direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001

Regels

Pre-ambule

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Doelen

  • 1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Nissewaard als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  • 2. De gemeente Nissewaard staat voor het uitbreiden van bestaand bedrijventerrein ter compensatie van een bedrijventerrein dat wordt ingevuld voor woningen.

Artikel 2 Begrippen

2.1 Algemene begripsbepaling

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22a, tenzij in lid 2.2 daarvan is afgeweken.

2.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen zoals opgenomen in Bijlage 1.

Artikel 3 Toepassingsbereik

3.1 Tijdelijk omgevingsplan - Wro-plannen
  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 3.3.
  • 2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het bestemmingsplan 'Parkeren & Laden en lossen' met identificatienummer NL.IMRO.1930.BPParkeren-3001.

3.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.

3.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.6.

4.1 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, installaties voor de benutting van zonne-energie, ketelhuizen, condensors, luchtkokers, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.2 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.3 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.4 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.5 Bebouwd oppervlak van een bouwperceel

De oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.

4.6 Peil
  • a. voor een gebouw op een perceel, waarvan de hoofdtoegang aan een weg, pad of stoep grenst: de hoogte van die weg, dat pad of die stoep ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg, pad of stoep grens: de hoogte van het oorspronkelijk afgewerkte maaiveld ter hoogte van die hoofd-toegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor een bouwwerk waarbij geen sprake is van een toegang: het gemiddelde afgewerkte maaiveld ter plaatse van dat bouwwerk;
  • d. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.

7.2 Functieomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. fiets en/of voetpaden;
  • c. parkeervoorzieningen en hierbij passende openbare verblijfsvoorzieningen;
  • d. abri's, kunstwerken, nutsvoorzieningen en dergelijke;
  • e. bijbehorende verhardingen en watergangen;
  • f. aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeersvoorzieningen;
  • g. bij deze doeleinden behorende voorzieningen.

7.3 Bouwactiviteiten
7.3.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten - gebouwen

Voor het bouwen van abri's en nutsgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. als gebouwen zijn uitsluitend abri's en nutsgebouwen toegestaan;
  • b. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • c. de maximale inhoud bedraagt niet meer dan 60 m3.

7.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten - bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten: 9m;
  • b. bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3m.

Artikel 8 Bedrijventerrein

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Bedrijventerrein'.

8.2 Functieomschrijving
8.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:

  • a. bedrijven voor zover deze voorkomen in categorie 3.1 tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • b. bedrijfsgebonden kantoren;
  • c. een bedrijfsgebonden kantoor mag maximaal 750 m2 bedrijfsvloeroppervlak per bedrijf beslaan;
  • d. ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf;
  • e. ondergrondse parkeerruimte en/of bovengrondse parkeerdekken;
  • f. aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeer-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen, straatmeubilair en vlaggenmasten;
8.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten

De volgende activiteiten zijn verboden:

  • a. activiteiten als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving en/of milieubelastende activiteiten die risico's op het gebied van omgevingsveiligheid als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving veroorzaken;
  • b. activiteiten waarvoor paragraaf 4.102 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt;
  • c. activiteiten die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. het exploiteren van lPPC-installaties;
  • e. zelfstandige kantoren;
  • f. het gebruik van gebouwen en andere bouwwerken als seksinrichting;
  • g. woonactiviteiten, daaronder mede inbegrepen bedrijfswoningen;
  • h. recreatieve activiteiten;
  • i. tuincentrum.

8.2.3 Specifieke gebruiksregels
  • 1. Voor het vestigen van een webwinkel gelden de volgende criteria:
    • a. geen showroom of andersoortige winkelopstelling;
    • b. volledig assortiment alleen te bezichtigen via internet of (post)catalogus;
    • c. bezoek blijft beperkt tot een enkel bezoek per week en er geen sprake is van een pick-up point/afhaalpunt;
    • d. levering van producten vindt hoofdzakelijk plaats via post of koeriersdiensten.
  • 2. De (voor)terreinen, gelegen tussen de ontsluitingswegen en de bedrijfsbebouwing, mogen niet worden benut voor opslag; deze terreinen mogen uitsluitend worden ingericht voor parkeerplaatsen en tuinen. Opslag dient achter de bedrijfsbebouwing plaats te vinden of naast de bedrijfsbebouwing, mits niet zichtbaar vanaf de weg.
  • 3. Het is niet toegestaan om voor het verwarmen van gebouwen of voor de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden op het bedrijfsperceel gebruik te maken van aardgas.

8.3 Bouwactiviteiten
8.3.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten - gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak, zoals aangeduid op de verbeelding, te worden gebouwd;
  • b. ten hoogste 75% van het bouwperceel, zoals aangeduid op de verbeelding, mag worden bebouwd;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de hoogte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' (m);
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a, mogen gebouwen van ondergeschikte aard, zoals ten dienste van een fietsenberging en dergelijke, buiten het bouwvlak alleen worden gebouwd tot een gezamenlijke oppervlakte van 50 m2 per bouwperceel;
8.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten - geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 6 meter bedragen, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen die vanaf de voet gemeten, maximaal 2 meter hoog mogen zijn;
  • b. kunst- en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 9 m hoog zijn.
8.4 Vergunningplichtige activiteiten
8.4.1 Hogere milieucategorie
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bedrijfsactiviteit uit te oefenen uit een hogere milieucategorie dan milieucategorie 4.2 die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is aan een bedrijf uit milieucategorie 4.2, met dien verstande dat activiteiten die in aanzienlijke mate geluid produceren niet zijn toegestaan.
  • 2. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een of meerdere onderzoeken naar de relevante hinderaspect(en).
  • 3. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als uit milieuonderzoek naar de relevante hinderaspecten blijkt dat het betreffende bedrijf naar aard en invloed op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende bedrijven, al dan niet onder te stellen voorwaarden voor wat betreft geur, stof, geluid en gevaar, gelijk kan worden gesteld met bedrijven uit milieucategorie 4.2 of lager.
8.4.2 Afwijkende maten
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:
    • a. het toegestane bebouwingspercentage, als bedoeld in artikel 8.3.1 onder b, te overschrijden;
    • b. de toegestane bouwhoogte van een bedrijfsgebouw, als bedoeld in artikel 8.3.1, onder c, te overschrijden;
    • c. het toegestane bedrijfsvloeroppervlak van een kantoor ten dienste van een bedrijf, als bedoeld in artikel 8.2.1 onder c, te overschrijden.
  • 2. De omgevingsvergunning wordt verleend:
    • a. als het gaat om een omgevingsvergunning in het eerste lid, onder a: als het bebouwingspercentage maximaal 85% bedraagt;
    • b. als het gaat om een omgevingsvergunning in het eerste lid, onder b: als de toegestane bouwhoogte met maximaal 3 meter wordt overschreden;
    • c. als het gaat om een omgevingsvergunning in het eerste lid, onder c: als het toegestane bedrijfsvloeroppervlak van een kantoor ten dienste van een bedrijf maximaal 1.000 m2 bedraagt.
  • 3. In aanvulling op het tweede lid, wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, slechts verleend indien een milieukundig advies wordt overlegd waarbij in ieder geval het effect van de verhoging op het groepsrisico wordt betrokken.

8.4.3 Bouwen bedrijfsgebouw deels buiten bouwvlak
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bedrijfsgebouw gedeeltelijk buiten een bouwvlak te bouwen.
  • 2. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden, in aanvulling op artikel 22.286 [Bruidsschat], de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. het gezamenlijk oppervlak van gebouwen buiten het bouwvlak;
    • b. de hoogte van gebouwen buiten het bouwvlak;
    • c. een beschouwing van de gevolgen van het bouwen buiten het bouwvlak voor het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • 3. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
    • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen buiten het bouwvlak niet meer dan 50 m2 bedraagt;
    • b. de hoogte van de gebouwen buiten het bouwvlak niet meer dan 6 meter bedraagt;
    • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

1. het straat- en bebouwingsbeeld;

2. de verkeersveiligheid;

3. de sociale veiligheid;

4. de milieusituatie;

5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

8.4.4 Toestaan bedrijfsactiviteiten in afwijking van art. 8.2.2 onder a
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bedrijfsactiviteit uit te oefenen als bedoeld in artikel 8.2.2 onder a.
  • 2. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een of meerdere onderzoeken naar de relevante hinderaspect(en);
    • b. een verantwoording van het groepsrisico in het aandachtsgebied van de bedrijfsactiviteit.
  • 3. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend als aangetoond is dat:
    • a. het toestaan van de bedrijfsactiviteit geen onevenredige belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven;
    • b. de feitelijke plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 het bouwvlak met niet meer dan 75 m overschrijdt;
    • c. de feitelijke plaatsgebonden risicocontour PR10-6 niet over (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties ligt;
    • d. brand- en explosieaandachtsgebieden als gevolg van de bedrijfsactiviteit niet over (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties ligt;
    • e. de totale maximale oppervlakte aan bedrijfsactiviteiten, bedoeld in artikel 8.2.2 onder a, binnen 'Bedrijventerrein' niet meer bedraagt dan 5.000 m2;
    • f. er door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard een verantwoording van het groepsrisico heeft plaatsgevonden;
    • g. op basis van onderzoeken naar de relevante hinderaspecten en op basis van een toetsing aan andere voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten aangetoond is dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Verkeer’.

9.2 Functieomschrijving

Een als ‘Verkeer’ aangewezen locatie heeft de volgende functies en zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
  • b. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende functies;
  • c. bij deze doeleinden behorende voorzieningen zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, ondergrondse afvalcontainers, reclameborden, speel- en nutsvoorzieningen, abri’s, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen.

9.3 Bouwactiviteiten
9.3.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten - gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. als gebouwen zijn uitsluitend abri’s en nutsvoorzieningen toegestaan.
  • b. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • c. de maximale inhoud bedraagt niet meer dan 60 m3.

9.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten - bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, bedraagt ten hoogste 9 m.
  • b. in afwijking van sub a geldt dat de maximale bouwhoogte van elektrische oplaadpalen ten hoogste 3 m bedraagt.

Artikel 10 Water

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Water'.

10.2 Functieomschrijving

Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies en zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. waterstaatkundige werken;
  • c. waterberging;
  • d. waterlopen met bijbehorende taluds;
  • e. bermen en groenvoorzieningen;
  • f. recreatieve voorzieningen;
  • g. kunstwerken en kademuren.

10.3 Bouwactiviteiten

10.3.1 Verboden bouwactiviteiten

Ter plaatse van de voor 'Water' aangewezen gronden zijn gebouwen niet toegestaan.

10.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten - bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de functie water worden gebouwd met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:

  • a. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 2

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 2'.

11.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

11.3 Bouwactiviteiten
  • a. binnen de voor 'Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden is het verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan;
  • b. de omgevingsvergunning wordt verleend wanneer in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde: van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
11.4 Het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden
11.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan:

  • a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
  • e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

11.4.2 Uitzonderingen

Het in 11.4.1 vervatte vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden;
  • b. voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • c. voor bestaande weg- en leidingcunetten.

11.4.3 Beoordelingsregels
  • 1. Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overlegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde: van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  • 2. aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval de volgende voorschriften verbonden worden:
    • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 12 Waarde - Archeologie 3

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 3’.

12.2 Functieomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

12.3 Bouwen
  • a. binnen de voor 'Waarde – Archeologie 3' aangewezen gronden is het verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan;
  • b. de omgevingsvergunning wordt verleend wanneer in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde: van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
12.4 Het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden
12.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan:

  • a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, afgraven;
  • e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

12.4.2 Uitzonderingen

Het in 12.4.1 vervatte vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden;
  • b. voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • c. voor bestaande weg- en leidingcunetten.

12.4.3 Beoordelingregels
  • 1. Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overlegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde: van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  • 2. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval de volgende voorschriften verbonden worden:
    • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 13 Leiding - Gas

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Leiding – Gas’.

13.2 Functieomschrijving

De voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor de bescherming van een aardgastransportleiding.

13.3 Bouwactiviteiten

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 13.2 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag – met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

13.4 Het uitvoeren van een werk of werkzaamheden
13.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden aangewezen als ‘Leiding – Gas’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de functieomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding.

13.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 13.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 13.5 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer betreffen, wat onder andere kan blijken uit de tussen de leidingbeheerder en de grondeigenaar gesloten en geldende overeenkomst;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • d. graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

13.4.3 Aanvraagvereisten

In aanvulling op artikel 22.284 [Bruidsschat] dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:

  • a. een situatietekening van de beoogde werken of werkzaamheden waarop in elk geval wordt afgebeeld de maximale oppervlakten en maximale dieptes van de beoogde objecten.

13.4.4 Beoordelingsregels

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 13.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

13.4.5 Advies

Alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de leiding omtrent de vraag of door de uitvoering van de voorgenomen werken en werkzaamheden de belangen van de leiding(en) niet onevenredig worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

13.5 Vergunningplichtige activiteiten
13.5.1 Bouwwerken ten behoeve van andere toegestane functie(s)
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen dat niet voldoet aan lid 13.3 onder b.
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als de veiligheid van de betrokken leiding niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant hierover en over de eventueel te stellen voorwaarden.
  • b. In aanvulling op sub b geldt dat zeer kwetsbare gebouwen niet zijn toegestaan.
  • c. In aanvulling op sub b en c geldt dat kwetsbare gebouwen uitsluitend zijn toegestaan als die een functionele binding hebben met de buisleiding.

Artikel 14 Leiding - Hoogspanningsverbinding

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding’.

14.2 Functieomschrijving

De voor ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor de bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding.

14.3 Bouwactiviteiten

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 14.1 genoemde functies uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de hoogte van de hoogspanningsmasten ten hoogste 60 m bedraagt;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag – met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende bouwregel(s) – uitsluitend worden gebouwd indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bouwhoogte niet wordt vergroot.
14.4 Het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden
14.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden aangewezen als ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de functieomschrijving is opgenomen, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • c. het wijzigen van het maaiveldniveau;
  • d. het aanleggen van watergangen- en partijen;
  • e. het aanleggen van oppervlakteverhardingen.

14.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 14.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 14.5.1 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer betreffen, wat onder andere kan blijken uit de tussen de leidingbeheerder en de grondeigenaar gesloten en geldende overeenkomst;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • d. graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

14.4.3 Aanvraagvereisten

In aanvulling op artikel 22.284 [Bruidsschat] dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:

  • a. een situatietekening met daarop in elk geval afgebeeld de maximale oppervlakten en maximale hoogtes van de beoogde objecten.

14.4.4 Beoordelingsregels

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 14.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

14.4.5 Advies inwinnen

Alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de leiding omtrent de vraag of door de uitvoering van de voorgenomen werken en werkzaamheden de belangen van de leiding(en) niet onevenredig worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

14.5 Vergunningplichtige activiteiten
14.5.1 Bouwwerken ten behoeve van andere toegestane functie(s)
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden aangewezen als ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ een bouwwerk te bouwen dat niet voldoet aan artikel 14.3 onder b.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als de bij de betrokken functie(s) behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad.
  • 3. In aanvulling op het tweede lid wordt advies ingewonnen bij de beheerder van de leiding omtrent de vraag of door de uitvoering van de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen van de leiding(en) niet onevenredig worden geschaad en over de eventueel te stellen voorwaarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Anti- dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van later bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Algemene bouwregels

16.1 Bestaande aftanden en maten

De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die meer bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

  • a. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die minder bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;
  • b. Ingeval van herbouw is het bepaalde in het vorige lid uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

16.2 Overschrijding bouwgrenzen en hoogtematen

De bouwvlakken, niet zijnde functiegrenzen, mogen in afwijking van het aangeduide en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:

  • a. Tot hoofdgebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2 m bedraagt;
  • b. Tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt;
  • c. De bouwhoogte van gebouwen mag worden overschreden door schoorstenen, antennemasten, installaties voor de benutting van zonne-energie en andere ondergeschikte bouwdelen.

16.3 Voorwaardelijke verplichting toename verhard oppervlak

Het bebouwen van gronden alsmede de aanleg van verharding is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat:

  • a. minimaal 14% van het toegenomen verhard oppervlak aan oppervlaktewater gegraven wordt, of door een gelijkwaardige vervangende maatregel te treffen, zoals beschreven in de beleidsregel BL-11, tweede lid, onder sublid b en c, als bedoeld in de Nota toetsingskaders en beleidsregels watersysteem 2014 van het Waterschap Hollandse Delta of diens rechtsopvolgers.
  • b. de onder a bedoelde voorziening dient in stand te worden gehouden.

16.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het (doen/laten) gebruik(en) van gronden binnen de functie Bedrijventerrein is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de functies Groen en Water landschappelijke inpassing is gerealiseerd binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van voorliggend plan, overeenkomstig de uitgangspunten opgenomen in Bijlage 3 bij de regels en in stand wordt gehouden.

Artikel 17 Algemene aanduidingsregels

17.1 Geluidzone industrie

Binnen de als ‘geluidzone – industrie’ aangewezen gronden mogen geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen worden gebouwd.

17.2 Representatieve zone

De als 'overige zone - representatieve zone' aangegeven gronden dienen vorm te krijgen door een situering van kantoorgedeelten en/of showrooms van de gevestigde bedrijven. Deze zone dient zich verder te kenmerken door:

  • a. een groene inrichting van de voorterreinen;
  • b. geen parkeermogelijkheden voor vrachtwagens;
  • c. indien een bedrijfsperceel aan de voorzijde voorzien is van een representatieve zone, hier uitsluitend kantoorgedeelten en showrooms mogen worden gebouwd;
  • d. geen grote aaneengesloten niet transparante gevelvlakken.

Artikel 18 Algemene gebruiksregels

18.1 Strijdig gebruik

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken voor een doel of op een wijze, strijdig met de aan de grond gegeven functies en activiteiten. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. de opslag van oude metalen, schroot, lompen, papier, puin of vuilnis;
  • b. de opslag van rij- of voertuigen, die voor de sloop bestemd zijn, of reeds gedeeltelijk gesloopt zijn, of daaruit reeds gesloopte materialen;
  • c. het gebruik van gebouwen ten behoeve van zelfstandige bewoning;
  • d. het gebruik van gronden voor een standplaats voor onderkomens, uitgezonderd kampeerwagens en tenten indien gelijktijdig niet meer dan één kampeerwagen en/of tent per bouwperceel wordt/worden geplaatst en deze niet voor bewoning wordt/worden gebruikt;
  • e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting;
  • f. ter plaatse van de locatie 'overige zone - risicogebied omgevingsveiligheid': het gebruik van gronden voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 19 Overgangsrecht gebruik

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, als bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, als bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.