direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Marsum - Verschillende locaties
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Menameradiel wil in het dorp Marsum enkele ontwikkelingen bij recht mogelijk maken. Het gaat daarbij om de bouw van particuliere woningen en een bedrijfswoning met loods. De gewenste ontwikkelingen zijn als volgt te formuleren:

  • 1. de bouw van een particuliere woning naast Tjalling van Eysingawei 14;
  • 2. de bouw van een bedrijfswoning en loods ten noorden van het perceel bedoeld bij 1;
  • 3. de bouw van één woning naast Riemer Veemanstrjitte 15;
  • 4. de realisatie van maximaal twee woningen naast Uniastrjitte 10.

Binnen het geldende bestemmingsplan voor Marsum zijn voor deze percelen wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Deze maken de gewenste ontwikkelingen mogelijk. Hieraan zijn echter voorwaarden verbonden, hierover volgt in 1.2 meer.

De bovengenoemde percelen zijn in onderstaande figuur aangegeven en vormen het plangebied van dit wijzigingsplan. Dit plan wijzigt het geldende bestemmingsplan voor de verschillende percelen in het plangebied, waardoor de gewenste ontwikkelingen mogelijk worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01_0001.png"

De verschillende locaties waarop dit wijzigingsplan van toepassing is

1.2 Planologische regeling

Voor de verschillende percelen in het plangebied geldt nu het bestemmingsplan Marsum dat is vastgesteld in 2011. In dat bestemmingsplan zijn voor de verschillende percelen wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Voor de verschillende locaties zijn aparte regelingen van toepassing. Deze zijn opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting (Bijlage 1).

Uit die inventarisatie van de geldende juridische regeling blijkt dat voor de locaties verschillende wijzigingsbevoegdheden en daarbij horende voorwaarden zijn gekoppeld. Daaruit blijkt dat voor alle locaties onderzoek naar externe veiligheid en de geluidsbelasting (o.a. industrie) van belang is. Daarnaast wordt voor alle locaties bij geluid specifieke aandacht besteed aan de gewijzigde situatie met betrekking tot het luchtvaartlawaai, door de vaststelling van het nieuwe luchthavenbesluit voor de vliegbasis. Voor de locaties 1, 3 en 4 is daarnaast nog een soortenquickscan (ecologie) van belang. Uit de inventarisatie blijkt dat dit bij locatie 2 geen voorwaarde is.

De toetsingscriteria die in de bijlage genoemd zijn, zijn voor alle locaties gelijk. Het gaat daarbij om het voorkomen van onevenredige aantasting van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het Beschermd Dorpsgezicht;
  • c. de woonsituatie;
  • d. de milieusituatie;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Naast de voorwaarden en toetsingscriteria vanuit de wijzigingsbevoegdheid is ook de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" op alle locaties van toepassing. In de regels bij die bestemming is aangegeven dat bij bouwen en werkzaamheden met een oppervlakte van 50 m2 een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Naast de hiervoor genoemde aspecten wordt daarom ook archeologie specifiek beoordeeld.

In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de voorwaarden en toetsingscriteria voor de verschillende locaties. In onderstaande afbeeldingen zijn, voor de verschillende locaties, fragmenten van het bestemmingsplan Marsum opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01_0002.png"

Fragment bestemmingsplan Marsum; locaties 1 en 2

afbeelding "i_NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01_0003.png"

Fragment bestemmingsplan Marsum; locatie 3

afbeelding "i_NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01_0004.png"

Fragment bestemmingsplan Marsum; locatie 4

1.3 Leeswijzer

Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de voorgenomen initiatieven. Naast de huidige planologische regeling zijn deze immers het uitgangspunt voor de nieuwe regeling. In hoofdstuk 3 komt vervolgens de toetsing aan de voorwaarden en toetsingscriteria aan bod. Daarbij wordt aangetoond hoe en waarom de gewenste ontwikkelingen passend zijn. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de uitvoerbaarheid, waarbij ingegaan wordt op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft tot slot een korte beschrijving van de juridische regeling van dit plan. De bijlagen zijn ondersteunend aan de informatie die in de verschillende hoofdstukken staat beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk staat een beschrijving van de huidige en gewenste situatie in het plangebied. De huidige situatie is van belang omdat de gewenste bebouwing daarin goed ingepast moet worden. De gewenste situatie is het belangrijkste uitgangspunt voor dit wijzigingsplan en wordt om die reden toegelicht.

2.1 Huidige situatie

In deze paragraaf wordt per locatie de huidige situatie kort beschreven. De locaties 1 en 2 worden daarbij gecombineerd, omdat deze naast elkaar liggen. De locaties liggen in verschillende omgevingen, waarin de gewenste ontwikkelingen moeten passen.

2.1.1 Locaties 1 en 2; Tjalling van Eysingawei

Locaties 1 en 2 bevinden zich op het bedrijventerrein aan de oostzijde van Marsum. De locaties betreffen de twee (bedrijfs)kavels ten noorden van het woonperceel Tjalling van Eysingawei 14. De locaties zijn bereikbaar via de Tjalling van Eysingawei en de Eets Hiddemastrjitte.

Het bedrijventerrein kent vooral bedrijfspanden langs de Sasker van Heringawei, bedrijfswoningen komen daar niet voor. Aan de overzijde van Tjalling van Eysingawei zijn bij de locaties 1 en 2 recentelijk ook twee bedrijven gerealiseerd. Ten zuiden van deze percelen is een groenstrook aanwezig die vrij blijft van bebouwing. Bij de bedrijven gaat het om bedrijven in de categorieën 1 en 2, omdat deze goed verenigbaar zijn met de woonomgeving. Langs de Eets Hiddemastrjitte en Tjalling van Eysingawei staan vooral woningen. Onderstaande luchtfoto geeft een beeld van de bestaande situatie rond de locaties 1 en 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01_0005.jpg"

Bestaande situatie locaties 1 en 2 (gearceerd)

De woningen rond de locaties 1 en 2 zijn vrijstaand of geschakeld en bestaan uit één of twee bouwlagen met een kap. De architectuur geeft een divers beeld. De woningen direct ten zuiden van locatie 1 staan echter wel allemaal in een strakker rooilijn. Ook bij de bedrijfspanden is sprake van een divers ruimtelijk beeld. De goothoogte van de verschillende panden verschilt en ook een kap is niet altijd aanwezig.

De locaties worden aan de oostzijde begrensd door een boomsingel. Deze vormt een ruimtelijke afscheiding tussen het bedrijventerrein en het oostelijk daarvan gelegen landelijk gebied. De locaties zelf hebben nu een lage begroeiing, vooral bestaand uit gras. De omliggende woningen hebben allemaal ruime tuinen. De omgeving heeft daarom een groene uitstraling.

2.1.2 Locatie 3; Riemer Veemanstrjitte

Deze locatie ligt tussen de Riemer Veemanstrjitte en de ijsbaan aan de noordwestzijde van het dorp. Het perceel is in gebruik als dierenweide en bestaat daarom vooral uit grasland. Het perceel is bereikbaar via de Riemer Veemanstrjitte en het Franjumbuorsterpaad. Noordelijk loopt langs deze locatie een fietspad richting Ingelum.

Aan de zuid- en oostzijde van deze locatie zijn vooral woningen aanwezig. Ten noorden van deze locatie ligt een sportveldencomplex, ten westen de ijsbaan die alleen in de winter gebruikt wordt. Het clubhuis bij de ijsbaan staat aan het eerder genoemde fietspad. Onderstaande luchtfoto geeft een beeld van de bestaande situatie rond locatie 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01_0006.jpg"

Bestaande situatie locatie 3 (gearceerd)

De woonbebouwing in de omgeving van deze locatie is vrijstaand of geschakeld. De bebouwing bestaat uit één of twee bouwlagen met een kap. De woningen langs de westzijde van de Riemer Veemanstrjitte staan in een regelmatig getrapte rooilijn langs de weg. De voorgevel is breed en georiënteerd op die weg.

Langs de randen van deze locatie zijn enkele solitaire bomen en lage beplanting aanwezig. Het gaat om jongere beplanting. De beplanting is niet bepalend voor het beeld van de straat door het open karakter ervan.

2.1.3 Locatie 4; Uniastrjitte

De locatie aan de Uniastrjitte ligt meer centraal in het dorp dan de hiervoor genoemde locaties. De locatie is te bereiken via de Uniastrjitte.

Rond deze locatie is sprake van de functies wonen en maatschappelijke voorzieningen. Bij de maatschappelijke voorzieningen gaat het om het dorpshuis en een multifunctioneel gebouw waarin scholen en een bibliotheek aanwezig zijn. Deze liggen beide direct zuidelijk van de locatie. In onderstaande afbeelding is de huidige situatie rond deze locatie te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1908.WPMRSVERSCHLOC-VA01_0007.jpg"

Bestaande situatie locatie 4 (gearceerd)

Vanwege de verschillende functies is bij de bebouwing sprake van een divers beeld. De woningen zijn vrijstaand of twee-onder-één kap en bestaan uit anderhalf of twee bouwlagen met een kap. De woningen staan in een vaste rooilijn, langs de Uniastrjitte.

De verschijningsvorm van de gebouwen met een maatschappelijke voorziening is ingegeven door de functie ervan. Het betreffen gebouwen met een relatief lage bouwhoogte (maximaal twee bouwlagen) en een - in verhouding tot de omgeving - grote oppervlakte.

De locatie bestaat vooral uit grasland, alleen aan de zuidoostzijde is sprake van een hogere beplanting. Deze bestaat uit lagere bomen, struweel en struiken.

2.2 Gewenste ontwikkelingen

Voor dit wijzigingsplan is niet sprake van een concreet initiatief. De gemeente wil, binnen de kaders van het bestemmingsplan voor Marsum, de (bouw)mogelijkheden alvast faciliteren. Dit wijzigingsplan geeft dan ook de kaders voor de mogelijkheden op de verschillende locaties.

Zoals ook in 1.1 aangegeven gaat het in dit wijzigingsplan om de realisatie van (particuliere) woningen en een bedrijfsloods met bedrijfswoning. Op de locaties 1 en 3 gaat het om het mogelijk maken van ten hoogste één nieuwe particuliere woning. Op de locatie 4 om ten hoogste twee nieuwe woningen. Op locatie 2 moet een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning mogelijk worden gemaakt.

De woningen en de bedrijfsbebouwing hebben in dit wijzigingsplan ieder hun eigen regeling en worden daarom apart van elkaar behandeld. Daarbij wordt naast de gewenste mogelijkheden op de locaties ook ingegaan op de welstandseisen die voor de locaties gelden.

2.2.1 Locaties 1, 3 en 4: Woningen

De locaties 1,3 en 4 zijn allemaal bedoeld voor woningen. Het gaat daarbij in dit geval om woonhuizen (grondgebonden). Wanneer bewoners vanuit hun woning werken, veranderen zij soms een deel van de woning en/of een bijbehorend bouwwerk (bijvoorbeeld garage) ten behoeve van bijvoorbeeld een kantoor. Dit valt onder het begrip 'aan-huis-verbonden beroep of bedrijf'.

Naast de tuinen kunnen bij deze woningen andere functies en voorzieningen aanwezig zijn. Daarbij kan het gaan om bijvoorbeeld (openbare) wegen, voetpaden, parkeervoorzieningen, water en groen. Deze voorzieningen zijn over het algemeen in ondergeschikte mate aanwezig en worden bij recht mogelijk gemaakt.

Zoals aangegeven gaat het om de bouw van woningen. Wanneer ten hoogste één woning wordt toegestaan (locaties 1 en 3) gaat het om vrijstaande woningen. Bij locatie 4 mogen twee vrijstaande, maar ook twee geschakelde woningen worden gebouwd.

Voor de afmetingen van het hoofdgebouw (het woonhuis) wordt per locatie aangesloten op de woonbebouwing in (directe) omgeving ervan. Zo wordt de nieuwbouw op een goede manier ingepast. Naast de daadwerkelijk bestaande situatie (zie ook 2.1), geeft de welstandsnota (actualisatie 2012) van de gemeente hiervoor de nodige handvatten. Voor de verschillende locaties in het plangebied van dit wijzigingsplan heeft dit de volgende gevolgen:

Ruimtelijke uitgangspunten locatie 1: Tjalling van Eysingawei

  • ten hoogste één woning
  • vrijstaande woning;
  • het hoofdgebouw staat in dezelfde rooilijn als de naburige woningen (zuidelijk van deze locatie);
  • de woning staat haaks op de weg;
  • het hoofdgebouw heeft één bouwlaag met een kap;
  • bijbehorende bouwwerken liggen achter de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • bijbehorende bouwwerken zijn ruimtelijk ondergeschikt aan het hoofdgebouwen bestaan uit hooguit één bouwlaag (met een kap).

Ruimtelijke uitgangspunten locatie 3: Riemer Veemanstrjitte

  • ten hoogste één woning;
  • vrijstaande woning;
  • het hoofdgebouw is op dezelfde manier gericht (eenzelfde rooilijn) als de naburige woningen (zuidelijk van deze locatie);
  • de woning staat evenwijdig aan de weg;
  • het hoofdgebouw heeft één bouwlaag met een kap;
  • bijbehorende bouwwerken liggen achter de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • bijbehorende bouwwerken zijn ruimtelijk ondergeschikt aan het hoofdgebouw en bestaan uit hooguit één bouwlaag (met een kap).

Ruimtelijke uitgangspunten locatie 4: Uniastrjitte

  • ten hoogste twee woningen;
  • vrijstaande woning bij de bouw van één woning;
  • geschakelde woningen bij de bouw van twee woningen;
  • een hoofdgebouw staat in dezelfde rooilijn als de naburige woningen (noordelijk van deze locatie);
  • een hoofdgebouw heeft twee bouwlagen met een kap;
  • bijbehorende bouwwerken liggen achter de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • bijbehorende bouwwerken zijn ruimtelijk ondergeschikt aan het hoofdgebouw en bestaan uit hooguit één bouwlaag (met een kap).
2.2.2 Locatie 2: Bedrijfsbebouwing

Op deze locatie wordt een bedrijfsbebouwing met een bedrijfswoning gerealiseerd. Het gaat daarbij om bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, zodat milieuhinder voor de nabij gelegen (particuliere) woningen zo veel mogelijk wordt voorkomen. Het parkeren voor het bedrijf komt op het eigen erf.

Het perceel is voornamelijk ingericht voor de bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast kunnen andere functies en voorzieningen aanwezig zijn. Daarbij kan het gaan om bijvoorbeeld (openbare) wegen, voetpaden, parkeervoorzieningen, water en groen. Deze voorzieningen zijn over het algemeen in ondergeschikte mate aanwezig en worden bij recht mogelijk gemaakt.

Voor de afmetingen van de bedrijfsbebouwing wordt aangesloten op de huidige mogelijkheden op het bedrijventerrein. Bij de bedrijfswoning wordt aangesloten op de woonbebouwing in (directe) omgeving ervan. De bedrijfswoning ligt op het zuidelijk deel van het erf zodat deze het ´bebouwingslint´ langs de Tjalling van Eysingawei afrondt. Zo wordt de nieuwbouw op een goede manier ingepast. Net als bij de woonlocaties geven de daadwerkelijk bestaande situatie (zie ook 2.1) en de welstandsnota (actualisatie 2012) van de gemeente hiervoor de nodige handvatten. Voor deze locatie heeft dit de volgende gevolgen:

Ruimtelijke uitgangspunten locatie 2: Tjalling van Eysingawei:

  • de bedrijfsbebouwing mag vrij in het perceel geplaatst worden, echter op een afstand van ten minste 5,00 meter van openbaar gebied;
  • de bedrijfsbebouwing mag plat afgedekt worden of heeft een kap;
  • de goot- en bouwhoogte van de bedrijfsbebouwing zijn vergelijkbaar met die in de van de bedrijven in de omgeving;
  • ten hoogste één bedrijfswoning;
  • vrijstaande bedrijfswoning;
  • de bedrijfswoning staat zuidelijk in de locatie;
  • de bedrijfswoning is voor het bedrijfsgebouw gesitueerd;
  • de bedrijfswoning staat in dezelfde rooilijn als de naburige woningen (locatie 1 en verder zuidelijk daarvan);
  • de bedrijfswoning staat haaks op de weg;
  • de bedrijfswoning heeft één bouwlaag met een kap;
  • bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning liggen achter de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning zijn ruimtelijk ondergeschikt aan het hoofdgebouwen bestaan uit hooguit één bouwlaag (met een kap).

Hoofdstuk 3 Voorwaarden en toetsingscriteria wijzigingsbevoegdheid

Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van en toetsing aan de voorwaarden en toetsingscriteria bij de wijzigingsbevoegdheden. Daarbij zijn de voorwaarden hard, hieraan moet voldaan worden, om de wijziging van het bestemmingsplan voor de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

3.1 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico’s bloot te stellen.

Bij externe veiligheid gaat het om risicovolle inrichtingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen boven en onder de grond. Bij de locaties in het plangebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen waarbij het invloedsgebied over het plangebied valt. Bij de vliegbasis vindt opslag van munitie en andere gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze opslag.

Ditzelfde geldt voor de boven- en ondergrondse transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Daarbij is bijvoorbeeld sprake bij het transport van gevaarlijke stoffen over de N383/A31 ten zuiden van Marsum en door de buisleiding ten zuiden van die weg.

Dit aspect geeft geen uitgangspunten en belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen in het plan. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. Voor het bestemmingsplan zijn de volgende besluiten - waaraan getoetst moet worden - relevant:

  • 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • 2. Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS);
  • 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

3.2 Ecologie

Om inzicht te krijgen in de huidige natuurwaarden in en om het plangebied en de eventuele gevolgen van de geplande ontwikkelingen op de aanwezige waarden, dient in het kader van het bestemmingsplan een toetsing aan de Natuurbeschermingswet (gebiedstoets) en de Flora- en Faunawet (soortentoets) plaats te vinden. Daarnaast dient gekeken te worden naar effecten op de wezenlijke waarde van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Wanneer van toepassing wordt ook gekeken naar verplichtingen uit de Boswet.

Zoals aangegeven gaat het bij dit aspect om de locaties 1, 3 en 4. De percelen zijn al langere tijd onbebouwd. Om te achterhalen of sprake is van effecten van de gewenste ontwikkelingen op beschermde natuurgebieden en soorten is voor de genoemde locaties een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlagen (Bijlage 2).

In het onderzoek is in eerste instantie aandacht besteed aan de effecten van de gewenste ontwikkelingen op beschermde natuurgebieden. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Een toetsing aan de Natuurbeschermingswet is dan ook niet van belang. Ook ligging aan de ecologische hoofdstructuur is niet van toepassing.

Daarnaast is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora- en faunasoorten op de vier locaties van het plangebied. De aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen in het plangebied is niet aangetoond, maar deze kunnen mogelijk voorkomen. Daarom zijn bij het onderzoek aanbevelingen gedaan, waarmee rekening moet worden gehouden bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de daadwerkelijke realisatie van de gewenste bebouwing. Deze aanbevelingen hebben geen invloed op de juridische regeling in dit plan.

3.3 Geluid

In het kader van geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Vanuit deze wet gelden voorwaarden ten aanzien van wegverkeers-, spoorweg-, en industrielawaai. Luchtvaartlawaai is wel van belang, maar niet in genoemde wetgeving geregeld. Spoorweglawaai is in Marsum niet van toepassing.

3.3.1 Wegverkeerslawaai

Het aspect wegverkeerslawaai levert voor de locaties in het plangebied geen belemmeringen op. De wegen in en direct rond de locaties zijn 30 km-wegen waarvoor geen wettelijk geluidzone en dus onderzoeksplicht geldt. Op een afstand van 200 meter vanaf locaties 1 en 2 ligt een 80 km-weg. Deze weg heeft een wettelijke geluidzone van 250 meter. Onderzoek voor deze weg is niet nodig, omdat tussen deze weg en de bedoelde locaties bebouwing aanwezig, wat een geluiddempend effect heeft. Tot slot is op ruime afstand van de verschillende locaties, zuidelijk van Marsum, de weg N383/A31 een geluidsbron. Deze weg heeft een wettelijke contour van 400 meter die niet over het plangebied heen valt.

3.3.2 Industrielawaai

Over alle locaties is in het bestemmingsplan voor Marsum sprake van de aanduiding 'geluidszone - industrie' van de vliegbasis Leeuwarden. Een onderzoek naar industrielawaai is uitgevoerd voor alle locaties, omdat daarin geluidgevoelige objecten gerealiseerd worden. Het onderzoek is toegevoegd in de bijlagen (Bijlage 3).

Het onderzoek geeft inzicht in de geluidbelasting van het industrielawaai van de vliegbasis Leeuwarden. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op alle locaties onder de 55 dB(A) blijft. Dit is de wettelijke norm waarvoor een hogere grenswaarde vastgesteld kan worden. Het college van Burgemeester en Wethouders is hiertoe bevoegd. Nadere geluidsisolerende maatregelen zijn niet noodzakelijk voor de te realiseren geluidgevoelige bebouwing in het plangebied. De resultaten van het onderzoek hebben geen gevolgen voor de juridische regeling van dit wijzigingsplan.

3.3.3 Luchtvaartlawaai

Alle locaties vallen (grotendeels) onder de luchtvaartgeluidscontour van 50-55 Ke. Meer specifiek zijn de volgende geluidscontouren van toepassing; locatie 1: 51 Ke, locatie 2: 52 Ke en locaties 3 en 4: 53 Ke. In de bouwregels van het bestemmingsplan Marsum is bij de aanduiding voor luchtvaartlawaai is opgenomen dat nieuwe woningen alleen mogen worden gebouwd ter vervanging van bestaande woningen, wanneer voldaan is aan artikel 6 van het Besluit Geluidbelasting Grote Luchtvaart.

Bij die bouwregels is echter een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die onder andere wijziging van de hiervoor genoemde regels mogelijk maakt. Een voorwaarde daarbij is dat voor de vliegbasis een nieuw luchthavenbesluit (in het kader van het Besluit Militaire Luchthavens) in werking is getreden. Het nieuwe luchthavenbesluit is op 3 mei 2013 vastgesteld en kort daarna onherroepelijk geworden. De woningen mogen worden gebouwd wanneer voldaan wordt aan artikel 7 van het Besluit Militaire Luchthavens (BML).

Artikel 7 van het BML geeft aan dat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van onder meer woningen 65 Ke mag bedragen voor woningen die een open plek in de bestaande, te handhaven bebouwing binnen de bebouwde kom opvullen. Deze wijzigingsbevoegdheid geeft mogelijkheden voor de bouw van de woningen op alle locaties in het plangebied. Het gaat daarbij immers om inbreidingslocaties binnen de bestaande kern. Alle locaties hebben een geluidsbelasting van maximaal 55Ke, zoals aangegeven in het luchthavenbesluit voor de vliegbasis. De gewijzigde regels voor luchtvaartlawaai worden in dit wijzigingsplan meegenomen. Een nader onderzoek naar luchtvaartlawaai is niet nodig.

3.4 Archeologie

In 1.2 is aangegeven dat voor alle locaties de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" van toepassing is. Voor alle locaties kan (planologisch gezien) op een oppervlakte groter dan 50 m2 gebouwd worden. Dit betekent dat voor de locaties een archeologisch onderzoek nodig is. Dit onderzoek is uitgevoerd, de resultaten zijn toegevoegd in de bijlagen (Bijlage 4).

Het onderzoek geeft een gespecificeerde archeologische verwachting voor de verschillende locaties in het plangebied. Uit het onderzoek blijkt dat alleen op locatie 4 (Uniastrjitte) mogelijk een vindplaats aanwezig is. De verwachting is dat hier sprake is van een boerderijplaats al dan niet op een terpophoging. Voor deze locatie is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Wanneer geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 0,45 m kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan.

Door de uitkomsten van dit onderzoek is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" van de locaties 1, 2 en 3 verwijderd. De verwachting dat hier archeologische vindplaatsen aanwezig zijn is klein, zoals blijkt uit het onderzoek. De dubbelbestemming blijft wel van kracht op locatie 4. De regeling in de dubbelbestemming is aangepast aan de onderzoeksvereiste die geformuleerd is in het onderzoek.

3.5 Toetsingscriteria inpassing

Bij de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Marsum zijn toetsingscriteria opgenomen. De verschillende locaties worden aan hieraan getoetst.

3.5.1 Straat- en bebouwingsbeeld

Op de verschillende locaties is een eigen straat- en bebouwingsbeeld aanwezig, deze is in 2.1 globaal beschreven. Dit beeld wordt bepaald door de aard en afmetingen van de bebouwing, maar ook door de plaatsing in een rooilijn. De invulling van de nieuwe locaties moet zo goed mogelijk in het bestaande straat- en bebouwingsbeeld passen. De uitgangspunten daarvoor zijn in 2.2 beschreven. Bij die uitgangspunten is nadrukkelijk rekening gehouden met de omgeving. Dit is vertaald in de juridische regeling van dit wijzigingsplan.

3.5.2 Beschermd Dorpsgezicht

Dit toetsingscriterium is opgenomen voor de wijzigingsgebieden die in het gebied van het Beschermd Dorpsgezicht van Marsum liggen. De locaties van dit wijzigingsplan vallen daar echter niet onder. Een toetsing aan de inpasbaarheid in het Beschermd Dorpsgezicht is daarom niet van belang.

3.5.3 Woonsituatie

De verschillende locaties krijgen allemaal een woonfunctie. De omgeving van de locaties bestaan vooral uit woonbuurten. Door de toevoeging van woningen wordt de woonfunctie verder uitgebreid. Door de aard van de mogelijk gemaakte bebouwing en de ruimtelijke inpassing in het bestaande straat- en bebouwingsbeeld blijft de bestaande woonsituatie behouden en wordt deze waar mogelijk versterkt.

3.5.4 Milieusituatie

De (particuliere) woningen zijn geen milieubelastende functies, deze wijzigen de milieusituatie voor de omgeving niet. Andersom geredeneerd kunnen de om de locaties liggende functies en voorzieningen invloed hebben op de nieuwe woonpercelen. Voor locatie 1 is dit het aangrenzende bedrijventerrein, voor locatie 3 de ijsbaan en de sportvelden en voor locatie 4 het dorpshuis. Locatie 2 is buiten beschouwing gelaten, omdat het gaat om een bedrijfsperceel.

Voor het bedrijventerrein en het dorpshuis geldt een milieucategorie 2 met een richtafstand voor milieuhinder van maximaal 30 meter. Deze is gebaseerd op mogelijke geluidhinder. De ijsbaan en de sportvelden vallen onder een milieucategorie 3.1, met een richtafstand van maximaal 50 meter. De ijsbaan is daarbij een bijzondere situatie, omdat deze alleen in de winterperiode gebruikt wordt. In de praktijk komt dit neer op hooguit enkele weken in het jaar.

In alle situaties is echter geen sprake van een rustige woonwijk, maar met een gemengd gebied, door de functiemenging. De woonfunctie en andere functies komen direct naast elkaar voor. Om die reden kunnen de richtafstanden voor hinder gereduceerd worden naar een lagere categorie. De verwachting is dat de nieuwe woningen daarom geen onevenredige hinder ondervinden van de omliggende functies.

Het mogelijk te maken bedrijfspand heeft maximaal een milieucategorie 2, met een richtafstand voor hinder van 30 meter. Een dergelijke milieucategorie is goed verenigbaar met de woonfunctie. Bovendien is sprake van een gebied met functiemenging, namelijk wonen en bedrijven, waardoor een reductie van de milieucategorie mogelijk is. Het nieuwe bedrijf levert dan geen onevenredige hinder voor de omliggende woningen op.

3.5.5 Verkeersveiligheid

In de (woon)straten waaraan de locaties liggen is over het algemeen sprake van een goede verkeersveiligheid. Dit heeft te maken met de verkeersintensiteit en de maximumsnelheid op die wegen. Door de gewenste ontwikkeling groeit de verkeersintensiteit nauwelijks. De maximumsnelheid in het hele dorp blijft 30 km/uur. De verkeersveiligheid wordt door de gewenste ontwikkeling niet negatief ontwikkeld.

3.5.6 Sociale veiligheid

Door de toevoeging van woningen op de verschillende locaties, wordt de sociale controle op die omgeving - vooral in de middag- en avonduren - groter. Dit is bijvoorbeeld het geval door de toevoeging van woningen ('meer ogen') op het bedrijventerrein.

3.5.7 Gebruiksmogelijkheden aangrenzende gronden

De gebruiksmogelijkheden voor de aangrenzende gronden worden met dit wijzigingsplan niet onevenredig aangetast. Zoals uit voorgaande paragrafen blijkt, past de gewenste ontwikkeling op de verschillende locaties goed in de omgeving. De woningen zijn geen milieubelastende functies en het gewenste bedrijf is qua milieubelasting goed verenigbaar met de omgeving. De gewenste ontwikkelingen worden goed ruimtelijk in de omgeving ingepast.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

4.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het wijzigingsplan doorloopt de procedure zoals vastgelegd in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wro. Door het voeren van de genoemde procedure, met de daarbij horende zienswijzen-, c.q. beroepsprocedure, wordt de maatschappij betrokken bij het plan.

In eerste instantie is het ontwerpwijzigingsbesluit met bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de genoemde periode kunnen belanghebbenden bij het college van Burgemeester en Wethouders zienswijzen indienen omtrent het ontwerpwijzigingsbesluit. Het college heeft op 5 november 2013 besloten het ontwerpplan en -besluit ter visie te leggen. Tijdens de zienswijzenperiode is één zienswijze ingediend. Deze heeft niet geleid tot aanpassing van dit plan.

Het wijzigingsplan is op 28 januari 2014 vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders. Het besluit is opgenomen in de bijlagen bij dit plan. Vervolgens wordt het bekend gemaakt en ter inzage gelegd.

4.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van dit plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van de plannen (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

4.2.1 Financiële haalbaarheid

De gemeente Menameradiel heeft besloten een juridisch kader te maken om de gewenste ontwikkeling (2.2) mogelijk te maken. Zij heeft hiervoor financiële middelen beschikbaar. De gronden van de locaties 1, 2 en 3, zijn in eigendom bij de gemeente. Locatie 4 is in particulier eigendom. Door middel van actief grondbeleid worden de bouwrijp gemaakte locaties uitgegeven. Door de opbrengsten daaruit kunnen de gemaakte kosten worden gedekt.

4.2.2 Grondexploitatie

Bij wijzigingsplannen die bouwplannen mogelijk maken, is de grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. De vaststelling van een exploitatieplan bij dit wijzigingsplan is in principe verplicht. Via dit wijzigingsplan worden immers bouwplannen (zoals genoemd in het Besluit ruimtelijke ordening) mogelijk gemaakt. Van de vaststelling van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer onder meer het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

Bij de locaties van dit wijzigingsplan is sprake van actief grondbeleid van de gemeente. De door haar gemaakte kosten worden verhaald via de uitgifte (verkoop) van de gronden. De vaststelling van een exploitatieplan bij dit bestemmingsplan is daarom niet van belang.

Hoofdstuk 5 Juridische regeling

Het wijzigingsplan bestaat uit een ruimtelijke verbeelding van het plan en de daarbij horende juridische regeling. Deze juridische regeling bestaat uit regels, waaronder de bestemmingsregels. Deze zijn nodig in verband met de wijziging van de percelen naar een andere functie, of de toevoeging van bouwmogelijkheden. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit wijzigingsplan.

5.1 Bestemmingsregels

In de wijzigingsbevoegdheid voor de verschillende locaties is aangegeven welke regels na wijziging van toepassing zijn. Het gaat daarbij om de regels zoals deze al zijn opgenomen in het bestemmingsplan voor Marsum. In het geval van de woonlocaties 1, 3 en 4 is dit de bestemming "Wonen", bij het bedrijfsperceel (locatie 2) de bestemming "Bedrijf". Inhoudelijk mogen deze bestemmingsregels niet worden aangepast, de systematiek ervan is dan ook overgenomen in dit wijzigingsplan.

De bestaande dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" was in eerste instantie opgenomen voor alle locaties. Uit het archeologisch onderzoek is gebleken dat dit alleen nog voor locatie 4 nodig is. De regeling van de dubbelbestemming is daarna aangepast aan de onderzoeksvereisten zoals deze genoemd zijn in het onderzoek. Een vervolgonderzoek is op deze locatie noodzakelijk.

Op de ruimtelijke verbeelding is maatwerk toegepast waar het gaat om de bouwvlakken en maximale bouwmogelijkheden. Dit is gebaseerd op de gewenste situatie op de locaties (zie 2.2), de daarin verwerkte welstandscriteria en de geldende mogelijkheden.

5.2 Algemene regels

Hierin zijn onder meer algemene aanduidingsregels opgenomen. Ten opzichte van het bestemmingsplan voor Marsum zijn de algemene aanduidingregels gewijzigd. Het gaat daarbij om de regels voor 'geluidzone - luchtvaart 45-50 Ke' en 'geluidzone - luchtvaart 50-55 Ke' die van toepassing zijn op het plangebied. Deze regels zijn aangepast aan het Besluit Militaire Luchthavens, naar aanleiding van de inwerkingtreding van het nieuwe luchthavenbesluit voor de vliegbasis Leeuwarden. Door deze wijziging kunnen de gewenste ontwikkelingen in het plangebied plaatsvinden. Een nadere toelichting hierop staat in 3.3.3.