| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001 |
Pre-ambule
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a.' gelezen worden.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22a, tenzij in lid 2.2 daarvan is afgeweken.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen zoals opgenomen in Bijlage 1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1930.022aTAMhalfweg-3001.
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.6.
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, installaties voor de benutting van zonne-energie, ketelhuizen, condensors, luchtkokers, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
De oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.
De voor 'Groen' aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor
Voor het bouwen van abri's en nutsgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Bedrijventerrein'.
De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:
De volgende activiteiten zijn verboden:
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:
1. het straat- en bebouwingsbeeld;
2. de verkeersveiligheid;
3. de sociale veiligheid;
4. de milieusituatie;
5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Verkeer’.
Een als ‘Verkeer’ aangewezen locatie heeft de volgende functies en zijn de volgende activiteiten toegestaan:
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Water'.
Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies en zijn de volgende activiteiten toegestaan:
Ter plaatse van de voor 'Water' aangewezen gronden zijn gebouwen niet toegestaan.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de functie water worden gebouwd met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 2'.
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan:
Het in 11.4.1 vervatte vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 3’.
De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan:
Het in 12.4.1 vervatte vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Leiding – Gas’.
De voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor de bescherming van een aardgastransportleiding.
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
Het is verboden op of in de gronden aangewezen als ‘Leiding – Gas’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Het verbod als bedoeld in lid 13.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
In aanvulling op artikel 22.284 [Bruidsschat] dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:
De werken en werkzaamheden, zoals in lid 13.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
Alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de leiding omtrent de vraag of door de uitvoering van de voorgenomen werken en werkzaamheden de belangen van de leiding(en) niet onevenredig worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding’.
De voor ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor de bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding.
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
Het is verboden op of in de gronden aangewezen als ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Het verbod als bedoeld in lid 14.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
In aanvulling op artikel 22.284 [Bruidsschat] dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:
De werken en werkzaamheden, zoals in lid 14.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
Alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de leiding omtrent de vraag of door de uitvoering van de voorgenomen werken en werkzaamheden de belangen van de leiding(en) niet onevenredig worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van later bouwplannen buiten beschouwing.
De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die meer bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
De bouwvlakken, niet zijnde functiegrenzen, mogen in afwijking van het aangeduide en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:
Het bebouwen van gronden alsmede de aanleg van verharding is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat:
Het (doen/laten) gebruik(en) van gronden binnen de functie Bedrijventerrein is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de functies Groen en Water landschappelijke inpassing is gerealiseerd binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van voorliggend plan, overeenkomstig de uitgangspunten opgenomen in Bijlage 3 bij de regels en in stand wordt gehouden.
Binnen de als ‘geluidzone – industrie’ aangewezen gronden mogen geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen worden gebouwd.
De als 'overige zone - representatieve zone' aangegeven gronden dienen vorm te krijgen door een situering van kantoorgedeelten en/of showrooms van de gevestigde bedrijven. Deze zone dient zich verder te kenmerken door:
Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken voor een doel of op een wijze, strijdig met de aan de grond gegeven functies en activiteiten. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: