a in het omgevingsplan gevoegd.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Preambule

De preambule regelt de verhouding tussen het TAM-omgevingsplan en het omgevingsplan. Zo bepaalt de preambule dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk 22a en dat de artikelen gelezen moeten worden als artikel 11a.1, 22a.2, etc.

5.2.2 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het hele plangebied en gaan over:

  • 1. Doelen
  • 2. Begrippen
  • 3. Toepassingsbereik
  • 4. Meet- en rekenbepalingen
  • 5. Aanvraagvereisten
  • 6. Algemeen gebruiksverbod

Doelen

Dit artikel licht toe aan welke doelen van de Omgevingswet dit TAM-omgevingsplan invulling geeft. Ook geeft het artikel het concrete doel van dit TAM-omgevinsgplan aan. Dit TAM-omgevingsplan maakt namelijk de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein mogelijk ter compensatie van een bedrijventerrein dat wordt ingevuld voor woningen.

Begrippen

In dit artikel is aangegeven of de begrippen uit de verschillende AMvB's van toepassing zijn op dit TAM-omgevingsplan, en welke aanvullende begripsbepalingen er gelden.

Toepassingsbereik

Dit artikel geeft de verhouding weer tussen de ruimtelijke plannen die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De ruimtelijke besluiten zoals genoemd in het eerste lid zijn niet van toepassing in het plangebied van dit TAM-omgevingsplan. Het bestemmingsplan Parkeren & Laden en lossen is wel van toepassing op het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.

Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan hoe de hoogte, inhoud, oppervlakte, bebouwd oppervlak en het peil en dergelijke gemeten of berekend wordt.

Aanvraagvereisten

Dit artikel regelt de verhouding met de aanvraagvereisten die zijn opgenomen in een onderdeel van de Bruidsschat (paragraaf 22.5.2). De aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning die daar zijn opgenomen, gelden ook voor dit TAM-omgevingsplan.

Algemeen gebruiksverbod

Dit artikel bevat een verbod om gronden of bouwwerken te gebruiken op een andere manier dan volgens de functie die aan een locatie is toegedeeld. Gronden of bouwwerken mogen dus alleen gebruikt worden voor de functie die aan de locatie is toegedeeld.

5.2.3 Functies en activiteiten

Dit hoofdstuk bevat de functies en activiteiten. Dit TAM-omgevingsplan kent de volgende functies:

  • 1. Bedrijventerrein
  • 2. Groen
  • 3. Verkeer
  • 4. Water
  • 5. Waarde – Archeologie 2
  • 6. Waarde – Archeologie 3
  • 7. Leiding Gas
  • 8. Leiding Hoogspanningsverbinding

Bedrijventerrein

De uitgeefbare gronden in het plangebied hebben de functie Bedrijventerrein gekregen. Bedrijven in de categorieën 3.1 tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Dat de laagste categorie 3.1 betreft, heeft te maken met het type bedrijven dat gecompenseerd wordt als gevolg van de woningbouwontwikkeling op Haven Noord. Er is een mogelijkheid in de regels opgenomen om bedrijven toe te staan die vallen in hogere milieucategorie dan categorie 4.2. Dit kan alleen met een omgevingsvergunning worden toegestaan en nadat met onderzoek is aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is aan een bedrijf uit milieucategorie 4.2.

Kantoren zijn uitsluitend toegestaan ten dienste van een bedrijf en met een maximum van 750 m2 aan bedrijfsvloeroppervlak per bedrijf. Productiegebonden detailhandel, detailhandel in volumineuze goederen zoals auto's, boten, caravans en landbouwwerktuigen zijn toegestaan.

Sommige activiteiten zijn niet toegestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om activiteiten die een belemmering kunnen vormen voor de toegestane bedrijven, zoals woonactiviteiten, waaronder ook bedrijfswoningen en zelfstandige kantoren. Ook gaat het bijvoorbeeld om bedrijven die een risico met zich meebrengen op het gebied van omgevingsveiligheid, bedrijven die onder meer vuurwerk opslaan, herverpakken of bewerken (paragraaf 4.102 Bal), en activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen produceren. Hier is echter een uitzondering voor opgenomen. Activiteiten als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving en/of milieubelastende activiteiten die risico's op het gebied van omgevingsveiligheid als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving veroorzaken, kunnen met een omgevingsvergunning worden toegestaan indien voldaan wordt aan de voorwaarden.

Onder bouwactiviteiten is aangegeven welke maximale maten er gelden. Alleen met een omgevingsvergunning kunnen andere maten worden toegestaan, namelijk

  • Overschrijding van het toegestane bebouwingspercentage van 75% tot maximaal 85%;
  • Overschrijding van de toegestane hoogte van een bedrijfsgebouw met maximaal 3 meter;
  • Overschrijding van het toegestane bedrijfsvloeroppervlak van 750 m2 van een kantoor ten dienste van een bedrijf tot maximaal 1.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte per bedrijf.

Daarnaast kan alleen met een omgevingsvergunning het bouwen van een bedrijfsgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak worden toegestaan.

Groen

De functie groen bevat alle gronden in de openbare ruimte waar geen functie Water of Verkeer aanwezig is. Hierbinnen liggen bijvoorbeeld groenstroken, maar ook onder andere fiets- en voetpaden en parkeervoorzieningen zijn hier mogelijk.

Verkeer

De belangrijkste ontsluitingswegen hebben de functie Verkeer gekregen. Hierbinnen is een verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende functies mogelijk, evenals bij de hierbij behorende voorzieningen, zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen etcetera.

Water

De gronden op de verbeelding aangewezen voor Water zijn bedoeld voor wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterhuishouding. Het gaat onder andere om waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals een onderhoudsstrook.

Waarde Archeologie 2 en 3

Ter bescherming van mogelijke archeologische sporen in de bodem kan via de regels in bepaalde gebieden voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend de verplichting worden opgelegd om vooraf archeologisch onderzoek te verrichten en afhankelijk van de uitkomst daarvan nadere voorwaarden te stellen.

Ook het uitvoeren van nader genoemde activiteiten mogen ook slechts plaatsvinden na het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden.

Genoemde verplichtingen ontstaan wanneer de (bouw)activiteiten dieper reiken dan in de regels genoemde diepte en meer dan daar genoemd terreinoppervlak beslaan.

Leiding Gas en Leiding Hoogspanningsverbinding

Voor gasleidingen in het noorden van het plangebied is de functie Leiding Gas opgenomen. Daarnaast is voor de hoogspanningsverbinding in het westen van het plangebied de functie Leiding Hoogspanningsverbinding opgenomen.

Voor beide type leidingen geldt dat het is toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de betreffende leiding te bouwen. Een maximale hoogte is opgenomen in de regels. Ook is het toegestaan om ten behoeve van andere functies bestaande bouwwerken te vervangen, vernieuwen of veranderen, onder de voorwaarden zoals opgenomen in de regels. Het uitvoeren van werken of werkzaamheden en het bouwen van bouwwerken ten behoeve van andere functies is alleen toegestaan met een omgevingsvergunning. Die omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het leidingbelang niet onevenredig wordt geschaad. Daartoe wordt advies ingewonnen bij de beheerder van de leiding. De beheerder kan voorwaarden stellen.

5.2.4 Algemene regels

In dit hoofdstuk komen algemene regels aan de orde die vaak gelden voor alle functies. Sommige regels in dit hoofdstuk gelden alleen ter plaatse van bepaalde locaties. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.

Anti-dubbeltelregel

Een antidubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels

Dit artikel bevat een algemene regeling voor een geringe overschrijding van bouwgrenzen en bouw- hoogtes door ondergeschikte onderdelen van gebouwen.

Algemene aanduidingsregels

Vanwege de industrie op Botlek/Pernis is een geluidzone – industrie op het hele plangebied opgenomen. Hierbinnen is het bouwen van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen niet toegestaan.

Aan de buitenste randen van het toekomstige bedrijventerrein is een representatieve zone opgenomen. Hier zijn alleen kantoorgedeelten en/of showrooms van gevestigde bedrijven toegestaan en gelden er enkele andere voorwaarden.

Algemene gebruiksregels

In dit artikel is opgenomen wat onder strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt verstaan.

5.2.5 Overgangsrecht

In dit hoofdstuk is overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Hiermee wordt bereikt dat bestaand gebruik als strijdig wordt beschouwd.

5.2.6 Staat van Bedrijfsactiviteiten

In Bijlage 2 bij de regels is een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in categorieën. Voor de indeling in categorieën zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang:

  • Geluid
  • Geur
  • Stof
  • Gevaar (met name brand- en explosiegevaar)

Bij het opstellen van de Staat is gebruikgemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 2009. Hierbij is uitgegaan van de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen.

In deze lijst zijn voor een groot aantal bedrijfstypen en -activiteiten richtafstanden ten opzichte van gevoelige functies vermeld. Toepassing van de richtafstanden is gewenst om het mogelijk ontstaan van milieuknelpunten al in het ruimtelijk spoor te voorkomen. Hierbij is ervan uitgegaan dat de bedrijven ter voorkoming van hinder en/of gevaar die technieken toepassen, die als de meest gebruikelijke worden beschouwd.

Algemeen beleid voor de toelaatbaarheid van bedrijven in standaardsituaties

De gebruikte Staat deelt de bedrijfsactiviteiten conform de VNG-publicatie in 6 categorieën in (categorie 1 t/m 6). In de functieomschrijving van de functie Bedrijventerrein is aangegeven welke milieucategorieën binnen voorliggend plangebied zijn toegestaan.

De richtafstanden uit de VNG-publicatie kunnen ten behoeve van gebruikelijke toepassing in omgevingsplan(wijzigingen) worden vertaald naar de volgende (ruimtelijke) criteria voor de toelaatbaarheid:

  • categorie 1: bedrijfstypen c.q. bedrijfsactiviteiten die, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, toelaatbaar zijn in woonwijken.
  • categorie 2: bedrijfstypen c.q. bedrijfsactiviteiten die, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, toelaatbaar zijn tussen of onmiddellijk naast woonbebouwing, echter alleen in gebieden met gemengde functies. In niet-gemengde gebieden geldt een afstandsindicatie van 30 m.
  • categorie 3: bedrijfstypen c.q. bedrijfsactiviteiten die, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, in enige mate ruimtelijk gescheiden dienen te zijn van woonwijken en in verband met de verkeersaantrekkende werking dienen te zijn voorzien van een eigen autoverbinding met gebiedsontsluitingswegen:
    • 1. subcategorie 3.1: gescheiden door een weg of een groenstrook (afstandsindicatie 50 m);
    • 2. subcategorie 3.2: gescheiden door een andere niet of weinig gevoelige functie (afstandsindicatie 100 m).
  • categorie 4: bedrijfstypen c.q. bedrijfsactiviteiten die, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, op behoorlijke afstand van woonwijken gesitueerd dienen te zijn:
    • 1. subcategorie 4.1: afstandsindicatie 200 m;
    • 2. subcategorie 4.2: afstandsindicatie 300 m.
  • categorieën 5 en 6: bedrijfstypen c.q. bedrijfsactiviteiten die, gelet op hun aard en invloed, op grote afstand van woonwijken gesitueerd dienen te zijn. Binnen categorie 5 is een onderverdeling gemaakt in de categorieën 5.1, 5.2 en 5.3 (afstandsindicaties van bedrijven uit categorie 5: 500 - 1.000 m, categorie 6: 1.500 m).


Flexibiliteit

De Staat van Bedrijfsactiviteiten blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door bedrijfsactiviteiten in te schatten. Het komt in de praktijk dan ook voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is verondersteld. Daarom is in de regels opgenomen dat bedrijven, met een omgevingsvergunning, kunnen worden toegestaan uit een hogere milieucategorie dan categorie 4.2, onder voorwaarde dat de bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is aan een categorie 4.2 bedrijf. Dit moet worden aangetoond met een onderzoek naar de relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid, gevaar). Zo nodig kan de gemeente voorwaarden stellen aan het verlenen van de omgevingsvergunning.

Bij sommige bedrijfsactiviteiten is in de Staat van Bedrijfsactiviteiten uitgegaan van een continue bedrijfsvoering, waarbij de hinderlijke activiteiten ook 's nachts plaatsvinden. Dit is in de Staat aangegeven met een "C" in de kolom geluid. Het kan echter voorkomen dat een specifiek bedrijf niet continu werkt. Dit gegeven kan een aanleiding zijn om het bedrijf via de bovengenoemde vergunningplicht een categorie lager in te delen.

Hoofdstuk 6 Financiele toelichting

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De gemeente Nissewaard is eigenaar van de gronden in het gebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn middelen gereserveerd en is een grondexploitatie opgesteld waarin de financiële haalbaarheid van het plan is onderbouwd.

Hoofdstuk 7 Overleg, Participatie en Proces

Voor de voorgenomen ontwikkeling hebben diverse participatiemomenten plaatsgevonden. Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijke pijler. Zo worden belanghebbenden en omwonenden betrokken bij het proces van de ontwikkeling.

Het participatietraject van voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een participatiebijeenkomst waarin de plannen van de ontwikkeling zijn gepresenteerd. Deze participatiebijeenkomst heeft plaatsgevonden op 7 juli 2025. Het eindverslag van de bijeenkomst is als Bijlage 13 bijgevoegd aan deze motivering.

Daarnaast is het concept omgevingsplan vooraf voorgelegd aan relevante overlegpartners zoals provincie Zuid-Holland, het waterschap en VRR.

Het Ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg heeft van 23 oktober tot en met 3 december 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn 2 zienswijzen ingediend. In Bijlage 14 wordt ingegaan op de inhoud van de zienswijze en de beantwoording.

Hoofdstuk 8 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg. De gewenste ontwikkeling is op basis van het geldend ruimtelijk kader niet toegestaan. In deze motivering is beschreven hoe deze wijziging van het omgevingsplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voornemen heeft geen negatieve effecten op milieu- en/ of omgevingsaspecten. Waar nodig worden maatregelen getroffen die voortvloeien uit de onderzoeken, dit wordt vastgelegd in de regels en verbeelding bij onderhavig initiatief. Op basis van voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.