| Plan: | Mutserdpolder |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1921.BPLEM14MUTSERDPOLD-VA01 |
De gemeenten Gaasterlân-Sleat, Lemsterland en Skarsterlân zijn per 1 januari 2014 gefuseerd. De naam voor de nieuwe gemeente is De Friese Meren. De ambtelijke organisatie van de gemeenten werkt al geruime tijd samen aan onder meer de actualiseringsslag van de vigerende bestemmingsplannen. Dit betekent dat alle vigerende bestemmingsplannen binnen nu en afzienbare termijn worden herzien dan wel inmiddels zijn herzien. Het voorliggende bestemmingsplan "Mutserdpolder" maakt onderdeel uit van dit actualiseringsproces.
Het voorliggende bestemmingsplan "Mutserdpolder" betreft een integrale herziening van het bestemmingsplan "Mudsertpolder", zoals dat door de gemeenteraad van Lemsterland is vastgesteld op 17 september 2001 en door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd bij besluit van 20 december 2001.
Voor het plangebied is een gedetailleerde bestemmingsregeling opgesteld. Het bestemmingsplan is afgestemd op de Wet ruimtelijke ordening en voldoet aan de meest recente inzichten betreffende de digitale uitwisseling en raadpleging (RO-Standaarden) en uitgangspunten van de gemeente. Hierdoor is het bestemmingsplan een goed leesbaar en bruikbaar plan.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft een overwegend consoliderend karakter. Dit houdt in dat het is gericht op het regelen van de bestaande situatie en ontwikkelingsmogelijkheden.
Tot slot wordt opgemerkt dat in de tekst van dit bestemmingsplan regelmatig de naam van de voormalige gemeente Lemsterland zal voorkomen. Vaak betreft het teksten die tot stand zijn gekomen voor 1 januari 2014, zoals bijvoorbeeld beleidsstukken, onderzoeksinformatie en dergelijke. Het bestemmingsplan is hierop niet integraal aangepast.
Het bestemmingsplan "Mutserdpolder" bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden en opstallen aangegeven. In de planregels zijn bepalingen opgenomen teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting, waarin het aan het plan ten grondslag liggende onderzoek en een planbeschrijving zijn opgenomen.
Het plangebied bevindt zich aan de westzijde van de bebouwde kern Lemmer en direct ten zuiden van de Grutte Brekken. De Mutserdpolder ligt "opgesloten" tussen het Streamkanaal aan de oostzijde, het Prinses Margrietkanaal aan de westzijde en de Plattedijk (N953) aan de zuidzijde. Aan de noordzijde ligt de eerder genoemde Grutte Brekken die de toegang vormt naar het Friese Merengebied. Binnen de plangrenzen zijn opgenomen het betreffende gedeelte van het Streamkanaal en het Prinses Margrietkanaal met aan weerszijden een strook, aan de oostzijde ten behoeve van de eventuele verbreding van het kanaal en aan de westzijde een strook agrarisch gebied dat in de onderhavige versie als zodanig wordt bestemd, zodat daarmee het volledige vigerende bestemmingsplan wordt herzien. In Bijlage 1 is de situering van het plangebied weergegeven.
De toelichting is na dit inleidende hoofdstuk als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 schetst het beleidskader voor het bestemmingsplan, namelijk het ruimtelijk relevante beleid van het rijk, de provincie Fryslân en beleid van de gemeente Lemsterland. Hoofdstuk 3 doet verslag van het verrichte onderzoek naar de bestaande situatie en mogelijke ontwikkelingen. In hoofdstuk 4 zijn de gemeentelijke beleidsuitgangspunten, welke ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan, uiteengezet. Hierbij wordt een nadere toelichting gegeven op de planregels (juridisch-technisch). Hoofdstuk 5 bevat de resultaten van het vooroverleg en de inspraak. Tot slot omvat hoofdstuk 6 een korte beschouwing over de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Bij het beleidskader worden de beleidsnota's behandeld die direct of indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Hierbij zijn de gevolgen voor het bestemmingsplan aangegeven.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeenten krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. De SVIR vervangt verschillende nota's, zoals:
Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Doelen Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.
Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd:
Rol provincies en gemeenten bij ruimte en mobiliteit
De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en doet daarmee geen afbreuk aan het ruimtelijke beleid van het rijk.
Het beleid over de ruimtelijke inrichting van Friesland is in grote lijnen neergelegd in het "Streekplan Fryslân 2007, Om de kwaliteit fan de romte". Het streekplan is de schakel tussen het abstracte rijksbeleid en het concrete gemeentelijke beleid. In het beleid wordt veel gewicht toegekend aan het stimuleren van werkgelegenheid, de bevordering van de leefbaarheid op het platteland en de versterking van het draagvlak voor voorzieningen. Het bovenlokaal belang wordt benadrukt bij het instandhouden en verder ontwikkelen van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de ruimte. Stad en platteland hebben elkaar nodig en ondersteunen elkaar. Het doel is een economisch sterk en tegelijkertijd mooi Friesland.
In het streekplan is Lemmer aangemerkt als "regionaal centrum". Een regionaal centrum is, naast de toeristische betekenis, een belangrijk regionaal concentratiepunt voor voorzieningen, bedrijvigheid en wonen in de regio.
Voor het plangebied geldt dat op de streekplankaart het Prinses Margrietkanaal is aangegeven als hoofdvaarweg. De provincie en Rijkswaterstaat staan positief tegenover een toenemend belang van de beroepsscheepvaart, mede als milieuvriendelijk alternatief voor het vervoer over de weg. Daarbij wordt uitgegaan van opwaardering van de bestaande vaarroute Amsterdam-Lemmer tot klasse Vb vaarweg (2-baksduwvaart). De vaarweg Lemmer-Delfzijl is van belang voor de (binnen)scheepvaart. Bij Lemmer wordt rekening gehouden met een eventuele aanleg van een tweede sluis in de hoofdvaarweg. Het Prinses Margrietkanaal wordt als vaarweg opgewaardeerd naar CEMT-klasse Va (met ontwikkelingsruimte), zodat grotere en zwaardere schepen hiervan gebruik kunnen maken. Een groot deel van de vaarwegverbreding en verdieping is inmiddels gerealiseerd.
In voorliggend bestemmingsplan is geen rekening gehouden met de aanleg van een tweede sluis in het Prinses Margrietkanaal. Reden hiervoor is dat de planvorming hiervoor nog onvoldoende concreet is. De gemeente volgt de provincie en/of het Rijk op dit onderdeel en loopt met het bestemmingsplan niet vooruit op het plan voor de tweede sluis in het Prinses Margrietkanaal en de mogelijke consequenties in het plangebied.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân. Binnen dit Nationaal Landschap wordt ingezet op versterking en ontwikkeling van de bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Recreatieve ontwikkelingen kunnen worden gekoppeld aan investeringen in landschap en natuur, waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van natuurgebieden voor recreatief medegebruik. Dit geldt met name voor de recreatieve vaardruk in relatie tot het aantal en de ligging van ligplaatsen. Door (beheer)maatregelen, verruiming van vaarwater en realisering van de robuuste natte verbinding die door het gebied loopt, is verlichting van vaardruk mogelijk. Tevens is aandacht voor de lage delen van het gebied waar wateroverlast kan optreden. Het is gewenst om hiervoor lokale maatregelen te treffen.
Afbeelding: Begrenzing van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân, zoals opgenomen in de Verordening Romte Fryslân
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân vastgesteld. De verordening is op 1 augustus 2014 in werking getreden. De verordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De verordening voorziet niet in nieuw beleid. Uitsluitend geldend provinciaal ruimtelijk beleid is omgezet in algemeen geldende regels.
In de verordening is onder meer aangegeven dat in een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een reserveringszone voor versterking van een primaire waterkering buiten aaneengesloten bebouwd gebied, de grens van de reserveringszone vastgelegd wordt op de verbeelding en in de regels van een ruimtelijk plan. Dit ter bescherming van de primaire waterkering. Het voorliggend bestemmingsplan grenst aan de primaire waterkering, de reserveringszone valt binnen het plangebied (zie ook paragraaf 2.3.4).
In het provinciale milieubeleidsplan Frysk Miljeuplan, dat op 14 september 2010 is vastgesteld door GS van Fryslân, wordt ingezet op een duurzame provincie. Bij een duurzame samenleving hoort een verantwoord gebruik van het fysieke leefmilieu, zodat dit gebruik oneindig kan voortduren. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van schadelijke onttrekkingen of schadelijke toevoegingen aan het fysieke leefmilieu. In het plan is opgenomen dat onttrekkingen of toevoegingen aan het Friese leefmilieu in 2030 moeten zijn uitgebannen.
Voor de planperiode van dit plan worden daarom de volgende doelstellingen gehanteerd:
Een duurzaam fysiek leefmilieu vereist op verschillende punten mogelijk een hogere kwaliteit dan nu is vastgelegd in wettelijke normen (doelstelling 1) of bestuurlijke afspraken (doelstelling 2). Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn in natuurgebieden of in gebieden met een andere functie waarin de kwaliteit van het fysieke leefmilieu een belangrijke rol speelt.
Op circa 1,8 kilometer ten westen van het plangebied ligt het stiltegebied Steile Bank. Nabij het stiltegebied ligt een uitzonderingsgebied. Binnen stiltegebieden gelden beperkingen voor activiteiten waarbij geluid wordt geproduceerd. Via de Provinciale milieuverordening zijn in deze gebieden regels vastgesteld voor handelingen, toestellen en apparaten die geluid voortbrengen. Bij deze regels hoort een lijst van niet te gebruiken installaties.
In het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met het betreffende stiltegebied. Het bestemmingsplan dient geen ontwikkelingsmogelijkheden te bevatten die van invloed zijn op het stiltegebied.
In het waterhuishoudingsplan is opgenomen hoe de provincie Fryslân in de komende zes jaar om wil gaan met het oppervlaktewater, het grondwater en het toezicht op de veiligheid tegen overstromingen.
De hoofddoelstelling voor het waterbeleid is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie en het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, zodat duurzaam gebruik gegarandeerd blijft. Het gaat daarbij om het beheer van de watersystemen in Fryslân. Dit betreft watersystemen, inclusief de schakels van de waterketen die hiermee verbonden zijn. Een goede balans is gevonden tussen economische en ecologische ontwikkelingen. Kennis van waterbeheer en watertechnologie kan worden gebruikt om watersystemen te beheren.
De visie op water in de provincie is een bijzonder uitgangspunt voor dit plan. Centraal daarin staat de samenhang tussen het beleid voor water en ander beleid, zoals landbouw, natuur, economie en recreatie. Fryslân heeft unieke kwaliteiten op het gebied van water en ruimte. De ruimtelijke kwaliteit maakt Fryslân tot een provincie waarin het goed wonen, werken en recreëren is. De kwaliteiten op het gebied van water en ruimte versterken elkaar. Een goed functionerend boezemsysteem is van belang voor onder meer de landbouw, de natuur en voor de ruimtelijke kwaliteit van Fryslân.
In het waterbeleid wordt uitgegaan van de watersysteembenadering. Gekeken wordt naar de samenhang tussen de kwaliteit en kwantiteit van het grondwater en oppervlaktewater en de relatie met de omgeving. Een watersysteem is een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen. Hierbij horen bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken, zoals gemalen en stuwen. Een waterlichaam omvat het water dat voorkomt aan of vrij onder het aardoppervlak, inclusief de stoffen die daarin aanwezig zijn. Ook de bijbehorende waterbodem, oevers, flora en fauna vallen onder het begrip waterlichaam.
De provincie is omringd door de buitenwatersystemen, zoals het IJsselmeer. Primaire waterkeringen beschermen tegen overstroming vanuit deze watersystemen. Daarbinnen bevindt zich het boezemwatersysteem van Fryslân. Uitgangspunt is dat de veiligheid tegen overstromen nu en op de lange termijn gewaarborgd is. Daarvoor worden waterkeringen in goede conditie gehouden, wordt ruimte gereserveerd, zodat dijken kunnen "meegroeien" met de zeespiegelstijging, en wordt een goede calamiteitenzorg gerealiseerd.
Naast het watersysteem is er de waterketen. Dit is het geheel van diensten aan huishoudens en bedrijven dat te maken heeft met het gebruiken en het afvoeren van water. In dit plan blijven de watersystemen en de onttrekkingen door en lozingen vanuit de waterketen centraal staan. Wel wordt nadrukkelijker ook aandacht besteed aan de verschillende onderdelen van de waterketen en het transparant en doelmatig functioneren van de waterketen.
De doelen voor de primaire waterkeringen zijn:
De primaire waterkeringen en bijhorende reserveringszone moeten worden vastgelegd in het bestemmingsplan, zodat de belangen van de primaire waterkering zijn geborgd. De reserveringszone nabij de sluis valt deels over het plangebied en is daarom opgenomen op de verbeelding en in de planregels van het bestemmingsplan.
De doelen voor de regionale waterkeringen - boezemkaden - zijn:
De lokale waterkeringen moeten voldoen aan de door Wetterskip Fryslân gestelde veiligheidsnorm.
De obstakelvrije zone voor hoofdwatergangen en overig oppervlaktewater is vastgelegd in de Keur van het Wetterskip. Deze geldt altijd naast het bestemmingsplan. Hetzelfde geldt voor de beschermingszone voor regionale waterkeringen. De genoemde aspecten van het Wetterskip zijn daarom voldoende gewaarborgd.
In dit Waterbeheerplan is het voorgenomen beleid en beheer van Wetterskip Fryslân opgenomen. In dit Waterbeheerplan zijn op strategisch niveau voor de planperiode de maatregelen geformuleerd die nodig zijn om de beleidsdoelen ten aanzien van de thema's Waterveiligheid, Voldoende Water en Schoon Water te realiseren.
Enkele belangrijke elementen van de missie van het wetterskip zijn:
Bij het beheer wordt ingespeeld op de doelen die zijn geformuleerd in het waterhuishoudingsplan.
In 2004 is door Wetterskip Fryslân de stichting Waterschapserfgoed opgericht. De stichting heeft als doel om waterschapsobjecten van culturele waarde voor het nageslacht in stand te houden. Objecten die zich daarvoor lenen zullen worden opengesteld voor het publiek. Dit biedt de stichting de mogelijkheid om belangstellenden kennis te laten nemen van de Friese waterschapsgeschiedenis.
In het kader van voldoende water wordt ingezet op een duurzaam peilbeheer dat zo goed mogelijk aansluit bij verschillende vormen van landgebruik. Bij het peilbeheer wordt rekening gehouden met klimaatverandering.
Omtrent schoon water wordt gesteld dat het Friese oppervlaktewater uiterlijk in 2027 moet voldoen aan de eisen voor chemie, ecologie en inrichting. In 2015 moeten de maatregelen conform de Beslisnota Kaderrichtlijn Water zijn uitgevoerd.
Het bestemmingsplan moet ruimte bieden voor de uitvoering van het waterbeheer van het wetterskip.
De gemeenten Gaasterlân-Sleat, Lemsterland en Skarsterlân zijn per 1 januari 2014 gefuseerd. De naam voor de nieuwe gemeente is De Friese Meren. Het beleid uit de voormalige gemeenten blijft actueel en van toepassing tot het moment dat nieuwe beleidskaders hiervoor gaan gelden.
In de Structuurvisie Lemsterland, vastgesteld door de Raad op 22 november 2010, is het Ontwikkelingsperspectief vertaald tot structuurvisie in het kader van de Wro. Daarbij is de informatie uit het Ontwikkelingsperspectief geactualiseerd en aangevuld.
Centraal in de ambities voor Lemsterland staat het benutten en versterken van de aanwezige gebiedskwaliteiten. In de structuurvisie wordt ingegaan op diverse thema's waarbij projecten zijn vermeld. Voor het plangebied zijn de volgende onderdelen van belang:
Het bestemmingsplan dient aandacht te besteden aan de ambities uit de structuurvisie. Indien voorgenomen ontwikkelingen worden vertaald naar het bestemmingsplan dient dit voldoende te worden onderbouwd.
*) In voorliggend bestemmingsplan is geen rekening gehouden met de aanleg van een tweede sluis in het Prinses Margrietkanaal. Reden hiervoor is dat de planvorming op dit moment (2013) hiervoor nog onvoldoende concreet is. De gemeente volgt de provincie en/of het Rijk op dit onderdeel en loopt met het bestemmingsplan niet vooruit op het plan voor de tweede sluis in het Prinses Margrietkanaal en de mogelijke consequenties in het plangebied.
De welstandsnota van de gemeente Lemsterland is in september 2010 vastgesteld. Met deze welstandsnota wil de gemeente Lemsterland het welstandstoezicht voor een ieder inzichtelijk en begrijpelijk maken. In de welstandsnota zijn criteria opgenomen die in de eerste plaats gericht zijn op het behoud van de basiskwaliteiten van de gebouwde omgeving. Het doel van het welstandsbeleid is een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht, waarbij particulieren, opdrachtgevers en architecten zich in een vroeg stadium op de hoogte kunnen stellen over de van toepassing zijnde welstandscriteria. De welstandsnota levert hiermee een bijdrage aan het behouden en daar waar nodig het versterken van de visuele kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bebouwing in Lemsterland.
In de welstandsnota wordt een gebiedsindeling gehanteerd. Het plangebied maakt deel uit van "de Brekkenpolder en de Mutserd". Het recreatiegebied maakt onderdeel uit van het deelgebied “Sport- en Kampeerterrein, jachthavens en strand”. Per deelgebied is een beoordelingskader opgesteld, bestaande uit een korte gebiedsbeschrijving, een samenvatting van de te verwachten ontwikkelingen en de waardering van het gebied.Bij de welstandscriteria is de beleidsintentie per deelgebied benoemd.
Voor het deelgebied “de Brekkenpolder en de Mutserd” is de beleidsintentie: Door de eenvormigheid van de boerderijen en de regelmatige afstand tussen de boerderijen aan de Doraweg en de Fenneweg is een sterke samenhang in het gebied aanwezig. Daarom is bij verbouw of nieuwbouw binnen deze reeks inpassing nodig binnen het totaalbeeld.
Voor het deelgebied “Sport- en Kampeerterrein, jachthavens en strand” is de beleidsintentie: Het behoud van het basiskarakter van het terrein met de functionele vormgeving en een losse bebouwingsstructuur is richtinggevend voor het welstandsbeleid. De criteria richten zich met name op onopvallende functionele bebouwing welke is ingepast in de omgeving.
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en belangenafweging (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht).
Bij een integrale herziening van een bestemmingsplan dienen burgemeester en wethouders onderzoek te verrichten naar de bestaande situatie en naar toekomstige ontwikkelingen binnen de gemeente. Dit hoofdstuk doet verslag van dit onderzoek. Hierbij wordt ingegaan op de ligging, het landschap, de aanwezige natuurwaarden en functies in het plangebied. De resultaten van het onderzoek spelen een belangrijke rol bij de afweging van de verschillende belangen in het plangebied en, in het verlengde daarvan, in de bestemmingsregeling.
Ontstaansgeschiedenis
De voormalige gemeente Lemsterland ligt in het lage midden van de provincie Fryslân, enkele meters beneden Normaal Amsterdams Peil (NAP). Op het in de ondergrond aanwezige dikke pakket keileem heeft zich achtereenvolgens zand en veen afgezet in lagen van enkele meters dik. Het veengebied maakt deel uit van het grote samenhangende veen van Fryslân, Groningen en Noordwest-Overijssel.
Door de activiteiten van de mens heeft het bovenste deel van de aardkorst een extra gevarieerd beeld gekregen. In verband met de lage ligging van de gronden (beneden NAP) zijn kaden en dijken aangelegd, welke in hoogte variëren van 1 tot 4 meter +NAP. Over het algemeen omsluiten deze kaden en dijken vrij vlakke open ruimten.
De fysische ondergrond van het plangebied behoort tot: "ontgonnen veenvlakte met en zonder kleidek". Het merendeel van de gronden in het gebied buiten de kernen van Lemsterland behoren hiertoe. Deze in het algemeen bijzonder vlakke gebieden zijn ontstaan, toen na het afsmelten van het landijs de grondwaterstand steeg en veenvorming plaatsvond. Voor een deel van het gebied is op de veenvlakte bij vroegere overstromingen door de zee een kleidek afgezet. Voor een groot deel zijn deze gebieden uitgeveend en weer ingepolderd.
Waterbeheersing
De grootschalige ontginning van Lemsterland vanaf de 12e eeuw maakte het in toenemende mate noodzakelijk om de waterhuishouding te reguleren. Om te beginnen waren voor de ontginning van het natte veengebied al afwateringssloten nodig om het overtollige water af te voeren (de kavelsloten in de strokenverkaveling). De ontwatering van het veen ten behoeve van de ontginning leidde echter tot klink en oxidatie van het veen, waardoor een voortdurende maaivelddaling optrad. Deze maaivelddaling maakte Lemsterland kwetsbaar voor wateroverlast vanuit hoger liggende veengebieden en de zich uitbreidende Zuiderzee. Hiertegen heeft men zich beveiligd door de aanleg van dijken. Om het water uit de Zuiderzee te keren, werd een zeedijk aangelegd (de Plattedijk en de Grietenijdijk). Om water af te kunnen voeren uit de omdijkte gebieden werden sluizen aangelegd, vaak met een nevenfunctie voor het doorlaten van schepen. Omdat ontwatering en maaivelddaling voortdurend bleven doorgaan, werden vanaf de 15e eeuw molens en vanaf de 19e eeuw gemalen ingezet om overtollig water af te voeren. In 1920 werd in Lemsterland het ir. D.F. Woudagemaal gebouwd.
De belangrijkste cultuurhistorische drager ten zuiden van het plangebied is het Woudagemaal. Het Woudagemaal is in 1920 in gebruik genomen. Het gemaal is het enige nog volledig werkende stoomgemaal in Nederland en is het grootste nog werkende stoomgemaal ter wereld. Door middel van de plaatsing van het gemaal op de UNESCO Werelderfgoedlijst wordt de cultuurhistorische waarde van het gemaal beschermd.
In het voorliggende bestemmingsplan worden verder geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de cultuurhistorische waarden aantasten.
Ingevolge het "Verdrag van Malta/ Valetta" is het noodzakelijk om te bezien of in het plangebied sprake is van te verwachten oudheidkundige waarden. De Archeologische Monumentenkaart (AMK) geeft een overzicht van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland. Daarnaast geeft de Inventarisatiekaart Archeologische Waarden (IKAW) een globaal overzicht van de mate waarin archeologische resten in een gebied kunnen worden aangetroffen.
Op de IKAW betreft het plangebied grotendeels een gebied met een "lage trefkans", voor het deel van het IJsselmeer geldt de verwachtingswaarde "water hoge trefkans" en een deel van het plangebied is een niet gekarteerd gebied.
In de periode 2002-2004 is door Archeologisch Adviesbureau RAAP een inventariserend archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd in de gemeente Lemsterland. Het onderzoek heeft geleid tot een gedetailleerde archeologische verwachtingskaart, een archeologische kwetsbaarheidskaart en een historisch geografische overzichtskaart (cultuurhistorische relictenkaart).
Op de archeologische verwachtingskaart is het plangebied hoofdzakelijk aangemerkt als een gebied met een middelhoge archeologische verwachting.
FAMKE
Op de FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra van de provincie Fryslan) is de kaart voor een belangrijk deel aangeduid met 'geen onderzoek noodzakelijk'. Het overige deel is aangeduid met 'karterend onderzoek 3'.
De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provinciedekkende kaarten die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan.
In het gebied aangeduid met 'karterend onderzoek 3' wordt in de FAMKE het volgende aangegeven: In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologische resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die het verstoren van de ondergrond mogelijk maken. Om die reden is archeologisch onderzoek achterwege gebleven.
Het plangebied betreft een laagveengebied. Het noordelijk deel is overwegend een open gebied. In het gebied zijn voornamelijk open graslanden met een rechte verkaveling. Verspreid langs het Streamkanaal ligt bebouwing. Het zuidelijk deel van het plangebied is recreatief in gebruik (Tacozijl).
In het kader van het bestemmingsplan moet aandacht worden besteed aan het aspect ecologie. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) opgenomen. Een planologische ontwikkeling mag geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied.
Natura 2000-gebied
In de nabijheid van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied "IJsselmeer".
Ecologische Hoofdstructuur
Het IJsselmeer maakt onderdeel uit van de EHS. Nabij het plangebied liggen andere gebieden die behoren tot de EHS, waaronder de Grutte Brekken en het land ten oosten hiervan, de Langesloot en Uitheiingpolder.
Op de volgende afbeelding is de ligging van het Natura 2000-gebied aangegeven door middel van de rode contour en de EHS-gebieden zijn weergegeven door middel van de groene contour.
Afbeelding: Ligging Natura 2000-gebied (rode contour) en Ecologische Hoofdstructuur (groene contour)
In het bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen bij recht mogelijk gemaakt. In dit kader wordt ecologisch onderzoek omtrent gebiedsbescherming daarom niet noodzakelijk geacht.
Soortbescherming
De Flora- en faunawet, die op 1 april 2002 in werking is getreden, richt zich op de bescherming van in het wild levende planten en dieren.
Op basis van de Flora- en faunawet zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van dier- en plantensoorten. De werkingssfeer van de Flora- en faunawet is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Flora- en faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.
Op basis van de Flora- en faunawet is het onder meer verplicht om bij het opstellen van een bestemmingsplan na te gaan of er mogelijke nadelige consequenties zijn voor beschermde inheemse soorten.
Gelet op het gegeven dat voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, mag geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor aanwezige flora en fauna.
Op het noordelijk deel van het plangebied concentreert het agrarisch gebruik zich voornamelijk tot weidegronden die liggen in de "landtong" die wordt gevormd door het Prinses Margrietkanaal en het Streamkanaal. De agrarische gronden worden doorsneden door een aantal kavelsloten. In het plangebied bevinden zich geen actieve agrarische bedrijven meer.
In het plangebied liggen langs het Streamkanaal enkele woningen. Dit betreft een drietal burgerwoningen, waaronder een voormalige agrarische bedrijfswoning. Op het recreatieterrein Tacozijl bevinden zich twee dienstwoningen. Bij de woningen behoren bijgebouwen, tuinen en erven.
Watersportcentrum Tacozijl
In het plangebied wordt gerecreëerd op het terrein van Tacozijl. Dit gebied bestaat uit drie verschillende hoofdfuncties, te weten:
Kampeerterrein
Dit gebied bestaat voor een deel uit stacaravans en voor een deel uit trekkersvelden (voor passanten). Het aantal jaarstandplaatsen is gelimiteerd tot 99. Bij het kampeerterrein komen ook diverse voorzieningen voor zoals sanitaire gebouwen en dergelijke.
Watersportcentrum
Het 'watersportcentrum' omvat diverse functies zoals een receptiegebouw, diverse algemene gebouwen ten behoeve van het algemeen recreatief gebruik en bijbehorende opslag, alsmede ook horeca en een kampwinkel. Langs het gebied zijn een groot aantal aanlegplaatsen en voorzieningen ten behoeve van de watersport waaronder ook een tankstation voor de recreatievaart.
Marinapark
Dit gebied bestaat uit recreatiewoningen, die allen aan het water zijn gelegen. De woningen beschikken over een ligplaats en tuin aan het water. Dit water staat in directe verbinding met het Friese merengebied.
Vaarroutes Prinses Margrietkanaal
Het plangebied grenst aan het Prinses Margrietkanaal en ligt vlakbij de Prinses Margrietsluis. Het Prinses Margrietkanaal is het Friese deel van de vaarweg Amsterdam - Delfzijl. Deze vaarweg maakt deel uit van het hoofdvaarwegennet van Nederland. Het Prinses Margrietkanaal is aangelegd in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Het Prinses Margrietkanaal is, vooral in de zomerperiode, een drukbevaren kanaal. Het in het plangebied gelegen deel van het kanaal wordt gezien als een populaire entree vanaf het IJsselmeer via de Grutte Brekken naar het Friese merengebied.
Verkeerswegen
Het plangebied ligt ten noorden van de weg Plattedijk - Suderseewei (N359). Dit is de doorgaande weg tussen Lemmer en Balk. De brug over het Streamkanaal zal binnen afzienbare termijn vervangen worden omdat de technische staat van de huidige brug niet meer volstaat. De nieuwe brug zal een vaste brug (zonder beweegbaar deel) worden.
Watergangen
Het plangebied maakt deel uit van de vaarweg Amsterdam - Delfzijl. Aan de westzijde van het plangebied ligt het Prinses Margrietkanaal met oevers. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een deel van het Streamkanaal (Afwateringskanaal).
De verkeerskundige aspecten leveren geen problemen op in het kader van dit bestemmingsplan.
Het bedrijventerrein "Lemsterhoek" is gezoneerd krachtens de Wet geluidhinder (zie ook paragraaf 3.10.2). De totale geluidsbelasting afkomstig van het bedrijventerrein mag de waarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op de zonegrens niet te boven gaan. Uit een toetsing van de representatieve bedrijfssituatie blijkt dat de geluidsgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op de zone niet wordt overschreden. Verder zijn bij de op- en overslag van vuurwerk externe veiligheidsaspecten van groot belang. Het aspect externe veiligheid komt in paragraaf 3.10.4 van deze toelichting aan de orde.
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect "geluid".
In de Wet geluidhinder is een zonering van wegen, spoorwegen en industrieterreinen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. In deze paragraaf wordt ingegaan op de geluidsaspecten met betrekking tot wegverkeerslawaai en industrielawaai van een gezoneerd industrieterrein. Het aspect spoorwegverkeerslawaai is in deze situatie niet relevant aangezien er geen spoorweg in de nabijheid van het plangebied ligt.
Wegverkeerslawaai
Op basis van de Wgh dient bij nieuwe ontwikkelingen een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai. Dit onderzoek moet aantonen of er door de ontwikkelingen sprake is van een reconstructiesituatie zoals bedoeld in de Wgh.
In het kader van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen bij recht toegestaan. In het plangebied is sprake van bestaande bebouwing, er worden geen geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk.
Industrielawaai
In hoofdstuk V van de Wet geluidhinder zijn voorschriften opgenomen waarbij wordt voorzien in de vaststelling van geluidszones rond industrieterreinen waarop inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zijn gevestigd of kunnen worden gevestigd. Door een verplichte zonering te koppelen aan de vestiging van dit type inrichtingen, wordt gewaarborgd dat in het planologisch beleid de milieuhygiënische kwaliteitsdoelstellingen tot hun recht komen. Het bedrijventerrein "Lemsterhoek" is gezoneerd krachtens de Wet geluidhinder. De 50 dB(A)-contourlijn ligt deels over het plangebied. Binnen de geluidszone wordt de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, uitgesloten.
Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening gehouden worden met het gestelde in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:
Van een verslechtering van de luchtkwaliteit in betekenende mate als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:
Voorliggend bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan en bevat niet een van deze ontwikkelingen. Geconcludeerd kan daarom worden dat met dit bestemmingsplan de luchtkwaliteit niet in betekenende mate zal verslechteren. Derhalve hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.
Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ('Indeling Leidraad maatramp') zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot:
Inrichting
De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (hierna: Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient te worden onderzocht:
In het kader van dit bestemmingsplan zijn er geen relevante Bevi inrichtingen bekend. Het aanwezige afleverpunt van brandstoffen aan vaartuigen valt onder het Activiteitenbesluit en de ministeriële regeling. Het afleverpunt voldoet aan de voorwaarden die hierin worden gesteld.
Buisleiding
In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen buisleidingen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er zijn in dit kader dan ook geen externe veiligheidseffecten waarmee rekening moet worden gehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Over het Prinses Margrietkanaal vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. In het "Basisnet Vervoer gevaarlijke stoffen" (4 december 2008) en het rapport "Knelpunten & aandachtspunten vervoer van gevaarlijke stoffen door Fryslân" is aangegeven dat vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over het Prinses Margrietkanaal.
In het Basisnet Vervoer gevaarlijke stoffen is de route aangegeven als "binnenvaartverbinding chemische clusters & achterlandverbindingen met plasbrandsaandachtsgebied". Het betreft een vaarweg waar regelmatig vervoer van brandbare vloeistoffen plaatsvindt. Het plasbrandsaandachtsgebied heeft een zone van 25 meter. In het rapport wordt geconcludeerd dat er in de huidige situatie nergens in Fryslân een overschrijding van de oriënteringswaarde van het groepsrisico en ook geen overschrijding van de normen van het plaatsgebonden risico is.
Daarnaast zijn zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van de Prinses Margrietsluis kegelligplaatsen aanwezig. Dit zijn door Gedeputeerde Staten aangewezen ligplaatsen, waar schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren mogen wachten. Hierbij wordt wel geadviseerd om in het bestemmingsplan te borgen dat niet zonder meer nieuwe bebouwing binnen de zone van 100 meter kan worden opgericht.
Advies Bureau Externe Veiligheid
Bureau Externe Veiligheid Fryslân heeft op 11 december 2012 advies uitgebracht inzake het voorliggende bestemmingsplan. Potentieel relevante risicobronnen voor het plangebied zijn:
Op basis van het advies kan worden geconcludeerd dat het transport van gevaarlijke stoffen over de N359 en het transport over het water geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan.
Ook vormt de kegelligplaats geen belemmering voor het bestemmingsplan. Hierbij wordt wel geadviseerd om in het bestemmingsplan te borgen dat niet zonder meer nieuwe bebouwing binnen de zone van 100 meter kan worden opgericht. In het bestemmingsplan hebben deze gronden de bestemming Agrarisch en Groen, waarbinnen geen gebouwen mogen worden opgericht.
Advies Brandweer
Op 28 januari 2014 heeft de Brandweer Fryslân advies uitgebracht op het concept bestemmingsplan. De brandweer heeft het volgende aangegeven:
Het bestemmingsplan voor het recreatiegebied is overwegend een actualisatie van de reeds bestaande planologische mogelijkheden. In de nabijheid van het plangebied is het Prinses Magrietkanaal en de N359 gelegen. Over deze (vaar)wegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en worden daarom gezien als risicobronnen. De brandweer heeft in haar advies gekeken naar een aantal aspecten voor deze risicobronnen:
Op basis van de beoordeling adviseert de brandweer als volgt:
Op basis van het voorgaande advies van het Advies Bureau Externe Veiligheid en de Brandweer Fryslân bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het in procedure brengen van het bestemmingsplan.
In het plangebied bevinden zich geen bovengrondse en/of ondergrondse leidingen die ruimtelijk relevant zijn op bestemmingsplanniveau.
In dit hoofdstuk worden de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels voor zover nodig van een nadere toelichting voorzien.
De regels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd kan of mag worden. Bij de opzet van de regels is getracht het aantal bepalingen zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, wat werkelijk noodzakelijk is.
De bij dit plan behorende regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP, versie 2012) onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:
In hoofdstuk 1 worden enkele in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Als begrippen niet zijn opgenomen kan worden aangesloten bij Van Dale en het spraakgebruik. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.
Hoofdstuk 2 bevat bestemmingsregels. Conform de SVBP kunnen de bestemmingsregels bestaan uit:
Ad 1, 5 en 6 (bestemmingsomschrijving, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels).
De bestemmingsomschrijving is van groot belang om vast te stellen waartoe de gronden mogen worden gebruikt. Zie ook de algemene gebruiksregels. Soms is in de specifieke gebruiksregels een nadere invulling gegeven van de bestemmingsomschrijving. In sommige gevallen is de specifieke gebruiksregel opgenomen om duidelijk aan te geven welk gebruik in strijd met de bestemming moet worden geacht. Zo'n bepaling mag niet a contrario worden uitgelegd. De omschrijving van hetgeen in elk geval als strijdig met de bestemming wordt aangemerkt is niet limitatief. Er kunnen dus geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het gebruik dat niet in de gebruiksregels is opgenomen; dat dient steeds te worden getoetst aan de bestemmingsomschrijving.
De mogelijkheid om af te wijken van de gebruiksregels, opgenomen in hetzij de bestemmingsomschrijving hetzij de specifieke gebruiksregels, is opgenomen om bij bepaald gebruik een afweging te kunnen maken ten aanzien van de locatie.
In het kader van de handhaving van het bestemmingsplan zijn de bestemmingsomschrijving en de specifieke gebruiksregels van groot belang.
Ad 2 en 4 (bouwregels, afwijken van de bouwregels).
De bouwregels geven de bouwmogelijkheden aan. Omdat steeds is opgenomen dat alleen mag worden gebouwd ten dienste van de bestemming zijn de bouwmogelijkheden niet los te zien van de bestemmingsomschrijving.
Ondergronds bouwen is toegestaan zolang maar wordt gebouwd ten dienste van de bestemming en met inachtneming van de bouwregels.
Ad 3 (nadere eisen).
De bevoegdheid om nadere eisen te stellen is opgenomen om bepaalde belangen te kunnen behartigen.
Ad 7 (vergunning uitvoeren werken / werkzaamheden).
Alle activiteiten die niet zijn aan te merken als bouwen vallen onder gebruik, dus ook het uitvoeren van werken en werkzaamheden (die geen bouwwerkzaamheden zijn). Het is de bestemmingsomschrijving die bepaalt of een bepaald gebruik al dan niet toelaatbaar is. Voorafgaand aan de vraag of een vergunning nodig is, dient dus steeds eerst de vraag te worden beantwoord of de activiteit in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijving. Zo ja, dan komt men toe aan de vraag of voor die activiteit een vergunning nodig is en zo ja, of die kan worden verleend. Bij de vraag of de vergunning kan worden verleend worden de waarden afgewogen die in de bestemmingsomschrijving zijn vermeld.
Ad 8 (wijziging).
De wijzigingsbepaling maakt een wijziging van een bestemming in een andere bestemming of een wijziging in de aanduidingen op de plankaart mogelijk. Op basis van artikel 3.9a Wro worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze omtrent de wijziging naar voren te brengen.
Hoofdstuk 3 bevat algemene regels die in beginsel voor het gehele bestemmingsplan gelden. Vaak zijn ze van toepassing op meerdere bestemmingen. Uit praktische overwegingen zijn ze conform de SVBP in een afzonderlijk hoofdstuk ondergebracht.
Hoofdstuk 4 bevat het op grond van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overgangsrecht.
Bestemming "Agrarisch" (artikel 3)
De bestemming "Agrarisch" is toegekend aan de gronden waar het agrarisch gebruik primair is. De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf. Omdat in deze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd, ziet de uitoefening van het agrarische bedrijf binnen deze bestemming op het bedrijfsmatig weiden van vee en/of het telen van gewassen.
De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud van de landschappelijke waarden, tot uitdrukking komend in de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen. Het gaat hierbij om de waarden die aanwezig waren ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan. Dus waar op dat moment sprake was van openheid is de waarde de openheid en waar op dat moment sprake was van kleinere natuurelementen bestaat de waarde uit de kleinere natuurelementen.
Bestemming "Groen" (artikel 4)
De afschermende beplanting langs het recreatieterrein heeft deze bestemming gekregen.
Bestemming "Recreatie" (artikel 5)
Deze bestemming regelt voorzieningen ten behoeve van de recreatieve bestemmingen. Op bijgevoegde afbeelding is aangegeven hoe de begrenzing van Recreatie en Verblijfsrecreatie 1 en Verblijfsrecreatie 2 is bepaald op de verbeelding.
In deze bestemming zijn onder meer de voorkomende functies mogelijk, zoals een winterberging, een horecagelegenheid bij de haven, bijbehorende kantoren, dienst/bedrijfswoningen, een strand en een evenementenhal.
Afbeelding: Onderscheid recreatie bestemmingen
Bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" (artikel 6)
Deze bestemming betreft de recreatiewoningen en chalets. Door middel van een aanduiding is het totaal maximum aantal van 50 toegestane recreatiewoningen en chalets aangegeven op de verbeelding. Van dit aantal mogen er ten hoogste 12 chalets worden gebouwd. Een perceel moet ten minste 350 m2 bedragen. De oppervlakte van een recreatiewoning mag ten hoogste 90 m2 bedragen. De oppervlakte van een chalet mag ook maximaal 90 m2 (inclusief inpandige berging) bedragen.
Bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" (artikel 7)
Deze bestemming betreft het kampeerterrein, bestemd voor kampeermiddelen (tenten, toercaravans etc) alsmede maximaal 140 stacaravans of chalets. Het maximum aantal jaarstandplaatsen is vastgelegd in de regels. De oppervlakte van een stacaravan of chalet mag niet meer dan 55 m2 bedragen (exclusief uitpandige berging van 6 m2), tenzij de oppervlakte reeds groter is ten tijde van de terinzagelegging van dit plan in welk geval deze oppervlakte mag worden gehandhaafd.
Binnen deze bestemming is ter plaatse van een aanduiding aangegeven waar bedrijfswoningen zijn toegelaten.
Bestemming "Tuin" (artikel 8)
Deze bestemming regelt de tuin behorende bij de woonbestemming. Op deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.
Bestemming "Verkeer" (artikel 9)
De belangrijkste (openbare) verkeerswegen zijn bestemd tot verkeer.
Bestemming "Water" (artikel 10)
De waterlopen, waterwegen en waterpartijen zijn bestemd tot water.
Bestemming "Water - Waterkering" (artikel 11)
De verschillende dijken en kaden zijn voor de gemeente van belang als waterkering. Onderscheid kan worden gemaakt in primaire waterkeringen, secundaire waterkeringen en boezemkaden. De keur geldt ook voor waterkeringen. In het bestemmingsplan is alleen de primaire waterkering positief bestemd als "Water - Waterkering". De overige waterkeringen zijn meegenomen in de bestemmingsomschrijving van de bestemming, waarbinnen ze liggen.
Voor de bestemming Water - Waterkering geldt een vergunningstelsel voor het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden. Het normale onderhoud en de normale exploitatie zijn niet vergunningplichtig. Bij normaal onderhoud kan in elk geval gedacht worden aan onderhoud aan de waterkering en andere reguliere handelingen van water(kering)beheerders.
Bestemming "Wonen" (artikel 12)
De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woonhuizen. Een woonhuis moet in een bouwvlak worden gebouwd. Per bouwvlak mag niet meer dan 1 woonhuis worden gebouwd. Het woonhuis is het hoofdgebouw. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2, tenzij een grotere oppervlakte aanwezig is op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, in welk geval die oppervlakte als maximum geldt. Bij voormalige boerderijen mag het aangebouwde, voormalige bedrijfsgedeelte bij de woning worden betrokken. Hierbij is gedacht aan inpandige stallen bij traditionele boerderijen, niet aan andere stallen die toevallig zijn aangebouwd aan een modern woonhuis.
Voor het woonhuis geldt een minimale breedte, een minimale en maximale goothoogte, een maximale bouwhoogte, een minimale afstand tot de zijdelingse perceelgrens en een minimale en maximale dakhelling. Bepaald is dat als op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan een andere maatvoering aanwezig is, dat die dan als maximum respectievelijk minimum mag worden gehanteerd. Dat betekent dus dat als het woonhuis op dat tijdstip breder is dan 5 meter, het bij herbouw weer opnieuw breder mag zijn dan 5 meter en dat als het woonhuis een dakhelling had van minder dan 30°, de dakhelling bij herbouw ook minder mag zijn dan 30°.
Het plan maakt een duidelijk onderscheid tussen hoofdgebouwen enerzijds en bijgebouwen en aanbouwen en uitbouwen anderzijds. Voor aanbouwen/uitbouwen/bijgebouwen gelden aparte bouwregels. Ook hiervoor geldt dat als er op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een afwijkende maatvoering aanwezig is, dat die maatvoering als maximum/minimum mag worden gehanteerd. Een uitzondering geldt voor de oppervlakte: als er nu een bijgebouw van meer dan 200 m² is, dan mag het bijgebouw bij herbouw maximaal 200 m² zijn. Stel: er worden twee bijgebouwen gesloopt; 1 van 500 m² en 1 van 600 m². Er mag dan 2 x 200 m² worden herbouwd. Deze gebouwen hoeven niet op dezelfde plaats te worden herbouwd, maar de oppervlaktes mogen niet worden samengevoegd tot 1 gebouw van 400 m². In zoverre geldt een ontmoedigingsbeleid voor herbouw van grote bijgebouwen. Voor het samenvoegen van bijgebouwen tot een bijgebouw met een oppervlakte van meer dan 75 m² is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, die overigens ook is begrensd op 200 m². Stel: er worden twee bijgebouwen gesloopt van elk 50 m². Dan mag je twee bijgebouwen herbouwen van 50 m², maar je mag ze ook samenvoegen tot één bijgebouw van 87,5 m². Ander voorbeeld: er wordt één bijgebouw gesloopt van 150 m² en één van 80 m². Ieder afzonderlijk mogen ze worden herbouwd. Na afwijking mogen ze worden samengevoegd tot één bijgebouw van 152,50 m², namelijk 75 m2 + (de helft van (230 - 75 m2) =) 77,5 m2 = 152,50 m2.
De plaats van een gebouw wordt bepaald door de volgende regels:
Bed & brochje mag alleen worden gehouden in het woonhuis. Het aantal kamers dat daarvoor mag worden aangewend is beperkt tot 3 en de oppervlakte per kamer mag niet meer dan 25 m2 bedragen.
In de bestemmingsomschrijving zijn opgenomen aan-huis-verbonden-beroepen. Deze doeleinden veronderstellen de woonfunctie aanwezig. Hetzelfde geldt voor het hobbymatig houden van vee, dat kan worden afgezet tegen het beroepsmatig houden van vee. Dat betekent dat een hoeveelheid vee, die niet genoeg is voor een agrarische bestemming, hobbymatig mag worden gehouden. Hierop is uiteraard wel de milieuwetgeving van toepassing.
De grond is ook bestemd voor het behoud en de versterking van de landschappelijke waarden, tot uitdrukking komend in de instandhouding en aanleg van boomsingels en andere hoogopgaande beplanting. De kwaliteit van het landelijke gebied wordt in hoge mate bepaald door de aanwezigheid van houtopstanden rond gebouwen. Het is van belang dat de aanwezige houtsingels in stand blijven en worden verbeterd. Waar ze niet aanwezig zijn, mogen ze worden toegevoegd. Het is mogelijk dat een nadere eis wordt gesteld aan de plaats van een gebouw om ruimte te laten voor houtsingels.
Anti-dubbeltelregel (artikel 13)
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen indien een deel van het bouwperceel, dat reeds eerder bij de berekening van een bepaalde afstand was betrokken wederom - nu ten behoeve van een ander bouwperceel - wordt betrokken. De regel is verplicht op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4).
Algemene gebruiksregels (artikel 14)
Van een aantal activiteiten is expliciet aangegeven of zij als strijdig met de bestemming dan wel als niet strijdig met de bestemming worden aangemerkt.
Algemene aanduidingsregels (artikel 15)
Dit artikel bevat regels voor de "geluidzone - industrie", welke geluidzone daar ligt vanwege het bedrijventerrein Lemsterhoek. Eveneens is de "vrijwaringszone - dijk" opgenomen ter bescherming van de nabij gelegen primaire waterkering.
Algemene afwijkingsregels (artikel 16)
Deze regels bevatten enkele algemene afwijkingsregels.
Algemene wijzigingsregels (artikel 17)
Deze regels omvatten enkele algemene wijzigingsregels.
Algemene procedureregels (artikel 18)
De procedure voor wijzigingen is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.9a) en de procedure voor afwijken van het bestemmingsplan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 3.9). Voor het stellen van nadere eisen is de procedure opgenomen in het bestemmingsplan (op basis van artikel 3.6 lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening).
Overige regels (artikel 19)
In dit artikel wordt verwezen naar een aantal overige regels die van toepassing zijn. Aangegeven is dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Ook is er een bepaling opgenomen met betrekking tot de Vaarwegenverordening Friesland. Hierin is bepaald dat ingevolge de Vaarwegenverordening ter hoogte van het Streamkanaal binnen een zone van 15 m, grenzend aan de bestemming Water, de gronden mede bestemd zijn voor het beschermen van een veilig en doelmatig functioneren van de vaarweg.
Overgangsrecht (artikel 20 en 21)
Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan, dan wel bebouwing waarvoor omgevingsvergunning voor dit tijdstip moet worden verleend, is onder het overgangsrecht gebracht, uitgezonderd illegale bebouwing. Een geringe uitbreiding van de bebouwing kan mogelijk worden gemaakt. Indien de onder het overgangsrecht gebrachte bebouwing door een calamiteit verloren gaat, is volledige herbouw toegestaan. Daarnaast maakt de regeling het mogelijk om de onder het overgangsrecht gebrachte bebouwing gedeeltelijk te vernieuwen of te veranderen.
Het gebruik van gronden en opstallen dat in strijd is met dit bestemmingsplan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, mag worden voortgezet, tenzij dat gebruik reeds voor dat moment strijdig met de bestemming was. Voor een specifieke situatie is persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen ten behoeve van dagrecreatief gebruik, niet in een caravan en niet in een gebouw.
In het kader van de inspraak is het voorontwerpbestemmingsplan "Mutserdpolder" gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd.
De resultaten van deze inspraakprocedure zijn in Bijlage 2 Inspraak en overleg van deze toelichting opgenomen.
Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan voorgelegd aan het Wetterskip Fryslân en is overleg gepleegd met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In Bijlage 2 Inspraak en overleg zijn de reacties opgenomen en beantwoord.
Op grond van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Voor wat betreft de economische uitvoerbaarheid kan worden gesteld dat het hier bestaande situaties betreft waaraan een planologisch-juridische regeling is toegekend. Aan de realisatie van deze regeling zijn voor de gemeente geen kosten verbonden.
Grondexploitatiewet
Voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen moet de raad in beginsel een exploitatieplan vaststellen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan is bepaald in artikel 6.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. De raad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen in een aantal in de wet omschreven gevallen (artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening).
Het voorliggende bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan. De bestaande functies krijgen een nieuwe planologisch-juridische regeling. Het bestemmingsplan maakt ten opzichte van de bestaande situatie geen extra woningen of extra hoofdgebouwen mogelijk. De bestemmingen laten uitsluitend de reeds bestaande functies toe.
Nieuwbouw van een woning of van een bedrijfsgebouw kan alleen aan de orde zijn bij vervanging van een bestaande woning respectievelijk het bestaande bedrijfsgebouw. Planologisch gezien maakt het bestemmingsplan dit mogelijk. Vooraf is echter niet in te schatten of en waar van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Bovendien is niet te verwachten dat aan dergelijke bouwplannen kosten voor de gemeente zijn verbonden.
De gemeente heeft daarom geoordeeld dat bij het voorliggend bestemmingsplan geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld.
Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft met ingang van 28 november 2014 gedurende zes weken het ontwerpbestemmingsplan “Mutserdpolder” voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kon gedurende deze termijn van terinzagelegging zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan indienen.
Er zijn tijdig twee zienswijzen bij de raad kenbaar gemaakt. Eén zienswijze heeft daarbij aanleiding gegeven voor een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
Op 17 maart 2015 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. De bij de vaststelling behorende stukken (raadsbesluit, raadsvoorstel en de hierin genoemde “Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Mutserdpolder”) zijn als los onderdeel bij het (digitale) bestemmingsplan gevoegd.
17 maart 2015.